Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land

Geldend van 01-10-2010 t/m heden

Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Verkeer en Waterstaat;

Gelet op richtlijn nr. 1999/31/EG van de Raad van de Europese Unie van 26 april 1999, betreffende het storten van afvalstoffen (PbEG L 182), en op de artikelen 8.5, eerste lid, 8.15, eerste lid, 8.44, eerste lid, 8.45, eerste lid, 8.49, vijfde lid, 21.2, tweede lid, en 21.6, zesde lid, van de Wet milieubeheer;

Besluit:

Hoofdstuk I. Algemeen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. storten van afvalstoffen:

op of in de bodem brengen van afvalstoffen, al dan niet in verpakking, om deze stoffen daar te laten;

b. stortplaats:

inrichting waar afvalstoffen worden gestort, dan wel het gedeelte van een inrichting, waar afvalstoffen worden gestort, indien in de inrichting niet uitsluitend afvalstoffen worden gestort;

c. stortplaats voor baggerspecie op land:

een stortplaats waar uitsluitend baggerspecie wordt gestort en die niet is gelegen in aan de oppervlakte staand water, op of in de bodem onder zodanig water of op of in de bodem onder de voor zodanig water bestemde ruimte;

d. bestaande stortplaats voor baggerspecie op land:

stortplaats voor baggerspecie op land waarvoor reeds een vergunning is verleend op het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt en waar het storten van baggerspecie na het in werking treden van deze regeling niet is beëindigd;

e. omgevingsvergunning:

omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht met betrekking tot een stortplaats voor baggerspecie op land;

f. bijlagen 1, 2 en 3:

de bij deze regeling behorende bijlagen 1, 2 onderscheidenlijk 3;

g. streefwaarde:

de streefwaarde voor het grondwater, bedoeld in kolom 1 van bijlage 1;

h. toelaatbare flux:

de toelaatbare flux, bedoeld in kolom 2 van bijlage 1;

i. toelaatbaar beïnvloed gebied:

het gebied direct buiten de stortplaats, berekend overeenkomstig bijlage 2, waarin controle wordt uitgeoefend om na te gaan of het interventiepunt zal worden overschreden;

j. geohydrologisch isolatiesysteem:

het geohydrologisch isolatiesysteem, bedoeld in artikel 11, eerste lid, onder b;

k. interventiepunt:

de situatie waarin zich ten gevolge van de stortplaats voor het grondwater significante nadelige effecten hebben voorgedaan, bepaald overeenkomstig deze regeling.

Artikel 2

  • 1 In deze regeling wordt verder verstaan onder:

    • a. baggerspecie:

      gebaggerde waterbodem;

    • b. gevaarlijke baggerspecie:

      baggerspecie welke een gevaarlijke afvalstof is.

  • 2 In deze regeling worden onder baggerspecie niet begrepen:

    • a. voorwerpen die afzonderlijk van of uit de waterbodem zijn verwijderd, voorwerpen die redelijkerwijs tijdens het baggeren uit de baggerspecie kunnen worden verwijderd, alsmede voorwerpen die na het baggeren uit de baggerspecie zijn verwijderd;

    • b. waterbodem die is gewonnen met het oog op de toepassing als grondstof;

    • c. waterbodem die niet uit de bodem is weggenomen via het oppervlaktewater of de voor dat water bestemde ruimte;

    • d. baggerspecie die is ontwaterd of gerijpt met het oog op de toepassing als grond, voorzover zij en voldoet aan de eisen van het Besluit bodemkwaliteit;

    • e. stoffen en producten die zijn ontstaan door de behandeling of toepassing van baggerspecie, het residu van de behandeling daaronder niet begrepen.

Artikel 3

Deze regeling is uitsluitend van toepassing op stortplaatsen voor baggerspecie op land.

Artikel 4

Het is verboden op een stortplaats voor baggerspecie op land gevaarlijke baggerspecie te storten.

Hoofdstuk II. De aanvraag om het verlenen of wijzigen van een omgevingsvergunning

Artikel 5

  • 1 De aanvrager vermeldt, op basis van door hem uitgevoerde berekeningen, met betrekking tot de immissie van verontreiniging vanuit de stortplaats naar het grondwater, in of bij de aanvraag:

    • a. of het verontreinigingsgehalte van het poriënwater voor enige stof de streefwaarde zal overschrijden;

    • b. indien de situatie, bedoeld onder a, zich zal voordoen: of de toelaatbare flux voor de betrokken stof of stoffen zal worden overschreden;

    • c. indien de situatie, bedoeld onder b, zich zal voordoen:

      • 1º. of de streefwaarde voor de betrokken stof of stoffen ten gevolge van de immissie zal worden overschreden buiten het toelaatbaar beïnvloed gebied;

      • 2º. wat de berekende jaarlijkse vracht aan verontreinigingen is in het poriënwater.

  • 2 De aanvrager vermeldt voorts in of bij de aanvraag:

    • a. indien de streefwaarde voor de betrokken stof of stoffen zal worden overschreden buiten het toelaatbaar beïnvloed gebied: in hoeverre direct buiten het toelaatbaar beïnvloed gebied een natuurlijke en effectieve geohydrologische isolatie optreedt;

    • b. indien de streefwaarde voor de betrokken stof of stoffen niet zal worden overschreden buiten het toelaatbaar beïnvloed gebied: of zulks uitsluitend het gevolg is van verdunning ten gevolge van locatiespecifieke omstandigheden.

  • 3 De gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden berekend:

    • a. op de wijze als aangegeven in bijlage 2, en

    • b. met behulp van een berekeningsmodel waarmee het bevoegd gezag schriftelijk heeft ingestemd.

Artikel 6

  • 1 Tevens wordt in of bij de aanvraag vermeld welke maatregelen als bedoeld in artikel 11 zijn voorzien om:

    • a. de verspreiding van verontreinigende stoffen buiten de stortplaats te voorkomen of te beperken, en

    • b. in elk geval te voorkomen dat de streefwaarde voor enige stof wordt overschreden buiten het toelaatbaar beïnvloed gebied.

  • 2 Berekend overeenkomstig artikel 5, derde lid, wordt in de aanvraag vermeld of de voorziene maatregelen voldoende zijn om het beoogde doel te bereiken.

  • 3 Voorts wordt in de aanvraag vermeld of de exploitant van de stortplaats in de directe nabijheid van de inrichting kan aanleggen en in werking stellen en houden:

    • a. een geohydrologisch isolatiesysteem;

    • b. een controlesysteem als bedoeld in artikel 16.

Artikel 7

Ingeval van een aanvraag om een wijziging van de omgevingsvergunning behoeven de gegevens, bedoeld in de artikelen 5 en 6, slechts te worden overgelegd, indien de feitelijk bestaande of de aangevraagde situatie niet overeenstemt met de aannames die ten grondslag hebben gelegen aan de gegevens die krachtens de artikelen 5 en 6 reeds bij een eerdere aanvraag aan het bevoegd gezag waren overgelegd.

Hoofdstuk III. De exploitatiefase

§ 1. Algemeen

Artikel 8

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op bestaande stortplaatsen voor baggerspecie op land, voorzover de omgevingsvergunning voor de stortplaats geldt voor een termijn welke ten minste voortduurt tot 16 juli 2002.

§ 2. De aanvang van de exploitatie van de stortplaats

Artikel 9

Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voorschriften, inhoudende dat geen baggerspecie wordt gestort alvorens:

  • a. het bevoegd gezag na inspectie van de stortplaats schriftelijk aan degene die de inrichting drijft heeft medegedeeld dat is voldaan aan de voorschriften die aan de omgevingsvergunning zijn verbonden ingevolge de artikelen 10 tot en met 15;

  • b. de concentratie van elke parameter, bedoeld in artikel 20, eerste lid, is bepaald op ten minste drie daartoe aangewezen meetpunten, met inachtneming van artikel 17;

  • c. degene die de stortplaats drijft schriftelijk bewijs aan het bevoegd gezag heeft overgelegd dat overeenkomstig artikel 28, eerste lid, financiële zekerheid is gesteld dan wel dat overeenkomstig artikel 29, tweede lid, een gelijkwaardige voorziening is getroffen.

§ 3. De voorzieningen en de exploitatie van de stortplaats

Artikel 10

Indien is berekend dat de streefwaarde voor enige stof zal worden overschreden buiten het toelaatbaar beïnvloed gebied, verbindt het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning voorschriften die strekken tot het treffen van zodanige maatregelen dat de berekeningen conform bijlage 2, rekening houdend met deze maatregelen, geen zodanige overschrijding uitwijzen.

Artikel 11

  • 1 De voorschriften, bedoeld in artikel 10, houden in dat een of meer van de volgende maatregelen worden getroffen:

    • a. het aanbrengen van een organisch stofrijke minerale laag op de bodem dan wel op de bodem en de taluds van de stortplaats, of

    • b. het aanbrengen van een geohydrologisch isolatiesysteem waarmee duurzaam wordt voorkomen dat het interventiepunt wordt bereikt.

  • 2 In de omgevingsvergunning worden zodanige voorschriften gegeven met betrekking tot de te nemen maatregelen, dat deze maatregelen een voldoende effectieve werking en duurzaamheid hebben.

  • 3 Het bevoegd gezag kan een andere maatregel voorschrijven dan die bedoeld in het eerste lid, onder a en b, mits voor deze andere maatregel een ten minste gelijkwaardige werking en duurzaamheid kan worden aangetoond of in voldoende mate aannemelijk is gemaakt.

Artikel 12

Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning in ieder geval voorschriften, inhoudende dat het aanbrengen en in werking stellen en houden van een geohydrologisch isolatiesysteem te allen tijde mogelijk moet zijn.

Artikel 13

Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voorschriften, inhoudende dat:

  • a. het geohydrologisch isolatiesysteem, indien dat is aangebracht, in goede staat is en wordt gehouden en waar nodig, wordt hersteld of vervangen;

  • b. het met behulp van het geohydrologisch isolatiesysteem opgepompte water wordt opgevangen, verzameld en gezuiverd of afgevoerd op een zodanige wijze dat geen gevaar bestaat voor verontreiniging van de bodem, daaronder begrepen het grondwater.

Artikel 14

  • 1 Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voorschriften, inhoudende dat op de stortplaats uitsluitend niet-gevaarlijke baggerspecie mag worden gestort.

  • 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 11d van het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen, verbindt het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning voorschriften, aangevende:

    • a. het toegelaten herkomstgebied van de baggerspecie;

    • b. welke klasse, klassen of verontreinigingsgraad van de baggerspecie op de stortplaats mag worden gestort;

    • c. welke totale hoeveelheid baggerspecie op de stortplaats mag worden gestort, uitgedrukt in tonnen droge stof en dichtheid;

    • d. tot welke hoogte mag worden gestort.

  • 3 Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voorschriften, inhoudende dat onder bijzondere omstandigheden en met afzonderlijke instemming van het bevoegd gezag, afgeweken mag worden van het bepaalde in het tweede lid, onder a en b.

Artikel 15

Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voorts voorschriften, inhoudende dat:

  • a. de hoeveelheid baggerspecie per oppervlakte-eenheid zo groot mogelijk is;

  • b. de minst verontreinigde baggerspecie zoveel mogelijk op de bodem en langs de taluds van de stortplaats wordt aangebracht.

§ 4. Toezicht en controle

Artikel 16

  • 1 Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voorschriften, inhoudende dat een deugdelijk controlesysteem aanwezig is, waarmee het niveau en de kwaliteit van het grondwater alsmede de hoeveelheid en de kwaliteit van het oppervlaktewater in de directe omgeving van de stortplaats kunnen worden onderzocht.

  • 2 Met het controlesysteem moet in elk geval kunnen worden nagegaan:

    • a. of en in welke mate verontreinigende stoffen zich verspreiden in het oppervlaktewater en het grondwater in de omgeving van de stortplaats;

    • b. of het interventiepunt voor enige stof in het grondwater zal worden of is bereikt.

  • 3 Het ontwerp van het controlesysteem moet zijn gekoppeld aan het ontwerp voor het geohydrologisch isolatiesysteem en hetgeen overeenkomstig bijlage 2 is berekend.

Artikel 17

Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voorschriften, inhoudende dat:

Artikel 18

  • 1 Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voorschriften, inhoudende de verplichting om ten aanzien van het oppervlaktewater:

    • a. een inventarisatie uit te voeren waarbij de ligging, de omvang en de kenmerken van het, in de potentiële invloedssfeer van de stortplaats gelegen, oppervlaktewater worden vastgesteld;

    • b. de daartoe bij de omgevingsvergunning aangegeven parameters in dat oppervlaktewater te meten.

  • 2 Bij de omgevingsvergunning worden ten minste twee meetpunten voor het oppervlaktewater aangewezen, die zodanig zijn gekozen dat uit de daar uitgevoerde metingen een mogelijke beïnvloeding door de stortplaats is vast te stellen.

  • 3 De metingen worden verricht met een frequentie van ten minste eenmaal per drie maanden, of met een bij de omgevingsvergunning aangegeven lagere frequentie als de evaluatie van de gegevens aangeeft dat langere tussenpozen even effectief zijn.

  • 4 In afwijking van het eerste lid kan het bevoegd gezag bepalen dat de metingen op grond van de kenmerken van de stortplaats niet vereist zijn.

Artikel 19

Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voorschriften, inhoudende de verplichting om het niveau van het grondwater in en in de directe omgeving van de stortplaats ten minste halfjaarlijks te bepalen op de daartoe aangegeven punten.

Artikel 20

  • 1 In de omgevingsvergunning wordt aangegeven:

    • a. welke parameters moeten worden gemeten in het grondwater;

    • b. op welke diepte of diepten in de bodem de monsters op elk meetpunt moeten worden genomen.

  • 2 In de omgevingsvergunning wordt voorts bepaald dat de parameters worden gemeten:

    • a. op de referentiepunten en de controlemeetpunten, bepaald op de wijze, aangegeven in artikel 21, en

    • b. met een bij de omgevingsvergunning aangegeven frequentie, welke ten minste eenmaal per jaar bedraagt.

  • 3 De metingen worden verricht in een daartoe bij de omgevingsvergunning aangewezen vast tijdvak in het jaar.

Artikel 21

  • 1 Op basis van een schriftelijk advies van een terzake kundige worden aan de omgevingsvergunning voorschriften verbonden met betrekking tot het vaststellen van referentiepunten en controlemeetpunten.

  • 2 Als referentiepunten worden in de omgevingsvergunning één of meer meetpunten aangewezen die tezamen een betrouwbaar beeld geven van de concentratie van de betrokken stoffen in het grondwater in de nabijheid van de stortplaats zonder dat beïnvloeding van de stortplaats heeft plaatsgevonden.

  • 3 Als controlemeetpunten worden in de omgevingsvergunning één of meer meetpunten in het toelaatbaar beïnvloed gebied aangewezen die tezamen een betrouwbaar beeld geven van de verspreiding van de betrokken stoffen. De locatie is zodanig dat tijdig maatregelen kunnen worden getroffen om te voorkomen dat de concentratie van een stof buiten het toelaatbaar beïnvloed gebied gelijk is aan of groter is dan de signaalwaarde voor die stof, vermeerderd met de streefwaarde voor die stof.

  • 4 Indien het niet mogelijk is de referentiepunten en de controlemeetpunten in de omgevingsvergunning aan te geven, wordt in de omgevingsvergunning bepaald dat zij door het bevoegd gezag afzonderlijk worden bepaald op de wijze, daartoe in de omgevingsvergunning aangegeven.

Artikel 22

  • 1 In de omgevingsvergunning wordt bepaald dat voor de parameters die ingevolge artikel 20 in het grondwater moeten worden gemeten, signaalwaarden worden vastgesteld.

  • 2 Indien één referentiepunt is aangewezen, is:

    • a. de signaalwaarde van de desbetreffende stof de concentratie van een stof op het referentiepunt, vermenigvuldigd met 1,3, indien minder dan 30 metingen zijn verricht, dan wel

    • b. de waarde waar beneden 98% van de waarnemingen liggen, indien 30 of meer metingen zijn uitgevoerd.

  • 3 Indien meer dan één referentiepunt is aangewezen, wordt als signaalwaarde voor een stof gehanteerd het gemiddelde van de signaalwaarden op de afzonderlijke referentiepunten.

Artikel 23

  • 1 In de omgevingsvergunning wordt bepaald dat het interventiepunt is bereikt indien:

    • a. de gemeten concentratie van een stof op een of meer van de controlemeetpunten gelijk is aan of groter is dan de signaalwaarde voor die stof, vermeerderd met de streefwaarde voor die stof;

    • b. dit meetresultaat is bevestigd door middel van een herhaalde meting, uitgevoerd door een terzake kundige, en

    • c. onderzoek is verricht naar de oorzaak van de gemeten concentratie, dan wel de voor het verrichten van het onderzoek in de omgevingsvergunning aangegeven termijn is verstreken.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is het interventiepunt niet bereikt indien uit het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onder c, is gebleken dat de gemeten concentratie niet is veroorzaakt door de stortplaats.

  • 3 In de omgevingsvergunning wordt bepaald dat de herhaalde meting, bedoeld in het eerste lid, onder b, en het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, onder c, worden verricht op de wijze en binnen de termijn, daartoe aangegeven in de omgevingsvergunning.

  • 4 Het bevoegd gezag bepaalt in de omgevingsvergunning dat het bereiken van het interventiepunt terstond aan het bevoegd gezag wordt gemeld.

Artikel 24

  • 1 Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voorschriften, inhoudende dat een urgentieplan op hoofdlijnen wordt opgesteld, waarin is aangegeven welke maatregelen kunnen worden getroffen ingeval het interventiepunt wordt bereikt.

  • 2 Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voorts voorschriften, inhoudende dat het urgentieplan op hoofdlijnen bij het bereiken van het interventiepunt wordt uitgewerkt in overleg met het bevoegd gezag en binnen een door het bevoegd gezag gestelde termijn.

  • 3 In het uitgewerkte urgentieplan worden ten minste aangegeven:

    • a. de te treffen maatregelen om te voorkomen dat de concentratie van de betrokken stof of stoffen buiten het toelaatbaar beïnvloed gebied gelijk zal zijn aan of groter zal zijn dan de signaalwaarde voor die stof, vermeerderd met de streefwaarde voor die stof;

    • b. indien een situatie als bedoeld onder a reeds is opgetreden: de te treffen maatregelen om deze situatie ongedaan te maken;

    • c. de termijnen die in acht genomen moeten worden bij het uitvoeren van de maatregelen;

    • d. de wijze waarop zal worden gecontroleerd of de maatregelen het beoogde effect teweegbrengen.

  • 4 In de omgevingsvergunning wordt bepaald dat het uitgewerkte plan wordt uitgevoerd binnen de in het plan aangegeven termijn.

§ 5. Registratie en verslaglegging

Artikel 25

Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voorschriften, inhoudende dat de uitkomsten van de controle, bedoeld in de vorige paragraaf, op schrift worden gesteld en worden bewaard.

Artikel 26

Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voorschriften, inhoudende dat aan het bevoegd gezag eenmaal per jaar of zoveel vaker als het bevoegd gezag eist, verslag wordt uitgebracht van:

  • a. de uitkomsten van de controle;

  • b. de hoeveelheid baggerspecie die over het verstreken jaar op de stortplaats is gestort, uitgedrukt in tonnen droge stof en dichtheid;

  • c. tot welke hoogte baggerspecie is gestort;

  • d. het met baggerspecie bedekte oppervlak;

  • e. de toegepaste stortmethode of stortmethoden;

  • f. het herkomstgebied van de gestorte baggerspecie;

  • g. de klasse of verontreinigingsgraad van de gestorte baggerspecie;

  • h. het consolidatiegedrag in de stortplaats;

  • i. de resterende stortcapaciteit op de stortplaats, uitgedrukt in tonnen droge stof en dichtheid.

Artikel 27

Het bevoegd gezag zendt een afschrift van het verslag, bedoeld in artikel 26, aan de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.

§ 6. Financiële zekerheid

Artikel 28

  • 1 Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voorschriften, inhoudende dat degene die de stortplaats drijft, financiële zekerheid stelt voor het tijdens de exploitatiefase van de stortplaats:

    • a. zo nodig alsnog aanbrengen van een geohydrologisch isolatiesysteem;

    • b. zo nodig overeenkomstig artikel 30 aanbrengen van een afdeklaag op de gestorte baggerspecie.

  • 2 Het bevoegd gezag geeft daarbij het bedrag aan waarvoor de zekerheid in stand moet worden gehouden. Dit bedrag bedraagt ten hoogste € 1 per ton droge stof.

Artikel 29

  • 1 Artikel 28 is niet van toepassing op stortplaatsen voor baggerspecie op land die worden gedreven of mede worden gedreven door de Minister van Verkeer en Waterstaat.

  • 2 Indien burgemeester en wethouders, gedeputeerde staten of het bestuur van een waterschap vergunninghouder zijn, kan in plaats van financiële zekerheid een gelijkwaardige voorziening worden getroffen.

§ 7. Het einde van de exploitatie van de stortplaats

Artikel 30

Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voorschriften, inhoudende dat na het beëindigen van de stortwerkzaamheden zo nodig een afdeklaag wordt aangebracht op de gestorte baggerspecie.

Hoofdstuk IV. De nazorgfase

Artikel 31

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op stortplaatsen die op grond van artikel 8.47, derde lid, van de Wet milieubeheer gesloten zijn verklaard op het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt.

Artikel 32

  • 2 Indien de stortplaats niet langer zodanig gevaar voor het milieu kan opleveren dat de verplichtingen, bedoeld in het eerste lid, ongewijzigd moeten worden voorgezet, kan het bevoegd gezag besluiten dat deze verplichtingen geheel of ten dele worden beëindigd of aangepast, dan wel worden vervangen door andere verplichtingen.

Hoofdstuk V. Bepalingen voor bestaande stortplaatsen voor baggerspecie op land

Artikel 33

Dit hoofdstuk is van toepassing op bestaande stortplaatsen voor baggerspecie op land, voorzover de omgevingsvergunning voor de stortplaats geldt voor een termijn welke ten minste voortduurt tot 16 juli 2002.

Artikel 34

Degene die een bestaande stortplaats voor baggerspecie op land drijft, dient voor 16 juli 2002 bij het bevoegd gezag een plan in waarin zijn opgenomen:

  • a. de gegevens, bedoeld in artikel 5, voorzover deze op het genoemde tijdstip redelijkerwijs vergaard kunnen zijn, alsmede de gegevens, bedoeld in artikel 6;

  • b. de in de vijf jaren voorafgaande aan het indienen van het plan beschikbaar gekomen controlegegevens, voorzover deze niet eerder aan het bevoegd gezag zijn overgelegd;

  • c. de wijze waarop financiële zekerheid, als bedoeld in artikel 28, eerste lid, is of wordt gesteld, dan wel een gelijkwaardige voorziening als bedoeld in artikel 29, tweede lid, is of wordt getroffen.

Artikel 35

  • 1 Het bevoegd gezag past na bestudering van het plan zo nodig en zo mogelijk de voorschriften van de vergunning aan met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk III van deze regeling.

  • 2 Het bevoegd gezag bepaalt daarbij het tijdstip waarop aan de desbetreffende voorschriften is voldaan. Dit tijdstip is gelegen vóór 16 juli 2009.

Artikel 36

Het bevoegd gezag trekt de omgevingsvergunning uiterlijk op 16 juli 2009 in, indien:

  • a. vóór 16 juli 2002 geen plan is ingediend, of

  • b. de stortplaats niet of niet tijdig in overeenstemming kan worden gebracht met het bepaalde in deze regeling.

Hoofdstuk VI. Verdere bepaling

Artikel 37

Het bevoegd gezag kan nadere eisen stellen met betrekking tot de onderwerpen waarop deze regeling betrekking heeft.

Hoofdstuk VII. Slotbepalingen

Artikel 38

[Red: Wijzigt deze regeling.]

Artikel 39

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

  • 2 Indien het Besluit van 5 juli 2001 tot wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en enige andere besluiten ter uitvoering van richtlijn 1999/31/EG van de Raad van de Europese Unie van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen (PbEG L 182) (Stb. 336) op het in het eerste lid bedoelde tijdstip nog niet inwerking is getreden, treedt deze regeling inwerking met ingang van het tijdstip waarop dat besluit in werking treedt.

  • 3 In afwijking van het eerste en tweede lid treedt artikel 4 in werking op de dag waarop de Europese lijst van gevaarlijke afvalstoffen (beschikking 2000/532/EG van 3 mei 2000 tot vervanging van Beschikking 94/3/EG houdende vaststelling van een lijst van afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, onder a, van Richtlijn nr. 75/442/EEG van de Raad betreffende afvalstoffen en Beschikking 94/904/EG van de Raad tot vaststelling van een lijst van gevaarlijke afvalstoffen overeenkomstig artikel 1, vierde lid, van Richtlijn 91/689/EEG van de Raad betreffende gevaarlijke afvalstoffen (PbEG L 226)) in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd.

Artikel 40

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling stortplaatsen voor baggerspecie op land.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 9 juli 2001

De

Minister

van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.P. Pronk

Bijlage 1. Behorende bij artikel 1 onder g en h

Streefwaarden voor het grondwater en maximaal toelaatbare flux voor stort-plaatsen voor baggerspecie op land (Streefwaarden grondwater in µg/l (opgelost), maximaal toelaatbare flux in g/ha/j)
Stof Streefwaarde grondwater Maximaal toelaatbare flux
  (in µg/l (opgelost)) (in g/ha/j)
I Metalen  

Antimoon

0,15

0,39

Arseen

7,2

4,35

Barium

200

63

Cadmium

0,06

0,12

Chroom

2,5

15

Kobalt

0,7

3

Koper

1,3

5,4

Kwik

0,01

0,045

Lood

1,7

12,75

Molybdeen

3,6

1,5

Nikkel

2,1

5,25

Zink

24

21

     
II Anorganische verbindingen  

Cyaniden-vrij

5

0,15

Cyaniden-complex (pH<5)

Zuurgraad: pH (0.01 M CaCl2). Voor de bepaling pH groter dan of gelijk aan 5 en pH kleiner dan 5 geldt het 90-percentiel van de gemeten waarden.

10

0,75

Cyaniden-complex (pH >5)

Zuurgraad: pH (0.01 M CaCl2). Voor de bepaling pH groter dan of gelijk aan 5 en pH kleiner dan 5 geldt het 90-percentiel van de gemeten waarden.

10

0,75

   

Bromide

0,3 mg Br/l

3

Chloride

100 mg Cl/l

300

Fluoride

0,5 mg F/l

140

     
III Aromatische verbindingen  

Benzeen

0,2

0,4

Ethylbenzeen

4

8

Tolueen

7

14

Xylenen

0,2

0,4

Styreen (vinylbenzeen)

6

12

Fenol

0,2

0,4

Cresolen (som)

0,2

0,4

Catechol(o-dihydroxybenzeen)

0,2

0,4

Resorcinol(m-dihydroxybenzeen)

0,2

0,4

Hydrochinon(p-dihydroxybenzeen)

0,2

0,4

     
IV Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's)  

Naftaleen

0,01

0,02

Antraceen

0,0007

0,0014

Fenantreen

0,003

0,006

Fluorantheen

0,003

0,006

Benzo(a)antraceen

0,0001

0,0002

Chryseen

0,003

0,006

Benzo(a)pyreen

0,0005

0,001

Benzo(ghi)peryleen

0,0003

0,0006

Benzo(k)fluorantheen

0,0004

0,0008

Indeno(1,2,3-cd)pyreen

0,0004

0,0008

     
V Gechloreerde koolwaterstoffen  

Vinylchloride

0,01

0,02

Dichloormethaan

0,01

0,02

1,1-dichloorethaan

7

14

1,2-dichloorethaan

7

14

1,1-dichlooretheen

0,01

0,02

1,2-dichlooretheen (cis en trans)

0,01

0,02

dichloorpropanen

0,8

1,6

trichloormethaan (chloroform)

6

12

1,1,1-trichloorethaan

0,01

0,02

1,1,2-trichloorethaan

0,01

0,02

trichlooretheen (Tri)

24

48

tetrachloormethaan (Tetra)

0,01

0,02

tetrachlooretheen (Per)

0,01

0,02

Stof Streefwaarde grondwater Maximaal toelaatbare flux
  (in µg/l (opgelost)) (in g/ha/j)

monochloorbenzeen

7

14

dichloorbenzenen

3

6

trichloorbenzenen

0,01

0,02

tetrachloorbenzenen

0,01

0,02

pentachloorbenzeen

0,003

0,006

hexachloorbenzeen

0,00009

0,00018

     

monochloorfenolen (som)

0,3

0,6

dichloorfenolen

0,2

0,4

trichloorfenolen

0,03

0,06

tetrachloorfenolen

0,01

0,02

pentachloorfenol

0,04

0,08

     

polychloorbifenylen (som)

Onder streefwaarde polychloorbifenylen (som) wordt verstaan: de som van PCB 28, 52, 101, 138, 153, 180. De streefwaarde bevat niet PCB 118.

0,01

0,02

     
VI Bestrijdingsmiddelen  

DDT/DDE/DDD

Onder DDT/DDD/DDE wordt verstaan: de som van DDT, DDD en DDE.

0,004 ng/l

0,000008

Aldrin

0,009 ng/l

0,000018

Dieldrin

0,1 ng/l

0,0002

Endrin

0,04 ng/l

0,00008

HCH-verbindingen

Onder HCH-verbindingen wordt verstaan: som van α-HCH, ß-HCH, γ-HCH en δ-HCH.

0,05

0,1

α-HCH

33 ng/l

0,066

ß-HCH

8 ng/l

0,016

γ-HCH

9 ng/l

0,018

atrazine

29 ng/l

0,038

carbaryl

2 ng/l

0,004

carbofuran

9 ng/l

0,018

chloordaan

0,02 ng/l

0,00004

endosulfan

0,2 ng/l

0,0004

heptachloor

0,005 ng/l

0,00001

heptachloor-epoxide

0,005 ng/l

0,00001

Maneb

0,05 ng/l

0,0001

MCPA

0,02

0,02

organotinverbindingen

0,05-16 ng/l

0,0001 - 0,038

     
VII Overige verontreinigingen  

cyclohexanon

0,5

1

Ftalaten (som)

Onder de ftalaten wordt de som van alle ftalaten verstaan.

0,5

1

minerale olie

De definitie van minerale olie wordt beschreven in Staatscourant 39, 2000. Indien er sprake is van verontreiniging met mengsels (bijvoorbeeld benzine of huisbrandolie) dan dient naast het alkaangehalte ook het gehalte aan aromatische en/of polycyclische aromatische koolwaterstoffen bepaald te worden.

50

100

pyridine

0,5

1

tetrahydrofuran

0,5

1

tetrahydrothiofeen

0,5

1

Bijlage 2. Behorende bij artikel 1 onder i, artikel 5, derde lid, artikel 10 en artikel 16, derde lid

1. Bepaling van de kwaliteit van de poriënwaterconcentraties

Voor de bepaling van de kwaliteit van het poriënwater zijn gegevens nodig over de totaalconcentratie in het sediment, de verdelingscoëfficiënt tussen vaste stof en water en de concentratie in het poriënwater. Voor organische parameters en zware metalen is de aanpak verschillend. Er kan praktijkonderzoek worden gedaan in het gebied van herkomst of, onder voorwaarden, gebruik worden gemaakt van literatuurgegevens.

1.1. Organische parameters Onderzoek in het herkomstgebied

Uit het herkomstgebied moeten de totaalconcentraties in het sediment (mg/kg sediment) van een breed pakket aan parameters worden geanalyseerd volgens NVN 5720 (2000) `Bodem - Waterbodem - Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek' en de meetvoorschriften waarnaar daarin wordt verwezen. Hierbij moet ook het organisch koolstofgehalte worden gemeten. Onder de aanname dat alle verontreinigende stoffen aan het organisch koolstof gebonden is, moet per monster de concentratie van de parameters worden uitgedrukt in `mg/kg organisch koolstof'.

Door centrifugeren van het sediment wordt het poriënwater verkregen. Het poriënwater wordt geanalyseerd volgens de normen die zijn opgenomen in Staatscourant 39, 2000 (tabel 4). Als de bepalingsgrens van de meetmethode hoger ligt dan de streefwaarde grondwater (dit is in de tabel aangegeven), dan geldt de bepalingsgrens als streefwaarde grondwater. Een overschrijding van de bepalingsgrens verplicht dan tot het doorlopen van stap 2. De keuze van de stoffen waarvan de concentratie in het poriënwater wordt gemeten moet worden gebaseerd op de metingen van de totaalconcentraties van de parameters in het slib en literatuurgegevens die een indicatie geven over de mobiliteit van de aanwezige parameters.

Gebruik van literatuurgegevens

Indien het uitvoeren van veldmetingen van het sediment en poriënwater om welke redenen dan ook niet opportuun is, kunnen, na goedkeuring van het bevoegd gezag, poriënwaterconcentraties voor organische parameters ook worden berekend met behulp van literatuurwaarden voor de schijnbare verdelingscoëfficiënten, vermoedelijke totaalconcentraties in het sediment en de daarin voorkomende organische koolstofgehalten. Daarbij dienen de in de berekening te gebruiken totaalconcentraties aan parameters in het sediment wel te worden gebaseerd op recente representatieve waterbodemonderzoeken.

1.2. Zware metalen Onderzoek in het herkomstgebied

Op dezelfde manier als bij organische parameters kunnen totaalgehalten van zware metalen in slibmonsters uit het herkomstgebied worden gemeten en poriënwaterconcentraties worden bepaald. Analyses dienen te worden uitgevoerd conform volgens NVN 5720 (2000) `Bodem - Waterbodem - Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek' en de meetvoorschriften waarnaar daarin wordt verwezen.

Speciatieberekeningen

Indien het uitvoeren van veldmetingen van het poriënwater voor zware metalen om welke reden dan ook niet opportuun wordt geacht, kunnen na goedkeuring van het bevoegd gezag, poriënwaterconcentraties worden berekend op basis van de sedimentconcentraties die in recent waterbodemonderzoek zijn vastgesteld op de wijze zoals hiervoor is vermeld. Bij de uit te voeren speciatieberekeningen en berekeningen van de totaalconcentraties van de opgeloste fractie moet rekening worden gehouden met de te verwachten wijziging van de slibcondities. Voor een aantal parameters (bijv. DOC-gehalte, SEM/AVS etc.) moeten aannames worden gedaan die sterk bepalend zijn voor de uitkomsten van de berekeningen.

1.3. Toetsing van de poriënwaterconcentratie aan de streefwaarde

In de vergunningaanvraag moet worden aangegeven hoe de poriënwaterconcentraties zijn verkregen. Indien gebruik is gemaakt van veldmetingen dient aangegeven te worden waar en hoe de veldmetingen zijn verricht en in hoeverre de verkregen waarden representatief zijn voor de in de stortplaats te bergen specie.

De kwaliteit van het poriënwater moet vergeleken worden met de streefwaarden zoals opgenomen in kolom 1 van bijlage 1 van deze regeling.

Indien de streefwaarden niet overschreden worden moet geconcludeerd worden dat de stortplaats de grondwaterkwaliteit niet nadelig zal beïnvloeden.

Indien de streefwaarden voor het grondwater overschreden worden moet voor deze parameters de berekening worden voortgezet zoals in paragraaf 2 is beschreven.

2. De uit de stortplaats tredende flux van verontreinigingen

2.1. Eisen aan de modellen

De uit de stortplaats tredende flux voor een verontreinigende stof moet worden berekend in gram/hectare/

jaar met in de praktijk gangbare numerieke modellen. Deze modellen moeten geschikt zijn om zowel het (lokale) geohydrologisch systeem, het consolidatiegedrag van de specie als het optredend stoftransport te beschrijven. Hiertoe kunnen ook afzonderlijke modellen gekoppeld worden.

De modellering van het lokale geohydrologisch systeem moet gebaseerd worden op ten minste de volgende gegevens:

  • lithologische opbouw van de ondergrond (of lithostratigrafische) t.b.v. vaststellen geohydrologische eenheden (aquifers, scheidende en afsluitende lagen);

  • geohydrologische systeemkenmerken (zoals: doorlatendheden, weerstanden);

  • chemische eigenschappen van de onderscheiden geohydrologische eenheden (met name organisch koolstofgehalte ondergrond (OC): retardatie);

  • in de omgeving gemeten stijghoogten ten behoeve van de calibratie van het geohydrologisch model.

Aan de hand van geohydrologisch veldonderzoek (uitgevoerd door een terzake kundig bedrijf) moeten de in het model gebruikte gegevens worden gecontroleerd en moet het geohydrologisch model worden gekalibreerd.

Voor het beschrijven van het consolidatiegedrag van de specie in de stortplaats moeten de modellen FSCONBAG of DELCON worden gebruikt of een ander gelijkwaardig model.

De modellering van het optredend stoftransport moet gebaseerd worden op ten minste de volgende gegevens:

  • poriënwaterconcentraties;

  • veldwaarden of literatuurwaarden voor de schijnbare verdelingscoëfficiënten (per contaminant) (K'OC) in de verschillende geohydrologische eenheden;

  • organisch koolstofgehalten (OC en opgelost organisch koolstof gehalte (DOC)) in de verschillende geohydrologische eenheden (inclusief de baggerspecie in de stortplaats zelf);

  • geohydrologisch model (lokaal);

  • ontwerp van de stortplaats (dimensies, contactoppervlak);

  • consolidatiegedrag van de geborgen specie;

  • longitudinale dispersiviteit;

  • transversale dispersiviteit;

  • diffussiecoëfficiënt.

2.2. Berekening

De berekening van de uit de stortplaats tredende verontreiniging (fluxberekening) moet aansluiten op de wijze waarop de poriënwaterconcentraties zijn berekend in paragraaf 1. Als in paragraaf 1 veldwaarden voor de schijnbare verdelingscoëfficiënt zijn gebruikt moeten deze ook gebruikt worden ten behoeve van de verdere beoordeling van de beïnvloeding van het grondwater.

De in paragraaf 1 berekende poriënwaterconcentraties moeten in het model worden ingevoerd waardoor de emissie (flux) uit de stortplaats voor meerdere tijdstappen (bijvoorbeeld 100, 1000 en 10.000 jaar) moet worden berekend in gram per hectare per jaar. Volstaan kan worden met het berekenen van de flux voor die stoffen die in het (poriën)water voorkomen boven de streefwaarden. Indien dit voor een groot aantal stoffen geldt kan een selectie worden gemaakt op grond van de concentraties (mede in relatie tot de normering) en de mobiliteit van de stoffen. Gedacht moet worden aan een selectie van 6 tot 10 gidsstoffen. Als gidsstoffen moeten die stoffen worden aangewezen waarvan de grootste normoverschrijdingen worden verwacht.

2.3. Toetsing

De per tijdstap berekende fluxen moeten getoetst worden aan de in kolom 2 van bijlage 1 van deze regeling opgenomen waarden voor de `toelaatbare flux'. Indien de toelaatbare flux niet wordt overschreden kan de toetsing worden beëindigd. Als de toelaatbare flux wordt overschreden moet de toetsing voor deze stoffen worden voortgezet zoals beschreven in paragraaf 3.

3. Het door de stortplaats beïnvloed gebied

3.1. Berekenen

Met het numerieke model zoals beschreven in paragraaf 2 moet de beïnvloeding van het grondwater en de bodem door de stortplaats worden gekwantificeerd (in m³). Hierbij wordt het bodemvolume bedoeld in m³ dat binnen de streefwaardecontour na 10.000 jaar ligt. Het gaat hier om de parameters die de toelaatbare flux overschrijden. Uitgangspunt bij deze berekening is dat het grondwater in de uitgangssituatie géén verontreinigingen bevat.

3.2. Toetsing

Per te toetsen parameter moet het door de stortplaats beïnvloede gebied (m³ binnen streefwaarde contour na 10.000 jaar) worden getoetst aan het toelaatbaar beïnvloed gebied.

Het toelaatbaar beïnvloed gebied komt overeen met de grootte van de nuttige inhoud van de stortplaats (volumecriterium). Met de nuttige inhoud van de stortplaats wordt het depotvolume (m³) bedoeld dat beschikbaar is voor het bergen van baggerspecie (ontwerpcapaciteit).

Indien het beïnvloede gebied na 10.000 jaar (berekening) kleiner is dan het toelaatbaar beïnvloed gebied, (de nuttige inhoud van de stortplaats) dan zijn de effecten van de stortplaats op het grondwater toelaatbaar. Indien dit het geval is moet worden aangegeven of dit het gevolg is van locatie specifieke omstandigheden (artikel 5, tweede lid, sub b).

Als er wel overschrijding van het toelaatbaar beïnvloed gebied plaatsvindt moet worden aangegeven of direct buiten het toelaatbaar beïnvloed gebied natuurlijke en effectieve geohydrologische isolatie optreedt (artikel 5, tweede lid, sub a).

Daarnaast moet worden aangegeven wat de vracht aan verontreinigingen is in het poriënwater (artikel 5, eerste lid, c2). Voor het beoordelen van een berekende vracht op het oppervlaktewater staat het WvO-instrumentarium ter beschikking.

4. Isolerende maatregelen (artikel 10)

Als uit de berekening blijkt dat de berekende effecten niet toelaatbaar zijn, moeten maatregelen worden genomen die de effecten op het grondwater tegengaan (artikel 10). De maatregel(en) moet(en) in het numerieke model worden gebracht waarna de fluxberekeningen (paragraaf 2) en de berekening van het beïnvloed gebied (paragraaf 3) moeten worden herhaald, zodat de effectiviteit van de maatregelen inzichtelijk wordt gemaakt.

Het gaat hierbij om de isolerende werking van de organische stofrijke minerale lagen en de werking van een geohydrologisch isolatiesysteem op de betreffende locatie.

Een geohydrologisch isolatiesysteem kan een onderdeel vormen van een samenhangend geheel van isolerende maatregelen dat in het ontwerp van een stortplaats is opgenomen. Daarnaast is het een maatregel die altijd moet kunnen worden aangelegd als vangnet. Gekoppeld aan deze laatste functie is het logisch om het ontwerp van het controlesysteem (artikel 16.3) te koppelen aan het ontwerp van het geohydrologisch isolatiesysteem.

De werking van het geohydrologisch isolatiesysteem moet in de omgevingsvergunning inzichtelijk worden gemaakt. Daarbij moet worden aangegeven:

  • het volgens de berekeningen aantal benodigde putten voor het oppompen van grondwater, de locaties van deze putten en de filterdiepten;

  • het debiet dat per put moet worden onttrokken;

  • het tijdstip waarop volgens de berekeningen het interventiepunt wordt bereikt en het geohydrologisch isolatiesysteem in werking moet worden gesteld;

  • de wijze van zuiveren en afvoeren van het water;

  • de wijze waarop de controle op de effectiviteit van het geohydrologisch isolatiesysteem zal plaatsvinden.

Bijlage 3. Behorende bij artikel 17, onder a

De Vereniging Kwaliteitsborging Bodemonderzoek (VKB) heeft een aantal protocollen ontwikkeld waarin eisen worden gesteld aan de betrouwbaarheid van meetapparatuur en calibratie daarvan. De protocollen bevatten verwijzingen naar de relevante beschikbare normen (o.a. NEN, ISO, NPR). Van deze protocollen en de betrokken normen moet gebruik worden gemaakt. Het betreft:

  • -

    protocol 1 Procedure afpompen peilbuizen voor monsterneming grondwater (30/9/1996).

  • -

    protocol 2 Procedure monsterneming grondwater (30/9/1996).

  • -

    protocol 3 Bepaling van het elektrisch geleidingsvermogen van grond- en/of oppervlaktewater (30/9/1996).

  • -

    protocol 4 Bepaling van de zuurgraad om grond- en/of oppervlaktewater met behulp van een pH meter (30/9/1996).

  • -

    protocol 5 Procedure veldfiltratie grondwater (30/9/1996).

  • -

    protocol 6 Verpakkingen en conservering van grondwatermonsters in het veld (30/9/1996).

Voordat de stortplaats wordt aangelegd moet de kwaliteit van het grondwater bekend zijn (artikel 9, onder b). Dit onderzoek moet worden uitgevoerd worden volgens NEN 5740 (1999) `Bodem - Onderzoeksstrategie bij verkennend onderzoek' en de daarin genoemde meetvoorschriften.