Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Forfaitaire winstvaststelling, winst uit zeescheepvaart, willekeurige afschrijving zeeschepen[Regeling vervallen per 29-06-2013 met terugwerkende kracht tot en met 26-06-2013.]

Geldend van 01-01-2001 t/m 25-06-2013

Forfaitaire winstvaststelling, winst uit zeescheepvaart, willekeurige afschrijving zeeschepen

De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Dit besluit is opnieuw uitgebracht voor de toepassing van de Wet IB 2001. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van het besluit van 4 november 1996, nr. DB96/3720M dat gold voor de toepassing van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB 1964). De vragen en toelichtingen die onder de Wet IB 2001 niet langer van belang zijn, zijn niet opgenomen.

1. Inleiding [Vervallen per 29-06-2013]

Met betrekking tot de mogelijkheid om de winst uit zeescheepvaart forfaitair vast te stellen zijn mij diverse vragen voorgelegd. De antwoorden op die vragen zijn hierna opgenomen.

2. Tonnagegrondslag artikel 3.22, eerste lid, van de Wet IB 2001 [Vervallen per 29-06-2013]

In artikel 3.22, eerste lid, van de Wet IB 2001 is de toepassing van de artikelen 3.8 tot en met 3.20 en 3.25 tot en met 3.65 van de Wet IB 2001 uitgesloten. Dit betekent dat bijvoorbeeld de aftrekbeperkingen van de gemengde kosten en de herinvesteringsreserve buiten werking zijn gesteld.

3. Tonnagegrondslag artikel 3.22, eerste lid, van de Wet IB 2001 [Vervallen per 29-06-2013]

Een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting kan zowel winst uit zeescheepvaart genereren als winst uit andere activiteiten. Een fiscale eenheid dient voor de tonnagegrondslag één keuze te maken voor al haar zeescheepvaartactiviteiten. Het is derhalve niet mogelijk een fiscale eenheid aan te gaan tussen een moeder die winst uit zeescheepvaart behaalt en die wel heeft geopteerd voor de tonnagegrondslag en een dochter die eveneens winst uit zeescheepvaart behaalt en die dat niet heeft gedaan of omgekeerd.

Toelichting

Bij moeder- en dochtermaatschappij moeten dezelfde bepalingen van toepassing zijn bij het bepalen van de winst. In dit kader wil dit zeggen dat winst uit zeescheepvaart bij zowel moeder als dochter òf op grond van de tonnagegrondslag òf volgens het gewone regime wordt bepaald. Bij uitsluitend andere activiteiten is er geen probleem omdat de daarmee te behalen winst zowel bij moeder als dochter volgens dezelfde bepalingen – een keuze is daar immers niet mogelijk – wordt bepaald. Voeging van vennootschappen met uitsluitend andere activiteiten dan zeescheepvaartactiviteiten levert dan geen problemen op.

4. Tonnagegrondslag artikel 3.23, eerste lid, van de Wet IB 2001 [Vervallen per 29-06-2013]

De tabel van artikel 3.23, eerste lid, van de Wet IB 2001 wordt toegepast op het op 1.000 ton naar beneden afgeronde nettotonnage van een schip.

Toelichting

In de tabel wordt het bedrag aan winst aangegeven dat per 1.000 nettoton wordt behaald.

5. Tonnagegrondslag artikel 3.23, eerste lid, van de Wet IB 2001 [Vervallen per 29-06-2013]

Voor berekening van de met een slotcharter behaalde winst, wordt eerst de winst berekend die met het totale schip wordt behaald. Vervolgens wordt een evenredig deel daarvan aan de slotcharter toegerekend.

Toelichting

Onder een slotcharter (slot exchange agreement) wordt verstaan een overeenkomst waarbij een partij een deel van de capaciteit van een schip ter beschikking stelt aan een andere partij. Eén slot is gelijk aan de scheepsruimte die nodig is om één container te vervoeren.

Voorbeeld

Er wordt gedurende geheel 2001 een slotcharter overeenkomst gesloten voor 500 slots. Totaal zijn er 4.000 slots op dat schip. Het nettotonnage van het schip bedraagt 20.000 ton. De winst op grond van de tabel bedraagt in 2001 voor het gehele schip EUR 42.256. Aan die slots kan dan een winst worden toegerekend van 500/4.000 × EUR 42.256 = EUR 5.282.

6. Tonnagegrondslag artikel 3.22, vierde lid, van de Wet IB 2001 [Vervallen per 29-06-2013]

De inkomsten uit het beleggen van gelden, bijvoorbeeld op deposito's, kunnen niet worden begrepen in de winst uit zeescheepvaart als bedoeld in artikel 3.22, vierde lid, van de Wet IB 2001. Die gelden kunnen bijvoorbeeld zijn ontstaan door verkoop van een schip of door ingehouden winsten. De bestemming van die gelden, bijvoorbeeld voor aankoop van een vervangend schip, is daarbij niet van belang.

Toelichting

Onder de winst uit zeescheepvaart wordt in artikel 3.22, vierde lid, van de Wet IB 2001 verstaan de winst behaald met de in dat lid bedoelde exploitatie van een schip en de winst behaald met de werkzaamheden (onderdeel a) die daarmee direct samenhangen (onderdeel b). Er moet dus een relatie kunnen worden gelegd met de exploitatie van een schip of eventueel met een werkzaamheid die direct daarmee samenhangt. Het beleggen van gelden kan niet worden aangemerkt als exploitatie van een schip noch als een werkzaamheid die met de exploitatie van een schip samenhangt. Ook het in de toekomst kopen van een vervangend schip kan niet als exploitatie van een schip worden beschouwd.

7. Tonnagegrondslag artikel 3.22, vijfde lid, van de Wet IB 2001 [Vervallen per 29-06-2013]

Per boekjaar wordt getoetst of aan de verhouding drie op één als bedoeld in artikel 3.22, vijfde lid, onderdeel b en c, van de Wet IB 2001 is voldaan.

Toelichting

Indien op 1 juli 2001 schepen worden aangekocht waarvan belastingplichtige in Nederland in belangrijke mate het beheer verricht, dan worden voor de beantwoording van de vraag of aan de drie op één verhouding is voldaan, de schepen in vlootbeheer en de schepen in tijd- en reischarter gedurende het boekjaar van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 in beschouwing genomen.

8. Tonnagegrondslag artikel 3.22, vijfde lid, van de Wet IB 2001 [Vervallen per 29-06-2013]

Voor toetsing aan de drie op één verhouding als bedoeld in artikel 3.22, vijfde lid, onderdeel c, van de Wet IB 2001 wordt aan een slotcharter een evenredig deel van het nettotonnage van het schip toegerekend.

Voorbeeld

Er wordt gedurende het gehele jaar een slotcharter overeenkomst gesloten voor 500 slots op een schip van een derde. Totaal zijn er 4.000 slots op dat schip. Het nettotonnage van het schip bedraagt 20.000 ton. Aan die slots kan dan een nettotonnage worden toegerekend van 500/4.000 × 20.000 = 2.500 nettoton.

9. Tonnagegrondslag artikel 3.23, derde lid, van de Wet IB 2001 [Vervallen per 29-06-2013]

Het bedrag dat op grond van artikel 3.23, derde lid, van de Wet IB 2001 buiten aanmerking is gebleven, kan na afloop van de eerste tienjaarstermijn definitief niet meer in de heffing worden betrokken. De claim gaat dan van rechtswege verloren.

10. Tonnagegrondslag artikel 3.24, eerste lid, van de Wet IB 2001 [Vervallen per 29-06-2013]

Indien de onderneming waarin in Nederland winst uit zeescheepvaart wordt behaald, binnen tien jaren gedeeltelijk wordt gestaakt, wordt een deel van het bedrag dat op grond van artikel 3.23, derde lid, Wet IB 2001, buiten aanmerking is gebleven, tot de winst gerekend. Dat deel is even groot als het deel van de onderneming dat is gestaakt. Daarbij is niet van belang of bedoeld bedrag (mede) is vastgesteld met betrekking tot de zaken waarvan de vervreemding heeft geleid tot de gedeeltelijke staking van die onderneming.

Toelichting

Indien een onderneming voor 40% is gestaakt, wordt 40% van het buiten aanmerking gebleven bedrag tot de winst gerekend, ongeacht de wijze waarop de claim destijds is bepaald.

Voorbeeld

Inleiding

Ultimo 2001 heeft een belastingplichtige een zeescheepvaartonderneming waartoe de schepen B en C behoren. De stille reserve per schip bedraagt dan EUR 1.000.000. Tevens bestaat er een herinvesteringsrerseve groot EUR 500.000 met betrekking tot het in 2001 verkochte schip A. Het gezamenlijke bedrag op grond van artikel 3.23, tweede lid, van de Wet IB 2001 bedraagt in dat geval EUR 2.500.000. Eind 2001 had belastingplichtige nog een verrekenbaar verlies van EUR 300.000. De claim op grond van artikel 3.23, derde lid, van de Wet IB 2001 ziet derhalve op een bedrag van EUR 2.200.000. Belastingplichtige koopt in jaar 1 schip D. In jaar 4 verkoopt belastingplichtige schip B en koopt schip E.

Variant 1

In jaar 8 wordt de onderneming na verkoop van schip D duurzaam ingekrompen. Belastingplichtige en de fiscus zijn het er over eens, dat de onderneming in casu voor 40% is gestaakt. Er wordt dan 40% van het buiten aanmerking gebleven bedrag, te weten EUR 880.000, tot de winst van jaar 8 gerekend.

Variant 2

In jaar 8 wordt de onderneming na verkoop van schip C duurzaam ingekrompen. Belastingplichtige en de fiscus zijn het er over eens, dat de onderneming in casu voor 30% is gestaakt. Er wordt dan 30% van het buiten aanmerking gebleven bedrag, te weten EUR 660.000, tot de winst van jaar 8 gerekend.

Conclusie [Vervallen per 29-06-2013]

Voor de bepaling van de hoogte van het deel van het buiten aanmerking gebleven bedrag dat bij gedeeltelijke staking aan de winst dient te worden toegevoegd, is het niet van belang hoe de claim destijds is berekend.

11. Willekeurige afschrijving [Vervallen per 29-06-2013]

De willekeurige afschrijving op zeeschepen kan slechts worden toegepast op zeeschepen ter zake waarvan op of na 1 januari 1996 verplichtingen zijn aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt. De artikelen 10a, eerste lid, van de Wet 1964 j° artikel 3.39 Wet IB 2001 leiden tot deze conclusie.

Dit besluit treedt in werking met ingang van het belastingjaar 2001.