Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vreemdelingencirculaire 2000 (C)

Geldend van 14-03-2012 t/m 31-03-2012

Vreemdelingencirculaire 2000 (C)

1. Karakter van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

1. Bescherming

De verblijfsvergunning asiel is bedoeld voor het bieden van bescherming tegen vervolging en bepaalde onverantwoorde risico’s bij terugkeer in het land van herkomst. De bescherming is niet beperkt tot de gronden van het Vluchtelingenverdrag. De gronden waarop de verblijfsvergunning asiel kan worden verleend, worden genoemd in artikel 29 Vw (zie C2).

2. Bevoegdheid

Een asielaanvraag wordt, behoudens enkele uitzonderingen (zie C9/2), ingediend bij de Minister, die ook bevoegd is om een verblijfsvergunning asiel te verlenen, dan wel de aanvraag af te wijzen. De IND is namens de Minister belast met de beoordeling van asielaanvragen.

3. Geldigheidsduur

Op grond van artikel 3.105, eerste lid, Vb wordt de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in beginsel verleend of verlengd voor de duur van vijf jaar. Artikel 3.105, tweede lid, Vb geeft aan dat in het Vb gevallen kunnen worden aangewezen waarin de verblijfsvergunning voor minder dan vijf jaar wordt verleend of verlengd, maar schrijft daarnaast voor dat indien de vergunning wordt verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw de verlening of verlenging minimaal voor drie jaar is en dat indien de vergunning wordt verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw de verlening of verlenging minimaal voor één jaar is. Het Vb wijst vooralsnog geen gevallen aan waarin de geldigheidsduur korter dan vijf jaar is (voor de ingangsdatum zie C21/1.1).

Aan de verblijfsvergunning zijn geen voorschriften verbonden.

Nadat de vreemdeling vijf jaar rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, komt hij op grond van artikel 34 Vw in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, tenzij op het moment van verlopen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een van de weigeringsgronden van artikel 32 Vw zich voordoet dan wel indien de vreemdeling het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 13 van de Wet inburgering, niet heeft behaald en daar niet van is vrijgesteld of ontheven (zie C7 en C17).

In plaats van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, kan de vreemdeling er ook voor kiezen een aanvraag voor verlenging van verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen. In de praktijk zal van deze mogelijkheid alleen gebruik worden gemaakt wanneer de vreemdeling het inburgeringsexamen niet heeft behaald en daar niet van is vrijgesteld of ontheven en om die reden niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. De vreemdeling komt in aanmerking voor verlenging van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, tenzij zich één van de weigeringsgronden van artikel 32 Vw voordoet.

4. Arbeidsmarktaantekening

De arbeidsmarktaantekening bij de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd luidt: ‘Arbeid vrij toegestaan; TWV niet vereist’.

2. De inwilligingsgronden

1. Inleiding

Artikel 29, eerste lid, Vw bevat de gronden waarop een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend. De toepasselijkheid van deze gronden wordt getoetst in de volgorde waarin deze gronden in de wet voorkomen (zie C14/2).

2. De vreemdeling is verdragsvluchteling

2.1. Algemeen

Onder vluchtelingen worden vreemdelingen verstaan die voldoen aan de omschrijving van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. Het betreft vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land, waarin zij gegronde vrees hebben voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Een vreemdeling moet als vluchteling worden aangemerkt, zodra hij voldoet aan de hierboven genoemde criteria. De vluchteling is derhalve niet pas vluchteling op het moment van de uitspraak van de beoordelende staat. De beslissing om een vreemdeling als vluchteling te erkennen is declaratoir.

De status van vluchteling waarborgt de bescherming voortvloeiende uit het Vluchtelingenverdrag. Dat is met name de bescherming op grond van artikel 33 Vluchtelingenverdrag: de vluchteling zal niet – op welke wijze dan ook – worden teruggezonden naar een land waar zijn leven of vrijheid zou worden bedreigd wegens de in artikel 1A Vluchtelingenverdrag genoemde gronden (het gebod van non-refoulement).

Uit het Vluchtelingenverdrag vloeit niet de verplichting voort om een vluchteling een verblijfsvergunning te verlenen. Deze verplichting is echter wel geregeld in artikel 3.105b Vb.

Ingevolge artikel 33, tweede lid, Vluchtelingenverdrag kan slechts in geval van hoge uitzondering geen aanspraak worden gemaakt op de voordelen van deze bepalingIn artikel 3.105b Vb (zie ook C4/3.11.1.2) is neergelegd op welke grond een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a, van de Wet kan worden geweigerd.

2.1.1. Beoordeling feiten en omstandigheden

In artikel 3.35 VV is beschreven waar onder meer rekening mee gehouden dient te worden bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden op grond waarvan een asielzoeker in aanmerking kan komen voor vluchtelingschap. Voorts wordt ten behoeve van de toets aan geloofwaardigheid en zwaarwegendheid verwezen naar C14/2 en C14/3.

Voorzover het gaat om minderjarige asielzoekers, wordt verwezen naar de paragrafen 213 tot en met 219 van het Handboek van de UNHCR met betrekking tot procedures en criteria voor de bepaling van de vluchtelingenstatus. Deze bevatten specifieke aandachtspunten over de bepaling van vluchtelingschap van alleenstaande minderjarigen. Hierin staat onder meer dat bij de beoordeling of er sprake is van vluchtelingschap rekening moet worden gehouden met de mate van geestelijke ontwikkeling en volwassenheid van de alleenstaande minderjarige.

2.2. De uitsluitingsgronden van het Vluchtelingenverdrag

Het Vluchtelingenverdrag is op grond van artikel 1D niet van toepassing op personen die bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de VN dan de UNHCR. Wanneer deze bescherming of bijstand om welke reden dan ook is opgehouden, zullen deze personen van rechtswege onder het Vluchtelingenverdrag vallen.

Deze bepaling is van toepassing op staatloze Palestijnen die onder het mandaat vallen van de UNRWA. Deze gebieden bevinden zich in Jordanië, Libanon, Syrië en in de door Israël bezette gebieden. Het Vluchtelingenverdrag is dus niet op hen van toepassing. Deze personen komen gezien de bewoordingen van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van deze bepaling.

Indien een Palestijn zich niet meer in het mandaatgebied van de UNRWA bevindt, valt de uitsluitingsgrond van artikel 1D, eerste paragraaf, Vluchtelingenverdrag weg en is het Vluchtelingenverdrag weer van toepassing. Dit betekent echter niet dat automatisch een verblijfsvergunning asiel zou moeten worden verleend. Van betrokkene mag immers worden verwacht dat hij zich weer naar dat mandaatgebied begeeft teneinde opnieuw de bescherming van de UNRWA in te roepen.

Dit is alleen anders wanneer de vreemdeling aannemelijk kan maken dat hij niet naar UNRWA-gebied kan terugkeren omdat hij binnen het mandaatgebied van de UNRWA gegronde vrees voor vluchtelingrechtelijke vervolging heeft en hij daartegen geen bescherming van de UNRWA kan inroepen. Aan de vreemdeling kan in dat geval op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend.

Het Vluchtelingenverdrag is voorts op grond van artikel 1F niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat hij oorlogsmisdrijven of andere ernstige misdrijven heeft gepleegd. Personen op wie deze bepaling van toepassing is komen in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning in Nederland (zie C4/3.11.3).

2.3. Karakter van de vervolging

Of iemand als vluchteling moet worden beschouwd, wordt beoordeeld op individuele basis. Op grond van de specifieke bijzonderheden van het geval wordt beoordeeld of de betrokken persoon vluchteling is. Hierbij is onder andere van belang of de persoon in een voor hem gevaar opleverende mate persoonlijk de aandacht van de autoriteiten of derden heeft getrokken.

In beginsel is het mogelijk dat zich situaties voordoen waarbij een bevolkingsgroep in zijn geheel vervolging te duchten heeft. Zo'n groep kan bestaan uit leden van een bepaalde politieke partij, aanhangers van een bepaalde godsdienst, leden van een bepaalde etnische of sociale groep of van een bepaalde nationaliteit. Wanneer alle leden van zo'n groep te vrezen hebben voor vervolging, spreekt men van groepsvervolging. In Nederland is tot op heden nooit geoordeeld dat er sprake was van groepsvervolging.

Vaststelling van vluchtelingschap vindt ook in geval van groepsvervolging plaats op individuele basis.

2.3.1. Actoren van vervolging

2.3.2. Daden van vervolging

Allereerst wordt verwezen naar artikel 3.36 VV.

Discriminatie door de autoriteiten en/of door medeburgers kan onder omstandigheden als daad van vervolging worden aangemerkt. Hiervan is sprake indien de ondervonden discriminatie een dusdanig ernstige beperking van de bestaansmogelijkheden oplevert dat het onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te kunnen functioneren.

Indien discriminatie leidt tot uitsluiting van medische zorg, kan er sprake zijn van vluchtelingschap. Dit is het geval indien de vreemdeling aannemelijk maakt dat:

  • a. hij bij terugkeer naar het land van herkomst (geheel of gedeeltelijke) uitsluiting van medische zorg te duchten zal hebben;

  • b. deze uitsluiting plaatsvindt op één van de verdragsrechtelijke vervolgingsgronden; en

  • c. hierdoor voor hem ernstige medische consequenties zullen ontstaan.

ad b

Het gaat hier om een asielrechtelijke toets. Om die reden kan enkel de uitsluiting op discriminatoire gronden leiden tot vluchtelingschap. Deze toets houdt dan ook geen verband met de vraag naar de feitelijke toegankelijkheid van adequate medische zorg in het herkomstland noch met de vraag naar de beschikbare behandelmogelijkheden in het land van herkomst.

ad c

Van ernstige medische consequenties is sprake, indien de onthouding van medische zorg voor de vreemdeling levensbedreigend zal zijn, dan wel invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade zal veroorzaken. Dit is hetzelfde criterium als dat van de medische noodsituatie (zie B8/2.1). Voor de procedurele aspecten bij de adviesaanvraag, zie B8/3.

2.3.3. Actoren van bescherming

Vervolging wordt alleen aangenomen als de asielzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat de staat, of partijen of (internationale) organisaties in het land geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de vervolging, zie artikel 3.37c VV ( zie ook C4/2.2).

2.3.4. Binnenlands vluchtalternatief

De asielzoeker, van wie is vastgesteld dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft, komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel, indien is vastgesteld dat hij zich aan die vervolging kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen (zie C4/2.3).

2.3.5. Individualiseringsvereiste/groepsvervolging

Groepsvervolging

In het geval een groep in een land van herkomst systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van (gewelds)daden van ernstige mensenrechtenschendingen om redenen van ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep is er sprake van groepsvervolging. Indien sprake is van een dergelijke situatie voor een specifieke groep zal dat in het landgebondenbeleid worden opgenomen. Er zal niet snel sprake zijn van een situatie waarbij een hele groep systematisch wordt blootgesteld.

In het geval van groepsvervolging zal voor een vreemdeling die zich beroept op het behoren tot deze groep het individualiseringsvereiste beperkt zijn. De vreemdeling dient slechts aannemelijk te maken dat hij tot deze groep behoort.

Individuele basis

Indien geen sprake is van groepsvervolging wordt op individuele basis beoordeeld of iemand als vluchteling moet worden beschouwd. Op grond van de specifieke bijzonderheden van het geval wordt beoordeeld of de betrokken vreemdeling vluchteling is.

Risicogroep

Personen die behoren tot een bevolkingsgroep die in het landgebonden asielbeleid is aangewezen als een risicogroep kunnen reeds met geringe indicaties aannemelijk maken dat hun gestelde problemen om redenen van één van de vervolgingsgronden leiden tot een gegronde vrees voor vervolging. Het individualiseringsvereiste blijft van toepassing. (zie C14/3.6).

Een groep kan als risicogroep worden aangewezen als blijkt dat vervolging van personen behorend tot deze groep in het land van herkomst voorkomt. Het hoeft daarbij niet te gaan om systematische vormen van vervolging. Ook indien de vervolging een meer incidenteel karakter heeft, kan aanwijzing als risicogroep aan de orde zijn.

2.4. Land van herkomst

Onder ‘land van herkomst’ wordt verstaan het land waarvan de vreemdeling de nationaliteit heeft.

Indien de vreemdeling door geen enkel land als onderdaan wordt erkend, moet hij worden aangemerkt als staatloze. In dat geval dient, vóór de beoordeling of betrokkene gegronde vrees voor vervolging heeft in het land van herkomst, eerst het land van herkomst te worden vastgesteld.

Als land van herkomst van een staatloze dient te worden aangemerkt een land waar de staatloze persoon heeft verbleven en dat vanwege de aard en duur van het verblijf en de banden die die persoon met het land heeft, kan worden gezien als zijn gebruikelijke verblijfplaats (‘Country of former habitual residence’). Bepalend hiervoor is de vraag of de vreemdeling in het betreffende land het centrum van zijn activiteiten (werk, wonen, familie) heeft.

2.5. Discriminatie als vervolging [Vervallen per 01-01-2012]

2.5.1. Algemeen [Vervallen per 01-01-2012]

2.5.2. Discriminatoire uitsluiting van noodzakelijke medische zorg [Vervallen per 01-01-2012]

2.6. Refugiés sur place

De vrees voor vervolging hoeft niet altijd aanwezig te zijn op het moment dat iemand zijn land verlaat. Een persoon die geen vervolging te vrezen had op het moment dat hij zijn land van herkomst verliet, maar op een later tijdstip tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst vluchteling wordt, heet refugié sur place. Er zijn twee mogelijke omstandigheden die iemand tot refugié sur place maken.

Ten eerste kan iemand een refugié sur place worden, doordat tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst de omstandigheden in het land van herkomst zich zodanig wijzigen, bijvoorbeeld door een machtswisseling, waardoor hij bij terugkeer gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag (zie artikel 3.37b, eerste lid, VV).

Ten tweede is het mogelijk dat iemand ten gevolge van zijn eigen activiteiten buiten het land van herkomst, bijvoorbeeld door het deelnemen aan demonstraties gericht tegen het eigen regime, het aanbieden van petities aan de ambassade van zijn land, of het publiceren van kritische stukken over de politieke situatie in zijn land, gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging als hij naar dat land zou terugkeren.

Deze activiteiten kunnen met name aanleiding zijn voor statusverlening als het gaat om een voortzetting van het gedrag dat in het land van herkomst aanleiding had kunnen geven tot moeilijkheden, dus een voortzetting van activiteiten die de asielzoeker in het land van herkomst heeft ontplooid (zie artikel 3.37b, tweede lid, VV). De continuïteit van de gedragingen is geen absoluut vereiste om aangemerkt te worden als refugié sur place.

Voor het verlenen van een vergunning op deze grond geldt als voorwaarde dat de autoriteiten in het land van herkomst van de hier bedoelde activiteiten op de hoogte zijn of kunnen geraken en dat het bekend zijn van deze activiteiten een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag oplevert.

2.7. Beoordeling elementen vervolgingsgronden

Voor de elementen waarmee rekening gehouden dient te worden bij de beoordeling van de vervolgingsgronden wordt verwezen naar artikel 3.37 VV.

2.7.1. Godsdienst

In aanvulling op het bepaalde in artikel 3.36 VV kan vervolging om reden van godsdienst zich ook nog op andere manieren voordoen, denk bijvoorbeeld aan het verbod op godsdienstuitoefening en godsdienstonderwijs en ernstige discriminerende maatregelen tegen personen met een bepaalde godsdienstige overtuiging.

Er bestaat geen verplichting om een vreemdeling bescherming te bieden op grond van het Vluchtelingenverdrag indien de betreffende vreemdeling in zijn/haar land van herkomst zijn godsdienst niet op gelijke wijze kan uitoefenen als hier te lande. Een enkele beperking of ingreep in de vrijheid van godsdienst zal daarom op zichzelf niet snel als daad van vervolging worden aangemerkt. Slechts indien er sprake is van ernstige schending van de godsdienstvrijheid is er sprake van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Of er sprake is van een ernstige schending zal afhangen van het specifieke geval en zal moeten worden beoordeeld tegen de achtergrond van hetgeen uit openbare bronnen bekend is over de situatie van aanhangers van een bepaalde godsdienst.

Van personen die in het land van herkomst een (minderheids)godsdienst aanhangen wordt niet verlangd dat zij deze verborgen houden. Wel kan van de vreemdelingeen bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht om daden van vervolging te voorkomen, o.a. wat betreft het actief willen uitoefenen van bekeringsactiviteiten in het land van herkomst.

2.7.2. Politieke overtuiging

Bijzondere aandachtspunten als de asielzoeker een vrouw is

Indien de asielaanvrager een vrouw is, kan het overtreden van seksediscriminerende sociale gebruiken, religieuze voorschriften of culturele normen voor vrouwen of het overtreden van strafbepalingen die in zichzelf in strijd zijn met de universele mensenrechten, worden opgevat als het uiten van een bepaalde politieke overtuiging.

(Politiek) Verzet tegen genitale verminking kan onder bepaalde omstandigheden leiden tot de conclusie dat sprake is van vluchtelingschap.

Indien er een reëel risico is op genitale verminkingen zonder dat dit leidt tot de conclusie dat er sprake is van verdragsrechtelijke vervolging, is C2/3.2 van toepassing.

2.8. Politieke overtuiging [Vervallen per 01-10-2011]

2.9. Nationaliteit en ras [Vervallen per 01-10-2011]

2.10. Sociale groep

2.10.1. Algemeen

In artikel 3.37, eerste lid, onder d, VV is opgenomen onder welke omstandigheden een groep wordt geacht een ‘specifieke sociale groep’ te vormen. Deze omschrijving functioneert als restcategorie ten opzichte van de overige vervolgingsgronden in het Vluchtelingenverdrag.

2.10.2. Gender (gerelateerde aspecten)

Vervolging van homoseksuelen

Indien een asielzoeker zich erop beroept dat hij of zij problemen heeft ondervonden als gevolg van zijn of haar homoseksuele geaardheid, kan dit onder omstandigheden leiden tot de conclusie dat betrokkene vluchteling is in de zin van het Verdrag.

Indien er sprake is van een bestraffing op basis van een strafbepaling die alleen betrekking heeft op homoseksuelen, is dit een daad van vervolging. Dit is bijvoorbeeld het geval indien het homoseksueel zijn of het uiten van specifiek homoseksuele gevoelens strafbaar is gesteld. De enkele strafbaarstelling van homoseksualiteit of homoseksuele handelingen in een land leidt evenwel niet zonder meer tot de conclusie dat een homoseksueel uit dat land vluchteling is. De asielzoeker moet aannemelijk maken dat hij persoonlijk een gegronde reden heeft om te vrezen voor vervolging en dat er sprake is van een bestraffingsmaatregel van een zeker gewicht. Zo zal een enkele boete veelal onvoldoende zijn om te concluderen dat er sprake is van vluchtelingschap.

Van personen met een homoseksuele voorkeur wordt niet verlangd dat zij deze voorkeur verborgen houden.

Ten slotte geldt dat het inroepen van de bescherming van de autoriteiten niet wordt verlangd in de gevallen waarin homoseksualiteit of homoseksuele handelingen strafbaar zijn in het land van herkomst.

Sekse

Sekse kan niet het enige criterium zijn op grond waarvan wordt geconcludeerd dat sprake is van het behoren tot een ‘bepaalde sociale groep’. Vrouwen in het algemeen vormen niet een bepaalde sociale groep, omdat zij als sociale groep te divers van samenstelling zijn. In het asielbeleid is het individualiseringsvereiste het uitgangspunt.

2.11. Bijzondere aandachtspunten als de asielzoeker een vrouw is [Vervallen per 01-10-2011]

2.12. Vervolging wegens dienstweigering of desertie

Strafvervolging wegens het ontduiken van dienstplicht wordt in beginsel niet gekwalificeerd als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag.

In een aantal gevallen kan dienstweigering of desertie leiden tot vluchtelingschap. Het UNHCR Handboek heeft deze gevallen beschreven in de paragrafen 168 tot en met 172. In het beleid is de volgende lijn uitgezet.

Het enkele feit dat een vreemdeling dienst heeft geweigerd of is gedeserteerd en hiervoor bestraffing te duchten heeft, is op zichzelf niet voldoende om te concluderen dat de betrokken vreemdeling vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook de enkele angst om te worden ingezet in een gewapend conflict is hiervoor niet voldoende.

Een dienstweigeraar of deserteur is vluchteling indien hij:

  • a. vanwege zijn ras, religie, nationaliteit, zijn lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging gegronde vrees heeft voor onevenredige of discriminatoire bestraffing of tenuitvoerlegging van de straf wegens dienstweigering of desertie of als hij vanwege (één van) de in de aanhef van deze categorie genoemde redenen gegronde vrees heeft voor andere discriminatoire behandeling dan bovenmatige bestraffing of tenuitvoerlegging van een straf;

  • b. tot zijn weigering komt doordat hij ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft op grond van zijn godsdienstige of een andere diepgewortelde overtuiging die zijn dienstweigering of desertie voorschrijven en er in zijn land van herkomst geen mogelijkheid is om ter vervanging van militaire dienst een niet-militaire dienstplicht te vervullen;

  • c. is gekomen tot dienstweigering of desertie, omdat hij niet betrokken wenst te worden bij een (soort) militaire actie die is veroordeeld door de internationale gemeenschap als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag of die in strijd is met fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. Dit geldt ook indien hij tot desertie of dienstweigering heeft besloten, omdat hij gegronde vrees heeft in een conflict te worden ingezet tegen zijn eigen volk of familie.

ad a

Bij deze categorie is de dienstweigering of desertie niet de oorzaak van de vervolging. De oorzaak is gelegen in de omstandigheid dat de asielzoeker behoort tot een van de genoemde groeperingen. De dienstweigering of desertie is slechts een aanleiding om tot vervolgingsmaatregelen over te gaan.Het enkele feit dat de dienstweigering wordt bestraft, leidt hier dan ook niet tot de conclusie dat de asielzoeker vluchteling is. Het gaat om dat gedeelte van de bestraffing (hetzij een verhoogde strafmaat, hetzij een verzwaarde tenuitvoerlegging) waarin tot uiting komt dat hier sprake is van een discriminatoire maatregel of een andere vervolgingshandeling, die in andere gevallen niet wordt opgelegd. Vervolging wegens het behoren tot een van deze groeperingen leidt ook in het algemene vluchtelingenrecht al tot de conclusie dat de asielzoeker vluchteling is. Het is in deze gevallen dus ook mogelijk dat de vervolging langs andere weg dan via bestraffing wegens dienstweigering of desertie tot uiting komt en dat de asielzoeker op grond daarvan als vluchteling moet worden aangemerkt.

ad b

Bij deze categorie gaat het om een evenwicht tussen het onvervreemdbare recht van een staat om zich te verdedigen en het eveneens onvervreemdbare recht van het individu op gewetensvrijheid. Dit evenwicht kan daaruit blijken dat aan het individu de mogelijkheid wordt geboden om een vervangende, niet-militaire dienstplicht te vervullen.

Indien die mogelijkheid in het land van herkomst niet wordt geboden, kan een gedwongen vervulling van de dienstplicht, ofwel de bestraffing van de dienstweigering of desertie, leiden tot vluchtelingschap, indien de asielzoeker ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft tegen de vervulling van de dienstplicht.

Bij de beoordeling of er sprake is van vluchtelingschap is bij deze categorie niet vereist dat er sprake is van een discriminatoire of onevenredige bestraffing zoals genoemd onder a. Immers, in dit geval is er sprake van een inbreuk op de gewetensvrijheid van het individu die tot vluchtelingschap kan leiden. Zoals ook met betrekking tot andere vervolgingsgronden het geval is, moet er wel sprake zijn van een bestraffingsmaatregel van een zeker gewicht. Zo is een enkele boete onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van vluchtelingschap.

De categoriebeschrijving geeft aan dat het moet gaan om ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren (zie het UNHCR Handboek, paragraaf 170, aangeduid als ‘valid reasons of conscience’) op grond van een godsdienstige of een andere diepgewortelde overtuiging. De asielzoeker moet dus kunnen aangeven op welke (geloofs)overtuiging hij zijn gewetensbezwaren baseert en waarom deze overtuiging zijn dienstweigering of desertie voorschrijft. De gewetensbezwaren dienen zich te richten tegen het gebruik van geweld in het algemeen. Vanzelfsprekend mogen aan een goed geschoold persoon hogere eisen worden gesteld over de wijze waarop dit wordt onderbouwd dan aan een zeer jeugdig of ongeletterd persoon.Een en ander dient te worden gekoppeld aan de resoluties van de Mensenrechtencommissie van de VN 1987/146, 1989/59 en 1991/65, waarin wordt erkend dat het hebben van gewetensbezwaren tegen militaire dienst een legitieme uitoefening is van het recht op denken, geweten en godsdienst als neergelegd in artikel 18 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

ad c

Hier is eigenlijk sprake van twee subcategorieën: er is sprake van een militaire actie die ofwel is veroordeeld door de internationale gemeenschap als strijdig met de grondbeginselen van humaan gedrag, ofwel in strijd is met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict.

Voor wat betreft de eerste subcategorie gelden als veroordeling door de internationale gemeenschap een veroordeling door de Veiligheidsraad, de Algemene Vergadering van de VN of de Algemene Raad/Raad van Ministers van de EU. Een resolutie van het Europees Parlement en een verklaring van de Secretaris-Generaal van de VN kunnen niet als zodanig worden beschouwd. Een dergelijke veroordeling dient te bevatten dat de militaire actie als zodanig als onrechtmatig wordt aangemerkt.

Voor de beoordeling of een militaire actie behoort tot de tweede subcategorie is een dergelijke internationale veroordeling niet vereist. Hier moet zijn vastgesteld dat de betreffende militaire actie systematisch strijd oplevert met de fundamentele normen die gelden tijdens een gewapend conflict. Met deze fundamentele normen wordt in de eerste plaats gedoeld op de Geneefse Verdragen van 1949, met name het gezamenlijk artikel 3 van deze Verdragen en de twee Protocollen bij deze Verdragen van 1977.Zo’n vaststelling kan worden gedaan door de Veiligheidsraad of in mindere mate, de Algemene Vergadering van de VN of een daartoe bevoegde rechtbank, zoals het Internationaal Gerechtshof in 's-Gravenhage, het Joegoslavië-tribunaal of het Rwanda-tribunaal.

Indien aannemelijk is dat bestraffing zal plaatsvinden omdat de asielzoeker geweigerd heeft aan een dergelijke militaire actie deel te nemen, of omdat hij de eerst mogelijke gelegenheid heeft aangewend om te deserteren, kan dit leiden tot de conclusie dat hij vluchteling is. Wel dient te worden nagegaan of de asielzoeker, voordat hij deserteerde, zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag.

Indien de asielzoeker zich erop beroept dat hij niet wenst te worden ingezet in een conflict tegen het volk waarvan hij deel uitmaakt, wordt dit meegewogen bij de beoordeling of er ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren zijn, zoals onder b beschreven. De enkele inzet tegen eigen volk of familie is dus onvoldoende voor de erkenning als vluchteling. Het bestaan van de ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren tegen de inzet tegen eigen volk dienen te blijken uit (al dan niet politieke) activiteiten van de vreemdeling.

2.13. Als de UNHCR de vreemdeling heeft erkend als vluchteling

Op basis van artikel 35 Vluchtelingenverdrag werkt Nederland samen met de UNHCR op het terrein van de vluchtelingenbeleid. De verplichting van artikel 35 van het Verdrag behelst geen plicht om de UNHCR-standpunten te volgen. Nederland heeft een eigen bevoegdheid inzake de statusbepaling en de beslissing of een verblijfsvergunning wordt verleend.

Indien de vreemdeling reeds door de UNHCR als vluchteling is erkend, wordt bezien of deze erkenning categoriaal of individueel heeft plaatsgevonden en in hoeverre de situatie in het land van herkomst inmiddels is gewijzigd.

Overigens zal in een zaak waarin een individuele verklaring door de UNHCR is gegeven ook altijd een individuele toets plaatsvinden, waarbij gewijzigde omstandigheden in het land van herkomst sinds de mandaatverklaring worden meegewogen.

Indien de vertegenwoordiging van de UNHCR in Nederland van mening is dat de vreemdeling thans op grond van diens individueel asielrelaas vluchteling is, wordt hij niet verwijderd naar het land van herkomst. Dit dwingt niet tot verlening van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling. Verwijdering naar een ander land, bijvoorbeeld op basis van artikel 30, onder a of d, Vw of artikel 31, tweede lid, onder h of i, Vw, blijft tot de mogelijkheden behoren.

2.14. Verzoeken om asiel op diplomatieke posten in het buitenland

Indien een vreemdeling zich voor asielrechtelijke bescherming meldt op een Nederlandse post buiten zijn land van herkomst is het volgende van toepassing.

In de Vw is de vluchtelingendefinitie gelijk aan die van het Vluchtelingenverdrag. Onder het Vluchtelingenverdrag kan iemand die zich in het land van herkomst bevindt de jure niet als vluchteling worden erkend.

Een vreemdeling die zich in een derde land bevindt, kan in het voorkomende geval wel onder de vluchtelingendefinitie van het Vluchtelingenverdrag vallen. Het uitgangspunt is thans echter dat de vreemdeling niet voor bescherming in Nederland in aanmerking komt. De vreemdeling dient zich namelijk voor het verkrijgen van bescherming in eerste instantie te wenden tot de autoriteiten van het land waar hij zich bevindt. De meeste landen zijn partij bij het Vluchtelingenverdrag en zullen deze bescherming kunnen bieden. Indien blijkt dat dit niet mogelijk is, dient de vreemdeling zich te wenden tot de UNHCR ten behoeve van statusdeterminatie. In het geval er geen vestiging van de UNHCR is, kan de vreemdeling zich wenden tot de UNDP, die contact legt met de UNHCR elders. Indien UNHCR de aanvrager als mandaatvluchteling beschouwt, wordt betrokkene beschermd. Zo nodig kan UNHCR de overkomst van de vluchteling aanvragen bij de autoriteiten van een ander land dat is aangesloten bij het programma van UNHCR voor hervestiging. Nederland heeft voor deelname aan dit programma een quotumregeling ingesteld (zie C10/3.3). In het andere geval komt de vreemdeling kennelijk geen verdragsbescherming toe.

2.15. Commune delicten

Er is sprake van een commuun delict, indien de asielzoeker in zijn land van herkomst een strafbepaling heeft overtreden die niet kan worden herleid tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag.

Bestraffing wegens commune delicten leidt in het algemeen niet tot de conclusie dat de asielzoeker verdragsvluchteling is. Wel moet steeds worden onderzocht of er sprake is van onevenredige of discriminatoire bestraffing van een bepaald gewicht die verband houdt met de gronden in het Vluchtelingenverdrag. Zie ook 3.36, eerste lid, VV.

Verlening van een verblijfsvergunning asiel kan worden geweigerd, als het gepleegde delict een afwijzingsgrond vormt in de zin van artikel 31, tweede lid, onder k, Vw.

3. Foltering of onmenselijke behandeling

3.1. Algemeen

3.1.1. Inleiding

Op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw kan een verblijfsvergunning worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

  • doodstraf of executie;

  • folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

  • ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

Deze bepaling van nationaal recht is vastgesteld op basis van artikel 15 van de richtlijn (2004/83/EG) en heeft ook betrekking op artikel 3 van het EVRM en de daarop gebaseerde jurisprudentie van het EHRM.

De verwijdering naar een land waar iemand een voorzienbaar en reëel risico loopt aan een onder artikel 29, eerste lid, onder b, Vw genoemde behandeling te worden onderworpen, vormt een schending van artikel 3 EVRM. De enkele mogelijkheid van schending is onvoldoende.

Een reëel risico voor een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw hoeft niet altijd aanwezig te zijn op het moment dat iemand zijn land verlaat. Het kan zijn dat het reële risico pas bestaat tijdens het verblijf in het buitenland, dan wel pas ontstaat bij de voorgenomen terugkeer naar het land van herkomst. Op grond van artikel 3.37b VV kan in die gevallen aanleiding bestaan om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.

Aan een persoon die op grond van vorengenoemde bepaling in aanmerking komt voor bescherming, wordt een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw verleend. Slechts in geval van uitzondering mag hiervan worden afgeweken, zie artikel 3.105e Vb (zie ook C4/3.11.1.3).

3.1.1.1. Beoordeling feiten en omstandigheden

In artikel 3.35 VV is beschreven waar onder andere rekening mee gehouden dient te worden bij de beoordeling van de feiten en omstandigheden op grond waarvan een asielzoeker in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.

Voorts wordt ten behoeve van de toets aan geloofwaardigheid en zwaarwegendheid verwezen naar C14/2 en C14/3.

3.1.2. Actoren van behandeling

In artikel 3.37a VV is opgesomd door welke actoren onder meer de in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw genoemde behandelingen kunnen plaatsvinden.

3.1.3. Actoren van bescherming

Verwezen wordt naar artikel 3.37c VV. Een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw wordt alleen aangenomen als de asielzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat de staat, of partijen of (internationale) organisaties in het land geen bescherming kunnen of willen bieden tegen de bedoelde behandeling (zie ook C4/2.2).

3.1.4. Binnenlands vestigingsalternatief

De asielzoeker, van wie is vastgesteld dat er een reëel risico bestaat op een dergelijke behandeling, komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel, indien is vastgesteld dat hij zich aan de gevreesde gebeurtenissen kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen (zie C4/2.3).

3.1.5. Individualiseringsvereiste/geweldssituatie

Om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw dient de vreemdeling aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op de hierbedoelde behandeling.

In zijn algemeenheid is het individualiseringsvereiste het uitgangpunt.

Voor de toepassing van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw is echter ook van belang dat de algemene gewelds- en mensenrechtensituatie in een land van herkomst wordt betrokken. Hoe ernstiger de situatie van (willekeurig) geweld of mensenrechtensituatie in een land van herkomst is, hoe eerder aannemelijk moet worden geacht dat de asielzoeker, gelet op de individuele feiten en omstandigheden die hij aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd en geloofwaardig zijn bevonden, bij terugkeer een behandeling te wachten staat in strijd met artikel 3 EVRM.

Artikel 29, eerste lid, onder b, Vw dient op de volgende wijze beoordeeld te worden:

  • 1. beoordeeld dient te worden of in het land van herkomst, of in een bepaald gebied in dit land, sprake is van een uitzonderlijke situatie waarin personen louter door hun aanwezigheid aldaar, een reëel risico lopen op een door dit artikel verboden behandeling;

  • 2. indien de uitzonderlijke situatie zich niet voordoet, dient beoordeeld te worden of betrokkene behoort tot een groep die systematisch een reëel risico loopt op een door dit artikel verboden behandeling;

  • 3. indien bovengenoemde situaties zich niet voordoen, dient beoordeeld te worden of betrokkene op grond van het beleid ‘kwetsbare minderheidsgroep’ in het bezit moet worden gesteld van een verblijfsvergunning;

  • 4. indien de voorgaande situaties zich niet voordoen, zal worden getoetst of betrokkene op grond van zijn persoonlijke situatie/individuele asielrelaas aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt.

ad 1

Er is sprake van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 3EVRM (en artikel 15c van de richtlijn 2004/83/EG) indien de algehele gewelds- en mensenrechtensituatie in het land van herkomst, of in een bepaald gebied in dit land zo uitzonderlijk slecht is dat voor elke vreemdeling, ongeacht de individuele omstandigheden bij terugkeer een 3 EVRM-risico aanwezig is (in de woorden van het EHRM: most extreme cases of general violence).

Elementen die in het kader van deze toets in samenhang worden gewogen zijn onder meer:

  • of de partijen bij het conflict ofwel oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten ofwel burgers als doel nemen;

  • of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;

  • of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk; en,

  • de aantallen (a) doden, (b) gewonden en (c) ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.

ad 2

In het geval een groep in een land van herkomst systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandeling komt een vreemdeling behorende tot deze groep in aanmerking voor een vergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder b,Vw. Ten aanzien van de vreemdeling die zich beroept op het behoren tot deze groep beperkt het individualiseringsvereiste zich ertoe dat de vreemdeling aannemelijk dient te maken dat hij tot deze groep behoort. Nadere, hem persoonlijk betreffende, feiten en omstandigheden behoeven vervolgens niet te worden aangetoond om te komen tot het oordeel dat hij bij terugkeer blootgesteld zal worden aan een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. In het landgebonden asielbeleid zal worden opgenomen welke groepen systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandeling.

ad 3

Een reëel en individueel risico bij terugkeer wordt – in een situatie van willekeurige geweld of van willekeurige mensenrechtenschendingen – ook aangenomen indien:

  • a. de vreemdeling behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep in zijn land van herkomst; en

  • b. hij met op zichzelf beperkte individuele indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat in samenhang daarmee een dreigende schending van artikel 3 EVRM aanwezig is.

Ad 3a.

In het landgebonden asielbeleid (zie C24) wordt aangewezen welke bevolkingsgroepen worden aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep voor zover van belang voor de beoordeling van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.

Bij de bepaling of een bevolkingsgroep moet worden aangemerkt als een kwetsbare minderheidsgroep zijn de volgende aspecten van belang; en

  • 1. is er sprake van willekeurig geweld of willekeurige mensenrechtenschendingen;

  • 2. de positie van de bevolkingsgroep in het land van herkomst.

  • 3. de mate waarin de personen van deze groep effectieve bescherming kunnen inroepen tegen dreigend geweld of mensenrechtenschending, dan wel deze personen zich hieraan effectief kunnen ontrekken door zich elders te vestigen.

Voor het onderscheid tussen risicogroepen en kwetsbare minderheidsgroepen, zie C14/3.6.

Ad 3b.

Voor het oordeel dat de vreemdeling met op zichzelf beperkte indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw, is niet vereist dat betrokkene persoonlijk een behandeling heeft ondervonden die voldoet aan de omschrijving van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.

Ook indien er sprake is van mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving van de vreemdeling bij personen die behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep, kan dit voldoende grond zijn om zulks aan te nemen. Onder mensenrechtenschendingen wordt in dit verband onder meer verstaan: moord, verkrachting, mishandeling. In deze gevallen wordt niet van de vreemdeling verlangd om aannemelijk te maken dat de betreffende mensenrechtenschendingen zijn ingegeven door het behoren tot de betreffende kwetsbare minderheidsgroep.

In beginsel wordt ervan uitgegaan dat de mensenrechtenschendingen die ten aanzien van de vreemdeling zelf of in zijn naaste omgeving hebben plaatsgevonden, voldoende grond opleveren voor het oordeel dat de vreemdeling bij terugkeer – opnieuw dan wel alsnog – een reëel risico zal lopen op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Dit uitgangspunt kan evenwel uitzondering lijden, indien er sprake is van een aanzienlijk tijdsverloop tussen de desbetreffende mensenrechtenschendingen en het vertrek uit het land van herkomst en de vreemdeling gedurende die periode geen nieuwe problemen heeft ondervonden.

Onder ‘mensenrechtenschendingen in de naaste omgeving’ wordt ook verstaan gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden in de naaste omgeving van de vreemdeling in het land van herkomst nadat de vreemdeling zelf reeds uit het land was vertrokken.

Ad 4

Ten slotte wordt beoordeeld of de vreemdeling op grond van zijn persoonlijke situatie/individuele asielrelaas aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.

Hiertoe dient de vreemdeling specifieke individuele kenmerken (special distinguishing features) naar voren te brengen, waaruit dit risico op een behandeling in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw valt af te leiden.

Ook in het kader van deze beoordeling dienen de individuele gronden die de vreemdeling naar voren heeft gebracht te worden bezien in het licht van de algehele situatie van het land van herkomst.

3.2. Genitale verminking

3.2.1. Inleiding

Genitale verminking is een handeling die leidt tot beschadiging, totale of gedeeltelijke verwijdering van de vrouwelijke uitwendige geslachtsorganen. Genitale verminking wordt door de Nederlandse overheid beschouwd als een zeer ernstige schending van de integriteit van het menselijk lichaam.

Voor de beoordeling van (politiek) verzet tegen genitale verminking, zie C2/2.6.1.2

Voor de beoordeling van personen die vrouwen genitaal verminken, of besnijden, zie C4/3.11.3.2.

3.2.2. Doelgroep

Indien een meisje in haar land van herkomst een gegronde vrees heeft voor genitale verminking, kan sprake zijn van een reëel risico van schending van artikel 3 EVRM. Gelet hierop kan zij op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Vorenstaande kan ook gelden voor in Nederland geboren meisjes, die bij terugkeer naar het land van herkomst van de ouders bedreigd worden met genitale verminking.

De ouder, die genitale verminking van zijn minderjarige dochter(s) vreest, kan eveneens in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw . De vrees bij de ouder wordt echter niet aangenomen indien blijkt dat de ouder de actor is van de hierbedoelde gevreesde handeling of deze faciliteert. De ouder wordt alleen in het bezit gesteld van een dergelijke vergunning, indien de dochter in het bezit wordt gesteld van de hier bedoelde verblijfsvergunning asiel. Bovendien dient de ouder voorafgaand aan of tegelijkertijd met de dochter Nederland te zijn ingereisd dan wel dient de dochter in Nederland te zijn geboren. Indien de ouder Nederland is ingereisd, nadat de dochter reeds in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel, dan is het reguliere toelatingsbeleid van toepassing.

Andere familieleden dan de ouder(s) komen niet voor inwilliging op grond van bovenstaand beleid in aanmerking. Kinderen uit het gezin, die zelf niet bedreigd worden met genitale verminking, kunnen eventueel wel onder de toepasselijke voorwaarden op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

3.2.3. Voorwaarden

Indien bij terugkeer sprake is van gegronde vrees voor genitale verminking, dan kan het meisje in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

  • a. er bestaat een reëel risico op genitale verminking; én,

  • b. de autoriteiten van het land van herkomst kunnen of willen geen bescherming bieden aan personen die zich verzetten tegen een dreigende genitale verminking; én,

  • c. er wordt geen vestigingsalternatief in het land van herkomst aanwezig geacht.

Indien wordt voldaan aan alle drie de voorwaarden, die hieronder nog nader worden uitgewerkt, dan kan bij terugkeer een reëel risico als bedoeld in artikel 3 EVRM worden aangenomen.

Met het oog op het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw wordt geen onderscheid gemaakt in de verschillende soorten genitale verminking.

ad a

Indien twijfel bestaat aan de geloofwaardigheid van de verklaringen met betrekking tot een dreigende genitale verminking, bestaat voor de asielzoekster de mogelijkheid om haar verklaringen nader te onderbouwen door het op vrijwillige basis overleggen van een medische verklaring, waaruit blijkt dat zij nog niet besneden is.

Dit geldt met name voor meisjes ouder dan vijftien en volwassen vrouwen, die blijkens de algemene literatuur doorgaans al besneden zijn.

ad b

Bij de beoordeling of de autoriteiten van het land van herkomst bescherming bieden tegen genitale verminking is het in de eerste plaats aan betrokkene om aannemelijk te maken dat zij al dan niet genoemde bescherming kan krijgen. Betrokkene zal derhalve moeten aangeven of zij de bescherming van de autoriteiten heeft ingeroepen en wat de reactie van de autoriteiten hierop is geweest. Indien betrokkene niet de bescherming van de autoriteiten heeft ingeroepen, dient zij aan te geven om welke redenen zij dit heeft nagelaten.

Indien uit algemene informatie, zoals uit een ambtsbericht van de Minister van BuZa, bekend is dat de autoriteiten van het land van herkomst bescherming bieden aan personen die zich verzetten tegen een dreigende genitale verminking, wordt geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend.

Daarbij is niet van belang of vrouwen verzoeken om dergelijke bescherming, maar of de autoriteiten bereid zijn de bescherming te verlenen, als daarom zou worden verzocht.

ad c

Voor de vraag of sprake is van een vestigingsalternatief, wordt de algemene informatie, zoals uit de ambtsberichten van de Minister van BuZa, meegewogen. Indien uit een ambtsbericht blijkt dat een meisje zich doorgaans aan een dreigende genitale verminking kan onttrekken door zich elders in het land van herkomst te vestigen, dan wordt in beginsel geen verblijfsvergunning asiel verleend.

Daarnaast is bij de beoordeling of sprake is van een vestigingsalternatief, het individuele relaas van het meisje (of haar ouders) van belang. Indien uit het relaas valt op te maken, dat het meisje zonder noemenswaardige problemen elders in het land heeft kunnen verblijven of zou kunnen verblijven, zonder de dreiging van genitale verminking, dan wordt geen verblijfsvergunning asiel verleend (zie C4/2.3).

3.2.4. In Nederland geboren meisjes

Meisjes, die in Nederland zijn geboren en die bij terugkeer naar het land van herkomst van de ouders bedreigd worden met genitale verminking, kunnen eveneens voor een verblijfsvergunning asiel in aanmerking komen. Het beroep op een dreigende genitale verminking kan meegenomen worden in de lopende asielprocedure of kan tijdens een nieuw asielverzoek worden aangevoerd.

In deze gevallen wordt geen toepassing gegeven aan artikel 4:6 Awb.

3.2.5. Tweede of volgende aanvragen [Vervallen per 01-10-2011]

4. In redelijkheid kan terugkeer niet worden verlangd

4.1. Inleiding

Op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw kan een verblijfsvergunning asiel worden verleend aan de vreemdeling van wie naar het oordeel van de Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, die verband houden met de redenen van het vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

Hierbij is in de eerste plaats gedacht aan de situatie dat de vreemdeling getraumatiseerd is.

Waar er wordt gesproken van traumata of traumatische ervaring, wordt gedoeld op gebeurtenissen die tot de veronderstelling leiden dat deze psychische schade berokkenen.

In de tweede plaats kunnen bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard, anders dan traumata, die verband houden met de redenen van het vertrek uit het land van herkomst en tevens verband houden met het asielrelaas, aanleiding zijn tot verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw.

Ten slotte kan in het beleid bepaald zijn dat asielzoekers die behoren tot een specifieke groep in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw. Deze groepen zullen door de Minister worden bepaald en door middel van een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer kenbaar worden gemaakt.

4.2. Traumatabeleid

4.2.1. Uitgangspunten

Het traumatabeleid is alleen van toepassing op asielaanvragen. Dit vloeit voort uit de aard en de ontstaansgeschiedenis van dit beleidsonderdeel. Het traumatabeleid beoogt bescherming te bieden aan vreemdelingen die zijn geconfronteerd met een gebeurtenis waarvan wordt aangenomen dat die als traumatiserend wordt ervaren, terwijl als gevolg van de situatie in het land van herkomst kan worden aangenomen dat daders van deze mensenrechtenschendingen in het land van herkomst ongestraft blijven. In dat geval kan van de vreemdeling niet gevergd worden terug te keren naar het land van herkomst. Daarmee beschermt het traumatabeleid de vreemdeling tegen de confrontatie met de ongestraft gebleven daders.

De grondslag van dit beleid is derhalve niet het (al dan niet medisch aangetoonde) trauma van de vreemdeling, maar de gebeurtenis in relatie tot de feitelijke situatie in het land van herkomst. Het betreft zowel traumatische ervaringen die zijn veroorzaakt van overheidswege, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan, of door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden.

4.2.2. Bewijslast

De betrokken asielzoeker zal de aangevoerde gebeurtenissen, die tot een veronderstelde traumatische ervaring leiden, aannemelijk moeten maken. Tevens zal aannemelijk moeten zijn dat de gestelde gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor het vertrek van de betrokken asielzoeker uit het land van herkomst. Voor de aannemelijkheid van dit causale verband biedt de termijn waarbinnen de betrokkene het land heeft verlaten een belangrijk aanknopingspunt. In beginsel geldt hiervoor het uitgangspunt dat de betrokken asielzoeker binnen zes maanden na deze gebeurtenissen het land van herkomst dient te hebben verlaten.

Hieraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat bij een later vertrek de betrokken asielzoeker zich blijkbaar heeft kunnen handhaven in het land van herkomst en daarom van hem of haar gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst. De termijn van zes maanden vormt hiermee een omslagpunt in de bewijslastverdeling: bij een vertrek na zes maanden zal een vergunning op grond van het traumatabeleid in beginsel worden geweigerd, tenzij de betrokken asielzoeker aannemelijk maakt dat er wel degelijk een verband is tussen de gebeurtenis en het vertrek. De betrokkene zal daarvoor feiten en omstandigheden aannemelijk dienen te maken waaruit blijkt dat de betrokkene het land van herkomst niet eerder heeft kunnen verlaten. Daarbij geldt dat naarmate de gebeurtenissen een ernstiger karakter hebben en het asielrelaas van de betrokkene aannemelijker is, een zwaardere onderzoeksplicht rust op de behandelend ambtenaar van de IND met betrekking tot de vraag of er feiten en omstandigheden waren waardoor de betrokkene het land van herkomst niet binnen zes maanden na het plaatsvinden van de gestelde gebeurtenis kon verlaten.

Een positieve wisseling van het regime speelt geen rol bij de beoordeling van een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indien het vertrek heeft plaatsgevonden op een datum die gelegen is binnen zes maanden na de traumatische gebeurtenis. Bij een vertrek op een datum, gelegen zes maanden of later na de traumatische gebeurtenis, zal een wisseling van het regime in het land van herkomst na die traumatische ervaring wel een rol spelen. Immers, dan zal de asielzoeker het causale verband tussen de traumatische gebeurtenis en het vertrek uit het land van herkomst nog minder snel aannemelijk kunnen maken.

4.2.3. Traumatische ervaringen

De volgende gebeurtenissen kunnen aanleiding geven tot verblijfsaanvaarding:

  • a. de gewelddadige dood van naaste familieleden of huisgenoten;

  • b. de gewelddadige dood van andere verwanten of vrienden wanneer betrokkene aannemelijk maakt dat een hechte relatie bestond tussen de overledene en betrokkene;

  • c. substantiële niet-strafrechtelijke detentie;

  • d. marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van betrokkene;

  • e. het getuige zijn van marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van naaste familieleden of huisgenoten;

  • f. het getuige zijn van marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van andere verwanten of vrienden wanneer betrokkene aannemelijk maakt dat er een hechte relatie bestond tussen de verwante of vriend en betrokkene.

Deze opsomming is limitatief.

ad a en b

Het overlijden van vorenbedoelde personen dient aannemelijk te zijn en zo mogelijk onderbouwd (bijvoorbeeld met een overlijdensakte of andere documenten die dit overlijden aannemelijk maken).

ad c en d

De detentie en/of marteling van de betrokkene moeten aannemelijk worden gemaakt. Onder ernstige mishandeling wordt verstaan het opzettelijk toebrengen van pijn en leed dat zwaar lichamelijk of geestelijk letsel tot gevolg heeft. De definitie van marteling is opgenomen in artikel 1 van het Anti-folterverdrag.

ad e en f

De betrokken asielzoeker moet aannemelijk maken dat hij getuige is geweest van de gestelde gebeurtenis. Getuige zijn wil zeggen dat het moet gaan om het lijfelijk aanwezig zijn en zo mogelijk aanschouwen van de gebeurtenis. Een blinde of geblinddoekte asielzoeker kan de gebeurtenis niet met eigen ogen zien, maar wel door een andere zintuiglijke waarneming daarvan kennis nemen. De betrokkene zal dan aannemelijk moeten maken dat hij op deze wijze kennis heeft kunnen nemen van de gebeurtenis. Het enkele feit dat deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden zonder aanwezigheid van betrokkene valt hier dus niet onder.

4.2.4. Nadere uitwerking

Uit de verklaringen van de betrokkene moet zoveel mogelijk blijken dan wel aannemelijk zijn dat van hem in redelijkheid niet kan worden verwacht terug te keren naar het land van herkomst. Niet het trauma, maar de gestelde gebeurtenis dient aannemelijk te worden gemaakt. Het enkele feit dat op grond van een medische verklaring een PTSS is vastgesteld, is niet voldoende voor de verlening van een verblijfsvergunning op grond van het traumatabeleid.

De handelingen moeten zijn verricht van overheidswege, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan, of door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden. Bij de beoordeling van de asielaanvraag wordt niet onderzocht en beoordeeld of de specifieke daders van de betreffende gebeurtenis onbestraft zijn gebleven, maar of daders van deze handelingen in het algemeen worden bestraft in het land van herkomst. Dit kan onder meer blijken uit het bestaan van een doeltreffend systeem voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing.

De beoordeling van het asielrelaas geschiedt voorts op de gebruikelijke wijze ten aanzien van de geloofwaardigheid en aannemelijkheid daarvan. De verklaringen van betrokkene worden dan ook getoetst aan het gehele asielrelaas en aan de informatie die bekend is over de situatie en de gangbare praktijken in het land van herkomst. Daarbij geldt dat naarmate de gebeurtenis later in de procedure (in het beroepschrift, ter zitting of in hoger beroep) is aangedragen, de aannemelijkheid daarvan eerder in het geding is. De betrokkene zal opheldering moeten verschaffen over de vraag waarom deze – ingrijpende – gebeurtenis niet eerder is aangevoerd. Evenwel wordt ten aanzien van de vraag of het asielrelaas consistent is, rekening gehouden met de geestelijke gesteldheid van de betrokkene in het licht van het traumatabeleid. Een gedetailleerd asielrelaas omtrent de gebeurtenissen die traumatiserend zijn geweest, kan, hoewel het asielrelaas niet volledig consistent is, wel geloofwaardig zijn in het licht van het algehele asielrelaas en hetgeen over het algemeen bekend is over de situatie in het land van herkomst.

Naast bovengenoemde beleidsvoorwaarden voor verlening kan ook in het kader van het traumatabeleid een vestigingsalternatief worden tegengeworpen (zie C4/2.3). Daarbij moet het vestigingsalternatief zien op het feitelijke doel van het traumatabeleid, in de zin dat aangenomen kan worden dat de vreemdeling zich in het vestigingsalternatief beschermd weet tegen de confrontatie met de ongestraft gebleven daders.

Als de gebeurtenissen hebben plaatsgevonden door toedoen van de centrale overheid is in het kader van het traumatabeleid in beginsel geen plaats voor tegenwerping van een vestigingsalternatief. Dit alternatief wordt wel tegengeworpen als de feitelijke (regionale) machthebbers of groepering die de gebeurtenissen hebben veroorzaakt in andere delen van het land geen macht uitoefenen en de centrale overheid bescherming kan bieden.

De bescherming van de centrale overheid hoeft niet een specifiek op de vreemdeling gericht handelen te zijn. Het is voldoende als de positie en het handelen van de centrale overheid feitelijk voorkomt dat de daders toegang hebben tot het vestigingsalternatief. De vereisten van C4/2.3.2, onder a, b en c, zijn van overeenkomstige toepassing.

Aan het beoordelen van een asielaanvraag in het kader van het traumatabeleid wordt in elk geval niet toegekomen als er sprake is van een derdelandenexceptie en/of een contra-indicatie (zie C3). Dat wil niet zeggen dat in alle overige gevallen de asielzoeker, die als gevolg van een traumatische gebeurtenis zijn land van herkomst binnen zes maanden heeft verlaten en die – voorafgaand aan zijn komst naar Nederland – in een derde land heeft verbleven, zonder meer in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Dit verblijf in een derde land wordt in dat geval op de volgende wijze bij de beoordeling van de asielaanvraag betrokken.

Als de asielzoeker het derde land pas later dan zes maanden na zijn inreis aldaar heeft verlaten, wordt op dezelfde wijze als bij een vertrek uit het land van herkomst verondersteld dat de asielzoeker zich in het derde land heeft weten te handhaven en er geen reden was om dat land te verlaten. Bij een vertrek later dan zes maanden na de inreis in het derde land dient de asielzoeker aannemelijk te maken dat hij zich aldaar niet kon handhaven. Wedertoelating tot het derde land speelt geen rol bij de beoordeling: als terugkeer naar dat derde land niet mogelijk is dan zal terugkeer naar het land van herkomst moeten plaatsvinden. Dit is immers ook het geval indien de vreemdeling later dan zes maanden na de traumatische gebeurtenis het land van herkomst heeft verlaten. In geen van beide gevallen is er sprake van refoulement, aangezien de vreemdeling niet valt onder de bescherming van het Vluchtelingenverdrag.

4.3. Bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard

In gevallen waarin de asielzoeker individuele klemmende redenen van humanitaire aard aanvoert die verband houden met de redenen van het vertrek uit het land van herkomst en met het asielrelaas, kunnen die op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw aanleiding geven tot verlening van een verblijfsvergunning asiel. Het dient hierbij te gaan om dusdanige individuele humanitaire omstandigheden dat in redelijkheid niet kan worden verlangd dat de vreemdeling terugkeert naar het land van herkomst. Humanitaire redenen die na het vertrek uit het land van herkomst zijn ontstaan, kunnen niet leiden tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw.

De enkele omstandigheid dat de vreemdeling bijvoorbeeld een hoge leeftijd of lichamelijke klachten heeft, is onvoldoende reden om aan te nemen dat terugkeer naar het land van herkomst in redelijkheid niet kan worden verlangd. Ook de algemene humanitaire omstandigheden in het land van herkomst – zoals de omstandigheid dat het niveau van de beschikbare basisvoorzieningen naar Nederlandse maatstaven te wensen overlaat – kunnen geen reden zijn voor verlening van de verblijfsvergunning.

Een bijzondere situatie is het geval dat de vreemdeling afkomstig is uit een gebied ten aanzien waarvan is bepaald dat dit in beginsel categoriaal beschermingswaardig is, maar waarvoor dit categoriaal beschermingsbeleid niet wordt gevoerd omdat er in een ander deel van dat land een verblijfsalternatief is.

Ten aanzien van de voorwaarde dat de klemmende redenen verband dienen te houden met het vertrek uit het land van herkomst betekent deze situatie het volgende.

Een verblijfsalternatief wordt tegengeworpen omdat het beleid ervan uitgaat dat de betreffende vreemdeling zich naar het verblijfsalternatief had moeten begeven. Daar had hij zich immers kunnen onttrekken aan de algemene onveiligheid die in het categoriaal beschermingswaardige deel van het land heerst. Ten tijde van het vertrek uit het categoriaal beschermingswaardige deel zouden er evenwel klemmende redenen van humanitaire aard aanwezig kunnen zijn die er toe hebben geleid dat de vreemdeling niet naar het verblijfsalternatief kon gaan. Deze kunnen van een geheel andere aard zijn dan de redenen die hebben geleid tot het vertrek uit het categoriaal beschermingswaardige deel. Echter, in beide ligt wel de reden dat de vreemdeling niet alleen het categoriaal beschermingswaardige deel verliet, maar ook dat hij niet naar het verblijfsalternatief is gegaan. Hiermee is dan dus het verband gelegd met het vertrek uit het land van herkomst.

Van belang is dus dat de twee verschillende componenten, de redenen van vertrek uit categoriaal beschermingswaardige deel en de klemmende redenen van humanitaire aard die reden waren niet naar het verblijfsalternatief te gaan, in samenhang moeten worden gezien als redenen van vertrek uit het land van herkomst. Hiermee is dan direct ook gezegd dat klemmende redenen van humanitaire aard die na het vertrek uit het land van herkomst zijn ontstaan, niet binnen dit beleidskader vallen.

De beoordeling of de asielzoeker wegens individuele klemmende humanitaire redenen in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel vindt pas plaats nadat is vastgesteld dat de vreemdeling niet op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, Vw of het hierboven beschreven traumatabeleid in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel.

Daarnaast wordt, in het geval bij de beoordeling in het kader van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw is geoordeeld dat er voor de vreemdeling een verblijfsalternatief aanwezig wordt geacht, alsnog beoordeeld of er, conform het hierboven gestelde, gronden bestaan op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw een verblijfsvergunning te verlenen. De bewijslast hiervoor ligt bij de asielzoeker. Daarbij is de omstandigheid dat de asielzoeker geen banden heeft met het betreffende gebied of er nooit heeft verbleven op zichzelf geen reden voor verblijfsaanvaarding.

4.4. Specifieke groepen, in het landgebonden beleid aangewezen

De Minister kan in het beleid specifieke groepen aanwijzen die om andere redenen dan traumata op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, Vw in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning asiel. In dat geval zal dat in de Vc worden opgenomen.

5. Categoriale bescherming

5.1. Inleiding

Ingevolge artikel 29, eerste lid, onder d, Vw kan een verblijfsvergunning asiel worden verleend aan de vreemdeling voor wie terugkeer naar het oordeel van de Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Er bestaat geen internationale norm, verdragsrechtelijk noch gewoonterechtelijk, op basis waarvan personen enkel en alleen op grond van de algehele situatie in hun land van herkomst niet zouden kunnen worden uitgezet. De Vw biedt in artikel 29, eerste lid, onder d, Vw de mogelijkheid een persoon verblijf toe te staan, zonder dat het internationale recht daartoe noopt.

Op grond van de wet heeft de Minister een beleids- en beoordelingsvrijheid terzake van de beoordeling van de vraag of verlening dan wel beëindiging van categoriale bescherming opportuun is. Dit blijkt met name uit het gebruik van de woorden “voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn (…)”.

5.2. Indicatoren

5.2.1. Algemeen

In artikel 3.106 Vb zijn de indicatoren opgenomen die in ieder geval moeten worden betrokken in de beoordeling of er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder d, Vw. Deze indicatoren zijn:

  • de aard van het geweld in het land van herkomst (zie C2/5.2.2);

  • de activiteiten van internationale organisaties ten aanzien van het land van herkomst (zie C2/5.2.3);

  • het beleid in andere landen van de EU (zie C2/5.2.4).

Het gebruik van de indicatoren van artikel 3.106 Vb moet worden bezien in het licht van de algemene uitgangspunten die zijn genoemd in C5/1.

De weging van de verschillende indicatoren kan van geval tot geval verschillen. In een enkel geval kan zelfs één indicator voldoende zijn voor een adequaat besluit. In de volgende subparagrafen worden overwegingen aangegeven die aan de vaststelling van de weging van indicatoren ten grondslag kunnen liggen.

In ieder geval zal in de meeste gevallen de eerste indicator (de aard van het geweld) bij de oordeelsvorming van inhoudelijk groot belang zijn.

5.2.2. Aard van het geweld in het land van herkomst

Bij de bepaling of het plaatsvinden van menselijk geweld binnen een (deel van een) land aanleiding vormt een beleid van categoriale bescherming in te voeren, spelen voor wat betreft de aard van het geweld vier factoren een rol. Het gaat hier om:

  • a. de ernst van schendingen van de mensenrechten en het oorlogsrecht;

  • b. de mate van willekeur van dit geweld;

  • c. de mate waarin het geweld voorkomt;

  • d. de mate van geografische spreiding van het geweld.

Per situatie wordt bekeken in hoeverre de combinatie van de vier verschillende factoren aanleiding vormt voor een beleid van categoriale bescherming. Indien aannemelijk is dat het geweld ernstig, willekeurig, grootschalig én alomtegenwoordig is in het land van herkomst, of een deel daarvan, is een beleid van categoriale bescherming geboden.

ad a

Naarmate de mensenrechtenschendingen een ernstiger karakter hebben, in combinatie met een uitzonderlijke mate van willekeur (dat wil zeggen onvoorspelbaarheid), zal in het algemeen een beleid van categoriale bescherming eerder zijn geïndiceerd. Primair komen schendingen van fysieke integriteit hier voor in aanmerking. Het gaat dan bijvoorbeeld om marteling, verkrachting, mishandeling, buitengerechtelijke executies, verdwijningen, langdurige arbitraire detenties of situaties van slavernij. Daarnaast zijn ook schendingen van het oorlogsrecht relevant, ook wanneer zij niet direct de fysieke integriteit betreffen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het bombarderen van scholen, ziekenhuizen, woonwijken, het ontnemen van de mogelijkheid als ongewapend burger, niet-betrokken civiel persoon, te overleven door bijvoorbeeld het vernietigen van een dam of het verleggen van een waterstroom.

Daarentegen zullen verschijnselen als stelselmatige achterstelling of corruptie, hoe ernstig en wijdverspreid ook, in het algemeen geen reden kunnen vormen voor een beleid van categoriale bescherming. Overigens is het in dit verband niet van belang of bovengenoemde schendingen plaatsvinden in oorlogstijd of in vredestijd, omdat in het algemeen geldt dat, ongeacht de situatie, naarmate er meer onschuldige burgers het slachtoffer worden van deze schendingen, een beleid van categoriale bescherming eerder is geïndiceerd. Indien blijkt dat de ernst van het geweld in het algemeen vermindert, zal dit een aanwijzing vormen dat een beleid van categoriale bescherming niet langer meer hoeft te zijn geïndiceerd.

ad b

De tweede factor van belang is de mate waarin het geweld een willekeurig karakter draagt; dat wil zeggen de mate waarin het om ongericht én in beginsel onvoorspelbaar geweld gaat. Voor een beleid van categoriale bescherming dient er sprake te zijn van een uitzonderlijke mate van willekeur: de schendingen van fysieke integriteit dienen niet louter gericht te zijn op bepaalde groepen of individuen, maar in principe op iedere (onschuldige) burger.

ad c

De derde factor van belang is de mate waarin het geweld voorkomt. Naarmate willekeurige schendingen van fysieke integriteit frequenter voorkomen, is een beleid van categoriale bescherming eerder geïndiceerd. Van belang hierbij is dat de grootschaligheid van het geweld het risico dat een persoon er slachtoffer van wordt, beïnvloedt. Willekeur en grootschaligheid moeten in nauwe onderlinge samenhang worden bezien. Hierbij kunnen twee gevallen worden onderscheiden: een extreem repressief regime en een land in (burger)oorlog.

Wanneer repressie dusdanige grootschalige vormen aanneemt, zelfs als willekeur in de repressie ontbreekt, kan een beleid van categoriale bescherming geïndiceerd zijn. Het is buitengewoon moeilijk om in zijn algemeenheid aan te geven waar de grens ligt tussen een repressief regime dat wel én een repressief regime dat niet aanleiding kan geven tot een beleid van categoriale bescherming. Van belang is het algemene beeld dat oprijst uit de beschrijving van de mensenrechtensituatie ten aanzien van de burgerlijke en politieke vrijheden in het land, de ernst van de inbreuken die het regime zich op dit punt permitteert en de mate waarin dit geweld zich tot een geïnstitutionaliseerd geweld heeft ontwikkeld. Voor dit beeld moet niet altijd louter naar absolute maar ook naar relatieve waarden worden gekeken. Hoe afschuwwekkend grote aantallen schendingen van de mensenrechten ook zijn, in een land tientallen malen groter dan Nederland en met een veel grotere bevolking kan het uiteindelijk gaan om een relatief en geïsoleerd verschijnsel, waardoor een beleid van categoriale bescherming voor alle naar Nederland komende personen afkomstig uit een dergelijk land, geenszins (meer) hoeft te zijn geïndiceerd. In deze gevallen zal eerder een ruimhartig toelatingsbeleid uitkomst moeten bieden.

Het tweede geval betreft een land in (burger)oorlog. In het algemeen is het enkele bestaan van (burger)oorlog onvoldoende reden voor een beleid van categoriale bescherming. Het criterium van de bijzondere hardheid is niet formeel van aard (afkondiging van de staat van beleg, de staat van oorlog of het bestaan van een enige vorm van gewapend conflict), maar materieel van aard (te weten de vraag of risico's die bij terugkeer mede voortvloeien uit het bedoelde gewapend conflict uit humanitair/oorlogsrechtelijk oogpunt onverantwoord zijn). Er is in het algemeen pas aanleiding voor een beleid van categoriale bescherming indien de (burger)oorlog het dagelijks leven in het land dermate ontwricht, dat deze humanitair onverantwoorde risico's optreden. Dit kan het geval zijn als er schendingen van het oorlogsrecht optreden, waarbij primair wordt gedacht aan schendingen van de rechten van ongewapende burgers. Dit kan ook het geval zijn als centrale overheid noch de facto autoriteiten bescherming kunnen bieden tegen het oorlogsgeweld dan wel tegen het banditisme dat het gevolg is van deze situatie, met dien verstande dat ook de feiten ten aanzien van de andere drie factoren van voldoende gewicht moeten zijn. Dit standpunt brengt tevens met zich dat indien niet langer sprake is van oorlogsgeweld, bijvoorbeeld in geval van een de facto staakt-het-vuren, een beleid van categoriale bescherming niet langer meer kan zijn geïndiceerd.

ad d

De laatste factor van belang is de mate van geografische spreiding van het geweld. De vraag die hier moet worden gesteld is of de schendingen van de fysieke integriteit beperkt zijn tot bepaalde gebieden, althans talrijker zijn in bepaalde gebieden dan andere. Indien het geweld tot een bepaald gebied is beperkt en het reizen van dit gebied naar andere gebieden in het land in het algemeen geen problemen oplevert, dan zal niet per sé een beleid van categoriale bescherming zijn geïndiceerd.

5.2.3. Activiteiten van internationale organisaties

Bij elke beslissing omtrent het beleid van categoriale bescherming wordt rekening gehouden met het operationeel zijn in het land van herkomst van VN-organisaties, zoals UNDP, UNICEF, WHO enz.

Ook met de activiteiten van de UNHCR wordt rekening gehouden, voorzover ze hiervoor een graadmeter vormen. In het algemeen betekent repatriëring van ontheemden en vluchtelingen dat een beleid van categoriale bescherming niet kan zijn geïndiceerd, hoewel het bestaan van repatriëring niet moet worden gezien als een conditio sine qua non voor het niet voeren van een beleid van categoriale bescherming. Een actief beleid van UNHCR dan wel steun/facilitering bij spontane terugkeer vanuit derde landen kan bevestigen dat er geen (beleidsmatige) beletselen (meer) bestaan om personen die in Nederland hun toevlucht hebben gezocht te laten terugkeren. Voorts is UNHCR’s standpunt relevant in die gevallen waarin regeringen, waaronder de Nederlandse, met UNHCR in gezamenlijk overleg komen tot uitvoering van gefaseerde en ordelijke terugkeer, en UNHCR vervolgens een leidende en coördinerende rol wordt toebedeeld.

Ook wordt rekening gehouden met eventuele ontwikkelingen omtrent de operaties van internationale hulporganisaties. Indien organisaties als het Internationale Rode Kruis en Artsen zonder Grenzen zich noodgedwongen terugtrekken om redenen die samenhangen met de verslechtering van de algehele veiligheidssituatie, vormt dit bijvoorbeeld een aanwijzing dat een beleid van categoriale bescherming kan zijn geïndiceerd, terwijl hun voortdurende aanwezigheid dan wel terugkeer ook weer van belang kan zijn voor de beëindiging van een beleid van categoriale bescherming.

Voorts kan rekening worden gehouden met de mate van veroordeling door de internationale gemeenschap van de situatie in een land van herkomst bij de vraag of een beleid van categoriale bescherming is geïndiceerd. Van belang hierbij zijn de conclusies in resoluties van de belangrijkste organen van de VN, met name van de Veiligheidsraad, welke een belangrijke aanwijzing vormen voor het standpunt van de internationale gemeenschap als zodanig over de situatie in het land van herkomst.

5.2.4. Beleid in andere landen van de EU

Op grond van artikel 3.106, onder c, Vb wordt voorts het beleid in andere landen van de EU meegewogen. Er wordt belang gehecht aan het afstemmen van het beleid met dat van andere EU-landen. De landen waarvan het beleid wordt onderzocht, zullen veelal ons omringende landen zijn en/of landen die voor wat betreft asielpopulatie op Nederland lijken.

Bij de beoordeling wordt acht geslagen op de mate van homogeniteit van het beleid tussen andere landen. Hoe homogener de informatie over het beleid van de andere landen is, hoe meer gewicht toekomt aan deze indicator. Dit laat onverlet dat sprake kan zijn van feiten en omstandigheden die aanleiding kunnen geven om het beleid van andere landen niet te volgen. Dat is bijvoorbeeld aan de orde indien duidelijk is dat andere landen in hun beleid nog geen rekening hebben kunnen houden met relevante recente ontwikkelingen, zoals het uitbreken van een oorlog of juist het beëindigen van gewelddadigheden.

5.3. Uitgangspunten voor instelling van categoriaal beschermingsbeleid

Bij de besluitvorming inzake de invoering, voortzetting en beëindiging van een beleid van categoriale bescherming worden de volgende specifieke uitgangspunten gehanteerd.

Op de eerste plaats geldt dat er een algemeen onderzoek naar de situatie in het land van herkomst wordt ingesteld, waarbij feiten en omstandigheden in en ten aanzien van het land van herkomst worden meegewogen die niet altijd van belang zijn voor de beoordeling van een individuele aanvraag om toelating als vluchteling dan wel om klemmende redenen van humanitaire aard.

Op de tweede plaats geldt dat elke nieuwe beslissing wordt gebaseerd op nieuwe informatie over de situatie in het land van herkomst, op een gewijzigd inzicht in de situatie in het land van herkomst, op een gewijzigd inzicht in de beoordeling van deze informatie of op een gewijzigd beleidsinzicht.

Op de derde plaats geldt dat de belangrijkste bron van informatie op dit punt de ambtsberichten van de Minister van BuZa zijn; deze geven de visie weer van de Regering op de situatie in landen van herkomst. De Minister van BuZa is hiervoor politiek verantwoordelijk.

Op de vierde plaats geldt dat de vraag of een beleid van categoriale bescherming is geïndiceerd, ook altijd in een bredere context wordt bezien. Niet elke situatie waarin op grond van bijvoorbeeld recente ontwikkelingen in het land van herkomst tijdelijk van uitzetting wordt afgezien rechtvaardigt de conclusie dat een beleid van categoriale bescherming is geïndiceerd. In situaties waarin bijvoorbeeld in afwachting van een nader onderzoek, een uitspraak van de rechter of een ambtsbericht, aanhouding is geboden, is veeleer een besluit- en/of vertrekmoratorium opportuun (zie C19 en C22/6).

5.4. Bewijslast

Bij de beoordeling of een verblijfsvergunning grond van het categoriaal beschermingsbeleid moet worden verleend, wordt niet in de eerste plaats gekeken of de verklaringen van de asielzoeker die de inhoud van het asielrelaas betreffen, geloofwaardig zijn. Het gaat hier in beginsel immers om de vraag of de asielzoeker behoort tot een categorie die in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op deze grond. Vanzelfsprekend moeten de identiteits- en nationaliteitsgegevens wel buiten twijfel staan.

De verlening van de verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw vindt categoriaal plaats. De contra-indicaties en de afwijzingsgronden (zie C3 en C4) worden hierbij betrokken. Dit kan ertoe leiden dat de vergunning niet wordt verleend, wordt ingetrokken of dat een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd wordt afgewezen (zie C7).

Een bijzondere omstandigheid, die alleen wordt meegewogen bij de beoordeling of aan een individuele asielzoeker categoriale bescherming moet worden geweigerd, is opgenomen in artikel 31, tweede lid, onder j, Vw (zie C4/3.10): de vreemdeling heeft een verblijfsalternatief.

6. Afgeleide verblijfsvergunning

6.1. Voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning

Een verblijfsvergunning asiel kan op grond van artikel 29, eerste lid, onder e, Vw worden verleend aan de echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind van de vreemdeling die een verblijfstitel heeft verkregen op basis van één van de gronden van artikel 29, eerste lid, a tot en met d, Vw.

Artikel 29, eerste lid, onder f, Vw bepaalt dat de verblijfsvergunning asiel voorts kan worden verleend aan de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind zodanig afhankelijk is van een houder van de verblijfsvergunning asiel, verleend op grond van één van de onderdelen a tot en met d, dat hij om die reden behoort tot het gezin van deze vreemdeling.

Cumulatieve vereisten in beide gevallen zijn:

  • dat de hier bedoelde gezinsleden dezelfde nationaliteit hebben als de houder van de verblijfsvergunning asiel;

  • dat zij feitelijk behoren tot zijn gezin;

  • dat de houder van de verblijfsvergunning asiel deze gezinsleden heeft genoemd tijdens diens asielprocedure; en

  • dat zij gelijktijdig met hem zijn ingereisd, dan wel binnen drie maanden nadat de bedoelde vreemdeling zijn verblijfsvergunning asiel heeft verkregen, zijn nagereisd.

De driemaanden termijn gaat in op het moment dat de oorspronkelijke verblijfsvergunning wordt verleend. Indien de houder van de verblijfsvergunning asiel in Nederland bij de Visadienst een verzoek om advies heeft ingediend binnen die drie maanden dan wel indien de gezinsleden in het buitenland een mvv aanvragen binnen die drie maanden, wordt dit gezien als een tijdig ingediende aanvraag. Daarnaast geldt dat een eerdere inreisdatum van een familielid dan de inreisdatum van de hoofdpersoon ook wordt beschouwd als een tijdige nareis.

Feitelijk behoren tot het gezin

De gezinsleden dienen, om voor verblijf in aanmerking te komen, tot aan het vertrek van de hoofdpersoon uit het land van herkomst feitelijk hebben behoord tot diens gezin. Ook moeten deze gezinsleden zijn genoemd als gezinsleden tijdens de asielprocedure van de hoofdpersoon. Indien zij niet zijn genoemd gedurende de asielprocedure is niet aannemelijk dat zij feitelijk behoren tot het gezin van de hoofdpersoon.

De bewijslast omtrent het in het land van herkomst feitelijk tot het gezin hebben behoord, ligt bij de hoofdpersoon. Hiervan dient in beginsel – indicatief – bewijs te worden overgelegd. Indien dit niet mogelijk is, dienen hier aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen over te worden verstrekt.

De biologische kinderen (minderjarig en meerderjarig) behoren niet langer tot het gezin van de hoofdpersoon indien de gezinsband als verbroken kan worden beschouwd.

Dit doet zich in elk geval voor indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

  • het kind is duurzaam opgenomen in een ander gezin dan het gezin van de hoofdpersoon;

  • het kind is zelfstandig gaan wonen;

  • het kind heeft een eigen gezin gevormd doordat het gehuwd is of een relatie is aangegaan.

Voor niet-biologische (pleeg- of adoptie)kinderen gelden bovenstaande criteria eveneens en geldt voorts dat de gezinsband als verbroken wordt beschouwd, indien deze kinderen na vertrek van de hoofdpersoon zijn opgenomen in een ander gezin.

De bewijslast om aan te tonen dat de feitelijke gezinsband tussen ouder en kind niet is verbroken, ligt bij de in Nederland verblijvende ouder die de overkomst van het kind vraagt.

Huwelijk en partnerschap

Het moet gaan om een huwelijk of partnerschap dat reeds bestond toen beide echtgenoten nog in het buitenland verbleven. Een traditioneel huwelijk wordt gelijkgesteld aan partnerschap.

Indien ten tijde van de aanvraag sprake is van een polygame situatie kan slechts één echtgenoot, geregistreerd partner of partner tegelijkertijd en de uit die vreemdeling geboren kinderen voor verblijf in aanmerking komen. Van een polygame situatie is sprake indien de vreemdeling of de persoon bij wie de vreemdeling verblijf beoogt, met een andere persoon (of meerdere andere personen) tegelijkertijd een huwelijk en/of een relatie is aangegaan (inclusief geregistreerd partnerschap).

Indien de in Nederland verblijvende hoofdpersoon reeds met een andere man of vrouw duurzaam samenleeft, komen de wettelijke echtgeno(o)t(e) alsmede eventuele andere gezinsleden niet voor toelating in aanmerking.

Samenwoning

Dat er door betrokkenen in het buitenland ook daadwerkelijk is samengewoond is een belangrijke indicatie om vast te kunnen stellen dat er ook feitelijk sprake is van een gezinsband. Het niet hebben samengewoond is geen absolute afwijzingsgrond, men moet echter wel een aannemelijke verklaring hebben voor de omstandigheid dat men weliswaar (traditioneel) gehuwd was, maar dat er geen sprake was of kon zijn van daadwerkelijke samenwoning.

Minder- en meerderjarige kinderen

Onder minder- of meerderjarige kinderen dienen tevens te worden begrepen biologische kinderen van één van de beide echtgenoten of partners uit een eerder huwelijk of relatie die in het land van herkomst feitelijk tot het gezin behoorden.

De minder- of meerderjarigheid wordt beoordeeld naar Nederlands recht.

Minderjarig zijn kinderen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt en niet gehuwd of in Nederland geregistreerd zijn en ook nimmer gehuwd of geregistreerd zijn geweest (artikel 1:233 Burgerlijk Wetboek).

Meerderjarige kinderen kunnen enkel voor verblijf in aanmerking komen indien zij feitelijk behoren tot het gezin van de hoofdpersoon. Hiervan is sprake indien zij in het land van herkomst altijd tot het gezin van de hoofdpersoon zijn blijven behoren.

Indien het meerderjarig kind echter na het vertrek van de hoofdpersoon zelfstandig een gezin is gaan vormen door het aangaan van een huwelijk, dan wel partnerschap, of duurzaam in een ander gezin dan dat van de hoofdpersoon is opgenomen, wordt de gezinsband als verbroken beschouwd.

Voor onderzoek naar de gezinsband tussen ouder(s) en biologische kinderen wordt verwezen naar C14/6.2 Vc.

Niet -biologische (adoptie- en pleeg)kinderen

Onder minder- of meerderjarige kinderen dienen tevens te worden begrepen niet biologische (adoptie- of pleeg)kinderen die in het land van herkomst feitelijk tot het gezin behoorden.

Met betrekking tot onderzoek naar de gezinsband tussen ouder(s) en niet-biologische kinderen (adoptie- of pleegkinderen) geldt het volgende. Aangezien deze gezinsband niet blijkens DNA-onderzoek kan worden onderzocht, is het aan betrokkene om aannemelijk te maken dat dit kind in het land van herkomst ook daadwerkelijk behoorde tot het gezin van de hoofdpersoon.

De bewijslast omtrent het in het land van herkomst feitelijk tot het gezin hebben behoord, ligt bij de hoofdpersoon. Hiervan dient in beginsel – indicatief – bewijs te worden overgelegd. Indien dit niet mogelijk is, dienen hier aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen over te worden verstrekt.

In aanvulling hierop komt dit niet-biologische (pleeg- of adoptie)kind niet in aanmerking voor een afgeleide verblijfsvergunning bij de hoofdpersoon, indien het kind na vertrek van de hoofdpersoon is opgenomen in een ander gezin dan dat van de hoofdpersoon.

Indien na aankomst in Nederland echter wordt geconstateerd dat het pleegkind niet in het buitenland al tot het gezin behoorde, zal het kind vreemdelingrechtelijk als alleenstaande minderjarige vreemdeling (AMV) moeten worden beschouwd en behandeld (zie B14/2 Vc). Hieraan doet niet af of het kind met of zonder MVV is ingereisd. In geval het kind jonger dan 15 is en de pleegouder de aanvraag voor asiel heeft ingediend, moet aan betrokkene worden medegedeeld dat er in dit geval geen sprake is van een asielaanvraag nu deze niet door de vreemdeling zelf of diens wettelijk vertegenwoordiger is ingediend. Gelet hierop is deze mededeling geen besluit. Een eventueel hier tegen ingediend rechtsmiddel dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Voogdij instelling Stichting Nidos wordt als voogd ingeschakeld. Het kind moet een asielaanvraag indienen of Nidos moet dit doen als het kind jonger is dan 12 jaar. Het kind dient zelfstandig te worden gehoord over de opvang in het land van herkomst en over de asielmotieven. Indien de minderjarige asielzoeker wordt verwezen naar een opvangvoorziening hier te lande, dient Nidos hierover geïnformeerd te worden, tenzij de minderjarige vreemdeling ten tijde van de aanvraag 17,5 jaar of ouder was.

In Nederland geboren kinderen

Op het moment dat de ouder op één van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met c, Vw in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel bepaalde tijd, komt het in Nederland tijdens de procedure geboren kind in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder e, Vw. Op het moment dat de ouder op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw in het bezit wordt gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, komt het in Nederland tijdens de procedure geboren kind in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op dezelfde grond als de ouder, namelijk op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw (zie voor de procedure ook C9/2.1.5 Vc).

Voor kinderen, die in Nederland worden geboren nadat de ouder in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning op grond van één van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw, dient een verblijfsvergunning regulier te worden aangevraagd. In deze en alle andere gevallen dan hierboven genoemd is het reguliere vreemdelingenbeleid van toepassing (zie B2 en artikel 3.23 Vb).

Toestemmingsverklaring

De aanvraag om een afgeleide asielvergunning wordt afgewezen indien de achterblijvende ouder geen toestemming heeft verleend voor het vertrek van het kind naar Nederland. Bij de aanvraag dient een verklaring te worden overgelegd waaruit de toestemming van de achterblijvende ouder blijkt, alsmede een kopie van het identiteitsbewijs van de achterblijvende ouder, ter verificatie van de handtekening.

Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet kan geven omdat deze ouder onvindbaar is of is overleden, moet aannemelijk worden gemaakt waarom deze verklaring niet kan worden overgelegd.

Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet wil geven, wordt de aanvraag om nareis van dit kind bij de hoofdpersoon in Nederland afgewezen.

Voor niet-biologische (adoptie- en pleeg)kinderen geldt het volgende. Indien gedurende de asielprocedure van de hoofdpersoon dan wel gedurende de onderhavige aanvraag is gebleken dat één of beide in het buitenland verblijvende biologische ouder(s) nog in leven is, wordt de aanvraag om een afgeleide asielvergunning afgewezen indien de achterblijvende ouder geen toestemming heeft verleend voor het vertrek van het kind naar Nederland. Bij de aanvraag dient een verklaring te worden overgelegd waaruit de toestemming van de achterblijvende ouder blijkt, alsmede een kopie van het identiteitsbewijs van de achterblijvende ouder, ter verificatie van de handtekening.

Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet kan geven omdat deze ouder onvindbaar is of is overleden, moet aannemelijk worden gemaakt waarom deze verklaring niet kan worden overgelegd.

Indien de achterblijvende ouder wiens toestemming is vereist de toestemming niet wil geven, wordt de aanvraag om nareis van dit kind bij de hoofdpersoon in Nederland afgewezen.

De toestemmingsverklaring wordt gevraagd om te voorkomen dat door de Nederlandse overheid wordt meegewerkt aan onrechtmatige onttrekking aan macht en gezag van degene aan wie het rechtmatig gezag over een buitenlands kind toekomt dan wel wie dat uitoefent.

6.2. Gezinsleden en artikel 1F Vluchtelingenverdrag

Gezinsleden van een vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag wordt tegengeworpen, komen op grond van artikel 3.77 en 3.107 Vb in beginsel niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning (zie C4/3.11.4.).

In het geval een ouder, niet zijnde de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, op zelfstandige gronden in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, dan kunnen gerelateerd aan die ouder de overige gezinsleden, niet zijnde de vreemdeling aan wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag is tegengeworpen, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder e of f, Vw.

3. De imperatieve afwijzingsgronden

1. Algemeen

Artikel 30 Vw bevat de imperatieve afwijzingsgronden. De aanvraag moet dus worden afgewezen, als één van deze gronden wordt vastgesteld. Het betreft situaties waarin de aanvraag, zonder inhoudelijke beoordeling of aan de asielzoeker bescherming in Nederland moet worden geboden, kan worden afgewezen. In deze gevallen is geen schending van een verdragsverplichting aan de orde.

2. Een ander land is verantwoordelijk

2.1. Inleiding

Op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als een ander land ingevolge een verdrag, of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie, verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. De wet stelt daarbij als vereiste dat dit andere land partij is bij het Vluchtelingenverdrag.

Met ingang van 1 september 2003 is Verordening 343/2003 hierop van toepassing. Verordening 343/2003 is de opvolger van de Overeenkomst van Dublin. De uitvoeringsbepalingen voor Verordening 343/2003 zijn neergelegd in Verordening 1560/2003.

Afwijzing van de asielaanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, Vw is pas mogelijk, als de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek, middels een expliciete dan wel impliciete accordering op het overname- of terugnameverzoek, daadwerkelijk is komen te liggen bij de (mogelijk) verantwoordelijke lidstaat.

2.2. Toepasselijkheid van Verordening 343/2003

2.2.1. Partijen bij Verordening 343/2003

De volgende landen zijn partij bij de Verordening 343/2003:

België, Bulgarije, Cyprus, Denemarken, Duitsland, Estland, Finland, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Ierland, IJsland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Oostenrijk, Polen, Portugal, Roemenië, Slovenië, Slowakije, Spanje, Tsjechië, Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland.

Deze deelnemende landen zijn alle partij bij het Vluchtelingenverdrag en, behalve Nederland zelf, aldus aan te merken als 'ander land' in de zin van de wet.

Tussen deze landen wordt Verordening 343/2003 toegepast. Verordening 343/2003 komt hier in de plaats van de Overeenkomst van Dublin. Aangezien de Overeenkomst van Dublin verder geen praktische betekenis meer heeft, wordt deze hier verder buiten beschouwing gelaten.

2.2.2. Overgangsrecht

Artikel 29 Verordening 343/2003 regelt het overgangsrecht tussen de Overeenkomst van Dublin en Verordening 343/2003.

Nieuwe lidstaten

Ten aanzien van de per 1 mei 2004 tien toegetreden lidstaten, zijnde Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië, geldt ten aanzien van Nederland het volgende overgangsrecht:

  • er kan een overname- of terugnameverzoek worden neergelegd door Nederland bij de nieuwe lidstaten wanneer de datum van de asielaanvraag in Nederland op of ná 1 mei 2004 ligt;

  • er kan een overname- of terugnameverzoek worden neergelegd door de nieuwe lidstaten bij Nederland wanneer de datum van de asielaanvraag in de nieuwe lidstaten op of ná 1 mei 2004 ligt.

De datum van de asielaanvraag is bepalend. In beide gevallen geldt, dat indien de reden van het leggen van het verzoek (illegale grensoverschrijding, eerdere asielaanvraag in het andere land en dergelijke) gelegen is in feiten of omstandigheden van vóór 1 mei 2004, dit niet afdoet aan de mogelijkheid een overname- of terugnameverzoek neer te leggen.

Ten aanzien van de per 1 januari 2007 toegetreden lidstaten Bulgarije en Roemenië geldt hetzelfde, met dien verstande dat voor 1 mei 2004 moet worden gelezen 1 januari 2007.

Denemarken

Denemarken heeft zich per 1 april 2006 alsnog gebonden verklaard aan Verordening 343/2003. Verordening 343/2003 wordt per 1 mei 2006 van toepassing verklaard tussen Denemarken, IJsland en Noorwegen.

De Commissie van de EU heeft, met betrekking tot de werking van Verordening 343/2003 tussen Denemarken en de andere lidstaten het overgangsrecht vastgesteld. Dit overgangsrecht houdt in:

  • Verordening 343/2003 is direct van toepassing vanaf het moment van toetreding tot Verordening 343/2003, zijnde 1 april 2006; en

  • de bepaling van de verantwoordelijkheid van de asielaanvraag is conform artikel 29 Verordening 343/2003, zij het dat de datum van 1 september 2003 dient te worden vervangen door 1 april 2006.

2.3. Inhoud van Verordening 343/2003

2.3.1. Het begrip asielverzoek

Onder 'asielverzoek' verstaat Verordening 343/2003: 'een verzoek van een onderdaan van een derde land dat kan worden opgevat als een verzoek om verlening van internationale bescherming door een lidstaat krachtens het Verdrag van Genève' (zie artikel 2, onder c, Verordening 343/2003).

Ingevolge artikel 4, tweede lid, Verordening 343/2003 wordt een asielverzoek geacht te zijn ingediend vanaf het tijdstip waarop de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat een door de asielzoeker ingediend formulier of een door de autoriteiten opgesteld proces-verbaal hebben ontvangen. Met het oog op de toepassing van Verordening 343/2003 wordt onder een asielverzoek ook verstaan een mondelinge intentieverklaring waarvan op zo kort mogelijke termijn een proces-verbaal is opgesteld. Van een mondelinge intentieverklaring is sprake wanneer de asielzoeker zich daadwerkelijk ter indiening van een asielverzoek bij een daartoe bevoegde autoriteit heeft vervoegd. Dit laat onverlet dat de mondelinge intentieverklaring in de Nederlandse rechtsorde dient te worden geformaliseerd door middel van het indienen van een asielaanvraag (zie C9).

Het begrip asielverzoek dient derhalve te worden onderscheiden van het begrip asielaanvraag in de zin van de Vw, die alleen schriftelijk met een vastgesteld model kan worden ingediend.

2.3.2. Begeleide minderjarige asielzoekers

Voor de toepassing van Verordening 343/2003 wordt de situatie van de minderjarige die de asielzoeker vergezeld, voor zover het een gezinslid in de zin van Verordening 343/2003 betreft, onlosmakelijk verbonden met de situatie van diens ouder of voogd (zie artikel 4, derde lid, Verordening 343/2003). De minderjarige valt onder de verantwoordelijkheid van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van die ouder of voogd, ook al is de minderjarige zelf geen individuele asielzoeker.

Kinderen die na aankomst van de asielzoeker op het grondgebied van de lidstaat zijn geboren, worden meegenomen in de procedure van de ouder-asielzoeker ongeacht de stand van deze procedure. Er behoeft geen nieuwe procedure te worden ingeleid.

Wel is van belang dat de aanvraag van de ouders middels het indienen van het model van bijlage 13k VV mede geldig wordt gemaakt voor het in Nederland geboren kind (zie C9/2.1.5).

2.3.3. Verplichting tot overname

Artikel 3, eerste lid, Verordening 343/2003 regelt dat de lidstaten verplicht zijn om een asielverzoek te behandelen dat door een onderdaan van een derde land bij één van hen wordt ingediend. De wijze van beooordeling van de criteria is geregeld in artikel 5 Verordening 343/2003 (zie C3/2.3.5). De procedure is beschreven in artikel 17 tot en met 19 Verordening 343/2003.

De vreemdeling kan beroep aantekenen tegen de beslissing de asielaanvraag af te wijzen op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, Vw. Dit beroep heeft geen opschortende werking (zie C22/5).

2.3.4. Verplichting tot terugname

De artikelen 4, vijfde lid, juncto artikel 16 Verordening 343/2003 regelen de 'terugname van een asielzoeker'. Dit heeft betrekking op de volgende gevallen:

  • intrekking van het asielverzoek tijdens de procedure ter vaststelling van de verantwoordelijkheid van het asielverzoek (zie artikel 4, vijfde lid, Verordening 343/2003);

  • illegaal verblijf in een andere lidstaat dan waar het asielverzoek in behandeling is (zie artikel 16, eerste lid, onder c, Verordening 343/2003);

  • intrekking van het asielverzoek tijdens de (inhoudelijke) behandeling van het asielverzoek (zie artikel 16, eerste lid, onder d, Verordening 343/2003);

  • illegaal verblijf in een andere lidstaat dan waar het asielverzoek is afgewezen (zie artikel 16, eerste lid, onder e, verordening 343/2003).

In dergelijke gevallen is sprake van een terugnameverplichting. De procedure hierover is beschreven in artikel 20 Verordening 343/2003.

De vreemdeling kan beroep aantekenen tegen de beslissing de asielaanvraag af te wijzen op grond van artikel 30, eerste lid, onder a, Vw. Dit beroep heeft geen opschortende werking (zie C22/5).

2.3.5. De criteria voor vaststelling van de verantwoordelijkheid

De verantwoordelijkheidsbepaling, die ziet op de overnameverplichting van artikel 3 Verordening 343/2003, vindt plaats op grond van de artikelen 6 tot en met 14 Verordening 343/2003. De beoordeling of de criteria van deze artikelen van toepassing zijn, vindt plaats in de volgorde waarin zij voorkomen (zie artikel 5, eerste lid, Verordening 343/2003) en op grond van de situatie op het tijdstip waarop de asielzoeker zijn verzoek voor de eerste maal bij een lidstaat indient (zie artikel 5, tweede lid, Verordening 343/2003).

Voorgehouden dient te worden dat de bepalingen van Verordening 343/2003 alleen gelden ten aanzien van derdelanders. Een persoon die ooit als derdelander in Nederland is toegelaten en thans is genaturaliseerd valt niet langer onder de reikwijdte van Verordening 343/2003 en de Verordening 1560/2003.

Het moment om te beoordelen of iemand moet worden beschouwd als derdelander of niet is het moment waarop de asielaanvraag wordt ingediend door het gezins- of familielid dat hereniging wenst met een in Nederland reeds toegelaten vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid en onder a, b, c of d, Vw (zie ook artikel 2, onder a, Verordening 343/2003). Deze bepaling zal met name een rol spelen bij de toepassing van de artikelen 6, 7, 8 en 14 Verordening 343/2003 in het kader van het vaststellen van de verantwoordelijkheid daar waar het gezinsleden (en eventueel familieleden) betreft.

Hieronder volgt een opsomming van de criteria.

Artikel 6: niet-begeleide minderjarige asielzoeker

Ingevolge artikel 6 Verordening 343/2003 neemt Nederland de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van een niet-begeleide minderjarige op zich, indien een lid van zijn gezin (vader, moeder of voogd) zich hier te lande wettig (rechtmatig in de zin van de Vw) ophoudt, voor zover dit in het belang van de minderjarige is. Bij ontstentenis van een vader, moeder en voogd berust de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek bij de lidstaat waarbij de minderjarige zijn asielverzoek heeft ingediend.

Onder 'in het belang van de minderjarige' dient onder meer het volgende te worden verstaan:

  • a. gezinsband dient te zijn aangetoond; immers het is niet in het belang van de minderjarige hem/haar te plaatsen bij iemand waarvan niet daadwerkelijk vaststaat dat het de vader, moeder of voogd is;

  • b. er dient geen sprake te zijn van een gezinslid (-leden) waarvan het vermoeden bestaat dat er sprake is geweest van mishandeling (fysiek, mentaal dan wel seksueel) van de minderjarige door dit gezinslid (-leden);

  • c. het gezinslid (-leden) kan (kunnen) de minderjarige voldoende zorg bieden.

Gelet op de plaats van dit artikel in de Verordening, geldt deze bepaling voor minderjarigen alleen bij verzoeken om overname. In het geval reeds is vastgesteld dat een lidstaat verantwoordelijk is en deze lidstaat een verzoek doet om terugname, geldt deze waarborg niet. Dit lijdt slechts uitzondering wanneer eerst in de procedure met betrekking tot de terugname blijkt dat zich een vader, moeder of voogd in Nederland of in één van de andere lidstaten ophoudt; in die gevallen zal, met inachtneming van het belang van het kind, alsnog bezien worden in hoeverre hereniging kan worden nagestreefd in het belang van het kind.

Artikel 7: gezinslid van een toegelaten vluchteling

In artikel 7 Verordening 343/2003 is geregeld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek van een gezinslid van een asielzoeker die als vluchteling is toegelaten voor verblijf. In Nederland wordt deze bepaling verruimd toegepast, in die zin dat hieronder wordt verstaan de vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b, c of d, Vw. Hierbij is niet van belang of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd. De betrokken personen dienen schriftelijk in te stemmen met de beoogde hereniging.

Artikel 8: stand van de procedure

Ingevolge artikel 8 Verordening 343/2003 is Nederland verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van een gezinslid van de asielzoeker, indien inzake het asielverzoek van de asielzoeker hier te lande nog geen beslissing in eerste aanleg is genomen. Nederland is alleen verantwoordelijk indien de asielzoeker het asielverzoek had ingediend vóórdat het betreffende gezinslid in een andere lidstaat een asielverzoek indiende. Het tijdstip waarop de asielzoeker zijn verzoek voor de eerste maal indient, is leidend met betrekking tot de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek (zie artikel 5, tweede lid, Verordening 343/2003). De betrokken personen dienen schriftelijk in te stemmen met de beoogde samenvoeging op grond van de procedurestand.

Indien een asielzoeker Nederland binnenreist en aangeeft hier te lande een asielverzoek te willen indienen, maar waarbij een gezinslid reeds in een andere lidstaat een asielverzoek heeft ingediend waarover nog geen beslissing in eerste aanleg is genomen, is deze andere lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek van de asielzoeker die zich in Nederland bevindt.

Nederland is voorts niet verantwoordelijk voor de behandeling van asielverzoeken van gezinsleden van de asielzoeker hier te lande, indien Nederland reeds een afwijzende beslissing in eerste aanleg heeft genomen. Het is immers onwenselijk om overige gezinsleden in de Nederlandse asielprocedure op te nemen terwijl, ten aanzien van het gezinslid waar Nederland voor verantwoordelijk is, reeds is beslist dat geen grond voor verlening bestaat en de asielzoeker Nederland derhalve dient te verlaten. De ratio van het bijeenhouden van de gezinsleden is immers mede gelegen in de mogelijkheid dat zij (gezamenlijk) voor verlening van een verblijfsvergunning in aanmerking komen dan wel, als is vastgesteld dat zij geen status dienen te krijgen, gezamenlijk verwijderd kunnen worden.

2.3.6. Wanneer behandelt Nederland het asielverzoek onverplicht zelf?

2.3.6.1. Inleiding

Op grond van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003 blijft iedere staat bevoegd om zelf het asielverzoek te behandelen ook al zou op basis van de artikelen 6 tot en met 14 Verordening 343/2003 of op basis van de artikelen 4, vijfde lid, Verordening 343/2003, juncto artikel 16, eerste lid, onder c, d en e, Verordening 343/2003, een andere lidstaat als verantwoordelijke lidstaat kunnen worden aangewezen.

Van de mogelijkheid het asielverzoek zelf te behandelen, wordt terughoudend gebruik gemaakt. Het indienen van een tweede of volgend asielverzoek na afdoening conform artikel 30, eerste lid, onder a, Vw vormt op zichzelf geen aanleiding voor het toepassen van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003. Dit geldt ook wanneer de vreemdeling na afwijzing of intrekking van het eerste asielverzoek zich heeft begeven naar het land van herkomst of een ander land waar hij legaal toegang heeft en vervolgens opnieuw naar Nederland reist om een tweede asielverzoek in te dienen. In dat geval zal de verantwoordelijke lidstaat de eventuele nieuwe feiten en omstandigheden beoordelen conform de uitgangspunten van Verordening 343/2003.

2.3.6.2. Concrete aanwijzingen van verdragsschending

Ten principale wordt op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uitgegaan dat de lidstaten de verplichtingen uit hoofde van het Vluchtelingenverdrag en artikel 3 EVRM naleven, tenzij er concrete aanwijzingen zijn dat het land waaraan de betrokkene wordt overgedragen zijn internationale verplichtingen niet nakomt (zie nummers 2 en 15 van de preambule van Verordening 343/2003). Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt, bestaat de mogelijkheid voor Nederland om het asielverzoek aan zich te trekken op basis van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003. Hierbij niet van belang of het om een terugname- of een overnameverzoek zou gaan.

Het ligt op de weg van de asielzoeker om aannemelijk te maken dat zich in zijn zaak feiten en omstandigheden voordoen op basis waarvan de presumptie van eerbiediging van verdragspartijen bij het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 EVRM wordt weerlegd. Hiervan is sprake als de vreemdeling aannemelijk maakt dat in de asielprocedure van de verantwoordelijke lidstaat ten aanzien van de asielzoeker niet zal worden onderzocht en vastgesteld of er sprake is van een schending van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 EVRM.

2.3.6.3. Artikel 15 Verordening 343/2003: de humanitaire clausule

Inleiding

Op grond van artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003 kan iedere lidstaat, ook wanneer hij met toepassing van de in de Verordening 343/2003 vastgestelde criteria niet verantwoordelijk is voor de behandeling, gezinsleden en andere afhankelijk familieleden herenigen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden. In dat geval behandelt deze lidstaat op verzoek van een andere lidstaat het asielverzoek van de vreemdeling. De betrokken familieleden moeten hun instemming geven.

Van deze mogelijkheid wordt terughoudend gebruik gemaakt. Er zijn immers al waarborgen in de Verordening 343/2003 opgenomen daar waar het gaat om de vaststelling van de verantwoordelijkheid voor gezinsleden door met name de artikelen 6, 7, 8 en 14 Verordening 343/2003. In het onderstaande wordt weergegeven in welke gevallen gebruik kan worden gemaakt van bovenbedoelde bevoegdheid wanneer het gezinsleden betreft en wanneer het andere afhankelijke familieleden betreft.

Overigens wordt opgemerkt dat hereniging van gezinsleden en andere afhankelijke familieleden in de zin van de Verordening 343/2003 alleen van toepassing is op asielzoekers. Alle gezinsleden en/of familieleden moeten dus een asielverzoek hebben ingediend. Er wordt in elk geval geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid van artikel 3, tweede lid juncto artikel 15 Verordening 343/2003 bij:

  • gezinsleden en/of familieleden die een asielverzoek indienen nadat zij een afwijzing hebben gekregen op een reguliere aanvraag of een aanvraag om een mvv;

  • situaties waarin een gezinslid en/of afhankelijke familieleden een asielverzoek indien(t)(en) en hereniging of voortzetting van de gezinsband beo(o)g(t)(en) met een gezinslid en/of afhankelijke familieleden die een aanvraag op reguliere gronden heeft ingediend, dan wel op reguliere gronden toelating geniet.

Immers, Verordening 343/2003 regelt de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van derdelanders. Verordening 343/2003 beoogt wel waarborgen te bieden voor gezinsleden die asiel hebben aangevraagd om zoveel mogelijk bijeen te houden dan wel te blijven. Verordening 343/2003 is echter niet bedoeld voor het op reguliere gronden verkrijgen van verblijf bij het gezinslid; hiervoor staan andere regelingen open.

Gezinsleden

In aanvulling op de verplichting voortvloeiend uit artikel 7 Verordening 343/2003 is Nederland, onder bepaalde voorwaarden, tevens (onverplicht) verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek indien de asielzoeker een gezinslid is van een vreemdeling die een asielvergunning voor (on)bepaalde tijd heeft gekregen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw. Nederland maakt in dergelijke gevallen gebruik van de discretionaire bevoegdheid om de behandeling van een asielverzoek onverplicht aan zich te trekken, als neergelegd in artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003.

Hieraan zijn de volgende voorwaarden verbonden:

  • a. de betrokken asielzoeker dient zich reeds in Nederland te bevinden;

  • b. voor de toepassing van dit beleidskader is de definitie van ‘gezinsleden’ in de zin van artikel 2, aanhef en onder i, Verordening 343/2003 van toepassing;

  • c. er dient nog geen beslissing op het asielverzoek in een andere lidstaat te zijn genomen.

ad a.

Geen toepassing wordt gegeven aan artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003 wanneer de betrokken asielzoeker zich in een ander land bevindt. Dat betekent dat Nederland niet, ingevolge het hier geschetste beleid, een asielzoeker naar Nederland zal halen teneinde hier een asielprocedure te kunnen doorlopen.

ad c.

De voorwaarde, dat in een ander land nog geen beslissing mag zijn genomen op het asielverzoek, is gelegen in het feit dat het uitgangspunt van Verordening 343/2003 is dat asielzoekers slechts in één land een behandeling van hun asielverzoek dienen te krijgen.

Overige situatie inzake gezinsleden

In andere zeer bijzondere, individuele gevallen kan gebruik gemaakt worden van de bevoegdheid op grond van artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003 tot onverplichte behandeling van het asielverzoek van gezinsleden over te gaan, indien er sprake is van overige humanitaire redenen. Er dient dan een zeer bijzonder samenstel van factoren te bestaan waardoor het behandelen van het asielverzoek in de rede ligt. Dit dient door de asielzoeker te worden aangetoond. Hiervan zal slechts in zeer uitzonderlijke gevallen sprake zijn, aangezien het bijeenhouden en het bijeenbrengen van het gezin reeds geschiedt met name op grond van de artikelen 6, 7, 8 en 14 Verordening 343/2003, voor zover van belang, alsmede onverplicht op grond van artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003.

Andere afhankelijke familieleden

Artikel 15 Verordening 343/2003 heeft niet alleen betrekking op gezinsleden in de zin van artikel 2, aanhef en onder i, Verordening 343/2003, maar ook op ‘andere afhankelijke familieleden’. Op grond van deze bepaling zullen de lidstaten, wanneer de ene betrokkene (de asielzoeker) afhankelijk is van de ander (het/de familielid (-leden)), er normaliter voor zorgen dat de asielzoeker kan blijven bij, of wordt herenigd met, een familielid dat zich op het grondgebied van één van de lidstaten bevindt op voorwaarde dat er in het land van herkomst familiebanden bestonden. De afhankelijkheid kan gelegen zijn in zwangerschap, de geboorte van een kind, ernstige ziekte, een zware handicap of een hoge leeftijd.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, Verordening 1560/2003 is dit artikellid van toepassing zowel wanneer de asielzoeker afhankelijk is van de hulp van het familielid dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt als wanneer het familielid, dat zich op het grondgebied van een lidstaat bevindt, afhankelijk is van de hulp van de asielzoeker.

De afhankelijkheid van het (de) familielid(leden) wordt bezien aan de hand van de hierboven genoemde criteria a en c. Voorts gelden de criteria in artikel 11, tweede tot en met vijfde lid, Verordening 1560/2003.

In artikel 11, tweede lid, Verordening 1560/2003 wordt de bewijslast geregeld.

Op grond van artikel 11, derde lid, Verordening 1560/2003 wordt, teneinde te beoordelen of hereniging van de betrokken personen nodig en wenselijk is, ook rekening gehouden met de volgende aspecten:

  • a. de familiesituatie die bestond in het land van herkomst;

  • b. de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de betrokken personen van elkaar werden gescheiden;

  • c. de stand van de verschillende in de lidstaten lopende asielprocedures of procedures betreffende het Vreemdelingenrecht.

ad a.

De asielzoeker dient hieromtrent consistente en geloofwaardige verklaringen af te leggen, voor zover mogelijk ondersteund met relevante documenten.

ad b.

Onder oorzaken in deze zin kunnen onder meer worden verstaan: onderbrekingen van de gezamenlijke reis door ziekte, calamiteiten of andere omstandigheden die buiten de invloedssfeer van betrokkene(n) liggen.

ad c.

Hierbij wordt gedoeld op de voorwaarde, dat in een ander land nog geen beslissing mag zijn genomen op het asielverzoek. Dit standpunt is gelegen in het feit dat het uitgangspunt van Verordening 343/2003 is dat asielzoekers slechts in één land een behandeling van hun asielverzoek dienen te krijgen.

Indien Nederland het asielverzoek aan zich zou trekken, terwijl een ander land al op het asielverzoek heeft beslist, zou de beslissing van het andere land door Nederland nog eens worden overgedaan. Dit is niet wenselijk en strookt niet met de doelstelling van Verordening 343/2003. In deze gevallen geldt overigens dat de gezinsleden niet blijvend van elkaar worden gescheiden, omdat het gezinslid van de statushouder in Nederland via de reguliere weg mogelijk in aanmerking kan komen voor gezinshereniging.

Immers, de Verordening 343/2003 regelt de verantwoordelijkheid voor de behandeling van het asielverzoek van derdelanders. De Verordening 343/2003 beoogt wel waarborgen te bieden voor gezinsleden die asiel hebben aangevraagd om zoveel mogelijk bijeen te houden dan wel te blijven. Verordening 343/2003 is echter niet bedoeld voor het op reguliere gronden verkrijgen van verblijf bij het gezinslid; hiervoor staan andere regelingen open.

In artikel 11, vierde lid, Verordening 1560/2003 is geregeld dat voor de toepassing van artikel 15, tweede lid, Verordening 343/2003 in elk geval vereist is dat wordt gewaarborgd dat de asielzoeker of het familielid daadwerkelijk de noodzakelijke hulp zal verlenen.

Artikel 11, vijfde lid, Verordening 1560/2003, ten slotte, regelt dat bij het vaststellen van datum en plaats van overdracht rekening moet worden gehouden met:

  • het vermogen van de afhankelijke persoon om zich te verplaatsen;

  • de verblijfssituatie van de betrokken personen teneinde – in voorkomend geval – voorrang te geven aan de hereniging van de asielzoeker met het familielid wanneer dat, in de lidstaat waar hij verblijft, reeds over een verblijfstitel en middelen beschikt.

Minderjarigen

Op grond van artikel 15, derde lid, Verordening 343/2003 herenigen de lidstaten, indien mogelijk, de minderjarige met verwant(en) die hij in een andere lidstaat heeft die voor hem kunnen zorgen, tenzij dit niet in het belang van de minderjarige is. Hierbij wordt opgemerkt dat indien de niet-begeleide minderjarige een gezinslid(leden) en/of familieleden heeft in het land van herkomst waardoor dus sprake is van opvang, de minderjarige in beginsel niet in aanmerking komt voor hereniging op grond van artikel 15 Verordening 343/2003 omdat het herenigen van het kind met het kerngezin als bedoeld in artikel 2 onder i van Verordening 343/2003 in het land van herkomst wordt geprefereerd indien dit mogelijk is.

Onder 'indien mogelijk' dient onder meer het volgende te worden verstaan:

  • a. er dient voldoende aannemelijk te zijn gemaakt, dan wel te zijn aangetoond dat er daadwerkelijk sprake is van familie (niet zijnde gezinslid als bedoeld onder artikel 2, onder i, Verordening 343/2003);

  • b. afhankelijk van de asielprocedure van het (de) familielid (-leden) hier te lande dient te worden bezien of de hereniging nog wel mogelijk is mede bezien in het licht van het belang van de niet-begeleide minderjarige.

Het is immers onwenselijk om overige familieleden in de Nederlandse asielprocedure op te nemen terwijl, ten aanzien van het gezinslid waar Nederland voor verantwoordelijk is, reeds is beslist dat geen grond voor verlening bestaat en de asielzoeker Nederland derhalve dient te verlaten. Hierbij wordt gedoeld op de voorwaarde dat in een ander land nog geen beslissing mag zijn genomen op het asielverzoek. Dit standpunt is gelegen in het hierboven reeds genoemde uitgangspunt van Verordening 343/2003 dat asielzoekers slechts in één land een behandeling van hun asielverzoek dienen te krijgen.

Onder 'in het belang van de minderjarige' dient onder meer het volgende te worden verstaan:

  • a. de familieband dient te zijn aangetoond; immers het is niet in het belang van de minderjarige hem/haar te plaatsen bij iemand waarvan niet daadwerkelijk vaststaat dat het familie is;

  • b. er dient geen sprake te zijn van (een) familielid (-leden) waarvan het vermoeden bestaat dat er sprake is geweest van mishandeling (fysiek, mentaal dan wel seksueel) van de minderjarige door dit (deze) familielid (-leden);

  • c. het (de) familielid (-leden) kan (kunnen) de minderjarige voldoende zorg bieden; én

  • d. hetgeen hieromtrent is gesteld in het nationale beleid inzake Amv’s (zie B14), voor zover van toepassing.

In artikel 12 Verordening 1560/2003 worden regels gesteld voor de situatie waarin een niet-begeleide minderjarige asielzoeker wordt toevertrouwd aan een ander familielid dan zijn vader, moeder of wettelijke voogd. De bepaling regelt de samenwerking tussen de verschillende betrokken autoriteiten.

2.3.6.4. Overige gevallen van humanitaire aard

Naast de invulling van de toepassing van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003 wanneer er sprake is van een concrete verdragsschending (zie C3/2.3.6.2) en de toepassingsmogelijkheden van artikel 3, tweede lid, juncto artikel 15 Verordening 343/2003 daar waar het gaat om aspecten inzake gezinsleden en andere afhankelijke familieleden (zie C3/2.3.6.3), bestaat eveneens een mogelijkheid om in andere gevallen gebruik te maken van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003.

Indien de vreemdeling op basis van bijzondere, individuele omstandigheden aannemelijk maakt dat het overdragen van de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt, kan de lidstaat ook in dergelijke individuele gevallen gebruik maken van de bevoegdheid van artikel 3, tweede lid, Verordening 343/2003. Welke aspecten in dit kader een rol (kunnen) spelen, is niet zonder meer te duiden nu het met name zal gaan om de omstandigheden van het geval en in hoeverre deze bijzondere omstandigheden kunnen leiden tot de conclusie dat voortzetting van de Dublinprocedure als onevenredig hard moet worden beschouwd. Wel wordt in dit kader opgemerkt dat het enkele gegeven van medische aspecten niet voldoende is om te spreken van bijzondere omstandigheden. Immers, de medische voorzieningen mogen in beginsel vergelijkbaar worden verondersteld tussen de lidstaten; het interstatelijk vertrouwensbeginsel gaat er eveneens vanuit dat de voorzieningen in de lidstaten – indien geïndiceerd- ook ter beschikking staan voor de Dublinclaimant. Dit lijdt slechts uitzondering indien de betrokken vreemdeling aannemelijk maakt met concrete aanwijzingen dat dit uitgangspunt in zijn of haar geval niet opgaat.

2.4. Intrekking asielverzoek

Als hoofdregel geldt dat de intrekking van het asielverzoek geen wijziging brengt in de verantwoordelijkheidstoedeling die ingevolge de bepalingen van Verordening 343/2003 tot stand is gekomen, zolang de vreemdeling niet geheel afziet van het aanvragen van verblijf op grond van asielrechtelijk relevante gronden.

Verordening 343/2003 voorziet ten aanzien van intrekking van het asielverzoek specifiek in de volgende situaties:

  • a. het in Nederland ingediende asielverzoek wordt ingetrokken, terwijl Nederland bezig is te onderzoeken welke lidstaat verantwoordelijk is en de vreemdeling dient elders opnieuw een asielverzoek in (zie artikel 4, vijfde lid, Verordening 343/2003); Nederland dient de vreemdeling terug te nemen en de procedure voor de vaststelling van de verantwoordelijkheid af te ronden;

  • b. het in Nederland ingediende asielverzoek wordt ingetrokken tijdens de inhoudelijke behandeling ervan en de vreemdeling dient elders opnieuw een asielverzoek in (artikel 16, eerste lid, onder d, Verordening 343/2003); Nederland dient op verzoek van de betreffende lidstaat de vreemdeling terug te nemen en het asielverzoek (verder) te behandelen.

De situaties beschreven onder a en b kunnen zich uiteraard ook andersom voordoen, in die zin dat Nederland een lidstaat kan verzoeken om een asielzoeker terug te nemen, als wordt voldaan aan de criteria van artikel 4, vijfde lid, of artikel 16, eerste lid, sub d, Verordening 343/2003.

2.5. Vervallen van de verantwoordelijkheid

Indien een vreemdeling zijn asielverzoek tijdens de inhoudelijke behandeling daarvan heeft ingetrokken, komt de verantwoordelijkheid te vervallen wanneer:

  • a. de vreemdeling door een andere lidstaat in het bezit is gesteld van een verblijfstitel, ongeacht de geldigheidsduur van deze verblijfstitel;

  • b. de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten gedurende een periode van tenminste drie maanden;

  • c. Nederland de nodige maatregelen heeft genomen en daadwerkelijk ten uitvoer heeft gelegd opdat de vreemdeling zich begeeft naar zijn land van herkomst, dan wel naar een ander land waar hij legaal mag binnenkomen.

Overigens vervalt de verantwoordelijkheid eveneens wanneer een andere lidstaat, niet zijnde de verantwoordelijke lidstaat, het asielverzoek (alsnog) inhoudelijk behandelt.

Indien een vreemdeling wiens asielverzoek in behandeling is zich illegaal in een andere lidstaat ophoudt, komt de verantwoordelijkheid uitsluitend te vervallen wanneer sprake is geweest van a of b.

Indien een vreemdeling wiens asielverzoek is afgewezen zich illegaal in een andere lidstaat ophoudt, komt de verantwoordelijkheid uitsluitend te vervallen wanneer sprake is geweest van a of c.

De verplichting om vast te stellen welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek zoals bedoeld in artikel 4, vijfde lid, Verordening 343/2003, komt te vervallen wanneer sprake is van a.

Het enkele verlaten van het grondgebied van de lidstaten (korter dan drie maanden) doet op grond van artikel 9, vierde lid, Verordening 343/2003 slechts de verantwoordelijkheid vervallen wanneer sprake is van een verantwoordelijkheid die gebaseerd is op een verblijfstitel of visum waarvan de geldigheidsduur is verstreken.

3. De vreemdeling heeft rechtmatig verblijf

De asielaanvraag wordt op grond van artikel 30, eerste lid, onder b, Vw afgewezen indien de asielzoeker reeds rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e of l, Vw. De asielzoeker is in dit geval immers reeds beschermd tegen terugzending naar zijn land van herkomst en dus tegen de gestelde risico's die hieraan verbonden zijn.

Deze bepaling omvat alle in Nederland toepasselijke verblijfsvergunningen, het verblijf als gemeenschapsonderdaan en het verblijf op grond van de Associatieovereenkomst EEG/Turkije. Deze bepaling heeft uitdrukkelijk ook betrekking op de situatie waarin de asielzoeker in het bezit is van een verblijfsvergunning regulier.

Artikel 30, eerste lid, onder b, Vw is op grond van het tweede lid van artikel 30 Vw echter niet van toepassing, indien naar aanleiding van een asielaanvraag ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is verleend. Dit heeft betrekking op de verblijfsvergunning die is verleend onder de beperking verband houdend met het verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, verblijf als Amv, het feit dat na drie jaren niet onherroepelijk is beslist op een asielaanvraag (zie B14), alsmede de beperking 'Voortgezet verblijf' (zie B16). Het gaat hier uitdrukkelijk om de situatie waarin de verblijfsvergunning regulier is verleend naar aanleiding van de asielaanvraag in het kader van de nog lopende asielprocedure.

4. De vreemdeling is reeds in procedure

Indien een asielzoeker reeds eerder een aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning heeft ingediend waarop nog niet onherroepelijk is beslist én hij op grond van die aanvraag rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder f, g en h, Vw, wordt de asielaanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, onder c, Vw afgewezen. Zolang de asielzoeker de uitkomst van deze procedure in Nederland mag afwachten, verblijft hij rechtmatig in Nederland en is hij beschermd tegen uitzetting.

Uit artikel 8, onder f, g en h, Vw volgt dat dit betrekking heeft op alle procedures: verlening of verlenging van een verblijfsvergunning en de beslissing op een bezwaar- of beroepschrift.

Het gaat hier uitdrukkelijk ook om de situatie waarin de asielzoeker in Nederland rechtmatig verblijf heeft in afwachting van de beslissing op een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier. Indien de vreemdeling in aanmerking wenst te komen voor een verblijfsvergunning asiel wordt van hem verwacht dat hij de procedure met betrekking tot de eerdere aanvraag intrekt.

5. Er is een terug- of overnameovereenkomst van toepassing

Een asielaanvraag wordt op grond van artikel 30, eerste lid, onder d, Vw afgewezen, indien:

  • a. de asielzoeker eerder heeft verbleven in een derde land;

  • b. hij op grond van een terug- of overnameovereenkomst aan dat land zal worden overgedragen; en

  • c. het land van eerder verblijf zich verplicht heeft de uitzettingsverboden uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 EVRM en het Antifolterverdrag na te leven.

In deze gevallen wordt de asielzoeker voldoende bescherming geboden. Daarom rust er geen verplichting op de Nederlandse overheid om de asielaanvraag inhoudelijk te beoordelen.

ad a.

Op grond van artikel 3.106a, tweede en derde lid, Vb moet er sprake zijn van een zodanige band met het betrokken derde land, dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Bij de beoordeling hiervan worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het verblijf. In dit verband is van belang dat het feit dat het derde land een terug- of overnameclaim heeft gehonoreerd erop wijst dat er van een dergelijke band sprake is.

ad b.

Dit vereiste brengt met zich dat er sprake moet zijn van een schriftelijk gehonoreerde claim alvorens de asielaanvraag wordt afgewezen op grond van deze bepaling. Voor de toepassing van terug- en overnameovereenkomsten, zie A4/11 en de website van de vreemdelingenketen (zie A1/3).

ad c.

Uit de wettekst volgt dat het niet noodzakelijk is dat het derde land ook partij is bij deze verdragen. Op grond van artikel 3.106a, eerste en vierde lid, Vb is wel vereist dat het derde land de bepalingen van deze verdragen naleeft. Dit kan blijken uit overeenkomsten, verdragen of schriftelijke verklaringen van het betreffende land die worden ondersteund door de praktijk.

4. De inhoudelijke afwijzingsgronden

1. Inleiding

Artikel 31 Vw bevat de inhoudelijke gronden waarop een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden afgewezen.

Uit het eerste lid van artikel 31 Vw volgt dat een asielaanvraag moet worden afgewezen als de weging van artikel 29 Vw, eventueel in combinatie met artikel 31, tweede lid, Vw, leidt tot de conclusie dat er geen rechtsgrond voor verlening is. Dit is het geval indien het asielrelaas van de asielzoeker niet geloofwaardig is of wanneer de asielzoeker om een andere reden niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij behoort tot een categorie als genoemd in artikel 29, eerste lid, onder a tot en met f, Vw.

Het tweede lid van artikel 31 Vw bevat omstandigheden die mede moeten worden betrokken bij de afweging of de aanvraag moet worden afgewezen. Deze omstandigheden vormen geen verplichte afwijzingsgronden en de opsomming is niet limitatief. De beoordeling of een van deze gronden van toepassing is, dient te geschieden in samenhang met de bepaling of een van de gronden van artikel 29 Vw van toepassing is.

2. Er is geen rechtsgrond voor verlening

2.1. Algemeen

Op grond van artikel 31, eerste lid, Vw, wordt een asielaanvraag afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf of in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Uit deze bepaling volgt dat een asielaanvraag moet worden afgewezen als de weging van artikel 29 Vw, eventueel in combinatie met artikel 31, tweede lid, Vw, leidt tot de conclusie dat er geen rechtsgrond voor verlening is.

In artikel 31, eerste lid, Vw komt tevens tot uitdrukking dat de bewijslast in de asielprocedure in beginsel ligt bij de asielzoeker. Ook komt tot uitdrukking dat de asielzoeker niet behoeft aan te tonen dat zijn aanvraag voor inwilliging in aanmerking komt; hij behoeft dit slechts aannemelijk te maken (zie C14/2.2).

2.2. De vreemdeling kan bescherming inroepen

2.2.1. Algemeen

In die gevallen dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij te vrezen heeft voor op zijn persoon gerichte vervolging of mensenrechtenschendingen wordt eerst beoordeeld of de vreemdeling in de eigen woonomgeving de effectieve bescherming kan inroepen tegen deze dreiging. Op grond van artikel 3.37c, eerste lid, VV geldt dat bescherming tegen vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag, dan wel tegen folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Wet kan worden geboden door:

  • a. de staat,

  • b. partijen of organisaties, inclusief internationale organisaties, die de staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen.

Deze worden aangeduid als ‘actoren van bescherming’.

De beoordeling of bescherming mogelijk is, vindt steeds ex nunc plaats, dus naar het moment waarop de beslissing plaatsvindt. Als een vreemdeling derhalve bij vertrek uit het land van herkomst geen beschermingsmogelijkheid had, maar die inmiddels wel aanwezig is, wordt de asielaanvraag op die grond afgewezen. Als een beschermingsmogelijkheid, die er ten tijde van het vertrek wel was, inmiddels niet meer bestaat, wordt deze niet tegengeworpen.

2.2.2. Bescherming door de autoriteiten

In het geval de dreiging uitgaat van de autoriteiten zelf, zal bescherming in de eigen woonomgeving in beginsel niet mogelijk zijn. Dit kan anders zijn wanneer de dreiging uitgaat van een individu (of een groep individuen) die onderdeel uitmaakt van de autoriteiten, maar waarbij verwacht kan worden dat een meerdere van dat individu (of de groep individuen) de dreiging niet steunt en daartegen wil en kan optreden. In die gevallen wordt van de vreemdeling verlangd om de bescherming van die meerdere zoeken. Hetzelfde geldt wanneer de dreiging zich beperkt tot lokale autoriteiten terwijl aangenomen kan worden dat de centrale autoriteiten hiertegen effectieve bescherming willen en kunnen bieden.

2.2.3. Bescherming door internationale organisaties

Onder de in artikel 3.37c, eerste lid, onder b, VV genoemde internationale organisaties wordt gedacht aan internationale organisaties zoals de VN of de NAVO. Het moet gaan om een stabiele, op een staat gelijkende instantie die zeggenschap heeft over het grondgebied van het desbetreffende land en die bereid en in staat is om individuele personen te beschermen op soortgelijke wijze als een internationaal erkende staat. Waar het uiteindelijk om gaat, is of de desbetreffende vreemdeling bij terugkeer naar het land van herkomst aldaar al dan niet een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw heeft.

2.2.4. Effectieve bescherming

Op grond van artikel 3.37c, tweede lid, VV wordt bescherming in het algemeen geboden wanneer de genoemde actoren redelijke maatregelen treffen tot voorkoming van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag of van een behandeling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.

Hiervan is onder andere sprake als er een doeltreffend juridisch systeem is voor de opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing hiervan. Voorwaarde is dat de vreemdeling toegang tot een dergelijke bescherming heeft.

Uitgangspunt van deze bepaling is dat het bestaan van de gewenste bescherming nimmer te garanderen is. Dat is immers niet reëel. Er moet daarom sprake zijn van ‘redelijke maatregelen’. Onder een ‘doeltreffende juridisch systeem’ wordt verstaan dat in voorkomende gevallen de gevraagde bescherming soelaas kan bieden.

Het vereiste dat de bescherming effectief is, betekent derhalve niet dat de bescherming een volledige garantie moet bieden tegen de dreiging. Beoordeeld wordt of de beschermingsmaatregelen redelijk zijn in relatie tot de dreiging. Ook is niet vereist dat de bescherming op het moment van de beoordeling als permanent kan worden aangemerkt. Het is voldoende als de bescherming voor de direct voorzienbare toekomst zal kunnen worden geboden.

2.2.5. Bewijslast

Bij de beoordeling van de mogelijkheid van effectieve bescherming is het in eerste instantie aan de vreemdeling zelf om aannemelijk te maken dat effectieve bescherming niet kan worden geboden. Afhankelijk van de individuele situatie van de vreemdeling en de algehele situatie in het land van herkomst kan de bewijslast echter meer naar de zijde van de Nederlandse overheid verschuiven. De bewijslastverdeling wordt derhalve bepaald door de individuele omstandigheden van de vreemdeling, mede in het licht van de algehele situatie in het land van herkomst.

Wanneer uit algemene informatie over het land van herkomst blijkt dat bescherming in zijn algemeenheid niet mogelijk is of een verzoek daartoe bij voorbaat zinloos of zelfs gevaarlijk is, zal niet verder van de vreemdeling worden verlangd voor zijn individuele situatie aannemelijk te maken dat bescherming niet kan worden geboden.

Ook bijzondere aspecten van het individuele relaas kunnen aanleiding vormen om in redelijkheid niet van de vreemdeling te verlangen aannemelijk te maken dat bescherming niet mogelijk is. Zo kan een acute vluchtsituatie aanleiding zijn om te oordelen dat het zoeken van bescherming niet zonder gevaar mogelijk was. Dit laat overigens onverlet dat bescherming op een later moment alsnog kan worden gezocht, nadat de vreemdeling zich aan de acute vluchtsituatie heeft onttrokken.

Indien uit algemene informatie over het land van herkomst blijkt dat bescherming niet eenvoudig kan worden verkregen, is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat bescherming in zijn geval in het geheel niet kan worden verkregen. Wel kan in dat geval de algemene informatie aanleiding zijn sneller te oordelen dat de vreemdeling voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bescherming niet mogelijk is. Ook in die gevallen dat de vreemdeling stelt dat het inroepen van bescherming gevaarlijk zou zijn, maar dit niet reeds uit openbare bron blijkt, is het aan de vreemdeling om dit voor zijn individuele situatie voldoende aannemelijk te maken.

2.3. Beschermingsalternatief

Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de asielzoeker na indiening van zijn verblijfsaanvraag naar zijn land van herkomst is gegaan, vormt dit een grond om geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw te verlenen. Het doel van de verblijfsvergunning asiel die is verleend op grond van een van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw, is een persoon te beschermen tegen onverantwoorde risico's bij terugkeer naar het land van herkomst of tegen terugkeer die van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. Indien een persoon, die in het bezit is van de hier bedoelde vergunning, uit eigen vrije wil terugkeert naar zijn land van herkomst en vervolgens terugreist, bestaat aanleiding te veronderstellen dat hij bij terugkeer geen onverantwoorde risico's zal lopen en dat de terugkeer niet van onevenredige hardheid is.

Voor verdragsvluchtelingen is dit principe eveneens vastgelegd in artikel 1C Vluchtelingenverdrag.

2.3.1. Inleiding

Bij de beoordeling of een vreemdeling asielrechtelijke bescherming in Nederland behoeft tegen dreigende vervolging, mensenrechtenschending of de algehele situatie in het land van herkomst, wordt steeds beoordeeld of de vreemdeling in het land van herkomst een beschermingsalternatief heeft door zich elders in het land van herkomst aan deze dreiging te onttrekken. Het bestaan van een beschermingsalternatief komt bij de beoordeling van een asielaanvraag in beginsel pas aan de orde indien en nadat is vastgesteld dat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van problemen die in beginsel voldoende zijn om als beschermingswaardig te gelden.

De term beschermingsalternatief is een verzamelterm voor de begrippen vlucht-, vestigings- en verblijfsalternatief. Bepalend voor het gebruik van deze begrippen is de dreiging waartegen deze alternatieven bescherming bieden.

Het vluchtalternatief biedt bescherming tegen dreigende vluchtelingrechtelijke vervolging zoals bepaald in het Vluchtelingenverdrag.

Het begrip vestigingsalternatief wordt gebruikt voor twee situaties. Het is enerzijds de term die wordt gebruikt bij bescherming tegen foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Anderzijds wordt de term vestigingsalternatief gebruikt in het beleid inzake traumata, zie C2/4.2.

De term verblijfsalternatief speelt een rol bij de beoordeling of een beleid van categoriale bescherming geïndiceerd is en ziet op de mogelijk van de vreemdeling zich te onttrekken aan de algehele situatie in een deel van het land, zie C2/5.

Bij de beoordeling of een vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Wet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, geldt op grond van artikel 3.37d VV dat een vreemdeling geen behoefte heeft aan bescherming, indien er in een deel van het land van herkomst geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen bestaat en van de vreemdeling redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij in dat deel van het land verblijft. De vreemdeling komt in dat geval niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning op bovengenoemde gronden.

2.3.2. Betekenis en voorwaarden

Aangenomen wordt, dat wanneer de vervolging of de dreiging van een behandeling in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw uitgaat van de centrale overheid of van aan de overheid gelieerde organisaties, van een binnenlands vlucht- dan wel vestigingsalternatief in beginsel geen sprake kan zijn. Een uitzondering is mogelijk in de situatie waarin de overheid nog maar in een beperkt gebied feitelijk de macht uitoefent. Voorts kan sprake zijn van een vlucht- of vestigingsalternatief, indien de vervolging uitgaat van de lokale overheden en de centrale autoriteiten elders wel bescherming bieden, of in de situatie dat bescherming niet wordt geboden door de overheid maar door derden.

Bij de beoordeling of een deel van het land van herkomst voldoet als vlucht- of vestigingsalternatief, wordt op grond van artikel 3.37d, tweede lid, VV rekening gehouden met de algemene omstandigheden in dat deel van het land en met de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling op het tijdstip waarop een beslissing inzake de aanvraag wordt genomen. In de volgende gevallen kan in redelijkheid van de vreemdeling worden verwacht dat hij zich naar elders in het land van herkomst begeeft:

  • a. het gaat om een gebied waar voor de vreemdeling geen gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen bestaat;

  • b. de vreemdeling kan op veilige wijze toegang tot dat gebied verkrijgen; en

  • c. de vreemdeling kan zich in het gebied vestigen en van de vreemdeling kan redelijkerwijs worden verwacht dat hij in dat deel van het land verblijft.

Ad a

Naast het vereiste dat de eerdere dreiging in het gebied niet meer bestaat, is tevens van belang dat de vreemdeling in het gebied geen nieuwe dreiging zal kennen en zich daardoor genoodzaakt ziet terug te keren naar de plaats waar de eerdere dreiging bestond (indirect refoulement).

Indien de dreiging een gevolg is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15c van richtlijn 2004/83/EG in een bepaald gebied en niet gerelateerd is aan individuele, persoonlijke vrees, kan de vreemdeling afkomstig uit dat gebied zich onttrekken aan deze dreiging door zich te vestigen in een plaats gelegen buiten het hier bedoelde 15c gebied. De voorwaarden genoemd onder b en c voor het tegenwerpen van een vestigingsalternatief blijven, ook in een dergelijke situatie, onverkort van toepassing.

Ad b

Voor de vraag of het gebied toegankelijk is, wordt gekeken naar de situatie zoals deze bestaat op het moment van de beoordeling. Dit betekent dat het gebied vanuit Nederland daadwerkelijk en reëel bereikbaar moet zijn. Daarnaast moet het gebied op legale en veilige wijze kunnen worden bereikt.

Een naar verwachting kortdurende technische belemmering vormt op grond van artikel 3.37d, derde lid, VV onvoldoende grond om geen vlucht- of vestigingsalternatief aan te nemen.

Gedacht kan worden aan de situatie dat er nog reisdocumenten voor de vreemdeling moeten worden geregeld of dat het vliegveld in het land van herkomst tijdelijk gesloten is vanwege een overstroming.

Ad c

Niet is vereist dat de bescherming die de vreemdeling in het gebied dat geldt als vlucht- of vestigingsalternatief verkrijgt, dezelfde is als de bescherming die de vreemdeling in Nederland zou hebben verkregen.

De vreemdeling dient zich in het gebied te kunnen vestigen en een leven te kunnen leiden onder omstandigheden, die naar plaatselijke maatstaven gemeten als normaal zijn aan te merken. De vreemdeling dient in het betreffende gebied niet achtergesteld te worden in de uitoefening van essentiële rechten ten opzichte van de overige bevolking. Daarnaast dienen de levensomstandigheden in het betreffende gebied in zijn algemeenheid niet zodanig te zijn dat dit op zichzelf al kan leiden tot een humanitaire noodsituatie.

Dat de omstandigheden in het vlucht- of vestigingsalternatief minder gunstig zijn dan in het oorspronkelijke woongebied van de asielzoeker is onvoldoende reden om geen vlucht- of vestigingsalternatief tegen te werpen.

2.3.3. Wijze van toetsing

Een binnenlands vlucht-, dan wel vestigingsalternatief wordt eerst beoordeeld nadat is vastgesteld dat er sprake is van gegronde vrees voor vervolging op basis van een van de in het Vluchtelingenverdrag genoemde gronden of een reëel risico in de zin van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw.

De Minister bepaalt aan de hand van de over het land van herkomst beschikbare informatie of een vlucht- of vestigingsalternatief aanwezig is. Een vlucht- of vestigingsalternatief kan enerzijds algemeen worden vastgesteld voor alle asielzoekers uit dat land of voor een bepaalde bevolkingsgroep. Dit wordt dan in het landengebonden asielbeleid vastgelegd (zie C24). Ook kan een vlucht- of vestigingsalternatief in individuele gevallen worden vastgesteld.

Het is vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vlucht- of vestigingsalternatief in zijn geval niet aanwezig is en dat van hem niet verlangd kan worden dat hij zich elders in het land vestigt.

De vraag of een vlucht- of een vestigingsalternatief aanwezig is, wordt beoordeeld naar het moment waarop de beslissing wordt genomen. Indien ten tijde van het verblijf in het land van herkomst weliswaar een binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief voorhanden was, doch dit op het moment van behandeling van de asielaanvraag niet meer het geval is, wordt dit de asielzoeker niet tegengeworpen. Anderzijds wordt een vlucht- of vestigingsalternatief, dat pas na het vertrek uit het land van herkomst is ontstaan, wel tegengeworpen.

2.4. Terugkeer naar het land van herkomst

Indien er concrete aanwijzingen bestaan dat de asielzoeker na indiening van zijn verblijfsaanvraag naar zijn land van herkomst is gegaan, vormt dit een grond om geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw te verlenen. Het doel van de verblijfsvergunning asiel die is verleend op grond van een van de gronden van artikel 29, eerste lid, onder a tot en met d, Vw, is een persoon te beschermen tegen onverantwoorde risico's bij terugkeer naar het land van herkomst of tegen terugkeer die van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. Indien een persoon, die in het bezit is van de hier bedoelde vergunning, uit eigen vrije wil terugkeert naar zijn land van herkomst en vervolgens terugreist, bestaat aanleiding te veronderstellen dat hij bij terugkeer geen onverantwoorde risico's zal lopen en dat de terugkeer niet van onevenredige hardheid is.

Voor verdragsvluchtelingen is dit principe eveneens vastgelegd in artikel 1C Vluchtelingenverdrag.

2.5. Verstrekken onjuiste gegevens

Een contra-indicatie voor statusverlening is de omstandigheid dat een asielzoeker onjuiste gegevens aan de Nederlandse autoriteiten verstrekt, dan wel de juiste gegevens verzwijgt teneinde te bewerkstelligen dat hij in een gunstiger positie komt te verkeren dan waarin hij zonder deze onjuiste gegevens zou verkeren. Hieronder vallen bijvoorbeeld:

  • het achterhouden van een paspoort, teneinde de legale uitreis of afgiftedatum van het document et cetera voor de Nederlandse autoriteiten verborgen te houden;

  • het verstrekken van onjuiste gegevens met betrekking tot de identiteit, waardoor mogelijkheden van onderzoek, bijvoorbeeld ten aanzien van verblijf in een derde land, worden belemmerd;

  • het presenteren van een niet op de betrokken asielzoeker betrekking hebbend asielrelaas als het eigen asielrelaas;

  • het niet vermelden van een verblijf in een ander land vóór de komst naar Nederland;

  • het verstrekken van onjuiste gegevens over het reizen naar het land van herkomst;

  • het achterhouden van strafrechtelijke gegevens (bijvoorbeeld buitenlandse vonnissen).

Deze opsomming is uitdrukkelijk niet uitputtend bedoeld.

Het verstrekken van onjuiste gegevens vormt een aanwijzing dat de asielzoeker zich na afwijzing aan het toezicht zal onttrekken en illegaal in Nederland of in het Schengengebied zal verblijven. In dit geval kan de vreemdeling in bewaring worden gesteld ter fine van verwijdering (zie A6).

Bij de beoordeling of onjuiste gegevens zijn verstrekt worden handelingen van een gemachtigde aan de vreemdeling toegerekend.

3. De specifieke afwijzingsgronden

3.1. Al eerder onder een andere naam een aanvraag ingediend

Teneinde kennelijk bedrog via een naamsverandering tegen te gaan, is in de Vw opgenomen dat bij de beoordeling van de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling reeds eerder, onder een andere naam, een aanvraag om verblijf in Nederland heeft ingediend. Het kan hier ook gaan om een eerdere aanvraag op basis van het reguliere vreemdelingenbeleid.

Indien de asielzoeker desondanks meent dat hij bescherming behoeft, wordt van hem een grotere inspanning verwacht om de noodzaak hiertoe aannemelijk te maken.

3.2. Zonder geldige reden niet beschikbaar gehouden

Artikel 55, eerste lid, Vw bepaalt dat een vreemdeling zich, in verband met het onderzoek naar de inwilligbaarheid van de aanvraag om een verblijfsvergunning, beschikbaar moet houden op een door de Minister aangewezen plaats, overeenkomstig de gegeven aanwijzingen.

Indien de asielzoeker zich (tijdelijk) niet beschikbaar houdt zonder daarvoor een geldige reden te hebben, wordt deze omstandigheid mede betrokken in het onderzoek naar de aanvraag.

Indien een asielzoeker niet verschijnt voor het nader gehoor, kan niet zonder meer tot afwijzing van de aanvraag worden overgegaan. Eerst dient immers duidelijk te worden of betrokkene een geldige reden had om niet te verschijnen. Zorgvuldige toepassing brengt met zich mee dat de asielzoeker een tweede maal wordt opgeroepen om in de gelegenheid te zijn zich nader te verklaren.

3.3. Niet onverwijld gemeld

Bij de beoordeling van de aanvraag wordt mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling niet beschikt over een voor toegang tot Nederland vereist document voor grensoverschrijding, tenzij de aanvrager zich onverwijld onder opgave van de plaats waar of waarlangs hij Nederland is binnengekomen, heeft vervoegd bij een ambtenaar, belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wenst.

Deze bepaling is gebaseerd op artikel 31 Vluchtelingenverdrag. Zij beoogt illegale immigratie tegen te gaan zonder dat daarbij vluchtelingen in de zin van dit verdrag het risico lopen te worden gerefouleerd.

Aan een asielzoeker wordt niet tegengeworpen dat hij geen grensoverschrijdingsdocumenten bezit, indien hij zich uit eigen beweging, zo snel als redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gemeld. De termijn hiervoor is gesteld op 48 uur na binnenkomst in Nederland.

Indien de asielzoeker die niet in het bezit is van de vereiste documenten, een dergelijke melding niet heeft gedaan en hij wordt bij het binnenlands vreemdelingentoezicht aangetroffen, dan kan zijn aanvraag worden afgewezen.

Indien de asielzoeker desondanks meent dat hij bescherming behoeft, wordt van hem een grotere inspanning verwacht om de noodzaak hiertoe aannemelijk te maken.

3.4. Valse of vervalste documenten

Indien de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan heeft volgehouden, wordt deze omstandigheid mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag.

Het gaat hier om bedrog van de zijde van de asielzoeker, dat in beginsel niet tot inwilliging van de aanvraag kan leiden. Iedere vreemdeling die een verblijfsvergunning asiel aanvraagt, dient de waarheid te spreken en mag niets achterhouden aangaande de (beweerde) vluchtsituatie.

Soms mag een vreemdeling, om aan een objectieve vluchtsituatie te ontkomen, zich bedienen van vervalste of verkeerde bescheiden – maar, eenmaal in Nederland aangekomen, dient hij dit onmiddellijk aan te geven ten genoege van het bevoegd gezag. Houdt de vreemdeling bij het overleggen van de documenten en gevraagd naar de echtheid, opzettelijk vol – hij wil dus niet meewerken – dan kan dit tot afwijzing leiden.

Indien de asielzoeker desondanks meent dat hij bescherming behoeft, wordt van hem een grotere inspanning verwacht om de noodzaak hiertoe aannemelijk te maken.

3.5. Documenten die niet op de vreemdeling betrekking hebben

Indien de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag opzettelijk reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd die niet op hem betrekking hebben, wordt deze omstandigheid mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag.

Ook hier gaat het om bedrog van de zijde van de asielzoeker, waarvoor dezelfde redenering geldt als aangegeven in C14/2.

Indien de asielzoeker desondanks meent dat hij bescherming behoeft, wordt van hem een grotere inspanning verwacht om de noodzaak hiertoe aannemelijk te maken.

3.6. Toerekenbaar geen of onvoldoende documenten overgelegd

3.6.1. Toepassing

Indien de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag en de vreemdeling niet aannemelijk maakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan hem is toe te rekenen, wordt deze omstandigheid mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag.

Op grond van artikel 37, onder c, Vw en artikel 3.114 Vb dient de vreemdeling alle relevante documenten te overleggen.

Het toerekenbaar ontbreken van documenten moet in de context van het totale feitencomplex worden beschouwd. Daarbij tast het toerekenbaar ontbreken van documenten de geloofwaardigheid van het asielrelaas aan.

Indien de asielzoeker desondanks meent dat hij bescherming behoeft, wordt van hem een grotere inspanning verwacht om de noodzaak hiertoe aannemelijk te maken.

De toetsing aan artikel 31, tweede lid, onder f, Vw vindt plaats aan de hand van de volgende drie vragen:

  • 1. Welke voor de beoordeling van de asielaanvraag noodzakelijke documenten ontbreken?

  • 2. Is het aannemelijk dat het ontbreken van die documenten niet aan de asielzoeker is toe te rekenen?

  • 3. Heeft de asielzoeker mede vanwege het toerekenbaar ontbreken van documenten niet aannemelijk kunnen maken dat zijn asielaanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf of in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen?

    Zo ja: met inachtneming van de hierna volgende paragrafen wordt artikel 31, tweede lid, onder f, Vw toegepast.

De manier waarop deze vragen moeten worden beantwoord, wordt toegelicht in C4/3.6.2, C4/3.6.3 en C4/3.6.4.

3.6.2. Documenten

Welke voor de beoordeling van de asielaanvraag noodzakelijke documenten ontbreken?

Voor de beoordeling van een asielaanvraag zijn de volgende elementen, en dus documenten die dit onderbouwen, van belang:

  • de identiteit van de asielzoeker;

  • de nationaliteit van de asielzoeker;

  • de reisroute van de asielzoeker;

  • het asielrelaas van de asielzoeker.

Identiteit

De documenten die de identiteit onderbouwen, zijn officiële, door de overheid afgegeven documenten met daarin ten minste een pasfoto en de geboorteplaats en -datum van de asielzoeker.

Nationaliteit

Het document waarmee de nationaliteit kan worden onderbouwd is een paspoort of een ander door de overheid afgegeven document met pasfoto waarin staat aangegeven dat de asielzoeker de nationaliteit van het betreffende land bezit.

Reisroute

De documenten die de reisroute onderbouwen, zijn in de eerste plaats de reisdocumenten waarvan men zich bediend heeft bij grenscontroles tijdens de reis naar Nederland (echte, valse of vervalste grensoverschrijdingsdocumenten). In de tweede plaats betreft dit alle andere documenten en bescheiden op grond waarvan kan worden vastgesteld welke reisroute de asielzoeker heeft gevolgd. Het reisverhaal kan worden onderbouwd met alle documenten en bescheiden die gelden als formeel of indicatief bewijs in het kader van de Verordening, zoals: treinkaartjes, hotelrekeningen, toegangsbewijzen voor particuliere of openbare instellingen in de EU-lidstaten et cetera.

Voor de lijsten met beschrijvingen van respectievelijk formeel bewijs en indicatief bewijs wordt verwezen naar de bewijslijsten in het Besluit 1/97 van het Comité van artikel 18 bij de Overeenkomst van Dublin.

Asielrelaas

Het asielrelaas kan worden onderbouwd met documenten ter staving van hetgeen men stelt te hebben meegemaakt in het land van herkomst. Het gaat dan om bijvoorbeeld arrestatiebevelen, oproepen of vonnissen van rechtbanken, krantenartikelen en andere relevante documenten.

3.6.3. Beoordeling van de toerekenbaarheid

Wanneer is vastgesteld dat op één of meer elementen op grond waarvan de beoordeling van de asielaanvraag plaatsvindt (identiteit/nationaliteit/reisroute/asielrelaas) documenten ontbreken, wordt onderzocht of het aannemelijk is dat het ontbreken van documenten niet aan de betreffende asielzoeker is toe te rekenen.

Indien wordt vastgesteld dat ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit, reisroute of asielrelaas documenten ontbreken en dat dit is toe te rekenen aan de asielzoeker, is dit reeds voldoende voor de algemene conclusie dat sprake is van ‘het toerekenbaar ontbreken van documenten’.

In het kader van deze beoordeling worden steeds de volgende vragen beantwoord:

  • a. Zijn de verklaringen omtrent het betreffende element en het ontbreken van de betreffende documenten consistent en geloofwaardig?

  • b. Komen deze verklaringen overeen met hetgeen overigens bekend is?

Is het antwoord op vraag a en/of b ‘nee’, dan is het aannemelijk dat het ontbreken van deze documenten aan de asielzoeker is toe te rekenen.

Hierbij gelden de volgende aandachtspunten.

Verklaringen omtrent het ontbreken van documenten na vertrek uit het land van herkomst

Een vreemdeling behoort zijn documenten zorgvuldig te bewaren. Indien de asielzoeker verklaart dat zijn documenten na binnenkomst in Nederland zijn zoekgeraakt of weggemaakt, zal dit vrijwel altijd toerekenbaar zijn aan de betrokken asielzoeker. Als hij deze in Nederland verliest, of in enig ander land waar hij reeds veilig was, is in beginsel sprake van het toerekenbaar ontbreken van documenten.

Indien de asielzoeker verklaart dat de documenten zijn afgegeven aan de reisagent geldt het volgende.

Het uitgangspunt is dat de situatie waarin een vreemdeling zijn documenten aan de reisagent heeft afgestaan aan de vreemdeling is toe te rekenen. De vreemdeling is in het algemeen op het moment dat de papieren aan de reisagent worden meegegeven reeds in een land waar bescherming van de betreffende autoriteiten kan worden ingeroepen. Op dat moment kan van de vreemdeling worden verlangd dat hij direct die bescherming inroept en dat hij zich met alle beschikbare documenten bij die autoriteiten legitimeert en met alle beschikbare documenten zijn asielaanvraag onderbouwt. Daarin heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid. De asielzoeker vraagt om bescherming, de overheid vraagt aan de asielzoeker om bekend te maken wie hij is en hoe hij naar Nederland is gekomen.

Wanneer de asielzoeker aannemelijk maakt dat de papieren onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag volledig meewerkt en geloofwaardig is, is het ontbreken van documenten niet aan hem toe te rekenen.

Identiteit

‘Hetgeen overigens bekend is’ betreft bij het ontbreken van identiteitsdocumenten:

  • de situatie in het land van herkomst (bijvoorbeeld: worden er überhaupt identiteitsdocumenten verstrekt, kan het gevaarlijk zijn om dergelijke documenten aan te vragen); en

  • de onderzoeksresultaten na het controleren van de betreffende systemen (registratie in Nederland, eventuele bekendheid bij andere lidstaten van de EU).

Nationaliteit

‘Hetgeen overigens bekend is’ betreft bij het ontbreken van nationaliteitsbewijzen:

  • de situatie in het land van herkomst (bijvoorbeeld: worden er überhaupt paspoorten verstrekt, kan het gevaarlijk zijn om dergelijke documenten aan te vragen); en

  • de onderzoeksresultaten na het controleren van de betreffende systemen (registratie in Nederland, eventuele bekendheid bij andere lidstaten van de EU).

Reisroute

‘Hetgeen overigens bekend is’ betreft bij het ontbreken van documenten inzake de reis: alle informatie die betrekking heeft op reizen naar Nederland (bekende reisroutes, controle op papieren in de landen van herkomst en tijdens de doorreis in andere landen, de wijze van reizen, aankomst- en vertrektijden en duur en verloop van de reis op grond van vaar-, vlieg- en andere reisschema's).

Hierbij gelden in het bijzonder de volgende aandachtspunten:

  • a. Het is in beginsel niet geloofwaardig dat een asielzoeker geen enkel (indicatief) bewijs van de reis kan overleggen. Ook op zichzelf geloofwaardige verklaringen omtrent het kwijtraken van documenten, impliceren niet automatisch dat de asielzoeker in het geheel geen (reis)bescheiden meer in zijn bezit heeft. Zowel bij een reis over land als een reis per vliegtuig is het onaannemelijk dat een asielzoeker niets aan indicatief bewijs in diens bezit heeft. Zelfs hotelrekeningen, telefoonkaarten, buitenlands geld of suikerzakjes van een luchtvaartmaatschappij en dergelijke kunnen al als indicatie dienen. In dit verband is het relevant dat men bij een reis per vliegtuig vrijwel altijd in het bezit van een (al dan niet vals of vervalst) officieel reisdocument moet zijn geweest. Na een reis per vliegtuig naar de EU moet in ieder geval het vluchtnummer kunnen worden vastgesteld, bijvoorbeeld op grond van het vliegtuigticket en/of de instapkaart. Daarnaast geldt dat bagage tijdens de vliegreis is voorzien van etiketten met vermelding van het vluchtnummer. Indien een asielzoeker in het bezit van bagage is, moet hij ook dergelijk bewijs kunnen overleggen.

  • b. In het geval dat een asielzoeker geen documenten inzake de reisroute overlegt, maar omtrent de reisroute en het ontbreken van documenten een consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaring aflegt, geeft hij blijk van wil tot medewerking aan de vaststelling van de reisroute. Wanneer de verifieerbare elementen blijken te kloppen, kan de conclusie zijn dat het volledig ontbreken van documenten inzake de reisroute niet aan de asielzoeker is toe te rekenen.

    Verifieerbare elementen zijn bijvoorbeeld:

    • de omschrijving van aankomst in de EU, zoals aankomst met de boot en omschrijving van de haven (na onderzoek blijkt de betreffende boot inderdaad op die route en tijden te varen en klopt de omschrijving van de haven; in geval van een passagierslijst kan gecheckt worden of de vreemdeling inderdaad aanwezig was);

    • asiel hebben gevraagd in een ander land en inderdaad in die hoedanigheid bekend zijn.

  • c. Verklaringen die inhouden dat een asielzoeker geen documenten heeft én niets meer weet van de reis zijn niet geloofwaardig. Het is aan de asielzoeker om aannemelijk te maken dat hij daadwerkelijk op een dergelijke wijze heeft gereisd. Dit bewijs kan alsnog worden geleverd door consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de reis (nauwkeurige omschrijving vervoermiddel en verloop van de reis).

Asielrelaas

Voordat kan worden overgegaan tot de beoordeling van het asielrelaas zullen eerst de identiteit, de nationaliteit en de reisroute zoveel mogelijk moeten worden vastgesteld. Wanneer (een van) deze eerste drie elementen niet (kan) kunnen worden vastgesteld vanwege het toerekenbaar ontbreken van documenten, zal ook het vluchtrelaas in geloofwaardigheid worden aangetast.

Vervolgens geldt: naar mate het vluchtrelaas geloofwaardiger is, zal een diepgaander onderzoek naar de feiten moeten worden gedaan. De geloofwaardigheid van een vluchtrelaas is in ieder geval groter wanneer de gestelde feiten worden onderbouwd met documenten, zoals arrestatiebevelen, artikelen in kranten (bijvoorbeeld indien men stelt als ‘gezocht’ in de krant te hebben gestaan) of oproepen van rechtbanken en dergelijke.

Wanneer het vluchtrelaas (ook) niet wordt onderbouwd met documenten moet de asielzoeker aannemelijk maken dat dit niet aan hem is toe te rekenen.

‘Hetgeen overigens bekend is’ betreft bij het ontbreken van documenten inzake het asielrelaas de situatie in het land van herkomst.

3.6.4. Inhoudelijke beoordeling

Nadat is vastgesteld dat er sprake is van het toerekenbaar ontbreken van documenten, vindt de inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag plaats.

Toepassing van artikel 31, tweede lid, onder f, Vw vindt uitsluitend plaats na een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag waaruit blijkt dat sprake is van de volgende omstandigheden:

  • de asielzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van documenten niet aan hem is toe te rekenen; én

  • de asielzoeker heeft mede vanwege het toerekenbaar ontbreken van documenten niet aannemelijk kunnen maken dat zijn asielaanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf hetzij in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen.

3.7. Veilig land van herkomst

Indien de vreemdeling afkomstig is uit een land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de mensenrechtenverdragen die worden genoemd in artikel 30, onder d, Vw en hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het land van herkomst ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, wordt deze omstandigheid mede betrokken bij het onderzoek naar de aanvraag. De hier bedoelde landen worden beschouwd als veilige landen van herkomst en om deze reden bestaat een algemeen rechtsvermoeden dat in het betrokken land geen vervolging dreigt of andere risico's als genoemd in artikel 29, eerste lid, onder b en c, Vw.

In het kader van deze bepaling is dus geen sprake van een lijst van veilige landen, maar van een systeem waarbij het gaat om landen die de bedoelde verdragen hebben onderschreven en het ook aannemelijk is dat die landen de verdragen nakomen.

Aan een vreemdeling die afkomstig is uit een land dat weliswaar partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de verdragen genoemd in artikel 30, onder d, Vw, maar waarvan uit feiten van algemene bekendheid is gebleken dat dit land de verdragsverplichtingen niet naleeft, wordt artikel 31, eerste lid, onder g, Vw niet tegengeworpen. Hierbij wordt gedacht aan landen waarop artikel 29, eerste lid, onder d, Vw (categoriale bescherming, zie C2/5) of een besluitmoratorium als bedoeld in artikel 43 Vw (zie C19) van toepassing is en landen waarvan uit ambtsberichten blijkt dat zij elementaire mensenrechten schenden.

Ten aanzien van deze vreemdelingen kan de presumptie van veiligheid, die volgt uit de ondertekening van de genoemde verdragen, niet onverkort gehandhaafd worden. De vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij afkomstig is uit zo’n land zal al snel aannemelijk kunnen maken dat dat land de verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt.

Bij de vraag of het betreffende land ten aanzien van de individuele asielzoeker zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, vormt het relaas van de asielzoeker het uitgangspunt. De asielzoeker moet duidelijk maken wat er aan de hand is en hoe dat past in de context van het land waar hij vandaan komt.

De bewijslastverdeling ligt hier echter niet eenzijdig bij de asielzoeker. Bij de behandeling van de aanvraag wordt ook door de IND bekeken en meegewogen of het betreffende land in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft.

3.8. Veilig derde land

3.8.1. Algemeen

Bij de beoordeling van de aanvraag wordt mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling heeft verbleven in een derde land dat partij is bij het Vluchtelingenverdrag en een van de mensenrechtenverdragen die worden genoemd in artikel 30, onder d, Vw. Deze landen worden beschouwd als veilige derde landen. Een uitzondering geldt echter voor landen die op grond van artikel 1B Vluchtelingenverdrag alleen vluchtelingen erkennen die afkomstig zijn uit Europa.

Het gaat hier om de situatie waarin de asielzoeker na het vertrek uit het land van herkomst niet rechtstreeks naar Nederland is gereisd, maar heeft verbleven in een derde land, dat op grond van de Vw is aangemerkt als veilig derde land. Op grond van deze bepaling bestaat er, indien de asielzoeker heeft verbleven in een veilig derde land, een algemeen rechtsvermoeden dat ten aanzien van hem geen vervolging dreigt of andere risico's als genoemd in artikel 29, eerste lid, onder b en c, Vw bestaan.

In het kader van deze bepaling is dus geen sprake van een lijst van veilige derde landen, maar van een systeem waarbij het gaat om landen die de bedoelde verdragen hebben onderschreven en het ook aannemelijk is dat die landen de verdragen nakomen.

Op grond van artikel 3.106a, eerste lid, Vb wordt artikel 31, eerste lid, onder h, Vw niet tegengeworpen aan een vreemdeling die heeft verbleven in een land dat weliswaar partij is bij het Vluchtelingenverdrag en één van de verdragen genoemd in artikel 30, eerste lid, onder d, Vw, maar waarvan uit feiten van algemene bekendheid is gebleken dat dit land de verdragsverplichtingen niet naleeft. Hierbij wordt gedacht aan landen waarop artikel 29, eerste lid, onder d, Vw (categoriale bescherming, zie C2/5) of een besluitmoratorium als bedoeld in artikel 43 Vw (zie C19) van toepassing is en landen waarvan uit ambtsberichten blijkt dat zij elementaire mensenrechten schenden.

Ten aanzien van deze vreemdelingen kan de presumptie van veiligheid, die volgt uit de ondertekening van de genoemde verdragen, niet onverkort worden gehandhaafd. De vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij heeft verbleven in zo'n land zal al snel aannemelijk kunnen maken dat dat land de verdragsverplichtingen ten aanzien van hem niet nakomt.

Bij de vraag of het betreffende land ten aanzien van de individuele asielzoeker zijn verdragsverplichtingen niet nakomt, vormt het relaas van de asielzoeker het uitgangspunt. De asielzoeker moet duidelijk maken wat er aan de hand is en hoe dat past in de context van het land waar hij heeft verbleven.

De bewijslastverdeling ligt hier echter niet eenzijdig bij de asielzoeker. Bij de behandeling van de aanvraag wordt ook door de IND bekeken en meegewogen of het betreffende land in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft.

Deze bepaling kan voorts slechts worden toegepast als vaststaat dat de vreemdeling ook daadwerkelijk zal worden toegelaten tot het veilige derde land en aldaar zal zijn gevrijwaard van refoulement.

3.8.2. Doorreis en verblijf

Op grond van artikel 3.106a, tweede lid, Vb kan de asielaanvraag alleen worden afgewezen op grond van artikel 31, tweede lid, onder h, Vw als de vreemdeling een zodanige band met het derde land heeft, dat het voor hem redelijk zou zijn naar dat land te gaan.

De afwijzingsgrond van artikel 31, tweede lid, onder h, Vw wordt alleen toegepast indien er sprake is van verblijf in een veilig derde land, dus niet als de vreemdeling alleen is doorgereisd door dat land. Er is sprake van verblijf als uit objectieve feiten of omstandigheden is gebleken dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had om naar Nederland te reizen. Als richtlijn wordt de volgende stelregel gehanteerd:

  • Een verblijf van twee weken of meer in een derde land wijst erop dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had naar Nederland te reizen, tenzij uit objectieve feiten en/of omstandigheden (zoals overgelegde documenten) blijkt dat hij die intentie in het land van herkomst wél had.

  • Indien de vreemdeling minder dan twee weken in een derde land heeft verbleven, wordt aangenomen dat hij in het land van herkomst de intentie had om naar Nederland te reizen, tenzij uit objectieve feiten/omstandigheden (zoals overgelegde documenten) het tegenovergestelde blijkt. Te denken valt aan reisdocumenten die geen enkele indicatie voor een reis naar Nederland opleveren.

3.8.3. Verhouding met artikel 30, eerste lid, onder a en d, Vw

Een aantal landen dat wordt aangemerkt als veilig derde land, is partij bij de Verordening of bij een terug- of overnameovereenkomst als bedoeld in artikel 30, eerste lid, onder d, Vw.

Zoals in C14/1 is aangegeven, wordt bij de beoordeling van een asielaanvraag allereerst beoordeeld of de asielaanvraag op grond van artikel 30 Vw moet worden afgewezen. Als dat het geval is, wordt de asielaanvraag niet inhoudelijk beoordeeld op de toepasselijkheid van artikel 29 en 31 Vw en wordt de toepasselijkheid van artikel 31, tweede lid, onder h, Vw niet onderzocht.

3.9. Land van eerder verblijf

3.9.1. Inleiding

Bij de beoordeling van de aanvraag wordt op grond van artikel 31, tweede lid, onder i, Vw mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling in een land van eerder verblijf zal worden toegelaten totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden.

De toepasselijkheid van deze bepaling wordt alleen onderzocht als artikel 31, tweede lid, onder h, Vw (veilige derde landen) in de individuele casus niet van toepassing is.

3.9.2. Voorwaarden voor afwijzing

Een asielaanvraag kan op grond van deze bepaling worden afgewezen, indien:

  • de asielzoeker niet rechtstreeks naar Nederland is gekomen en voor zijn komst in een ander land genoegzame bescherming genoot of had kunnen genieten tegen refoulement; en

  • hij naar het oordeel van de Minister in dat land verbleef of had kunnen verblijven onder ter plaatse niet als abnormaal aan te merken omstandigheden; en

  • gebleken is dat dit land hem zal toelaten totdat hij elders duurzame bescherming zal hebben gevonden.

Aan de hand van onderstaande vragen wordt bepaald of een derde land, waar de asielzoeker heeft verbleven, kan worden aangemerkt als land van eerder verblijf en of artikel 31, tweede lid, onder i, Vw van toepassing is.

3.9.3. Vaststelling van eerder verblijf

Als de volgende situaties cumulatief van toepassing zijn, is er sprake van een land van eerder verblijf.

  • a. De vreemdeling is vanuit zijn land van herkomst niet rechtstreeks naar Nederland gekomen;

  • b. Uit objectieve feiten of omstandigheden is gebleken dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had om naar Nederland te reizen;

  • c. De vreemdeling verbleef in het derde land of had aldaar kunnen verblijven onder omstandigheden die ter plaatse niet als abnormaal moeten worden aangemerkt.

ad b.

Als richtlijn wordt de volgende stelregel gehanteerd:

  • Een verblijf van twee weken of meer in een derde land wijst erop dat de vreemdeling in het land van herkomst niet de intentie had naar Nederland te reizen, tenzij uit objectieve feiten en/of omstandigheden (zoals overgelegde documenten) blijkt dat hij die intentie in het land van herkomst wél had.

  • Indien de vreemdeling minder dan twee weken in een derde land heeft verbleven, wordt aangenomen dat hij in het land van herkomst de intentie had om naar Nederland te reizen, tenzij uit objectieve feiten/omstandigheden (zoals overgelegde documenten) het tegenovergestelde blijkt. Te denken valt aan reisdocumenten die geen enkele indicatie voor een reis naar Nederland opleveren.

3.9.4. Duurzame bescherming in het land van eerder verblijf