Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vreemdelingencirculaire 2000 (B)

Geldend van 09-02-2012 t/m 31-03-2012

Vreemdelingencirculaire 2000 (B)

1. Regulier algemeen

1. De aanvraag Mvv

Op grond van artikel 16, onder a, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Het beschikken over een geldige mvv is een van de voorwaarden voor het verkrijgen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

De aanvraag om afgifte van een mvv wordt getoetst aan de voorwaarden die worden gesteld met het oog op het verlenen van een verblijfsvergunning in Nederland. De verplichting om voor de komst naar Nederland een mvv aan te vragen, stelt de overheid in staat te onderzoeken of de vreemdeling aan alle voor toelating gestelde vereisten voldoet, zonder daarbij door diens aanwezigheid hier te lande voor een voldongen feit te worden geplaatst (zie voor de algemene afwijzingsgronden en bijzondere voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning artikel 16 Vw en artikel 3.13 tot en met 3.56 Vb).

De aanvraag om afgifte van een mvv leidt bij inwilliging tot afgifte van een Dvisum. Met dit D-visum mag de vreemdeling in een periode van drie maanden binnen zes maanden op het grondgebied van de lidstaten circuleren.

In artikel 17 Vw en artikel 3.71 Vb is een aantal categorieën aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw benoemd, die niet worden afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv. Deze categorieën zijn verder uitgewerkt onder B1/4.1.1.

Achtergrond

De mvv is in artikel 1, onder h, Vw als volgt omschreven: het bij een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst, het land van bestendig verblijf of, bij gebreke daarvan, het dichtstbijzijnde land waar wel een vertegenwoordiging is gevestigd, dan wel bij het Kabinet van de Gouverneur van de Nederlandse Antillen(lees: Kabinet van Gouverneur van Curaçao of het Kabinet van de Gouverneur van Sint Maarten) of het Kabinet van de Gouverneur van Aruba aldaar, door de vreemdeling in persoon aangevraagde en aldaar door die vertegenwoordiging of dat Kabinet na voorafgaande machtiging van de Minister van BuZa afgegeven visum voor een verblijf van langer dan drie maanden.

Een vreemdeling die zich naar Nederland wil begeven voor een verblijf van langer dan drie maanden moet in beginsel in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding voorzien van een geldige mvv, welke hij in persoon heeft aangevraagd bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van zijn herkomst of het land van zijn bestendig verblijf. Als in het land van herkomst of bestendig verblijf geen Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aanwezig is, kan de mvv worden verstrekt door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het dichtstbijzijnde land waar wel een vertegenwoordiging is gevestigd of door het Kabinet van de Gouverneur van Aruba, Curaçao of Sint Maarten. De mvv moet hem aldaar in persoon zijn verstrekt door die vertegenwoordiging of dat kabinet.

Indien in het land van herkomst of bestendig verblijf geen Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aanwezig is, dient de mvv in persoon te worden aangevraagd bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het dichtstbijzijnde land waar wel een vertegenwoordiging is gevestigd. Aldaar zal vervolgens de mvv in persoon aan de vreemdeling worden verstrekt.

Een land van bestendig verblijf is een land waar de vreemdeling gerechtigd is om langer dan drie maanden te verblijven op grond van enige verblijfstitel.

In algemene termen geldt dat het moet gaan om een land waar de vreemdeling gerechtigd is om langer dan drie maanden te verblijven op grond van enige verblijfstitel die het verblijf rechtmatig maakt. Hierbij is niet vereist dat de vreemdeling al gedurende drie maanden feitelijk in dat land verbleven heeft op het moment dat de aanvraag om een mvv wordt ingediend. Wel zal op het moment van indienen van de aanvraag, dan wel op het toetsmoment, sprake moeten zijn van nog ten minste drie maanden rechtmatig verblijf om te kunnen spreken van bestendig verblijf.

Van bestendig verblijf kan sprake zijn in de volgende gevallen:

  • de vreemdeling verblijft in een land op basis van een verblijfsvergunning met een geldigheidsduur van meer dan drie maanden.

  • de vreemdeling is in het land waar hij of zij verblijft, gerechtigd de uitkomst van een aanvraag om verblijf (aldaar) af te wachten.

  • de vreemdeling heeft in het land waar hij of zij verblijft een verblijfsprocedure doorlopen, waarvan de uitkomst in rechte onaantastbaar is geworden, en er bestaat een juridisch beletsel tegen uitzetting.

De algemene uitgangspunten dat het verblijf rechtmatig moet zijn (naar maatstaven van het betreffende land) en voor een periode langer dan drie maanden, zijn hierop steeds van toepassing. Indien naar het oordeel van de Minister het handhaven van de termijn van meer dan drie maanden rechtmatig verblijf tot onredelijke gevolgen zal leiden, kan in voorkomende gevallen een kortere termijn volstaan, mits geen sprake is van het omzeilen van de mvv-procedure dan wel het oneigenlijk gebruik daarvan.

In ieder geval zal geen bestendig verblijf worden aangenomen indien de vreemdeling in het bezit is van een toeristen- of zakenvisum.

Het aantonen van bestendig verblijf zal steeds dienen te geschieden aan de hand van officiële documenten, afgegeven door de autoriteiten van het land waar de vreemdeling verblijft. Uit deze documenten zal telkens moeten blijken dat de vreemdeling aldaar rechtmatig verblijft, en voor welke periode. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt primair bij de vreemdeling. Indien daartoe voldoende concrete aanleiding bestaat, kan nader onderzoek worden ingesteld naar de redenen om vanuit dit derde land, niet zijnde het land van herkomst, verblijf in Nederland te vragen. Dit zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen wanneer binnen zeer korte tijd nadat in dit derde land om verblijf aldaar is gevraagd, de vreemdeling een aanvraag voor verblijf hier te lande indient, via de mvv-procedure. Niet is het de bedoeling dat zo op oneigenlijke wijze gebruik wordt gemaakt van de mvv-procedure. Hierbij kan met name gedacht worden aan mvv-aanvragen ingediend in de Nederland in ruime zin omringende landen, zoals de lidstaten van de EU. Van geval tot geval zal worden bezien of de uitkomst van het onderzoek aanleiding biedt dit tegen te werpen in de procedure en de afgifte van de mvv te weigeren.

De aanvraag tot het verlenen van een mvv van een vreemdeling die niet rechtmatig in Nederland verblijft wordt afgewezen (zie REK-uitspraak van 16 maart 1995; RV 1995, 44). De mvv wordt verleend om legale binnenkomst in Nederland mogelijk te maken voor een vreemdeling die verblijf langer dan drie maanden in Nederland beoogt. Een mvv kan niet worden verleend om de binnenkomst in Nederland achteraf te legaliseren. Indien de vreemdeling op grond van artikel 8, aanhef en onder f, dan wel h, Vw rechtmatig in Nederland verblijft, wordt de aanvraag tot het verlenen van een mvv eveneens afgewezen.

Indien de vreemdeling op grond van artikel 8, aanhef en onder i, Vw rechtmatig in Nederland verblijft gedurende de vrije termijn en er sprake is van een aanvraag tot het verlenen van een mvv, staat zulks niet noodzakelijk aan een inhoudelijke beoordeling van deze aanvraag in de weg. Uit de lengte van de periode waarin en het doel waarvoor de vreemdeling in Nederland verblijft, moet wel blijken dat dit verblijf in Nederland niet gericht is op het omzeilen van het vereiste van een mvv.

De mvv is een nationaal visum. De bevoegdheid tot afgifte van een mvv ligt bij de Minister van BuZa. De Minister van BuZa heeft in een groot aantal gevallen van zijn bevoegdheid mandaat verleend aan het Hoofd van de Visadienst. Als Hoofd van de Visadienst is aangewezen het Hoofd van de IND. Uit de besluiten zal altijd moeten blijken dat het gaat om een bevoegdheid van de Minister van BuZa. Alle beslissingen ten aanzien van mvv’s dienen steeds namens de Minister van BuZa te worden genomen. De mvv kan worden afgegeven door een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland na voorafgaande machtiging van de Visadienst van het Ministerie van BuZa.

Er is voor mvv-aanvragen geen wettelijke beslistermijn. Ingevolge artikel 4:13 juncto 4:14 Awb dient binnen een redelijke termijn te worden beslist. Een termijn van drie maanden wordt redelijk geacht. In elk geval wordt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag bericht binnen welke termijn een beslissing kan worden verwacht (zie artikel 4:14 Awb). De Algemene Termijnenwet is van toepassing (zie B1/10.2.1).

1.1. Aanvraag en advies

Een aanvraag tot het verlenen van een mvv wordt door de vreemdeling ingediend bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. De vreemdeling wacht de uitkomst van de aanvraag tot het verlenen van een mvv af in het land van herkomst of bestendig verblijf, met inachtneming van hetgeen bovenstaand is bepaald ten aanzien van verblijf in de vrije termijn.

Indien de vreemdeling beschikt over een referent hier te lande, kan laatstgenoemde verzoeken om een advies in verband met een door de vreemdeling in het land van herkomst of bestendig verblijf in te dienen aanvraag tot het verlenen van een mvv (referentprocedure). Het verzoek om advies wordt gericht aan de Visadienst. Gelet op de ratio van het mvv-vereiste dient de vreemdeling zich ook gedurende de beoordeling van het verzoek om advies omtrent afgifte van een mvv niet in Nederland te bevinden. Het oordeel van de Visadienst op het verzoek om advies is geen beslissing in de zin van de Awb. Tegen een dergelijk oordeel staan dan ook geen rechtsmiddelen open. De vreemdeling, ten behoeve van wie een referentprocedure is gevoerd en voor wie aldus een oordeel van de Visadienst is ingewonnen, kan, indien hij in rechte wenst op te komen tegen een negatief oordeel, een aanvraag tot verlening van een mvv indienen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf. Tegen een beslissing op deze aanvraag staan wel rechtsmiddelen open.

Indien er door de IND een, na achteraf blijkt, onterecht negatief advies is afgegeven, kan dit advies in geen geval worden ingetrokken en worden omgezet in een positief advies. Er zal altijd een nieuw verzoek om advies ingediend moeten worden. Indien er een evident onterecht negatief advies is afgegeven kan bij de toetsing van het nieuwe verzoek om advies het eerder afgegeven onterechte advies worden meegenomen en zal worden bezien of de negatieve gevolgen van het eerdere advies hersteld kunnen worden. Dit kan er toe leiden dat er gebruik zal worden gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid. Voorafgaand aan het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een mvv of een verzoek om advies, wordt betrokkene respectievelijk referent door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging respectievelijk de Visadienst desgevraagd geïnformeerd welke documenten en gegevens in elk geval dienen te worden verstrekt. Hierbij wordt in het algemeen gebruikgemaakt van gestandaardiseerde brieven ‘voorwaarden en bescheiden’.

In het kader van de aanvraagprocedure bestaan van de brieven ‘voorwaarden en bescheiden’ voor de meest voorkomende verblijfsdoelen twee brieven, te weten een brief waarin vermeld staat wat betrokkene dient te overleggen en een brief waarin vermeld staat wat de referent dient te overleggen. In het kader van de adviesprocedure bestaat één brief waarin vermeld staat wat betrokkene dient te overleggen.

In het formulier, waarmee de referent verzoekt om advies, zijn de door de referent te overleggen documenten en gegevens vermeld. Dit model wordt door Hoofd IND vastgesteld en wordt alleen via de website van de IND ter beschikking gesteld.

Voor de referent kan dan ook bij de adviesprocedure worden volstaan met dit model.

Voor ieder verblijfsdoel bestaan derhalve in totaal drie brieven. In aanvulling hierop kan betrokkene respectievelijk de referent schriftelijk worden verzocht aanvullende gegevens of bescheiden te verschaffen. Indien betrokkene niet beschikt over een referent, dient hij zelf alle voor de aanvraag benodigde gegevens en bescheiden te overleggen.

1.1.1. Aanvraagprocedure mvv

De vreemdeling kan een aanvraagformulier opvragen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het land van herkomst of het land van bestendig verblijf.

De aanvraag om een mvv wordt ingediend door dit formulier ingevuld en voorzien van de gevraagde gegevens en bescheiden in persoon te retourneren aan de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging. Immers de aanvraag dient in beginsel altijd in persoon te worden ingediend. Voorts worden de verschuldigde leges (zie voor vrijstelling van het legesvereiste artikel 3a, Regeling op de Consulaire Tarieven en A2/4.3.5) voldaan, en toont de vreemdeling zijn identiteit aan. Vervolgens wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of betrokkene de vereiste gegevens en bescheiden heeft overgelegd.

Voor zover de door de vreemdeling te verstrekken gegevens en bescheiden moeten worden aangevuld, wordt hij eenmaal in de gelegenheid gesteld de aanvraag binnen vier weken aan te vullen.

De aanvrager krijgt een brief met aanwijzingen inzake de betaling van de leges op een daartoe bestemde bankrekening van de IND in Nederland. De betalingstermijn bedraagt drie weken. Uiterlijk drie werkdagen na ontvangst van de betaling bericht de IND de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging dat de leges zijn voldaan. Zijn de leges na de termijn van drie weken niet voldaan, wordt de vreemdeling eenmaal in de gelegenheid gesteld binnen twee weken alsnog voor betaling zorg te dragen. De Visadienst wordt bij het doorsturen van de aanvraag door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging geïnformeerd over de datum waarop de herstel verzuim periode van twee weken is ingegaan.

In voorkomende gevallen kan betrokkene tevens worden verzocht zich in persoon bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging aan te melden teneinde een mondelinge toelichting op zijn aanvraag te geven.

Na ommekomst van de termijn voor het aanvullen van de aanvraag, wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of de aldaar overgelegde buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen authentiek zijn, en of deze (voor zover vereist) zijn gelegaliseerd of geapostilleerd. Voorts wordt door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging bezien of ambtshalve feiten en omstandigheden bekend zijn die zich verzetten tegen afgifte van de mvv en of de leges zijn voldaan, dan wel herstel verzuim daarvoor is geboden. Daarna wordt de aanvraag doorgezonden naar de Visadienst, onder mededeling van alle relevante feiten en omstandigheden.

Na ontvangst van de aanvraag gaat de Visadienst aan de hand van de door betrokkene verstrekte gegevens na of een (in Nederland woonachtige) referent bekend is. Als dat het geval is, dan wordt (behoudens bijzondere omstandigheden) de referent door de Visadienst schriftelijk in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken de vereiste gegevens en bescheiden in te dienen. Indien de referent van deze gelegenheid geen gebruik maakt, of niet alle gevraagde stukken overlegt, wordt hem éénmaal een hersteltermijn van twee weken verleend. Na ommekomst van de hersteltermijn beziet de Visadienst of de gevraagde documenten zijn overgelegd, en of deze documenten in orde zijn. Zonodig vindt onderzoek plaats naar de inhoud of authenticiteit van de overgelegde stukken.

In eerste instantie zal de Visadienst zoveel als mogelijk zelfstandig de juistheid van de door de vreemdeling en/of referent aangeleverde informatie nagaan. Eerst nadat ernstige twijfel is gerezen over de juistheid van de verkregen informatie, documenten of anderszins en de Visadienst niet de aangewezen instantie is om het benodigde nader onderzoek te verrichten, kan de vreemdelingenpolitie door middel van een onderbouwde onderzoeksvraag worden verzocht nader onderzoek in te stellen. In voorkomende gevallen kan de referent derhalve worden verzocht zich in persoon bij de vreemdelingenpolitie te melden teneinde een mondelinge toelichting op de aanvraag te geven.

De Visadienst besluit vervolgens of de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gemachtigd kan worden om de mvv af te geven. Voor de behandeling van de mvv-aanvraag hanteert de Visadienst een redelijke termijn van drie maanden.

In geval van een inwilliging wordt de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging gemachtigd om een mvv af te geven. De Visadienst stuurt de machtiging naar de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging en maakt deze tevens bekend aan de referent. De diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging nodigt betrokkene uit om in persoon te verschijnen ten behoeve van de afgifte van de mvv. Betrokkene dient zijn document voor grensoverschrijding mee te brengen, zodat de mvv in dat document kan worden aangebracht. De vreemdeling dient binnen zes maanden na de machtiging van de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging door de Visadienst te verschijnen voor de afgifte van de mvv (zie B1/1.2).

Als de aanvraag niet wordt ingewilligd, stuurt de Visadienst de beslissing naar de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging, die de beschikking bekendmaakt aan betrokkene. Referent ontvangt een afschrift van de beschikking.

Indien zowel de referent als betrokkene zich beiden in het buitenland bevinden, kan door betrokkene een mvv worden aangevraagd. De hoofdpersoon dient dan wel aan te tonen dat hij na binnenkomst in Nederland zal beschikken over voldoende middelen van bestaan. Indien voorts aan alle voorwaarden wordt voldaan, behoudens inschrijving in de GBA, kan worden overgegaan tot afgifte van de mvv. Het is van belang dat direct na binnenkomst in Nederland inschrijving in de GBA plaats vindt. Dit dient te gebeuren alvorens tot afgifte van een verblijfsvergunning kan worden overgegaan.

1.1.2. Verzoek om advies

Voorafgaande aan de indiening van de aanvraag om een mvv bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland, kan een hier te lande verblijvende referent door middel van het hiervoor op de website van de IND opgenomen model verzoeken om een advies in verband met het voornemen van een vreemdeling om een mvv aan te vragen in het buitenland. Gelet op de ratio van het mvv-vereiste dient de vreemdeling zich ook gedurende de beoordeling van het verzoek om advies omtrent afgifte van een mvv niet in Nederland te bevinden. Het enkele feit dat de vreemdeling tijdens de behandeling van het verzoek om advies in een ander land is dan zijn land van herkomst of bestendig verblijf is niet noodzakelijkerwijs een reden om een negatief advies af te geven.

De referent verzoekt om een advies door het daartoe bestemde formulier ingevuld en voorzien van de gevraagde gegevens en bescheiden te retourneren aan de Visadienst. Naar welk postadres het verzoek gestuurd moet worden, staat vermeld op de website. Het langs elektronische weg indienen van een verzoek om advies is thans niet mogelijk.

Indien de referent bij het indienen van het verzoek om advies niet alle gevraagde gegevens en bescheiden heeft overgelegd, wordt hem éénmaal een hersteltermijn van twee weken verleend.

Na ommekomst van de hersteltermijn beziet de Visadienst of de gevraagde gegevens en bescheiden zijn overgelegd, en of deze in orde zijn. In voorkomende gevallen kan referent tevens met het oog op administratief of politieel toezicht worden verzocht zich in persoon bij de vreemdelingenpolitie te melden teneinde een mondelinge toelichting op het verzoek te geven.

De Visadienst brengt vervolgens een advies uit naar aanleiding van het verzoek. Indien op grond van de door de referent overgelegde gegevens en (kopieën van) bescheiden kan worden geconcludeerd dat niet wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor het betreffende verblijfsdoel, ontvangt hij een negatief advies waartegen geen rechtsmiddelen openstaan. De vreemdeling wordt hier niet ambtshalve van in kennis gesteld. Indien de vreemdeling in rechte wenst op te komen tegen een negatief oordeel, dan kan hij daartoe een aanvraag tot verlening van een mvv indienen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land van herkomst of bestendig verblijf. Tegen een beslissing op deze aanvraag staan wel rechtsmiddelen open.

Indien wordt voldaan aan de toelatingsvoorwaarden voor het betreffende verblijfsdoel, machtigt de Visadienst onder voorbehoud de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging om de mvv af te geven. Dit voorbehoud houdt in, dat nader onderzoek de authenticiteit van de originele buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen en van het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling bevestigt en dat zich ook overigens geen feiten of omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de mvv verzetten.

Voorts wordt de referent op de hoogte gebracht van de omstandigheid dat positief is geadviseerd omtrent de afgifte van een mvv, onder vermelding van het voorbehoud. Referent wordt er voorts op gewezen dat betrokkene ter verkrijging van een mvv een aanvraag moet indienen bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van zijn land van herkomst of bestendig verblijf. De vreemdeling wordt niet ambtshalve van het advies op de hoogte gebracht.

Nadat de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging door de Visadienst gemachtigd is, dient de vreemdeling een aanvraag in om een mvv door een aanvraagformulier op te vragen bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging en door dit ingevuld en voorzien van de gevraagde gegevens en bescheiden te retourneren. Voor zover nadien de voor de aanvraag door betrokkene te verstrekken gegevens en bescheiden nog moeten worden aangevuld, wordt hij éénmaal in de gelegenheid gesteld de aanvraag binnen vier weken aan te vullen.

Bij de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging wordt onderzocht of de dan door betrokkene te overleggen originele buitenlandse bewijsstukken betreffende de staat van personen en het document voor grensoverschrijding, die door de referent in kopie bij de Visadienst zijn overgelegd, authentiek zijn en of deze (voor zover vereist) daadwerkelijk zijn gelegaliseerd of geapostilleerd.

Als het onderzoek de authenticiteit van de desbetreffende documenten bevestigt en zich ook overigens geen feiten of omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de mvv verzetten, wordt de mvv verleend.

Indien uit dit onderzoek blijkt dat de betreffende documenten niet authentiek zijn of als zich feiten en omstandigheden voordoen die zich tegen de afgifte van de mvv verzetten, wordt de aanvraag door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging doorgezonden naar de Visadienst, onder vermelding van alle relevante feiten en omstandigheden. De aanvraag wordt door de Visadienst getoetst.

Nota bene: indien betrokkene eerst na een periode van langer dan zes maanden na het bericht aan referent een aanvraag indient om een mvv, zal door de Visadienst in alle gevallen opnieuw worden bezien of aan de toelatingsvoorwaarden wordt voldaan.

1.1.3. Verzoek om advies in verband afgifte mvv student

De toelatingsprocedure met betrekking tot studenten is bij uitstek een referentprocedure. Voorafgaande aan de indiening van de aanvraag om een mvv bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland vraagt de hoger onderwijsinstelling in Nederland door middel van het daarvoor bestemde formulier om een advies in verband met het voornemen van de student om een mvv aan te vragen. Het formulier wordt door het hoofd van de IND vastgesteld.

De hoger onderwijsinstelling vult het formulier in en verzendt het ingevulde en ondertekende formulier, vergezeld van de vereiste stukken, naar de IND.

Indien naar aanleiding van het verzoek van de hoger onderwijsinstelling door de IND een positief advies is verstrekt en de verschuldigde leges zijn betaald, kan aan de vreemdeling in diens land van herkomst of bestendig verblijf door de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging een mvv worden afgegeven. Het doen van een mvv-aanvraag zonder dat daar een verzoek om advies aan vooraf is gegaan ligt, gelet op het feit dat de toelatingsprocedure bij beoogd verblijf als student bij uitstek een referentprocedure is, niet in de rede. Vreemdelingen die zonder voorafgaand verzoek om advies een mvv-aanvraag voor verblijf als student willen indienen op een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland, worden er door de vertegenwoordiging op gewezen dat het de voorkeur verdient dat de hoger onderwijsinstelling bij wie verblijf voor studie wordt beoogd, ten behoeve van de vreemdeling een verzoek om advies inzake de afgifte van een mvv indient. Dat leidt slechts uitzondering wanneer over het verzoek om advies van de hoger onderwijsinstelling eerder negatief door de IND is geadviseerd. De verkorte procedure is niet van toepassing op deze aanvragen.

Indien een mvv-aanvraag wordt ingediend voor studie aan een hoger onderwijsinstelling die geen convenant heeft gesloten met de IND zal de mvv-aanvraag worden afgewezen.

1.1.4. Regelingen naar aanleiding van uitspraak ABRvS 12 januari 2004

Inleiding

De ABRvS heeft in haar uitspraak van 12 januari 2004 (nr. 200306128/1) bepaald dat een advies omtrent afgifte van een mvv niet wordt aangemerkt als een besluit waartegen rechtsmiddelen openstaan. Naar aanleiding hiervan zijn de op dat moment aanhangige bezwaarzaken in dergelijke adviesprocedures niet-ontvankelijk verklaard. Dit nu, heeft aanleiding gevormd voor het instellen van een overgangsregeling voor de bezwaarschriften in adviesprocedures die naar aanleiding van genoemde uitspraak niet-ontvankelijk zijn verklaard.

Tijdelijke overgangsregeling

Deze beleidsregel heeft een tijdelijk karakter. Deze overgangsregeling wordt uitsluitend toegepast indien de referent een nieuw verzoek om advies indient omtrent de afgifte van een mvv dan wel de vreemdeling een aanvraag indient tot het verlenen van een mvv, gedurende de periode van 12 januari 2004 tot 1 augustus 2004. Hierbij geldt dat dit voor hetzelfde verblijfsdoel moet zijn als waarvoor het eerdere verzoek om advies is ingediend, tenzij de wijziging van het verblijfsdoel dermate gering is, dat redelijkerwijs niet van een wijziging kan worden gesproken (zie artikel 3.100 Vb).

Inhoud overgangsregeling

Als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan, wordt alsnog een (positief advies omtrent afgifte van een) mvv afgegeven:

  • 1. de vreemdeling had voor of op 12 januari 2004 een bezwaarschrift ingediend inzake een verzoek om advies omtrent de afgifte van een mvv, op welk bezwaarschrift nog geen beslissing was genomen; en

  • 2. voor of op 12 januari 2004, op enig moment hangende die procedure, is aangetoond dat aan alle voorwaarden werd voldaan; en

  • 3. er doen zich geen bijzondere omstandigheden voor, die aanleiding vormen om alsnog verblijf te weigeren.

Dergelijke onder 3 bedoelde bijzondere omstandigheden doen zich in ieder geval voor in de volgende situaties:

  • a. inmiddels is gebleken dat niet meer wordt voldaan aan het vereiste dat zelfstandig over voldoende middelen van bestaan wordt beschikt;

  • b. inmiddels is gebleken dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid;

  • c. inmiddels is gebleken dat het oorspronkelijke verblijfsdoel is komen te vervallen;

  • d. inmiddels wordt niet langer voldaan aan een of meer in het relevante artikel Vb facultatief geformuleerde voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning.

Ad a.

Een geval waarin bijvoorbeeld een arbeidsovereenkomst inmiddels niet langer garantie biedt voor duurzame inkomsten, wordt niet aangemerkt als een gewijzigde omstandigheid die tot het alsnog weigeren van verblijf leidt. Dit is anders wanneer de arbeidsovereenkomst inmiddels is beëindigd en niet op andere wijze is gebleken van voldoende middelen van bestaan. De middelen van bestaan dienen in ieder geval zelfstandig verworven en voldoende hoog te zijn. Wanneer een nieuw verzoek of een nieuwe aanvraag op of na 1 april 2004 wordt ingediend, zal getoetst worden naar analogie van het overgangsrecht van artikel 116 Vw, ook al is dat artikel sinds die datum niet langer toepasbaar. Benadrukt wordt dat deze analoge toepassing enkel in het kader van deze overgangsregeling geldt.

Ad b.

Wanneer uit nader bekend geworden gegevens blijkt dat op het toetsmoment of enig moment nadien bezwaren tegen het verblijf bestaan op grond van aspecten van openbare orde, vormt dit aanleiding om alsnog het verblijf te weigeren.

Ad c.

Wanneer bijvoorbeeld in de eerdere procedure verblijf bij partner werd beoogd en de relatie blijkt inmiddels verbroken te zijn, zal niet worden overgegaan tot afgifte van de gevraagde mvv dan wel positieve advisering daaromtrent.

Ad d.

In bepaalde gevallen bestaan er wettelijke beletselen tegen het toepassen van deze overgangsregeling. Dit betreft de gevallen waarin een facultatieve inwilligingsgrond in het relevante besluitartikel zich daartegen verzet. Een voorbeeld hiervan is de vreemdeling die verblijf als au pair beoogt en die hangende de bezwaarfase in de eerdere procedure aantoonbaar aan alle geldende voorwaarden is gaan voldoen, maar hangende een nieuwe procedure 26 jaar is geworden. Vanwege de in artikel 3.43 Vb neergelegde absolute leeftijdsgrens van 26 jaar en de facultatieve formulering van het artikel, kan hiervan niet afgeweken worden.

De onder 3 bedoelde bijzondere omstandigheden doen zich, met inachtneming van het bovenstaande onder a tot en met d, niet voor in de situatie waarin enkel door tijdsverloop de situatie van de vreemdeling zodanig is gewijzigd dat strikt genomen niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan. Hiervan is in ieder geval in de volgende gevallen sprake:

  • wanneer een minderjarige verblijf in het kader van gezinshereniging beoogt en deze ten tijde van het nieuw ingediende verzoek om advies of een mvv-aanvraag in het buitenland inmiddels meerderjarig is geworden, zal binnen de ruimte die door artikel 3.13, tweede lid, Vb daartoe geboden wordt, in beginsel alsnog een mvv in het kader van gezinshereniging worden afgegeven;

  • wanneer een minderjarige in het kader van gezinshereniging verblijf beoogt, en ten tijde van het nieuw ingediende verzoek om advies of een mvv-aanvraag in het buitenland de referteperiode van vijf jaar inmiddels is verstreken, zal in beginsel alsnog een mvv in het kader van gezinshereniging worden afgegeven;

  • wanneer een meerderjarige in het kader van verruimde gezinshereniging verblijf beoogt, en ten tijde van het nieuw ingediende verzoek om advies of een mvv-aanvraag in het buitenland de referteperiode van een jaar inmiddels is verstreken, zal in beginsel alsnog een mvv in het kader van verruimde gezinshereniging worden afgegeven.

Permanente regeling voor gezinsleden van houders van een verblijfsvergunning asiel

Een bijzondere categorie waarvoor wordt voorzien in een permanente regeling, betreft de zogeheten nareizers, die binnen drie maanden nadat een familielid een zelfstandige verblijfsvergunning asiel heeft gekregen, deze hoofdpersoon nareizen. Zij komen dan in beginsel ook in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. De wijze waarop deze nareis vorm moet krijgen is neergelegd in C2/6. Daarin is bepaald dat de aanvraag om verlening van een mvv wordt aangemerkt als begin van de nareis. Voor de uitspraak van 12 januari 2004 betrof dit zowel de aanvraag op de post als het verzoek om advies door de referent.

Nu het verzoek om advies in de referentprocedure echter niet meer als een aanvraag beschouwd kan worden en hiertegen geen rechtsmiddelen openstaan, is de datum van de start van de referentprocedure als start van de nareis komen te vervallen. Hierdoor zouden de gezinsleden van de hoofdpersoon in bepaalde gevallen hun afgeleide asielstatus mislopen. Gezien de schrijnende gevolgen die dit met zich mee zou brengen, geldt in deze gevallen de datum van het verzoek om advies van de asielstatushouder als startdatum van de nareis, in de zin van artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw. Dit houdt in dat als de hoofdpersoon binnen drie maanden na de statusverlening een verzoek om advies heeft ingediend de nareistermijn is veiliggesteld. Ook indien er in eerste instantie een negatief advies is afgegeven en referent voldoet in een later stadium alsnog aan alle voorwaarden, blijft de datum van het eerste verzoek om advies staan als datum start nareis.

1.2. Afgifte mvv

De mvv wordt afgegeven door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland. De mvv kan slechts worden afgegeven na voorafgaande machtiging door de Visadienst van het Ministerie van BuZa, ondergebracht bij de IND. Deze machtiging is zes maanden geldig te rekenen vanaf de datum van dagtekening van het bericht van de Minister van BuZa om een mvv te verstrekken. Binnen die zes maanden moet de vreemdeling de machtiging in ontvangst hebben genomen. Indien de vreemdeling zich niet binnen zes maanden bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging heeft vervoegd voor de afgifte van de mvv, zal een nieuwe aanvraag om een mvv moeten worden ingediend. Indien de afgifte van de mvv plaats heeft gevonden binnen die zes maanden, heeft de vreemdeling vervolgens zes maanden de tijd om vanaf datum afgifte van de mvv naar Nederland te reizen.

Alvorens de ambassade tot afgifte van de mvv overgaat, vindt een identiteitscontrole plaats. Betrokkene dient zijn identiteit genoegzaam aan te tonen.

1.3. Samenloop aanvraagprocedures

Uit de systematiek van de wet volgt dat het ontbreken van een mvv geen betekenis heeft bij de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd. In die gevallen waarin een vreemdeling eerst een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en daarna tevens een aanvraag indient tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, wordt ten aanzien van de asielaanvraag het mvv-vereiste niet tegengeworpen. Voor de reguliere aanvraag die hangende de asielprocedure wordt ingediend, wordt het mvv-vereiste evenwel onverkort gehandhaafd.

1.4. Mvv en verlening verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd

De houder van een geldige mvv dient zich binnen een termijn van drie dagen na binnenkomst in Nederland in persoon aan te melden bij de korpschef van de gemeente waar hij gaat verblijven (zie artikel 4.47, eerste lid, Vb). Door de korpschef wordt in het geldige document voor grensoverschrijding van de vreemdeling of op een afzonderlijk inlegblad een aantekening gesteld omtrent het voldoen aan de aanmeldingsplicht (zie artikel 4.29, eerste lid, onder a, Vb). Op de sticker ‘Aantekeningen Toezicht’ (bijlage 7j VV) wordt door de korpschef de datum van aanmelding en het nummer van het paspoort ingevuld achter de tekst ‘aangemeld op (datum)’. Voor het indienen van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd dient de vreemdeling zich vervolgens te vervoegen bij de IND (zie B1/9.4). Aan de houder van een geldige mvv kan, uit het oogpunt van rechtszekerheid, slechts in uitzonderlijke gevallen een verblijfsvergunning worden geweigerd. Hiervan is sprake indien blijkt dat niet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is voldaan. Daartoe worden in ieder geval gerekend situaties waarin de vreemdeling:

  • onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot de verlening van de mvv;

  • onjuiste gegevens heeft verstrekt die hebben geleid tot vrijstelling of ontheffing van het examen inburgering buitenland;

  • of degene bij wie verblijf wordt beoogd niet beschikt over voldoende middelen van bestaan (de enkele omstandigheid dat de middelen door tijdsverloop niet meer duurzaam zijn, geldt niet als bijzonder);

  • een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid;

  • niet voldoet aan de aan de verblijfsvergunning te verbinden beperking;

  • niet voldoet aan in het Vb facultatief geformuleerde voorwaarden voor de verlening van de verblijfsvergunning; en

  • niet bereid is een onderzoek naar of behandeling van TBC te ondergaan of daaraan niet meewerkt.

Als uitzonderlijke omstandigheid wordt niet aangemerkt de situatie waarin degene bij wie de vreemdeling verblijf beoogt na verlening van de mvv alleen vanwege een latere aanscherping van het middelenvereiste niet meer voldoet aan dat vereiste dan wel niet langer is vrijgesteld van het middelenvereiste (zie B1/4).

1.5. Verkorte mvv-procedure

Voor bedrijven, onderwijsinstellingen (hieronder begrepen: onderzoeksinstellingen) en culturele uitwisselingsorganisaties bestaat onder bepaalde voorwaarden de mogelijkheid gebruik te maken van de verkorte mvv-procedure. Wanneer een bedrijf, onderwijsinstelling of culturele uitwisselingsorganisatie tot de verkorte mvv-procedure is toegelaten, kunnen verzoeken om advies via deze procedure versneld worden afgedaan. De IND kan deze faciliteit verlenen, maar ook – bij gebleken oneigenlijk of onzorgvuldig gebruik, of indien niet meer aan de voorwaarden voor deelname wordt voldaan – weer intrekken.

Uit de aard van de verkorte mvv-procedure volgt dat deze procedure uitsluitend is bedoeld voor verzoeken om advies waarbij criteria gelden die duidelijk en eenvoudig (en daardoor snel) te toetsen zijn. Daarom is de verkorte mvv-procedure alleen mogelijk voor verzoeken om advies in het kader van arbeid in loondienst (inclusief stage), (de voorbereiding op) studie (uitsluitend hoger onderwijs) en culturele uitwisseling. Uitzondering betreft het verzoek om advies, onder bepaalde voorwaarden, in het kader van gezinshereniging (zie B1/1.5.5).

Een verzoek tot het verlenen van een mvv in de verkorte procedure zal bij inwilliging leiden tot afgifte van een D-visum. Met dit D-visum mag de vreemdeling in een periode van drie maanden binnen zes maanden op het grondgebied van de lidstaten circuleren.

Het verzoek om als convenanthouder te worden toegelaten tot de verkorte mvv-procedure en alle verzoeken om advies die via de verkorte mvv-procedure worden ingediend, moeten worden gericht aan de IND.

1.5.1. Voorwaarden voor toelating tot de verkorte mvv-procedure

1.5.1.1. Voorwaarden voor bedrijven

Om gebruik te kunnen maken van de verkorte mvv-procedure gelden voor bedrijven de volgende voorwaarden:

  • 1. het bedrijf moet staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. Hiertoe dient een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel te worden overgelegd dat op het moment van het verzoek om tot de verkorte mvv-procedure te worden toegelaten niet ouder is dan 30 dagen;

  • 2.  de bedrijfsleiding dient desgevraagd aan te tonen dat het bedrijf solvabel is. Dit moet blijken uit het financiële jaarverslag met daarin de jaarrekeningen en belastinggegevens van het bedrijf;

  • 3. het bedrijf moet ervoor garant staan, door middel van ondertekening van het betreffende inlichtingenformulier en de garantstelling dat de vreemdeling voor wie de mvv-aanvraag via de verkorte mvv-procedure wordt ingediend, voldoet aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning (zie B1/4) en aan de specifieke voorwaarden voor het verrichten van arbeid in loondienst (zie B5/2 en B5/3) of stage (zie B5/5) bij dat bedrijf;

  • 4. indien de vreemdeling niet langer bij het bedrijf werkzaam is, zorgt het bedrijf ervoor dat daarvan onverwijld mededeling wordt gedaan aan de IND.

1.5.1.2. Voorwaarden voor onderwijsinstellingen

Om gebruik te kunnen maken van de verkorte mvv-procedure gelden voor onderwijsinstellingen de volgende voorwaarden:

  • 1. het moet gaan om een hoger onderwijsinstelling als bedoeld in B6/2.1;

  • 2. de onderwijsinstelling moet ervoor garant staan, door middel van ondertekening van het betreffende inlichtingenformulier en de garantstelling, dat de vreemdeling voor wie het verzoek om advies via de verkorte mvv-procedure wordt ingediend, voldoet aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning (zie B1/4) en de specifieke voorwaarden voor een verblijfsvergunning in het kader van (de voorbereiding op) studie (zie B6/2 en B6/4) dan wel arbeid in loondienst (zie B5/2 en B5/3) of stage (zie B5/4.5);

  • 3. indien de vreemdeling niet langer feitelijk studeert of niet langer (al dan niet als stagiair) werkzaam is bij de onderwijsinstelling zorgt deze instelling ervoor dat daarvan onverwijld mededeling wordt gedaan aan de IND.

Op grond van artikel 3.18a VV worden alleen onderwijsinstellingen die een convenant met de IND hebben afgesloten aangewezen als onderwijsinstelling als bedoeld in artikel 3.41 Vb. Hiermee is de verkorte mvv-procedure voor verblijf voor studie in beginsel de standaard toelatingsprocedure.

1.5.1.3. Voorwaarden voor culturele uitwisselingsorganisaties

Om gebruik te kunnen maken van de verkorte mvv-procedure gelden voor culturele uitwisselingsorganisaties de volgende voorwaarden:

  • 1. het moet gaan om een culturele uitwisselingsorganisatie als bedoeld in B7/3.

  • 2. Ingeval van twijfel aan de solvabiliteit van de uitwisselingsorganisatie dient desgevraagd te worden aangetoond dat de organisatie solvabel is. Dit moet in dat geval blijken uit het financieel jaarverslag met daarin de jaarrekeningen en belastinggegevens van de organisatie.

  • 3. in het jaar voorafgaand aan de datum van het verzoek van een uitwisselingsorganisatie om toelating tot de verkorte mvv-procedure dienen via de reguliere procedure ten minste tien verzoeken om advies voor uitwisseling via die organisatie te zijn ingediend en ingewilligd. Deze voorwaarde geldt niet voor culturele uitwisselingsorganisaties die op 10 oktober 2001 reeds tot de verkorte mvv-procedure waren toegelaten.

  • 4. per jaar dienen ten minste tien verzoeken om advies via de verkorte mvv-procedure te worden ingediend voor uitwisseling via die organisatie. Deze verzoeken om advies moeten uiteindelijk ook zijn ingewilligd.

  • 5. de uitwisselingsorganisatie moet ervoor garant staan, door middel van ondertekening van het betreffende inlichtingenformulier en de garantstelling, dat de vreemdeling voor wie het verzoek om advies via de verkorte mvv-procedure wordt ingediend, voldoet aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning (zie B1/4) en de specifieke voorwaarden voor een verblijfsvergunning in het kader van uitwisseling (zie B7/1 en B7/3).

  • 6. indien de vreemdeling niet langer aan het uitwisselingsprogramma deelneemt, zorgt de uitwisselingsorganisatie ervoor dat daarvan onverwijld mededeling wordt gedaan aan de IND.

1.5.1.4. Voorwaarden voor au-pairbureaus

Om gebruik te kunnen maken van de verkorte mvv-procedure gelden voor au pair bureaus de volgende voorwaarden:

  • 1. Het au pair bureau moet deelnemen aan de proeftuin au pair;

  • 2. Het au-pair bureau moet staan ingeschreven bij de Kamer van Koophandel;

  • 3. Het au pair bureau moet de eerste fase van de proeftuin goed hebben doorlopen;

  • 4. In de eerste fase van de proeftuin mag op geen enkele wijze sprake zijn van misbruik van het Vreemdelingenrecht;

  • 5. Ingeval van twijfel aan de solvabiliteit van het au pair bureau dient desgevraagd te worden aangetoond dat de organisatie solvabel is. Dit moet in dat geval blijken uit het financieel jaarverslag met daarin jaarrekeningen en belastinggegevens van de organisatie;

  • 6. Het au pair bureau ziet er, naast het gastgezin, op toe dat de vreemdeling voor wie het verzoek om advies via de verkorte mvv-procedure wordt ingediend, voldoet aan de algemene voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning (zie B1/4) en de specifieke voorwaarden voor een verblijfsvergunning in het kader van au pair (zie B7/2).

1.5.2. Toelating tot de verkorte mvv-procedure

1.5.2.1. Toelating

Indien aan de in B1/1.5.1 genoemde voorwaarden wordt voldaan, ontvangt het bedrijf/de instelling schriftelijk toestemming om voor de duur van een jaar gebruik te maken van de verkorte mvv- procedure. In afwijking hiervan geldt voor het au pair bureau dat deelneemt in de proeftuin dat schriftelijke toestemming wordt verleend om voor de duur van zes maanden gebruik te maken van de verkorte mvv-procedure.

Daartoe wordt een convenant gesloten. Het bedrijf/de instelling/ het au pair bureau wordt bij toelating tot de verkorte mvv-procedure expliciet gewezen op de geldende voorwaarden binnen de verkorte mvv-procedure. Indien niet aan de voorwaarden voor toelating tot de verkorte mvv-procedure wordt voldaan, volgt een gemotiveerde afwijzing van het verzoek.

1.5.2.2. Geldigheidsduur

Het convenant bepaalt het tijdstip van inwerkingtreding en is voor een bedrijf/ instelling geldig voor de duur van één jaar. Jaarlijks wordt door de IND het functioneren van het bedrijf/de instelling binnen de verkorte mvv-procedure (en daarmee de wenselijkheid van handhaving) beoordeeld. Bij twijfel kan (opnieuw) een uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel worden gevraagd. Na een positieve beoordeling wordt de toestemming deel te nemen aan de verkorte mvv-procedure stilzwijgend voortgezet. Bij de derde verlenging volgt schriftelijke toestemming voor onbepaalde tijd. Ook in dit convenant wordt uitdrukkelijk opgenomen dat het bij gebleken oneigenlijk of onzorgvuldig gebruik, of indien niet meer aan de voorwaarden voor deelname wordt voldaan, kan worden opgezegd.

Au pair bureau

In afwijking van het vorenstaande is voor een au pair bureau dat deelneemt in de proeftuin het convenant geldig gedurende zes maanden vanaf de datum waarop het convenant door beide partijen is ondertekend.

Iedere zes maanden wordt door de IND het functioneren van het au pair bureau binnen de verkorte mvv-procedure geëvalueerd en beoordeeld. Na een positieve beoordeling door de IND wordt de toestemming om deel te nemen aan de verkorte mvv-procedure opnieuw verleend door het opnieuw ondertekenen van een convenant. Ook dit convenant wordt afgesloten voor de duur van zes maanden vanaf de datum van inwerking treden. Er vindt geen verlenging plaats voor onbepaalde tijd.

1.5.2.3. Beëindiging

In het convenant wordt uitdrukkelijk vermeld dat het convenant kan worden opgezegd indien niet (langer) wordt voldaan aan de voorwaarden of als sprake is van oneigenlijk of onzorgvuldig gebruik. Tevens wordt vermeld op welke wijze en op welke termijn kan worden opgezegd.

Indien feiten of omstandigheden wijzen op oneigenlijk of onzorgvuldig gebruik wordt door de IND een nader onderzoek ingesteld dat kan leiden tot opzegging van het convenant en daarmee beëindiging van het gebruik door het bedrijf/de instelling/ het au pair bureau van de verkorte mvv-procedure. Indien zulks het geval is, ontvangt het bedrijf/de instelling/ het au pair bureau een gemotiveerde beslissing dat niet langer van de verkorte mvv- procedure gebruik kan worden gemaakt.

De geldigheidsduur van het convenant van een au pair bureau hangt samen met de looptijd van de proeftuin au pair. Het convenant vervalt in ieder geval bij de beëindiging van de proeftuin. Het convenant komt eveneens te vervallen bij de inwerkingtreding van de Wet modern migratiebeleid, ongeacht de nog resterende duur van de geldigheid op dat moment.

1.5.3. Beoordeling van individuele verzoeken om advies

De verzoeken om advies worden gedaan door het indienen van een inlichtingenformulier. Dit inlichtingenformulier dient ten behoeve van de vreemdeling te worden ingevuld door het bedrijf of de instelling en te worden gezonden aan de IND. Binnen de verkorte mvv-procedure zijn vier inlichtingenformulieren van toepassing: ‘(de voorbereiding op) studie’, ‘stage’, ‘arbeid in loondienst’ en ‘culturele uitwisseling’.

Het inlichtingenformulier dient vergezeld te gaan van de voor het verzoek om advies benodigde bijlagen, zoals vermeld in het desbetreffende inlichtingenformulier. Wanneer alle gegevens volledig en op de juiste wijze zijn verstrekt, wordt het verzoek om advies in deze verkorte procedure in behandeling genomen. Op dat moment wordt nagegaan of de personalia van de vreemdeling voorkomen in het (N)SIS en het OPS.

1.5.3.1. Beslissing

Indien de vreemdeling niet voorkomt in (N)SIS/OPS en aan de overige voorwaarden wordt voldaan, volgt een positieve beslissing. Deze beslissing wordt door de IND naar de desbetreffende ambassade gezonden. De Nederlandse ambassade zal vervolgens de mvv afgeven, tenzij deze tegen de afgifte alsnog bezwaren ziet, bijvoorbeeld op grond van de openbare orde. Ook zal de Nederlandse ambassade de identiteit van de vreemdeling vaststellen alvorens tot afgifte van de mvv over te gaan. Voor het verkrijgen van de mvv zijn leges verschuldigd.

1.5.3.2. Onvolledig verzoek om advies

Indien bij de behandeling van het verzoek om advies blijkt dat niet aan alle gestelde voorwaarden wordt voldaan, of indien het inlichtingenformulier onvolledig is ingevuld dan wel niet is voorzien van de voor het advies benodigde bijlagen, zal de IND het bedrijf of de instelling in de gelegenheid stellen het verzoek binnen een bepaalde termijn aan te vullen. Indien het verzoek om advies niet binnen die termijn (voldoende) is aangevuld, kan het verzoek buiten behandeling worden gesteld.

1.5.4. Aanvraag verblijfsvergunning

Nadat de vreemdeling in het bezit van een mvv Nederland is ingereisd, wordt de gangbare procedure gevolgd ter verkrijging van een verblijfsvergunning. De gegevens die bij het inlichtingenformulier zijn verstrekt, dienen bij de aanvraag om een verblijfsvergunning bij de IND wederom te worden verstrekt. Voorts dienen aldaar de originele documenten te worden overgelegd.

1.5.5. Gezinshereniging

Verzoeken om een mvv in het kader van gezinshereniging kunnen niet via de verkorte mvv-procedure worden afgehandeld. Dit lijdt slechts uitzondering indien:

  • a. de hoofdaanvrager (degene bij wie verblijf wordt beoogd) zelf via de verkorte mvv-procedure op grond van arbeid in loondienst verblijf in Nederland vraagt;

  • b. de hoofdaanvrager behoort tot een categorie arbeidskrachten, waarvan bij Ministerraadbesluit is vastgesteld dat er onvoldoende prioriteitgenietend aanbod is in Nederland of de EU. Thans geldt dit voor Research & Development-functies en functies in de sector Informatie- en Communicatie Technologie; en

  • c. de aanvragen tegelijkertijd met die van de hoofdaanvrager worden ingediend.

Wanneer andere sectoren dan hiervoor onder b. genoemd worden aangewezen, zal dit per Wijzigingsbesluit Vc worden bekendgemaakt. Bij twijfel of een bepaalde functie binnen één van de genoemde categorieën valt, dient contact te worden opgenomen met de Afdeling Juridische Zaken van Arbeidsbureau Nederland.

Het gelijktijdig afdoen van de aanvraag van gezinsleden via de verkorte mvv-procedure, samen met die van de hoofdaanvrager, is voorts slechts mogelijk:

  • ingeval van een huwelijk dat reeds bestond toen beide echtgenoten nog in het buitenland verbleven;

  • ingeval van een relatie die reeds bestond toen beide partners nog in het buitenland verbleven;

  • voor de uit het huwelijk of de relatie geboren minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin;

  • voor de niet uit het huwelijk of de relatie geboren minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin.

Aanvragen in het kader van verruimde gezinshereniging, adoptie en pleegkinderen kunnen derhalve niet via de verkorte mvv-procedure worden afgehandeld.

Voor gezinsleden gelden daarnaast de algemene toepasselijke beleidsvoorwaarden, waaronder de legalisatie en verificatie van documenten (zie B2/8). De inschrijving van het huwelijk of geregistreerd partnerschap in de GBA (zie B2/2.8) is niet vereist bij de afgifte van de mvv. De inschrijving blijft echter wel vereist voor afgifte van de verblijfsvergunning.

1.6. Verblijf voor maximaal drie maanden

Het is niet mogelijk om een verzoek om advies ten behoeve van een vreemdeling die een verblijf in Nederland voor een periode van niet langer dan drie maanden beoogt binnen de verkorte mvv-procedure af te handelen. Indien een kort verblijf wordt beoogd, dient de vreemdeling daartoe zelf bij de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland een visumaanvraag in te dienen.

2. De verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

Ambtshalve wijziging van de vergunning

In artikel 14, eerste lid, onder c, Vw is de bevoegdheid neergelegd van de Minister voor I&A om een verblijfsvergunning ambtshalve te wijzigen wegens veranderde omstandigheden. Van de bevoegdheid om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd ambtshalve te wijzigen wegens veranderde omstandigheden wordt slechts gebruik gemaakt indien schending van het familie-, gezins- of privé-leven in de zin van artikel 8 EVRM aan de orde is.

Als regel van de Vw geldt dat er aan de verlening van een verblijfsvergunning altijd een daartoe strekkende aanvraag vooraf gaat (uitzondering daarop zijn de in artikel 3.6 Vb en artikel 3.17a VV aangewezen verblijfsvergunningen die ambtshalve verleend kunnen worden). Dat geldt ook voor verlenging van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en tevens voor wijziging van een zodanige verblijfsvergunning.

Gelet op artikel 3.100 Vb is, in gevallen waarin de vreemdeling hangende de besluitvorming op een aanvraag een ander verblijfsdoel nastreeft, sprake van wijziging van het verblijfsdoel, waarvoor een nieuwe aanvraag moet worden ingediend. Indien de wijziging dermate gering is dat redelijkerwijs niet meer van een wijziging kan worden gesproken, hoeft geen nieuwe aanvraag te worden ingediend. In een dergelijk geval kan de beperking dus wel anders luiden dan hetgeen is aangevraagd.

Gelet op hetgeen in B1/2.1 is vermeld (er moet op de aanvraag worden beslist zoals deze is ingediend en er mag niet iets anders worden toegewezen of afgewezen dan waarom is gevraagd), is in gevallen waarin de vreemdeling een ander verblijfsdoel nastreeft dan waarvoor hij verblijf heeft gevraagd, geen ruimte om ambtshalve een verblijfsvergunning te verlenen voor een ander doel dan waarom is gevraagd. Een uitzondering hierop geldt voor de verblijfsvergunningen als bedoeld in artikel 3.6 Vb en artikel 3.17a VV, die zonder daartoe strekkende aanvraag kunnen worden verleend.

Indien aan de vreemdeling reeds een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend, maar er sprake is van veranderde omstandigheden, dient de vreemdeling een aanvraag tot wijziging van de vergunning in te dienen onder een beperking verband houdend met het nieuwe verblijfsdoel.

Op grond van artikel 3.81 Vb wordt een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 14 Vw, beoordeeld als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, met dien verstande dat de artikelen 3.71, 3.77, 3.78 en 3.79 Vb niet van toepassing zijn en de artikelen 3.86 en 3.87 Vb van overeenkomstige toepassing zijn, indien de aanvraag tijdig is ingediend.

2.1. Beperking

Ingevolge artikel 14, tweede lid, Vw wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder beperkingen, verband houdend met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Het is derhalve niet (langer) mogelijk om een verblijfsvergunning zonder beperking te verlenen. In artikel 3.4, eerste lid, Vb zijn de voornaamste beperkingen genoemd. Deze houden verband met:

  • a. gezinshereniging of gezinsvorming (zie B2);

  • b. verblijf ter adoptie of als pleegkind (zie B3);

  • c. het afwachten van onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders, bedoeld in artikel 11 Wobka (zie B2;

  • d. familiebezoek (zie B13);

  • e. het verrichten van arbeid als zelfstandige (zie B5);

  • f. het verrichten van arbeid in loondienst (zie B5);

  • g. het verrichten van arbeid als geestelijk voorganger of godsdienstleraar (zie B5);

  • h. het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst (zie B5);

  • i. het zoeken van arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentale plat (zie B5);

  • j. het doorbrengen van verlof in Nederland (zie B5);

  • k. het afwachten van herstel en hervatting van de arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentale plat (zie B5);

  • l. verblijf als stagiaire of practicant (zie B5);

  • m. verblijf als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel (zie B12);

  • n. het volgen van studie (zie B6);

  • o. voorbereiding op hoger onderwijs (zie B6);

  • p. verblijf als au pair (zie B7);

  • q. verblijf in het kader van uitwisseling (zie B7);

  • r. het ondergaan van medische behandeling (zie B8);

  • s. de vervolging van mensenhandel (zie B9);

  • t. het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 Rwn (zie B4);

  • u. voortgezet verblijf (zie B16);

  • v. wedertoelating (zie B4);

  • w. verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken (zie B14 en deel C);

  • x. verblijf als Amv (zie B14 en deel C);

  • y. verblijf als kennismigrant als bedoeld in artikel 1d Besluit uitvoering Wav (zie B15;

  • z. werkzaam in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening, als bedoeld in artikel 1e, eerste lid, Besluit uitvoering Wav (zie B5 en B10; of

  • aa. verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene (zie B17).

Deze beperkingen kunnen nader worden omschreven bij de verlening van de verblijfsvergunning (zie artikel 3.4, tweede lid, Vb en de desbetreffende materiehoofdstukken B2 en verder).

Daarnaast kan de Minister een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verlenen onder een andere beperking dan hiervoor genoemd (zie artikel 3.4, derde lid, Vb). Het moet daarbij gaan om een verblijfsvergunning op reguliere gronden en niet op asielgerelateerde gronden (zie B1/9.2).

Andere beperkingen dan in artikel 3.4, eerste lid, Vb

Ingevolge artikel 14, tweede lid, Vw kunnen verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd alleen onder een beperking verband houdende met het verblijfsdoel worden verleend en is verlening van een zodanige verblijfsvergunning zonder beperkingen niet mogelijk.

In artikel 3.100 Vb, handelend over de wijziging van de beperking, komt tot uiting de regel van de Vw dat er aan de verlening van een verblijfsvergunning altijd een daartoe strekkende aanvraag vooraf gaat (uitzondering daarop zijn de in artikel 3.6 Vb aangewezen verblijfsvergunningen die ambtshalve kunnen worden verleend).

Met de aanvraag stelt de vreemdeling het kader voor de besluitvorming. Op de aanvraag moet worden beschikt zoals zij is ingediend en er mag niet iets anders worden toegewezen of afgewezen dan is aangevraagd. Indien de wijziging dermate gering is dat redelijkerwijs niet meer van een wijziging kan worden gesproken, hoeft geen nieuwe aanvraag te worden ingediend. In een dergelijk geval kan de beperking dus wel anders luiden dan hetgeen is aangevraagd.

De verblijfsdoelen waarvoor verblijf kan worden verleend, zijn omschreven in artikel 3.4, eerste lid, Vb en deze zijn nader uitgewerkt in deel B. De opsomming in artikel 3.4 Vb is niet limitatief. In het derde lid van dit artikel is de bevoegdheid van de Minister voor I&A neergelegd om een verblijfsvergunning te verlenen onder een beperking die niet in het Vb is geregeld.

Van deze bevoegdheid, die overigens ook categoriaal kan worden toegepast, zal terughoudend worden gebruikgemaakt.

De in het derde lid gegeven bevoegdheid ziet niet op situaties waarin de vreemdeling in Nederland wil verblijven op een grond die wel in het Vb is opgenomen, maar aan een of meer van de voorwaarden niet wordt voldaan. In een dergelijke situatie wordt de verblijfsvergunning als regel niet verleend.

Gelet op het uitgangspunt om van bedoelde bevoegdheid terughoudend gebruik te maken, gelet op mogelijke precedentwerking en in het belang van de noodzakelijke coördinatie is de hieronder vermelde werkwijze vastgesteld.

Indien de vreemdeling verblijf vraagt voor een doel dat niet voorkomt in artikel 3.4, eerste lid, Vb (en ook niet in de Vc) geldt het volgende:

  • a. de IND beziet of de vreemdeling het waarom en de noodzaak van het andere verblijfsdoel dan wel de andere beperking heeft vermeld;

  • b. de IND beziet of de vreemdeling één en ander met gegevens en bescheiden heeft onderbouwd overeenkomstig B1/9.3;

  • c. de IND beslist vervolgens namens de Minister op de aanvraag.

Bij de beslissing op de aanvraag wordt overigens niet getreden buiten de toelatingsgronden van artikel 13 Vw.

2.2. Ingangsdatum

Ingevolge artikel 26, eerste lid, Vw wordt de verblijfsvergunning regulier verleend met ingang van de dag waarop de vreemdeling heeft aangetoond dat hij aan alle voorwaarden voldoet, maar niet eerder dan met ingang van de dag waarop de aanvraag is ontvangen. Dat geldt zowel voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als voor onbepaalde tijd.

2.3. Arbeidsmarktaantekening

Ingevolge artikel 4.21, derde lid, Vb wordt op het document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, aangetekend of het de vreemdeling is toegestaan arbeid te verrichten en of voor deze arbeid ingevolge de Wav een TWV is vereist.

Tussen de Wav en de Vw bestaat een nauwe samenhang. Toetreding tot de arbeidsmarkt wordt gereguleerd met de Wav. Het algemene uitgangspunt in de Wav is dat het een werkgever verboden is een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder TWV (zie artikel 2 Wav).

Het verbod is niet van toepassing ten aanzien van vreemdelingen die behoren tot:

  • de categorie als genoemd in artikel 3 Wav (onder andere gemeenschapsonderdanen); en

  • vreemdelingen die beschikken over een krachtens de Vw afgegeven vergunning die is voorzien van een aantekening van de Minister waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid (zie artikel 4 Wav).

Zie in dit verband ook B5.

Samenhang documenten en schriftelijke verklaringen als bedoeld in artikel 9 Vw en de arbeidsmarktaantekening

Ingevolge artikel 9, eerste lid, Vw verschaft de Minister aan de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met h, en j tot en met l, Vw, een document of schriftelijke verklaring waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. De vreemdeling met rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder i, Vw, wordt desgevraagd een dergelijk document of verklaring verschaft (zie ook artikel 3.9 VV).

Het document of de schriftelijke verklaring als bedoeld in artikel 9 Vw, bevat tevens informatie omtrent de toegang tot de arbeidsmarkt van de vreemdeling.

Afgifte van documenten en schriftelijke verklaringen als bedoeld in artikel 9 Vw

  • a. In de situatie dat de vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, dan wel in de situatie dat aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend. Het document of de schriftelijke verklaring wordt verstrekt door de IND. Ter verkrijging van dit bescheid rechtmatig verblijf dient de vreemdeling zich uitsluitend vooraf telefonisch aan te melden bij de IND via het landelijk telefoonnummer.

  • b. In de situatie dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld aangifte te doen van overtreding van artikel 273f WvSr (mensenhandel). In afwijking van de hoofdregel vermeld onder ‘a’, wordt het document of de schriftelijke verklaring in deze situatie door de korpschef verstrekt, ook indien de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt ingewilligd. Deze wijst de vreemdeling op de rechten die voortvloeien uit de daarop vermelde informatie omtrent de toegang tot de arbeidsmarkt van de vreemdeling. Zie ook B9/7.3.

  • c. In de situatie dat de vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 20 Vw. Het document of de schriftelijke verklaring wordt in deze situatie door de IND verstrekt. Ter verkrijging van dit bescheid rechtmatig verblijf dient de vreemdeling zich uitsluitend vooraf telefonisch aan te melden bij de IND via het landelijk telefoonnummer. Vervolgens handelt de IND het verzoek om verkrijging van het bescheid af.

  • d. In de situatie dat aan de vreemdeling een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd is verleend, als bedoeld in artikel 20 Vw. Het document of de schriftelijke verklaring wordt verstrekt door de IND. Ter verkrijging van dit bescheid rechtmatig verblijf dient de vreemdeling zich uitsluitend vooraf telefonisch aan te melden bij de IND via het landelijk telefoonnummer. Vervolgens handelt de IND het verzoek om verkrijging van het bescheid af.

  • e. In de situatie dat de vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning, dan wel in de situatie dat de aanvraag tot het wijzigen van de verblijfsvergunning is ingewilligd. Het document of de schriftelijke verklaring wordt verstrekt door de IND. Ter verkrijging van dit bescheid rechtmatig verblijf dient de vreemdeling zich uitsluitend vooraf telefonisch aan te melden bij de IND via het landelijk telefoonnummer. Vervolgens handelt de IND het verzoek om verkrijging van het bescheid af.

  • f. In de situatie dat de vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Het document of de schriftelijke verklaring wordt in deze situatie door de IND verstrekt. Ter verkrijging van dit bescheid rechtmatig verblijf dient de vreemdeling zich uitsluitend vooraf telefonisch aan te melden bij de IND via het landelijk telefoonnummer. Vervolgens handelt de IND het verzoek om verkrijging van het bescheid rechtmatig verblijf af.

  • g. In de situatie dat de geldigheidsduur van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier wordt verlengd. Het document of de schriftelijke verklaring wordt verstrekt door de IND. Ter verkrijging van dit bescheid rechtmatig verblijf dient de vreemdeling zich uitsluitend vooraf telefonisch aan te melden bij de IND via het landelijk telefoonnummer. Vervolgens handelt de IND het verzoek om verkrijging van het bescheid af.

  • h. In de situatie dat de vreemdeling in afwachting is van een beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift én uitzetting gedurende deze periode achterwege dient te blijven. In afwijking van de hoofdregel vermeld onder ‘a’ wordt het document of de schriftelijke verklaring in deze situatie door de IND verstrekt. Ter verkrijging van dit bescheid rechtmatig verblijf dient de vreemdeling zich uitsluitend vooraf telefonisch aan te melden bij de IND via het landelijk telefoonnummer. Vervolgens handelt een ambtenaar van de IND het verzoek om verkrijging van het bescheid af.

  • i. In de situatie dat de vreemdeling in de vrije termijn als bedoeld in artikel 12 Vw hier te lande verblijft. Het document of de schriftelijke verklaring wordt verstrekt door de IND. Ter verkrijging van dit bescheid rechtmatig verblijf dient de vreemdeling zich uitsluitend vooraf telefonisch aan te melden bij de IND via het landelijk telefoonnummer. Vervolgens handelt de IND het verzoek om verkrijging van het bescheid af.

  • j. In de situatie dat uitzetting van de vreemdeling ingevolge artikel 64 Vw gelet op zijn gezondheidstoestand of die van één van zijn gezinsleden achterwege dient te blijven zie A4/7.3.

De vreemdeling dient op zijn uit de aantekening voortvloeiende rechten te worden gewezen.

2.3.1. Arbeidsmarktaantekeningen

Verschillende arbeidsmarktaantekeningen

Op het document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, kunnen verschillende arbeidsmarktaantekeningen worden geplaatst. Voor de vreemdeling is het van groot belang dat de juiste arbeidsmarktaantekening zo spoedig mogelijk wordt geplaatst op zijn document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt. Een verkeerde aantekening kan immers grote gevolgen hebben voor zijn mogelijkheden om arbeid te verrichten. Het is van belang dat de Korpschef de vreemdeling wijst op de rechten die voortvloeien uit deze aantekening.

Arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist

De vreemdeling is met deze aantekening volledig vrij op de arbeidsmarkt. Dit betekent dat hij dit recht behoudt gedurende de aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur of tijdens de bezwaar- of beroepsprocedure. Wanneer de beperking wijzigt waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd aan hem is verleend, blijft de arbeidsmarktaantekening ongewijzigd (bijv. indien de beperking van een verblijfsvergunning bij Nederlandse echtgenoot wijzigt in een verblijfsvergunning voor studie).

EU/EER-onderdanen (zie B10/8) en onderdanen van Zwitserland mogen op grond van het EG-Verdrag vrij in Nederland werken. Daarom mag voor het laten werken van een EU/EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland geen TWV worden verlangd.

Op het af te geven bewijs van rechtmatig verblijf aan gemeenschapsonderdanen die zelf geen EU/EERonderdaan of onderdaan van Zwitserland zijn, dient de arbeidsmarktaantekening ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’ te worden geplaatst (zie B10/2.7).

Arbeid uitsluitend toegestaan indien werkgever beschikt over TWV

De vreemdeling heeft hiermee een beperkt recht om zich op de arbeidsmarkt te begeven. Slechts indien zijn (feitelijke) werkgever beschikt over een TWV ten behoeve van zijn tewerkstelling is het de vreemdeling toegestaan om arbeid te verrichten (bijvoorbeeld vreemdelingen die in het kader van het verrichten van arbeid in loondienst tot Nederland worden toegelaten alsmede hun gezinsleden krijgen deze aantekening). Deze aantekening kan echter wijzigen.

Indien de vreemdeling gedurende een ononderbroken tijdvak van drie jaar heeft beschikt over een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met deze aantekening, heeft hij recht op de aantekening ‘arbeid vrij toegestaan. TWV niet vereist’.

Specifieke arbeid toegestaan mits werkgever beschikt over TWV; andere arbeid niet toegestaan

De vreemdeling met deze aantekening kan zich slechts op een specifiek omschreven deel van de arbeidsmarkt begeven onder de voorwaarde dat zijn (feitelijke) werkgever beschikt over een TWV ten behoeve van zijn tewerkstelling. Het is niet toegestaan om andere arbeid te verrichten dan de arbeid waarvoor toestemming is verleend.

Arbeid niet toegestaan

Het is de vreemdeling niet toegestaan arbeid in Nederland te verrichten (bijvoorbeeld vreemdelingen aan wie een verblijfsvergunning verband houdende met verblijf als au pair is verleend).

Arbeid toegestaan. TWV alleen gedurende eerste twaalf maanden vereist

Deze aantekening wordt gebruikt in geval een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt afgegeven aan de houder van de door een andere lidstaat afgegeven EG-verblijfsvergunning langdurig ingezetene. De verplichting om te beschikken over een tewerkstellingsvergunning blijft gedurende de eerste twaalf maanden bestaan.

TWV niet vereist. Andere arbeid niet toegestaan

Met deze aantekening wordt uitgedrukt dat de vreemdeling de arbeid in verband waarmee de verblijfsvergunning is afgegeven mag verrichten zonder TWV. Hij mag echter geen andere arbeid verrichten dan die waarvoor de verblijfsvergunning is verleend. Als de vreemdeling andere arbeid wil gaan verrichten zal hij een wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning moeten aanvragen. Deze arbeidsmarktaantekening wordt gebruikt bij bijvoorbeeld kennismigranten en onbezoldigd wetenschappelijk onderzoekers.

Arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV

Deze arbeidsmarktaantekening wordt gebruikt als iemand in Nederland verblijft om arbeid als zelfstandige te verrichten. Deze vreemdelingen mogen naast hun werkzaamheden als zelfstandige arbeid in loondienst verrichten, maar alleen als hiervoor een TWV is afgegeven.

Andere arbeid alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV

Deze arbeidsmarktaantekening wordt momenteel alleen gebruikt in het geval van een niet-geprivilegieerd NAVO-vreemdeling. Deze vreemdeling mag naast zijn werkzaamheden als NAVO-vreemdeling andere arbeid verrichten als daar een TWV voor is afgegeven. Het onderscheid met de hiervoor genoemde aantekening is erin gelegen dat de werkzaamheden van de NAVO-vreemdeling in loondienst plaatsvinden. Als de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid in loondienst alleen toegestaan indien werkgever beschikt over TWV’ zou worden gebruikt zou hiermee de indruk gewekt kunnen worden dat voor de werkzaamheden als NAVO-vreemdeling een TWV vereist zou zijn.

Arbeid niet toegestaan met uitzondering van arbeid van bijkomende aard. TWV vereist

Deze arbeidsmarktaantekening wordt gebruikt bij verblijf voor studie. Onder arbeid van bijkomende aard wordt verstaan arbeid van maximaal 10 uur per week of seizoensarbeid in de maanden juni, juli en augustus.

2.3.2. Voortzetting van het verblijf

Continueren van de vrije toegang tot de arbeidsmarkt

Op 5 december 1997 is het besluit van 14 november 1997 (Stb. 1997, 583) tot wijziging van het Koninklijk Besluit van 23 augustus 1995 ter uitvoering van de Wav (Stb. 406) in werking getreden. Dit besluit heeft betrekking op vreemdelingen die op grond van hun (eerdere) verblijfsrecht vrij tot de Nederlandse arbeidsmarkt zijn toegelaten. Zij behouden hun vrije toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt, zolang zij de beslissing op hun aanvraag om (voortzetting van het) verblijf met instemming van de Minister in Nederland mogen afwachten.

De achtergrond van dit besluit is gelegen in de ongewenste gevolgen die de voorheen geldende regeling bleek te hebben. In die situatie zouden werkgevers een TWV moeten aanvragen en bij weigering daarvan de vreemdeling moeten ontslaan, terwijl de vreemdeling nadien weer het recht op vrije toegang tot de arbeidsmarkt zou (kunnen) verkrijgen. Ook uit oogpunt van het algemeen belang is het te verkiezen dat vreemdelingen, aan wie mogelijk voortzetting van het verblijf wordt toegestaan, beschikken over een werkkring waarmee zij in hun onderhoud (blijven) voorzien.

Het besluit van 14 november 1997 heeft uitdrukkelijk géén betrekking op vreemdelingen:

  • die voor het verrichten van arbeid in loondienst in het bezit dienen te zijn van een TWV; of

  • aan wie het verrichten van arbeid niet is toegestaan.

Bij vreemdelingen, die onder de werking van dit besluit vallen, dient in het paspoort of vergelijkbaar identiteitsdocument een sticker voor verblijfsaantekeningen (bijlage 7g VV) te worden aangebracht, met de aantekening ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’. Het is van belang dat de vreemdeling wordt gewezen op de rechten die voortvloeien uit deze aantekening.

Het is niet nodig dat de vreemdeling al in het bezit was van een werkkring. Deze werkkring kan namelijk ook op een later tijdstip gevonden worden. De vreemdeling dient echter zelf actief werk te zoeken, omdat bemiddeling via een arbeidsbureau in deze periode niet is toegestaan.

Uit het feit dat een vreemdeling in het bezit is van de hier bedoelde arbeidsmarktaantekening kan echter niet worden afgeleid dat met de voortzetting van zijn verblijf een wezenlijk Nederlands belang in de zin van de Vw wordt gediend op grond waarvan opnieuw verblijf zou moeten worden toegestaan.

2.4. Aantekening tijdelijk verblijfsrecht

Inleiding

Artikel 3.5 Vb bevat de uitwerking van het uit de Vw voortvloeiende onderscheid tussen verblijfsrecht dat naar zijn aard tijdelijk dan wel niet-tijdelijk is. In artikel 21, eerste lid, onderdeel f, Vw is neergelegd dat de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd kan worden afgewezen, indien het verblijfsrecht van de vreemdeling van tijdelijke aard is. In diverse regelingen worden gevolgen verbonden aan het onderscheid tussen verblijf dat naar zijn aard tijdelijk is en verblijf dat naar zijn aard niet-tijdelijk is. Een dergelijk onderscheid is onder meer aangebracht voor de vraag of de vreemdeling op grond van de Wet inburgering nieuwkomers een inburgeringstraject moet doorlopen, waarbij een verplichting tot het doorlopen van een inburgeringstraject op grond van de Wet inburgering nieuwkomers overigens niet in alle gevallen noodzakelijkerwijs meebrengt dat het verblijf naar zijn aard niet-tijdelijk is. Voorts kunnen vreemdelingen met verblijfsrecht dat naar zijn aard tijdelijk is, niet tot Nederlander worden genaturaliseerd, aangezien er ten aanzien van hen in ieder geval bedenkingen zullen bestaan tegen het verblijf in Nederland voor onbepaalde duur als bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, Rwn, en de verlening van het Nederlanderschap de toepassing van de Vw zou kunnen doorkruisen.

Verblijfsrecht dat naar zijn aard tijdelijk is, wordt aangeduid als tijdelijk verblijfsrecht. De vraag of het verblijfsrecht al of niet tijdelijk van aard is, is alleen relevant zolang de vreemdeling in het bezit is van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw. Deze verblijfsvergunning kan een tijdelijk en niet-tijdelijk verblijfsrecht impliceren. De tijdelijkheid van het verblijfsrecht heeft niets te maken met de omstandigheid dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor ten hoogste vijf jaren wordt verleend. De tijdelijkheid van het verblijfsrecht valt evenmin af te leiden uit het feit dat de verblijfsvergunning steeds onder een beperking wordt verleend.

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd geeft de houder ofwel tijdelijk verblijfsrecht ofwel niet-tijdelijk verblijfsrecht. Of het verblijfsrecht van de vreemdeling tijdelijk of niet-tijdelijk is, wordt uitsluitend bepaald door artikel 3.5 Vb. Is de verblijfsvergunning verleend onder een beperking genoemd in het tweede lid, dan is het verblijf van de vreemdeling tijdelijk van aard. Is de verblijfsvergunning verleend onder een andere beperking, dan is het verblijf van de vreemdeling als uitgangspunt niet-tijdelijk van aard.

Ingevolge artikel 3.4, derde lid, Vb kan de verblijfsvergunning worden verleend onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid van dat artikel. In dat geval wordt bij de verlening aangegeven of het daaruit voortvloeiende verblijfsrecht tijdelijk van aard is. Blijft een dergelijke aanwijzing achterwege dan volgt uit het derde lid van artikel 3.5 Vb dat het verblijfsrecht niet-tijdelijk van aard is.

Met name niet-tijdelijk van aard is het verblijfsrecht op grond van een verblijfsvergunning die is verleend onder een beperking verband houdend met:

  • gezinshereniging en gezinsvorming met of verblijf als adoptiekind of pleegkind van een Nederlander of een vreemdeling die zelf verblijfsrecht heeft dat niet-tijdelijk van aard is;

  • het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag;

  • voortgezet verblijf;

  • wedertoelating;

  • het verrichten van arbeid in loondienst;

  • het verrichten van arbeid als zelfstandige.

Bij het slot van artikel 3.5, derde lid, Vb kan, afgezien van individuele gevallen, worden gedacht aan een tijdelijke regeling op grond waarvan aan bepaalde categorieën vreemdelingen gedurende een beperkte periode verblijf in Nederland wordt toegestaan. In een dergelijk geval wordt in het desbetreffende Wijzigingsbesluit Vc aangegeven of het verblijfsrecht tijdelijk of niet-tijdelijk van aard is.

2.5. Aantekening omtrent beroep op de publieke middelen

In artikel 4.21, vierde lid, Vb is opgenomen in welke gevallen op het verblijfsdocument een aantekening ‘beroep op de publieke middelen kan gevolgen hebben voor het verblijfsrecht’ wordt gesteld.

In artikel 3.4, vierde lid, Vb is opgenomen wanneer een beroep op de publieke middelen in ieder geval gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht.

De IND stelt de vreemdeling vooraf schriftelijk in kennis dat een beroep op de algemene middelen gevolgen kan hebben voor het verblijfsrecht. De IND doet dit door een aantekening op te nemen op het verblijfsdocument of de beschikking waarbij de verblijfsvergunning wordt toegekend.

Het doen van een beroep op de publieke middelen kan betekenen dat niet langer wordt voldaan aan ten minste een van de beperkingen waaronder een verblijfsvergunning wordt verleend, zodat verlenging van de geldigheidsduur ervan kan worden geweigerd met toepassing van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder f, Vw.

Onder ‘beperkingen’ wordt in dit verband mede verstaan de voorwaarden die zijn gesteld aan verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

Tevens is het doen van een beroep op de publieke middelen een aanwijzing dat niet wordt beschikt over voldoende middelen van bestaan, als bedoeld in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

Ingevolge artikel 19 Vw zijn dit tevens intrekkingsgronden voor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

Hetzij de vreemdeling zelf, hetzij degene bij wie aan de vreemdeling verblijf is toegestaan, beschikt kennelijk niet langer zelfstandig over voldoende middelen van bestaan, wanneer hij of zij een beroep doet op de publieke middelen.

Zorg-, huur-, kinderopvang- en kindertoeslagen zoals die door de Belastingdienst worden uitgekeerd, worden niet beschouwd als een beroep op de publieke middelen in de zin van artikel 3.4, vierde lid, Vb. De toekenning van een van voornoemde toeslagen heeft derhalve geen gevolgen voor het verblijfsrecht.

2.6. Voorschriften

Ingevolge artikel 14, tweede lid, Vw kunnen aan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

2.6.1. Tot het stellen van zekerheid

Aan de verblijfsvergunning kunnen voorschriften tot het stellen van zekerheid worden verbonden. Met een voorschrift tot het stellen van zekerheid aan een verblijfsvergunning wordt op zich niet voldaan aan de algemene voorwaarde dat over voldoende middelen van bestaan moet worden beschikt. Het stellen van zekerheid ingevolge een voorschrift verbonden aan een verblijfsvergunning, moet in die zin worden onderscheiden van het stellen van zekerheid in verband met de vrije termijn.

Voorschriften tot het stellen van zekerheid worden niet verbonden aan verstrekking van een document waaruit het rechtmatig verblijf blijkt, in geval van vreemdelingen die behoren tot een van de in artikel 8, aanhef en onder e, Vw genoemde categorie verblijfsgerechtigden (zie B10).

In de betreffende materiehoofdstukken (zie B2 en verder) wordt telkens aangegeven of en zo ja welke voorschriften aan de verblijfsvergunning worden verbonden.

Het deponeren van een passagebiljet

Aan de verblijfsvergunning kan als voorschrift worden verbonden het deponeren van een passagebiljet, voor de reis naar een plaats buiten Nederland waar toelating van de vreemdeling is gewaarborgd.

In verband met de beperkte geldigheidsduur van passagebiljetten wordt van deze mogelijkheid slechts gebruik gemaakt ten aanzien van vreemdelingen die een verblijf beogen van korter dan één jaar. De duur waarvoor de verblijfsvergunning wordt verleend, is in deze gevallen steeds korter dan de geldigheidsduur van het passagebiljet. De vreemdeling wordt geacht aan dit voorschrift te hebben voldaan, indien hij reeds in verband met verblijf in de vrije termijn een passagebiljet heeft gedeponeerd dat geldig is tot na het verstrijken van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning.

Procedure deponeren passagebiljet

Indien het deponeren van een passagebiljet als voorschrift aan een verblijfsvergunning regulier wordt verbonden – en het biljet is niet reeds gedeponeerd in verband met verblijf in de vrije termijn – dient het alsnog te worden gedeponeerd bij één van de visumloketten, welke door de IND zijn ingericht in Rijswijk en Zwolle. Afhankelijk van de woon- of verblijfplaats van de vreemdeling stelt de ambtenaar van de IND middels een kopie van de beschikking hetzij het visumloket in Rijswijk, hetzij het visumloket in Zwolle, op de hoogte van het feit dat aan de verblijfsvergunning een dergelijk voorschrift is verbonden. De vreemdeling ontvangt vervolgens een schriftelijke uitnodiging van het betreffende visumloket om het passagebiljet aldaar in persoon te deponeren. Ten bewijze van het feit dat het passagebiljet is gedeponeerd ontvangt de vreemdeling een ontvangstbewijs. Het visumloket bericht vervolgens de ambtenaar dat het biljet is gedeponeerd.

Procedure teruggave passagebiljet

Teruggave van het passagebiljet geschiedt bij één van de visumloketten. Hiertoe zal de vreemdeling schriftelijk worden opgeroepen teneinde het passagebiljet in persoon in ontvangst te nemen. Bij de teruggave van het passagebiljet tekent de vreemdeling een ontvangstbewijs, ten bewijze van het feit dat het biljet aan hem is geretourneerd.

Het deponeren van een waarborgsom

Van de mogelijkheid aan de verblijfsvergunning een voorschrift te verbinden tot het deponeren van een waarborgsom voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar toelating van de vreemdeling is gewaarborgd, wordt in beginsel geen gebruik gemaakt.

Regels voor het in ontvangst nemen, het beheer en de teruggave van waarborgsommen worden gegeven in de artikelen 3.8, 3.9, 3.10 en 3.11 Vb.

De uitvoering van de vorenstaande regels geschiedt als volgt.

Procedure deponeren waarborgsom

Indien het deponeren van een waarborgsom als voorschrift aan de verblijfsvergunning wordt verbonden, wordt een factuur vervaardigd die aan de vreemdeling wordt toegezonden. De vreemdeling krijgt de gelegenheid om binnen vier weken het op de factuur vermelde bedrag te voldoen. Indien hij na ommekomst van deze periode het bedrag nog niet heeft betaald, wordt hem een aanmaning toegezonden om het bedrag alsnog binnen twee weken te betalen. Deze aanmaning geldt als het bieden van gelegenheid tot herstel van verzuim. Het bedrag kan overigens zowel per bank als per giro worden voldaan.

De vreemdeling ontvangt na betaling een bevestiging. De betreffende ambtenaar van de IND wordt eveneens op de hoogte gesteld van het feit dat de waarborgsom is gedeponeerd.

Procedure teruggave van de waarborgsom

Indien de vreemdeling zich in Nederland bevindt, vindt de terugbetaling van de waarborgsom en de uitbetaling van de toekomende rente bij voorschot plaats door de Minister. Het bedrag wordt door de IND gestort op het aldaar bekende bank- of girorekeningnummer van de vreemdeling. De vreemdeling wordt tevens bij brief bericht dat het bedrag is teruggestort.

Het wijzigen of opheffen van een voorschrift tot het stellen van zekerheid

Een aanvraag om wijziging of opheffing van het aan de verblijfsvergunning verbonden voorschrift tot het stellen van zekerheid komt voor inwilliging in aanmerking, indien op andere wijze zekerheid wordt gesteld of indien de redenen die hebben geleid tot het verbinden van het voorschrift aan de vergunning zijn vervallen.

Het sluiten van een ziektekostenverzekering

De vreemdeling moet door middel van een schriftelijk bewijsstuk aantonen dat hij voldoende tegen ziektekosten verzekerd is.

Een voorschrift tot het voldoende verzekerd zijn tegen ziektekosten (met inbegrip van de kosten verbonden aan opname en verpleging in een sanatorium of psychiatrische inrichting) wordt aan de verblijfsvergunning verbonden.

2.6.2. In verband met openbare orde of nationale veiligheid

Aan de verblijfsvergunning kunnen voorschriften in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid worden verbonden.

Zulke voorschriften moeten worden onderscheiden van maatregelen van toezicht die in dat belang kunnen worden genomen (zie A3).

Een voorschrift als hier bedoelt, kan aan de verblijfsvergunning worden verbonden bij verlening of (alsnog) bij verlenging van de geldigheidsduur daarvan.

3. De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd

Algemeen

Ingevolge artikel 14, derde lid, Vw wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor ten hoogste vijf achtereenvolgende jaren en worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning en de verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning. Deze regels zijn neergelegd in de artikelen 3.57 tot en met 3.67, 3.69 en 3.70 Vb.

De hoofdregels voor de geldigheidsduur waarvoor de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend of verlengd, is neergelegd in artikel 3.57 Vb.

Van deze hoofdregel wordt, afhankelijk van het verblijfsdoel, afgeweken in de artikelen 3.58 tot en met 3.67, 3.69 en 3.70 Vb.

3.1. Uitzonderingsregels bij eerste toelating

De ten aanzien van de geldigheidsduur geldende regels zijn opgenomen in de artikelen 3.58 tot en met 3.67 Vb.

De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur wordt bij verlening en verlenging ervan vastgesteld op het maximum dat ingevolge het Vb mogelijk is.

Als de vreemdeling niet reeds bij het indienen van de aanvraag heeft aangetoond dat aan alle voorwaarden wordt voldaan, maar later, dan wordt bij het vaststellen van de geldigheidsduur uitgegaan van de latere datum waarop alsnog is aangetoond dat aan alle voorwaarden wordt voldaan. Dat de vreemdeling niet reeds bij het indienen van de aanvraag heeft aangetoond aan alle voorwaarden te voldoen, heeft derhalve geen gevolgen voor de totale geldigheidsduur van de te verlenen verblijfsvergunning. De totale geldigheidsduur blijft gelijk aan de geldigheidsduur zoals die zou gelden als reeds bij het indienen van de aanvraag aan alle geldende voorwaarden werd voldaan.

Ingevolge artikel 3.67, tweede lid, Vb kan de verblijfsvergunning worden verleend of verlengd met een langere geldigheidsduur, indien de geldigheidsduur van de te verlenen of te verlengen verblijfsvergunning op het moment waarop deze wordt verstrekt ingevolge artikel 3.57 Vb alweer zou zijn geëindigd. Van deze bevoegdheid wordt gebruik gemaakt indien op het moment van beoordeling door de IND de te verlenen of verlengen verblijfsvergunning nog minder dan drie maanden geldig zou zijn. In die gevallen wordt de te verlenen of verlengen verblijfsvergunning één jaar langer geldig gemaakt, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de geldigheidsduur van de te verlenen verblijfsvergunning zou zijn verstreken.

De bevoegdheid van artikel 3.67, tweede lid, Vb kan alleen worden gebruikt in afwijking van artikel 3.57 Vb. Deze bevoegdheid kan dan ook niet worden gebruikt om af te wijken van andere artikelen van het Vb, zoals de artikelen 3.59, 3.65, 3.66, 3.69, of 3.70 Vb. Evenmin wordt deze bevoegdheid gebruikt om de in het beleid neergelegde maximale verblijfsduren op te rekken (bijvoorbeeld de maximale verblijfsduur voor studenten, stagiaires, practicanten, onbezoldigd wetenschappelijk onderzoekers en vreemdelingen die arbeid in loondienst verrichten in het kader van een actieprogramma van de EU), of om de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning te verlengen terwijl niet meer aan het verblijfsdoel of de voorwaarden wordt voldaan.

De verblijfsvergunning van de echtgeno(o)t(e) van de langdurig ingezetene met rechtmatig verblijf in de zin van artikel 8, onder a dan wel l, Vw die deze status in een andere lidstaat heeft verkregen, en het minderjarige kind van de echtgeno(o)t(e) of die langdurig ingezetene wordt op grond van artikel 3.67, derde lid, Vb, in afwijking van artikel 3.57 Vb, verleend en verlengd met een geldigheidsduur die gelijk is aan de duur van de vergunning van de langdurig ingezetene.

De geregistreerde partner dan wel ongehuwde partner van de langdurig ingezetene en het kind van die partner worden daarbij gelijk gesteld met de echtgeno(o)t(e) dan wel het kind van die echtgeno(o)t(e).

3.2. Afwijkende bepalingen bij verlenging na gezinshereniging

De geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde duur wordt bij verlenging ervan vastgesteld op het maximum dat ingevolge het Vb mogelijk is (zie de artikelen 3.67, 3.69 en 3.70 Vb).

In aanvulling op artikel 3.67, eerste lid, onder a, Vb geldt dat bij verlenging van de geldigheidsduur van een afhankelijke verblijfsvergunning de geldigheidsduur ervan zich niet uitstrekt voorbij de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van de hoofdpersoon, indien de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd bezit en zolang de vreemdeling nog niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf.

Het is immers niet de bedoeling de vreemdeling met een afhankelijk verblijfsrecht een sterker verblijfsrecht te geven dan het verblijfsrecht van de hoofdpersoon, zolang de vreemdeling met het afhankelijke verblijfsrecht niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met voortgezet verblijf.

Ten aanzien van de toepassing van artikel 3.67 Vb wordt verwezen naar B1/3.1.

4. Afwijzingsgronden verblijfsvergunning bepaalde tijd

Ingevolge artikel 16, eerste lid, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen, indien:

  • a. de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd;

  • b. de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;

  • c. de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

  • d. de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid;

  • e. de vreemdeling niet bereid is om medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek naar een ziekte aangewezen bij of krachtens de Infectieziektewet, ter bescherming van de volksgezondheid of een medische behandeling tegen een dergelijke ziekte te ondergaan;

  • f. de vreemdeling voor een werkgever arbeid verricht, zonder dat aan de Wav is voldaan; of

  • g. de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.

  • h. de vreemdeling, die niet behoort tot een der categorieën, bedoeld in artikel 17, eerste lid, Vw na verkrijging van rechtmatig verblijf in Nederland inburgeringsplichtig zou zijn op grond van de artikelen 3 en 5 Wet inburgering en niet beschikt over kennis op basisniveau van de Nederlandse taal en de Nederlands maatschappij.

Op grond van artikel 16, tweede lid, Vw zijn in het Vb regels gesteld over de toepassing van deze gronden.

In het hierna volgende zullen de afzonderlijke afwijzingsgronden worden toegelicht.

4.1. Mvv-vereiste

Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder a, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Als hoofdregel schrijft artikel 3.71 Vb voor dat de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw wordt afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

Alleen de aanvraag tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 Vw kan worden afgewezen op grond van het ontbreken van een mvv. Dat betekent dat het ontbreken van een mvv geen betekenis heeft voor de beoordeling van de volgende aanvragen:

  • aanvragen tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd (zie artikel 20 Vw);

  • een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (zie artikel 28 Vw);

  • een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd (zie artikel 33 Vw).

Het ontbreken van een mvv is evenmin van betekenis bij de vraag of een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd aan de volgende categorieën ambtshalve verleend kan worden:

  • aan de alleenstaande minderjarige asielzoeker (zie B14);

  • aan de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als meerderjarige ex-bama, als bedoeld in B14/2.10.3.3;

  • de vreemdeling die buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten (zie B14);

  • de asielzoeker die drie jaren in procedure is (zie B14);

  • aan de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in het kader van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vw (oud), als bedoeld in B14/5.

4.1.1. Vrijstellingen

Vrijstelling op grond van de Vw

Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw wordt ingevolge artikel 17, eerste lid, Vw niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het betreft:

  • a. de vreemdeling die de nationaliteit bezit van één der door de Minister van BuZa aan te wijzen landen;

    Toelichting

    Deze landen zijn: Australië, België, Bulgarije, Canada, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, Italië, Japan, Letland, Liechtenstein, Litouwen, Luxemburg, Malta, Monaco, Nieuw-Zeeland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Vaticaanstad, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten van Amerika, IJsland, Zuid-Korea, Zweden en Zwitserland.

    Voor vreemdelingen uit deze landen staat echter wel de mogelijkheid open om bij een Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland onverplicht een mvv aan te vragen ten einde hun verblijfsaanspraken vooraf te laten toetsen, zodat ook zij vroegtijdig weten of hun verblijfsrecht toekomt.

  • b. de gemeenschapsonderdaan, voorzover niet reeds vrijgesteld op grond van een aanwijzing, als bedoeld onder a;

    Toelichting

    Een gemeenschapsonderdaan heeft geen verblijfsvergunning nodig om rechtmatig in Nederland te verblijven. Een gemeenschapsonderdaan ontleent zijn verblijfsrecht immers rechtstreeks aan het gemeenschapsrecht. Ook van belang is dat de vreemdeling die niet zelf onderdaan is van een lidstaat van de EU, EER of Zwitserland, maar die wel rechtstreeks verblijfsrecht aan het gemeenschapsrecht ontleent, bijvoorbeeld als echtgeno(o)t(e), kind, partner of (schoon)ouder van een gemeenschapsonderdaan, vrijgesteld is van het mvv-vereiste (zie de definitiebepaling van gemeenschapsonderdaan in artikel 1 Vw).

  • c. de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen;

    Toelichting

    Voor deze vrijstelling dient beoordeeld te worden of de vreemdeling, al dan niet onder voorwaarden, in staat is te reizen. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg betreffen, worden niet betrokken bij de beoordeling. Hierbij wordt aangesloten bij B8/3.4. Voor de procedurele aspecten wordt in dit kader verwezen naar B8/3.

  • d. de vreemdeling die slachtoffer of getuige-aangever is van mensenhandel;

    Toelichting

    Het Nederlandse beleid is er op gericht de opsporing en vervolging van hen die zich aan mensenhandel schuldig maken, zoveel mogelijk te bevorderen. In dat opzicht is van groot belang dat slachtoffers en getuigen van mensenhandel aangifte doen van mensenhandel en dat slachtoffers op andere wijze medewerking verlenen aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit bedoeld in artikel 273f van het WvSr. Met de verblijfsregeling zoals neergelegd n artikel 3.48 Vb wordt beoogd te voorkomen dat het slachtoffer of de getuige van mensenhandel afziet van het doen van aangifte of dat het slachtoffer afziet van het op andere wijze verlenen van medewerking aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, uit vrees Nederland te worden uitgezet als illegale vreemdeling. In dat verband wordt er op gewezen dat het slachtoffer of de getuige ingevolge artikel 8, onder k, Vw gedurende een bedenktijd van maximaal drie maanden rechtmatig verblijf in Nederland kan verkrijgen. In dat geval wordt nog geen verblijfsvergunning verleend.

    Ingeval het noodzakelijk is dat de getuige-aangever in Nederland verblijft nadat de aangifte is gedaan, kan de in artikel 3.48 Vb bedoelde verblijfsvergunning worden verleend zolang dat in het belang van de opsporing en vervolging van mensenhandel noodzakelijk is.

    Aan het slachtoffer van mensenhandel die aangifte doet of op andere wijze medewerking verleend aan een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit bedoeld in artikel 273f van het WvSr, kan de in artikel 3.48 Vb bedoelde verblijfsvergunning worden verleend zolang er nog sprake is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek, dan wel de berechting in feitelijke aanleg van de verdachte nog niet heeft plaatsgevonden.

    Het mvv-vereiste wordt hierbij niet tegengeworpen.

    In het geval van de getuige-aangever kan de verblijfsvergunning eerst worden verleend, indien het OM de aanwezigheid van de getuige-aangever in Nederland gewenst acht voor het opsporings- en vervolgingsonderzoek. Ook in die situatie wordt het mvv-vereiste niet tegengeworpen. Er dient wel proces verbaal van de aangifte opgemaakt te zijn.

  • e. de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag in het bezit was van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw dan wel van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33 Vw;

  • f. de vreemdeling die tijdig een aanvraag heeft ingediend tot wijziging van een verblijfsvergunning;

    Toelichting e en f

    Het mvv-vereiste is niet van toepassing op de vreemdeling die onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier in het bezit was van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd.

    Het ontbreken van een mvv wordt evenmin tegengeworpen aan de vreemdeling die een aanvraag indient om wijziging van het verblijfsdoel. Hierbij is van belang dat er geen onderscheid wordt gemaakt naar het soort verblijfsdoel. De vrijstelling geldt bijvoorbeeld ook indien een vreemdeling twee maanden in het bezit geweest is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw en vervolgens in aanmerking wenst te komen voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Voor de beoordeling of er sprake is van voortzetting van verblijf is dan niet van belang of de eerdere vergunning verlengd zou zijn of dat de vergunning na twee maanden is ingetrokken in verband met een wijziging in de situatie in het land van herkomst. Van belang is wel dat de aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel tijdig, dat wil zeggen in ieder geval niet later dan twee jaar na afloop van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning, ontvangen is (zie artikel 3.82 Vb en B1/5.1).

  • g. de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie;

  • h. de vreemdeling die houder is van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere staat die partij is bij het EG-verdrag, dan wel de echtgenoot of het minderjarig kind is van die houder, in geval het gezin reeds was gevormd in die andere staat;

De geregistreerde partner dan wel ongehuwde partner van de langdurig ingezetene en het kind van die partner worden daarbij gelijk gesteld met de echtgeno(o)t(e) dan wel het kind van die echtgeno(o)t(e).

Vrijstellingen op grond van het Vb

Ingevolge artikel artikel 3.71, tweede lid, Vb kan van het vereiste van een geldige mvv vrijgesteld worden, de vreemdeling:

  • a. die voor het bereiken van het negentiende levensjaar vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, Vw of als Nederlander en in die periode niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst;

    Toelichting

    De vreemdeling die voor diens negentiende levensjaar ten minste vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw kan in aanmerking komen voor wedertoelating tot Nederland. Indien de vreemdeling minderjarig is kan een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend. Indien de vreemdeling meerderjarig is kan een reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend. Hiermee verhoudt zich niet dat het mvv-vereiste wordt tegengeworpen. Dit onderdeel komt grotendeels overeen met artikel 52a, onderdeel g, van het voormalige Vb, met dien verstande dat toegevoegd is de categorie vreemdelingen die in diezelfde periode geheel of gedeeltelijk als Nederlander in Nederland hebben verbleven. Het is redelijk laatstgenoemde vreemdelingen niet anders te behandelen om de enkele reden dat het rechtmatig verblijf geheel of gedeeltelijk als Nederlander in Nederland is doorgebracht.

  • b. van twaalf jaar of jonger, die in Nederland is geboren en naar het oordeel van de Minister feitelijk is blijven behoren tot het gezin van een ouder die:

    • sedert het moment van geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw of als Nederlander; of

    • op het moment van de geboorte van de vreemdeling rechtmatig verblijf in Nederland had op grond van artikel 8, onder f tot en met k, Vw en die sedertdien aansluitend rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw heeft, voor zover geen van beiden het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst.

    Toelichting

    Kinderen van twaalf jaar of jonger die in Nederland zijn geboren, vanaf dat moment onafgebroken in Nederland woonachtig zijn en naar het oordeel van de Minister feitelijk zijn blijven behoren tot het gezin van een van de ouders die sinds de geboorte van het kind in Nederland verblijft op grond van een verblijfsvergunning, komen in aanmerking voor een verblijfsvergunning indien zij feitelijk (zijn blijven) behoren tot het gezin van die ouder. Als hoofdregel geldt dat één van de ouders binnen drie dagen na de geboorte van het kind een aanvraag ten behoeve van het kind moet indienen om het verblijfsrecht mede geldig te maken voor het kind.

    Is het kind evenwel niet direct na de geboorte aangemeld dan kan tot en met de leeftijd van twaalf jaar alsnog een aanvraag worden ingediend. In dat geval kan de verblijfsvergunning worden verleend indien naar het oordeel van de Minister genoegzaam is aangetoond dat het kind vanaf de geboorte onafgebroken in Nederland heeft verbleven en feitelijk is blijven behoren tot het gezin van de ouder die houder is van een verblijfsvergunning. Gelet op het feit dat deze kinderen in Nederland zijn geboren, is het niet rechtvaardig om de aanvraag af te wijzen omdat het kind niet in het bezit is van een geldige mvv. Hetzelfde geldt ten aanzien van kinderen die in Nederland zijn geboren uit een ouder die op het moment van die geboorte rechtmatig in Nederland verbleef, al dan niet in afwachting van een (nadere) beslissing op de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, en die aansluitend op dat rechtmatige verblijf in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning. Van dat kind wordt evenmin verlangd dat het met die ouder vertrekt naar het land van herkomst om daar de beslissing op de mvv-aanvraag af te wachten. Tot de hier bedoelde categorie behoren onder meer de kinderen die tijdens de procedure in Nederland worden geboren uit een ouder die aansluitend op die procedure in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning. Tevens zijn vrijgesteld andere kinderen die in Nederland zijn geboren op een moment waarop de ouder op een der andere in artikel 8 Vw genoemde gronden rechtmatig in Nederland verbleef, bijvoorbeeld in verband met de aangifte van mensenhandel, of tijdens de vrije termijn, en die aansluitend op dat rechtmatige verblijf in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning.

  • c. die in Nederland verblijft op grond van een geprivilegieerde status als gezinslid van een in Nederland geaccrediteerd personeelslid van een buitenlandse diplomatieke of consulaire post die zelf in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 21a Vw;

    Toelichting

    Onderdeel k ziet op feitelijk in Nederland verblijvende afhankelijke gezinsleden van geaccrediteerde personeelsleden van een buitenlandse diplomatieke of consulaire missie in Nederland.

    Geaccrediteerde personeelsleden van een buitenlandse diplomatieke of consulaire missie en hun afhankelijke gezinsleden bezitten een bijzondere status op grond van het Diplomatenverdrag of het Consulaire verdrag. De verblijfsstatus van de hoofdpersoon is bepalend voor de status van afhankelijke gezinsleden. Indien de uitgezonden status van de hoofdpersoon komt te vervallen, vervalt daarmee tevens de uitgezonden status van de afhankelijke gezinsleden. De afhankelijke gezinsleden die tien jaar of langer bij de hoofdpersoon in Nederland verblijven komen – evenals de hoofdpersoon – onder omstandigheden in aanmerking voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (zie B12).

    Na beëindiging van de bijzondere geprivilegieerde status van de hoofdpersoon kan het voorkomen dat de geprivilegieerde hoofdpersoon wel in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, maar één of meer van de afhankelijke gezinsleden niet. Dit kan het geval zijn indien één of meer van de afhankelijke gezinsleden nog minderjarig is of als één of meer van de afhankelijke gezinsleden niet minimaal tien aaneengesloten jaren in Nederland heeft verbleven op basis van een bijzondere geprivilegieerde status. Indien deze afhankelijke gezinsleden op grond van het nationale vreemdelingenrecht in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw met als doel gezinshereniging, geldt vrijstelling van het mvv-vereiste. Deze vrijstelling houdt verband met het feit dat sprake is van eerder (langdurig) verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status, het feit dat tijdig om verblijfsrecht op grond van de Vw is verzocht en het feit dat de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel gezinshereniging bij de hoofdpersoon. Gelet hierop is het niet redelijk van deze afhankelijke gezinsleden een mvv te verlangen.

    Personeelsleden van internationale organisaties en hun afhankelijke gezinsleden bezitten een bijzondere status (de uitgezonden status) op grond van de Zetelovereenkomsten, waarin onder andere bepalingen zijn opgenomen omtrent hun verblijfsrechtelijke positie. Deze personeelsleden en hun meerderjarige afhankelijke gezinsleden kunnen onder omstandigheden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd (zie B12). Het kan voorkomen dat de hoofdpersoon wel in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, maar één of meer van de afhankelijke gezinsleden niet. Indien deze afhankelijke gezinsleden op grond van het nationale vreemdelingenrecht in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw met als doel gezinshereniging, geldt vrijstelling van het mvv-vereiste. Onderdeel c ziet niet op de afhankelijke gezinsleden van geaccrediteerde personeelsleden van een internationale organisatie. Echter, ten aanzien van hen geldt evenzeer dat sprake is van eerder (langdurig) verblijfsrecht op grond van een bijzondere geprivilegieerde status, dat tijdig om verblijfsrecht op grond van de Vw is verzocht en dat de vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel gezinshereniging bij de hoofdpersoon. Daarom is evenmin redelijk van hen een mvv te verlangen. Daarmee wordt voor deze categorie toepassing gegeven aan artikel 3.71, vierde lid, Vb.

  • d. die ten minste zeven jaren werkzaam is of is geweest op een Nederlands zeeschip of een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat;

    Toelichting

    Onderdeel l ziet op bepaalde categorieën buitenlandse werknemers in de internationale sector van de arbeidsmarkt. De Vw is niet van toepassing op buitenlandse werknemers aan boord van Nederlandse zeeschepen of mijnbouwinstallaties op het Nederlandse deel van het continentaal plat, omdat werknemers in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt niet werkzaam zijn op Nederlands grondgebied. Deze vreemdelingen komen derhalve in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Er zijn echter enkele specifieke regelingen met betrekking tot de vergunningverlening met het oog op verlof, gezinshereniging en gezinsvorming, werkloosheid en werk op het Nederlandse grondgebied voor vreemdelingen die een arbeidsverleden van zeven jaren of langer in deze sectoren van de internationale arbeidsmarkt hebben (zie artikel 3.34 tot en met 3.38 Vb en B5). Gelet op het feit dat deze vreemdelingen veelal niet beschikken over een vaste woon- of verblijfplaats in het buitenland, geacht worden verblijf te houden aan boord van het Nederlandse zeeschip of de mijnbouwinstallatie op het Nederlandse deel van het continentaal plat, en reeds zeven jaren in deze positie verkeren, is het redelijk van hen niet te verlangen dat zij terugkeren naar het land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen. Omdat op vreemdelingen die werkzaam zijn in de internationale luchtvaart, het internationale wegtransport of de internationale binnenscheepvaart onder bepaalde voorwaarden de Wav en de Vw wel van toepassing zijn, zijn die vreemdelingen niet vrijgesteld van het mvv-vereiste.

  • e. die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het Associatiebesluit 1/80;

    Toelichting

    Dit onderdeel heeft betrekking op vreemdelingen die in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het Associatiebesluit 1/80. Deze zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste. Het Associatiebesluit 1/80 geeft rechten aan Turkse werknemers die behoren tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat. Ingevolge de jurisprudentie van het Hof van Justitie houdt het recht zoals neergelegd in het Associatiebesluit 1/80 om na een bepaalde periode van legale arbeid de arbeid voort te kunnen zetten, noodzakelijkerwijs in dat de betrokken vreemdeling een recht van verblijf heeft. Volgens het Hof wordt aan de erkenning van die rechten door artikel 6 van het Associatiebesluit 1/80 niet de voorwaarde gesteld dat het legale karakter van de arbeid door de Turkse werknemer wordt gestaafd door het bezit van een specifiek administratief document, zoals een verblijfsvergunning. Als wordt vastgesteld dat een Turkse werknemer behoort tot de legale arbeidsmarkt en uit dien hoofde recht heeft op een verblijfsvergunning kan het ontbreken van een geldige mvv hem niet worden tegengeworpen. In de meeste gevallen zal de desbetreffende werknemer echter verkeren in een situatie van voortzetting van verblijf of reeds op grond van enige andere vrijstelling van het mvv-vereiste zijn vrijgesteld. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat verblijfsrechten niet slechts uit artikel 6, maar ook uit enkele andere artikelen van het Associatiebesluit 1/80 kunnen voortvloeien.

  • f. die in aanmerking komt voor terugkeer naar Nederland op grond van artikel 8 van de Remigratiewet;

    Toelichting

    Dit onderdeel heeft betrekking op de vreemdeling die met gebruikmaking van de terugkeeroptie van artikel 8 van de Remigratiewet een verblijfsvergunning aanvraagt. Hierbij gaat het zowel om de ouder als het (meerderjarige) kind die eerder in Nederland hebben verbleven. Door de verwijzing naar artikel 8 van de Remigratiewet (en daarmee tevens naar het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet) is verzekerd dat de vrijstelling alleen van toepassing is op de vreemdeling die voor de terugkeeroptie van artikel 8 van de Remigratiewet in aanmerking komt. Deze bepaling ziet derhalve niet op de vreemdeling die op grond van eerdere of andere remigratieregelingen is teruggekeerd naar zijn land van herkomst en die wil terugkeren naar Nederland. De vreemdeling die binnen één jaar na remigratie uit Nederland op grond van de Remigratiewet een aanvraag om verblijf in Nederland indient en die direct voorafgaande aan de remigratie uit Nederland gedurende ten minste drie achtereenvolgende jaren rechtmatig in Nederland heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning, komt op grond van de terugkeeroptie van artikel 8 van de Remigratiewet in aanmerking voor een verblijfsvergunning. Uit artikel 10, eerste lid, onder b, van het Uitvoeringsbesluit Remigratiewet volgt dat alleen voor de terugkeeroptie in aanmerking komt, de vreemdeling die drie jaar in Nederland heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning onder een beperking van niet-tijdelijke aard. De beperkingen van tijdelijke aard zijn voor het bepaalde bij en krachtens de Remigratiewet geregeld in de Regeling Aanwijzing vreemdelingen wegens verblijf voor een tijdelijk doel (Stcrt. 2000, 62). Uiteraard is de verwijzing naar artikel 8 van de Remigratiewet alleen van belang voorzover daaruit het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voortvloeit. In andere gevallen kan de vreemdeling op grond van deze terugkeeroptie een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd worden verleend. In het laatste geval kan de desbetreffende aanvraag niet worden afgewezen wegens het ontbreken van een mvv. Overigens verdient het de voorkeur dat deze vreemdelingen vóór hun terugkeer naar Nederland een mvv aanvragen. Artikel 8 van de Remigratiewet heeft ook betrekking op kinderen van vreemdelingen. Ook deze kinderen kunnen van de terugkeeroptie gebruikmaken en zijn daarmee vrijgesteld van het mvv-vereiste. Concreet betekent dit, dat vrijgesteld is de vreemdeling die direct voorafgaande aan de remigratie als minderjarig kind van de ouder in Nederland heeft verbleven op grond van een verblijfsvergunning of als Nederlander en binnen een jaar na de remigratie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet met de ouder naar Nederland terugkeert. Tevens is vrijgesteld de vreemdeling die binnen een jaar na de remigratie meerderjarig is geworden en vervolgens zelfstandig naar Nederland terugkeert.

  • g. die in Nederland verblijft, bij de rechtbank te ’s-Gravenhage een verzoek heeft ingediend tot vaststelling van zijn Nederlanderschap dat naar het oordeel van de Minister niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is;

    Toelichting

    De persoon die feitelijk in Nederland verblijft en bij de rechtbank te ’s-Gravenhage een verzoek ingevolge artikel 17, eerste lid, Rwn heeft ingediend tot vaststelling van zijn vermeende Nederlanderschap, wordt in het algemeen niet uitgezet indien dat verzoek naar het oordeel van de Minister niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot is. In dat geval kan de betrokkene, onder omstandigheden, in aanmerking komen voor een reguliere verblijfsvergunning, in afwachting van de beslissing op het verzoek. Gelet op het feit dat de verzoeken van deze personen niet klaarblijkelijk van elke grond ontbloot zijn en zij veelal lange tijd in Nederland verblijven voordat twijfels over de Nederlandse nationaliteit ontstonden, is het niet redelijk van hen te verlangen dat zij terugkeren naar het land van herkomst om aldaar een mvv aan te vragen en kunnen zij in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning.

  • h. die tijdelijke bescherming heeft en in aanmerking komt voor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw, onder een beperking als bedoeld in artikel 3.30 of 3.31 Vb.

    Toelichting

    Dit onderdeel p is het gevolg van de implementatie per 15 februari 2005 van de Richtlijn 2001/55. Ingevolge artikel 12 van deze richtlijn staan de lidstaten personen die tijdelijke bescherming genieten toe om, voor een periode die niet langer is dan die van hun tijdelijke bescherming, werkzaam te zijn in loondienst of als zelfstandige. Daarbij mogen de lidstaten om redenen van arbeidsmarktbeleid voorrang geven aan EU-burgers en onderdanen van staten die gebonden zijn aan de EER overeenkomst, en aan de onderdanen van derde landen die legaal in de EU verblijven en een werkloosheidsuitkering ontvangen. Het op grond van het ontbreken van een mvv afwijzen van de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier voor het verrichten van arbeid van de tijdelijk beschermde vreemdeling is niet verenigbaar met het geclausuleerde recht op arbeid in de richtlijn. Om die reden krijgt de tijdelijk beschermde die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder een beperking die verband houdt met het verrichten van arbeid in loondienst of als zelfstandige, vrijstelling van het mvv-vereiste. Dit laat onverlet dat er een wezenlijk Nederlands belang moet zijn gediend met het verrichten van die arbeid. De vrijstelling is derhalve niet van toepassing indien voor de desbetreffende soort arbeid voorrang kan worden gegeven aan EU- en EER-burgers of legaal verblijvende derdelanders met een werkloosheidsuitkering. Zie tenslotte het derde lid van artikel 3.71 Vb: de tijdelijk beschermde vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met als doel het verrichten van arbeid in loondienst als geestelijk voorganger of godsdienstleraar is (in afwijking van artikel 3.71, derde lid, Vb) eveneens vrijgesteld van het mvv-vereiste.

  • i. die houder is van een verblijfsvergunning voor onderzoekers in de zin van Richtlijn 2005/71 afgegeven door een andere staat die Partij is bij het EG-verdrag dan wel de echtgenoot, partner of het minderjarig kind is van die houder, in geval het gezin reeds was gevormd in die andere staat.

    Toelichting

    Deze vrijstelling strekt ertoe de mobiliteit voor wetenschappelijk onderzoekers tussen lidstaten te vergemakkelijken. Deze uitzondering geldt enkel voor onderzoekers die reeds in het bezit zijn van een verblijfsvergunning voor het verrichten van onderzoek in de zin van de richtlijn die is afgegeven door een ander lidstaat. Deze uitzondering geldt ook voor gezinsleden (echtgenoot, partner, minderjarig kind) van de onderzoeker, met dien verstande dat het gezin reeds dient te zijn gevormd in de ander lidstaat.

  • j. die binnen drie maanden nadat aan de hoofdpersoon een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd is verleend, een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging, voor zover de gezinsband reeds bestond voordat de hoofdpersoon in Nederland hoofdverblijf had en er geen gezinshereniging mogelijk is in een derde land waarmee de vreemdeling of de hoofdpersoon bijzondere banden heeft.

    Toelichting

    Een gezinslid van een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd komt op grond van artikel 29, eerste lid, onder e en f, van de Vw 2000 onder bepaalde voorwaarden eveneens in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel. Het gezinslid dat niet voldoet aan alle in voornoemd artikel genoemde voorwaarden kan, onder bepaalde voorwaarden in het bezit worden gesteld van een verblijfsvergunning regulier. Een van de voorwaarden is dat het gezinslid in het bezit is van een mvv. Uit de toelichting op de wijziging van artikel 3.71 Vb van 24 april 2009 blijkt dat deze voorwaarde, in situaties waarin het gezinslid enkel door het bezit van een andere nationaliteit dan de hoofdpersoon, mogelijk tot – bij nader inzien – onbillijk te achten situaties leidt, met name in het geval dat het gezinslid dat tegelijk met de hoofdpersoon naar Nederland is gekomen om internationale bescherming te zoeken, zonder de hoofdpersoon moet terugkeren naar het land van herkomst of bestendig verblijf om daar een mvv aan te vragen. Om deze situaties te voorkomen en de eenheid van het gezin in die gevallen te bewaren, is onderdeel j in artikel 3.71, tweede lid, Vb 2000 opgenomen.

  • k. die minderjarig is, schoolgaand is en drie jaar ononderbroken hoofdverblijf in Nederland heeft en een aanvraag heeft ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging bij een Nederlander of een hoofdpersoon met rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l, van de Wet.

    Toelichting

    Op grond van artikel 3.71, tweede lid, onderdeel b, Vb 2000 wordt het mvv-vereiste niet tegengeworpen aan minderjarigen van twaalf jaar of jonger, die een aanvraag tot gezinshereniging indienen omdat zij in Nederland zijn geboren uit een ouder die rechtmatig verblijf in Nederland had op het moment van de geboorte van het kind, en vanaf de geboorte onafgebroken verblijf hebben. Er komt regelmatig voor dat minderjarigen ouder dan twaalf jaar, of minderjarigen die niet in Nederland zijn geboren, na een aanzienlijke periode van feitelijk verblijf in Nederland een verblijfsaanvraag indienen in het kader van gezinshereniging met de hoofdpersoon. Uit de toelichting op de wijziging van artikel 3.71 Vb van 24 april 2009 blijkt dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste in deze gevallen – bij nader inzien – tot onbillijk te achten situaties leidt, waarin het kind, dat na geruime tijd feitelijk te hebben verbleven bij een legaal verblijvende hoofdpersoon, mogelijk zonder de hoofdpersoon moet terugkeren naar het land van herkomst of bestendig verblijf om daar een mvv aan te vragen. Het betreft een kwetsbare groep vreemdelingen die in de regel afhankelijk is van de keuzes die volwassenen voor hen maken.

    Zij zijn voorts veelal geworteld in de Nederlandse maatschappij en gaan hier te lande naar school.

  • l. van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zou zijn.

    Toelichting

    In de toelichting op de regels over de vrijstelling van het mvv-vereiste (artikel 3.71 Vb 2000) is reeds aangegeven dat vanzelfsprekend het ontbreken van een geldige mvv niet kan leiden tot afwijzing van de aanvraag, indien een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zich daartegen verzet. Een voorbeeld van een dergelijke verplichting is artikel 8 EVRM. Wanneer toetsing aan artikel 8 EVRM aan de orde is, vergt dit een op de concrete zaak toegespitste afweging van alle relevante feiten en omstandigheden van het individuele geval.

    Aan de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM is, wordt op grond hiervan het mvv-vereiste niet tegen geworpen.

    De weigering van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd heeft van rechtswege tot gevolg dat de vreemdeling Nederland eigener beweging moet verlaten en bij gebreke daarvan kan worden uitgezet (artikel 27, eerste lid, onder b, van de Vw 2000). Een dergelijke beslissing moet in overeenstemming zijn met artikel 8 van het EVRM, dat onder meer recht op respect voor het familie- en gezinsleven garandeert.

Mvv-vrijstelling voor Turkse zelfstandigen

De Turkse onderdaan van wie uitzetting in strijd is met de Associatieovereenkomst EG-Turkije, het Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70), of het Associatiebesluit 1/80 omdat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als beperking ‘het verrichten van arbeid als zelfstandige’, kan worden vrijgesteld van het mvv-vereiste.

Toelichting

Om voor de vrijstelling in aanmerking te komen dient de Turkse onderdaan voldoende aan te tonen dat hij daadwerkelijk voornemens is arbeid als zelfstandige te gaan verrichten. Dit is alleen voldoende aangetoond als een ondernemingsplan van de zelfstandige als bedoeld in B5/7.3.3 wordt overgelegd. Aan de hand van dit ondernemingsplan kan vervolgens worden getoetst of de Turkse onderdaan voldoet aan het beleid voor het verrichten van arbeid als zelfstandige als bedoeld in B5/7. Indien dit het geval is wordt de Turkse onderdaan, voor de in Nederland ingediende aanvraag om een verblijfsvergunning, vrijgesteld van het mvv-vereiste.

Mvv-vereiste godsdienstleraren en geestelijk voorgangers

De vreemdeling is echter niet vrijgesteld indien hij in Nederland wil verblijven voor het verrichten van arbeid als godsdienstleraar of geestelijk voorganger (zie artikel 3.71, derde lid, Vb en B5). Deze uitzondering voor de vreemdeling die als godsdienstleraar of geestelijke voorganger wil verblijven, dient er mede toe om vooraf te onderzoeken of er vanuit het oogpunt van openbare orde bedenkingen bestaan tegen het verblijf van de vreemdeling en of de groepering op wier verzoek de desbetreffende vreemdeling zijn werkzaamheden zal uitoefenen, haar wens tot het aanstellen van de vreemdeling handhaaft. De aanwezigheid en het functioneren van godsdienstleraren en geestelijk voorgangers hier te lande, in verband met de bijzondere positie die zij innemen binnen de alhier gevestigde gemeenschappen, kan van zodanige invloed zijn op de openbare orde en nationale veiligheid, dat onderzoek vooraf gewenst is. In deze gevallen wordt niet voorbijgegaan aan het mvv-vereiste; ook niet indien de vreemdeling behoort tot de in artikel 3.71, tweede lid, Vb genoemde vrijgestelde categorieën. De enige uitzondering hierop vormt artikel 3.71, tweede lid, onder h, Vb (zie hiervoor de toelichting van onderdeel h).

Vanzelfsprekend kan het ontbreken van een geldige mvv niet leiden tot afwijzing van de aanvraag, indien een ieder verbindende bepaling van een verdrag of een besluit van een volkenrechtelijke organisatie zich daartegen verzet, waarbij in dit verband met name kan worden gedacht aan het Associatiebesluit 1/80.

Indien een vreemdeling een beroep doet op een van de hierboven genoemde vrijstellingscategorieën dient hij aan te tonen dat hij behoort tot één van de vrijstellingscategorieën.

Toetsing van de vrijstellingscategorie

De vreemdeling dient, indien hij zich beroept op een van de vrijstellingscategorieën, aanstonds aan te tonen dat hij behoort tot een vrijstellingscategorie. Dit dient direct aan het IND-loket te gebeuren. Op het aanvraagformulier staan de vrijstellingscategorieën ingevolge de Vw en het Vb vermeld voorzien van een korte toelichting per vrijstellingsgrond. De vreemdeling wordt hier ook op gewezen in de schriftelijke afspraakbevestiging naar aanleiding van de telefonische afspraak.

Indien geen (afdoende) bewijs kan worden overgelegd ter staving van het beroep op één der vrijstellingscategorieën, terwijl vaststaat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform artikel 16 Vw in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, Vb afgewezen wegens het ontbreken van een mvv.

De vreemdeling die zich erop beroept dat het stellen van het vereiste bezit van een geldige mvv ten aanzien van hem getuigt van een onbillijkheid van overwegende aard (zie artikel 3.71, vierde lid, Vb) dient bij het indienen van de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd een onderbouwing voor het beroep op deze vrijstellingscategorie te overleggen. Het aanvraagformulier vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij een aanvraag tot afgifte van een mvv in het land van herkomst indient. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen.

Ten aanzien van de beoordeling van een beroep op een van de vrijstellingscategorieën van het mvv-vereiste geldt dat hierbij uitsluitend dient te worden getoetst aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie. Hierbij wordt dus nog niet ten volle aan de inhoudelijke verblijfsvoorwaarden van het gevraagde verblijfsdoel getoetst, ook al zal een toets aan de voorwaarden van de vrijstellingscategorie veelal voor een deel overeenkomen met een inhoudelijke toets aan de verblijfsvoorwaarden. Zo wordt bijvoorbeeld voor een beroep op de vrijstelling genoemd onder artikel 3.71, tweede lid, onder a, Vb getoetst of de vreemdeling vóór zijn negentiende levensjaar vijf achtereenvolgende jaren rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, Vw en in die periode niet het hoofdverblijf buiten Nederland heeft verplaatst. Dit valt voor een deel samen met de toetsing aan de voorwaarden van artikel 3.54, eerste lid, onder b, Vb. Eerst nadat is vastgesteld dat de vreemdeling zich met succes kan beroepen op een van de vrijstellingscategorieën, dient ten behoeve van de verblijfsvergunning ten volle aan de inhoudelijke voorwaarden voor de verlening hiervan getoetst te worden. In het bovengenoemde voorbeeld wordt de verblijfsaanvraag dan ook aan de overige verblijfsvoorwaarden van artikel 3.54 Vb getoetst.

Hardheidsclausule

In het vierde lid van artikel 3.71 Vb is voorzien in een zogenoemde hardheidsclausule. Ook indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv en niet behoort tot een van de vrijgestelde categorieën is het mogelijk dat de aanvraag niet wordt afgewezen op het enkele feit dat de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv, indien de toepassing van het mvv-vereiste naar het oordeel van de Minister zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (zie B1/4.1.1).

De vreemdeling die zich erop beroept dat het toepassen van het mvv-vereiste ten aanzien van hem leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard, zal dit beroep op de zogeheten hardheidsclausule reeds bij het indienen van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier moeten motiveren en zo veel als mogelijk met bewijsstukken onderbouwen. Het aanvraagformulier (zie bijlage 13 VV) vervult hierin een rol in die zin dat het de vreemdeling erop attendeert dat er sprake kan zijn van bijzondere en individuele omstandigheden, op grond waarvan het van de vreemdeling niet kan worden verwacht dat hij een aanvraag tot afgifte van een mvv in het land van herkomst indient. Middels het aanvraagformulier wordt de vreemdeling verzocht het beroep op deze bijzondere en individuele omstandigheden reeds bij het indienen van de aanvraag zoveel mogelijk middels bewijsstukken en documenten te onderbouwen. De vreemdeling wordt hier ook op gewezen in de schriftelijke afspraakbevestiging naar aanleiding van een telefonische afspraak.

Indien geen (afdoende) bewijs kan worden overgelegd ter staving van het beroep op de hardheidsclausule, terwijl vaststaat dat de vreemdeling hier wel schriftelijk op is gewezen, wordt de verblijfsvergunning conform artikel 16 Vw in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, Vb, afgewezen wegens het ontbreken van een mvv.

Bijzondere groepen in het kader van de hardheidsclausule

Het is, net als onder de werking van artikel 16 a Vw (oud), de bedoeling dat van de bevoegdheid tot toepassing van de hardheidsclausule over te gaan alleen gebruik wordt gemaakt in zeer bijzondere gevallen. Onder de Vw is het wel mogelijk om categorieën vreemdelingen onder de werking van de hardheidsclausule te brengen.

Vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71 vierde lid, Vb, geldt in ieder geval voor de vreemdeling:

  • die in aanmerking komt voor voortgezet verblijf op grond van het overgangsrecht als bedoeld in B16/5.1;

  • van wie de terugkeer in verband met een medische noodsituatie zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (zie B8/2.1);

  • die een minderjarige is die, op grond van een in het buitenland uitgesproken adoptie, door de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het bezit is gesteld van een Nederlands paspoort, terwijl door of namens de vreemdeling geen onjuiste gegevens zijn verstrekt die hebben geleid tot afgifte van het Nederlandse paspoort (zie B3/2.6 en 2.6.1) ;

  • die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid inzake eergerelateerd geweld zoals neergelegd in hoofdstuk B20;

  • die een minderjarig kind is van een in het kader van eergerelateerd geweld toegelaten vreemdeling;

  • die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in het kader van verblijf als slachtoffer van mensenhandel onder de beperking ‘conform beschikking Minister’;

  • die een minderjarig kind is van een in het kader van verblijf als slachtoffer mensenhandel conform beschikking Minister toegelaten vreemdeling;

  • die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in het kader van huiselijk geweld, onder de beperking ‘conform beschikking Minister’;

  • die een minderjarig kind is van een in het kader van verblijf als slachtoffer van huiselijk geweld conform beschikking Minister toegelaten vreemdeling.

Niet-bijzondere gevallen in het kader van de hardheidsclausule

Er is in ieder geval geen sprake van een zeer bijzonder geval, indien betrokkene:

  • stelt dat aan een of meer vrijstellingsvereisten slechts op een onderdeel niet is voldaan;

  • stelt dat aan alle voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning voor het gestelde verblijfsdoel is voldaan, afgezien van het mvv-vereiste (mits betrokkene niet valt onder de hierboven beschreven toezeggingen van de Minister);

  • het beroep niet heeft gemotiveerd;

  • het gemotiveerde beroep – hoewel mogelijk – niet met relevante stukken heeft onderbouwd binnen een daartoe gestelde termijn;

  • asielgerelateerde gronden aanvoert (dergelijke gronden worden alleen in het kader van een asielaanvraag beoordeeld);

  • als asielzoeker is uitgeprocedeerd;

  • stelt dat terugkeer naar het land van herkomst redelijkerwijs niet kan worden verlangd en dat – hoewel mogelijk – niet binnen een daartoe gestelde termijn met stukken heeft onderbouwd;

  • aangeeft dat noodzakelijke, medische behandeling aan terugkeer – teneinde een mvv te verkrijgen – naar het land van herkomst in de weg staat, maar niet heeft aangetoond dat sprake is van een medische noodsituatie;

  • niet ontoerekenbaar, niet-tijdig en na afloop van een redelijke termijn – meer dan twee jaar na afloop van een eerder verleende verblijfsvergunning voor bepaalde tijd – om verlenging of wijziging ervan of om verlening van een verblijfsvergunning heeft gevraagd.

In deze gevallen kan geen recht op vrijstelling van het mvv-vereiste worden ontleend aan de hardheidsclausule.

Vrijstelling mvv-vereiste en onverplichte mvv

Dat een aantal categorieën vreemdelingen is vrijgesteld van het vereiste van het bezit van een mvv, betekent niet dat vreemdelingen die tot deze categorie behoren, geen mvv kunnen aanvragen. Indien een vreemdeling die behoort tot een van de van het mvv-vereiste vrijgestelde categorieën een aanvraag tot afgifte van een mvv indient, wordt die aanvraag uiteraard in behandeling genomen. Vreemdelingen die op grond van artikel 3A Regeling op de consulaire tarieven zijn vrijgesteld van het legesvereiste van een mvv zijn dat ook bij de aanvraag van een onverplichte mvv.

4.2. Geldig document voor grensoverschrijding

Als hoofdregel geldt dat iedere vreemdeling in het bezit dient te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding. Uit het document blijken de identiteit van de vreemdeling en diens relatie tot het land van afgifte van dat document. Veelal blijkt uit het document ook de nationaliteit van de vreemdeling. Voorts kan het document inzicht geven in de verblijfsrechtelijke positie van de vreemdeling in het land van afgifte, dat verplicht is tot terugname van de houder van het document.

Algemeen

Zie voor de algemene bepalingen inzake een geldig document voor grensoverschrijding artikel 3, eerste lid, Vw, artikel 2.3 Vb en A2/4.2.1 . In de meeste gevallen geldt als geldig document voor grensoverschrijding een geldig nationaal paspoort dat door Nederland wordt erkend.

Er zijn gevallen bekend waarin op (al dan niet schriftelijk) verzoek van de vreemdeling of van een familielid een paspoort wordt toegezonden zonder dat de beoogde houder zich in persoon voor de autoriteiten heeft moeten melden. Aangezien in deze gevallen geen deugdelijke toetsing van de identiteit van de betrokken vreemdeling heeft plaatsgevonden, worden deze zogenoemde blanco paspoorten niet aangemerkt als geldig document voor grensoverschrijding.

Zelfstandige voorwaarde

Het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding is een zelfstandige voorwaarde (zie artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, Vw ). Van de bevoegdheid om een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af te wijzen wegens het ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding zal steeds gebruik worden gemaakt, behalve in gevallen ten aanzien waarvan in het Vb anders is bepaald (zie de artikelen 3.19, 3.72 en 3.83 Vb ) en met inachtneming van hetgeen hierna is vermeld inzake het geven van een termijn om het verzuim te herstellen.

Herstel verzuim

Bij de aanvraag tot het verlenen van de reguliere verblijfsvergunning legt de vreemdeling in persoon in ieder geval een geldig document voor grensoverschrijding over (zie artikel 3.102, eerste lid, Vb). Indien de vreemdeling bij de aanvraag geen geldig document voor grensoverschrijding overlegt, wordt hij in de gelegenheid gesteld gedurende een redelijke termijn de aanvraag aan te vullen voordat daarop wordt beslist.

De redelijke termijn bedraagt in beginsel vier weken. Een kortere termijn kan echter worden gesteld, indien de omstandigheden daartoe aanleiding geven, bijvoorbeeld indien de vreemdeling binnen een kortere periode een geldig document kan overleggen, ter fine van uitzetting in bewaring is gesteld, of het een herhaalde aanvraag betreft.

In deze periode wordt de beslistermijn met toepassing van artikel 4:15 Awb opgeschort. Als de vreemdeling na die redelijke termijn geen geldig document voor grensoverschrijding heeft overgelegd, wordt de aanvraag afgewezen, tenzij artikel 3.72 of 3.83 Vb van toepassing is.

Vrijstelling

Ingevolge artikel 3.72 Vb wordt de aanvraag afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, tenzij de vreemdeling aantoont dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.

De vreemdeling, die zich er op beroept dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding, toont dat, voorzover redelijkerwijs mogelijk, aan. Tevens verschaft hij (op andere wijze) voldoende inzicht in zijn identiteit en nationaliteit (zie artikel 3.102, derde lid, Vb).

Het feit dat de vreemdeling vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding, wordt aangetoond aan de hand van een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van dat land, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding. Indien een dergelijke verklaring niet door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in Nederland wordt afgegeven en de vreemdeling ook overigens geen genoegzaam bewijs kan leveren, dient de vreemdeling in beginsel naar zijn land van herkomst terug te reizen om daar de afgifte van een geldig document voor grensoverschrijding te bewerkstelligen. Aan het vereiste bezit van een geldig document voor grensoverschrijding wordt niet voorbijgegaan om de enkele reden dat de vreemdeling daarvoor zijn militaire dienstplicht moet vervullen in het land waarvan hij onderdaan is of de reis naar dat land bezwaarlijk vindt. Het ondergaan van een medische behandeling in Nederland is op zichzelf evenmin doorslaggevend.

Bijzondere categorieën

De aanvraag wordt niet afgewezen wegens het enkele ontbreken van een geldig document voor grensoverschrijding, indien de aanvraag strekt tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met verblijf ter adoptie of verblijf hangende het onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant adoptiefouders (zie artikel 3.26, tweede lid, en 3.27, tweede lid, Vb ). Voor gemeenschapsonderdanen, EU/EER-onderdanen en Zwitserse onderdanen wordt verwezen naar B10. Voor asielzoekers wordt verwezen naar deel C.

Het paspoortvereiste geldt niet voor de verlening van de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd onder een beperking die verband houdt met:

  • verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten (zie B14);

  • verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling (zie B14);

  • het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag (zie B14).

Deze verblijfsvergunningen worden niet op een daartoe strekkende aanvraag verleend. Het vereiste bezit van een geldig document voor grensoverschrijding is voor de ambtshalve verlening van die vergunningen niet van overeenkomstige toepassing verklaard.

Het paspoortvereiste is eveneens niet van toepassing op hier te lande geboren kinderen, ten behoeve van wie een aanvraag voor verblijf bij ouder is gedaan en waarvan de ouders zijn vrijgesteld van het paspoortvereiste aangezien zij in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel, een verblijfsvergunning regulier wegens tijdsverloop in de asielprocedure of een verblijfsvergunning als Amv of een vergunning buitenschuld.

Onderdanen van Somalië

Er is in Somalië geen internationaal erkend centraal gezag. Op die grond worden Somalische autoriteiten en door hen uitgegeven documenten, waaronder documenten voor grensoverschrijding, door Nederland niet erkend.

Ten aanzien van onderdanen van Somalië wordt in het algemeen gesteld dat zij geacht worden te hebben aangetoond dat zij vanwege de regering van het land waarvan zij onderdaan zijn niet of niet meer in het bezit kunnen worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding, één en ander in de zin van de artikelen 3.19, 3.72 en 3.83 Vb .

Indien de situatie in Somalië zich wijzigt met betrekking tot een internationaal erkend centraal gezag, zal opnieuw worden bezien of er nog steeds aanleiding bestaat om ten aanzien van onderdanen van Somalië in het algemeen te stellen dat zij hebben aangetoond dat zij vanwege de regering van het land waarvan zij onderdaan zijn niet of niet meer in het bezit kunnen worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding.

Niettemin zal van vreemdelingen die stellen Somalisch onderdaan te zijn, worden verlangd dat zij op andere wijze aantonen dat zij de gestelde identiteit en nationaliteit bezitten.

De vreemdeling die stelt Somalisch onderdaan te zijn dient daartoe de documenten waarover hij of zij wel de beschikking heeft, waaronder ook niet voor erkenning in aanmerking komende documenten (Somalisch paspoort, identiteitsbewijs, geboortebewijs e.d.), dadelijk bij de aanvraag tot het verlenen van de mvv over te leggen aan de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland, opdat daarvan een kopie kan worden gemaakt met het oog op een eventuele terugkeer. De Nederlandse vertegenwoordiging zendt van bedoelde kopie een exemplaar naar de IND. Bij het indienen van de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier dient de vreemdeling de originele documenten te tonen aan de ambtenaar van de IND.

De vreemdeling afkomstig uit Somalië wordt daarmee derhalve niet ontheven van de verplichting zijn identiteit en nationaliteit door middel van documenten aan te tonen.

Voorts worden identificerende vragen gesteld. In daarvoor in aanmerking komende gevallen vindt DNA-onderzoek plaats om een gestelde afstammingsrelatie vast te stellen, een en ander overeenkomstig B2/8.5 en B2/8.6 . Tevens wordt als voorwaarde gesteld dat door betrokkene een verklaring wordt ondertekend in de eigen taal en het Nederlands waarin deze verklaart dat hij of zij de gestelde identiteit en nationaliteit bezit.

Deze voorwaarden worden gesteld om een succesvolle intrekking van de verleende verblijfsvergunning wegens onjuiste gegevens te bevorderen (fraudebestrijding), in gevallen waarin later mocht blijken dat de betrokkene een andere identiteit of nationaliteit bezit.

Indien de vreemdeling met inachtneming van het vorenstaande wordt vrijgesteld van de verplichting te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding, wordt deze in verband met de afgifte van de mvv door de betreffende Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland in het bezit gesteld van een laissez-passer.

4.3. Middelen van bestaan

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Ingevolge artikel 16, tweede lid, Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Deze regels zijn neergelegd in artikel 3.73, 3.75 en 3.85 Vb.

Als hoofdregel geldt dat vreemdelingen die in Nederland willen verblijven, zelfstandig en duurzaam moeten beschikken over voldoende middelen van bestaan.

In bepaalde gevallen dient degene bij wie de vreemdeling in Nederland wil verblijven zelfstandig en duurzaam te beschikken over voldoende middelen van bestaan.

De middelen van bestaan dienen zelfstandig te worden verworven. Daarnaast dienen zij duurzaam beschikbaar te zijn en van voldoende hoogte.

Op enig moment tussen de datum van indiening van de aanvraag en het moment waarop op die aanvraag wordt beslist, moet gelijktijdig worden of zijn voldaan aan de drie elementen van de middelen van bestaan: zelfstandig, duurzaam en voldoende. Dit vloeit voort uit artikel 16, eerste lid, onder c, Vw in samenhang gelezen met artikel 26, eerste lid, Vw.

Voor degene bij wie de vreemdeling wil verblijven, geldt als uitgangspunt dat diens solvabiliteit buiten twijfel moet staan. Deze persoon wordt in ieder geval niet als solvabel aangemerkt in geval van faillissement of surseance van betaling, omdat daarbij onder meer de (vrije) beschikking over het vermogen of de boedel is verloren.

De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen indien de vreemdeling dan wel degene bij wie hij in Nederland wil verblijven niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

In artikel 4:2, tweede lid, Awb is bepaald dat de aanvrager bij de indiening van de aanvraag de gegevens en bescheiden dient te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Daaronder vallen ook gegevens en bescheiden met betrekking tot de hoogte, de duurzaamheid en de bronnen van het inkomen van de vreemdeling en, voor zover van toepassing, van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven.

Het algemene middelenvereiste is van toepassing op alle aanvragen tot het verlenen, verlengen en wijzigen van een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, tenzij nadrukkelijk anders is vermeld. Ten aanzien van bepaalde categorieën vreemdelingen zijn elders in het Vb en de Vc in de betreffende materiehoofdstukken (zie B2) andersluidende bepalingen opgenomen.

4.3.1. Zelfstandige middelen van bestaan

Ingevolge artikel 3.73 Vb moeten middelen van bestaan zelfstandig zijn.

Zelfstandige inkomsten uit arbeid in loondienst

Als zelfstandige middelen van bestaan in de zin van de Vw worden aangemerkt inkomsten uit arbeid in loondienst. Naast het loon (salaris, soldij) behoren daartoe tevens:

  • vakantiegeld, vakantiebonnen (bouw) en reserveringen (uitzendbranche);

  • overwerkvergoeding, onregelmatigheidstoeslag en fooien, mits deze op de salarisspecificaties zijn vermeld en deel uitmaken van de grondslag van de loonheffing;

  • uitbetaling van een dertiende maand, bonus of eindejaarsuitkering, mits contractueel vastgelegd; en

  • loon in natura, mits dit loon contractueel is vastgelegd; de waarde van het loon in natura dient op de salarisspecificaties te zijn vermeld en moet deel uitmaken van de grondslag van de loonheffing.

Gesubsidieerde arbeid wordt gelijkgesteld met andere vormen van arbeid in loondienst. Het gaat daarbij in ieder geval om arbeid ingevolge de Wsw.

Uit de ratio en strekking van het middelenvereiste volgt dat het moet gaan om legale arbeid. Arbeid is legaal als er naast belastingen ook premies sociale verzekeringen worden afgedragen.

Verificatie in geval van twijfel

Om te kunnen vaststellen of er sprake is van legale arbeid wordt alleen in geval van twijfel geverifieerd bij de desbetreffende uitvoeringsinstelling of de werknemer daar geregistreerd staat. Er kan daar nagegaan worden wat de aard van het dienstverband is en of er premies voor de betreffende werknemer worden afgedragen. In bepaalde gevallen kan dit direct worden geverifieerd. Indien directe verificatie niet mogelijk is, is het volgende van toepassing. Indien blijkt dat de aard van het dienstverband, zoals die is aangemeld, anders is dan in de arbeidsovereenkomst staat vermeld, wordt aan die arbeidsovereenkomst niet de gebruikelijke waarde toegekend. De te verwachten duur van de inkomsten komt dan niet overeen met de duur van de arbeidsovereenkomst. In dat geval is niet voldaan aan het duurzaamheidsvereiste.

Om vast te stellen of er premies worden afgedragen voor de individuele werknemer kunnen zich de volgende situaties voordoen:

  • Indien door de werkgever geen enkele arbeidsovereenkomst is aangemeld, wordt aangenomen dat er geen premies voor de betrokken werknemer worden afgedragen. Indien de individuele arbeidsovereenkomst niet tussentijds is aangemeld, wordt aangenomen dat er geen premies ten behoeve van de betrokken werknemer worden afgedragen.

  • de werkgever wordt geacht ingevolge een goed werkgeversschap in het belang van zijn werknemer de arbeidsovereenkomst tussentijds aan te melden, als hij weet hoe belangrijk dat is voor een werknemer voor wie gezinsvorming of gezinshereniging aan de orde is. Als de werkgever dat desondanks niet doet, kan de werknemer hem daarop aanspreken. De werknemer kan de werkgever met name ook verzoeken om een afschrift van de aanmelding van de arbeidsovereenkomst, zodat dat bij de aanvraag om een verblijfsvergunning kan worden overgelegd.

  • indien een werkgever een aantal werknemers heeft aangemeld, maar een betalingsachterstand heeft, anders gezegd, de betaling van voorschotten heeft gestaakt, is er aanleiding om aan te nemen dat er ook voor de individuele werknemer niet langer premies worden afgedragen.

  • indien de individuele arbeidsovereenkomst wel is aangemeld en er (voorschotten ter zake van) sociale premies worden afgedragen - dus een totaalsom - wordt er in het algemeen van uitgegaan dat premieafdracht ook ten behoeve van de betrokken hoofdpersoon plaatsvindt. Voorts wordt in genoemde twijfelgevallen ook geverifieerd bij de Belastingdienst of ter zake belastingen worden afgedragen. Dan geldt mutatis mutandis hetzelfde als voor de af te dragen premies.

Voorts mag die arbeid niet worden verricht in strijd met de Wav. Zo wordt het inkomen uit arbeid in loondienst van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan, indien het die vreemdeling ingevolge de Wav niet is toegestaan die arbeid te verrichten.

Evenzo wordt het inkomen uit arbeid in loondienst niet aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan, indien de arbeidsovereenkomst niet is aangemeld bij de desbetreffende uitvoeringsinstantie of wanneer ter zake geen premies sociale verzekeringen worden afgedragen of wanneer ter zake geen belastingen worden afgedragen.

De aanvraag wordt afgewezen wegens het niet zelfstandig beschikken over inkomsten uit arbeid in loondienst, indien de inkomsten zijn verkregen uit arbeid die niet wettelijk is toegestaan of geen premies sociale verzekeringen of geen belastingen worden afgedragen. Voor personeel in dienst van een ambassade of consulaat van een andere mogendheid gelden hierop uitzonderingen (zie B12/2.2.2.1).

Bewijsstukken inkomsten uit arbeid in loondienst

Het beschikken over inkomen uit arbeid in loondienst wordt aangetoond door het overleggen van:

  • een afschrift van de arbeidsovereenkomst;

  • een recente werkgeversverklaring (op het moment van overleggen niet ouder dan drie maanden), voorzien van datum, handtekening van de werkgever en firmastempel. De werkgeversverklaring wordt overgelegd in de vorm van een volledig ingevuld en ondertekend model (zie bijlage 13 VV) of in de vorm van een verklaring waarin dezelfde inlichtingen als in dit model zijn opgenomen; en

  • (indien de arbeidsovereenkomst meer dan drie maanden geleden is aangevangen) afschriften van loonstroken over de drie maanden direct voorafgaand aan de aanvraag;

  • (indien de arbeidsovereenkomst minder dan drie maanden geleden is aangevangen) afschriften van loonstroken over het aantal gewerkte maanden direct voorafgaand aan de aanvraag;

  • een afschrift van een officieel document waaruit blijkt dat de arbeidsovereenkomst bij de uitvoeringsinstelling is aangemeld (zie ook hiervoor onder ‘verificatie in geval van twijfel’). Als dit bewijsstuk niet bij het indienen van de aanvraag is overgelegd, hoeft de aanvrager niet in de gelegenheid te worden gesteld dit alsnog te overleggen, indien geen twijfel bestaat dat de vereiste premies worden afgedragen.

Indien dit voor de besluitvorming relevant is (zie B1/4.3.2 onder ‘Flexibele arbeidsovereenkomsten en kortlopende arbeidscontracten’), worden met betrekking tot het arbeidsverleden tevens overgelegd:

  • afschriften van arbeids- dan wel uitzendovereenkomsten van de drie jaren voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag; en

  • afschriften van jaaropgaven over de drie jaren voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag; en

  • (voor zover van toepassing) uitkeringsbeschikkingen en -specificaties over de drie jaren voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag.

Indien dat voor de beoordeling van het arbeidsverleden noodzakelijk is, kan tevens worden gevraagd om loonstroken over de drie jaren voorafgaand aan de datum van indiening van de aanvraag. Ook kan ter meerdere zekerheid worden gevraagd over die jaren belastingaangiften en definitieve aanslagen over te leggen.

Indien er een verschil van mening tussen werkgever en werknemer bestaat over de duur van de arbeidsovereenkomst, kan deze tevens worden onderbouwd met een uitspraak van de kantonrechter (zie B1/4.3.2 onder ‘Bewijsmiddelen en Wet Flexibiliteit en Zekerheid’).

Bij twijfel of het loon daadwerkelijk wordt uitbetaald kan ter meerdere zekerheid om bank/giro- afschriften of uitbetalingskwitanties worden gevraagd die op de betreffende loonstaten of het relevante arbeidsverleden betrekking hebben.

Indien de voornoemde bescheiden – voor zover nodig voor de beoordeling van het middelenvereiste – niet zijn overgelegd, of indien deze naar het oordeel van de Minister op relevante onderdelen inconsistenties, tegenstrijdigheden, hiaten of ongerijmdheden vertonen, is – ongeacht de gestelde hoogte en duurzaamheid van de inkomsten – niet aangetoond dat aan het middelenvereiste wordt voldaan.

Zelfstandige inkomsten uit een inkomensvervangende uitkering

Als middelen van bestaan in de zin van de Vw wordt aangemerkt inkomen uit een inkomensvervangende uitkering krachtens een sociale verzekeringswet, waarvoor premie is afgedragen. Het gaat hierbij om:

  • WW;

  • WAO;

  • WIA;

  • ZW;

  • WAZ;

  • AOW;

  • de Algemene Nabestaanden Wet; het recht op deze uitkering vervalt onder meer als de nabestaande 65 jaar wordt, hertrouwt dan wel met iemand een gezamenlijke huishouding gaat voeren. De halfwezenuitkering die onder de Algemene Nabestaanden Wet valt, vervalt niet door de samenwoning of andere omstandigheden van de ouder. De uitkering vervalt over het algemeen slechts bij het meerderjarig worden van de halfwees en geldt derhalve als duurzaam inkomensbestanddeel; en

  • de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.

Voor al deze uitkeringen geldt dat slechts die uitkeringen worden meegeteld, die reeds daadwerkelijk zijn toegekend met een beschikking van de betreffende uitkeringsinstantie. Met de omstandigheid dat een persoon in de toekomst op grond van premieafdracht aanspraak zou kunnen maken op een dergelijke uitkering (bijvoorbeeld na beëindiging van de arbeidsovereenkomst), wordt geen rekening gehouden.

Zelfstandige inkomsten uit eigen vermogen

Als middelen van bestaan in de zin van de Vw wordt tevens aangemerkt inkomen uit eigen vermogen. Hieronder wordt in het vreemdelingenbeleid verstaan inkomen uit sparen en beleggen en inkomen uit een aanmerkelijk belang. Hieronder vallen onder meer inkomsten uit rente, aandelen, obligaties of verhuur van een zelfstandige woning. Daarbij geldt dat de bron van de inkomsten uit eigen vermogen niet mag worden aangetast. Deze inkomsten worden eerst als duurzaam aangemerkt, indien zij op het moment van de aanvraag (of de beschikking) nog beschikbaar zijn, en deze inkomsten op dat moment reeds gedurende één jaar beschikbaar zijn geweest.

Bij de beoordeling van de hoogte van inkomen uit eigen vermogen, is aansluiting gezocht bij fiscale regelingen. De inkomsten uit vermogen worden door de Belastingdienst forfaitair vastgesteld op 4% van het gemiddelde eigen vermogen tussen 1 januari en 31 december van ieder jaar. Het inkomen uit eigen vermogen wordt voor de toepassing van de Vreemdelingenwet 2000 aangemerkt als voldoende middelen van bestaan, indien 4% van het eigen vermogen zoals dat op de belastingaangifte is opgegeven aan de Belastingdienst over het fiscale jaar voorafgaande aan de datum van de aanvraag omgerekend per maand, ten minste gelijk is aan het toepasselijke normbedrag als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a, Vb of artikel 3.19 VV.

De inkomsten worden aangetoond door overlegging van in ieder geval de opgaaf aan de Inspecteur der Belastingen over het jaar direct voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend of het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven.

Dat de vereiste belastingen worden afgedragen, wordt aangenomen indien de vorenvermelde belastingopgaaf is overgelegd. Ingeval van twijfel kan worden gevraagd additionele bewijsmiddelen te overleggen waaruit blijkt dat de verschuldigde belasting is afgedragen.

Zelfstandige inkomsten uit overige bron

Als middelen van bestaan in de zin van de Vw wordt tevens aangemerkt:

  • alimentatie die wordt ontvangen ten behoeve van kinderen;

  • inkomsten uit een particuliere pensioenverzekering. Indien de vreemdeling verblijf beoogt als echtgeno(o)t(e) of (geregistreerd) partner van de hoofdpersoon die deze inkomsten ontvangt, kunnen deze middelen slechts als duurzaam worden aangemerkt indien met een verklaring van de betreffende verzekeraar is aangetoond dat het recht op uitkering niet ophoudt in geval van samenwonen of (her)trouwen;

  • inkomsten uit uitkeringen van een lijfrentepolis of stamrechtovereenkomst mits is aangetoond dat loonbelasting en premies worden ingehouden;

  • inkomsten uit kostgeld en particuliere verhuur (verhuur van woonruimte in het huis waar de hoofdpersoon woonachtig is) mits deze inkomsten bij de Belastingdienst worden opgegeven;

  • inkomsten uit uitbetaling van de levensloopregeling;

  • inkomsten uit de Algemene oorlogsongevallen regeling;

  • inkomsten uit de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940–1945;

  • inkomsten uit de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945;

  • inkomsten uit de Wet buitengewoon pensioen 1940–1945;

  • inkomsten uit de Wet Buitengewoon Pensioen Zeelieden-Oorlogsslachtoffers;

  • inkomsten uit de Wet buitengewoon pensioen Indisch verzet;

  • inkomsten uit een invaliditeitspensioen, al dan niet als aanvulling op een arbeidsongeschiktheidsverzekering;

  • inkomsten uit een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering. Deze middelen kunnen slechts als duurzaam worden aangemerkt indien dit uit bescheiden (besluit van toekenning uitkering en de polisvoorwaarden) van de betreffende verzekeraar blijkt.

Deze inkomensbestanddelen kunnen derhalve worden meegeteld bij de berekening van het totale inkomen.

Niet als (bestanddeel van de) middelen van bestaan wordt aangemerkt een uitkering of bijdrage uit de publieke middelen op grond van de navolgende sociale voorzieningen waarvoor geen premie wordt afgedragen krachtens:

4.3.2. Duurzaamheid van de middelen van bestaan

Ingevolge artikel 3.75 Vb zijn middelen van bestaan in ieder geval duurzaam indien zij nog één jaar beschikbaar zijn op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen of de beschikking wordt gegeven.

Afhankelijk van de bron waaruit de inkomsten zijn verworven, zijn nadere regels vastgesteld.

Duurzaamheid van inkomsten uit arbeid in loondienst

Proeftijd

Aan de omstandigheid dat bij een arbeidsovereenkomst een proeftijd is overeengekomen, wordt voor de bepaling van de duurzaamheid geen betekenis toegekend. Als op het moment dat de aanvraag wordt beoordeeld, de proeftijd nog niet is verstreken, is dat geen reden om de beslissing op de aanvraag aan te houden. Daarbij heeft de proeftijd geen negatieve invloed op het oordeel over de duurzaamheid, en wordt de proeftijd niet in mindering gebracht op de duur van de verblijfsvergunning. Ontslag tijdens de proeftijd kan evenwel verblijfsrechtelijke gevolgen hebben (zie voor de regelgeving inzake gezinshereniging en gezinsvorming B2/9.5).

Flexibele arbeidsovereenkomsten en kortlopende arbeidscontracten

In verband met de flexibilisering van de arbeidsmarkt wordt door werkgevers steeds meer gebruik gemaakt van kortdurende en flexibele arbeidsovereenkomsten. Hierdoor worden minder arbeidsovereenkomsten met de minimale duur van één jaar afgesloten. Met het oog op deze ontwikkeling is in het Vb een uitzonderingsregel getroffen ten aanzien van de duurzaamheid van de middelen van bestaan. Beschikt de aanvrager of degene bij wie verblijf wordt beoogd niet over inkomsten die op het moment van de aanvraag, het beslismoment, of op enig tussenliggend moment nog voor een jaar beschikbaar zijn, of is er sprake van een flexibele arbeidsovereenkomst, dan wordt aan de hand van het arbeidsverleden vastgesteld of de duurzaamheid van de inkomsten voor de toekomst is gegarandeerd.

Oproep- of afroepcontracten, nul-urencontracten, min/max-contracten, uitzendwerk, losse dienstverbanden, seizoenswerk, voorovereenkomsten, en overeenkomsten met uitgestelde prestatieplicht worden wel ‘flexibele arbeidsovereenkomsten’ genoemd. Als sprake is van arbeid voor een uitzendbureau, wordt aangenomen dat sprake is van flexibele arbeid als hier bedoeld, tenzij uit de overgelegde bescheiden uitdrukkelijk anders blijkt (zie artikel 3.76 Vb en de toelichting hierop bij ‘Bewijsmiddelen en Wet flexibiliteit en zekerheid’). De Minister begeeft zich immers bij de uitvoering van het bepaalde bij en krachtens de Vw niet op het terrein van het arbeidsrecht.

Inkomsten uit flexibele arbeidsovereenkomsten worden, gelet op het onzekere karakter dat werken op basis van dergelijke arbeidsovereenkomsten kenmerkt, niet aangemerkt als inkomsten die nog één jaar beschikbaar zijn (op het tijdstip waarop de aanvraag wordt ontvangen of de beschikking wordt gegeven, dan wel op enig moment tussen beide tijdstippen). Zij zijn derhalve niet duurzaam in de zin van artikel 3.75, eerste lid, Vb. Hieraan doet de duur van de flexibele arbeidsovereenkomst niet af. Eigen aan flexibele arbeidsovereenkomsten is immers dat de hoogte van de inkomsten onregelmatig kan zijn.

Inkomsten uit een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur, waarbij de arbeidsovereenkomst is aangegaan voor een periode korter dan één jaar, worden evenmin aangemerkt als inkomsten die duurzaam zijn in de zin van artikel 3.75, eerste lid, Vb.

Ook voor inkomsten uit een arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur, waarbij de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt binnen één jaar na de datum waarop de aanvraag is ontvangen, geldt dat ook deze niet worden aangemerkt als inkomsten die duurzaam zijn in de zin van artikel 3.75, eerste lid, Vb.

De voornoemde inkomsten uit arbeid (inclusief werk verricht op basis van een flexibele arbeidsovereenkomst) kunnen echter, in afwijking van de hoofdregel als duurzaam worden aangemerkt, indien ten tijde van de aanvraag (of het tijdstip waarop de beschikking wordt genomen, dan wel op enig moment tussen beide tijdstippen):

  • door de aanvrager of degene bij wie verblijf wordt beoogd aantoonbaar reeds gedurende drie jaar onafgebroken (al dan niet op basis van overeenkomsten met een bepaalde duur) is gewerkt; en

  • deze inkomsten uit arbeid nog beschikbaar zijn. Dit wordt aangetoond met een verklaring van de werkgever (bijvoorbeeld het uitzendbureau). Voor deze verklaring van de werkgever kan het model conform bijlage 13 VV worden gebruikt, of een verklaring waarin dezelfde inlichtingen als in dit model gevraagd worden, zijn opgenomen.

Kortdurende tijdvakken van werkloosheid worden bij de driejaarsperiode als inkomen uit arbeid in loondienst meegeteld. In deze driejaarsperiode mag het totaal van deze tijdvakken van werkloosheid niet meer dan 26 weken bedragen.

Gedurende de driejaarsperiode, inclusief de tijdvakken van kortdurende werkloosheid, moeten de inkomsten wel zelfstandig zijn verworven (zie B1/4.3.1). Er mag geen (aanvullende) uitkering krachtens de Wwb zijn ontvangen. Uitsluitend inkomsten uit arbeid in loondienst worden meegeteld voor de beoordeling of de inkomsten duurzaam zijn; gedurende de driejaarsperiode verworven inkomsten uit arbeid als zelfstandige blijven derhalve buiten beschouwing. Het inkomen dat de afgelopen drie jaren is verworven, hoeft niet iedere maand gelijk te zijn geweest aan de relevante brutonorm; voldoende is dat het inkomen op jaarbasis daaraan voldoet. Het laagste jaarinkomen uit arbeid in loondienst in de driejaarsperiode kan als duurzaam conform artikel 3.75, derde lid, Vb worden beschouwd. Vervolgens moet worden getoetst of deze inkomsten ook als voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74 Vb of artikel 3.19 VV kunnen worden beschouwd (zie B1/4.3.3). Bij deze beoordeling gaat de IND uit van het normbedrag zoals dat geldt op het moment van de aanvraag.

Bewijsmiddelen en Flexwet

Op 1 januari 1999 is de Flexwet inwerking getreden. De Flexwet heeft gevolgen voor de arbeidsverhouding tussen een werkgever en een werknemer. Op grond van de Flexwet kan voor een werknemer met een flexibele arbeidsovereenkomst een gunstiger arbeidsrechtelijke positie bestaan, dan aanstonds blijkt uit het arbeidscontract. Informatie over de Flexwet kan worden ingewonnen bij het Ministerie van SZW.

Ten aanzien van de Flexwet geldt, ingevolge artikel 3.76 Vb, dat de Minister zich bij de uitvoering van het bepaalde bij en krachtens de Vw niet begeeft op het terrein van het arbeidsrecht en eventuele geschillen tussen werkgever en werknemer.

Indien er een verschil van mening tussen werkgever en werknemer bestaat, dient de werknemer zich eerst te wenden tot zijn werkgever en – als dit tot een geschil leidt dat niet buiten rechte wordt opgelost – tot de kantonrechter. De onderzoeksplicht van de Minister gaat niet zover dat hij zich zelfstandig een oordeel vormt over de arbeidsverhouding tussen de werkgever en de werknemer. Wanneer de Minister vooruit zou lopen op de uitspraak van de kantonrechter in het geschil tussen werkgever en werknemer en de stelling dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd als (on)juist zou aanvaarden, zou dat onbedoelde en ongewenste effecten kunnen hebben op dit arbeidsgeschil. Zo zou de werknemer of werkgever zich kunnen beroepen op hetgeen de Minister heeft gesteld.

Duurzaamheid inkomsten uit de Algemene nabestaandenwet

Bij de duurzaamheid van inkomsten uit de Algemene nabestaandenwet is van belang dat het recht op deze uitkering onder meer vervalt als de nabestaande 65 jaar wordt, hertrouwt dan wel met iemand een gezamenlijke huishouding gaat voeren. Bij de beoordeling van de duurzaamheid wordt hiermee rekening gehouden. Om die reden worden inkomsten uit deze bron in ieder geval niet duurzaam geacht indien op grond van het doel waarvoor verblijf wordt aangevraagd vaststaat dat de hoofdpersoon (met de vreemdeling) zal gaan samenwonen. Dat op het tijdstip waarop de aanvraag wordt ingediend of de beslissing wordt genomen wel over deze uitkering wordt beschikt, doet daaraan niet af.

Duurzaamheid van onregelmatige inkomsten en loon in natura

Onregelmatige inkomsten (overwerkvergoeding, onregelmatigheidstoeslag en fooien) en loon in natura worden als duurzaam aangemerkt wanneer deze inkomsten structureel zijn. De onregelmatige inkomsten en het loon in natura worden als structureel aangemerkt wanneer deze in de twaalf maanden voorafgaande aan de aanvraag of het moment van beschikken tenminste elf maanden zijn verworven. Slechts het laagste maandelijkse bruto bedrag aan overwerkvergoeding, onregelmatigheidstoeslag, fooien of loon in natura dat onderdeel uitmaakt van het sv-loon mag worden meegeteld. Het is niet toegestaan de over een heel jaar extra verdiende inkomsten te middelen en dat op te tellen bij het maandinkomen.

4.3.3. Voldoende middelen van bestaan

De middelen van bestaan moeten ingevolge artikel 3.74 Vb voldoende zijn.

Ingevolge artikel 3.103 Vb wordt de aanvraag getoetst aan artikel 3.74 Vb zoals de betekenis was ten tijde van de ontvangst van de aanvraag. Derhalve is de toepasselijke inkomensnorm de norm die geldt op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen tenzij de inkomensnorm op een later tijdstip gunstiger is.

Hoogte van het normbedrag

Als hoofdregel geldt dat middelen van bestaan voldoende zijn, indien het inkomen als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, Vb ten minste gelijk is aan het toepasselijke normbedrag zoals dat in artikel 3.74, eerste lid, onder a Vb of artikel 3.19, eerste en tweede lid, VV geldt voor de desbetreffende categorie (echtparen en gezinnen, alleenstaanden en alleenstaande ouders). De toepasselijke norm wordt vastgesteld aan de hand van het wettelijk minimumloon voor personen van 23 jaar of ouder. De IND publiceert de toepasselijke normbedragen voor de betreffende categorieën halfjaarlijks op haar website nadat de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de wijziging van het wettelijk minimumloon kenbaar heeft gemaakt.

Bij de berekening van het totale inkomen worden alle bestanddelen van het inkomen (dus ook inkomsten uit bijvoorbeeld een nevenbetrekking) meegeteld, voor zover die tevens zelfstandig zijn verworven en duurzaam beschikbaar zijn (zie B1/4.3.2).

Bij de toepassing van artikel 3.75, derde lid, Vb moet aantoonbaar reeds gedurende drie jaar onafgebroken zijn gewerkt (zie B1/4.3.2) en in die gehele periode een inkomen uit arbeid zijn verworven, waarbij deze inkomsten bovendien nog beschikbaar moeten zijn. De inkomsten, bedoeld in artikel 3.75, derde lid, Vb, kunnen met andere zelfstandige en duurzame inkomsten worden gecombineerd (bijvoorbeeld inkomsten uit arbeid als zelfstandige) om te voldoen aan het toepasselijke normbedrag.

Hierbij wordt uitgegaan van het toepasselijke normbedrag dat gold ten tijde van de aanvraag. Er wordt derhalve steeds een beoordeling gemaakt aan de hand van één normbedrag, en nadrukkelijk niet van de (in de loop der tijd steeds gewijzigde) normbedragen zoals deze golden gedurende de driejaarsperiode. Immers, aan de hand van de inkomsten uit het verleden wordt beoordeeld of deze in de toekomst van voldoende hoogte zullen zijn.

Hoogte van het normbedrag Wet minimumloon en minimum vakantiebijslag

Voor de vaststelling van het normbedrag als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid onder a, Vb en artikel 3.19 VV wordt aangesloten bij het minimumloon voor personen van 23 jaar en ouder. Er wordt niet aangesloten bij de desbetreffende minimumjeugdlonen. Deze bedragen voor 21- en 22-jarigen 72½ respectievelijk 85 procent van het minimumloon, bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, en 14 Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (zie artikel 2, eerste lid, van het Besluit minimumjeugdloonregeling). Ook van de 21- en 22-jarige gezinshereniger die een nieuwe partner wil laten overkomen, wordt verwacht dat hij zijn financiële verantwoordelijkheden daarvoor duurzaam kan waarmaken.

Overgangsrecht verhoging normbedrag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders

In verband met de wijziging in de beoordeling van de hoogte van de middelen van bestaan die op 31 juli 2010 is ingevoerd met een wijziging van artikel 3.74 Vb en 3.19 VV geldt de volgende overgangsregeling.

Openstaande aanvragen

Voor aanvragen ontvangen voor 31 juli 2010 is het volgende van belang. Op grond van artikel 3.103 Vb wordt de aanvraag getoetst aan het recht dat gold op het tijdstip waarop de aanvraag is ontvangen, tenzij uit de Vw anders voortvloeit, of het recht dat geldt op het tijdstip waarop de beschikking wordt gegeven, gunstiger is.

Dit betekent voor gezinsvormers dat als de aanvraag is ingediend voor 31 juli 2010 aan het normbedrag voor gezinnen en echtparen in de zin van de Wwb moet worden voldaan, of als het gunstiger is, aan het wettelijk minimumloon.

Aanvragen om verlenging

In afwijking van artikel 3.19 VV, eerste lid, VV geldt bij aanvragen om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben gekregen voor 31 juli 2010 op basis van de alleenstaandennorm, in plaats van 70% van het wettelijk minimumloon de norm van 50% van het wettelijk minimumloon.

In afwijking van artikel 3.19, tweede lid, VV geldt bij aanvragen om verlenging van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning van vreemdelingen die rechtmatig verblijf hebben gekregen voor 31 juli 2010 op basis van de norm voor alleenstaande ouders, in plaats van 90% van het wettelijk minimumloon de norm van 70% van het wettelijk minimumloon.

De afwijkende normen gelden ook voor degenen die het verblijf financieren van vreemdelingen die voor 31 juli 2010 verblijf hebben gekregen.

Deze overgangsregeling geldt tot 31 juli 2013.

4.3.4. Inkomsten uit arbeid als zelfstandige

Hieronder worden beleidsregels gegeven omtrent de inkomsten uit arbeid als zelfstandige.

Zelfstandige inkomsten uit arbeid als zelfstandige

Als middelen van bestaan in de zin van de Vw wordt aangemerkt inkomen uit arbeid als zelfstandige, voorzover getrokken uit arbeid als zelfstandig beroepsbeoefenaar of ondernemer, mits het is toegestaan die arbeid te verrichten. Het inkomen van een houder van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd wordt derhalve niet aangemerkt als zelfstandige middelen van bestaan, indien het die persoon niet is toegestaan die arbeid te verrichten. Met name is niet toegestaan die arbeid te verrichten indien op het verblijfsdocument van de zelfstandige is vermeld dat het verrichten van arbeid niet is toegestaan of niet is voldaan aan de vereisten voor uitoefening van het betreffende beroep of voor exploitatie van de betreffende onderneming (zie B5).

Duurzaamheid van inkomsten uit arbeid als zelfstandige

Het algemene uitgangspunt bij behandeling van aanvragen om een verblijfsvergunning is dat de zelfstandige ten tijde van de aanvraag aantoont dat hij nog een jaar over voldoende middelen van bestaan kan beschikken. Hier kan de zelfstandige over het algemeen niet aan voldoen. Immers, de inkomensvorming van een zelfstandige verloopt over het algemeen niet regelmatig over een jaar en het inkomen in zijn administratie wordt over een boekjaar vastgesteld. Aan de hand van zijn inkomsten uit het verleden dient daarom te worden vastgesteld of de duurzaamheid van zijn inkomen voor de toekomst gewaarborgd kan worden geacht.

Het inkomen van een startende ondernemer

Als startende ondernemer wordt aangemerkt diegene die nog niet anderhalf jaar inkomsten uit arbeid als zelfstandige heeft verworven. Immers, hij kan nog niet ten minste anderhalf jaar inkomsten uit arbeid als zelfstandige hebben verworven. De omstandigheid dat de ondernemer een reeds langere tijd bestaande onderneming overneemt, maakt niet dat hij geen startend ondernemer is in de zin van artikel 3.20 VV. Uitgangspunt van artikel 3.20 VV is immers het inkomen van de zelfstandige zelf, en niet het inkomen van diegene die voorheen de onderneming dreef.

De inkomsten van een startende ondernemer worden, ongeacht de hoogte ervan, vanwege de onzekerheid van de levensvatbaarheid van de onderneming en het ontbreken van een inzicht in de inkomsten van het verleden, niet aangemerkt als duurzame inkomsten in de zin van de Vw.

Een uitzondering op deze hoofdregel wordt gemaakt voor vreemdelingen die op grond van het beleid als genoemd in B5 tot Nederland worden toegelaten voor het verrichten van arbeid als zelfstandige, aangezien ten aanzien van hen is vastgesteld dat met hun verblijf hier te lande een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend en inzichtelijk wordt gemaakt, door middel van een ondernemingsplan, wat de te verwachten inkomsten uit de onderneming zullen zijn.

Het inkomen van een gevestigde ondernemer

De inkomsten van de gevestigd ondernemer uit diens arbeid als zelfstandige over de voorgeschreven periode van anderhalf jaar, worden aangetoond met de volgende stukken:

  • verklaring inkomen ondernemer (bijlage 13 VV), volledig ingevuld door een registeraccountant, een Accountant Administratieconsulent, een Federatie Belastingadviseur, een College Belastingadviseur)of een administrateur met een beconnummer van de Belastingdienst, en ondertekend door zowel de administrateur als door de ondernemer zelf;

  • de bijlagen die volgens het model gelet op de situatie van de ondernemer tevens noodzakelijk zijn; én

  • een uittreksel van de Kamer van Koophandel (tenzij inschrijving onmogelijk is, bijvoorbeeld ingeval van vrije beroepen).

Ter meerdere zekerheid kunnen andere bewijsstukken worden opgevraagd, waaronder bankafschriften, aangiften inkomstenbelasting, aanslagen inkomstenbelasting, jaarrekeningen en maandelijkse opgaven van de bedrijfsresultaten over de anderhalf jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop de aanvraag werd ingediend.

Met de verklaring inkomen ondernemer wordt de aanvrager in staat gesteld de inkomsten van de ondernemer over de voorgeschreven periode van anderhalf jaar aan te tonen. Ter toelichting op het model, wordt het volgende opgemerkt:

  • de winst van het afgesloten boekjaar dan wel van het lopende boekjaar van een onderneming wordt berekend door de som van de bedrijfsopbrengsten te verminderen met de som van de bedrijfskosten. De opbrengsten en de kosten dienen te worden berekend volgens de algemeen aanvaarde bedrijfseconomische opvattingen. Ten aanzien hiervan wordt nog het volgende opgemerkt. Wanneer er geen afgesloten boekjaar is, dient er bij de berekening van de maandelijkse winst te worden uitgegaan van de zogenaamde 'permanence'. Dit houdt in dat zowel de bedrijfsopbrengsten als de bedrijfskosten toerekenbaar moeten zijn aan de betreffende periode. Indien de onderneming de vorm van een maatschap, vennootschap onder firma of commanditaire vennootschap heeft, wordt de winst vervolgens verdeeld over de maten, firmanten of vennoten.

  • indien de gevestigde ondernemer van oordeel is dat het reële inkomen hoger is dan via deze manier is berekend, staat voor hem de mogelijkheid open om het reële inkomen zelf aan te tonen aan de hand van een verklaring van een registeraccountant, een Accountant Administratieconsulent, een Federatie Belastingadviseur, een College Belastingadviseur of een belastingadviseur met een beconnummer van de Belastingdienst. Omdat een dergelijke herberekening slechts in uitzonderingssituaties de doorslag zal geven, is hiermee geen rekening gehouden in het aanvraagformulier. De aanvrager zal eigenstandig een dergelijke verklaring dienen op te stellen en mee te sturen.

  • ingevolge artikel 6, tweede lid, Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 wordt bij bijstandverlening aan een zelfstandige rekening gehouden met het inkomen over een boekjaar (niet het inkomen over een kalenderjaar).

  • bij de behandeling van aanvragen om een verblijfsvergunning wordt hierbij aansluiting gezocht. Aangezien rekening wordt gehouden met het gemiddeld inkomen over een boekjaar, zijn de inkomsten in iedere afzonderlijke maand van dat boekjaar voor de beoordeling niet relevant;

  • de informatie die met het model wordt gevraagd over het voorlaatste afgesloten boekjaar zal voor de beoordeling van de duurzaamheid van de inkomsten niet van belang zijn, indien het laatste afgesloten boekjaar en het lopende boekjaar tezamen reeds een periode van anderhalf jaar beslaan;

  • in het model worden – naast de gegevens over de voor de beoordeling van het middelenvereiste relevante inkomsten – tevens vragen gesteld over de fiscale winst en de behandeling van de aangifte inkomstenbelasting door de Belastingdienst. De betreffende gegevens moeten de IND in staat stellen de inkomensgegevens in geval van twijfel te verifiëren bij de Belastingdienst.

Het inkomen van freelancers

Voor het inkomen van een freelancer (die dat inkomen verwerft uit arbeid op basis van een overeenkomst van opdracht) geldt hetzelfde als voor het inkomen van een zelfstandige.

4.4. Openbare orde en nationale veiligheid

Ingevolge de Vw kan het verblijf van een vreemdeling in Nederland worden geweigerd dan wel beëindigd, indien de vreemdeling een gevaar oplevert voor de openbare orde of nationale veiligheid. In deze paragraaf zijn de algemene regels opgenomen met betrekking tot de openbare orde bij de verlening, verlenging, wijziging en intrekking van de reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 Vw. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de eerste verblijfsaanvaarding van vreemdelingen en de ontzegging van voortzetting van verblijf van vreemdelingen.

Afwijkende bepalingen met betrekking tot de openbare orde bij de verlening, verlenging, wijziging en intrekking van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd zijn opgenomen voor:

  • gemeenschapsonderdanen en Turkse onderdanen die rechten ontlenen aan het Associatieovereenkomst EG-Turkije: in B10 en B11;

  • vreemdelingen die in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het feit dat niet binnen drie jaren onherroepelijk op een aanvraag tot het verlenen of verlengen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is beslist: in B1/4.10;

  • de verblijfsvergunning asiel: in C5/3;

  • houders van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die door een andere EU-lidstaat (de eerste lidstaat) is afgegeven of diens gezinsleden, die in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in Nederland (tweede lidstaat): in B17.

Bepalingen met betrekking tot de openbare orde bij:

  • de verlening en intrekking van de reguliere verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zijn opgenomen in B1/7.1.5, B1/7.2.5 en B1/8.3;

  • toegang zijn opgenomen in A2/4.2.5;

  • ongewenstverklaring zijn opgenomen in A5.

Onder gevaar voor de openbare orde wordt ook begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid of de (goede) internationale betrekkingen. Ook ongewenste politieke activiteiten kunnen onder het openbare orde begrip worden geschaard. Gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid, de (goede) internationale betrekkingen, of de nationale veiligheid, en ongewenste politieke activiteit, worden per geval beoordeeld. In deze paragraaf zijn derhalve geen algemene regels opgenomen met betrekking tot die gronden om het verblijf van een vreemdeling in Nederland te weigeren of te beëindigen.

Er zijn geen beleidsregels opgenomen omtrent het gevaar voor de nationale veiligheid als grond om verblijf te weigeren dan wel in te trekken. Toepassing van deze grond is niet afhankelijk van een strafrechtelijke veroordeling.

Wel dienen er concrete aanwijzingen te zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de nationale veiligheid. Bij het bestaan van concrete aanwijzingen dient in de eerste plaats te worden gedacht aan een ambtsbericht van de AIVD. In voorkomende gevallen kan echter ook worden uitgegaan van een ambtsbericht van onder andere (buitenlandse) ministeries of inlichtingendiensten.

4.4.1. Eerste verblijfsaanvaarding

Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder d, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden afgewezen, indien de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid. Op grond van artikel 16, tweede lid, Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid. Dergelijke regels zijn neergelegd in artikel 3.77 en 3.78 Vb.

Artikel 1F Vluchtelingenverdrag

De aanvraag wordt afgewezen, indien er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen, als bedoeld in artikel 1F Vluchtelingenverdrag. Een (strafrechtelijke) veroordeling is niet noodzakelijk. Deze grond is niet afhankelijk gesteld van het tijdstip waarop de gedraging is gepleegd of eventueel bestraft. Deze grond is nader uitgewerkt in C4/3.11.3. Voor het beleid ten aanzien van in Nederland verblijvende gezinsleden als bedoeld in artikel 29, onder e en f, Vw van een vreemdeling die zich heeft schuldig gemaakt aan bedoelde gedragingen zie C4/3.11.4.

Strafrechtelijke antecedenten

De aanvraag wordt afgewezen, indien de vreemdeling terzake van een misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard, indien ter zake van een misdrijf jegens hem een strafbeschikking is uitgevaardigd, dan wel indien terzake van een misdrijf sprake is van een veroordeling of oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsontnemende maatregel, een taakstraf of een onvoorwaardelijke geldboete. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (zie artikel 37, WvSr) of in een inrichting voor stelselmatige daders (zie artikel 38m WvSr) dan wel in een inrichting voor jeugdigen (zie artikel 77h, vierde lid, onder a, WvSr) alsook de terbeschikkingstelling (zie artikel 37a WvSr) worden tot de vrijheidsontnemende maatregelen gerekend. De veroordeling hoeft niet onherroepelijk te zijn geworden. Ook indien hoger beroep is ingesteld tegen een veroordeling in eerste aanleg, of cassatieberoep is ingesteld tegen een veroordeling in hoger beroep, wordt de aanvraag afgewezen.

In geval de aanvraag verband houdt met gezinshereniging of gezinsvorming houdt de Minister rekening met de aard en de hechtheid van de gezinsband van de vreemdeling en de duur van zijn verblijf, alsmede het bestaan van familiebanden of culturele en sociale banden met het land van herkomst (zie artikel 3.77, vierde lid, Vb).

In geval de aanvraag is ingediend door een vreemdeling die houder is van een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is afgegeven door een andere EU lidstaat wordt ingevolge artikel 3.77, vijfde en zesde lid, Vb bij de toepassing van artikel 3.77, eerste lid, onder c, Vb mede rekening gehouden met de ernst van de inbreuk of het soort van inbreuk die door de langdurig ingezetene of diens gezinslid op de openbare orde is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de langdurig ingezetene of diens gezinslid uitgaat.

Voorts wordt rekening gehouden met de leeftijd van de vreemdeling, de gevolgen voor de vreemdeling en de leden van zijn gezin, het bestaan van banden met Nederland dan wel het ontbreken van banden met het land van herkomst (zie ook B17/2.3).

Indien een strafzaak terzake van misdrijf openstaat en bekendheid met de uitkomst van de strafzaak voor de te nemen beslissing noodzakelijk is, wordt contact opgenomen met het OM. De termijn voor het geven van de beschikking wordt met toepassing van artikel 25, tweede lid, Vw schriftelijk met maximaal zes maanden verlengd. Indien de aanvraag is ingediend door een langdurig ingezetene of diens gezinslid wordt de termijn met toepassing van artikel 25, vierde lid, Vw met maximaal drie maanden verlengd. De vreemdeling wordt hiervan schriftelijk in kennis gesteld. Indien na vergunningverlening alsnog een strafrechtelijke veroordeling volgt, dient te worden bezien of het verblijf kan worden beëindigd.

Aan het feit dat een straf geheel of gedeeltelijk, voorwaardelijk of onvoorwaardelijk, door Nederlandse of buitenlandse autoriteiten is kwijtgescholden, komt voor de toepassing van deze regels geen zelfstandige betekenis toe.

Overige gevallen

Niet alle gedragingen op grond waarvan gevaar voor de openbare orde kan leiden tot afwijzing van de aanvraag zijn in artikel 3.77, eerste lid, Vb neergelegd.

Buiten de gevallen genoemd in artikel 3.77, eerste lid, Vb kan op grond van artikel 3.78 Vb de aanvraag slechts worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde, indien naar het oordeel van de Minister zwaarwegende belangen daartoe nopen.

Bij toepassing van artikel 3.78 Vb dient grote terughoudendheid te worden betracht. Toepassing vergt een volledige individuele afweging tussen de rechtstreeks in het geding zijnde belangen.

Termijnen

Er geldt een maximale termijn waarbinnen antecedenten in een toelatingsaanvraag kunnen worden tegengeworpen, tenzij sprake is van een levensdelict.

Indien de vreemdeling wegens een misdrijf, niet zijnde een levensdelict, is veroordeeld, een transactievoorstel heeft aanvaard of indien een strafbeschikking jegens hem is uitgevaardigd, betekent dat niet dat zijn aanvraag nimmer meer kan worden ingewilligd.

Bij de termijn gedurende welke een gesanctioneerd misdrijf reden blijft vormen om de aanvraag tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning af te wijzen, wordt onderscheid gemaakt naar de aard en de ernst van de misdrijven.

Ingeval van een veroordeling wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van meer dan zes jaar is bedreigd bedraagt die termijn twintig jaren. Het gaat hierbij onder meer om de misdrijven genoemd in Titel XIV (misdrijven tegen de zeden), Titel XIX (misdrijven tegen het leven gericht) en Titel XX (mishandeling) van het Wetboek van Strafrecht. Ook drugsdelicten, misdrijven tegen het openbaar gezag, wapendelicten en misdrijven waardoor de algemene veiligheid van personen of goederen in gevaar wordt gebracht, zoals brandstichting, horen hier bij.

Ingeval van een veroordeling, transactie of strafbeschikking wegens een drugsdelict dan wel een geweldsmisdrijf waartegen een gevangenisstraf van minder dan zes jaar is bedreigd, bedraagt die termijn tien jaren. Ingeval van een veroordeling, transactie of strafbeschikking wegens een ander misdrijf bedraagt die termijn vijf jaren.

De termijn vangt aan op de dag waarop de veroordeling of strafbeschikking onherroepelijk is geworden of het transactievoorstel is aanvaard. De veroordeelde bevindt zich in voorlopige hechtenis en de tenuitvoerlegging van de opgelegde vrijheidsstraf kan worden geëxecuteerd.

Indien de tenuitvoerlegging van de sanctie pas later heeft plaatsgevonden (door bijvoorbeeld een verstekvonnis), vangt de termijn aan op de dag waarop de sanctie volledig ten uitvoer is gelegd. Daarmee wordt voorkomen dat de termijn (bijvoorbeeld tijdens een langdurige gevangenisstraf) kan verstrijken voordat de straf ten uitvoer is gelegd. De sanctie is ten uitvoer gelegd:

  • a. ingeval van een vrijheidsbenemende straf of maatregel: de datum van invrijheidsstelling;

  • b. ingeval van een taakstraf: datum waarop de taakstraf is voltooid;

  • c. ingeval van een vermogenssactie: datum waarop de geldboete of transactie is betaald.

Het is van belang dat de vreemdeling bij de indiening van de aanvraag gegevens en bescheiden overlegt waaruit blijkt op welke datum de sanctie ten uitvoer is gelegd, dus wanneer hij in vrijheid is gesteld, de taakstraf heeft voltooid of het bedrag heeft betaald (zie artikel 4:2 Awb). Indien de aanvraag wegens het verstrijken van deze vijfjaren, tien- of twintigjarentermijn niet langer wordt afgewezen, wordt de vreemdeling ook niet ongewenst verklaard op de enkele grond dat hij die feiten heeft gepleegd.

De termijn van vijf, onderscheidenlijk tien of twintig jaren, is niet van toepassing, indien sprake is van een veroordeling voor een levensdelict, het bij herhaling plegen van strafbare feiten of van ernstige redenen om te veronderstellen dat de vreemdeling (of diens gezinslid) zich schuldig heeft gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.

Onder ‘geweldsmisdrijven’ worden in ieder geval gerekend: mishandeling, openlijke geweldpleging, bedreiging, belediging en verzet bij aanhouding.

Van het bij herhaling plegen van strafbare feiten is sprake als de vreemdeling meer dan één sanctie opgelegd heeft gekregen. Dit geldt ook als één sanctie is opgelegd voor een aantal bewezen verklaarde strafbare feiten (voeging). In geval van eendaadse of meerdaadse samenloop wordt uitgegaan van één misdrijf. Bijvoorbeeld een winkeldiefstal die gepaard gaat met wederspannigheid en/of belediging van een ambtenaar in functie kan drie misdrijven opleveren. In dat geval wordt echter uitgegaan van één misdrijf en niet van drie misdrijven.

Indien de vreemdeling ongewenst is verklaard kan hij geen rechtmatig verblijf hebben (zie artikel 67, derde lid, Vw). Ook indien de termijn van vijf, onderscheidenlijk tien jaren (zie artikel 6.6, eerste lid, Vb) verstrijkt voordat de ongewenstverklaring is opgeheven, komt de vreemdeling niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning.

Het enkele feit dat de termijn van vijf jaren, onderscheidenlijk tien jaren (zie artikel 6.6, eerste lid, Vb), verstrijkt voordat de ongewenstverklaring is opgeheven, vormt geen reden om de ongewenstverklaring in afwijking van artikel 6.6 Vb op te heffen.

4.4.2. Procedurele aspecten

Antecedentenverklaring

Bij de aanvraag die in Nederland wordt ingediend, wordt door iedere vreemdeling van 12 jaar of ouder een antecedentenverklaring ondertekend. De vreemdeling die aangeeft de verklaring niet naar waarheid te kunnen ondertekenen, verschaft daarvoor de reden(en) en onderbouwt die met de relevante gegevens en bescheiden.

Ongewenstverklaring

Zowel bij de weigering van eerste verblijf als bij ontzegging van voortzetting van verblijf wegens gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid dient steeds beoordeeld te worden of de vreemdeling tevens ongewenst wordt verklaard (zie A5).

Raadplegen systemen

Bij iedere aanvraag tot het verlenen, het verlengen, het wijzigen van de verblijfsvergunning of het vernieuwen of vervangen van het verblijfsdocument, alsmede in het kader van adviesaanvragen inzake een aanvraag tot een mvv worden het SIS, het OPS, het HKS en het JDS geraadpleegd. Hierbij wordt zo mogelijk rekening gehouden met eventuele aliassen en alternatieve schrijfwijzen.

In alle gevallen waarin een verblijfsvergunning (of in geval van een mvv een positief advies) zal worden afgegeven, worden, indien de laatste raadpleging meer dan drie maanden daarvoor heeft plaatsgevonden, de genoemde systemen opnieuw geraadpleegd.

4.5. Medisch onderzoek

Op dit moment is TBC de enige infectieziekte waaraan het vreemdelingenrecht gevolgen verbindt, zowel op het gebied van toezicht (zie artikel 54, eerste lid, onder e, Vw, artikel 4.46 Vb en A3/7.5 Vc) als ook bij de verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De bereidheid om het onderzoek (en zonodig de behandeling) te ondergaan en daaraan mee te werken, is een algemene voorwaarde voor de verlening (zowel op aanvraag als ambtshalve) van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. Indien TBC wordt vastgesteld, vormt dat op zichzelf nog geen grond om de aanvraag af te wijzen.

Ingevolge artikel 16, eerste lid aanhef en onder e, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw worden afgewezen indien de vreemdeling niet bereid is om medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek naar een ziekte aangewezen bij of krachtens de Infectieziektewet, ter bescherming van de volksgezondheid of een medische behandeling tegen een dergelijke ziekte te ondergaan. Op grond van artikel 16, tweede lid, Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Dergelijke regels zijn neergelegd in artikel 3.79 Vb.

Keuring en behandeling

De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling niet bereid is een onderzoek naar of behandeling van TBC aan de ademhalingsorganen te ondergaan of indien hij niet meewerkt aan dat onderzoek of die behandeling, tenzij hij de nationaliteit bezit van een van de bij ministeriële regeling vast te stellen landen. Ontbreken van bedoelde bereidheid of medewerking staat ook in de weg aan ambtshalve verlening van verblijfsvergunningen.

Vrijstellingen

In artikel 3.18 VV zijn de landen vermeld, waarvan de onderdanen van dit vereiste zijn vrijgesteld. Het betreft onderdanen van de EU, de lidstaten van de EER, Australië, Canada, Israël, Japan, Monaco, Nieuw-Zeeland, Suriname, de Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland. In deze landen komt verhoudingsgewijs weinig TBC voor.

Ingevolge artikel 3.79, tweede lid, Vb is van het vereiste eveneens vrijgesteld de vreemdeling die langdurig ingezetene is, dan wel als gezinslid van een langdurig ingezetene in een andere staat die partij is bij het EG-verdrag is toegelaten.

Omdat het vereiste alleen geldt voor de eerste verblijfsaanvaarding kunnen aanvragen om voortzetting van verblijf niet op deze grond worden afgewezen. Indien de vreemdeling houder van een verblijfsvergunning (asiel of regulier, voor bepaalde of onbepaalde tijd) of Nederlander is geweest, en een aanvraag heeft ingediend, geldt het vereiste niet, indien wordt geoordeeld dat redelijkerwijs sprake is van voortzetting van verblijf.

Dat betekent dat, indien wordt geoordeeld dat niet redelijkerwijs kan worden of behoort te worden gesproken van voortzetting van verblijf, het vereiste wel geldt, met name gelet op het tweede lid van artikel 3.82 Vb.

Met een redelijke termijn wordt gedoeld op een termijn van twee jaar na het einde van het rechtmatig verblijf of als Nederlander.

Procedure

Idealiter heeft de vreemdeling die zich bij de IND meldt om aldaar fysiek een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier in te dienen, reeds bij de GG&GD een onderzoek naar TBC aan de ademhalingsorganen ondergaan. Veelal zal de vreemdeling dat onderzoek nog niet hebben ondergaan.

In die situatie ondertekent de vreemdeling, bij de indiening van de aanvraag om een verblijfsvergunning, een verklaring op het TBC-formulier (zie bijlage 13 VV) waarin de vreemdeling aangeeft bereid te zijn een onderzoek naar en, indien nodig, behandeling van TBC te ondergaan. De IND verwijst daarna de vreemdeling door naar de meest nabij gelegen GG&GD. Voor deze verwijzing maakt hij gebruik van het originele TBC-formulier.

De te onderzoeken vreemdeling vervoegt zich vervolgens, zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie maanden na de datum van de aanvraag om een verblijfsvergunning, bij de aangewezen GG&GD voor het ondergaan van een TBC-onderzoek. Naast het document voor grensoverschrijding dat bij de IND is overgelegd, wordt het TBC-formulier aan de onderzoeksarts overgelegd, waarop de persoonsgegevens van de vreemdeling die uit het document voor grensoverschrijding kenbaar zijn, staan vermeld. De arts belast met het onderzoek vergelijkt de gegevens in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling met de gegevens op het formulier. De onderzoeksarts vult na het onderzoek het formulier in en zendt het naar het juiste kantoor van de IND, dat de aanvraag in behandeling heeft.

In het kader van het medisch onderzoek zoals bedoeld in de onderhavige paragraaf is het van belang twee situaties van elkaar te scheiden; de bereidheid tot medisch onderzoek en de bereidheid tot het ondergaan van een medische behandeling.

Door ondertekening van de daartoe strekkende verklaring op het formulier verklaart de vreemdeling zich bereid zijn medewerking te verlenen aan het onderzoek naar TBC aan de ademhalingsorganen alsmede zijn medewerking te verlenen aan behandeling van eventuele TBC. Indien de vreemdeling niet tot ondertekening is overgegaan wordt hem een termijn van twee weken gegund om dat alsnog te doen.

De aanvraag wordt afgewezen indien de vreemdeling niet bereid is gebleken bedoelde verklaring op het TBC-formulier te ondertekenen.

De bereidheid tot medisch onderzoek

De bereidheid van de vreemdeling om een medisch onderzoek te ondergaan, zoals bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder e, Vw, blijkt uit de ondertekening van de daartoe strekkende verklaring op het TBC-formulier. Nadat de vreemdeling voornoemde verklaring heeft ondertekend, kan de verblijfsvergunning worden verleend, indien ook aan de overige voorwaarden wordt voldaan.

Achteraf stelt de IND, op basis van opgave door de GG&GD, vast of betrokkene aan de verplichting om een TBC-onderzoek te ondergaan heeft voldaan.

Indien na verlening van de verblijfsvergunning blijkt dat de vreemdeling ondanks bedoelde ondertekening niet daadwerkelijk aan de verplichting om een TBC-onderzoek te ondergaan heeft voldaan (zie artikel 3.79 Vb) wordt de verblijfsvergunning ingetrokken op grond van het feit dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt.

Bereidheid medische behandeling

De bereidheid van de vreemdeling om een medische behandeling te ondergaan en daaraan medewerking te verlenen, blijkt uit de ondertekening van de daartoe strekkende verklaring op het TBC-formulier.

Het enkele feit dat bij de vreemdeling TBC aan de ademhalingsorganen is geconstateerd, leidt er overigens niet toe dat de aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning wordt afgewezen. Indien de verklaring is ondertekend, wordt de vergunning verleend. Gelet op de duur van de TBC-behandeling is het immers niet opportuun om de bereidheid om mee te werken aan die behandeling eerst na voltooiing van de behandeling vast te stellen. Indien na verlening van de vergunning blijkt dat de vreemdeling ondanks bedoelde ondertekening niet daadwerkelijk bereid is gebleken de behandeling te ondergaan of daaraan mee te werken, wordt de vergunning ingetrokken op grond van het feit dat er onjuiste gegevens zijn verstrekt.

Achterwege laten van uitzetting

Indien de vreemdeling bij wie TBC is geconstateerd, niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning, kan dat een reden vormen om de uitzetting van die vreemdeling en diens eventuele gezinsleden achterwege te laten omdat het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling niet verantwoord is om te reizen (zie artikel 64 Vw). Voor de specifieke uitwerking hiervan wordt verwezen naar A4/7.7. Voor het recht op opvang en RvA verstrekkingen wordt verwezen naar C23/2.3.3.

4.6. Niet voldoen aan de beperking

Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder g, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.

Ingevolge het tweede lid van zowel artikel 16 als 18 Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van de gronden bedoeld in het eerste lid.

4.7. Inburgeringsvereiste

Per 15 maart 2006 is de Wet inburgering in het buitenland van kracht geworden en per 1 januari 2007 de Wet inburgering. De koppeling tussen het behalen van het inburgeringsexamen en het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verband houdend met voortgezet verblijf en een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd is per 1 januari 2010 van kracht.

Het inburgeringsvereiste in het kader van de mvv-procedure bestaat uit het met goed gevolg afleggen van het basisexamen inburgering binnen één jaar voorafgaand aan de aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf (artikel 3.71a, eerste lid, Vb) op een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging (zie B1/4.7.1).

Het inburgeringsvereiste in het kader van de aanvraag om een bovengenoemde verblijfsvergunning bestaat uit het behalen van het inburgeringsexamen (artikel 3.80a Vb voor de verblijfsvergunning bepaalde tijd en artikel 3.96a Vb voor de verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd). Ten bewijze dat het inburgeringsexamen is behaald, wordt een diploma uitgereikt (artikel 14 Wet inburgering).

Het inburgeringsexamen bestaat uit twee onderdelen: een praktijkdeel en een centraal deel.

Praktijkdeel

Het praktijkdeel van het inburgeringsexamen bestaat uit een onderzoek naar de vijf functionele taalvaardigheden (spreken, luisteren, lezen, schrijven en gespreksvaardigheid) gerelateerd aan veel voorkomende praktijksituaties die van cruciaal belang zijn om adequaat te kunnen participeren in de Nederlandse samenleving. Het praktijkdeel bestaat uit een portfolio of assessment of een combinatie van beide (artikel 3.7 Besluit inburgering).

Centraal deel

Het centraal deel van het examen bestaat uit drie examens: kennis van de Nederlandse samenleving (KNS), het electronisch praktijkexamen (EPE) en de toets gesproken Nederlands (TGN). KNS en EPE worden afgenomen via de computer. TGN wordt afgenomen via de telefoon. De examens van het centraal deel van het inburgeringsexamen worden enkel afgenomen door de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, onder verantwoordelijkheid van de Minister van BZK (vóór 1 januari 2010: de IB-Groep) (artikel 3.9 Besluit inburgering).

4.7.1. Inburgering buitenland middels het basisexamen inburgering (mvv-procedure)

Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder h, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling, die niet behoort tot een der categorieën, bedoeld in artikel 17, eerste lid, Vw, na verkrijging van rechtmatig verblijf in Nederland, inburgeringsplichtig zou zijn op grond van de artikelen 3 en 5 Wet inburgering en niet beschikt over kennis op basisniveau van de Nederlandse taal en de Nederlandse maatschappij.

Ingevolge artikel 16, tweede lid, Vw kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de toepassing van deze grond. Deze regels zijn neergelegd in artikelen 3.71a, 3.98a, 3.98b, 3.98c en 3.98d Vb en de artikelen 3.10, 3.11, 3.12 en 3.13 VV.

Ingevolge artikel 16, derde lid, Vw is het eerste lid, onder h, niet van toepassing op de vreemdeling die de Surinaamse nationaliteit bezit en die, met bij ministeriële regeling vastgestelde bescheiden, heeft aangetoond in Suriname of Nederland lager onderwijs in de Nederlandse taal te hebben gevolgd.

Ingevolge artikel 3.98c, derde lid, Vb worden de resultaten van het basisexamen inburgering door middel van het geautomatiseerde systeem beoordeeld. Aangezien de resultaten van de onderzoeken die zijn uitgevoerd naar de kwaliteit van de toetsen, ruimte laten voor onduidelijkheid omtrent de mate waarin de beoordeling aan de hand van het geautomatiseerde systeem vergelijkbaar is met die door menselijke examinatoren, worden de resultaten van het basisexamen in de eerste fase na invoering daarvan een tweede maal door menselijke examinatoren beoordeeld. In verband hiermee is in artikel II besluit van 17 februari 2006 tot wijziging van het Vb in verband met inburgering in het buitenland, Stb. 2006, 94,opgenomen dat in afwijking van artikel 3.98c, derde lid, Vb de resultaten van het basisexamen inburgering, die door middel van het geautomatiseerde systeem zijn beoordeeld, nogmaals beoordeeld worden door examinatoren, indien het basisexamen is afgelegd vóór een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Inburgeringsplichtig is de vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, a tot en met e, dan wel l, Vw, die anders dan voor een tijdelijk doel in Nederland verblijft of geestelijk bedienaar is. Verblijfsdoelen die als tijdelijk worden aangemerkt in de zin van de Wet inburgering staan opgenomen artikel 2.1 van het Besluit inburgering en in de bijlage bij artikel 2.1 Regeling inburgering (zie B1/4.7.1.1).

De hoofdregel geldt voor vreemdelingen die voor hun komst naar Nederland in het bezit moeten zijn van een mvv in het kader van bijvoorbeeld gezinshereniging of gezinsvorming, en die na hun komst naar Nederland inburgeringsplichtig zijn op grond van de artikelen 3 en 5 Wet inburgering. Hetzelfde geldt voor verblijf als geestelijk voorganger of godsdienstleraar, ondanks dat zij doorgaans geen duurzaam verblijf in Nederland beogen (zie B1/4.7.1.1).

Vreemdelingen van 18 jaar en ouder

Vreemdelingen in de leeftijd van 18 tot 65 jaar zijn ingevolge de Wet inburgering inburgeringsplichtig en dienen derhalve het basisexamen inburgering buitenland met goed gevolg af te leggen tenzij zij zijn vrijgesteld ingevolge de artikelen 3 en 5 Wet inburgering (zie B1/4.7.1.1).

De basiskennis, die de vreemdeling reeds voor komst naar Nederland in het buitenland moet hebben verworven, wordt in het buitenland beoordeeld aan de hand van het basisexamen inburgering, tenzij de vreemdeling niet inburgeringsplichtig is of daarvan is vrijgesteld. De resultaten van het basisexamen worden betrokken bij de aanvraag om een mvv.

Het basisexamen inburgering bestaat uit de Toets Gesproken Nederlands en een onderzoek naar de kennis van de Nederlandse samenleving (art. 3.98a Vb). Vanaf 1 april 2011 is het niveau van de Toets Gesproken Nederlands verhoogd van niveau A1min naar niveau A1 van het Europese Raamwerk voor Vreemde Talen en omvat het basisexamen inburgering ook de toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen (GBL).

De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt afgewezen indien de vreemdeling het basisexamen inburgering niet met goed gevolg heeft afgelegd, tenzij:

  • de vreemdeling de Surinaamse nationaliteit bezit en met krachtens artikel 16, derde lid, Vw vastgestelde bescheiden heeft aangetoond lager onderwijs in Suriname of Nederland te hebben gevolgd;

  • artikel 3.71a, tweede lid, Vb van toepassing is;

  • de vreemdeling de leeftijd van 65 jaren heeft bereikt.

In artikel 4:2, tweede lid, Awb is bepaald dat de aanvrager bij indiening van de aanvraag de gegevens en bescheiden dient te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Het is daarbij aan de vreemdeling, als potentiële nieuwkomer, om aan te tonen dat hij over de vereiste basiskennis van de Nederlandse taal en Nederlandse samenleving beschikt. De enige wijze die hem daartoe ter beschikking staat is het met goed gevolg afleggen van een basisexamen inburgering. Daaronder vallen ook gegevens en bescheiden met betrekking tot de eventuele vrijstelling van het basisexamen inburgering.

Indien de vreemdeling bij de aanvraag niet de noodzakelijke gegevens voor eventuele vrijstelling van het basisexamen inburgering overlegt, wordt hij met toepassing van artikel 4:5 Awb in de gelegenheid gesteld gedurende een redelijke termijn de aanvraag aan te vullen voordat daarop wordt beslist. In deze periode wordt de beslistermijn met toepassing van artikel 4:15 Awb opgeschort. Als de vreemdeling binnen die redelijke termijn geen gegevens en bescheiden met betrekking tot de eventuele vrijstelling van het basisexamen inburgering heeft overgelegd, wordt op de aanvraag beslist.

In deze paragraaf zijn algemene regels opgenomen over het basisexamen inburgering buitenland. Het basisexamen inburgering buitenland is van toepassing op aanvragen tot verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in het kader van gezinshereniging en gezinsvorming met een hoofdpersoon die een verblijfsrecht heeft dat niet-tijdelijk van aard is of die Nederlander is, tenzij nadrukkelijk anders is vermeld. Ten aanzien van bepaalde categorieën vreemdelingen zijn elders in het Vb, het VV en de Vc in de betreffende materiehoofdstukken (zie B2 en verder) andersluidende bepalingen opgenomen.

4.7.1.1. Niet inburgeringsplichtig of vrijstelling

Uit de Wet inburgering, het Besluit inburgering en de Regeling inburgering blijkt of de vreemdeling wel of niet inburgeringsplichtig is. Als de vreemdeling in Nederland niet inburgeringsplichtig is, dan is de vreemdeling ook niet inburgeringsplichtig in het buitenland en hoeft het basisexamen inburgering niet afgelegd te worden.

Het inburgeringsvereiste is niet van toepassing op vreemdelingen die na verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in Nederland niet inburgeringsplichtig op grond van de artikelen 3 en 5 Wet inburgering zijn, bijvoorbeeld omdat zij voor een tijdelijk doel naar Nederland komen.

Niet inburgeringsplichtig vanwege tijdelijk doel

Als tijdelijke verblijfsdoel in de zin van de Wet inburgering gelden de volgende verblijfsdoelen voor wat betreft de bepaling van de inburgeringsplicht:

  • gezinshereniging of gezinsvorming indien het verblijfsrecht van de hoofdpersoon van tijdelijke aard is;

  • verblijf ter adoptie of als pleegkind indien het verblijfsrecht van de hoofdpersoon van tijdelijke aard is;

  • het afwachten van onderzoek naar de geschiktheid van de aspirant-adoptiefouders, bedoeld in artikel 11 van de Wobka;

  • familiebezoek;

  • het verrichten van arbeid als zelfstandige;

  • het verrichten van arbeid in loondienst;

  • het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst;

  • het zoeken van arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat;

  • het doorbrengen van verlof in Nederland;

  • het afwachten van herstel en hervatting van de arbeid in loondienst aan boord van een Nederlands zeeschip of op een mijnbouwinstallatie op het continentaal plat;

  • verblijf als stagiaire of practicant;

  • verblijf als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel;

  • het volgen van studie;

  • de voorbereiding op studie;

  • verblijf als au-pair;

  • verblijf in het kader van uitwisseling;

  • het ondergaan van medische behandeling;

  • de vervolging van mensenhandel;

  • het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 Rwn;

  • verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken;

  • verblijf als Amv;

  • verblijf als kennismigrant;

  • verblijf als houder van de Europese blauwe kaart in de zin van richtlijn 2009/50/EG;

  • werkzaamheid in het kader van grensoverschrijdende dienstverlening;

  • verblijf als onderzoeker in de zin van richtlijn 2005/71/EG;

  • verblijfsrecht op grond van artikel 3.4, derde lid, Vb indien bij de verlening is bepaald dat het verblijfsrecht tijdelijk van aard is.

Niet inburgeringsplichtig vanwege acht jaar verblijf tijdens leerplichtige leeftijd

Het inburgeringsvereiste is niet van toepassing op de vreemdeling die ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven zijnde de periode van het vijfde tot en met het zestiende jaar. Het verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd blijkt op grond van artikel 2.6 Besluit inburgering uit inschrijving als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel uit inschrijving in de daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding. Voor toepassing van deze vrijstellingsrond is niet vereist dat het hierbij om een ononderbroken inschrijving van acht jaar gaat. Voorts is niet vereist dat het om acht jaar legaal verblijf in Nederland gaat.

Niet inburgeringsplichtig vanwege diploma’s, certificaten of andere documenten

Op grond van artikel 2.3 en artikel 2.5 Besluit inburgering is niet inburgeringsplichtig de vreemdeling die beschikt over een diploma, certificaat of ander document zoals hieronder genoemd:

  • een diploma of getuigschrift van een Nederlandstalige opleiding binnen het wetenschappelijk onderwijs, het hoger beroepsonderwijs, algemeen voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs of leerlingwezen. Het diploma moet een wettelijke basis hebben. Als dat zo is, staat dat vermeld op het diploma;

  • een diploma staatsexamen Nederlands als tweede taal, programma I of II;

  • een in België, Suriname, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius of Saba behaald schooldiploma of getuigschrift. Dit moet zijn behaald na onderwijs in een Nederlandstalige opleiding met een voldoende op de cijferlijst voor het vak Nederlands. Het niveau van de opleiding moet hoger zijn dan lager- of basisonderwijs en het uitgereikte diploma moet een wettelijke basis hebben;

  • een diploma van het Europese baccalaureaat van de Europese school, het getuigschrift International Baccalaureate Middele Years Certificate, International General Certificate of Secundary Education of Internationaal Baccalaureaat, voor zover dat het baccalaureaat het vak Nederlands als eerste of tweede taal omvat en voor dat vak een voldoende is behaald of indien daartoe een cursus Engels-Nederlandstalig onderwijs of een cursus Internationaal Baccalaureaat met daarin het vak Nederlands is gevolgd en een voldoende is behaald;

  • het Certificaat Naturalisatietoets;

  • het inburgeringsdiploma van de Wet inburgering;

  • een certificaat Inburgering in het kader van de WIN, wanneer uiterlijk 31 december 2006 het WIN-traject is afgerond, en bijbehorende verklaring van het ROC waaruit blijkt dat een profieltoets met de uitkomst voor de onderdelen 'luisteren' en 'spreken' niveau NT2-2 is behaald, voor de onderdelen 'lezen' en 'schrijven' niveau NT2-1 en voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie niveau 2 of 80% als die toets is afgelegd na 31 augustus 2001 respectievelijk 85% als de toets voor 1 september 2001 is afgelegd (de vreemdeling is oudkomer);

  • een certificaat Inburgering in het kader van de WIN, wanneer het WIN-traject doorliep in 2007 of 2008, en bijbehorende verklaring van het ROC waaruit blijkt dat voor de onderdelen 'luisteren', 'spreken', ‘lezen' en ‘schrijven' tenminste niveau NT2-2 is behaald en voor het onderdeel Maatschappij Oriëntatie niveau 2 of 80% als die toets is afgelegd na 31 augustus 2001 respectievelijk 85% als de toets voor 1 september 2001 is afgelegd (de vreemdeling is nieuwkomer);

  • een certificaat Oudkomers van de Regeling certificaat inburgering oudkomers, waaruit blijkt dat voor de onderdelen ‘luisteren’ en ‘spreken’ niveau NT2 2 is behaald en niveau NT2 1 voor de onderdelen ‘lezen ‘schrijven’;

  • het document korte vrijstellingstoets van de Wet inburgering (artikel 2.7, tweede lid, Besluit inburgering);

  • een beschikking van het college van B&W waarin staat dat de vaststelling van een inburgeringsprogramma op grond van de Wet inburgering nieuwkomers achterwege is gelaten omdat tijdens het inburgeringsonderzoek aannemelijk is geworden dat de nieuwkomer de kennis, het inzicht en de vaardigheden die hij door het deelnemen aan een inburgeringsprogramma zou kunnen verwerven, reeds in voldoende mate op andere wijze zou verwerven;

  • een beschikking van het college van B&W waarin staat dat de vaststelling van een inburgeringsprogramma op grond van de Wet inburgering nieuwkomers achterwege is gelaten omdat een toets als bedoeld in artikel 5, vierde lid, Wet inburgering nieuwkomers met goed gevolg is afgelegd; of

  • een bewijs waaruit blijkt dat de vreemdeling ingevolge artikel 4 Besluit Naturalisatietoets zoals dit gold op 1 april 2003 is of was ontheven van de verplichting om alle in dat artikel bedoelde toetsonderdelen af te leggen.

Andere bescheiden dan hier vermeld, leiden niet tot vrijstelling op deze grond. De thans geldende legalisatiecirculaire is van overeenkomstige toepassing.

Om voor vorengenoemde vrijstellingsgrond in aanmerking te komen overlegt de vreemdeling bij de aanvraag van de mvv of het verzoek om advies het gevraagde diploma. In het geval vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is gehaald, overlegt de vreemdeling een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst waaruit blijkt dat een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal.

Bij twijfel of het diploma, getuigschrift of ander document vrijstelling oplevert in het kader van de Wet inburgering kan contact worden opgenomen met de Dienst Uitvoering Onderwijs.

Overige vrijstellingen

Surinaamse nationaliteit

De vreemdeling met de Surinaamse nationaliteit is op grond van artikel 16, derde lid, Vw vrijgesteld van het basisexamen inburgering, indien hij heeft aangetoond in Suriname of Nederland lager onderwijs in de Nederlandse taal te hebben gevolgd.

Conform artikel 3.13 VV dienen daartoe de volgende bescheiden te worden overgelegd:

  • a. een schooldiploma of getuigschrift behaald in Suriname voor 25 november 1975 waaruit blijkt dat tenminste de lagere school in de Nederlandse taal is afgerond en een verklaring van het Centraal Bureau Burgerzaken voorzien van een apostille waaruit blijkt dat de vreemdeling ten tijde van afronding van deze school woonachtig is geweest in Suriname;

  • b. een door het Surinaamse Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling afgegeven schooldiploma of getuigschrift, behaald in Suriname na 25 november 1975, waaruit blijkt dat tenminste de lagere school in de Nederlandse taal is afgerond, dan wel een verklaring van het Examenbureau van het Ministerie van Onderwijs en Volksontwikkeling waaruit dit blijkt. Het diploma, het getuigschrift of de verklaring dient te zijn voorzien van een apostille;

  • c. een in Nederland gehaald diploma hoger dan dat van het lager onderwijs;

  • d. een historisch overzicht uit het Vestigingsregister te Den Haag waaruit blijkt dat de vreemdeling ten tijde van de afronding van de lagere school, op de leeftijd van elf, twaalf of dertien jaar, woonachtig is geweest in Nederland; of

  • e. een uittreksel uit de GBA waaruit blijkt dat de vreemdeling ten tijde van de afronding van de lagere school, op de leeftijd van elf, twaalf of dertien jaar, woonachtig is geweest in Nederland.

Andere bescheiden dan daar vermeld, leiden niet tot vrijstelling op deze grond.

Niet mvv-plichtig

Het inburgeringsvereiste is evenmin van toepassing op vreemdelingen die, om voor verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in aanmerking te kunnen komen, niet hoeven te beschikken over een geldige mvv. In artikel 16, eerste lid, onder h, Vw is reeds voorzien in een uitzondering voor de in artikel 17, eerste lid, Vw genoemde categorieën vreemdelingen, waartoe ook behoren de in artikel 3.71, tweede lid, Vb genoemde categorieën vreemdelingen, aan wie het ontbreken van een geldige mvv niet wordt tegengeworpen.

Hoofdpersoon is houder asielvergunning

Het inburgeringsvereiste wordt niet tegengeworpen aan het gezinslid van de hoofdpersoon die houder is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd.

4.7.1.2. Ontheffing

Ingevolge artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder c, Vb wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet afgewezen indien de vreemdeling ten genoegen van de Minister van BZK heeft aangetoond door een geestelijke of lichamelijke belemmering blijvend niet in staat te zijn het basisexamen inburgering af te leggen.

Indien de vreemdeling een ernstige lichamelijke en/of geestelijke belemmering heeft, is hij ontheven van het basisexamen inburgering buitenland. Het gaat hier met name om blindheid, doofheid alsmede om doofstomheid. Indien er sprake is van slechtziendheid en hardhorendheid en betrokkene niet door eigen hulpmiddelen (bijvoorbeeld een bril of hoorapparaat) alsnog voldoende gezichts- of hoorvermogen krijgt om de toets af te leggen, is betrokkene ook vrijgesteld.

Tevens kan onder meer gedacht worden aan een ernstig spraakgebrek dat de menselijke communicatie verhindert en het afleggen van het basisexamen met behulp van de spraakherkenningscomputer blijvend onmogelijk maakt. In dergelijke gevallen is het blijvend onmogelijk om te gaan voldoen aan het inburgeringsvereiste en daarmee voor toelating tot Nederland.

Betrokkene dient zelf aan te tonen dat hij in aanmerking komt voor de ontheffing. In geval van een lichamelijke of geestelijke belemmering volgt de hierna beschreven procedure.

Registratieformulier, toestemmingsverklaring en vragenformulier

De verzoeker verklaart op de Nederlandse diplomatieke en/of consulaire vertegenwoordiging dat hij blijvend niet in staat is het basisexamen inburgering buitenland te doen vanwege een lichamelijke of geestelijke belemmering. Hiertoe is model (bijlage 19 VV, ontheffing inburgering, artikel 3.10 VV) beschikbaar. Het door de arts, deskundige of specialist ingevulde standaardformulier (zie bijlage 19 VV) wordt gevoegd bij de aanvraag tot afgifte van de mvv.

Van het model vragenformulier maakt deel uit een door vreemdeling zelf te ondertekenen verklaring dat hij toestemming geeft aan de arts of deskundige die hem onderzoekt om zijn bevindingen mee te delen aan de Minister via het hoofd van de Nederlandse vertegenwoordiging.

Bij het model vragenformulier hoort het informatieblad voor de arts of deskundige (artikel 3.10 VV). Het informatieblad is onderdeel van het model vragenformulier en dient tevens door de arts of deskundige voor gezien te worden ondertekend. De verklaring wordt opgemaakt door het vragenformulier in te vullen. De arts of deskundige tekent zijn bevindingen aan op de verklaring en zendt de verklaring rechtstreeks naar de Minister via het hoofd van de post en stuurt een afschrift ervan aan de vreemdeling, dan wel geeft het afschrift aan de vreemdeling mee.

Verklaringen, opgemaakt anders dan conform dit model, worden niet geaccepteerd. Om de garantie te hebben dat het model inderdaad is ingevuld door een arts of deskundige, hecht deze een korte verklaring dienaangaande op zijn eigen brief- of receptpapier aan de ingevulde verklaring. De arts/deskundige voorziet het eigen brief- of receptpapier van zijn stempel en zijn paraaf. Voorts worden slechts geaccepteerd de verklaringen afkomstig van een door de Nederlandse diplomatieke en/of consulaire vertegenwoordiging aangewezen arts of deskundige (artikel 3.10 VV).

De Minister beoordeelt aan de hand van de bevindingen van de arts of deskundige of er wel of niet sprake is van lichamelijke of geestelijke belemmeringen, waardoor de vreemdeling blijvend niet in staat is het basisexamen inburgering af te leggen.

Onderzoek

Mocht daartoe aanleiding bestaan dan kan op aanwijzing van de IND tijdens de aanvraagprocedure de gegrondheid van het beroep op ontheffing van het basisexamen nader worden onderzocht.

Onbillijkheid van overwegende aard

Ingevolge artikel 3.71a, tweede lid, aanhef en onder d, Vb, wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet afgewezen indien de vreemdeling het basisexamen inburgering niet met goed gevolg heeft afgelegd en afwijzing van die aanvraag naar het oordeel van de Minister van BZK zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (dit is de zogenaamde hardheidsclausule). Hiervan is sprake als een combinatie van zeer bijzondere individuele omstandigheden ertoe leidt dat de vreemdeling blijvend niet in staat is om het basisexamen inburgering met goed gevolg af te leggen.

Hierbij dient de vreemdeling bovendien te kunnen aantonen die inspanningen te hebben geleverd die in redelijkheid kunnen worden gevergd om het basisexamen inburgering met goed gevolg af te leggen. Dit kan onder meer blijken uit het één of meermalen afleggen van het basisexamen inburgering, waarbij bijvoorbeeld wel een positief resultaat is behaald voor de Toets Gesproken Nederlands en de toets Kennis van de Nederlandse Samenleving, maar geen positief resultaat is behaald voor de toets Geletterdheid en Begrijpend Lezen. Deze resultaten blijken uit de op naam van de vreemdeling gestelde resultatenbrief van het Ministerie van Buza. Deze resultatenbrief ontvangt de vreemdeling van de Nederlandse vertegenwoordiging in het buitenland na het afleggen van het basisexamen inburgering en voegt de vreemdeling bij de mvv-aanvraag.

Het enkele feit dat men een of meerdere malen het examen heeft afgelegd, leidt niet tot een succesvol beroep op de hardheidsclausule.

4.7.1.3. Herkansing en geldigheidsduur

Geldigheidsduur van het examen

De geldigheid van het met goed gevolg afgelegde basisexamen inburgering is vastgesteld op één jaar (artikel 3.71a Vb). Het met goed gevolg afgelegde basisexamen inburgering is ongeldig indien het is behaald meer dan een jaar voorafgaand aan de indiening van de aanvraag.

Het positieve resultaat van het basisexamen inburgering dat is behaald vóór 1 april 2011 kan ook bij mvv-aanvragen ingediend ná 1 april 2011 worden overgelegd. Daarbij is van belang dat de mvv-aanvraag binnen een jaar nadat het basisexamen is behaald, wordt ingediend.

Zie voor herkansing artikel 3.98d Vb.

4.7.2. Het inburgeringsexamen (voortgezet verblijf)

Ingevolge artikel 16a, eerste lid, Vw kan de aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw worden afgewezen indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 Wet inburgering, niet heeft behaald.

In artikel 3.80a Vb is het inburgeringsvereiste geregeld met betrekking tot de verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’. Op grond van artikel 3.80a, eerste lid, Vb wordt een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning in een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf afgewezen, indien de aanvraag is ingediend door een vreemdeling als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, Vb, die het inburgeringsexamen niet heeft behaald. Dit is de vreemdeling die drie jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming met een persoon met niet-tijdelijk verblijfsrecht. Dit betekent dat het inburgeringsvereiste alleen van toepassing is in de gevallen genoemd in B16/3.1.1 en 3.1.2.

Overgangsregeling

De aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning wordt niet afgewezen op de grond dat de vreemdeling het inburgeringsexamen niet heeft behaald, indien de aanvraag is ingediend vóór 1 januari 2010 en de vreemdeling op dat tijdstip drie jaar houder was van een verblijfsvergunning (zie artikel 9.2, eerste lid, Besluit inburgering).

4.7.2.1. Gevallen waarin het inburgeringsvereiste niet van toepassing is

Op grond van artikel 3.80a, eerste lid, Vb wordt de verblijfsvergunning onder de beperking ‘voortgezet verblijf’ afgewezen als de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 Wet inburgering, niet heeft behaald. Dit is ingevolge artikel 3.80a, tweede tot en met vierde lid, Vb niet van toepassing indien:

  • a. de vreemdeling jonger is dan 16 jaar dan wel 65 jaar of ouder;

  • b. de vreemdeling ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven;

  • c. de vreemdeling is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste, omdat hij beschikt over een document als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, Besluit inburgering;

  • d. de vreemdeling is vrijgesteld van het inburgeringsvereiste omdat hij voldoet aan een van de criteria, genoemd in artikel 2.5, onder a tot en met c, van het Besluit inburgering;

  • e. de vreemdeling door het college van B&W is ontheven van de inburgeringsplicht omdat de vreemdeling heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen;

  • f. de vreemdeling door het college van B&W is ontheven van de inburgeringsplicht omdat het college op grond van door de vreemdeling aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen;

  • g. de vreemdeling verblijf heeft in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd is verbroken in verband met huiselijk geweld;

  • h. naar het oordeel van de Minister voor I&A blijkens een door de vreemdeling overgelegd medisch advies, van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts, vanwege een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen;

  • i. toepassing daarvan naar het oordeel van de Minister voor I&A zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Ad a.

Vreemdelingen van 16 en 17 jaar zijn niet van rechtswege vanwege hun leeftijd vrijgesteld van het inburgeringsvereiste. Vreemdelingen van 16 en 17 jaar worden echter wel op grond van de hardheidsclausule vrijgesteld van het inburgeringsvereiste (zie B1/4.7.2.3).

Ad b.

Het inburgeringsvereiste is niet van toepassing op de vreemdeling die ten minste acht jaren tijdens de leerplichtige leeftijd in Nederland heeft verbleven zijnde de periode van het vijfde tot en met het zestiende jaar. Het verblijf in Nederland tijdens de leerplichtige leeftijd blijkt op grond van artikel 2.6 Besluit inburgering uit inschrijving als ingezetene in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, dan wel uit inschrijving in de daaraan voorafgaande bevolkingsboekhouding. Voor toepassing van deze vrijstellingsrond is niet vereist dat het hierbij om een ononderbroken inschrijving van acht jaar gaat. Voorts is niet vereist dat het om acht jaar legaal verblijf in Nederland gaat.

Ad c en d.

Het gaat hier om de vreemdeling die in het bezit is van een diploma, certificaat of ander document genoemd in artikel 2.3, eerste lid, onder b tot en met l, Besluit inburgering of omdat hij voldoet aan een van de criteria, genoemd in artikel 2.5, onder a tot en met c, van het Besluit inburgering. Zie paragraaf B1/4.7.1.1 onder het kopje Niet inburgeringsplichtig vanwege diploma’s, certificaten of andere documenten voor de opsomming van de bedoelde diploma’s, certificaten of andere documenten die tot de vrijstelling kunnen leiden.

Om voor vorengenoemde vrijstellingsgrond in aanmerking te komen overlegt de vreemdeling bij de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning een gewaarmerkte kopie van het gevraagde diploma, certificaat of document. In het geval vereist is dat voor het vak Nederlands een voldoende is gehaald, overlegt de vreemdeling ook een door de onderwijsinstelling gewaarmerkte cijferlijst waaruit blijkt dat een voldoende is behaald voor het vak Nederlandse taal.

Bij twijfel of het diploma, getuigschrift of ander document vrijstelling oplevert in het kader van de Wet inburgering kan contact worden opgenomen met de Dienst Uitvoering Onderwijs.

De vreemdelingen die gedeeltelijk zijn vrijgesteld op grond van artikel 2.4 Besluit inburgering vallen hier uitdrukkelijk niet onder. De vreemdelingen die slechts gedeeltelijk van de inburgeringsplicht zijn vrijgesteld en de resterende examens (nog) niet hebben behaald, hebben het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 Wet inburgering dan ook nog niet behaald. Ingevolge artikel 14 Wet inburgering is het inburgeringsexamen behaald, ingeval van gedeeltelijke vrijstelling, indien de overige daartoe behorende examens met goed gevolg zijn afgelegd. Ten bewijze dat het inburgeringsexamen is behaald, wordt een diploma uitgereikt (artikel 14, tweede lid, Wet inburgering).

Ad e.

In artikel artikel 3.80a, tweede lid, onder d, Vb is de doorwerking geregeld van de gemeentelijke ontheffing dat de vreemdeling wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Inburgeringsplichtige vreemdelingen worden op deze grond door het college van B&W van de inburgeringsplicht ontheven (zie artikel 6, eerste lid, Wet inburgering), nadat een onafhankelijke arts terzake een medisch advies heeft uitgebracht (zie artikel 2.8 Besluit inburgering). Deze beslissing van het college heeft dus ook tot gevolg dat het inburgeringsvereiste niet wordt gesteld in het kader van de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning. De verleende ontheffing blijkt uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W. De beschikking is op de dag van indiening van de aanvraag niet ouder dan drie jaar.

Ad f.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, Wet inburgering kan het college van B&W de vreemdeling ontheffing verlenen van de inburgeringsplicht, indien het college op grond van door de inburgeringsplichtige aantoonbaar geleverde inspanningen tot het oordeel komt dat het voor hem redelijkerwijs niet mogelijk is het inburgeringsexamen te behalen. Deze ontheffing werkt door in de procedure van een aanvraag om een verblijfsvergunning. De verleende ontheffing blijkt uit een afschrift van de beschikking van het college van B&W.

Ad g.

In artikel artikel 3.80a, tweede lid, aanhef en onder e, Vb wordt verwezen naar vreemdelingen (voornamelijk vrouwen), die verblijf hebben in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en wier relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd is verbroken in verband met huiselijk geweld. Aan deze groep kan voortgezet verblijf worden verleend wegens klemmende redenen van humanitaire aard (zie B16/4.2). De meeste personen binnen deze categorie zullen het inburgeringsexamen nog niet hebben behaald. Indien aan deze groep de eis van het behalen van het inburgeringsexamen gesteld wordt, zou dit in het overgrote merendeel van de gevallen leiden tot een afwijzing van de aanvraag tot wijziging van de beperking in voortgezet verblijf. Bij deze groep vallen twee subgroepen te onderscheiden. In de eerste plaats betreft het vreemdelingen, die binnen de drie jaar verblijf op basis van een afhankelijke verblijfstitel, de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd hebben verbroken en in afwachting zijn van de beoordeling of voortgezet verblijf in verband met huiselijk geweld of een combinatie van humanitaire redenen kan worden verleend. In de tweede plaats betreft het vreemdelingen die geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om na drie jaar een zelfstandige verblijfsvergunning aan te vragen en die het inburgeringsexamen nog niet hebben behaald.

De vreemdeling die verblijf heeft in Nederland op basis van een afhankelijke verblijfstitel en de relatie waarop die afhankelijke titel is gebaseerd, is verbroken in verband met huiselijk geweld (art. 3.80a, tweede lid, onder e, Vb), toont dit aan door:

  • gegevens van de politie, mits bij de politie voldoende aannemelijk is gemaakt dat het geweld heeft plaatsgevonden, of een proces-verbaal van de aangifte; èn één van de volgende eisen:

  • een verklaring van een (vertrouwens)arts of een andere hulpverlener. De vertrouwensarts hoeft niet de eigen huisarts te zijn; of

  • gegevens over verblijf in een blijf-van-mijn-lijfhuis; of

  • andere gegevens, voorzover het gaat over objectieve gegevens uit betrouwbare bron.

Ad h.

Deze ontheffingsgrond is nader uitgewerkt in paragraaf 4.7.2.2.

Ad i.

Deze ontheffingsgrond betreft de zogenaamde hardheidsclausule en is nader uitgewerkt in paragraaf 4.7.2.3.

4.7.2.2. Ontheffing vanwege een psychische of lichamelijke belemmering of verstandelijke handicap

Op grond van artikel 3.80a, derde lid, Vb kan de Minister voor I&A besluiten het inburgeringsvereiste buiten toepassing te laten, indien de vreemdeling naar het oordeel van de Minister blijkens een door de vreemdeling overgelegd medisch advies, van een door het college van B&W aangewezen onafhankelijk arts, wegens een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap blijvend niet in staat is het inburgeringsexamen te behalen. Deze bepaling heeft ten eerste betrekking op vreemdelingen die na de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van de Wet inburgering van de inburgeringsplicht waren uitgezonderd, maar aan wie in het kader van de aanvraag om een zelfstandige verblijfsvergunning alsnog het inburgeringsvereiste wordt gesteld. Uitgangspunt is dat deze vreemdelingen op dezelfde grond en wijze van het inburgeringsvereiste ontheven moeten kunnen worden als de vreemdeling wie ten tijde van de verlening van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in beginsel inburgeringsplichtig was en ontheven is van de inburgeringsplicht door het college van B&W vanwege medische omstandigheden. Deze bepaling heeft voorts betrekking op vreemdelingen die voorafgaand aan de aanvraag om een verblijfsvergunning niet door het college van B&W van de inburgeringsplicht waren ontheven (zie 4.7.2.1 onder e). Voor hen geldt hetzelfde uitgangspunt.