Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vreemdelingencirculaire 2000 (A)

Geldend van 09-02-2012 t/m 31-03-2012

Vreemdelingencirculaire 2000 (A)

Afkortingenlijst

ABRvS

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

AC

Aanmeldcentrum

ACVZ

Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken

AIVD

Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst

Amv

Alleenstaande minderjarige vreemdeling

AOW

Algemene Ouderdomswet

APV

Algemene Plaatselijke Verordening

Awb

Algemene wet bestuursrecht

BKA

Buitenlands Kind ter Adoptie

BMA

Bureau Medische Advisering

BuZa

(Ministerie/Minister van) Buitenlandse Zaken

BVV

Basisvoorziening vreemdelingensysteem

BZK

(Ministerie/Minister van) Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

B&W

Burgemeester en Wethouders

CAO

Collectieve arbeidsovereenkomst

COA

Centraal Orgaan opvang Asielzoekers

DJI

Dienst Justitiële Inrichtingen

DNRI

Dienst Nationale Recherche Informatie

DT&V

Dienst Terugkeer en Vertrek

EG

Europese Gemeenschap

EEG

Europese Economische Gemeenschap

EER

Europese Economische Ruimte

EU

Europese Unie

EZ

(Ministerie/Minister van) Economische Zaken

Flexwet

Wet Flexibiliteit en Zekerheid (Stb. 1998, 300)

GBA

Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens

GG&GD

Geneeskundige en gezondheidsdienst

HKS

Herkenningsdienstsysteem

IND

Immigratie- en Naturalisatiedienst

IOM

Internationale Organisatie voor Migratie

JDS

Justitieel documentatiesysteem

KMar

Koninklijke Marechaussee

KLPD

Korps Landelijke Politiediensten

KLM

Koninklijke Luchtvaart Maatschappij

MTV

Mobiel Toezicht Vreemdelingen

mvv

Machtiging tot voorlopig verblijf

NGO

Non-gouvernementele organisatie

(N)SIS

(Nationaal) Schengen Informatiesysteem

NVVB

Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken

OCW

(Ministerie/Minister van) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

OM

Openbaar Ministerie

OPS

Opsporingsregister

Pb.

Publicatieblad

PIL

Protocol Identificatie en Labeling

PTSS

Posttraumatische stressstoornis

REAN

Return and Emigration of Aliens from the Netherlands

ROA

Regeling Opvang Asielzoekers

Rva

Regeling verstrekkingen asielzoekers e.a. categorieën vreemdelingen 2005

Rvb

Regeling verstrekkingen bepaalde categorieën vreemdelingen

RvS

Raad van State

Rwn

Rijkswet op het Nederlanderschap

SGC

Verordening (EG) Nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode)

SIRENE

Supplementary Information Request at the National Entries

SIS

Schengen Informatiesysteem

SRA

Stichting Rechtsbijstand Asiel

Stb.

Staatsblad

Stcrt.

Staatscourant

SUO

Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen

SVB

Sociale Verzekeringsbank

SZW

(Ministerie/Minister van) Sociale Zaken en Werkgelegenheid

TBC

Tuberculose

TBS

Terbeschikkingstelling

Trb.

Tractatenblad

TWV

Tewerkstellingsvergunning

UNDP

United Nations Development programme

UNHCR

United Nations High Commissioner for Refugees

UNRWA

United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East

UWV

Uitvoeringsinstelling werknemersverzekering

Vb

Vreemdelingenbesluit

Vc

Vreemdelingencirculaire

VIS

Verificatie- en informatiesysteem

VN

Verenigde Naties

VNG

Vereniging van Nederlandse Gemeenten

VRIS

Vreemdelingen in de strafrechtketen

VROM

(Ministerie/Minister van) Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer

VV

Voorschrift Vreemdelingen

Vw

Vreemdelingenwet

VWS

(Ministerie/Minister van) Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Wajong

Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

WAO

Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering

Wav

Wet arbeid vreemdelingen

WAZ

Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen

Wbp

Wet bescherming persoonsgegevens

WHW

Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek

WIA

Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

WIW

Wet Inschakeling Werkzoekenden

Wob

Wet openbaarheid van bestuur

Wobka

Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie

WSF

Wet op de Studiefinanciering

Wsw

Wet Sociale werkvoorziening

WvSr

Wetboek van Strafrecht

WvSv

Wetboek van Strafvordering

WW

Werkeloosheidswet

Wwb

Wet werk en bijstand

ZHP

Dienst Zeehavenpolitie van de politieregio Rotterdam-Rijnmond

ZW

Ziektewet

Lijst Richtlijnen, Verordeningen en Verdragen

Richtlijnen

Citeertitel

Officiële benaming

Publicatie

Richtlijn 2001/55

Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequentie van de opvang van deze personen

Pb. EG L 212

Richtlijn 2003/109

Richtlijn 2003/109/EG van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen

Pb. EU L 16

Richtlijn 2003/110

Richtlijn 2003/110/EG van 25 november 2003 betreffende de ondersteuning bij de doorgeleiding in het kader van maatregelen tot verwijdering door de lucht

Pb. EU L 321

Richtlijn 2003/86

Richtlijn 2003/86/EG van 22 september 2003 van de Raad van de EU inzake het recht op gezinshereniging

Pb. EU L 51, 12

Richtlijn 2003/9

Richtlijn 2003/9/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten

Pb. EG L 031

Richtlijn 2004/38

Richtlijn 2004/ 38/ EG van 29 april 2004, betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) 1612/ 68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/ 221/ EEG, 68/ 360/ EEG, 72/ 194/ EEG, 73/ 148/ EEG, 75/ 34/ EEG, 75/ 35/ EEG, 90/ 364/ EEG, 90/ 365/ EEG en 93/ 96/ EEG

Pb. EU L 229

Richtlijn 2004/82

Richtlijn 2004/82/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verplichting voor vervoerders om passagiersgegevens door te geven

Pb. EU L 261

Richtlijn 2004/83

Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming

Pb.EU L 304

Richtlijn 2005/71

Richtlijn 2005/71/EG van 12 oktober 2005, betreffende een specifieke procedure voor de toelating van onderdanen van derde landen met het oog op wetenschappelijk onderzoek

Pb. EU L 289

Richtlijn 2005/85

Richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus

Pb. EU L 326

Richtlijn 2004/ 114

Richtlijn 2004/114/EG van de Raad van 13 december 2004 betreffende de voorwaarden voor de toelating van onderdanen van derde landen meet oog op studie, scholierenuitwisseling, onbezoldigde opleiding of vrijwilligerswerk

PB L 375

Verordeningen

Citeertitel

Officiële benaming

Publicatie

Schengengrenscode

Verordening (EG) 562/2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen

Pb. EU L 105

Verordening 2133/2004

Verordening (EG) 2133/2004 van de Raad van 13 december 2004 waarbij voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten de verplichting wordt ingevoerd om in de reisdocumenten van onderdanen van derde landen bij het overschrijden van de buitengrenzen van de lidstaten systematisch een stempel aan te brengen, en waarbij de bepalingen van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen en het gemeenschappelijk handboek daartoe worden gewijzigd

Pb. EU L 369/ 5

Verordening 1560/2003

Verordening (EG) 1560/2003 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) 343/2003 van de Raad tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij één van de lidstaten wordt ingediend

Pb. EU L 222

Verordening 1612/68

Verordening 1612/68/EEG betreffende het vrije verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap

Pb. EU L 257

Verordening 2725/2000

Verordening 2725/2000 van de raad van 11 december 2000 betreffende de instelling van ‘Eurodac’ voor de vergelijking van vingerafdrukken ten behoeve van een doeltreffende toepassing van de Overeenkomst van Dublin

Pb. EU L 316

Verordening 343/2003

Verordening (EG) 343/2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend

Pb. EU L 50

Verordening 539/2001

Verordening (EG) 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld

Pb. EU L 81

Visumcode

Verordening (EG) 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode

Pb. EU L 243/1

Verordening 265/2010

Verordening (EU) 265/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 25 maart 2010 tot wijziging van de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord en Verordening (EG) 562/2006 wat het verkeer van personen met een visum voor verblijf van langere duur betreft.

Pb. EU L 85

Verdragen

Citeertitel

Officiële benaming

Publicatie

Antifolterverdrag

Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing

Trb. 1985, 69, Trb. 1963, 184 en Trb. 1964, 71

Associatiebesluit 1/80

Associatiebesluit van de Associatieraad EEG/ Turkije 1/80

Niet gepubliceerd

Associatieovereenkomst EEG-Israël

Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de staat Israël betreffende liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer en de vervanging van de Protocollen nrs. 1 en 2 bij de associatieovereenkomst tussen de EG en Israël

Pb. EU 2003 L 346 en Trb. 2004, 144

Associatieovereenkomst EEG-Jordanië

Euro-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitische Koninkrijk Jordanië, anderzijds

Pb. EU L 283 en Trb. 2002, 115

Associatieovereenkomst EEG-Marokko

Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko inzake de liberaliseringsmaatregelen voor het onderling handelsverkeer en de vervanging van de landbouwprotocollen bij de Associatieovereenkomst tussen de EG en het Koninkrijk Marokko

Pb. EU 2003 L 345 en Trb. 2004, 144

Associatieovereenkomst EG- Turkije

Associatieovereenkomst tussen de EG en de Republiek Turkije

Pb. EU 1964, 217

Benelux Verdrag

Verdrag tot instelling van de Benelux Economische Unie

Trb. 1958, 18

Benelux- overeenkomst

Overeenkomst tussen het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, inzake de verlegging van de personencontrole naar de buitengrenzen van het Beneluxgebied

Trb.  1960, 40

BuPo

Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten

Trb. 1990, 46, Nederlandse vertaling Trb. 1990, 170

Consulaire verdrag

Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen

Trb. 1981, 143

Diplomatenverdrag

Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer

Trb. 1962, 159

EER- overeenkomst

Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, gewijzigd bij het Protocol tot aanpassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte

Trb. 1992, 132 en Trb. 1993, 203

EG- Verdrag

Verdrag tot oprichting van de Europese gemeenschap

Trb. 1957, 9

ESH

Europees Sociaal Handvest

Trb. 2004, 13

Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand

Europese Verdrag betreffende sociale en medische bijstand met bijlage en protocol betreffende de vluchtelingen van 11 december 1953

Trb. 1954, 200

Europees verdrag migrerende werknemers

Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers

Trb. 1978, 70

Europees vestigingsverdrag

Europees vestigingsverdrag

Trb. 1957, 20

Europese overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen

Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen

Trb. 1959, 153, Trb. 1960, 111, Trb. 1968, 48, Trb. 1995, 232

Europese overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen

Europese overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen

Trb. 1982, 24

EU- Verdrag

Verdrag betreffende de Europese Unie

Pb. EU C 191 en Trb. 1992, 74, Trb. 1993, 159

EVRM

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zoals gewijzigd door Protocol 11 met de aanvullende Protocollen 1, 4, 6, 7, 12 en 13

Trb. 1951, 154 en Trb. 2004, 285

Gewijzigd Nederlands- Zwitsers Traktaat

Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat

Trb. 1996, 217

Haags adoptieverdrag

Verdrag inzake de bescherming van kinderen en de samenwerking op het gebied van de interlandelijke adoptie

Trb. 1993, 197 en Trb. 1996, 94

Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee

Internationaal Verdrag voor de Beveiliging van Mensenlevens op Zee

Trb. 1978, 189

IVRK

Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind

Trb. 1990, 46

Nationaliteitenverdrag

Verdrag van Straatsburg van 6 mei 1963 betreffende beperking van de gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit

Trb. 1964, 4 en Trb. 1985, 75

Nederlands- Amerikaans Vriendschapsverdrag

Het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika; het Nederlands Amerikaans Vriendschapsverdrag

Trb. 1956, 40 en Trb. 1957, 234

Nederlands- Duits Vestigingsverdrag

Nederlands- Duits Vestigingsverdrag

Stb. 1906, 279

Nederlands – Japans Handelsverdrag

Het Verdrag van handel en scheepvaart tussen Nederland en Japan

Stb. 1913, 389

Nederlands- Zwitsers Traktaat

Traktaat van vriendschap, vestiging en handel tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondstaat

Stb.1878, 137

Overeenkomst EEG- Tunesië

Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Tunesië inzake de liberaliseringsmaatregelen voor het onderlinge handelsverkeer en de wijziging van de landbouwprotocollen bij de Associatieovereenkomst tussen de EG en de Republiek Tunesië

Pb. EU 1978, L 336

Overeenkomst EG- Zwitserland

Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Zwitserse Bondsstaat, anderzijds, inzake het vrije verkeer van personen

Trb. 2000, 16 en Trb. 2000, 86, Trb. 2002, 104

Overeenkomst Nederland-Suriname 1975

Overeenkomst tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Suriname inzake het verblijf en de vestiging van wederzijde onderdanen

Trb. 1975, 133

Overeenkomst Nederland-Suriname 1981

Overeenkomst tussen Nederland en Suriname inzake de binnenkomst en het verblijf van wederzijdse onderdanen

Trb. 1981, 35 en Trb. 1983, 171

Overeenkomst van Dublin

Overeenkomst betreffende de vaststelling van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de lidstaten van de Europese Gemeenschappen wordt ingediend

Pb. EU 1997 C 254 en Trb. 1991, 129, Trb. 1997, 236

Samenwerkingsovereenkomst EEG- Marokko

Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Marokko

Pb. EU L 264

Samenwerkingsovereenkomst EEG-Tunesië

Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de republiek Tunesië

Pb. EU L 265

Samenwerkingsovereenkomst EEG- Algerije

Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de democratische volksrepubliek Algerije

Pb.EUL 263

Schengenakkoord

Akkoord van Schengen inzake vrij personenverkeer tussen de deelnemende landen

Trb. 1990, 145

Staatlozenverdrag

Verdrag betreffende de Status van Staatlozen

Trb. 1957, 22

SUO

Schengen Uitvoeringsovereenkomst

SCH/ Com-ex (94) 29, 2e herziening

Toescheidingsovereenkomst Nederland- Suriname

Toescheidingsovereenkomst inzake nationaliteiten tussen Nederland en Suriname

Trb. 1975, 132

Verdrag van Amsterdam

Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende Akten

Trb. 1998, 11 en Trb. 2002, 153

Verdrag van Chicago

Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart

Stb. 1947/ H 165

Vluchtelingenverdrag

Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 en bijbehorend Protocol van New York van 1967

Trb. 1954, 88 en Trb. 1967, 76

Visumfacilitatieovereenkomst EG-Russische Federatie

Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Russische Federatie inzake de versoepeling van de afgifte van visa aan burgers van de Europese Unie en de Russische Federatie

Pb. EU L 129

1. Algemeen

1. Karakter en indeling Vc

De invoering van de Vreemdelingenwet 2000, het daarbij behorende Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 op 1 april 2001 hebben geleid tot het opstellen van de Vreemdelingencirculaire 2000. De Vreemdelingencirculaire 2000 is vastgesteld bij beschikking van de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en verving op bovengenoemde datum de Vreemdelingencirculaire 1994. De Vreemdelingencirculaire 2000 is in 2006 geheel herzien.

In de Vreemdelingencirculaire 2000 worden vaak voorkomende termen en organisatienamen afgekort en nimmer voluit geschreven. Er wordt dan ook gebruik gemaakt van een afkortingenlijst, welke aan het begin van dit deel A is opgenomen. In tegenstelling tot de hogere vreemdelingenregelgeving (artikel 124 Vw, artikel 7.5 VV en 9.13 Vb) is hier gekozen voor het afkorten van de termen ‘Vreemdelingenwet 2000’, ‘Vreemdelingenbesluit 2000’, het ‘Voorschrift Vreemdelingen 2000’ en ‘Vreemdelingencirculaire 2000’. Hiervoor gelden respectievelijk de afkortingen Vw, Vb, VV en Vc.

In de Vc wordt de Vw uit 1965 aangeduid met “Vw (oud)” en de artikelen uit die wet met “artikel xx Vw (oud)”.

De Vc vormt het geheel van beleidsregels en algemene aanwijzingen aan alle ambtenaren belast met de uitvoering van de vreemdelingenwet- en regelgeving.

De Vc bestaat uit drie delen:

Deel A bevat algemene informatie over de vreemdelingenketen en organisaties die een directe relatie hebben met de keten, bestuurlijke informatievoorziening, de registratie binnen de vreemdelingenketen en het overgangsrecht. Wanneer gesproken wordt over de vreemdelingenketen, worden alle (semi-) overheidsorganen bedoeld die een verantwoordelijkheid hebben in de uitvoering van de Vw.

In deel A zijn voorts de beleidsregels en algemene aanwijzingen opgenomen in verband met de grensbewaking, de toegang, het toezicht, het vertrek en de uitzetting, de vrijheidsbeperking en -beneming en ongewenstverklaring. In dit deel zijn tevens de modellen van formulieren en documenten opgenomen die door meerdere ketenpartners binnen de vreemdelingenketen worden gebruikt.

Modellen en formulieren die door één van de organisaties binnen de vreemdelingenketen worden gebruikt, zijn beschikbaar bij de betreffende organisatie.

Deel B bevat de algemeen geldende en de bijzondere bepalingen voor vreemdelingen die een verblijfsvergunning regulier hebben of willen verkrijgen.

Deel C bevat de algemeen geldende en de bijzondere bepalingen voor vreemdelingen die een verblijfsvergunning asiel hebben of willen verkrijgen.

2. Bevoegdheden

De Minister voor I&A is verantwoordelijk voor de uitvoering van de vreemdelingenwetgeving.

Daar waar in deze circulaire wordt verwezen naar de verantwoordelijke bewindspersoon zal deze worden aangeduid als “de Minister”.

De Minister heeft zijn bevoegdheden met betrekking tot de coördinatie, regie en de uitvoering van het gezag binnen de vreemdelingenketen gemandateerd aan de Secretaris-Generaal, die dit op zijn beurt heeft doorgemandateerd aan de Directeur-Generaal Vreemdelingenzaken. Laatstgenoemde geeft op grond van artikel 48 Vw namens de Minister aanwijzingen aan de uitvoeringsorganisaties, inclusief aanwijzingen omtrent de behandeling van individuen en bijzondere groepen. In spoedeisende individuele gevallen ligt deze aanwijzingsbevoegdheid bij het Hoofd van de IND teneinde een effectief optreden mogelijk te maken, voor zover dit niet ligt op het terrein van vertrek en uitzetting. De aanwijzingsbevoegdheid ligt waar het gaat om vertrek en uitzetting in spoedeisende individuele gevallen bij de Directeur van de DT&V. Voorts is het geven van een bijzondere aanwijzing in het geval van een voorgenomen toegangsweigering aan een vreemdeling die asiel aanvraagt (zie artikel 3, derde lid, Vw) of een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland (zie artikel 8.8, tweede lid, Vb) een bevoegdheid die aan het Hoofd van de IND is doorgemandateerd. Tevens is de uitvoering van de Vw gemandateerd aan het Hoofd van de IND, voor zover dit ligt op het terrein van toelating. Deze mandatering ziet onder meer op het nemen van beslissingen op toelatingsaanvragen. De uitvoering van de Vw op het terrein van vertrek en uitzetting is gemandateerd aan de Directeur DT&V. Zie voor de uitwerking van de mandatering binnen het Ministerie van Justitie de Regeling van de Minister van Justitie van 12 mei 2005, nr. 5332529/05/DP&O (Stcrt. d.d. 24 mei 2005, nr. 97), de Regeling van de Minister van Justitie van 12 mei 2005, nr. 5295095/04/DP&O (Stcrt. d.d. 24 mei 2005 nr. 97) en het besluit van het Hoofd van de IND van 24 juni 2005, nr. INDUIT05-4081 (AUB) (Stcrt. d.d. 18 juli 2005, nr. 136).

De Minister van BuZa is, op grond van het Soeverein Besluit 1813, bevoegd tot visumverlening. Het Hoofd van de IND is tevens Hoofd van de Visadienst en als onbezoldigd ambtenaar van BuZa gemandateerd om namens de Minister van BuZa te beslissen op visumaanvragen en mvv’s.

Voorts zijn ingevolge de Vw aan de Korpschef en de Commandant der KMar bevoegdheden toegekend en taken opgedragen op het gebied van:

  • toegang (zie A2);

  • toezicht (zie A3);

  • vertrek en uitzetting (zie A4);

  • vrijheidsbeneming (zie A6).

In hoofdstuk 4 Vw is vastgelegd dat de Korpschef en de Commandant der KMar hun bevoegdheden en taken niet uitoefenen naar eigen beleidsinzicht, maar met inachtneming van de (algemene en bijzondere) aanwijzingen van de Minister (zie ook hoofdstuk 4 Vb).

3. Informatie en contactgegevens

De organisaties die belast zijn met de uitvoering van de vreemdelingenwet- en regelgeving en aanverwante wet- en regelgeving dragen ieder zorg voor het organiseren en geven van specifieke voorlichting over de door hen uit te voeren taken.

De vreemdelingenwet- en regelgeving wordt onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van BZK geformuleerd.

De afdeling Publieksvoorlichting van het Ministerie van BZK is ondergebracht bij de Postbus 51 Informatiedienst, welke op werkdagen is te bereiken op het gratis telefoonnummer 0800- 8051 en op internet op de website www.rijksoverheid.nl. Bij Postbus 51 kunnen alle algemene vragen worden gesteld over de rijksoverheid. Voor informatie over verblijfsaanvragen wordt verwezen naar de IND.

Overheidsinstanties die werkzaam zijn binnen de vreemdelingenketen kunnen de website www.vreemdelingenketen.nl bezoeken, welke de onderlinge informatie-uitwisseling tussen deze overheidsinstanties als doel heeft.

Hieronder is een alfabetische lijst opgenomen van organisaties die betrokken zijn bij de uitvoering van het vreemdelingenbeleid, de handhaving van de vreemdelingenwet- en regelgeving en aanverwante wet- en regelgeving. Daarnaast worden organisaties genoemd met een directe relatie tot de vreemdelingenketen en/of die rechtsbijstand of andere ondersteuning verlenen aan vreemdelingen. In het overzicht zijn opgenomen:

  • een korte beschrijving van de werkzaamheden;

  • de taken van de organisaties (voor zover deze zien op vreemdelingen);

  • de contactgegevens van de betreffende organisaties ten behoeve van vreemdelingen en externen.

ACVZ

De ACVZ is een onafhankelijk adviescollege dat adviezen uitbrengt inzake het vreemdelingenrecht en vreemdelingenbeleid. Zij adviseert daarover gevraagd en ongevraagd aan de Regering en aan het Parlement.

  • Telefoon: 070- 370 43 00

  • Internet: www.acvz.org

COA

Het COA is verantwoordelijk voor de opvang van asielzoekers. Het COA zorgt voor onderdak gedurende de asielprocedure en bereidt asielzoekers voor op een verblijf in Nederland, terugkeer naar het land van herkomst of doormigratie.

  • Telefoon: 0800 - 023 80 23 (gratis)

  • Internet: www.coa.nl

DJI

De DJI is verantwoordelijk voor de uitvoering van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, waaronder de vreemdelingenbewaring.

  • Telefoon Informatielijn: 070 - 370 27 34

  • Internet: www.dji.nl

Directie Inburgering en Integratie

De directie Inburgering en Integratie van het Ministerie van BZK richt zich op de totstandkoming van een samenleving, waarin de in Nederland verblijvende leden van etnische groepen op basis van volwaardig en gedeeld burgerschap kunnen deelnemen. De directie ontwikkelt onder andere het beleid met betrekking tot de inburgering en de Remigratiewet.

De directie Inburgering en Integratie van het Ministerie van BZK is bereikbaar via:

  • Telefoon: (algemeen): 070 - 339 0289

  • Internet: www.rijksoverheid.nl

Directie Migratiebeleid

De Directie Migratiebeleid van het Ministerie van BZK draagt zorg voor de nationale en internationale beleidsontwikkeling op het asiel- en immigratieterrein, alsmede op het terrein van opvang van asielzoekers. Het aandachtsveld van de directie bestaat aldus uit toelating, verblijf, toezicht, terugkeer, grensbewaking, visumbeleid, opvang en de coördinatie van het beleid tot het tegengaan van illegaal verblijf.

DT&V

De DT&V is als taakorganisatie belast met de uitvoering van de vreemdelingenwetgeving terzake vertrek en uitzetting. De DT&V bevordert, organiseert en realiseert het daadwerkelijk vertrek uit Nederland van vreemdelingen zonder verblijfsrecht. Bij het uitvoeren van deze taak staat het stimuleren van het zelfstandig vertrek voorop. Zo nodig bereidt de DT&V het gedwongen vertrek van de vreemdeling uit Nederland voor. De DT&V voert haar taak uit in samenwerking met andere ketenpartners van de overheid die een taak hebben in het vertrekproces. De DT&V regisseert het vertrekproces op operationeel niveau. Taken die wettelijk zijn voorbehouden aan ambtenaren belast met het toezicht of de grensbewaking, worden niet verricht door de DT&V.

  • Telefoon (algemeen): 0800 - 8051

  • Internet: www.dienstterugkeerenvertrek.nl

  • E-mail: info@dtv.minbzk.nl

Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel

Het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel is een samenwerkingsverband tussen de Dienst Nationale Recherche en DNRI van het KLPD, de KMar, de IND en de Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst van het Ministerie van SZW.

Het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel heeft als doel: het verschaffen van inzicht en overzicht in de criminaliteit in relatie tot mensenhandel & mensensmokkel, ten bate van de opsporing en het tegenhouden van deze en gerelateerde misdrijven.

Daartoe is het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel een centrale plek waar informatie, kennis en ervaring op het gebied van mensenhandel en mensensmokkel wordt verzameld, veredeld en geëxploiteerd.

  • Telefoon Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel 038-4963555 (na kantooruren wordt u doorgeschakeld naar de piketfunctionaris)

  • Email: Emm@klpd.politie.nl

IND

De IND is onder meer verantwoordelijk voor de beoordeling van alle aanvragen voor toelating en naturalisatie van vreemdelingen.

  • Informatielijn IND (beschikbaar voor publiek): 0900- 12 34 561 (0,10 euro pm)

  • Informatielijn IND vanuit het buitenland: +31 20 8893045

  • Telefoon IND Ketenservice (beschikbaar voor ketenpartners): 070 - 888 00 00

  • Piketnummer (buiten kantooruren op werkdagen bereikbaar van 17.00 tot 23.00 uur en in het weekeinde van 7.00 tot 23.00 uur): 070 - 370 60 60

  • Internet: www.ind.nl

IOM

IOM richt zich op velerlei migratievraagstukken. Zo biedt IOM ondersteuning aan uitgeprocedeerde vreemdelingen die Nederland vrijwillig willen verlaten, organiseren zij het vervoer van personen naar of uit Nederland en richten zij zich op (her)integratie, bestrijding van mensenhandel, arbeidsmigratie, migratie en ontwikkeling en migratie en gezondheid.

  • Telefoon: 0900 - 7464466 (0,05 euro pm)

  • Internet: www.iom-nederland.nl

KMar

De KMar is op de luchthavens en in de zeehavens in Nederland alsmede op zee belast met de grensbewaking. De grensbewaking in het competentiegebied van politieregio Rotterdam-Rijnmond wordt uitgevoerd door de ZHP (zie hierna onder ZHP), met uitzondering van de grensdoorlaatpost Hoek van Holland/ Europoort. In het kader van de grensbewaking verstrekt de KMar in voorkomende gevallen visa aan de buitengrens. Aan de binnengrens met België en Duitsland en op de luchthavens is de KMar belast met de uitvoering van het MTV. Voorts is de KMar verantwoordelijk voor de uitzetting en begeleiding van uitgeprocedeerde vreemdelingen uit Nederland en van aan de grens geweigerde personen.

  • Telefoon KMar voorlichting: 070 - 318 83 57

  • Internet: www.kmar.nl

Ministerie van BuZa, inclusief ambassades en consulaten

Het Ministerie van BuZa is verantwoordelijk voor de behandeling van visumaanvragen voor een verblijf korter dan drie maanden en mvv’s. Indien ambassades en consulaten niet zelfstandig kunnen of mogen beslissen, worden de visumaanvragen voor een verblijf korter dan drie maanden – als het gaat om zakenbezoeken, diplomaten, politieke bezoeken, het verrichten van technische werkzaamheden, deelname aan/bijwonen van een congres, conferentie of sportmanifestatie, bezoeken van wetenschappelijke aard, aanvragen van personen uit de voormalige Sovjetrepublieken, bezoeken van personen die geregistreerd staan in het SIS of op een visumsanctielijst – voorgelegd aan de afdeling Vreemdelingen- en Visumzaken van de directie Consulaire Zaken en Migratiebeleid van het Ministerie van BuZa (zie voor overige visumaanvragen hierna onder Visadienst).

Het Ministerie van BuZa is tevens verantwoordelijk voor algemene en individuele ambtsberichten, welke door de Minister gebruikt worden als informatiebron onder andere bij de beoordeling van asielaanvragen.

Daarnaast is het Ministerie van Buza verantwoordelijk voor het afnemen van het basisexamen inburgering in het buitenland op de Nederlandse posten.

  • Telefoon Visuminformatie: 070 - 348 4844

  • Telefoon algemeen: 070 - 348 64 86

  • Internet: www.minbuza.nl

NVVB

De NVVB biedt een platform aan leidinggevenden en medewerkers van organisaties, die zich binnen en buiten de overheid professioneel bezig houden met het brede terrein van burgerzaken. Onder burgerzaken vallen activiteiten op het terrein van de GBA en de loketfunctie voor vreemdelingen die een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning willen indienen.

De NVVB heeft voor haar gemeentelijke leden een adviesfunctie op het gehele terrein van burgerzaken in de vorm van een helpdesk.

  • Telefoon helpdesk (voor gemeenten): 020 - 551 90 07 of 020 - 551 90 09

  • Internet: www.nvvb.nl

Politie

De (vreemdelingen)politie houdt toezicht op personen die in Nederland verblijven, maar niet de Nederlandse nationaliteit hebben en is onder meer verantwoordelijk voor het opsporen, staande houden, inbewaring stellen, het vertrek onder toezicht alsmede het vaststellen van de identiteit van niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen.

De Taakorganisatie Vreemdelingen is een landelijk werkend bureau dat de politie adviseert en ondersteunt bij de ontwikkeling van de visie, de strategie en het beleid van de politiële vreemdelingentaak. Daarbij is zij tevens het landelijk aanspreekpunt van waaruit de belangenbehartiging ten behoeve van de vreemdelingenpolitie plaatsvindt en het knooppunt in de communicatie en informatie-uitwisseling tussen de vreemdelingenpolitie onderling en van en naar ketenpartners.

  • Telefoon politie algemeen: 0900 - 8844 (lokaal tarief)

  • Telefoon Taakorganisatie Vreemdelingen: 030 - 635 33 44

  • Internet: www.politie.nl

RvS

De RvS is naast onafhankelijk adviseur van de regering over wetgeving en bestuur ook hoogste algemene bestuursrechter van het land. De ABRvS spreekt recht in hoogste instantie in geschillen tussen de burger en de overheid. Sinds de inwerkingtreding van de Vw geldt dit ook voor vreemdelingrechtelijke geschillen.

  • Telefoon publieksvoorlichting: 070 - 426 42 51 of 070 - 426 46 43

  • Telefoon (algemeen en spoedeisende zaken): 070 - 426 44 26

  • Internet: www.raadvanstate.nl

Raad voor Rechtsbijstand

De Raden voor Rechtsbijstand geven uitvoering aan de Wet op de rechtsbijstand, waarin de rechtsbijstand aan minder draagkrachtigen is geregeld. De raden subsidiëren de Stichting Rechtsbijstand Asiel en zien ook toe op de kwaliteit en voldoende beschikbaarheid van de rechtsbijstandverlening. Voor juridische informatie en advies is er het Juridisch Loket.

  • Telefoon Juridisch Loket: 0900 - 8020 (10 cent pm)

  • Internet: www.rvr.org

Visadienst

De Visadienst is onderdeel van het Ministerie van BuZa. De Minister van BuZa heeft het Hoofd van de IND en het plaatsvervangend Hoofd van de IND mandaat verleend voor het nemen en ondertekenen van besluiten die door hen in hun functie van Hoofd van de Visadienst, respectievelijk plaatsvervangend Hoofd van de Visadienst, namens hem worden genomen. Ondermandaat is verleend aan de ambtenaar belast met de grensbewaking en het toezicht en specifieke functionarissen van de IND voorzover zij besluiten nemen of handelingen verrichten namens het Hoofd van de Visadienst.

De Visadienst behandelt namens de Minister van BuZa alle door de ambassades en consulaten voorgelegde aanvragen voor mvv’s en visumaanvragen voor toerisme, familie- en privé-bezoek, artiesten, studenten, personen die gesignaleerd staan in het OPS of SIS, stagiaires en medische bezoeken, met uitzondering van personen uit de voormalige Sovjet republieken. De laatste categorie personen dient zich te wenden tot het Ministerie van BuZa (zie hiervoor onder Ministerie van Buza). Bovendien behandelt de Visadienst aanvragen voor visumverlenging en verlening van terugkeervisa.

  • Contactinformatie: zie IND

VNG

De VNG verzorgt de belangenbehartiging van alle gemeenten bij andere overheden. Bij de gemeenten worden aanvragen voor verblijfsvergunningen regulier en naturalisatie ingediend. Daarnaast zijn gemeenten verantwoordelijk voor de registratie van persoonsgegevens in de GBA.

  • Telefoon: 070 - 373 83 93

  • Internet: www.vng.nl

Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland

De Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland behartigt de belangen van vluchtelingen en asielzoekers die zich in Nederland bevinden.

  • Telefoon (algemeen): 020 - 346 72 00

  • Internet: www.vluchtelingenwerk.nl

Vreemdelingenkamers

De vreemdelingenkamers zijn onderdeel van een rechtbank en houden zich uitsluitend bezig met het behandelen van vreemdelingenrechtelijke geschillen. Formeel behandelt de rechtbank ’s-Gravenhage deze geschillen, maar binnen alle negentien rechtbanken in Nederland zijn zogeheten nevenzittingsplaatsen aangewezen.

Het Landelijk Stafbureau Vreemdelingenkamers biedt ondersteuning op het gebied van juridische en organisatorische coördinatie aan de vreemdelingenkamers.

Bij het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken dienen vreemdelingenzaken te worden ingediend, waarop deze door het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken zo evenwichtig mogelijk over de nevenzittingsplaatsen worden verdeeld.

  • Pikettelefoon van het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken: 023 - 512 66 20

  • Internet: www.rechtspraak.nl

ZHP

De ZHP is belast met de grensbewaking in het competentiegebied van politieregio Rotterdam-Rijnmond alsmede op zee, het havengerelateerde vreemdelingentoezicht en de bestrijding van (migratie)criminaliteit in de Rotterdamse havens. Daarnaast verzorgt de ZHP in voorkomende gevallen de verlening en verlenging van visa voor in de politieregio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden.

  • Telefoon: 010 - 2747471

  • Faxnummer: 010 - 2750121

Internet: www.dutch-immigration.nl

4. Bestuurlijke Informatievoorziening binnen de vreemdelingenketen

4.1. Algemeen

Om een goed en actueel beeld te kunnen vormen van het functioneren van de vreemdelingenketen, heeft de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken zowel structurele, als incidentele informatie nodig van alle ketenpartners en organisaties met een directe relatie met de vreemdelingenketen. Met die informatie kunnen trends en ontwikkelingen gevolgd worden. Daarnaast kan beoordeeld worden welke effecten (beleids)beslissingen ten aanzien van bedrijfsvoering en taakuitvoering hebben binnen de keten.

Ten behoeve van de planning en controle wordt binnen de vreemdelingenketen gebruik gemaakt van een vaste planning en controlecyclus. Deze bevat de mijlpalen die van belang zijn voor een effectieve en efficiënte voorbereiding van de verschillende producten die gebruikt worden om de planning en controle op het niveau van de keten te realiseren.

De door ketenpartners en direct betrokken organisaties aangeleverde informatie mag ten behoeve van de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken door het daartoe aangewezen informatieknooppunt vrij worden bewerkt. Indien de gegevens worden gebruikt of verwerkt met het doel de informatie buiten de vreemdelingenketen te verspreiden, dient hierover vooraf afstemming met de ketenpartners te hebben plaatsgevonden.

Bovenstaande laat onverlet dat ook onderling structureel informatie uitgewisseld wordt tussen de ketenpartners en organisaties met een directe relatie tot de vreemdelingenketen, binnen de kaders van de daartoe onderling gemaakte afspraken.

Informatielevering – structureel

Ten behoeve van de sturing van de processen in de vreemdelingenketen leveren ketenpartners periodieke rapportages aan in elektronische vorm aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken. De Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken en de ketenpartners maken afspraken over de inhoud en vorm van de rapportage, alsmede procedurele afspraken.

Informatielevering – incidenteel

Ten behoeve van analyses, onderzoeken, kamervragen of andere vragen leveren ketenpartners op verzoek gegevens aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken. De mogelijkheden hiertoe en de procedures die hierbij worden gehanteerd kunnen door de Directeur- Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken met de ketenpartners en organisaties met een directe relatie tot de vreemdelingenketen worden vastgelegd.

4.2. Rapportage Vreemdelingenketen

Een van de producten die resulteren uit de informatielevering van de ketenpartners is de Rapportage Vreemdelingenketen. Deze rapportage, die inzicht geeft in de belangrijkste ontwikkelingen in de keten, wordt periodiek samengesteld. De rapportage bevat een overzicht van de prestaties van ketenpartners op verschillende processen en een beschrijving van ontwikkelingen. De ketenpartners dragen zorg voor tijdige aanlevering van cijfers en toelichting aan de Directeur-Generaal Wetgeving, Internationale Aangelegenheden en Vreemdelingenzaken.

5. Klachten

Een klacht wordt gedefinieerd als iedere uiting van ongenoegen over alle aspecten van gedragingen van het bestuursorgaan of van een persoon werkzaam onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan (zie artikel 9:1 Awb). Klachten dienen bij de betreffende bestuursorganen te worden ingediend (zie voor informatie en contactgegevens onder A1/3) en door de bestuursorganen zelf te worden afgedaan. Is de klager ontevreden over de afhandeling van zijn klacht, dan kan hij die daarna voorleggen aan de Nationale ombudsman als externe klachtbehandelaar. In de klachtenregeling van de Awb geldt dat een klacht na ontvangst door het bestuursorgaan binnen zes weken moet zijn afgedaan. Iedere organisatie kan beschikken over een eigen klachtenregeling en/of –procedure. Voor de geldende klachtenregeling en/of -procedure dient contact te worden opgenomen met de betreffende organisatie.

6. Registratie en Identificatie

6.1. Algemeen

De ketenpartners, die belast zijn met de uitvoering van het vreemdelingenbeleid en de handhaving van de vreemdelingenwet- en regelgeving en aanverwante wet- en regelgeving hebben een gemeenschappelijk belang bij unieke identificatie en registratie van vreemdelingen als bedoeld in artikel 1, onder m, Vw en bij het kunnen delen en uitwisselen van informatie over deze vreemdelingen. Om dat mogelijk te maken is een aantal ketenvoorzieningen ontwikkeld voor gemeenschappelijk gebruik door de ketenpartners, waaronder:

  • PIL

  • BVV

  • Gegevenswoordenboek voor de vreemdelingenketen

Naast de registratie ten behoeve van de vreemdelingenketen, registreren de afzonderlijke organisaties binnen de vreemdelingenketen en organisaties met een directe relatie tot de vreemdelingenketen gegevens van vreemdelingen ten behoeve van de eigen werkprocessen. Voor informatie hieromtrent wordt verwezen naar de betreffende organisaties.

De gegevens die binnen de vreemdelingenketen worden geregistreerd dienen actueel te zijn. Bij elke gelegenheid waarbij een vreemdeling in contact komt met een van de ketenpartners, dient de desbetreffende ketenpartner zoveel mogelijk na te gaan of de geregistreerde gegevens nog met de feitelijke situatie overeenkomen. Wijzigingen dienen door de verantwoordelijke en bevoegde organisatie onverwijld te worden verwerkt.

6.2. Het PIL

Het werken volgens het PIL geeft inhoud aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ketenpartners voor de kwaliteit van de persoonsgegevens.

Het PIL beschrijft een gestandaardiseerde werkwijze voor het identificeren, registreren, wijzigen en verifiëren van persoonsgegevens in de vreemdelingenketen. PIL is kaderstellend voor de interne administratieve organisatie van de ketenpartners en is te raadplegen op de website van de vreemdelingenketen, onder producten.

Verplichtingen

De ketenpartners, die het protocol onderschrijven, verplichten zich daarmee tot het werken volgens het PIL, overeenkomstig hun taken en bevoegdheden in de identificatie en registratie, zoals beschreven in het PIL. De organisaties:

  • werken volgens de processpecifieke uitwerkingen van het PIL bij het identificeren en registreren;

  • hanteren de gemeenschappelijke persoonsgegevens in de eigen primaire processen en systemen als de leidende persoonsgegevens;

  • verifiëren de identiteit van de vreemdeling op de daartoe aangewezen momenten in de processen;

  • handelen volgens de wijzigingsprocedure, indien zij met afwijkende persoonsgegevens in aanraking komen.

Uitgangspunten

De volgende uitgangspunten liggen ten grondslag aan het protocol:

  • De persoonsidentificatie en eerste registratie geschieden bij het eerste contact met de vreemdeling.

  • Het gebruik van een biometrisch kenmerk biedt de beste mogelijkheid tot unieke identificatie en verificatie.

  • Waar wet- en regelgeving dat toestaan wordt de identificatie en verificatie met behulp van biometrie uitgevoerd (zie A3/3.6.2, A3/7.4.2 en C9/2.1.1.1.

  • De partijen in de vreemdelingenketen die als eerste met een vreemdeling in aanraking kunnen komen, zijn: het Ministerie van BuZa, de IND, de vreemdelingenpolitie, de KMar en de ZHP.

  • De organisatie die de persoonsgegevens registreert of wijzigt, is verantwoordelijk voor de kwaliteit van de set persoonsgegevens van de betreffende vreemdeling die hij op dat moment registreert.

  • De vreemdeling beschikt over het unieke vreemdelingennummer waaronder zijn identificerende gegevens zijn geregistreerd.

  • Een nieuw uniek vreemdelingennummer wordt pas uitgegeven als niet vast te stellen is dat de vreemdeling eerder is geregistreerd.

  • De GBA-gegevens zijn leidend, dat wil zeggen dat in de communicatie de vreemdeling wordt aangeduid met de persoonsgegevens zoals deze in de GBA zijn geregistreerd. GBA-persoonsgegevens kunnen niet gewijzigd worden door de partners in de vreemdelingenketen. Van het gebruik van GBA-gegevens kan slechts onder zeer strikte voorwaarden worden afgeweken.

6.3. De BVV

Het systeem BVV is een centrale ketentoepassing waarin alle basisgegevens van vreemdelingen in Nederland zijn opgeslagen. De database wordt gevuld en gewijzigd vanuit de systemen van aangesloten partijen in de vreemdelingenketen. Verder kunnen aangesloten ketenpartners gegevens van vreemdelingen opzoeken in de BVV. De BVV is in principe continu beschikbaar voor raadpleging. Informatie over de BVV en documentatie van de BVV kan worden geraadpleegd op de website www.vreemdelingenketen.nl, onder producten.

Registers

De BVV bestaat uit de volgende registers:

  • Personenregister: gegevens omtrent naam, adres en woonplaats, nationaliteiten, geslacht, geboorteland en -plaats, overlijden, verblijfsrecht.

  • Verwijzingenregister: verwijzingen naar activiteiten met betrekking tot een bepaalde vreemdeling die door ketenpartners in een vreemdelingenproces worden of zijn uitgevoerd.

  • Kaartregister: gegevens van in Nederland uitgegeven vreemdelingdocumenten.

  • Documentregister: gegevens van in het buitenland uitgegeven identificerende documenten van de vreemdeling.

  • Biometrieregister: vingerafdrukken, foto’s en handtekeningen van vreemdelingen.

De aangesloten organisaties dienen alle gegevens te registreren die voor de identificatie en verwijzingen naar activiteiten en de (verblijfs)⁠documentbestellingen noodzakelijk zijn.

De vreemdelingen die in de BVV zijn opgeslagen worden gekenmerkt door het 10-cijferige vreemdelingnummer. Sinds de invoering van de BVV (juni 2003) wordt dit nummer voor nieuw opgevoerde vreemdelingen uitgegeven door de BVV. De vreemdelingen die vóór juni 2003 bekend waren bij de vreemdelingenpolitie en de IND hebben hun toen reeds bestaande centraal vreemdelingenregisternummer behouden. Alle gegevens in de BVV zijn met elkaar verbonden via het vreemdelingennummer, dat ook in de systemen van de aangesloten organisaties wordt gehanteerd.

Leidende gegevens

De GBA is de basisregistratie voor persoonsgegevens. Voor persoonsgegevens van vreemdelingen in de BVV die bij de GBA zijn geregistreerd, is het gebruik van de authentieke GBA-gegevens verplicht. Dat houdt in dat persoonsgegevens van deze vreemdelingen in beginsel niet mogen worden gemuteerd door de aangesloten ketenpartners. Voor afnemers van de GBA-gegevens geldt een verplichting tot terugmelding bij gerede twijfel aan de juistheid van de gegevens. De terugmeldprocedure is beschreven in het PIL.

Voor de gegevens omtrent het rechtmatig verblijf van een vreemdeling is de IND leidend. Deze gegevens worden in de vorm van een zogeheten verblijfstitel doorgegeven aan de GBA en geregistreerd in de BVV.

Historische gegevens

De BVV is in juni 2003 in gebruik genomen. Het systeem bevat geen historische gegevens die ouder zijn dan deze datum. Vanaf juni 2003 bevat de BVV een volledige mutatiehistorie.

Regeling Wbp

De Regeling Wbp voor de BVV is bekend bij het College voor de Bescherming van Persoonsgegevens onder meldingsnummer m1145769 en is te raadplegen op www.vreemdelingenketen.nl en opvraagbaar bij de stafdirectie Coördinatie Vreemdelingenketen.

6.4. Het gegevenswoordenboek voor de vreemdelingenketen

Het woordenboek bevat begrippen (gegevensgroepen, samengestelde gegevens en gegevens) en tabellen behorend tot de processen binnen de vreemdelingenketen, waarmee informatie tussen ketenorganisaties wordt uitgewisseld of waarover wordt gecommuniceerd. Het is van toepassing op alle processen en informatiestromen binnen de vreemdelingenketen welke over organisatiegrenzen heen lopen en waarbij gegevens tussen ketenpartners worden uitgewisseld.

Elk in het gegevenswoordenboek opgenomen gegeven wordt gedefinieerd aan de hand van de volgende rubrieken:

  • naam gegevensgroep of samengesteld gegeven;

  • naam van het gegeven;

  • de definitie;

  • de herkomst van de definitie;

  • het formaat;

  • de lay-out;

  • de toegestane waarden;

  • commentaar.

Ketenpartners verplichten zich het woordenboek als standaard te hanteren bij uitwisseling van gegevens. Het gegevenswoordenboek is te raadplegen op de volgende websites: www.vreemdelingenketen.nl

6.5. Archivering

Voor de regelingen omtrent de archivering van bescheiden wordt verwezen naar de Archiefwet 1995. De organisaties belast met de uitvoering van vreemdelingenwet- en regelgeving kunnen daarnaast een aanvullend eigen archiefbeleid voeren, waarin de regels omtrent archivering en vernietiging van archiefbescheiden zijn vastgelegd. Hiervoor wordt verwezen naar de betreffende organisatie.

2. Toegang

1. Algemeen

In Nederland worden aan de grensdoorlaatposten grenscontroles verricht, om na te gaan of de betrokken personen, hun vervoermiddelen en de voorwerpen in hun bezit Nederland mogen binnenkomen dan wel verlaten. Daarnaast vindt buiten de grensdoorlaatposten om grensbewaking plaats, teneinde te voorkomen dat personen zich aan de grenscontroles onttrekken.

Met de inwerkingtreding van de SUO op 26 maart 1995 werden tussen de betrokken staten, waaronder Nederland, de grenscontroles aan de gemeenschappelijke binnengrenzen afgeschaft. Sindsdien betekent toegang tot Nederland in beginsel ook toegang tot de overige landen in het Schengengebied.

Met het Verdrag van Amsterdam (juni 1997, in werking getreden per 1 mei 1999) is het Schengenacquis – dat wil zeggen het Schengenakkoord, de SUO en de besluiten van het bij het SUO ingestelde uitvoerend comité – geïncorporeerd in de EU. Volgens artikel 1 van het Protocol tot opneming van het Schengenacquis in het kader van de EU, zijn de EU-lidstaten die het Schengenakkoord hebben getekend gemachtigd onderling een nauwere samenwerking aan te gaan binnen de werkingssfeer van het Schengenacquis. Deze samenwerking moet echter wel plaatsvinden binnen het institutionele en juridische kader van de Unie en van het EU-Verdrag en het EG-Verdrag.

Voor de uitvoering van de grensbewaking is ‘Schengen’ een geografisch begrip; er is wel een Schengengebied dat kan worden in- of uitgereisd, maar er zijn geen Schengenonderdanen. In A2/6.1 is aangegeven in welke opzichten de grenscontrole van passagiers afkomstig uit niet-Schengenstaten verschilt van die van passagiers afkomstig uit Schengenstaten. Voorts is van belang het begrip ‘personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij personenverkeer vallen’. In artikel 8.7 Vb is opgenomen welke personen hier precies onder vallen. Voor de nadere uitwerking van de (bepalingen inzake) personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen wordt verwezen naar B10. Daarnaast is in A2/6.2.2 uitgewerkt hoe in het kader van toegang moet worden omgegaan met deze personen. Tot slot, ‘onderdaan van een derde land’ is iedereen die geen onderdaan is van de EU, de EER of Zwitserland en niet onder de toepassing van het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer van personen valt.

Op 15 maart 2006 is de SGC aangenomen. De SGC stelt, zoals is aangegeven in artikel 1 van deze Verordening, maatregelen vast die van toepassing zijn op het grenstoezicht ten aanzien van personen die de buitengrenzen van de lidstaten van de EU overschrijden. Deze Verordening is 13 april 2006 gepubliceerd en per 13 oktober 2006 in werking getreden, behalve artikel 34, dat per 14 april 2006 in werking is getreden. Deze Verordening is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks van toepassing in alle EU-lidstaten die tot het Schengengebied behoren, alsmede in IJsland en Noorwegen. Met uitzondering van Cyprus maken per 21 december 2007 ook alle lidstaten die op 1 mei 2004 tot de EU zijn toegetreden deel uit van het Schengengebied. Vanaf die datum is de SGC op deze landen van toepassing. Grenscontroles voor intra-Schengen land- en zeeverkeer worden per 21 december 2007 opgeheven. Vanaf 30 maart 2008 geldt dit ook voor het luchtverkeer. Met ingang van 12 december 2008 zijn de grenscontroles aan de landgrenzen met Zwitserland opgeheven en per deze dag is in Zwitserland het Schengenacquis van toepassing. Met ingang van 29 maart 2009 worden ook grenscontroles opgeheven voor het luchtverkeer.

A2 handelt enkel over de overschrijding van (Schengen)buitengrenzen. Binnengrenzen zijn de grenzen tussen de Schengenstaten onderling, waaraan geen grenscontrole plaatsvindt. Het operationeel vreemdelingentoezicht, MTV, dat in het gebied bij de Nederlandse binnengrenzen plaatsvindt, wordt besproken in A3.

Voor wat betreft de situaties waarin kan worden overgegaan tot een tijdelijke invoering van de grensbewaking aan de binnengrenzen, alsmede de wijze waarop gehandeld dient te worden, wordt verwezen naar Titel III, Hoofdstuk II, SGC. Voor de versoepeling van de controles wordt verwezen naar artikel 8 SGC.

2. Begrippen

In artikel 1 Vw is aangegeven wat verstaan wordt onder:

  • ambtenaren belast met grensbewaking;

  • de Korpschef;

  • mvv;

  • vreemdeling.

In artikel 1.1 Vb is aangegeven wat verstaan wordt onder:

  • Benelux-onderdanen;

  • Benelux-gebied;

  • luchtvaartuig;

  • Schengengebied;

  • SIS;

  • SUO;

  • schip;

  • staatloze;

  • vliegtuig;

  • voertuig;

  • zeeschip.

In artikel 2 SGC zijn voorts nadere definities vastgesteld in het kader van grensbewaking. Zo introduceert artikel 2, dertiende lid, SGC een in Nederland nieuw begrip, “grenswachter”. Gezien deze definitie, is iedere ambtenaar belast met grensbewaking ex artikel 1 Vw een grenswachter in de zin van de SGC. In de Vc zal gewoon de term ambtenaar belast met de grensbewaking worden gebezigd.

3. Ambtenaren belast met grensbewaking, geografische verdeling

De met de grensbewaking belaste ambtenaren zijn genoemd in artikel 46 Vw. Alle ambtenaren belast met de grensbewaking zijn, zonder territoriale beperkingen, bevoegd deze taak binnen Nederland uit te oefenen. Met het oog op een efficiënte uitoefening van deze taken richten de onderscheiden diensten zich evenwel primair op verschillende gebieden die geografisch als volgt zijn verdeeld.

ZHP

Alle ambtenaren van het regionale politiekorps Rotterdam-Rijnmond zijn bevoegd toezicht uit te oefenen op de naleving en de uitvoering van de wettelijke voorschriften met betrekking tot de grensbewaking. Binnen deze politieregio zijn deze taken in de eerste plaats toebedeeld aan de ZHP. De ambtenaren van de ZHP zijn belast met de bediening van de grensdoorlaatpost Rotterdam-Havens, inclusief de benoemde ankerplaatsen. Daarnaast zijn zij belast met het uitoefenen van de grensbewakingstaken in de politieregio Rotterdam-Rijnmond, inclusief de hierin gelegen kust- en binnenwateren.

KMar

De ambtenaren van de KMar zijn belast met de bediening van alle overige grensdoorlaatposten in Nederland en met het uitoefenen van grensbewakingstaken in de rest van Nederland. In de politieregio Rotterdam-Rijnmond zijn zij tevens belast met de bediening van de grensdoorlaatpost Hoek van Holland/Europoort.

Voor de personencontrole ten aanzien van opvarenden van zeeschepen die de kanaalzone Gent-Terneuzen bevaren is in Benelux-verband overeengekomen dat het havengebied Gent-Terneuzen, met inbegrip van het kanaal, wordt beschouwd als buitengrens van het Benelux-gebied. In de huidige situatie betekent dit derhalve dat de betreffende grensdoorlaatpost als buitengrens van het Schengengebied dient te worden beschouwd. De betrokken districtscommandant van de KMar en de Scheepvaartpolitie/Police de la Navigation van de Rijkswacht te Gent hebben voor een goede uitvoering van de personencontrole op de opvarenden van zeeschepen praktische afspraken gemaakt.

Tijdelijke grensdoorlaatposten

Tijdelijke grensdoorlaatposten worden ingesteld met het oog op bijzondere omstandigheden en zijn gedurende de tijd dat zij zijn opengesteld te beschouwen als gewone grensdoorlaatposten (artikel 2, zesde lid, SGC). In de regel worden tijdelijke grensdoorlaatposten bediend door ambtenaren van de KMar.

Bovenstaande verdeling laat onverlet dat de uitvoerende diensten elkaar, indien nodig, kunnen bijstaan in de uitoefening van de grensbewakingstaken.

4. Overschrijding van de buitengrenzen en toegangsvoorwaarden

4.1. Grensdoorlaatposten

Aan de buitengrenzen bevinden zich grensdoorlaatposten (zie artikel 2, zesde lid, SGC). In beginsel is iedereen verplicht via deze grensdoorlaatposten te reizen (zie artikel 4, eerste lid, SGC). In Nederland fungeren alleen zee- en luchthavens als grensdoorlaatpost. De zee- en luchthavens die zijn aangewezen als grensdoorlaatpost zijn genoemd in bijlage 4 Vv.

De grenscontrole kan op verschillende momenten plaatsvinden, in ieder geval zolang een vreemdeling zich op of nabij een grensdoorlaatpost bevindt of zolang een relatie met in- of uitreis te leggen is. Een haven(terrein) of luchthaven(terrein) wordt hierbij in zijn geheel beschouwd als grensdoorlaatpost.

Ingevolge artikel 4.6 Vb dient iedereen die zich op of nabij een grensdoorlaatpost bevindt zich te houden aan de aldaar door de ambtenaren belast met de grensbewaking gegeven aanwijzingen.

4.2. Toegangsvoorwaarden voor onderdanen van derde landen

De voorschriften over toegang worden, zoals aangegeven in A2/1, in sterke mate beheerst door het communautair recht en met name de SGC. In artikel 5, eerste lid, SGC is uitgewerkt onder welke voorwaarden aan onderdanen van derde landen toegang kan worden verleend tot het Schengengebied voor een verblijf van ten hoogste drie maanden. In artikel 4.5 Vb is vastgelegd waartoe een vreemdeling bij in- en uitreis in dit kader verplicht is.

Voorschriften voor een aantal bijzondere categorieën personen, waaronder onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (alsmede hun familieleden), zijn separaat opgenomen in A2/6.2.

4.2.1. Grensoverschrijdingsdocument

In artikel 5, eerste lid, onder a, SGC is opgenomen dat men in het bezit moet zijn van een geldig grensoverschrijdingsdocument. Voor de nadere uitwerking van de voorwaarde om te beschikken over een geldig document van grensoverschrijding wordt verder verwezen naar artikel 2.3 Vb.

Het bezit van een geldig (nationaal) paspoort is een algemeen uitgangspunt. Het paspoortvereiste wordt onder meer gesteld als waarborg voor terugkeer.

Onder paspoort wordt verstaan: een mede in de Engelse of Franse taal gesteld document voor grensoverschrijding op grond waarvan het de houder is toegestaan zich naar het buitenland te begeven en terug te keren naar het land van afgifte.

Het grensoverschrijdingsdocument moet zijn afgegeven door de bevoegde autoriteiten van een door Nederland erkende staat. Een uitzondering op deze regel vormt Taiwan. Dit land wordt niet door Nederland erkend terwijl het reisdocument van Taiwan wel wordt erkend als geldig grensoverschrijdingsdocument. Het grensoverschrijdingsdocument moet zijn voorzien van een goedgelijkende pasfoto van en moet ondertekend zijn door de houder.

Voorts dient het grensoverschrijdingsdocument in het algemeen de familienaam, de voorna(a)m(en), de nationaliteit, de geboorteplaats en de geboortedatum van de houder te bevatten. De geldigheidsduur van het paspoort moet de duur van het voorgenomen verblijf overschrijden.

De criteria waaraan een reisdocument moet voldoen zijn opgenomen in artikel 12 Visumcode.

In bepaalde gevallen kan toegang worden verkregen met andere documenten voor grensoverschrijding. Deze staan vermeld in het overzicht van de door de lidstaten erkende reisdocumenten, welke recht geven op overschrijding van de buitengrenzen en waarin een visum kan worden aangebracht. Op grond van artikel 2.3, tweede lid, Vb is in voorkomende gevallen vereist dat de vreemdeling in het bezit is van een geldige mvv of een visum waarin wordt verwezen naar het document dat de vreemdeling bij zich heeft (zie voor visa A2/4.3).

Afgifte van bijzondere doorlaatbewijzen aan de grens

Aan niet-visumplichtige vreemdelingen (voor het visumvereiste zie A2/4.3.1) die bij binnenkomst niet beschikken over het vereiste document voor grensoverschrijding kan aan de grens, met het oog op kort verblijf, een bijzonder doorlaatbewijs worden afgegeven (zie Model M6) Een bijzonder doorlaatbewijs is na afgifte een geldig document voor grensoverschrijding.

Het afgeven van bijzondere doorlaatbewijzen aan de grens is een Benelux-aangelegenheid. Naar gelang het reisdoel en de plaats van bestemming kan het bijzondere doorlaatbewijs worden afgegeven voor alle drie de Benelux-landen of voor één of twee van deze landen.

De ambtenaar belast met de grensbewaking is bevoegd om zelfstandig een bijzonder doorlaatbewijs af te geven aan een niet-visumplichtige vreemdeling. Voor afgifte dient steeds aan elk van de volgende voorwaarden te worden voldaan:

  • er is sprake van een situatie van overmacht. Bij situaties van overmacht kan bijvoorbeeld worden gedacht aan passagierende zeelieden van wie het schip onaangekondigd is uitgevaren, drenkelingen en personen die het slachtoffer zijn geworden van diefstal. In geval een vreemdeling zijn paspoort is vergeten, is geen sprake van een overmachtsituatie;

  • de vreemdeling kan aantonen dat er een dringende en gegronde reden voor verlening van toegang bestaat;

  • de vreemdeling kan aannemelijk maken dat de duur van het verblijf niet langer dan twee weken zal bedragen; en

  • de vreemdeling is in het bezit van enig document waaruit zijn identiteit blijkt, bij voorkeur een van een pasfoto voorzien identiteitsbewijs afgegeven door enige officiële instelling (dit laatste vereiste geldt niet voor kinderen beneden de leeftijd van zestien jaar die reizen in gezelschap van hun ouder(s), grootouder(s) of voogd). Indien de vreemdeling wel beschikt over enig document waaruit zijn identiteit blijkt, maar dat niet is voorzien van een foto, dient op het bijzonder doorlaatbewijs een foto van de vreemdeling te worden bevestigd.

Het verlenen van bijzondere doorlaatbewijzen geschiedt gratis.

4.2.2. Visum

Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder b, SGC en artikel 1 Visumcode dient een vreemdeling voor beoogd verblijf van korter dan drie maanden, indien vereist, te beschikken over een geldig visum.

Voor de bepalingen omtrent (vrijstelling van) het visumvereiste en andere visagerelateerde onderwerpen wordt verwezen naar A2/4.3.

Aan het bezit van een visum kan als zodanig geen onherroepelijk recht op binnenkomst worden ontleend (zie artikel 30 Visumcode). Zo dient bij binnenkomst de door de vreemdeling te verstrekken informatie aan de ambtenaar belast met grensbewaking ter ondersteuning van het verzoek om toegang in overeenstemming te zijn met de reeds verstrekte informatie aan de diplomatieke post ter verkrijging van een visum.

Voorts bestaat onder bijzondere omstandigheden de mogelijkheid dat visumfaciliteiten worden verleend aan de grens indien een geldig visum ontbreekt (zie A2/4.3.8.2).

Voor verblijf van langer dan drie maanden dient men overigens, indien vereist, te beschikken over een mvv. Ook voor de bepalingen omtrent (vrijstelling van) het mvv-vereiste wordt verwezen naar A2/4.3.

4.2.3. Reisdoel en middelen van bestaan

Artikel 5, eerste lid, onder c, SGC ziet zowel op het vereiste het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden, zo nodig met documenten, te kunnen onderbouwen, als op het vereiste om te beschikken over voldoende middelen van bestaan.

4.2.3.1. Reisdoel

Het door de vreemdeling opgegeven doel en de duur van het voorgenomen verblijf dient de vreemdeling, aannemelijk te maken. Ter staving hiervan dient de vreemdeling alle gegevens te verstrekken en beschikbare documenten te tonen. Een niet-uitputtende lijst van bewijsstukken is opgenomen in bijlage I bij de SGC.

In het geval de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van electronic ticketing en derhalve niet in het bezit is van een retourpassagebiljet, kan de ambtenaar belast met grensbewaking met toestemming van de vreemdeling inlichtingen inwinnen bij het hiervoor door de betreffende luchtvaartmaatschappij beschikbaar gestelde informatiepunt. Indien de vreemdeling geen toestemming verleent aan de ambtenaar belast met grensbewaking om de bovenbedoelde informatie op te vragen bij de betreffende luchtvaartmaatschappij en voorts niet anderszins het doel en de duur van het voorgenomen verblijf aannemelijk kan maken, wijst de ambtenaar de vreemdeling er op dat dit tot toegangsweigering zal leiden.

Bevoegde lidstaat voor het nemen beslissing op een visumaanvraag

De diplomatieke of consulaire post van de Schengenlidstaat, waarvan de enige bestemming van het (de) bezoek(en) is gelegen, verleent in beginsel het visum voor het hele Schengengebied. Indien het bezoek meer dan een bestemming omvat, verleent de diplomatieke of consulaire post van de Schengenlidstaat waarvan de hoofdbestemming van het (de) bezoek(en) is gelegen qua duur of doel van het verblijf in beginsel het visum. Indien geen hoofdbestemming kan worden vastgesteld, dan verleent in beginsel de diplomatieke of consulaire post van het Schengenlidstaat waarvan de aanvrager voornemens is de buitengrens te overschrijden om het grondgebied van de Schengenlidstaten binnen te komen het visum (zie artikel 5 Visumcode).

De toegang kan niet worden geweigerd aan een vreemdeling op grond van het enkele feit dat het door hem opgegeven land van hoofdreisdoel niet in overeenstemming is met het land van visumafgifte. Desgevorderd is het wel aan de vreemdeling om het door hem opgegeven doel en de duur van het verblijf alsnog aannemelijk te maken. De ambtenaar belast met de grensbewaking dient de verklaringen van de vreemdeling daartoe te controleren, tenzij aanstonds duidelijk is dat de door de vreemdeling verstrekte informatie niet consistent is of niet strookt met andere (betrouwbare) gegevens die langs andere weg zijn verkregen. De controle omvat in ieder geval een controle van feiten en verklaringen die ten grondslag liggen aan de afgifte van het visum. Hiertoe zal in beginsel contact op moeten worden genomen met de visumafgevende instantie.

De vreemdeling wordt altijd geconfronteerd met afwijkende informatie en wordt in staat gesteld hier een verklaring voor te geven. Indien deze verklaring onvoldoende aannemelijk is en er wordt geconstateerd dat de vreemdeling het visum op onrechtmatige wijze heeft verkregen, wordt de toegang geweigerd en wordt het visum nietig verklaard. Een visum wordt ingetrokken, indien blijkt dat niet langer aan de afgifte voorwaarden voldaan wordt (zie artikel 34 Visumcode en A2/4.3.7).

4.2.3.2. Middelen van bestaan

Als toegangsvoorwaarde voor verblijf van ten hoogste drie maanden geldt voorts het vereiste om te beschikken over voldoende middelen van bestaan. Overigens wordt ook in het kader van de aanvraag tot het verlenen van een visum voor kort verblijf bezien of de aanvrager over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de duur van het voorgenomen verblijf (zie artikel 21, vijfde lid, Visumcode).

De middelen dienen toereikend te zijn om te voorzien in zowel de kosten van het verblijf in Nederland als in de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar de toegang gewaarborgd is. Of de middelen waarover de vreemdeling kan beschikken toereikend zijn, hangt af van verschillende (persoonsgebonden) factoren, waaronder de duur van het voorgenomen verblijf, het reisdoel, de persoonlijke omstandigheden en de aard van het gebruikte vervoermiddel. Vaste maatstaven zijn in dit verband niet te geven. Ter indicatie kan worden aangenomen dat vreemdelingen die zelfstandig reizen, moeten kunnen voorzien in de kosten van hun verblijf en onderdak, hetgeen voor Nederland neerkomt op een bedrag van ten minste € 34 per persoon per dag. Dit bedrag is exclusief de eventuele kosten voor een vliegreis naar een plaats buiten Nederland waar de toegang is gewaarborgd.

Aan vreemdelingen van wie niet zeker is dat zij over voldoende bestaansmiddelen kunnen beschikken voor de duur van het voorgenomen verblijf en/of voor de terugreis/reis naar een derde land, kan onder voorwaarden toegang worden verleend (zie artikel 2.11 Vb). Deze voorwaarden zijn:

  • a. er bestaat geen aanleiding de vreemdeling de toegang om een van de andere voorwaarden genoemd in artikel 5, eerste lid, SGC te weigeren en er zijn geen redenen om aan te nemen dat de vreemdeling zich niet zal houden aan de in artikel 12 Vw gestelde voorwaarden voor kort verblijf (zie vrije termijn A2/4.4);

  • b. de vreemdeling stelt zonodig zekerheid voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toelating gewaarborgd is, door het deponeren van een retourpassagebiljet of een garantiesom;

  • c. de vreemdeling stelt zonodig zekerheid doordat een in Nederland wonende solvabele derde zich garant stelt door ondertekening van een garantverklaring.

In daarvoor in aanmerking komende gevallen kan tevens een meldplicht worden opgelegd met toepassing van artikel 4.24, eerste lid, onder d, Vb.

Kennisgeving aan de Korpschef van de toegangsverlening onder voorwaarden geschiedt door middel van model M20. Zie voor toegang onder voorwaarden ook A2/5.4.

Ad b retourpassagebiljet en garantiesom

Aan de vreemdeling kan worden verzocht een in zijn bezit zijnde retourpassagebiljet te deponeren tot zekerheidstelling. In het geval de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van electronic ticketing en derhalve niet in het bezit is van een retourpassagebiljet, wijst de ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling op de mogelijkheid om alsnog door de luchtvaartmaatschappij een retourpassagebiljet te laten printen. Indien de betreffende luchtvaartmaatschappij hier niet aan kan of wil voldoen, behoudt de ambtenaar belast met de grensbewaking de bevoegdheid tot het stellen van zekerheid. De geldigheid van het retourpassagebiljet moet de duur van het voorgenomen verblijf overschrijden.

De vreemdeling kan ook een garantiesom deponeren. Voor de hoogte van de garantiesom zijn de lijnvluchttarieven van de KLM bepalend. Deze tarieven kunnen worden opgevraagd bij de KLM of bij de KMar.

Van de mogelijkheid een garantiesom te deponeren, zal in het bijzonder gebruik kunnen worden gemaakt in de volgende gevallen:

  • vreemdelingen die voor familiebezoek of toeristische doeleinden naar ons land komen en niet in het bezit zijn van een retourpassagebiljet geldig voor de terugreis; of

  • zeelieden die na binnenkomst of afmonstering hier te lande toestemming krijgen voor het zoeken van werk aan boord van een ander schip.

Beheer retourpassagebiljet en garantiesom

Aan vreemdelingen die bij binnenkomst in Nederland een garantiesom of een retourpassagebiljet deponeren, wordt een folder uitgereikt. Hierin wordt informatie verschaft over ontvangst, beheer en teruggave van aan de grens gedeponeerde garantiesommen en retourpassagebiljetten.

Aan de vreemdeling die een retourpassagebiljet of een garantiesom deponeert, wordt tevens een ontvangstbewijs afgegeven. Ook aan een derde die een garantiesom deponeert, wordt een dergelijk ontvangstbewijs afgegeven.

In de regel beheert de Korpschef de bij hem gedeponeerde retourpassagebiljetten en garantiesommen. Retourpassagebiljetten die aan de grens zijn gedeponeerd, worden in de regel toegezonden aan de Korpschef van de politieregio waarin de gemeente waar de vreemdeling zal verblijven is gelegen. Garantiesommen die aan de grens zijn gedeponeerd, worden gestort op de rekening van de Korpschef. Dit is alleen anders bij retourpassagebiljetten en garantiesommen die aan de grensdoorlaatposten van Amsterdam Schiphol, (luchthaven) Rotterdam en Rotterdam-Havens zijn gedeponeerd. Deze blijven onder berusting van de KMar en ZHP en worden dus niet doorgestuurd aan de Korpschef van de politieregio waarin de gemeente waar de vreemdeling zal verblijven, is gelegen.

Over gedeponeerde garantiesommen wordt geen rente vergoed.

Teruggave en restitutie in Nederland

De vreemdeling die een retourpassagebiljet of een garantiesom heeft gedeponeerd, moet zich voor teruggave daarvan rechtstreeks wenden tot de beherende instantie. Hetzelfde geldt voor derden die een garantiesom ten behoeve van een vreemdeling hebben gedeponeerd.

De garantiesom dan wel het retourpassagebiljet wordt aan de betrokkene teruggegeven op vertoon van het ontvangstbewijs, indien:

  • voldoende zekerheid bestaat omtrent vertrek van de vreemdeling (op eigen kosten); of

  • naderhand een aanvraag om een verblijfsvergunning wordt ingewilligd.

Garantiesommen gedeponeerd door derden worden op vertoon van het ontvangstbewijs gerestitueerd na vertrek van de vreemdeling uit het Schengengebied.

Bij teruggave van de garantiesom dan wel het retourpassagebiljet moet het ontvangstbewijs worden ingenomen.

Teruggave en restitutie vanuit het buitenland

Vreemdelingen die Nederland hebben verlaten zonder zich vooraf wederom in het bezit van de garantiesom of het retourpassagebiljet te hebben gesteld, dienen zich tot een in hun land gevestigde Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging te wenden met het verzoek om restitutie van de garantiesom respectievelijk teruggave van het retourpassagebiljet. Een vreemdeling die rechtstreeks vanuit het buitenland een verzoek om restitutie indient, moet worden verwezen naar de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in zijn land.

Ad c Garantstelling door derde

Ook kan zekerheid worden gesteld doordat een hier te lande wonende solvabele derde zich garant stelt door ondertekening van een verklaring (zie bijlage 6a VV tot en met bijlage 6d VV/artikel 14 , vierde lid, Visumcode). In geval de vreemdeling zelf niet over voldoende middelen van bestaan beschikt kan desondanks toegang worden verleend wanneer een in Nederland rechtmatig verblijvende solvabele derde zich garant heeft gesteld. Zie voor een nadere uitwerking van solvabele derde A2/4.3.3.1.

Deze derde stelt zich daarbij garant voor de kosten die voor de Staat of andere openbare lichamen uit het verblijf van de vreemdeling kunnen voortvloeien, alsmede voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar toelating van de vreemdeling is gewaarborgd.

4.2.4. Signalering ter fine van weigering

Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder d, SGC kan toegang worden verleend aan vreemdelingen die niet met het oog op weigering van toegang in (N)SIS gesignaleerd staan. Met betrekking tot signaleringen die verband houden met respectievelijk de uitvoering van de Vw en de SUO wordt verwezen naar A3/9.

Indien een vreemdeling, die in Nederland of een andere Schengenstaat een geldige verblijfstitel bezit, in het (N)SIS gesignaleerd staat, meldt de ambtenaar belast met de grensbewaking de ‘hit’ bij bureau SIRENE en licht de IND in.

De vreemdeling dient in beginsel te worden doorgelaten dan wel doorreis te worden verleend. Hiertoe reikt de ambtenaar belast met de grensbewaking aan de vreemdeling, conform het gestelde in A3/9.4, onder ad. 4, een door de IND opgestelde verklaring uit.

Ingeval de vreemdeling in bezit is van een Nederlandse verblijfstitel en twijfel bestaat met betrekking tot de rechtmatigheid van deze verblijfstitel, dient de ambtenaar na te gaan of de Nederlandse verblijfstitel rechtmatig is afgegeven.

De raadplegingsprocedure met de betreffende Schengenstaat wordt door de IND opgestart. Aan een vreemdeling die in het bezit is van een voor Nederland geldige of voor een andere Schengenstaat geldige verblijfstitel en in het OPS gesignaleerd staat, kan in beginsel de toegang worden geweigerd op grond van artikel 13, eerste lid juncto artikel 5, eerste lid, onder e, SGC. Dit geldt niet voor vreemdelingen die vallen onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer van personen; voor hen geldt een andere rechtsgrond voor weigering (zie A2/6.2.2.2)

4.2.5. Gevaar voor de openbare orde of nationale veiligheid

Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder e, SGC kan toegang worden verleend aan vreemdelingen die niet worden beschouwd als een gevaar voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van de Schengenstaten.

Onder gevaar voor de openbare orde zijn mede begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid en de (goede) internationale betrekkingen.

Van gevaar voor de volksgezondheid kan sprake zijn in het geval van potentieel epidemische ziekten zoals gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie, en andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, voorzover in Nederland beschermende regelingen zijn getroffen ten aanzien van de eigen onderdanen (zie artikel 8.8, eerste lid, onder b, Vb). Daarbij kan, naast de in gezondheidswetgeving gebruikelijke ziekten als pest, cholera en gele koorts, ook worden gedacht aan nieuwere ziekten als Sars. Verwezen wordt naar artikel 2, onderdeel a, Infectieziektenwet (zie tevens A2/5.5.3 (toegangsweigering)).

Indien een vreemdeling gesignaleerd staat, waarbij verwezen wordt naar hetgeen vermeld staat onder A2/4.2.4, is dat een indicatie dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen van de Schengenstaten.

Indien er gegronde reden is te vrezen voor (politieke) activiteiten die gevaar opleveren voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de internationale betrekkingen, vindt met het oog op het toelatingsvraagstuk over de vreemdeling in kwestie afstemming met de IND plaats.

4.3. Visa en visumafgifte aan de grens

4.3.1. Algemeen

Regels met betrekking tot procedures en voorwaarden voor de afgifte van visa voor de doorreis over het grondgebied van de lidstaten of een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste drie maanden binnen een periode van zes maanden, zijn neergelegd in de Visumcode.

Naast de Visumcode is een handleiding voor de behandeling van visumaanvragen en de wijziging van afgegeven visa vastgesteld (verder aangeduid met Praktisch Handboek), dat aanwijzingen en voorbeelden bevat betreffende de praktische toepassing van de Visumcode. Het Praktisch Handboek bevat verder een lijst met bijlagen, die een uniforme toepassing van de Visumcode binnen de lidstaten zal helpen borgen. De bijlagen bij het Praktisch Handboek bevatten onder andere (niet-limitatief):

  • de lijst van verblijfsdocumenten afgegeven door de lidstaten (die op grond van artikel 21 SUO recht geven op visumvrije binnenkomst);

  • informatie over nationale uitzonderingen op de visumplicht (bijvoorbeeld uitzonderingen voor diplomatieke, speciale en dienstpaspoorten);

  • de lijst van derde landen waarvan de onderdanen in het bezit moeten zijn van een luchthaventransitvisum wanneer zij zich in de internationale transitzone van luchthavens van één of enkele lidstaten bevinden;

  • de lijst van verblijfsdocumenten waarvan de houders van de luchthaventransitvisumplicht zijn vrijgesteld;

  • visumfacilitatieovereenkomsten en bijbehorende uitvoeringsrichtlijnen;

  • het overzicht van reisdocumenten welke recht geven op overschrijding der buitengrenzen en waarin een visum kan worden aangebracht;

  • een niet-limitatieve opsomming van documenten die kunnen dienen ter ondersteuning van een visumaanvraag;

  • een lijst met derde landen waarvan de onderdanen of specifieke categorieën hiervan onderworpen zijn aan een voorafgaande consultatieplicht;

  • een lijst met derde landen waarvan de onderdanen of specifieke categorieën hiervan onderworpen zijn aan een informatieplicht na afgifte van een visum;

  • gegevens welke lidstaten kunnen opnemen in de zone “opmerkingen” op een visumsticker;

  • voorbeelden van ingevulde visumstickers;

  • een lijst met vertegenwoordigingsafspraken en andere vormen van samenwerking ten behoeve van de inname van visumaanvragen.

Bijzondere regels ten aanzien van de behandeling van visumaanvragen kunnen gelden op grond van een visumfacilitatieovereenkomst, welke is afgesloten tussen de EU en een derde land. Een visumfacilitatieovereenkomst vergemakkelijkt de afgifte van visa voor kort verblijf aan onderdanen van derde landen, op basis van wederkerigheid.

Indien de vreemdeling langer dan drie maanden in Nederland wenst te verblijven en mvv-plichtig is, dient hij een D-visum (een mvv) aan te vragen (zie B1/1).

Vrijstelling van de visumplicht

Verordening 539/2001 bepaalt welke onderdanen van derde landen bij het overschrijden van de buitengrenzen in het bezit dienen te zijn van een visum en welke onderdanen van derde landen van de visumplicht zijn vrijgesteld. Voorts is in Bijlage IV van de Visumcode een gemeenschappelijke lijst van onderdanen van derde landen vastgesteld, die in het bezit dienen te zijn van een luchthaventransitvisum wanneer zij door de internationale transitzones van luchthavens op het grondgebied van lidstaten reizen. Naast deze gemeenschappelijke lijst is er ook een lijst van onderdanen van derde landen die door één of meer Schengenlidstaten aan de luchthaventransitvisumplicht zijn onderworpen (Bijlage 7B Praktisch Handboek).

Op grond van artikel 1 van Verordening 539/2001 zijn in ieder geval van de visumplicht vrijgesteld houders van een reisdocument dat is afgegeven door een lidstaat van de EU aan vluchtelingen, staatlozen en andere personen zonder nationaliteit die rechtmatig verblijf hebben in die lidstaat. Voorts zijn houders van een geldig, door een Schengenlidstaat afgegeven (verblijfs)document, vrijgesteld van de visumplicht (zie artikel 21 SUO).

In artikel 4 van Verordening 539/2001 is bepaald dat lidstaten in bepaalde gevallen een uitzondering kunnen maken op de visumplicht of de vrijstelling van de visumplicht die uit de Verordening voortvloeit. Dat geldt onder andere voor houders van diplomatieke paspoorten, dienst- of officiële paspoorten en speciale paspoorten, voor civiele vliegtuig- en scheepsbemanningen, voor bepaalde groepen scholieren of personen met een vluchtelingenstatus en staatlozen.

De uitzonderingen op de visumplicht die op grond van artikel 4 van Verordening 539/2001 door de Benelux-landen of Nederland worden gehanteerd, zijn vermeld in de bijlagen bij het Praktisch Handboek behorend bij de Visumcode.

In aanvulling op bovenstaande kan een vreemdeling op grond van een visumfacilitatieovereenkomst worden vrijgesteld van de visumplicht. Veelal geldt dit voor houders van diplomatieke paspoorten.

In artikel 2.4 Vb zijn bepalingen opgenomen over de omstandigheden waaronder (transit)passagiers van vliegtuigen, zonder in het bezit te zijn van het vereiste visum, toegang kan worden verleend (zie A2/6.2.6).

Tot slot, zoals is neergelegd in artikel 8.9 Vb, zijn personen die normaal gesproken visumplichtig zijn vrijgesteld van de visumplicht wanneer zij een familielid zijn als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland die zijn recht inzake vrij verkeer uitoefent. Hierbij geldt als voorwaarde dat zij in het bezit moeten zijn van een geldige verblijfskaart afgegeven door één van de EU-/EER-landen of Zwitserland en samen reizen dan wel zich voegen bij de betreffende EU-onderdaan. (Hier wordt gedoeld op het document vermeld in artikel 10 van Richtlijn 2004/38 van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden.)

4.3.2. Plaats van afgifte visa

Visa en luchthaventransitvisa worden in beginsel in het buitenland afgegeven door de diplomatieke en consulaire vertegenwoordigingen van de Schengenstaten (zie artikel 4 Visumcode).

Onder bijzondere omstandigheden bestaat de mogelijkheid dat visumfaciliteiten worden verleend aan de grens (zie A2/4.3.8), indien een geldig visum ontbreekt.

In een aantal gevallen dienen visumaanvragen te worden voorgelegd aan een nationale dienst. In Nederland wordt deze machtiging ten aanzien van bepaalde categorieën vreemdelingen gegeven door de directie Consulaire zaken en Migratiebeleid van het ministerie van BuZa. Voor andere categorieën vreemdelingen wordt de machtiging gegeven door de Visadienst.

4.3.3. Soorten van visa

Op de eerste plaats is een onderscheid te maken tussen Schengenvisa en nationale visa. In de onderstaande paragrafen is uitgewerkt welke soorten visa onder beide ressorteren.

4.3.3.1. Schengenvisa

Een eenvormig visum (in de vorm van een sticker) is een visum dat geldig is voor het gehele grondgebied van alle Schengenstaten (zie artikel 2, derde lid, Visumcode). Vreemdelingen die houder zijn van een geldig Schengenvisum en die het grondgebied van één van de Schengenstaten op rechtmatige wijze zijn binnengekomen, mogen zich in beginsel vrij verplaatsen op het grondgebied van alle Schengenstaten. Uitzondering hierop vormt het territoriaal beperkte visum, zie hieronder.

De volgende typen Schengenvisa worden onderscheiden:

  • het luchthaventransitvisum (type A) (zie artikel 2, vijfde lid, Visumcode), dat geldig is voor doorreis via de internationale transitzones van een of meer luchthavens van de lidstaten; en

  • het visum (type C), dat geldig is voor doorreis over het grondgebied van de lidstaten of een voorgenomen verblijf op het grondgebied van de lidstaten van ten hoogste drie maanden in een periode van zes maanden (zie artikel 2, tweede lid, Visumcode)

Geldigheidsduur Schengenvisa

Een visum kan worden afgegeven voor één, twee of meerdere binnenkomsten. Voor houders van visa geldt dat de duur van een ononderbroken verblijf, noch de totale duur van de achtereenvolgende verblijfsperioden meer dan drie maanden per zes maanden, te rekenen vanaf de datum van eerste binnenkomst, mag bedragen. De termijn van drie maanden begint te lopen vanaf de datum van eerste binnenkomst op het grondgebied van de lidstaten (zie artikel 2, lid 2 Visumcode).

De geldigheidsduur van een visum voor één reis bedraagt ten hoogste drie maanden. In bepaalde gevallen kan een meervoudig visum met een geldigheidsduur tussen zes maanden en vijf jaar worden toegekend (zie artikel 24, tweede lid, Visumcode).

Het visum wordt in beginsel niet voor langere duur verleend dan waarvoor het is aangevraagd.

Visum met territoriaal beperkte geldigheid

Het visum met territoriaal beperkte geldigheid is een visum waarbij verblijf uitsluitend is toegestaan op het grondgebied van één of meer Schengenlidstaten. Zie voor gevallen waarin dergelijke visa kunnen worden afgegeven artikel 25 Visumcode.

Visumverklaringen

In de regel wordt het visum in een reisdocument aangebracht. In artikel 12 Visumcode is neergelegd waaraan het reisdocument dient te voldoen. In bepaalde gevallen worden het luchthaventransitvisum en het visum niet in het paspoort, maar op een afzonderlijk blad aangebracht: een visumverklaring (zie artikel 2, achtste lid, Visumcode). Aan een visumverklaring wordt dezelfde betekenis toegekend als aan een visum, met dien verstande, dat de houder van een dergelijke visumverklaring te allen tijde in het bezit dient te zijn van het identiteitsdocument waarnaar in het visum wordt verwezen. Deze visumverklaringen kunnen geldig gemaakt worden voor één of meerdere Schengenstaten. Een visum dient in de vorm van een visumverklaring te worden afgegeven wanneer het reisdocument door de lidstaat die het visum afgeeft niet wordt erkend.

Reizigerslijst voor schoolreizen binnen de EU

Aan scholieren van derde landen die rechtmatig in Nederland verblijven, kan ter vereenvoudiging van schoolreizen binnen de EU een reizigerslijst voor scholieren worden afgegeven overeenkomstig het besluit van de Raad van de EU van 30 november 1994 (94/75/JBZ). Bij dit besluit is een standaard gemeenschappelijk formulier toegevoegd van een reizigerslijst. De reizigerslijst is opgenomen in model M7.

Met de reizigerslijst kunnen scholieren uit derde landen die rechtmatig verblijf hebben in een van de lidstaten in de eerste plaats visumvrij reizen tussen de lidstaten, maar zij moeten wel nog voldoen aan de overige voorwaarden voor toegang. Lidstaten kunnen dan ook scholieren, die niet aan de nationale voorwaarden voor toegang voldoen, de toegang weigeren.

Daarnaast hebben de lidstaten van de EU de lijst tevens erkend als geldig document voor grensoverschrijding, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • de lijst is voorzien van recente foto’s van de op de lijst vermelde scholieren die niet in het bezit zijn van een identiteitsbewijs met foto;

  • de verantwoordelijke instantie van de lidstaat moet de verblijfsstatus van de betrokken scholieren en hun recht om opnieuw tot het land te worden toegelaten hebben bevestigd en ervoor hebben gezorgd dat het document dienovereenkomstig gewaarmerkt is;

  • de lidstaat van verblijf van de scholier in kwestie moet de andere lidstaten hebben meegedeeld dat hij de lijst als geldig document voor grensoverschrijding wenst te gebruiken.

De scholieren komen voor visumvrijstelling, door plaatsing op de reizigerslijst, in aanmerking indien:

  • zij in het kader van een schoolexcursie deelnemen aan een groepsreis van leerlingen van een school voor algemeen vormend onderwijs (basisscholen, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor voortgezet onderwijs);

  • zij deel uitmaken van een groep die begeleid wordt door een leerkracht van de desbetreffende school;

  • de leerlingenlijst volledig is ingevuld en gewaarmerkt door het schoolhoofd en is voorzien van recente foto’s van de op de lijst vermelde scholieren voor zover deze niet in het bezit zijn van een identiteitsbewijs met foto; en

  • zij rechtmatig in een van de Schengenstaten verblijven.

Criteria voor visumverlening (kort verblijf)

De criteria voor visumverlening zijn in beginsel gelijk aan de algemene criteria die gelden voor toegang zoals opgenomen in artikel 5, eerste lid, SGC. De criteria voor visumverlening zijn nader uitgewerkt in artikel 21 Visumcode. Een van de basiscriteria bij visumverlening is het voorkomen van illegale immigratie (zie artikel 21, eerste lid, Visumcode). Hierbij is het aan de visumaanvrager om aannemelijk te maken – zo nodig door middel van het overleggen van documenten – dat de tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd.

Zoals reeds in A2/4.2.3 werd vermeld, is in artikel 5, eerste lid, onder c, SGC aangegeven dat een vreemdeling dient te beschikken over voldoende middelen van bestaan. In bijlage 18 van het Praktisch Handboek zijn de jaarlijkse door de nationale autoriteiten vastgestelde referentiebedragen opgenomen. Tevens dient de vreemdeling in het bezit te zijn van een toereikende en geldige medische reisverzekering voor de duur van zijn verblijf in het Schengengebied (zie artikel 15 Visumcode).

In geval de vreemdeling zelf niet over voldoende middelen beschikt, kan desondanks aan het middelenvereiste worden voldaan, indien een in Nederland rechtmatig verblijvende solvabele derde zich garant stelt voor de kosten die voor de staat of voor andere openbare lichamen uit het verblijf van de vreemdeling kunnen voortvloeien, alsmede voor de kosten van de reis naar een plaats buiten Nederland waar de toelating van de vreemdeling is gewaarborgd (zie bijlage 6a VV tot en met bijlage 6c VV). Deze derde kan aangemerkt worden als solvabel indien hij zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Onder voldoende wordt in dit kader verstaan een bruto maandinkomen minimaal gelijk aan het minimumloon in de zin van de Wet op het minimumloon en minimum vakantiebijslag (Wml). De begrippen zelfstandig, hoogte en duurzaam zijn nader uitgewerkt in artikel 3.73 Vb

, artikel 3.74, eerste lid, onder a Vb,en artikel 3.75 Vb en zijn overeenkomstig van toepassing op de verlening van kort verblijf.

In geval een solvabele derde zich garant stelt voor meer dan één persoon, kunnen aanvullende voorwaarden gesteld worden. In die gevallen kan bijvoorbeeld verlangd worden dat een bankgarantie ter hoogte van het lijnvluchttarief KLM en/of meerdere separate garantverklaringen worden overlegd. Voor elke aanvullend aangedragen visumaanvrager voor wie de solvabele derde zich garant wil stellen geldt, dat de solvabele derde zelfstandig en duurzaam over voldoende middelen van bestaan dient te beschikken.

Indien een solvabele derde zich reeds eerder garant heeft gesteld voor een visumaanvrager en hij niet of onvoldoende aannemelijk kan maken dat deze visumaanvrager tijdig is teruggekeerd naar het land van herkomst of een land waar de toelating is gewaarborgd, kan dit mede aanleiding vormen de aanvraag voor een visum kort verblijf af te wijzen.

Beslissingen op visumaanvragen

De beslistermijn voor een aanvraag om een visum kort verblijf is neergelegd in artikel 23 Visumcode. Uitgangspunt is dat er wordt beslist binnen vijftien kalenderdagen na de datum van indiening van een ontvankelijke aanvraag (zie artikel 23, eerste lid, Visumcode). In individuele gevallen kan de beslistermijn worden verlengd tot ten hoogste dertig kalenderdagen (zie artikel 23, tweede lid, Visumcode) en in uitzonderlijke gevallen kan de beslistermijn worden verlengd tot ten hoogste zestig dagen (zie artikel 23, derde lid, Visumcode).

Bij een afwijzende beslissing op een visumaanvraag moeten de redenen van afwijzing van de aanvraag kenbaar worden gemaakt. Hiervoor dient gebruik te worden gemaakt van een standaardformulier (bijlage VI Visumcode) (zie artikel 32, tweede lid, Visumcode).

Ingevolge artikel 32, derde lid, Visumcode, staat tegen het afwijzen van een visumaanvraag een rechtsmiddel open. De nationale wetgeving is hier van toepassing (zie artikel 32, derde lid, Visumcode).

4.3.3.2. Nationale visa

Er kunnen twee soorten nationale visa worden onderscheiden:

  • a. een visum voor terugkeer;

  • b. een visum voor verblijf van langere duur (mvv) (type D).

Ad a Visum voor terugkeer

Een terugkeervisum is een nationaal visum, dat recht geeft op terugkeer naar Nederland (zie artikel 2.3, eerste lid, onder d, Vb.)

Een dergelijk visum kan onder bepaalde voorwaarden door de Visadienst, aan vreemdelingen die daarom verzoeken, worden afgegeven indien:

De indiening van een verzoek om een terugkeervisum geschiedt op dezelfde wijze als een verzoek tot wijziging of verlenging van een visum.

Het model van de aanvraag om verlening van een terugkeervisum wordt beheerd door de IND. Dit geldt ook voor de modellen van de beschikkingen tot afwijzing van deze aanvraag. De Hoofddirecteur van de IND stelt op grond van het basismodel aantekeningensticker het model voor het terugkeervisum vast (zie bijlage 7 VV en de website van de IND).

Vreemdelingen in procedure

Een vreemdeling aan wie het is toegestaan om in Nederland een (definitieve) beslissing op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel dan wel regulier af te wachten, heeft, indien hij na uitreis uit Nederland aanspraak wil maken op wedertoegang tot Nederland, hiervoor een terugkeervisum nodig. Indien de vreemdeling niet visumplichtig is voor Nederland geldt deze eis niet.

Ten aanzien van de vreemdeling die in afwachting is van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier (eerste aanleg, bezwaar of beroep) geldt het volgende. Indien de vreemdeling is ingereisd zonder te beschikken over de vereiste mvv welke overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, en evenmin besloten is dat er sprake is van een gerechtvaardigd beroep op de hardheidsclausule of vrijstelling van het mvv-vereiste, wordt aan hem geen terugkeervisum verleend.

De vreemdeling die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw, én met de vereiste mvv is ingereisd, welke overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd, komt in aanmerking voor een terugkeervisum, indien:

  • 1. sprake is van een dringende reden die geen uitstel van vertrek gedoogt;

  • 2. de vreemdeling zich gedurende zijn verblijf in Nederland heeft gehouden aan de maatregelen van toezicht in het kader van de Vw;

  • 3. de vreemdeling, om de reden voor vertrek uit en terugkeer naar Nederland aannemelijk te maken, alle daarvoor noodzakelijke gegevens heeft verstrekt en bescheiden heeft overgelegd aan de verzoekende instantie;

  • 4. de vreemdeling zelfstandig beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding;

  • 5. het OM geen bezwaar heeft tegen vertrek uit Nederland in verband met vervolging wegens strafbare feiten of tenuitvoerlegging van een vonnis;

  • 6. de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, een bezwaarschrift, een beroep op de Rechtbank of een hoger beroep op de ABRvS niet binnen de geldigheidsduur van het terugkeervisum wordt verwacht.

In de volgende gevallen is er sprake van dringende redenen die geen uitstel van vertrek gedogen:

  • ernstige ziekte of overlijden van een nabije bloedverwant (in de eerste en tweede graad);

  • het bijwonen van een huwelijk van een nabije bloedverwant (in de eerste en tweede graad);

  • onder voogdij gestelde minderjarigen die met het pleeggezin op vakantie naar het buitenland gaan;

  • deelname aan een in het kader van de opleiding of studie van belang zijnde excursie of werkweek in het buitenland; of

  • deel uitmaken van een sportteam dat Nederland in het buitenland zal vertegenwoordigen.

Daarnaast kunnen vreemdelingen die voor zakelijke doeleinden wensen te reizen in aanmerking komen voor een terugkeervisum, ongeacht het feit of er sprake is van dringende redenen die geen uitstel van vertrek gedogen. Deze categorie vreemdelingen dient wel te voldoen aan de voorwaarden 2 tot en met 6 zoals hierboven opgesomd. Bovendien moeten zij kunnen aantonen dat zij een aanvraag tot het verlenen van een reguliere verblijfsvergunning hebben ingediend en hiervoor leges hebben betaald.

Het terugkeervisum wordt voor een vreemdeling die rechtmatig verblijf houdt op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw alleen kort voor het vertrek van de vreemdeling afgegeven. Het terugkeervisum wordt afgegeven met een geldigheidsduur voor het beoogde doel, maar voor ten hoogste drie maanden. De geldigheidsduur van een terugkeervisum kan na uitreis niet worden gewijzigd of verlengd. De geldigheidsduur van het noodzakelijke document voor grensoverschrijding dient ten minste één maand langer te zijn dan de termijn waarbinnen de vreemdeling op grond van zijn terugkeervisum kan terugkeren.

Het terugkeervisum is in deze gevallen slechts geldig voor één reis, tenzij het gaat om vreemdelingen die voor zakelijke doeleinden wensen te reizen. Deze categorie vreemdelingen kan een terugkeervisum voor meerdere reizen krijgen.

Terugkeervisa ten behoeve van asielzoekers

Een terugkeervisum kan worden verleend aan een vreemdeling die een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel (als bedoeld in de artikelen 28 en 33 Vw) heeft gedaan en rechtmatig verblijf houdt op grond van artikel 8, aanhef en onder f, g of h, Vw, indien althans aan de hierboven onder 1 tot en met 6 genoemde voorwaarden is voldaan. Echter, deze vreemdelingen komen niet in aanmerking voor een terugkeervisum wanneer het de terugkeer vanuit het land van herkomst betreft.

Vreemdelingen in het bezit van een verblijfsvergunning

In principe hebben vreemdelingen die in het bezit zijn van een verblijfsvergunning asiel dan wel regulier geen terugkeervisum nodig indien zij na een reis naar het buitenland (binnen dan wel buiten het Schengengebied) weer naar Nederland willen terugkeren. Immers, deze vreemdelingen hebben zonder visum toegang tot Nederland indien zij beschikken over:

  • een paspoort of ander erkend reisdocument en een afzonderlijk document als bedoeld in bijlage 7 VV; of

  • een paspoort en een door het ministerie van BuZa afgegeven geprivilegieerdendocument (zie A2/6.2.3).

Niettemin kan aan deze vreemdelingen op hun verzoek een terugkeervisum worden afgegeven, indien zij dit visum nodig hebben voor de reis door of naar een land gelegen buiten het Schengengebied (bijvoorbeeld ter verkrijging van visumfaciliteiten voor of toegang tot dat land).

Het vorenstaande geldt ook voor:

  • Molukkers die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers (Stb. 1976, 468) als Nederlander worden behandeld; en

  • vreemdelingen die al wel een positieve beslissing op hun aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier hebben ontvangen maar nog in afwachting zijn van een verblijfsdocument als bedoeld in bijlage 7 VV.

Zij behoeven hiervoor géén dringende reden aan te dragen.

De geldigheidsduur van zowel het grensoverschrijdingsdocument als de geldigheidsduur van de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning dient de duur van het terugkeervisum met ten minste één maand te overschrijden.

Het terugkeervisum wordt voor ten hoogste één jaar verleend. Dit is slechts anders ten aanzien van Molukkers die op grond van de Wet betreffende de positie van Molukkers (Stb. 1976, 468) als Nederlander worden behandeld. Aan hen kan voor een periode van langer dan 1 jaar een terugkeervisum worden verleend. Dit laat onverlet dat de vreemdeling zijn hoofdverblijf niet buiten Nederland mag vestigen. De geldigheidsduur van een terugkeervisum kan na uitreis niet worden gewijzigd of verlengd. Het terugkeervisum kan, voor de hiervoor genoemde vreemdelingen, worden verleend voor één of meerdere reizen.

Terugkeervisa aan vreemdelingen die in afwachting zijn van een beslissing op hun aanvraag tot verlenging of wijziging van de vergunning

Een terugkeervisum kan tevens worden verstrekt aan de vreemdeling die in het bezit is (was) van een verblijfsvergunning, indien hij (tijdig) verlenging of wijziging van de beperking van zijn vergunning heeft gevraagd. In deze gevallen behoeft geen dringende reden te worden aangevoerd. De overige voorwaarden zoals eerder vermeld onder 2 tot en met 6 ‘vreemdeling in procedure’ blijven onverkort van kracht.

Aan studenten die in afwachting zijn van een beslissing op hun aanvraag tot verlenging van de verleende vergunning kan – indien zij in het kader van hun studie voor langere tijd naar het buitenland moeten reizen – een terugkeervisum worden verleend met een geldigheidsduur van maximaal zes maanden. De student dient de noodzaak en de duur van zijn verblijf in het buitenland met documenten te onderbouwen.

Houders van een verblijfsvergunning asiel

Een terugkeervisum kan worden verleend aan een vreemdeling die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of onbepaalde tijd. Zij behoeven hiervoor géén dringende reden aan te dragen. Echter, deze vreemdelingen komen niet in aanmerking voor een terugkeervisum wanneer het de terugkeer vanuit het land van herkomst betreft. Het is hierbij niet van belang of het om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde of voor onbepaalde tijd gaat.

Indien de vreemdeling beschikt over een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, vormt een aanvraag tot het verlenen van een terugkeervisum voor terugkeer uit het land van herkomst grond om op basis van artikel 32, eerste lid, onder c, Vw een aanvraag tot verlenging van die verblijfsvergunning af te wijzen. De grond voor verlening is daaraan immers kennelijk ontvallen. Ook de vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd komt niet in aanmerking voor een terugkeervisum voor terugkeer uit het land van herkomst, aangezien diens vluchtelingenpaspoort niet geldig is voor zijn land van herkomst.

Indien de vreemdeling die in het bezit is van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, van oordeel is dat hij niet meer behoeft te vrezen voor vervolging in zijn land van herkomst, bijvoorbeeld vanwege een regimewijziging, dan kan hij zich tot de eigen autoriteiten wenden voor het verkrijgen van een nieuw nationaal document voor grensoverschrijding, waarmee hij naar het land van herkomst kan reizen.

Kosten terugkeervisa

Voor de behandeling van een aanvraag voor een terugkeervisum zijn leges verschuldigd (zie verder A2/4.3.5).

Ad b Visum voor verblijf van langere duur (mvv) (type D)

Visa voor een verblijf van langere duur (type D) zijn visa die door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van een Schengenstaat overeenkomstig de eigen wetgeving worden afgegeven. Ingevolge Verordening EU 265/2010 geeft een dergelijk visum de houder, mits hij voldoet aan de in artikel 5, eerste lid, onder a), c), en e) Schengengrenscode bedoelde toegangsvoorwaarden, en niet gesignaleerd staat op de nationale signaleringslijst van de betrokken staat, het recht op inreis in en circulatie binnen het grondgebied van de overige Schengenstaten voor de duur van maximaal drie maanden (90 dagen) per periode van zes maanden(180 dagen).

De mvv is een nationaal visum dat wordt afgegeven door een Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland (artikel 1, onder h, Vw).

Een mvv-verklaring, in de vorm van een voorbedrukt formulier kan in de plaats komen van de mvv gesteld in het paspoort. In dat geval moet de houder van de verklaring steeds in het bezit zijn van het daarin aangegeven reisdocument.

Zie voor bepalingen omtrent aanvraag, afgifte en vrijstellingen van een mvv B1/1.1, B1/1.2 en B1/4.1.1 van de Vc.

4.3.4. Verplichting tot aanmelding

Vreemdelingen aan wie verblijf in de vrije termijn is toegestaan en die naar Nederland zijn gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, zijn in beginsel verplicht zich binnen drie dagen in persoon te melden bij de vreemdelingenpolitie van de gemeente waar zij verblijven (zie artikel 4.48 Vb). Het kan daarbij zowel om niet-visumplichtige als om visumplichtige vreemdelingen gaan. De verplichting tot aanmelding bij de vreemdelingenpolitie voor deze laatste groep hoeft niet expliciet op de visumsticker te zijn vermeld. Niet nakoming van een verplichting tot aanmelding is een strafbaar feit (zie artikel 108, eerste lid, Vw).

Bij afgifte van een visum kan de verplichting worden opgelegd zich binnen 3 dagen na aankomst bij de vreemdelingenpolitie te melden (artikel 4.49 Vb). In dat geval wordt onder het visum een aantekening gesteld.

4.3.5. Kosten

De leges voor een aanvraag tot het verlenen van een visum zijn vastgelegd in artikel 16 Visumcode. Als hoofdregel geldt dat aanvragers een bedrag van 60 euro aan visumleges dienen te voldoen.

De kosten voor nationale visa zijn nader uitgewerkt in de Regeling van de Minister van BuZa van 12 december 2003, nr. DJZ/BR-1003/2003 tot vaststelling van de tarieven voor consulaire dienstverlening (Regeling op de consulaire tarieven), zoals laatstelijk gewijzigd bij besluit van 7 januari 2011, nr. DJZ/BR/0734-2010 (Staatscourant 2011 nr. 597 d.d. 14 januari 2011 ).

De ZHP maakt de geheven visumgelden in verband met het verlengen en wijzigen van visa voor in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden tenminste éénmaal per maand over op de rekening van de IND. Het totaalbedrag van elke storting of overschrijving wordt aan de IND gespecificeerd verantwoord.

De (overige) door de KMar en de ZHP aan de grens geheven visumgelden worden wekelijks, vergezeld van een gespecificeerde verantwoording, overgemaakt op de rekening van het ministerie van BuZa.

Vrijstelling van kosten

In artikel 16 Visumcode is een aantal categorieën vreemdelingen vrijgesteld van visumleges. Dit betreft onder andere kinderen jonger dan 6 jaar. Daarnaast biedt het artikel aan lidstaten de mogelijkheid om andere categorieën vrij te stellen van de betaling van leges.

Ook in visumfacilitatieovereenkomsten kunnen uitzonderingen worden gemaakt op de plicht om leges te betalen. Deze uitzonderingen kunnen bestaan uit zowel een lager legesbedrag of een volledige uitzondering voor bepaalde categorieën personen.

Visa worden op grond van artikel 3 Rijksbesluit op de consulaire tarieven kosteloos verleend aan de vreemdeling die houder is van een diplomatiek paspoort.

Daarnaast zijn vrijgesteld van kosten de in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vw bedoelde familieleden van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland die zijn recht op vrij verkeer uitoefent.

Voorts kan de Minister van BuZa in andere gevallen waarin overwegingen van internationale hoffelijkheid of reciprociteit besluiten om visa kosteloos te verstrekken (zie artikel 3 Rijksbesluit op de consulaire tarieven).

Terugkeervisa worden op grond van artikel 3a, eerste lid, Regeling op de consulaire tarieven kosteloos afgegeven aan vreemdelingen op wie de Wet betreffende de positie van Molukkers van toepassing is, op grond waarvan zij voor terugkeer naar Nederland geen visum behoeven. Verder geldt ingevolge art 3a, vierde lid onder b, Regeling op de consulaire tarieven een verlaagd tarief voor Turkse onderdanen, als bedoeld in artikel 1, onderdeel s, onder 6°. Het betreft hier Turkse onderdanen, die rechten kunnen ontlenen aan de Associatieovereenkomst EG-Turkije.

4.3.6. Wijziging van visa

Onder wijziging van een visum wordt begrepen:

  • a. het omzetten van een enkelvoudig visum in een meervoudig visum;

  • b. het verlengen van de geldigheidsduur van een visum (art 33 Visumcode);

4.3.6.1. Omzetten enkelvoudig visum in een meervoudig visum

Een visum dat is afgegeven door één van de Schengenlidstaten voor één binnenkomst kan, indien zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen, bij wijze van uitzondering worden omgezet naar een visum voor meer binnenkomsten. De Visadienst zet deze visa om. Het omzetten van visa voor in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden geschiedt door de ZHP.

Bij het omzetten wordt terughoudendheid betracht, aangezien de integriteit en betrouwbaarheid van de aanvrager in principe slechts in het land van herkomst afdoende kan worden getoetst. Het omzetten naar een meervoudig visum kan worden gezien als een verlenging van de geldigheidsduur: het maakt de facto een langer verblijf in het Schengengebied mogelijk dan indien het visum niet zou worden omgezet.

De aanvraag van het omzetten van enkelvoudige naar meervoudige visa ziet in het bijzonder op overmacht, humanitaire, ernstige beroepsmatige of persoonlijke redenen.

Bij de beoordeling van de aanvraag voor het omzetten naar een meervoudig reisvisum wordt allereerst de noodzaak van de omzetting getoetst:

  • a. de vreemdeling maakt voldoende aannemelijk dat het bij de aanvraag van het enkelvoudige visum niet reeds in rede lag een meervoudig visum aan te vragen;

  • b. de vreemdeling toont aan dat er sprake is van overmacht, van onvoorziene en ernstige beroepsmatige of persoonlijke redenen.

Daarbij is het van belang dat de vreemdeling in de laatste zes maanden niet reeds langer dan drie maanden in het Schengengebied heeft verbleven.

Vervolgens worden de bijzondere redenen getoetst die worden aangevoerd voor het omzetten naar een visum voor meer binnenkomsten. Hiervan is sprake indien de aanvrager aantoont aan dat hij om bijzondere redenen belang heeft bij de mogelijkheid meer dan een keer het Schengengebied binnen te reizen en de aangevoerde redenen, die kunnen zijn gelegen in de zakelijke of persoonlijke omstandigheden, van voldoende zwaarwegende aard zijn.

Tenslotte worden bij de omzetting de overige voorwaarden voor de afgifte van een visum (nogmaals) getoetst:

  • a. de vreemdeling voldoet aan de toelatingsvoorwaarden zoals gesteld in artikel 5, lid 1, onder a, c, d en e, SGC;

  • b. de vreemdeling beschikt over een geldige ziektekostenverzekering;

  • c. de vreemdeling heeft het voornemen werkelijk naar het land van herkomst terug te keren; en

  • d. heeft een gewaarborgde toelating in een ander land.

Het gevolg van een omzetting mag niet zijn dat, meer dan op grond van de aangevoerde omstandigheid noodzakelijk wordt geacht, gebruik kan worden gemaakt van meervoudige binnenkomsten en van de initieel toegekende vrije termijn.

Het gevolg van een omzetting mag evenmin zijn dat de duur aangegeven in initieel visum wordt overschreden of bij de herhaalde binnenkomst meer dan drie maanden per zes maanden in het Schengengebied wordt verbleven.

Het gevolg van een omzetting mag in ieder geval niet zijn dat het visum voor een oneigenlijk doel wordt gebruikt.

Indien een reisvisum voor meer reizen geldig gemaakt wordt, wordt in het reisdocument van de vreemdeling een nieuw Schengenvisumsticker aangebracht. Indien de vreemdeling houder is van een visumverklaring, wordt de visumsticker op een afzonderlijk vel papier aangebracht.

4.3.6.2. Verlenging van geldigheidsduur

In artikel 33 Visumcode is bepaald in welke gevallen de geldigheidsduur van en/of de duur van het verblijf van een afgegeven visum kan worden verlengd. Dit is mogelijk in gevallen van overmacht of humanitaire redenen en vanwege zwaarwegende persoonlijke redenen. Wanneer een visum wordt verlengd vanwege overmacht of humanitaire redenen, gebeurt dit kosteloos. Wanneer een visum wordt verlengd vanwege zwaarwegende persoonlijke redenen kost dit 30 euro.

Het verblijf op basis van een Schengenvisum kan in geen geval de termijn van drie maanden overschrijden. Ook bij verlenging is die maximale termijn van drie maanden relevant, dat wil zeggen de duur van het oorspronkelijke visum met inbegrip van de verlenging. Dit is alleen anders bij een nationale verlenging (zie hieronder). Voor de in te vullen aanvraag om verlenging van de geldigheidsduur van een visum, wordt verwezen naar model M5-A. Voor de beschikking waarmee een dergelijke aanvraag wordt afgewezen, wordt verwezen naar model M5-C.

Verlenging van een visum dient achterwege te blijven in geval de vreemdeling niet (of niet meer) voldoet of zal kunnen voldoen aan de voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn (zie artikel 12, eerste lid, Vw). Een visumverlenging mag nimmer leiden tot oneigenlijk gebruik van het visum.

De Visadienst is de bevoegde autoriteit om over te gaan tot het verlengen van door één van de Schengenlidstaten afgegeven visa. Verlenging van visa geschiedt bij de IND-loketten.

Het verlengen van visa voor in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden geschiedt bij de doorlaatpost Rotterdam-Havens door de ZHP.

Nationale verlenging boven negentig dagen

In geval van een nationale verlenging van de geldigheidsduur van het visum, waarbij de geldigheid van het visum wordt beperkt tot de Benelux, kan de geldigheidsduur van een visum, indien zeer bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, nog eens worden verlengd met maximaal negentig dagen(artikel 25 Visumcode). De duur van het eerste oorspronkelijke visum (inclusief de eventuele eerdere verlenging voor het gehele Schengengebied) en de nationale verlenging mogen samen niet meer dan zes maanden bedragen. Deze zeer bijzondere omstandigheden moeten in ieder geval gebaseerd zijn op overmacht of op strikt humanitaire redenen.

Ook het wezenlijk Nederlands belang kan aanleiding vormen om tot een nationale verlenging van de geldigheidsduur van een visum over te gaan. Het betreft hier zeer bijzondere gevallen waarbij nationale belangen, zoals bijvoorbeeld het internationaal aanzien van Nederland, economische en/of culturele belangen, in het geding zijn.

De geldigheid van het visum wordt hier beperkt tot Nederland. In deze gevallen dient soepel met de nationale verlenging met nog eens negentig dagen te worden omgegaan. Hiervoor geldt dat de duur van het eerste visum en de nationale verlenging samen niet meer dan zes maanden mogen bedragen, voor zover het verblijf boven de drie maanden is ingegeven door voorafgaande verblijven in andere Schengenlanden, waardoor niet zou kunnen worden voldaan aan het criterium van drie maanden verblijf per periode van zes maanden.

Studenten die op basis van het Erasmus Mundus programma langer in het Schengengebied willen verblijven en deelnemers van internationale gezelschappen zoals Cirque du Soleil worden in dit verband aangemerkt als zeer bijzondere gevallen. Verlenging boven de drie maanden is in die gevallen dan ook noodzakelijk ten einde het programma of voorstelling ook hier te lande te kunnen volbrengen c.q. geven. In de overige gevallen dient er sprake te zijn van zeer bijzondere omstandigheden die gebaseerd zijn op overmacht of op strikt humanitaire redenen.

In geval van visumverlenging wordt in het reisdocument van de vreemdeling een Schengenvisumsticker aangebracht. Indien de vreemdeling houder is van een visumverklaring wordt de sticker op een afzonderlijk vel papier aangebracht.

Bijzondere categorieën

  • Houders van een geprivilegieerdendocument afgegeven door het ministerie van BuZa; de geldigheidsduur van het visum van deze personen hoeft niet te worden verlengd.

  • Houders van een diplomatiek paspoort die niet in het bezit zijn van een door het ministerie van Buza afgegeven geprivilegieerdendocument: verlenging van de geldigheidsduur van het visum geschiedt door de directie Kabinet en Protocol van het ministerie van BuZa.

  • Surinaamse onderdanen die op medische indicatie voor een behandeling in Nederland zijn en voor dit doel ook in het bezit waren gesteld van een visum en waarvan het visum op nationale gronden is verlengd tot zes maanden kunnen in aanmerking komen voor voortzetting van het verblijf als voortzetting van de behandeling in Nederland medisch noodzakelijk is, zie B11/16.2 Vc.

4.3.7. Nietigverklaring en intrekking van visa

In artikel 34 Visumcode zijn de regels met betrekking tot nietigverklaring en intrekking van visa neergelegd.

Een visum wordt nietig verklaard indien blijkt dat op het moment van afgifte niet aan de afgiftevoorwaarden voldaan was, met name indien er ernstige redenen bestaan om aan te nemen dat het visum op onrechtmatige wijze is verkregen. Een visum wordt in beginsel nietig verklaard door de bevoegde autoriteiten die het heeft afgegeven. Een visum kan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat nietig worden verklaard; in dat geval worden de autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven van de nietigverklaring in kennis gesteld (zie artikel 34, eerste lid, Visumcode).

Een visum wordt ingetrokken indien blijkt dat niet langer aan de afgiftevoorwaarden wordt voldaan. Een visum wordt in beginsel ingetrokken door de bevoegde autoriteiten die het heeft afgegeven. Een visum kan door de bevoegde autoriteiten van een andere lidstaat worden ingetrokken; in dat geval worden de autoriteiten van de lidstaat die het visum heeft afgegeven van de intrekking in kennis gesteld (zie artikel 34, tweede lid, Visumcode).

In Nederland zijn de Korpschef (Vreemdelingenpolitie), de KMar en de ZHP bevoegd om visa nietig te verklaren en in te trekken. Alvorens een visum in te trekken of nietig te verklaren, dient in beginsel contact te worden opgenomen met de IND.

De beslissing tot nietigverklaring of intrekking van een visum en de gronden waarop deze is gebaseerd, wordt aan de aanvrager kenbaar gemaakt door middel van een standaardformulier (bijlage VI Visumcode).De wijze waarop de beslissing tot nietigverklaring of intrekking zichtbaar gemaakt wordt in het paspoort is vastgelegd in het Praktisch Handboek bij de Visumcode.

4.3.8. Visumfaciliteiten aan de grens

Ook aan de grens kan in uitzonderlijke gevallen een visum worden afgegeven (zie artikel 35 Visumcode). Voorts kan aan transiterende zeevarenden aan de grens onder bepaalde voorwaarden visa worden afgegeven (zie artikel 36 Visumcode). Bevoegd inzake visumafgifte aan de grens zijn de ambtenaren belast met grensbewaking.

De belangrijkste voorwaarde voor verlening van een visum aan de grens is de voorwaarde dat de aanvrager niet op voorhand in de gelegenheid is geweest om een visum aan te vragen. Op verzoek dient betrokkene dit met bewijsstukken te staven.

Een aan de buitengrens afgegeven visum is een eenvormig visum dat de houder het recht geeft op een verblijf van ten hoogste vijftien dagen, naargelang het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf. Voor een doorreis komt de duur van het toegestane verblijf overeen met de tijd die voor doorreis is vereist (zie artikel 35, derde lid, Visumcode).

Registratie en informatie

Ingevolge artikel 35, vijfde lid, Visumcode kan aan onderdanen van een land waarvoor voorafgaande raadpleging dient plaats te vinden in beginsel geen visum worden afgegeven. Wanneer dit in bijzondere gevallen toch gebeurt, dient een territoriaal beperkt visum te worden verleend. In die gevallen dienen de betrokken Schengenlidstaten, overeenkomstig artikel 25, vierde lid, Visumcode, te worden ingelicht.

Tevens dient opgave te worden gedaan van de visumstickers die zijn vervallen als gevolg van verschrijvingen of die anderszins onbruikbaar zijn geworden. Bedoelde stickers mogen niet worden vernietigd. Ten aanzien van stickers die onverhoopt toch worden vernietigd, bijvoorbeeld door storingen bij het printen, wordt een proces-verbaal opgemaakt en wordt verslag uitgebracht aan het ministerie van Buza.

4.3.8.1. Soorten visa

Aan de grens kunnen (in individuele of collectieve vorm) onder bepaalde voorwaarden (zie Verordening 415/2003 en BNL-bijlage I GVI) worden afgegeven:

  • eenvormige visa, zonder territoriaal beperkte geldigheid;

  • visa met territoriaal beperkte geldigheid;

  • doorreisvisa voor transiterende zeelieden.

4.3.8.2. Voorwaarden verlening van visa aan de grens [Vervallen per 01-10-2011]

4.3.8.3. Praktische handelingen [Vervallen per 01-10-2011]

4.3.8.4. Annulering van visa [Vervallen per 01-10-2011]

4.3.8.5. Registratie en informatie [Vervallen per 01-10-2011]

4.4. Vrije termijn

4.4.1. Voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn

Verblijf in de vrije termijn is van rechtswege toegestaan aan vreemdelingen, indien en zolang zij voldoen aan de in artikel 12 Vw gestelde voorwaarden.

Het recht op verblijf in de vrije termijn wordt ingevolge dit artikel van rechtswege verkregen zodra de vreemdeling aan de volgende voorwaarden voldoet:

  • hebben voldaan aan de verplichtingen in verband met de grensoverschrijding;

  • inachtneming van het bij en krachtens de Vw bepaalde;

  • beschikken over voldoende middelen van bestaan;

  • geen arbeid verrichten in strijd met de Wav;

  • geen gevaar opleveren voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

Het recht op verblijf in de vrije termijn vervalt van rechtswege zodra:

  • de vreemdeling niet meer aan de gestelde voorwaarden voldoet, of

  • de duur van de vrije termijn is verstreken.

Sinds de implementatie op 29 april 2006 van Richtlijn 2004/38 wordt ten aanzien van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland die hun recht op vrij verkeer van personen uitoefenen niet langer onderscheid gemaakt tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan (zie A2/6.2.2 en B10).

4.4.2. Verplichtingen in verband met de grensoverschrijding

Voorwaarde voor verblijf in de vrije termijn is onder meer dat de vreemdeling heeft voldaan aan de verplichtingen met het oog op de controle in het belang van de grensbewaking. In dit verband wordt verwezen naar het gestelde in A2/4.2.

4.4.3. Het bepaalde bij en krachtens de Vw

Met deze voorwaarde voor verblijf in de vrije termijn wordt gedoeld op het feit dat de vreemdeling de verplichtingen in acht neemt waaraan hij in het belang van het toezicht op vreemdelingen is onderworpen (zie A3).

Voor verblijf in de vrije termijn zijn vooral van belang de:

4.4.4. Middelen van bestaan

Voor een toelichting op deze voorwaarde wordt verwezen naar het gestelde in A2/4.2.3.2. In aanvulling daarop wordt in het kader van verblijf in de vrije termijn opgemerkt dat voldoende middelen van bestaan ook blijken uit inkomsten uit hier te lande te verrichten werkzaamheden of te verlenen diensten. Voor bepaalde werknemers is een tewerkstellingsvergunning vereist, zie hiervoor B5. De duur van de te verrichten werkzaamheden of diensten zal die van de vrije termijn niet mogen overschrijden.

Ook voor wat betreft het stellen van zekerheid wordt verwezen naar het gestelde onder A2/4.2.3.2. Naar het stellen van zekerheid wordt doorgaans gevraagd bij binnenkomst door de ambtenaar belast met grensbewaking. Is dit niet bij binnenkomst gebeurd, dan kan de ambtenaar belast met het toezicht op vreemdelingen in de daarvoor in aanmerking komende gevallen alsnog aan de vreemdeling vragen om zekerheid te stellen.

4.4.5. Arbeid verrichten in strijd met de Wav

Het is aan vreemdelingen die gedurende de vrije termijn in Nederland verblijven niet toegestaan arbeid te verrichten in strijd met de Wav.

4.4.6. Gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid

Aan vreemdelingen die gevaar opleveren voor de openbare orde of de nationale veiligheid is geen verblijf tijdens de vrije termijn toegestaan. Onder gevaar voor de openbare orde zijn mede begrepen gevaar voor de openbare rust, de goede zeden, de volksgezondheid en de internationale betrekkingen. Voor een toelichting op deze voorwaarde wordt verwezen naar A2/4.2.5.

Van gevaar voor de openbare orde zal sprake zijn indien de vreemdeling in het OPS staat gesignaleerd als ‘ongewenst vreemdeling’ of als ‘ongewenstverklaarde vreemdeling’. Tevens kan een vreemdeling ter fine van weigering van toegang tot Nederland dan wel het Schengengebied in het (N)SIS geregistreerd staan. Wat betreft bijzonderheden met betrekking tot signaleringen zie A3/9.

4.4.7. De duur van de vrije termijn

Verblijf in de vrije termijn is toegestaan voor een bij artikel 3.3 Vb bepaalde duur, indien en zolang aan de in artikel 12 Vw gestelde voorwaarden wordt voldaan.

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • a. vreemdelingen die een verblijf van ten hoogste drie maanden beogen; en

  • b. vreemdelingen die een verblijf van langer dan drie maanden beogen.

Het verblijf in de vrije termijn bedraagt ten hoogste drie maanden binnen een tijdvak van zes maanden. Het tijdvak van zes maanden vangt aan op het moment van eerste binnenkomst van de vreemdeling in het Schengengebied (eventueel) met het op dat moment geldige visum.

De termijn van drie maanden wordt berekend door op de datum van inreis in Nederland vast te stellen of de vreemdeling in de voorafgaande zes maanden in het Schengengebied heeft verbleven. Indien dat niet het geval is kan de volle termijn van drie maanden worden benut vanaf de datum van inreis in Nederland. Indien de vreemdeling in de voorafgaande zes maanden reeds in het Schengengebied heeft verbleven wordt aan de hand van de datum van inreis in het Schengengebied berekend hoeveel dagen van de in totaal drie maanden vrije termijn resteert, ook al ligt deze datum van inreis vóór de zes maanden vanaf datum binnenkomst. Na deze eerste termijn van zes maanden, gaat er dan een nieuwe termijn van zes maanden lopen waarbinnen een derdelander drie maanden in het Schengengebied mag verblijven. De eerder binnen de tweede termijn verbleven periode wordt dan afgetrokken van de drie maanden vrije termijn. Bij de berekening van de vrije termijn zijn inreisstempels in één van de Schengenlanden leidend.

Ad a Een beoogd verblijf van ten hoogste drie maanden

Categorieën van vreemdelingen: duur vrije termijn niet-visumplichtigen: drie maanden (zie artikel 3.3, eerste lid, aanhef, onder c en d, Vb);

  • visumplichtigen (C-visum): voor de duur aangegeven in het visum (ten hoogste drie maanden);

  • houders van een luchthaventransitvisum (A-visum): geen;

  • houders van een visum geldig voor meerdere reizen: voor de duur aangegeven in het visum waarbij voor elke binnenkomst geldt dat deze ten hoogste drie maanden per zes maanden bedraagt (zie artikel 2, tweede lid, Visumcode;

  • houders van een bijzonder doorlaatbewijs: voor de duur aangegeven in het bewijs (zie model M6).

Zie voor de geldigheidsduur van visa A2/4.3.3.1

Op grond van artikel 3.3, derde lid, Vb kan de vrije termijn van niet-visumplichtige vreemdelingen in geval van bijzondere omstandigheden worden verlengd tot zes maanden. De Minister voor I&A is hiertoe bevoegd. Hierbij kan worden gedacht aan situaties van overmacht, zoals ernstige ziekte van familieleden of van de vreemdeling zelf of een zeer gewichtige zakelijk belang, waardoor een verblijf ná de drie maanden van de vrije termijn gewenst is. Ook op grond van het criterium wezenlijk Nederlands belang, zoals dat bij verlenging van de geldigheidsduur van visa staat beschreven (zie A2/4.3.6.2), kan tot verlenging van de vrije termijn tot zes maanden worden overgegaan.

Om deze verlenging van de vrije termijn zichtbaar te maken wordt gebruik gemaakt van de sticker verblijfsaantekening algemeen, die in het paspoort wordt aangebracht. Voor deze verlenging van de vrije termijn worden geen kosten in rekening gebracht.

Ad b Beoogd verblijf van langer dan drie maanden

Vreemdelingen die een verblijf in Nederland beogen van langer dan drie maanden moeten in beginsel in het bezit zijn van een geldige mvv. Bij ontbreken van de vereiste mvv komt de vreemdeling in beginsel niet voor een verblijfsvergunning in aanmerking (zie artikel 16, eerste lid, onder a, Vw).

De vrije termijn van vreemdelingen die voor een verblijf van langer dan drie maanden naar Nederland zijn gekomen, bedraagt acht dagen (zie artikel 3.3, eerste lid, aanhef en onder e, Vb).

Voor niet-visumplichtige vreemdelingen en houders van een reisvisum die aanvankelijk naar Nederland zijn gekomen voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, verstrijkt de vrije termijn uiterlijk op de achtste dag nadat zich omstandigheden hebben voorgedaan waaruit kan worden afgeleid dat zij het voornemen hebben langer dan drie maanden in Nederland te verblijven (zie artikel 3.3, tweede lid, Vb). Dit voornemen kan bijvoorbeeld blijken uit het indienen van een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning, het huren van woonruimte of het aanvaarden van werk voor langer dan drie maanden.

5. Toezicht aan de buitengrens, toegangsverlening en toegangsweigering

5.1. Algemene aandachtspunten

Alvorens op de verschillende aspecten van toezicht aan de buitengrens wordt ingegaan, wordt een drietal algemene opmerkingen geplaatst.

Het is niet mogelijk om een aanvraag om een mvv dan wel een verblijfsvergunning regulier aan een grensdoorlaatpost of door tussenkomst van een ambtenaar belast met de grensbewaking in te dienen. Dit, om tegen te gaan dat het mvv-vereiste en de bijbehorende aanvraagprocedure vanuit het buitenland worden omzeild.

Het bovenstaande doet niet af aan de mogelijkheid om aangifte te doen inzake mensenhandel. Een dergelijke aangifte wordt ambtshalve aangemerkt als een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier. De procedure als beschreven in B9 is van toepassing.

Indien een vreemdeling bij een ambtenaar belast met de grensbewaking aangeeft een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel te willen indienen, dient gehandeld te worden overeenkomstig het gestelde in C9/2.1.1.1.

5.2. Minimumcontrole en grondige controle

Ingevolge artikel 7 SGC zijn er twee basisvormen van grenscontrole te onderscheiden: de minimumcontrole en de grondige controle.

5.2.1. Minimumcontrole

Een ieder dient bij in- en uitreis aan een minimumcontrole te worden onderworpen.

Voor de inhoud van de minimumcontrole en de raadpleging van het OPS en NSIS wordt verwezen naar artikel 7, tweede lid, SGC.

5.2.2. Grondige controle

Bij binnenkomst en uitreis worden onderdanen van derde landen (zie A2/1) aan een grondige controle onderworpen. Wat een grondige controle bij inreis en een grondige controle bij uitreis behelst, is uitgewerkt in artikel 7 derde lid, respectievelijk artikel 7, vierde lid, SGC.

5.3. Stempelen

Op grond van artikel 10 SGC dient bij overschrijding van de buitengrenzen van het Schengengebied in de in artikel 5, eerste lid, onder a, SGC bedoelde reisdocumenten van onderdanen van derde landen systematisch een in- of uitreisstempel te worden aangebracht.

Voor de nadere bepalingen inzake het afstempelen zij verder verwezen naar artikel 10 SGC en bijlage IV SGC.

In artikel 11 SGC is verder uitgewerkt hoe gehandeld dient te worden als in het grensoverschrijdingsdocument van een onderdaan van een derde land die onderworpen wordt aan een grenscontrole geen inreisstempel is aangebracht, terwijl deze stempel op grond van de SGC wel aangebracht zou moeten zijn.

In artikel 11 SGC wordt tevens ingegaan op de situatie dat een onderdaan van een derde land geen inreisstempel in zijn reisdocument heeft, terwijl dat wel het geval zou moeten zijn, maar het vermoeden dat hij niet (langer) voldoet aan de voorwaarden inzake rechtmatig verblijf kan weerleggen. Er wordt melding gemaakt van een in de bijlage VIII SGC opgenomen formulier, dat de vreemdeling in een dergelijke situatie overhandigd kan worden. Overhandiging van dit formulier hoeft niet standaard te gebeuren, maar enkel als de betrokken vreemdeling erom verzoekt.

Voorts wordt verwezen naar artikel 4.24 tot en met artikel 4.26 Vb voor het plaatsen van aantekeningen in reis- of identiteitspapieren, alsmede artikel 8.9 Vb voor wat betreft de onderdanen van derde landen die vallen onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer van personen.

Tevens wordt verwezen naar hetgeen in A3/3.6.3 is opgenomen in het kader van (het ontbreken van) in en uitreisstempels.

5.4. Toegangsverlening onder voorwaarden

Er kan door ambtenaren belast met grensbewaking ‘toegang onder voorwaarden’ worden verleend:

  • voor kort verblijf;

  • aan een niet-visumplichtige vreemdeling die zijn verblijfsdoel in die zin wijzigt dat hij nog slechts kort verblijf beoogt.

Er mag bij ‘toegang onder voorwaarden’ geen aanleiding bestaan de toegang om redenen genoemd in artikel 5, eerste lid, SGC te weigeren en er zijn geen redenen om aan te nemen dat de vreemdeling zich niet zal houden aan de in artikel 12 Vw gestelde voorwaarden voor verblijf in de vrije termijn.

Bij toegang onder voorwaarden worden aantekeningen gesteld in het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling. Deze aantekeningen kunnen betrekking hebben op:

  • het stellen van zekerheid (zie A2/4.2.3.2); en

  • het opleggen van een meldplicht.

De aantekeningen worden gesteld door middel van het aanbrengen van de sticker ‘Doorlating onder voorwaarden’. Deze sticker dient in het paspoort te worden aangebracht. De inreisstempel wordt half op en half onder het laminaat geplaatst.

Aan de Korpschef van de politieregio waarin de gemeente waar de vreemdeling zal verblijven is gelegen, wordt van de toegang onder voorwaarden kennis gegeven door gebruik van een formulier (zie model M20). Een eventuele garantverklaring (zie A2/4.2.3.2) wordt met deze kennisgeving meegezonden. In het geval van een niet-visumplichtige vreemdeling die zijn verblijfsdoel wijzigt in kort verblijf worden eveneens de door de vreemdeling overgelegde verklaringen meegezonden.

Omtrent het opleggen van de meldplicht wordt opgemerkt dat dit in beginsel betekent: aanmelding binnen drie dagen bij de vreemdelingenpolitie van het regionale politiekorps waarin de gemeente waar de vreemdeling zal verblijven. Indien de vreemdeling in verband met een zaterdag, zondag of feestdag niet zou kunnen voldoen aan de verplichting tot aanmelding binnen drie dagen, wordt in het document voor grensoverschrijding de volgende aantekening gesteld: “aanmelden uiterlijk op ... (datum)”.

Overige aantekeningen

Indien daarvoor in het belang van het toezicht op vreemdelingen gegronde reden bestaat, kan bij inreis eveneens een van de andere aantekeningen die zijn opgenomen in artikel 4.24, eerste lid, onder b, c en e Vb (doel en duur voorgenomen verblijf en de toepassing van de artikelen 2.4 tot en met 2.8 Vb) in het document voor grensoverschrijding worden gesteld.

5.5. Toegangsweigering

5.5.1. Algemene bepalingen

Aan iedereen die niet aan de toegangsvoorwaarden voldoet, wordt de toegang geweigerd. De weigering van toegang is:

  • een met redenen omklede beslissing, genomen door de ambtenaar belast met de grensbewaking;

  • welke geen uitstel gedoogt (of, in voorkomend geval, na het verstrijken van de in de Vw genoemde termijn van uitstel ten uitvoer wordt gelegd);

  • die door de vreemdeling in ontvangst moet worden genomen; en

  • waarmee een vreemdeling bij het niet vervullen van de voorwaarden voor binnenkomst, wordt ontzegd het grondgebied van Nederland c.q. het Schengengebied binnen te komen en aldaar te verblijven.

Ingevolge artikel 3, derde lid, Vw dient in het geval een vreemdeling te kennen geeft asiel te willen vragen, een voornemen tot toegangsweigering te worden voorgelegd aan het Hoofd van de IND. Het Hoofd van de IND is bevoegd om in een dergelijke situatie een aanwijzing te geven omtrent het al dan niet weigeren van de toegang aan de vreemdeling in kwestie. In beginsel zal de toegang worden geweigerd en een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd ex artikel 6, eerste en tweede lid Vw, waarna de vreemdeling, ter behandeling van het asielverzoek, zal worden geplaatst in AC Schiphol.

In het geval het voornemen bestaat om de toegang te weigeren aan een vreemdeling die een onderdaan van de EU, EER of Zwitserland is of dit stelt te zijn, dan dient dit voornemen te worden voorgelegd aan de IND. Ingevolge artikel 8.8, tweede lid, Vb mag toegangsweigering aan deze categorie personen pas plaatsvinden na een bijzondere aanwijzing daartoe van de Minister.

Indien, in andere dan de hierboven genoemde gevallen, het al dan niet verlenen van toegang nauw samenhangt met de toelatingsbeslissing, neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking contact op met de IND. Dit gebeurt in elk geval indien de ambtenaar belast met grensbewaking het voornemen heeft de toegang te weigeren aan personen behorend tot een van onderstaande categorieën:

  • de persoon die zich erop beroept Nederlander te zijn en/of daarmee te worden gelijkgesteld;

  • de vreemdeling die zich op een bijzondere status beroept (zie A2/6.2.3);

  • de vreemdeling die zich erop beroept dat hem lang verblijf in Nederland is toegestaan;

  • de vreemdeling die in het bezit is van een geldige mvv;

  • buitenlandse adoptie(f)- en pleegkinderen.

Voorts neemt de ambtenaar belast met de grensbewaking contact op met de IND indien het weigeren van toegang leidt tot het schaden van een wezenlijk humanitair belang en wanneer een wezenlijk Nederlands belang (bijvoorbeeld het bijzonder urgente reisdoel van de vreemdeling) zich tegen weigering van toegang verzet.

In beginsel wordt toegang geweigerd aan een vreemdeling van wie blijkt dat hij lang verblijf beoogt, indien de vereiste mvv ontbreekt. Met machtiging van de IND kan echter onder bepaalde voorwaarden toegang worden verleend, indien de vreemdeling zijn verblijfsdoel wijzigt, dan wel wanneer een wezenlijk Nederlands belang of een klemmende reden van humanitaire aard zich tegen weigering van toegang verzet.

5.5.2. Procedures voor weigering van toegang aan de grens

De toegangsweigering van een onderdaan van een derde land geschiedt schriftelijk door uitreiking van een standaardformulier. Een derdelander die het oogmerk heeft om kort, dat wil zeggen drie maanden of korter in een periode van zes maanden, in Nederland of elders in het Schengengebied te verblijven wordt de toegang tot het Schengengebied geweigerd ingevolge artikel 13 juncto artikel 5, eerste lid, SGC.

Een derdelander die lang verblijf wenst, dat wil zeggen langer dan drie maanden in Nederland of het Schengengebied wil verblijven, wordt de toegang tot Nederland geweigerd op basis van artikel 3 Vw. Tot deze laatste categorie horen ook asielzoekers, die per definitie voor een lange tijd beroep doen op bescherming door de overheid.

Ook onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland alsmede hun familieleden die het recht van vrije verkeer hebben op het grondgebied van de lidstaten, wordt de toegang tot Nederland geweigerd op basis van artikel 3 Vw. Aan derdelanders die om toegang verzoeken als familielid van een EU-burger wordt, indien de familieband ter plaatse niet kan worden aangetoond, de toegang tot Nederland geweigerd ingevolge artikel 13 juncto artikel 5, eerste lid, SGC.

Derdelanders kort verblijf

In het weigeringsformulier conform het standaardformulier zoals opgenomen in bijlage V, deel B, SGC en als model M17 overgenomen als bijlage van de Vc, worden de redenen aangekruist op grond waarvan de toegang wordt geweigerd. Verder dient op het weigeringsformulier melding te worden gemaakt van:

  • de betreffende Staat (in casu de Staat der Nederlanden);

  • de betreffende instantie, inclusief logo (in casu KMar of ZHP);

  • de toepasselijke bepalingen van de vigerende wetgeving met betrekking tot de reden voor toegangsweigering (in casu artikel 13 juncto artikel 5, eerste lid SGC);

  • de nationale wetsbepalingen en procedure betreffende het recht van beroep. Op het formulier dient te worden vermeld: “Tegen deze beslissing kan op grond van artikel 77, eerste lid, Vw administratief beroep worden ingesteld bij de Minister voor I&A. Het beroep kan worden ingesteld door de vreemdeling in persoon, zijn wettelijke vertegenwoordiger, zijn bijzonder gemachtigde, of een advocaat, indien deze verklaart daartoe bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd. Het beroep moet worden ingesteld binnen vier weken na de dag waarop de beschikking is gemaakt. Daarbij is aan te bevelen dat een afschrift van de beschikking wordt overlegd”. Tevens dient het adres vermeld te worden waarheen het beroepschrift gezonden kan worden.

Gedetailleerde voorschriften inzake weigering van toegang zijn opgenomen in bijlage V, deel A, SGC.

Derdelanders lang verblijf

In het standaard weigeringsformulier zoals opgenomen in model M18 worden de redenen aangekruist op grond waarvan de toegang tot Nederland is geweigerd. De toepasselijke bepaling van de vigerende nationale wetgeving (in casu artikel 3 Vw, alsmede de eerdergenoemde nationale wetsbepalingen en procedure betreffende het recht van beroep).

EU-onderdanen, burgers van de EER en Zwitserland en hun familieleden

Voor het schriftelijk weigeren van de toegang tot Nederland van EU-onderdanen, burgers van de EER en Zwitserland en hun familieleden wordt eveneens gebruik gemaakt van het standaardformulier model M18.

Voor de wijze waarop gehandeld dient te worden bij toegangsweigering aan onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (inclusief familieleden) wordt verwezen naar A2/6.2.2.2. Voor de wijze waarop gehandeld dient te worden bij toegangsweigering aan onderdanen van België en Luxemburg wordt verwezen naar A2/6.2.2.3.

5.5.3. Weigering vanwege gevaar voor volksgezondheid

In het geval een vreemdeling de toegang tot het grondgebied is geweigerd wegens gevaar voor de openbare orde omdat hij een gevaar vormt voor de volksgezondheid, treft de ambtenaar belast met de grensbewaking de nodige maatregelen die erop gericht zijn de volksgezondheid te beschermen.

Indien de ziekte behandeling in een ziekenhuis verlangt of ingevolge de Infectieziektewet en Quarantainewet aanleiding geeft tot quarantaine, wordt de toegang geweigerd door de ambtenaar belast met de grensbewaking en wordt een maatregel ingevolge artikel 6, eerste lid, Vw opgelegd met als aangewezen ruimte het ziekenhuis alwaar de behandeling of de quarantaine plaats zal vinden (zie model M19 en model M118).

Na behandeling van de ziekte of na de periode van quarantaine, wordt door de ambtenaar belast met de grensbewaking beoordeeld of aan de betrokken vreemdeling alsnog toegang tot het grondgebied kan worden verleend.

De ambtenaar belast met grensbewaking informeert de Korpschef van het regionale politiekorps waarin het ziekenhuis is gelegen, omtrent de in het kader van de grensbewaking getroffen maatregelen.

5.5.4. Aanwenden van rechtsmiddelen

De schriftelijke toegangsweigering is een besluit waartegen de vreemdeling administratief beroep kan instellen. Met het oog hierop dient in geval van toegangsweigering de vreemdeling naast het uitgereikte standaardformulier ook in het bezit te worden gesteld van een folder ‘Rechtsmiddelen’.

Indien een geweigerde vreemdeling om een raadsman verzoekt, zendt de grensbewakingsambtenaar hieromtrent een faxbericht aan de meldcentrale rechtsbijstand. Het administratief beroepschrift kan binnen vier weken worden ingediend bij de Minister. De behandeling van het administratief beroepschrift mag niet in Nederland worden afgewacht. Betrokkene dient Nederland ingevolge artikel 5, eerste lid, Vw onmiddellijk te verlaten, tenzij er sprake is van een (eerste) verzoek om een voorlopige voorziening.

5.5.5. De toegang blijft geweigerd

Indien de vreemdeling Nederland niet onmiddellijk kan verlaten, wordt een vrijheidsbeperkende maatregel ex artikel 6, eerste lid, Vw, of vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw opgelegd. In het laatste geval wordt de vreemdeling in afwachting van het vertrek geplaatst in een grenslogies (zie ook A5/2.2)

Ook als de geweigerde vreemdeling zijn vrijheid wordt ontnomen, bijvoorbeeld op strafrechtelijke gronden, blijft hem de toegang geweigerd. In dat geval blijft ook de terugvoerverplichting (zie A2/5.5.7 en A2/7.1.5) in stand en blijft de mogelijkheid bestaan om hem – na expiratie van de straf – in een grenslogies zijn vrijheid te ontnemen in afwachting van zijn uitzetting (artikel 6 juncto artikel 7 Vw). Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin de vreemdeling op grond van het WvSv bijvoorbeeld in een huis van bewaring wordt geplaatst. Het is dus mogelijk om de vreemdeling na vrijlating uit het huis van bewaring op grond van artikel 6 Vw zijn vrijheid te ontnemen (zie model M19 en model M118). Artikel 7 Vw is tevens van toepassing op personen in Nederlandse gevangenissen in verband met hun berechting door een internationaal gerecht.

5.5.6. Dublinzaken

Indien een vreemdeling de toegang wordt geweigerd heeft dat niet alleen betrekking op toegang tot Nederland, maar – behoudens uitzonderingen – op het hele Schengengebied. Wanneer de toegang geweigerd wordt, betrokkene een asielaanvraag indient en er naar aanleiding daarvan op grond van de Dublin Verordening een verzoek tot overname van de asielaanvraag ingediend wordt bij een andere staat, kan de situatie anders zijn.

Als immers het Dublinland waarbij het verzoek tot overname ingediend wordt, tevens een Schengenstaat is en het overnameverzoek gebaseerd is op de eerdere aanwezigheid van de asielzoeker in die Schengenstaat, dan was er doorgaans al sprake van feitelijke toegang tot het Schengengebied en kan de toegang dus niet alsnog geweigerd worden.

Het vorenstaande betekent dat alleen indien een verzoek tot overname van de asielaanvraag gedaan kan worden op grond van de Overeenkomst van Dublin, maar niet tevens op grond van het Akkoord van Schengen en de SUO, de toegang geweigerd kan worden en één van de maatregelen van artikel 6 Vw opgelegd kan worden (zie model M19 en model M118).

In de situatie waarin een overnameverzoek wordt ingediend bij de Nederlandse autoriteiten dan wel waarin de Nederlandse autoriteiten afzien van het doen van een overnameverzoek en de asielaanvraag op grond van artikel 3, vierde lid, Overeenkomst van Dublin aan zich trekken, doet zich hetzelfde voor. Ook in deze zaken is van belang of de asielzoeker onmiddellijk voorafgaand aan zijn binnenkomst in Nederland in een Schengenstaat (waaronder Nederland) is geweest en zich daar reeds de verdere feitelijke toegang tot het Schengengebied heeft verschaft. Is dat het geval, dan is het niet (meer) mogelijk om de asielzoeker de toegang tot Nederland en daarmee het Schengengebied te weigeren.

Is het overnameverzoek gericht aan of gedaan door een Dublinland dat geen Schengenstaat is, blijft de toegang geweigerd. Met andere woorden, is de asielzoeker onmiddellijk voorafgaand aan zijn binnenkomst in een Dublinland geweest dat geen Schengenstaat is, dan had en heeft hij geen feitelijke toegang tot het Schengengebied.

Aan Dublinclaimanten aan wie de toegang niet geweigerd kan worden, wordt de vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 55 Vw opgelegd of, indien aan de voorwaarden daarvan wordt voldaan, de maatregel van artikel 59 Vw.

5.5.7. Verplichtingen voor geweigerde en vervoerder

Vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd, zijn verplicht onverwijld te vertrekken met inachtneming van de aanwijzingen van de grensbewakingsambtenaar (zie artikel 5, eerste lid, Vw).

Deze aanwijzingen kunnen onder meer betreffen het afwachten van vertrek op de grensdoorlaatpost, de weg die de vreemdeling bij het verlaten van het land moet volgen of het aan boord gaan van een schip of vliegtuig. Overtreding van deze aanwijzingen is een strafbaar feit (zie artikel 108 Vw).

De vervoerder is verplicht een vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd onverwijld terug te nemen. Voorts dient de vervoerder, op verzoek van de grensbewakingsautoriteiten, de vreemdeling terug te brengen naar het derde land van waaruit hij werd aangevoerd, naar het derde land dat het document voor grensoverschrijding waarmee de vreemdeling heeft gereisd heeft afgegeven of naar ieder derde land waar zijn toelating is gewaarborgd. Indien dit niet binnen redelijke termijn mogelijk is, kunnen de met de verwijdering gepaard gaande kosten, waaronder ook de verblijfskosten kunnen worden begrepen, op de vervoerder worden verhaald (zie A2/7.1.7).

Tot op het tijdstip van uitvoering van de terugbrenging dienen geweigerde vreemdelingen zich op te houden in de hun daartoe door een met de grensbewaking belaste ambtenaar aangewezen ruimte, die kan worden afgesloten of op andere wijze kan worden verzekerd tegen ongeoorloofd vertrek daaruit. Dit teneinde illegale binnenkomst te verhinderen.

Indien de uitzetting van een vreemdeling aan wie ten tijde van de uitzetting de toegang was geweigerd, mislukt en hij terugkeert nadat hij aan boord van een vliegtuig of schip het Nederlands grondgebied had verlaten, dient opnieuw te worden bekeken of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor toegang. Als niet aan de voorwaarden wordt voldaan, zal de toegang tot Nederland opnieuw moeten worden geweigerd. Tevens zal, ingeval de vreemdeling op grond van artikel 65 Vw is verwijderd, de vervoerder een nieuwe aanwijzing krijgen om de vreemdeling om niet terug te voeren naar een plaats buiten Nederland (zie M30 en het voor de luchtvaart soortgelijke model als bedoeld in Hoofdstuk 5 van Annex 9 bij het Verdrag van Chicago).

De situatie is anders bij de vreemdeling die Nederland uit eigen beweging verlaat, maar aan wie door de autoriteiten van het land van bestemming of van transit de toegang wordt geweigerd en wordt teruggezonden. De vreemdeling dient bij terugkomst in Nederland wel te voldoen aan de voorwaarden voor toegang, en als niet aan de voorwaarden wordt voldaan, zal de toegang tot Nederland worden geweigerd, maar de vervoerder door wiens tussenkomst de vreemdeling terug naar Nederland is vervoerd kan in dat geval niet de verplichting van artikel 65 Vw worden opgelegd tot het vervoeren van de vreemdeling naar een plaats buiten Nederland.

5.5.8. Bijzondere aandachtspunten voor de grensdoorlaatposten

Luchthavens

Vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd, dienen – ongeacht of zij wel of niet een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen – voor terugname te worden geclaimd bij de vervoerder.

Voor vreemdelingen die geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen, dient het vertrek te worden geëffectueerd met als bestemming de plaats van het opstappen dan wel een andere plaats waar de toegang van de vreemdeling gewaarborgd is, zodra plaatsing aan boord van een luchtvaartuig van de betreffende maatschappij mogelijk is. Voor meer bijzonderheden zie Annex 9 van het Verdrag van Chicago.

Zeehavens

Vreemdelingen aan wie de toegang wordt geweigerd, dienen – ongeacht of zij wel of niet een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen – voor terugname te worden geclaimd bij de vervoerder.

Voor vreemdelingen die geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indienen, dient het vertrek te worden geëffectueerd zodra het aanvoerende schip vertrekt, tenzij het vertrek voordien, in overleg met de verantwoordelijke reder, op andere wijze kan worden geëffectueerd.

5.5.9. Registratie

Iedere weigering van toegang (onder opgave van de personalia, de nationaliteit, het grensoverschrijdingsdocument, de reden en de datum van weigering van toegang alsmede het tijdstip van uitreiking van de folder ‘Rechtsmiddelen’) dient te worden geregistreerd.

6. Specifieke voorschriften voor grenscontroles en categorieën personen

6.1. Specifieke voorschriften voor grenscontroles

6.1.1. Zeevaart

Voor de definities van de volgende begrippen wordt verwezen naar artikel 2, SGC:

  • regelmatige veerverbindingen

  • vervoerder

  • cruiseschip

  • pleziervaart

  • kustvisserij

Daarnaast zijn de volgende begrippen met hun omschrijvingen van belang:

  • passagiers: alle aan boord van een schip verblijvende personen, niet zijnde verstekelingen, die geen deel uitmaken van de bemanning;

  • bemanning: de personen die zijn aangemonsterd om aan boord rechtstreeks met de vaart verband houdende werkzaamheden te verrichten, en als zodanig op de bemanningslijst staan vermeld;

  • scheepsagent: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die ter plaatse de reder in al zijn functies als reder vertegenwoordigt;

  • verstekeling: een persoon die zich ophoudt op een schip of in de lading van een schip, zonder de toestemming van de vervoerder of de kapitein van het schip en wiens aanwezigheid op het schip wordt ontdekt na vertrek uit een haven of wiens aanwezigheid in de lading wordt ontdekt in de haven van aankomst.

Voor de specifieke voorschriften voor de grenscontrole van zeegrenzen, zij verwezen naar artikel 18 en Bijlage VI, onder 3, SGC, waar verder onderscheid wordt gemaakt naar verschillende segmenten, te weten: cruiseschepen, pleziervaart, kustvisserij en veerverbindingen.

Bijzondere regels in verband met de toegang en grenscontrole van zeelieden worden verder behandeld in A2/6.2.7, artikel 3 van Bijlage VI en Bijlage VII, onder 3, SGC.

Als nadere toelichting op hetgeen in Bijlage VI, onder 3.2.6, SGC is opgenomen omtrent de pleziervaart wordt het volgende opgemerkt.

Wanneer een pleziervaartuig komend van buiten Schengen via een andere jachthaven dan een grensdoorlaatpost Nederland en het Schengengebied wil inreizen, is dat toegestaan, mits de gezagvoerder zijn aankomst aankondigt bij de havenmeester en aangeeft waarom hij via diens haven wil inrezien, alsmede de havenmeester voorziet van een lijst van alle opvarenden. De havenmeester dient bij de grensbewakingsautoriteiten melding te maken van de (aan)komst van het pleziervaartuig en de lijst met opvarenden door te geven.

Wanneer een pleziervaartuig komend van buiten Schengen voornemens was via een grensdoorlaatpost Nederland cq. het Schengengebied in te reizen, maar dat door een situatie van overmacht (ernstige ziekte/technische problemen) niet kan, dient de havenmeester van de haven waar het pleziervaartuig naar toe is uitgeweken bij de grensbewakingsautoriteiten melding maken van de aankomst van het pleziervaartuig.

6.1.2. Luchtvaart

Voor de definities van de begrippen ‘interne vlucht’ en ‘vervoerder’ wordt verwezen naar artikel 2, SGC.

Voor de specifieke voorschriften voor de grenscontrole van luchtgrenzen, zij verwezen naar artikel 18 en Bijlage VI, onder 2, SGC, waar een verder onderscheid wordt gemaakt naar segmenten, te weten: internationale luchthavens, secundaire luchthavens en particuliere vluchten.

Bijzondere regels in verband met de grenscontrole van piloten en bemanningsleden van vliegtuigen worden behandeld in artikel 19 en Bijlage VII, onder 2, SGC.

6.2. Specifieke voorschriften voor categorieën personen

6.2.1. Nederlanders en daarmee gelijkgestelde personen

Aannemelijk maken Nederlanderschap

Een persoon die beweert Nederlander te zijn, kan op grond van artikel 4.7 Vb worden verplicht op een of andere wijze zijn Nederlanderschap aannemelijk te maken. Zonodig kan, voor vaststelling van de nationaliteit, contact worden opgenomen met de bevolkingsadministratie van de gemeente waar de betrokkene zegt te zijn ingeschreven.

Het bezit van de Nederlandse nationaliteit mag onder meer worden aangenomen op grond van onderstaande documenten:

  • een geldig Nederlands document voor grensoverschrijding;

  • een Nederlands laissez-passer waarin de Nederlandse nationaliteit is vermeld;

  • een recent bewijs van Nederlanderschap;

  • een bewijs van naturalisatie tot Nederlander;

  • een kennisgeving tot verkrijging van het Nederlanderschap;

  • op grond van de Rwn (Stb. 1984, 628);

  • op grond van de Toescheidingsovereenkomst Nederland-Suriname.

Met Nederlanders gelijkgestelde personen (Molukkers)

De Wet van 9 september 1976 (Stb. 468) betreffende de positie van Molukkers (hierna: de Faciliteitenwet) is op 1 januari 1977 in werking getreden.

Voor de personen die niet onder de Faciliteitenwet vallen, is de Vw onverkort van toepassing. Voor deze Molukkers gelden de voor vreemdelingen in het algemeen geldende bepalingen en voorschriften.

Personen op wie de Faciliteitenwet van toepassing is, worden als Nederlander behandeld en zijn derhalve geen vreemdeling in de zin van de Vw (zie ook artikel 1, aanhef en onder m, Vw).

Voor de verkrijging van een behandeling als Nederlander en een beschrijving van de documenten, waarmee Molukkers de behandeling als Nederlander dienen aan te tonen, wordt verwezen naar de Handleiding voor de toepassing van de Rwn.

Voorschriften inzake Nederlanders en daarmee gelijkgestelde personen

Nederlanders moeten de aanwijzingen van de grensbewakingsambtenaren in acht nemen (zie artikel 4.6 Vb). Nederlanders moeten desgevorderd hun document voor grensoverschrijding tonen en overhandigen of op andere wijze hun Nederlanderschap aannemelijk maken (zie artikel 4.7 Vb).

De verplichtingen omschreven in artikel 4 Vw en de artikelen 4.8 tot en met 4.14 Vb (verplichtingen voor vervoerders) zijn eveneens van toepassing op Nederlanders.

Aan Nederlanders en daarmee gelijkgestelde personen kan de toegang niet worden geweigerd. Dit geldt ook wanneer het paspoort of de identiteitskaart is vervallen of de nationaliteit van de houder wordt betwist (zie artikel 8.10 Vb). Zoals is aangegeven in A2/5.5.1, dient in het geval het voornemen bestaat om de toegang te weigeren aan een persoon die zich er op beroept Nederlander (of een daarmee gelijkgestelde persoon) te zijn, eerst contact op te worden genomen met de IND.

Procedure vervallen en inhouding grensoverschrijdingsdocument

Indien het document voor grensoverschrijding van een Nederlander is vervallen, vindt in beginsel geen controle plaats in het kader van de Vw. Slechts wanneer het vermoeden bestaat dat betrokkene vreemdeling is, kan hiervan sprake zijn en kan betrokkene op grond van artikel 4.7 Vb worden verzocht zijn Nederlanderschap aannemelijk te maken door het tonen van reis- of identiteitspapieren of op andere wijze.

Indien het document voor grensoverschrijding van een Nederlander is vervallen, dient het op grond van de Paspoortwet te worden ingehouden. Dit is onder meer het geval indien de geldigheidsduur is verstreken. Het is niet toegestaan naar het buitenland te reizen met een Nederlands document voor grensoverschrijding (paspoort, toeristenkaart) waarvan de geldigheidsduur is verstreken.

Voor wat betreft de ambtenaren van de KMar is een en ander vastgelegd in de artikelen 30 en 32 Paspoortuitvoeringsregeling KMar.

De volgende situaties zijn denkbaar (dit is geen limitatieve opsomming):

  • uit het document zelf blijkt dat het van rechtswege is vervallen, omdat de geldigheidsduur is verstreken of het is gewijzigd door de houder zonder echt frauduleuze bedoelingen;

  • uit het document zelf blijkt dat het kan worden ingehouden, omdat het is beschadigd of het van een niet langer gelijkende pasfoto is voorzien;

  • de personalia van de houder zijn in het OPS vermeld ter inhouding van zijn/haar document voor grensoverschrijding. In het OPS wordt dit aangegeven met de vermelding ‘PASP’.

Uitsluitend documenten die zijn ingeleverd wegens het verstrijken van de geldigheidsduur kunnen onbruikbaar worden gemaakt (zie artikel 32, vierde en vijfde lid, Paspoortuitvoeringsregeling KMar) en aan de houder worden teruggegeven. Ten behoeve van de kennisgeving aan de Minister van BZK is een apart standaardformulier ontworpen.

Indien een document voor grensoverschrijding wordt ingehouden in de gevallen als bedoeld onder b, dan wel indien het een ingeleverd of gevonden document voor grensoverschrijding betreft, wordt het document per aangetekende post en met een begeleidende brief doorgezonden aan de burgemeester van de woonplaats van de houder. De begeleidende brief vermeldt de volgende gegevens:

  • naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en woonplaats van de houder;

  • het nummer van het document voor grensoverschrijding;

  • de autoriteit die het document voor grensoverschrijding heeft verstrekt en het einde van de geldigheidsduur die in het document is vermeld;

  • de datum en de reden van inhouding of inlevering van het document voor grensoverschrijding.

Er wordt terstond contact opgenomen met het Ministerie van BZK indien:

  • de houder niet in Nederland woonachtig is of geen bekende woonplaats heeft;

  • de personalia van de houder in het OPS vermeld staan met de aanduiding ‘PASP’;

  • het een diplomatiek paspoort of een dienstpaspoort betreft.

De houder van het ingehouden of ingeleverde document voor grensoverschrijding wordt een ontvangstbewijs verstrekt.

6.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland

6.2.2.1. Overeenkomsten, betrokken landen en toepassingsgebied

Voor onderdanen van de Benelux-landen alsmede onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en hun familieleden) gelden op grond van de ter zake gesloten internationale overeenkomsten afwijkende – gunstigere – regels voor wat betreft toelating en verblijf. Ditzelfde geldt voor toegang en grenscontrole, waarvan de weigering van de toegang een bijzonder aspect is. Deze afwijkende regels vloeien voort uit:

  • de Benelux-overeenkomst;

  • de SUO;

  • de SGC;

  • het EG-verdrag en het EU-Verdrag en de daaruit voortvloeiende verordeningen en Richtlijnen;

  • de EER-overeenkomst;

  • de Overeenkomst EG-Zwitserland;

Land

EU

Schengen

EER

België

Ja

Ja

Ja

Bulgarije

Ja

Nee

Ja

Cyprus

Ja

Nee

Ja

Denemarken

Ja

Ja

Ja

Duitsland

Ja

Ja

Ja

Estland

Ja

Ja

Ja

Finland

Ja

Ja

Ja

Frankrijk

Ja

Ja

Ja

Griekenland

Ja

Ja

Ja

Hongarije

Ja

Ja

Ja

Ierland

Ja

Nee

Ja

Italië

Ja

Ja

Ja

Letland

Ja

Ja

Ja

Liechtenstein

Nee

Nee

Ja

Litouwen

Ja

Ja

Ja

Luxemburg

Ja

Ja

Ja

Malta

Ja

Ja

Ja

Nederland

Ja

Ja

Ja

Noorwegen

Nee

Ja

Ja

Oostenrijk

Ja

Ja

Ja

Polen

Ja

Ja

Ja

Portugal

Ja

Ja

Ja

Roemenië

Ja

Nee

Ja

Slovenië

Ja

Ja

Ja

Slowakije

Ja

Ja

Ja

Spanje

Ja

Ja

Ja

Tsjechië

Ja

Ja

Ja

Verenigd Koninkrijk

Ja

Nee

Ja

IJsland

Nee

Ja

Ja

Zweden

Ja

Ja

Ja

Zwitserland

Nee

Ja

Nee

Het toepassingsgebied van het EU-Verdrag betreft de in Europa gelegen grondgebieden van de lidstaten van EU en de EER landen.

Bijzondere bepalingen met betrekking tot het toepassingsgebied van het EU-Verdrag:

  • voor Nederland betekent dit dat de toepassing zich niet uitstrekt tot het grondgebied van de Caribische gebiedsdelen van het Koninkrijk der Nederlanden (Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba );

  • voor wat Frankrijk betreft betekent dit dat de toepassing zich uitstrekt tot de zogeheten Franse overzeese departementen Martinique, Guadeloupe, Frans-Guyana en Réunion, in zoverre dat Franse ingezetenen van die departementen op grond van desbetreffende beschikking van de Raad van de EU kunnen deelnemen aan het vrij verkeer van personen en diensten;

  • voor wat Denemarken betreft betekent dit dat de toepassing zich niet uitstrekt tot de Faeröer. De Deense onderdanen die daar woonachtig zijn, worden niet als onderdanen van een lidstaat beschouwd;

  • voor wat het Verenigd Koninkrijk betreft zijn de communautaire bepalingen betreffende het vrije verkeer van personen en diensten niet van toepassing op de onderdanen van de Kanaaleilanden en van het eiland Man. Voor het vrij verkeer van personen en diensten wordt met een Brits onderdaan (‘British citizen’) gelijkgesteld een ‘British subject’ met aantekening in het paspoort: ‘holder has the right of abode in the United Kingdom’ of ‘holder is defined as an United Kingdom national for community purposes’.

6.2.2.2. Onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland (en familieleden)

De gunstiger regels in verband met toegang voor onderdanen van de EU, EER en Zwitserland, alsmede hun familieleden, zijn in de Vw en het Vb verwerkt. Verwezen wordt naar hoofdstuk 8, Afdeling 2, paragraaf 2 Vb. In het kader van toegang en de eerste periode van het rechtmatig verblijf zijn de artikelen 8.7 tot en met 8.11 Vb het meest relevant.

Artikel 8.7 Vb geeft aan welke vreemdelingen onder welke omstandigheden onder de toepassing van het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen. Voor een nadere uitwerking van (de bepalingen die gelden voor) de categorieën vermeld in artikel 8.7 Vb wordt verwezen naar B10.

Voor de onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, alsmede voor de familieleden als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb, gelden in beginsel de in de artikelen 4 Vw en 4.4, 4.6 en 4.8 tot en met 4.16 Vb genoemde algemene verplichtingen in verband met grenscontrole. Zij kunnen bij passage van de buitengrens in beginsel (enkel) aan een minimumcontrole worden onderworpen (zie A2/5.2.1).

Visa

Voor wat betreft het vereiste om te beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding geldt voor onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland dat naast een geldig nationaal paspoort ook een geldige identiteitskaart volstaat.

Het familielid dat onderdaan is van een derde land dient echter, indien er sprake is van een visumplichtige nationaliteit, in beginsel te beschikken over een geldig nationaal paspoort dat is voorzien van een visum (zie A2/4.3.1 voor het visumvereiste). Zoals is aangegeven in A2/4.3.1, zijn (visumplichtige) familieleden als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb vrijgesteld van de visumplicht als zij in het bezit zijn van een geldige verblijfskaart met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’, afgegeven door één van de landen van de EU, de EER of Zwitserland, en samenreizen met of zich voegen bij de betreffende EU-onderdaan.

Ten aanzien van bepaalde categorieën familie- en gezinsleden van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb, die ingevolge Verordening 539/2001 visumplichtig zijn, gelden - voor zover zij (nog) niet in het bezit zijn gesteld van een verblijfskaart met de aantekening ‘familielid van een burger van de Unie’ - gunstigere regels met betrekking tot de aanvraag en afgifte van visa. Ongeacht de beoogde verblijfsduur kan voor inreis worden volstaan met een (Schengen)visum kort verblijf. Het familielid hoeft bovendien niet te voldoen aan de criteria voor visumverlening die zien op de tijdige terugkeer naar het land van herkomst en hoeft ook niet te beschikken over voldoende middelen van bestaan (zie A2/4.3.3.1). Om die redenen is het familielid of gezinslid vrijgesteld van het beantwoorden van vragen op het visum-aanvraagformulier met betrekking tot die criteria. Bovendien dient het visum versneld en kosteloos te worden verstrekt.

Ten aanzien van de kring van familieleden en gezinsleden, voor wie de gunstigere regels gelden, wordt verwezen naar artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid Vb. Het gaat hier uitsluitend om bepaalde familieleden of gezinsleden van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland, welke onderdaan gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer. De onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland dient zich te begeven naar of te verblijven in een andere lidstaat dan die waarvan hij de nationaliteit bezit en het familielid of gezinslid dient deze onderdaan te begeleiden of zich bij hem te voegen.

Om in aanmerking te komen voor de toepassing van de gunstigere regels met betrekking tot de aanvraag en afgifte van visa dient de visumplichtige vreemdeling met objectieve bewijzen aan te tonen dat hij familielid of gezinslid is van een onderdaan van de EU, de EER of Zwitserland, als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid, Vb. Indien de familierechtelijke relatie als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid Vb niet overtuigend kan worden aangetoond geldt het reguliere visumbeleid (zie A2/4.2.3).

Een visumplichtige ongehuwde partner (niet zijnde een geregistreerde partner) van een onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland dient aan te tonen dat hij een duurzame relatie met een burger van de Unie heeft in de zin van artikel 8.7, vierde lid, Vb om als begunstigde te worden aangemerkt. De duurzame relatie zal in ieder geval worden aangenomen indien met deugdelijk bewijs kan worden aangetoond dat de ongehuwde partner en de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland die gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer, reeds gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren dan wel (recentelijk) hebben gevoerd of indien uit de relatie een kind is geboren.

Om aan te tonen dat sprake is of is geweest van het voeren van een gezamenlijke huishouding, oftewel samenwoning, valt te denken aan het overleggen van een bewijs van inschrijving in een gemeentelijke basisadministratie, huurcontracten of anderszins aanzienlijke en langlopende juridische/financiële verbintenissen die gezamenlijk zijn aangegaan zoals een hypotheek voor de aankoop van een huis en afschriften van rekeningen op beider naam gedurende die termijn van zes maanden. In alle gevallen dient het om een (nog immer) bestaande relatie te gaan.

Wanneer overtuigend is aangetoond dat de aanvrager een familielid of een gezinslid is in de zin van artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid Vb kan de aanvraag om een visum slechts worden geweigerd:

  • a. indien hij op grond van zijn persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt;

  • b. in het geval van potentieel epidemische ziekten zoals gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie dan wel andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, ten aanzien waarvan in Nederland beschermende regelingen ten aanzien van Nederlanders worden getroffen;

  • c. indien sprake is van rechtsmisbruik of fraude, zoals schijnhuwelijk.

In het geval dat een familie- of gezinslid als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde of vierde lid Vb aan de grens wordt aangetroffen en verzocht wordt om een visum om de onderdaan van de EU, de EER en Zwitserland te begeleiden of zich bij hem te voegen, wordt dit kosteloos verstrekt.

In- of uitreisstempel

Er wordt geen in- of uitreisstempel aangebracht in de documenten van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland. Een stempel wordt evenmin aangebracht in de documenten van familieleden bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb, op voorwaarde dat zij een door Zwitserland of één van de EU-/EER-landen afgegeven verblijfskaart overleggen (zie artikel 8.9 Vb).

Grenscontrole

Indien daartoe op grond van bijzondere omstandigheden aanleiding bestaat, kunnen onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, alsmede de familieleden als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb, worden onderworpen aan een grondige controle (zie A2/5.2.2). Ook vragen omtrent doel en duur van het verblijf kunnen worden gesteld indien niet vaststaat of het om een onderdaan van de EU, EER en Zwitserland gaat, dan wel de familieleden daarvan, en indien de antwoorden op die vragen noodzakelijk zijn voor het onderzoek naar de status van de betrokken persoon. Controle op bestaansmiddelen vindt echter niet plaats (zie artikel 4.5, eerste lid, onder a, en derde lid Vb) tenzij de status van de betrokken persoon onduidelijk is en deze controle noodzakelijk is voor de vaststelling van de status van betrokkene.

Toegangsweigering

Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, Vb kan aan onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland, alsmede de familieleden als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb, die beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding de toegang slechts worden geweigerd:

  • a. indien zij op grond van hun persoonlijke gedrag een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen;

  • b. in het geval van potentieel epidemische ziekten zoals gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie dan wel andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, ten aanzien waarvan in Nederland beschermende regelingen ten aanzien van Nederlanders worden getroffen;

  • c. indien zij om redenen van de openbare orde of openbare veiligheid uit Nederland zijn verwijderd en sinds de verwijdering nog geen redelijke termijn is verstreken.

ad a

Van belang is dat de beoordeling uitsluitend gebaseerd mag zijn op het persoonlijk gedrag van betrokkene. Bij de toepassing van deze bepaling moet het evenredigheidsbeginsel in acht worden genomen (artikel 3:4 Awb) en vormen strafrechtelijke veroordelingen op zichzelf nog geen voldoende grond om toegang te weigeren. Van een dergelijke bedreiging kan onder meer sprake zijn indien de vreemdeling in het OPS staat gesignaleerd als ‘ongewenst vreemdeling’ of ‘ongewenstverklaard ex artikel 67 Vw’ of bij bezit van verboden wapens, van verdovende middelen of bij verdenking van mensenhandel. Echter, ook in dat geval zal aan de hand van het persoonlijke gedrag van de vreemdeling moeten worden vastgesteld dat sprake is van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving.

ad b

Het gaat hier enkel om potentieel epidemische ziekten zoals gedefinieerd in de relevante instrumenten van de Wereldgezondheidsorganisatie, en andere infectieziekten of besmettelijke parasitaire ziekten, voorzover in Nederland beschermende regelingen zijn getroffen ten aanzien van de eigen onderdanen. Daarbij kan, naast de in gezondheidswetgeving gebruikelijke ziekten als pest, cholera en gele koorts, ook worden gedacht aan nieuwere ziekten als Sars. Verwezen wordt naar artikel 2 Infectieziektenwet.

ad c

Van belang is dat bij de eerdere verwijdering om redenen van openbare orde of nationale veiligheid is geoordeeld dat sprake was van een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging van de openbare orde of openbare veiligheid. De vreemdeling die eerder om redenen van openbare orde of openbare veiligheid is verwijderd kan na verloop van een redelijke termijn, en in ieder geval na drie jaar gerekend vanaf zijn vertrek, een aanvraag indienen om opheffing van het eerdere besluit om hem uit Nederland te verwijderen. Gelet op het feit dat verblijfsbeëindiging persoonlijk gedrag vereist dat een actuele, werkelijke en (voldoende) ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, ligt het voor de hand dat de vreemdeling tevens ongewenst zal zijn verklaard (zie A5/6). In die gevallen betreft het in de Nederlandse situatie derhalve een aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring. Gedurende de behandeling van deze aanvraag heeft de vreemdeling geen recht van toegang tot Nederland.

Zoals is aangegeven in A2/5.5.1, dient bij de vreemdeling die onderdaan is (of stelt te zijn) van de EU, de EER of Zwitserland, voorafgaand aan toegangsweigering de IND te worden geraadpleegd (zie ook artikel 8.8, tweede lid, juncto artikel 8.7, eerste lid, Vb). Indien wordt overgegaan tot toegangsweigering moet een schriftelijke gemotiveerde beschikking worden uitgereikt (zie artikel 8.8, tweede lid, Vb). Hiervoor kan model M18 worden gebruikt. De toegang wordt geweigerd ingevolge artikel 3, eerste lid, onder d, Vw juncto artikel 8.8 Vb. De motivering moet concreet zijn; er mag niet worden volstaan met de enkele mededeling dat de betrokkene een gevaar oplevert voor de openbare orde, de nationale veiligheid of de volksgezondheid. Bij de kennisgeving van de toegangsweigering moet worden vermeld dat daartegen binnen vier weken administratief beroep kan worden ingesteld bij de IND. De behandeling van het administratief beroepschrift mag niet in Nederland worden afgewacht. Betrokkene dient Nederland ingevolge artikel 5, eerste lid, Vw onmiddellijk te verlaten, tenzij er sprake is van een (eerste) verzoek om een voorlopige voorziening. Het aanbrengen van een (toegangs)weigeringsstempel is van toepassing op onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland en op hun familieleden.

Vrije termijn

Zoals aangegeven in A2/4.4.1, wordt sedert de implementatie op 29 april 2006 van Richtlijn 2004/38, ten aanzien van onderdanen van de EU, de EER en Zwitserland niet langer onderscheid gemaakt tussen rechtmatig verblijf in de vrije termijn en rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan. Ingevolge artikel 8.11, eerste lid, onder a en b, Vb heeft een vreemdeling (EU/EER onderdaan en onderdaan van Zwitserland) rechtmatig verblijf gedurende een periode van drie maanden na inreis indien hij:

  • beschikt over een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort; of

  • het bewijs van zijn nationaliteit ondubbelzinnig met andere middelen levert.

Een eerste termijn van drie maanden geldt ten aanzien van familieleden als bedoeld in artikel 8.7, tweede, derde en vierde lid, Vb die geen onderdaan zijn van de EU, de EER of Zwitserland, met dien verstande dat dat gezinslid in het bezit moet zijn van een geldig paspoort (zie artikel 8.11, tweede lid, Vb). Andere documenten dan het paspoort worden niet geaccepteerd.

Overigens, een vreemdeling die niet beschikt over het vereiste document voor grensoverschrijding, kan pas worden uitgezet nadat hem gedurende een redelijke termijn de gelegenheid is gegeven dat document te verkrijgen of op andere wijze vast te stellen of te bewijzen dat hij het recht op vrij verkeer en verblijf geniet (zie artikel 8.8, vierde lid, Vb).

6.2.2.3. Onderdanen van België en Luxemburg

Voor onderdanen van België en Luxemburg geldt in beginsel eveneens hetgeen in A2/6.2.2.2 is gesteld. Voorts geldt voor onderdanen van België en Luxemburg steeds dat ook sinds de inwerkingtreding van de SUO, de bepalingen van de Benelux-overeenkomst van kracht blijven voor zover zij voor de Benelux-onderdanen gunstiger voorwaarden bevatten voor wat betreft grenscontrole, toegang en (lang) verblijf dan het Schengenakkoord aangeeft.

Onderdanen van België en Luxemburg mogen Nederland voor kortere of langere duur binnenkomen, ongeacht het doel van hun verblijf, indien zij in het bezit zijn van een paspoort of identiteitsbewijs.

Op onderdanen van België en Luxemburg die geen gebruik maken van het recht op vrij verkeer van personen geldt dat artikel 8.8, eerste en tweede lid, VV niet van toepassing zijn. Op deze vreemdelingen is artikel 8.5 Vb van toepassing. Uit dat artikel volgt dat aan deze onderdanen van België en Luxemburg, indien zij het vereiste document van grensoverschrijding bezitten, de toegang tot Nederland alleen kan worden geweigerd als zij een actuele bedreiging voor de openbare orde of nationale veiligheid vormen. Net als bij andere onderdanen van de EU/EER, dient voorafgaand aan toegangsweigering de IND te worden geraadpleegd (zie A2/5.5.1). Indien wordt overgegaan tot toegangsweigering moet een schriftelijke gemotiveerde beschikking worden uitgereikt. Hiervoor kan model M18 worden gebruikt.

6.2.3. Bijzondere categorieën personen

Voor wat betreft de bijzondere regels voor staatshoofden en houders van een diplomatiek, een officieel of een dienstpaspoort en leden van internationale organisaties wordt verwezen naar artikel 19 en Bijlage VII, onder 1. en 4, SGC. Ter toelichting en aanvulling voor de Nederlandse situatie is het volgende van belang.

6.2.3.1. Diplomatieke en consulaire ambtenaren

De vreemdelingen van de categorie waarop de bepalingen van dit onderdeel betrekking hebben, dienen te worden onderscheiden in drie groepen:

  • a. niet-duurzaam verblijf;

  • b. duurzaam verblijf;

  • c. doorreis.

Ad a Niet-duurzaam verblijf

Op vreemdelingen die in Nederland werkzaamheden verrichten als lid van een diplomatieke zending of consulaire post, hun gezinsleden en hun personeel, is de Vw niet van toepassing indien zij niet-duurzaam in Nederland verblijven. Op grond van de Weense Verdragen inzake het Diplomatiek Verkeer en de Consulaire Betrekkingen komt hen een bijzondere status toe. Zij zijn door de Minister van BuZa in het bezit gesteld van het geprivilegieerdendocument (zie model M81).

De bijzondere status houdt onder meer in dat de maatregelen van uitzetting krachtens de Vw op hen niet kunnen worden toegepast. Hun toegang, toelating en verblijf hier te lande richten zich naar de algemene regelen van volkenrecht.

Houders van bepaalde diplomatieke, officiële en dienstpaspoorten zijn vrijgesteld van de visumplicht. Wel moeten zij bij grensoverschrijding beschikken over een geldig document voor grensoverschrijding (zie artikel 5, eerste lid, onder a, artikel 19, eerste lid, onder d, en Bijlage VII SGC).

Zoals is aangegeven in A2/5.5.1, dient in het geval het voornemen bestaat om de toegang te weigeren aan een persoon die zich op een bijzondere status beroept, eerst contact op te worden genomen met de IND.

Ad b Duurzaam verblijf

Op vreemdelingen die reeds een jaar of meer op grond van artikel 8 Vw rechtmatig in Nederland verblijven, die gerechtigd zijn arbeid al dan niet in loondienst te verrichten en in dienst treden van een diplomatieke missie of consulaire post, blijft de Vw in volle omvang van toepassing. Het betreft met name vreemdelingen die door de diplomatieke zending of consulaire post lokaal zijn geworven.

Vreemdelingen van deze categorie ontvangen wel een geprivilegieerdendocument afgegeven door het ministerie van BuZa. Daarop komt echter een lettercode voor, met een verklaring waaruit bovengenoemde, niet-bijzondere status blijkt:

bij ambassades:

AD

Het hoofd van de diplomatieke vertegenwoordiging, het diplomatiek personeel en hun gezinsleden;

BD

Leden van het administratief en technisch personeel en hun gezinsleden;

ED

Leden van het bedienend personeel en hun gezinsleden;

PD

Particuliere bediendes.

bij Consulaten:

AC

Consul, Generaal Consul, Vice Consul en Consulaire Agenten en hun gezinsleden;

BC

Leden van het administratief en technisch personeel en hun gezinsleden;

EC

Leden van het bedienend personeel en hun gezinsleden;

PC

Particuliere bediendes.

bij internationale organisaties:

AO

Personeelsleden met diplomatieke of vergelijkbare status en hun gezinsleden;

BO

Leden van het administratief en technisch personeel en hun gezinsleden;

EO

Leden van het bedienend personeel en hun gezinsleden;

PO

Particuliere bediendes of huishoudelijke hulp (met de toevoeging ZF).

De afwijkende codering die kan voorkomen is ZF (=zelfstandige functie). Aan deze codering kunnen geen rechten worden ontleend aan privileges of immuniteiten. Nederlanders in dienst van genoemde instellingen worden onderscheiden door achter de bovengenoemde codering de aanduiding /NL te plaatsen. Duurzaam in Nederland verblijvende vreemdelingen krijgen de toevoeging /DV. Parttimers in dienst van genoemde instellingen krijgen de toevoeging /PT.

Lokaal geworven personeel dat vóór 1 augustus 1987, vanaf welke datum het onderscheid tussen duurzaam en niet-duurzaam verblijf wordt gemaakt, in het bezit was van een legitimatiebewijs afgegeven door de Minister van BuZa, behoudt de verworven bijzondere status tot beëindiging van het dienstverband.

Ad c Doorreis

Ten aanzien van diplomatieke en consulaire ambtenaren, hun gezinsleden en personeel, welke slechts op doorreis in Nederland zijn, is de Vw niet van toepassing voor zover het de doorreis naar of terugkeer van de diplomatieke zending of consulaire post in een derde land betreft. Hetgeen onder a is opgemerkt over de bijzondere status geldt ook hier.

6.2.3.2. Diplomatieke en consulaire koeriers

Deze vreemdelingen zijn óf beroepskoeriers óf als zodanig voor één reis aangewezen.

Zij zijn voorzien van een officieel document waaruit hun bijzondere status en het aantal pakketten welke de diplomatieke of consulaire tas vormen, blijkt.

De pakketten dragen aan de buitenkant duidelijk zichtbare kentekenen, waaruit hun aard blijkt. De koerier geniet persoonlijke onschendbaarheid (de dwangmiddelen uit artikel 50, tweede, derde, vierde en vijfde lid, Vw kunnen niet worden toegepast). De tas mag niet worden geopend of ingenomen.

6.2.3.3. Leden van internationale organisaties

Naast hetgeen hieromtrent is opgenomen in bepaling 4.4. Bijlage VII, SCG, geldt dat de Vw in het algemeen niet van toepassing is op vreemdelingen die een bijzondere status bezitten krachtens een zetelovereenkomst gesloten met een internationale organisatie waarin is bepaald dat de zetel, dat wil zeggen hoofdkantoor, in Nederland is gevestigd en waarin (mede) bepalingen zijn opgenomen omtrent hun verblijfsrechtelijke positie. Zij zijn in het bezit van het eerdergenoemde geprivilegieerdendocument (zie model M81). Voor deze categorie geldt hetgeen hierboven bij a (niet-duurzaam verblijf) is opgemerkt over de bijzondere status (zie ook B12/3.2).

6.2.3.4. Te volgen gedragslijn bij twijfel

Op vreemdelingen van wie niet is gebleken dat zij tot een van de hierboven genoemde categorieën behoren, kunnen de bepalingen van de Vw worden toegepast. Het kan voorkomen dat een vreemdeling die op grond van artikel 50, eerste lid, Vw staande is gehouden ter vaststelling van zijn identiteit, zich beroept op een bijzondere status, maar niet terstond door het tonen van een legitimatiebewijs of ander document aannemelijk kan maken dat hij die status inderdaad bezit. Dit kan met name het geval zijn ten aanzien van personen die behoren tot de categorieën a en c, bij eerste binnenkomst in Nederland en bij functionarissen, hun gezinsleden en personeel op doorreis.

In de laatstgenoemde situatie zal een reisbiljet soms de bijzondere status aannemelijk kunnen maken. In deze gevallen – of indien anderszins twijfel bestaat of de vreemdeling een bijzondere status bezit – dient aanstonds contact te worden opgenomen met het ministerie van BuZa dat hiertoe ook gedurende het weekeinde en feestdagen telefonisch bereikbaar is.

Zolang niet duidelijk is geworden dat de Vw niet van toepassing is, kan gebruik worden gemaakt van de in artikel 50, tweede lid, Vw toegekende bevoegdheid tot het overbrengen naar en het zich ophouden op een plaats bestemd voor verhoor. Daarbij dient wel met enige voorzichtigheid te worden gehandeld.

6.2.4. Personen die reizen op een collectief reisdocument

6.2.4.1. Soorten collectieve reisdocumenten

Collectieve paspoorten voor jeugdige personen

In de Europese Overeenkomst betreffende het reizen van jeugdige personen op collectieve paspoorten tussen de landen die lid zijn van de Raad van Europa van 16 december 1961 is overeengekomen dat op basis van reciprociteit door de aangesloten landen afgegeven collectieve paspoorten worden erkend als geldig document voor grensoverschrijding. De bij de Overeenkomst aangesloten landen zijn: België, Denemarken, Frankrijk, Griekenland, Ierland, Italië, Luxemburg, Malta, Nederland, Noorwegen, Portugal, Turkije, Verenigd Koninkrijk, IJsland en Zweden. De overeenkomst verplicht overigens niet tot afgifte van collectieve paspoorten. Zo hebben Nederland en België de afgifte van collectieve paspoorten beëindigd.

Aan jeugdige personen beneden de leeftijd van 21 jaar die reizen op een door één van lidstaten van Europese Overeenkomst van 16 december 1961 afgegeven collectief paspoort of lijst kan toegang worden verleend voor een verblijf van ten hoogste drie maanden, mits:

  • op het collectieve paspoort of de lijst de naam, voornamen, geboortedatum en -plaats, en de woonplaats van ten minste vijf en ten hoogste vijftig deelnemers aan de reis vermeld staan;

  • uit een door de bevoegde buitenlandse autoriteit op het collectieve paspoort of de lijst gestelde of door deze gewaarmerkte verklaring blijkt dat de deelnemers aan de reis de nationaliteit bezitten van het land door wiens autoriteit het paspoort of de lijst is afgegeven;

  • zich bij het reisgezelschap een reisleider bevindt die het collectieve paspoort of de lijst onder zijn berusting heeft en die in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding;

  • de deelnemers aan de reis zo nodig in staat zijn hun identiteit op enigerlei wijze te bewijzen; en

  • de deelnemers aan de reis voldoen aan alle overige voorwaarden voor toegang.

Wanneer in een collectief paspoort of lijst afgegeven door de autoriteiten van Frankrijk of Ierland ook in die landen gevestigde jeugdige vluchtelingen of staatlozen voorkomen, moet dit uit het document blijken. Deze deelnemers moeten wel beschikken over een individueel identiteitsbewijs voorzien van een foto. Deelnemers die reizen op een collectief paspoort of lijst afgegeven door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk hoeven – behoudens bij grenspassage – niet in groepsverband te reizen, op voorwaarde dat zij zich kunnen legitimeren en de reisleider steeds beschikbaar blijft.

Reizigerslijst voor schoolreizen binnen de EU

Zoals is aangegeven in A2/4.3.3.1, kan aan scholieren van derde landen die rechtmatig in Nederland verblijven, ter vereenvoudiging van schoolreizen binnen de EU, een reizigerslijst voor scholieren worden afgegeven overeenkomstig het besluit van de Raad van de EU van 30 november 1994. Dit besluit is nog steeds van kracht.

Visumplichtige vreemdelingen die staan vermeld op een reizigerslijst en in het bezit zijn van een individueel geldig document voor grensoverschrijding hoeven niet tevens in het bezit te zijn van een afzonderlijk visum. In A2/4.3.3.1 staat aangegeven aan welke voorwaarden in dit geval moet zijn voldaan.

Indien de deelnemers niet in het bezit zijn van een individueel document voor grensoverschrijding, kan de reizigerslijst bovendien als (collectief) document voor grensoverschrijding dienen. In A2/4.3.3.1 staat aangegeven aan welke voorwaarden in dit geval moet zijn voldaan.

De vorm van de reizigerslijst is vastgesteld (zie M7).

6.2.4.2. Controle van personen reizend op een collectief reisdocument

Voor de controle van de personen op de collectieve paspoorten of lijsten gelden de onderstaande bijzondere bepalingen.

Groepsleider

De groepsleider, of begeleidende leerkracht in het geval van schoolreizen, dient altijd te beschikken over een individueel geldig document voor grensoverschrijding en aan het geheel van voorwaarden voor toegang te voldoen. De groepsleider of leerkracht houdt het collectief document onder zich, is verantwoordelijk voor het vervullen van de grensformaliteiten en draagt er zorg voor dat de deelnemers van het gezelschap gedurende het verblijf bij elkaar blijven. Voorts informeert de groepsleider terstond de bevoegde autoriteiten omtrent het niet kunnen of willen voortzetten van de groepsreis door een van de deelnemers.

Individuele identiteitsbewijzen

In beginsel dienen de deelnemers te beschikken over een individueel identiteitsbewijs voorzien van een goedgelijkende foto.

Deelnemers aan collectieve paspoorten voor jeugdige personen hoeven niet te beschikken over een individueel identiteitsbewijs, maar dienen zo nodig wel hun identiteit aannemelijk te kunnen maken. Wanneer in een collectief paspoort of lijst voor jeugdige personen afgegeven door de autoriteiten van Frankrijk of Ierland ook in die landen gevestigde jeugdige vluchtelingen of staatlozen voorkomen, moeten deze deelnemers wel beschikken over een individueel identiteitsbewijs voorzien van een foto.

Deelnemers aan een reizigerslijst voor scholieren hoeven in beginsel niet te beschikken over een individueel identiteitsbewijs.

Inreis- en uitreiscontrole

Bij inreis van gezelschappen die reizen op een collectief paspoort of lijst dient te worden gecontroleerd of alle personen die op het document voorkomen daadwerkelijk deel uitmaken van het gezelschap. Indien een persoon zich niet (meer) bij het gezelschap bevindt of om enigerlei reden de toegang is geweigerd, wordt diens naam op het collectieve paspoort of lijst doorgehaald. Deze doorhaling wordt gedateerd en voorzien van een paraaf.

In bepaalde of bijzondere gevallen, bijvoorbeeld bij schoolreizen, reisgezelschappen van ouderen, pelgrims of bedevaartgangers, kan de inreiscontrole tot een toetsing aan de hand van een bezettingslijst of een steekproefsgewijze toetsing van de deelnemers worden beperkt.

Naast de gebruikelijke controlehandelingen, wordt bij uitreis van personen die reizen op een collectief paspoort of collectieve lijst eveneens gecontroleerd of de in het document voorkomende personen nog deel uitmaken van het gezelschap. Indien een of meerdere personen niet meer bij het gezelschap zijn, moet de reden daarvan bij de reisleider worden nagegaan. Zonodig worden de bevoegde autoriteiten van het Schengenstaat waar de ontbrekende persoon is achtergebleven hiervan in kennis gesteld. Op grond van het ontbreken van een van de deelnemers kan de uitreis van de overige deelnemers niet worden belet. In geval een persoon ontbreekt, wordt hieromtrent bij de (uitreis)stempel tevens een aantekening gesteld.

Ook in het geval van gezelschappen die reizen op een collectief paspoort of lijst dienen, wanneer het gaat om onderdanen van derde landen, bij in- en bij uitreisstempels te worden geplaatst. Bij de stempel wordt, zoals hiervoor reeds aangegeven, een aantekening gesteld omtrent het aantal personen dat is in- respectievelijk uitgereisd.

6.2.5. Piloten en andere bemanningsleden van luchtvaartuigen

Voor wat betreft de bijzondere regels voor piloten en andere bemanningsleden van vliegtuigen wordt verwezen naar artikel 19 en bijlage VII, onder 2, SGC.

6.2.6. Transitpassagiers van vliegtuigen

In artikel 2.4 Vb zijn bepalingen opgenomen over vreemdelingen die als passagier van een vliegtuig een vliegveld aandoen (transiteren).

Voor wat betreft het luchthaventransitvisum geldt dat in artikel 3, vijfde lid, Visumcode alsmede in bijlage V van de Visumcode staat opgesomd voor welke vreemdelingen geldt dat zij zijn vrijgesteld van het visumvereiste.

Aan visumplichtige transitpassagiers van vliegtuigen die in het bezit zijn van een voor het Benelux-gebied geldig paspoort doch niet van het vereiste visum en die door omstandigheden buiten hun wil hun reis niet kunnen voortzetten, kan onder voorwaarden toegang tot het Benelux-gebied worden verleend.

Zie voor transitpassagiers van vliegtuigen tevens de Benelux Voorschriften Verzameling Deel IV, onder J.

In beginsel wordt toegang verleend tot het Benelux-gebied indien:

  • de onderbreking plaatsvindt wegens van de wil van de vreemdeling onafhankelijke omstandigheden (bijvoorbeeld ongunstige weersomstandigheden, technische storingen enz.);

  • hij van één van de daartoe aangewezen luchthavens zal vertrekken;

  • hij in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding en reisbiljetten op grond waarvan zijn doorreis en toegang tot het land van bestemming vaststaat; en

  • hij voldoet aan artikel 12, eerste lid, onder b en d, Vw.

De toegang wordt verleend voor de duur die noodzakelijk is om de doorreis per eerstvolgende gelegenheid te kunnen voortzetten. De toegang kan worden geweigerd aan personen ten aanzien van wie een gegrond vermoeden bestaat dat zij toegang vragen voor een ander doel dan waarvoor deze regeling bedoeld is.

Als blijk van de verleende toegang aan de transitpassagier, wordt in het reisdocument van de transitpassagier een aantekening gesteld. De tekst van deze aantekening luidt:

‘Toegang tot het Benelux-gebied verleend van geldig tot , (vermelding relevante artikel en lid).’ Voorts wordt een territoriaal beperkt visum verleend voor de duur die noodzakelijk is om de doorreis te kunnen voortzetten. Daarbij komt een inreisstempel en handtekening van de ambtenaar die toegang verleent.

In plaats van het stellen van een aantekening kan, in het geval van toegangverlening aan de transitpassagier van een vliegtuig, een afzonderlijke verklaring aan de vreemdeling worden verstrekt (zie bijlage 5 VV).

De territoriale geldigheid van de toegang wordt beperkt wanneer het document voor grensoverschrijding van de vreemdeling niet geldig is voor België of Luxemburg. In dat geval wordt bij de aantekening aangegeven voor welk(e) Benelux-land(en) deze geldig is.

Indien de vreemdeling aan wie toegang is verleend niet op het voorgeschreven tijdstip is vertrokken, moet hiervan onmiddellijk kennis worden gegeven aan de ambtenaren der KMar belast met het toezicht op vreemdelingen, alsmede aan de vreemdelingenpolitie.

6.2.7. Zeelieden

Voor wat betreft de bijzondere regels voor zeelieden wordt verwezen naar artikel 19 en Bijlage VII, onder 3, SGC. Ter toelichting en aanvulling voor de Nederlandse situatie is het volgende van belang.

6.2.7.1. Specifieke voorschriften voor zeelieden

Op grond van de Wet op de uitgebreide identificatieplicht is een politieambtenaar bevoegd tot het vorderen van een identiteitsbewijs voor zover dat redelijkerwijs noodzakelijk is voor zijn taakuitoefening. In dat geval dienen ook passagierende zeelieden een identiteitsbewijs ter inzage aan te bieden. Een geldig grensoverschrijdingsdocument is in dat geval voldoende. Zeelieden kunnen eveneens aan een grensbewakingscontrole worden onderworpen voordat zij het vaartuig, verlaten dan wel betreden.

Wanneer een zeeman niet of niet langer aan de in de SGC neergelegde voorwaarden voor passagieren voldoet, stelt het hoofd van de doorlaatpost daaromtrent een aantekening op de bemanningslijst achter de naam van de zeeman. Bij gevaar voor de openbare orde kan het hoofd van de doorlaatpost/het hoofd van dienst volstaan de vreemdeling de verplichting op te leggen aan boord van het schip te blijven. Zonodig kan hij de zeeman in dit geval ook met toepassing van artikel 50 Vw overbrengen naar de vreemdelingenpolitie. Dit laatste geschiedt steeds:

  • wanneer de zeeman staat gesignaleerd als ongewenst vreemdeling of als ongewenst verklaarde vreemdeling op grond van artikel 67 Vw; of

  • wanneer de zeeman is achtergebleven na vertrek van het schip, dan wel is afgemonsterd, zonder te voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf in Nederland.

De ambtenaar belast met grensbewaking hoeft geen machtiging te vragen voor het verlenen van een visum aan zeelieden die toegang willen tot andere dan de gemeenten waarin de haven gelegen is waar hun schip is afgemeerd of de daaraan grenzenden gemeenten. Zoals is aangegeven in A2/4.3.8, bestaat met betrekking tot het verlenen van visa aan de grens aan transiterende zeelieden een separate regeling (zie artikel 36 Visumcode).Behalve de daar genoemde voorwaarden gelden voor zelfstandige verlening van een visum in dit geval bovendien de volgende voorwaarden:

  • de betreffende zeeman moet deel uit blijven maken van de bemanning van het schip waarop hij het Schengengebied is binnen gekomen;

  • de betrokken rederij of agent moet zich garant stellen door ondertekening van een verklaring zoals opgenomen in bijlage 6a en 6b VV.

6.2.7.2. Zieke zeelieden

Aan visumplichtige zeelieden die na aankomst in Nederland onmiddellijk in een ziekenhuis moeten worden opgenomen en die niet in het bezit zijn van het vereiste visum, kan door het hoofd van de doorlaatpost, ongeacht hun nationaliteit, zonder voorafgaande machtiging, een visum voor ten hoogste vijftien dagen worden verstrekt, waarvan de geldigheid is beperkt tot Nederland.

Niet-visumplichtige zieke zeelieden, die niet in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding kunnen zonder voorafgaande machtiging in het bezit worden gesteld van een bijzonder doorlaatbewijs, mits hun identiteit op enigerlei wijze kan worden aangetoond.

In alle gevallen waarin een zieke zeeman op de hiervoor bedoelde wijze tot Nederland wordt toegelaten, dient de Korpschef van de politieregio waaronder de gemeente ressorteert waarin het ziekenhuis staat, schriftelijk te worden geïnformeerd. Indien de zieke zeeman lijdt aan een ziekte die een gevaar voor de volksgezondheid kan opleveren, is hetgeen is bepaald in A2/5.5.3 van toepassing.

6.2.7.3. Werkzoekende zeelieden

Zeelieden die werk willen zoeken aan boord van een in één van de Schengenhavens liggend schip, zonder dat uit een verklaring van de rederij/scheepsagent de mogelijkheid van aan- of overmonstering blijkt, moeten aan alle voorwaarden voor toegang voldoen.

Voor wat betreft het vereiste van een geldig grensoverschrijdingsdocument geldt, dat voor werkzoekende zeelieden het zeemansboekje niet in de plaats van het paspoort kan treden.

Indien in het geldig document van grensoverschrijding het benodigde visum ontbreekt, kan aan werkzoekende zeelieden aan de grens een visum met een geldigheid van maximaal vijftien dagen worden afgegeven, mits aan alle overige voorwaarden voor toegang wordt voldaan. Indien nodig kan in uitzonderlijke gevallen na ommekomst van de vijftien dagen termijn een verlenging van de geldigheidsduur van het visum bij de Visadienst, of (voor zover het de in de regio Rotterdam-Rijnmond verblijvende zeelieden betreft) bij de ZHP worden gevraagd.

Deze werkzoekende zeelieden moeten bovendien met een zeemansboekje (-paspoort) of andere bewijsmiddelen kunnen aantonen dat zij daadwerkelijk het beroep van zeeman uitoefenen.

6.2.7.4. Zieke zeelieden [Vervallen per 16-11-2006]

6.2.7.5. Werkzoekende zeelieden [Vervallen per 16-11-2006]

6.2.8. Werknemers van een boorplatform en suppliers

6.2.8.1. Algemene beleidsregels

Vreemdelingen die zich via Nederland naar een boorinstallatie op Nederlands deel van het continentaal plat willen begeven of die komende van een boorinstallatie Nederland willen inreizen moeten voldoen aan alle normale voorwaarden voor binnenkomst en verblijf. Het verkeer van en naar een boorinstallatie moet steeds plaatsvinden via een grensdoorlaatpost gedurende de tijd dat deze is opengesteld. De normale in- en uitreisformaliteiten worden steeds vervuld.

Wel zijn er ten aanzien van werknemers van boorplatformen en werknemers van ondersteunende bedrijven (bijvoorbeeld de zogenaamde ‘suppliers’) enige bijzonderheden, die hieronder worden aangegeven.

Controle op bestaansmiddelen blijft achterwege indien de vreemdeling kan aantonen dat hij op een boorinstallatie is tewerkgesteld.

6.2.8.2. Vertrek naar een boorinstallatie

Eerst bij vertrek uit Nederland naar een boorinstallatie kan worden vastgesteld of de vreemdeling aan alle voorwaarden voor binnenkomst en verblijf heeft voldaan.

Voor offshoremedewerkers is een langdurig visum, geldig voor meer inreizen, te verkrijgen op het Consulaat-Generaal te Antwerpen. Daartoe dient de vreemdeling zich in persoon te melden en in het bezit te zijn van de volgende bewijsstukken:

  • een arbeidscontract met een offshorebedrijf, gevestigd in Nederland, dan wel met een vertegenwoordiger in Nederland;

  • een geldig document voor grensoverschrijding, niet zijnde een zeemansboekje, waaruit ook moet blijken dat betrokkene op het moment waarop hij de aanvraag doet voor een langdurig visum nog legaal verblijf heeft in Nederland;

  • een door het offshorebedrijf getekende garantverklaring conform bijlage 6a en 6b VV.

Als bovenstaande bewijsstukken overlegd kunnen worden en de eventueel noodzakelijke verdere onderzoeken zijn uitgevoerd, zal de vreemdeling in het bezit worden gesteld van een visum met een maximale geldigheidsduur van vijf jaar. De geldigheidsduur van het visum kan nooit die van het arbeidscontract of het reisdocument te boven gaan.

6.2.8.3. Walverlof

Voor werknemers op boorinstallaties geldt een werktijdenregeling die voorziet in veertien dagen werk en veertien dagen verlof aan de wal. Voor dit walverlof gelden de normale voorwaarden voor kort verblijf in Nederland.

6.2.8.4. Vreemdelingen die werkzaam zijn in de offshoresector

Het bovenstaande kan ook toegepast worden indien de betrokken vreemdeling niet werkzaam is op een boorplatform maar bij een bedrijf dat ondersteunend werkt voor booreilanden (bijvoorbeeld de zogenaamde ‘suppliers’).

6.2.9. Minderjarigen (inclusief adoptie(f)- en pleegkinderen)

Deze paragraaf gaat over minderjarigen, inclusief adoptie(f)- en pleegkinderen, aan wie (nog) geen lang verblijf in Nederland is toegestaan.

Voor wat betreft de bijzondere regels voor minderjarigen wordt verwezen naar artikel 19 en Bijlage VII, onder 6, SGC. Minderjarigen worden op dezelfde wijze gecontroleerd als volwassenen, ongeacht of zij alleen reizen dan wel begeleid worden.

6.2.9.1. Minderjarigen die reizen onder begeleiding

Kinderen beneden de leeftijd van zestien jaar kunnen, in afwijking van het vereiste dat zelfstandig moet worden beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding, Nederland binnenkomen, wanneer zij reizen in gezelschap van een persoon wiens document voor grensoverschrijding mede voor hen geldig is, onder de volgende voorwaarden:

  • zij reizen in gezelschap van een ouder, grootouder of voogd (Belgische, Luxemburgse en Franse kinderen mogen echter voor een kort verblijf ook binnenkomen in gezelschap van een andere persoon);

  • zij bezitten dezelfde nationaliteit als hun begeleider; en

  • zij staan bijgeschreven in het document voor grensoverschrijding van hun begeleider, dat (voor zover vereist) voorzien is van een geldig visum of een geldige mvv.

Degene onder wiens begeleiding minderjarige kinderen reizen, is verplicht om op verzoek het mede voor hen geldig document voor grensoverschrijding aan een grensbewakingsambtenaar te tonen en te overhandigen (zie artikel 4.5, eerste lid, onder a, Vb). De zelfstandige identificatieplicht van artikel 50 Vw juncto artikel 4.21 Vb geldt voor deze kinderen niet.

6.2.9.2. Alleenreizende minderjarigen

Alleenreizende minderjarigen moeten voldoen aan de normale vereisten voor binnenkomst en verblijf. Indien de toegang tot Nederland aan de alleenreizende minderjarige wordt geweigerd, dient deze te worden teruggebracht naar een derde land waar zijn toelating is gewaarborgd. In dit geval draagt de ambtenaar belast met de grensbewaking de verantwoordelijkheid hiervoor over aan de DT&V.

6.2.9.3. Adoptie(f)- en pleegkinderen

Onderscheid wordt gemaakt tussen adoptie(f)kinderen en pleegkinderen. Adoptie(f)kinderen zijn kinderen die op zeer jeugdige leeftijd, in de regel jonger dan zes jaar, ter adoptie naar Nederland komen. De aspirant-adoptiefouders moeten voor opneming van deze kinderen onder andere in het bezit zijn van een zogenaamde beginseltoestemming van de Minister. Pleegkinderen zijn diegenen die niet voor adoptie maar om andere redenen in hun belang naar Nederland komen om te worden opgenomen in het gezin van naaste familieleden.

Voor binnenkomst met het oog op verblijf ter adoptie(f)- dan wel als pleegkind is onder meer het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding vereist. Dit is in beginsel een geldig paspoort, indien vereist, voorzien van een geldige mvv.

Toegang wordt verleend aan jeugdige vreemdelingen aan wie ter adoptie(f)- dan wel als pleegkind een mvv is afgegeven. Wanneer niet, uit een mvv, blijkt dat voorafgaand aan de komst naar Nederland toestemming voor verblijf ter adoptie(f)- dan wel als pleegkind is verleend, moet steeds de IND worden geraadpleegd.

Toestemming voor de inreis wordt in deze gevallen slechts verleend:

  • wanneer het betreft een adoptie(f)kind voor wie de aspirant adoptie(f)ouders een document kunnen overleggen waaruit blijkt dat de autoriteiten van het land van herkomst instemmen met de opneming van het kind in het gezin van de aspirant adoptie(f)ouders in Nederland;

  • wanneer klemmende redenen van humanitaire aard daartoe aanleiding geven.

In beide gevallen wordt een meldplicht opgelegd als bedoeld in artikel 4.26 Vb.

In het al tweede geval wordt bovendien van de aspirant-pleegouders verlangd dat zij een garantverklaring (zie de bijlage 6c VV) ondertekenen. Bij aspirant-adoptie(f)ouders is het ondertekenen van zo’n verklaring niet nodig.

6.2.10. Vreemdelingen aan wie lang verblijf is toegestaan

6.2.10.1. In Nederland voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen

Voorwaarden voor binnenkomst

Toegang wordt steeds verleend aan:

  • vreemdelingen die in het bezit zijn van een geldig paspoort en een geldige verblijfsvergunning afgegeven door één der Schengenstaten;

  • vreemdelingen die in het bezit zijn van een paspoort alsmede een geldig verblijfsdocument (zie bijlagen 7a, 7b, 7c, 7d en 7e VV).

Ten aanzien van de tweede voorwaarde geldt voorts dat aan een persoon met een door de Nederlandse autoriteiten afgegeven paspoort of identiteitskaart die gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer van personen (zie B10) en (vervolgens) verwijderd is door een andere lidstaat om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid, door de Nederlandse ambtenaar belast met de grensbewaking zonder formaliteiten toegang dient te worden verleend. Dit geldt ook wanneer het paspoort of de identiteitskaart is vervallen of de nationaliteit van de houder wordt betwist (zie artikel 8.10 Vb).

Inwonende kinderen beneden de twaalf jaar zijn meestal opgenomen in de vergunning van hun ouders. Deze kinderen worden ook feitelijk in het bezit gesteld van een verblijfsdocument (zie artikel 4.21, tweede lid, Vb).

Alle hierboven genoemde vreemdelingen zijn in geval van terugkeer naar Nederland vrijgesteld van de visumplicht (zie bijlage 3 VV).

Wijze van grenscontrole

  • Vreemdelingen die kunnen aantonen dat hen lang verblijf in Nederland is toegestaan.

Vreemdelingen aan wie lang verblijf in Nederland is toegestaan zijn bij in- en uitreis verplicht om het in hun bezit zijnde document voor grensoverschrijding desgevraagd aan een grensbewakingsambtenaar te tonen en te overhandigen (zie artikel 4.5 Vb).

Ten aanzien van vreemdelingen die kunnen aantonen dat hen lang verblijf in Nederland is toegestaan blijft controle op bestaansmiddelen achterwege. Hen wordt niet gevraagd naar doel en duur van het verblijf. Wel kan controle aan de hand van het OPS plaatsvinden, met name met het oog op tenuitvoerlegging van signaleringen die verband houden met de Vw (zie A3/9).

Zoals is aangegeven in A2/5.5.1, dient in het geval het voornemen bestaat om de toegang te weigeren aan een persoon die zich er op beroept dat hem lang verblijf in Nederland is toegestaan, eerst contact op te worden genomen met de IND.

  • Vreemdelingen aan wie lang verblijf in Nederland niet meer is toegestaan / bij twijfel omtrent het verblijfsrecht

Uit een signalering in het OPS kan blijken dat de verblijfsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd is ingetrokken dan wel de geldigheidsduur is verstreken. Aan de houder van een geldig paspoort en van een verblijfsvergunning waarvan de geldigheidsduur nog maar korte tijd is verstreken kan, wanneer hij een redelijke grond kan aanvoeren voor zijn verlate terugkeer, toegang worden verleend. In ieder geval dient de grensbewakingsambtenaar zo veel mogelijk direct de verblijfsrechtelijke status na te gaan. Indien de vreemdeling wordt doorgelaten dient met toepassing van artikel 4.26 Vb een meldplicht te worden opgelegd.

Wanneer de vreemdeling niet kan aantonen of aannemelijk kan maken dat hem lang verblijf in Nederland is toegestaan, kan voor vaststelling van zijn verblijfsrechtelijke positie contact worden opgenomen met de vreemdelingenpolitie van de politieregio in welke de gestelde woon- of verblijfplaats van de vreemdeling is gelegen, dan wel met de IND.

6.2.10.2. Vreemdelingen die een beslissing over verblijf mogen afwachten

Aan vreemdelingen wordt in bepaalde gevallen toegestaan om in Nederland de (definitieve) beslissing over hun verblijf af te wachten. Hieromtrent wordt door de IND een aantekening gesteld in het paspoort (zie voor deze aantekening artikel 4.34, eerste lid, onder c, Vb).

Wanneer deze vreemdelingen Nederland verlaten en naderhand weer willen terugkeren, moeten zij in beginsel voldoen aan de voorwaarden voor binnenkomst en verblijf in Nederland.

Wanneer deze vreemdelingen in het bezit zijn van een geldig paspoort, voorzien van een geldig visum voor terugkeer, wordt steeds toegang verleend. In verband met de grenscontrole is in dit geval het gestelde onder A2/6.2.10.1 van overeenkomstige toepassing.

6.2.10.3. In de overige Schengenstaten voor lang verblijf toegelaten vreemdelingen

Vreemdelingen die houder zijn van een geldig, door een Schengenstaat afgegeven verblijfsdocument zijn vrijgesteld van de visumplicht (zie artikel 21 SUO).

De toegang wordt aan houders van een geldige Belgische of Luxemburgse verblijfsvergunning niet geweigerd op de enkele grond dat zij niet tevens in het bezit zijn van hun paspoort. Controle op bestaansmiddelen blijft bij deze vreemdelingen achterwege, wanneer zij in het bezit zijn van geldige reisbiljetten naar de landen waarvoor zij over een geldige verblijfstitel of terugkeervisum beschikken.

Toegang wordt geweigerd wanneer gevaar voor de Nederlandse openbare orde of nationale veiligheid daartoe aanleiding geeft, met name wanneer de vreemdeling is gesignaleerd als ongewenst vreemdeling of als ongewenstverklaard vreemdeling (ongewenstverklaard ex artikel 67 Vw).

Het bovenstaande is van overeenkomstige toepassing op vreemdelingen die in het bezit zijn van het vereiste document voor grensoverschrijding en een geldige Belgische of Luxemburgse mvv (autorisation de séjour provisoire), mits in deze machtiging staat vermeld dat zij geldig is voor binnenkomst in het Beneluxgebied.

6.2.11. Vluchtelingen

6.2.11.1. Houders van reisdocumenten voor vluchtelingen

Vreemdelingen die houder zijn van een reisdocument voor vluchtelingen afgegeven door een staat die is aangesloten bij de Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen (Trb. 1959, nr. 153), en op wiens grondgebied zij regelmatig verblijven zijn vrijgesteld van de visumplicht wanneer zij ook aan de overige voorwaarden voor binnenkomst voldoen. Het betreft hier een reisdocument voor vluchtelingen als bedoeld in artikel 28 Vluchtelingenverdrag.

Partij bij de Europese Overeenkomst inzake de afschaffing van visa voor vluchtelingen zijn, naast Nederland: België, Denemarken, Duitsland, Finland, Frankrijk, IJsland, Ierland, Italië, Liechtenstein, Luxemburg, Malta, Noorwegen, Portugal, Spanje, Zweden, Zwitserland en het Verenigd Koninkrijk. Voor Frankrijk geldt de volgende uitzondering: de houder van een reisdocument voor vluchtelingen is voor Frankrijk niet vrijgesteld van de visumplicht, indien het document is afgegeven door een niet-Schengenstaat.

Het vorenstaande (inreizen zonder visum) geldt in bepaalde gevallen en onder bepaalde voorwaarden eveneens voor zeelieden-vluchtelingen die houder zijn van een reisdocument voor vluchtelingen.

Indien het reisdocument voor vluchtelingen is verlopen maar is afgegeven door één van de staten die zijn aangesloten bij de Europese Overeenkomst inzake de overdracht van verantwoordelijkheid met betrekking tot vluchtelingen, dient de betrokkene te worden overgedragen aan de staat die het verlopen reisdocument heeft afgegeven. Dit geschiedt op grond van artikel 4 van deze overeenkomst. Partij bij deze Overeenkomst zijn: Denemarken, Duitsland, Finland, Italië, Nederland, Noorwegen, Portugal, Spanje, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Zwitserland.

Vreemdelingen die in het bezit zijn van een reisdocument dat is afgegeven door een lidstaat van de EU aan vluchtelingen en die rechtmatig verblijf hebben in die lidstaat zijn vrijgesteld van de visumplicht op grond van Verordening 539/2001.

Voor houders van elders afgegeven reisdocumenten voor vluchtelingen die niet vallen onder genoemde regelingen, gelden in beginsel geen afwijkingen van de normale voorwaarden voor binnenkomst en verblijf. Deze vreemdelingen mogen echter in geen geval naar hun land van herkomst worden verwijderd.

6.2.11.2. Uitgenodigde vluchtelingen

Uitgenodigde vluchtelingen zijn vluchtelingen die door de Nederlandse regering als zodanig worden erkend en op verzoek van de UNHCR naar Nederland worden overgebracht.

Vluchtelingen die door de Nederlandse regering zijn uitgenodigd, zullen zich individueel of in groepsverband melden aan de grens. Zij zullen in de regel in het bezit zijn van een geldig document voor grensoverschrijding. Hun komst wordt door de IND van te voren aangekondigd aan de ambtenaar belast met de grensbewaking, opdat hun onmiddellijk toegang kan worden verleend. De ambtenaar belast met de grensbewaking vangt de betrokkenen bij aankomst op en begeleidt hen naar AC Schiphol alwaar zij in de gelegenheid worden gesteld om een asielaanvraag in te dienen.

6.2.12. Houders van vreemdelingenpaspoorten (staatlozen)

Onder ‘staatloze’ wordt blijkens het op 28 september 1954 te New York gesloten Staatlozenverdrag verstaan: een persoon die door geen enkele staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd. Deze personen worden in de regel door de autoriteiten van het land waar zij zijn toegelaten in het bezit gesteld van een vreemdelingenpaspoort.

Het reisdocument voor staatlozen, afgegeven krachtens voornoemd verdrag, wordt voor binnenkomst op het grondgebied van de Schengenstaten als document voor grensoverschrijding erkend.

Vreemdelingenpaspoorten worden door de autoriteiten van het land waar zij zijn toegelaten ook wel afgegeven aan personen die om één of andere reden van het land waarvan zij onderdaan zijn geen document voor grensoverschrijding kunnen verkrijgen of een reeds verkregen document voor grensoverschrijding niet kunnen laten verlengen.

Toegang wordt slechts aan houders van vreemdelingenpaspoorten verleend indien uit het vreemdelingenpaspoort of een ander document blijkt dat de wedertoelating van de vreemdeling tot het land van afgifte is gewaarborgd.

Houders van een dergelijk document voor grensoverschrijding zijn bij binnenkomst aan de visumplicht onderworpen. Echter, vreemdelingen die in het bezit zijn van een reisdocument dat is afgegeven door een lidstaat van de EU aan staatlozen en andere personen zonder nationaliteit die rechtmatig verblijf hebben in die lidstaat zijn op grond van Verordening 539/2001 vrijgesteld van de visumplicht.

Voor de bepalingen met betrekking tot houders van een vreemdelingenpaspoort aan wie lang verblijf in Nederland is toegestaan wordt verwezen naar A2/6.2.10.1.

Aan personen die verklaren staatloos te zijn en die niet in het bezit zijn van een vreemdelingenpaspoort wordt de toegang geweigerd. Houders van vreemdelingenpaspoorten die niet beschikken over de vereiste visa wordt in beginsel eveneens de toegang geweigerd. In bijzondere gevallen en onder bepaalde voorwaarden kunnen echter aan de grens visumfaciliteiten worden verleend (zie A2/4.3.8).

7. Verplichtingen voor vervoerders, bestuurders en gezagvoerders

7.1. Verplichtingen voor vervoerders

7.1.1. Inleiding

Wat onder vervoerder wordt verstaan, staat in artikel 2 SGC. Voor Nederland geldt dat met name de luchtvaart-, cruise- en ferrymaatschappijen, alsmede eigenaars van koopvaardijschepen en eigenaars/gebruikers van pleziervaartuigen, die één of meer vreemdelingen aanvoeren via een plaats waar buitengrenscontrole voor het Schengengebied plaatsvindt, zich aan een aantal verplichtingen moeten houden.

De volgende verplichtingen voor vervoerders zijn opgenomen in de Vw:

Daarnaast kan de vervoerder ingevolge artikel 65 Vw, juncto artikel 6.3 Vb, aansprakelijk worden gesteld voor de uitzettings- en verblijfskosten die door de overheid worden gemaakt met betrekking tot geweigerde vreemdelingen die niet onmiddellijk kunnen worden terugvervoerd.

De onder b genoemde afschriftplicht is een nationale bepaling. De overige bepalingen vloeien voort uit het feit dat Nederland zich heeft aangesloten bij de SUO.

7.1.2. De zorgplicht

De vervoerder dient zodanige voorzorgsmaatregelen te nemen dat de aanvoer van niet of niet juist gedocumenteerde vreemdelingen wordt voorkomen. Als dergelijke vreemdelingen zonder voorafgaande toestemming van bevoegde autoriteiten (zie hierna) toch worden aangevoerd, kan de vervoerder strafbaar zijn. In ieder geval zal terzake een proces-verbaal worden opgemaakt.

Voor de vaststelling of een document voor grensoverschrijding geldig is, moet een vervoerder zodanige maatregelen treffen dat zijn personeel, waaronder ook begrepen wordt het personeel dat onder zijn verantwoordelijkheid bepaalde formaliteiten verricht, dusdanig wordt geïnstrueerd dat controle van reisdocumenten plaatsvindt bij het inchecken en bij vertrek naar Nederland.

De hierboven bedoelde controle houdt minimaal het volgende in:

  • controle of de naam, geboortedatum, nationaliteit, geslacht, lengte en foto, zoals die in het aangeboden reisdocument zijn opgenomen, overeenkomen met de aanbieder van dat document;

  • controle of het aangeboden reisdocument voorzien is van de benodigde visa (zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming);

  • controle of de geldigheid van het aangeboden reisdocument en de daarin aangebrachte visa niet is verlopen;

  • controle of het aangeboden reisdocument is afgegeven door een daartoe bevoegde autoriteit;

  • controle door middel van een kort en bondig onderzoek of het aangeboden reisdocument vals of vervalst is, waarbij zonodig gebruik gemaakt dient te worden van eenvoudige hulpmiddelen.

Op opstapplaatsen waar door de vervoerder bij de controle van vervoersbewijzen al gebruik gemaakt wordt van technische apparatuur, dient de vervoerder deze apparatuur ook voor de controle van reisdocumenten aan te wenden.

De Nederlandse overheid kan de individuele vervoerder aanwijzingen geven om extra voorzorgsmaatregelen te nemen voor de controle voorafgaand aan het vertrek bij vervoer dat als risicodragend wordt aangemerkt. Deze aanwijzingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit het aanpassen van de wijze van controle (extra controle voor het instappen) of het gebruik van technische hulpmiddelen.

Overeenkomstig de daartoe strekkende internationale regelgeving kan de Nederlandse overheid een vervoerder verzoeken, om op een risicodragende vlucht of vaart een plaats aan boord van het vaartuig of luchtvaartuig ter beschikking te stellen aan een ambtenaar deskundig op het terrein van reisdocumenten. De ambtenaar kan dan in de opstapplaats, ter gelegenheid van het aan boord gaan, vervoerders adviseren of de aangeboden reisdocumenten echt en onvervalst zijn, en het aangeboden reisdocument voorzien is van de benodigde visa (zowel voor Nederland als voor het land van uiteindelijke bestemming). Dit geschiedt enkel indien daartoe door de staat waarin de opstapplaats is gelegen toestemming is verleend.

Om vervoerders in staat te stellen de verlangde controle zo goed mogelijk te verrichten, houdt het ministerie van BZK hen regelmatig op de hoogte van wijzigingen in de voor toegang tot Nederland vereiste documenten en visa. Tevens zullen aanwijzingen gegeven worden die een meer effectieve en efficiënte controle kunnen bewerkstelligen (bijv. informatie over reisroutes, trends, veel voorkomende vervalsingen etc.).

7.1.3. De afschriftplicht

De Nederlandse overheid kan op grond van artikel 2.2 Vb vervoerders verplichten een afschrift te maken van de in het bezit van bepaalde vreemdelingen zijnde documenten. Deze afschriftplicht geldt slechts voor vluchten of vaarten vanaf die plaatsen van vertrek die specifiek, bij ministeriële regeling, zijn aangegeven. Ook kunnen bepaalde specifieke vervoersondernemingen worden aangewezen.

De vervoerder dient desgevraagd een afschrift te kunnen overleggen van het op de vreemdeling betrekking hebbende document voor grensoverschrijding, indien hij de vreemdeling rechtstreeks dan wel na transfer of transit naar Nederland vervoert vanaf een luchthaven die bij ministeriële regeling is aangewezen als afschriftplichtige luchthaven.

Aan de afschriftplicht wordt voldaan door het maken van een afbeelding van de pagina’s van het reisdocument welke de volgende essentiële gegevens van de vreemdeling bevatten:

  • foto van de vreemdeling;

  • naam, voornaam en geboortedatum van de vreemdeling;

  • nationaliteit van de vreemdeling;

  • soort en nummer en geldigheidsduur van het reisdocument van de vreemdeling;

  • soort en nummer en afgifteplaats van eventuele benodigde visa, zowel voor Nederland als eventueel voor het land van eindbestemming;

  • uitreisstempel voor zover dit is aangebracht door de grensbewakingsautoriteiten van het land van vertrek.

Het is derhalve niet de bedoeling dat van alle pagina’s van het reisdocument van vorenbedoelde vreemdeling een afbeelding wordt gemaakt.

De afbeelding dient van een dusdanige kwaliteit te zijn, dat teksten goed leesbaar zijn en de foto op het reisdocument goed tot de houder van het document te herleiden is. Bij voorkeur wordt een digitale scan van het reisdocument gemaakt.

Indien een vreemdeling bij binnenkomst in Nederland niet over (de juiste) reisdocumenten blijkt te beschikken, dienen de bedoelde afbeeldingen desgevraagd te worden overhandigd aan de bevoegde Nederlandse grensbewakingsautoriteiten. Deze overhandiging dient binnen één uur na het verzoek van de ambtenaar belast met de grensbewaking te geschieden. Het is niet noodzakelijk dat de grensbewakingsautoriteiten over de exacte gegevens beschikken van de vlucht waarmee de vreemdeling is aangekomen. Een indicatie, verkregen uit de verklaringen van de vreemdeling of uit andere bronnen is hiertoe voldoende. In praktijk kan dit betekenen dat de afschriften van meerdere vluchten en van verschillende (vermoedelijke) dagen van aankomst dienen te worden overhandigd.

De bij ministeriële regeling vastgestelde lijst van plaatsen van vertrek en/of vervoersondernemingen waarvoor de afschriftplicht geldt, wordt samengesteld op basis van ervaringsgegevens en is terug te vinden in bijlage 1 VV. Deze lijst wordt regelmatig geactualiseerd en schriftelijk kenbaar gemaakt aan de betreffende vervoerders. Daarbij wordt steeds aangegeven vanaf welk moment de afschriftplicht geldt.

De afschriftplicht geldt nimmer ten aanzien van diplomatieke ambtenaren en andere geprivilegieerde personen. Deze plicht geldt evenmin ten aanzien van uitgenodigde vluchtelingen.

7.1.4. De passagiersinformatieplicht

Op grond van artikel 2.2a Vb dient de luchtvervoerder die passagiers van buiten de EU of het Schengengebied naar Nederland vervoert desgevraagd passagiersgegevens te verzamelen en aan de Nederlandse grensbewakingsautoriteiten te verstrekken.

De passagiersgegevens die op vordering van de grensbewakingsautoriteiten door de luchtvervoerder dienen te worden aangeleverd bevatten:

  • a. het nummer en de aard van het gebruikte reisdocument;

  • b. de nationaliteit;

  • c. de volledige naam;

  • d. de geboortedatum;

  • e. de grensdoorlaatpost van binnenkomst;

  • f. het vluchtnummer;

  • g. het tijdstip van vertrek en de aankomst van het vervoermiddel;

  • h. het totale aantal met dat vervoermiddel vervoerde passagiers, en

  • i. het eerste instappunt.

De passagiersgegevens worden elektronisch door de luchtvervoerder verstrekt. De luchtvervoerder zendt de verzamelde passagiersgegevens elektronisch aan de ambtenaar belast met de grensbewaking aan het door die ambtenaar aangegeven adres (zie artikel 2.1a VV). De passagiersgegevens dienen verzonden te worden met gebruikmaking van het International Air Transport Association (IATA)-berichtenformat, type B, met de structuur die is gebaseerd op de vanwege de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties vastgestelde indeling voor elektronische gegevensuitwisseling voor overheid, handel en vervoer, gepubliceerd onder de titel: Electronic Data Interchange For Administration, Commerce and Transport (EDIFACT) Passenger List Message (PAXLST). Het IATA-adres waar de gegevens naartoe verzonden dienen te worden, is HDQKMXH. Er is tevens een implementatiegids opgesteld voor de luchtvaartmaatschappijen waarin de vereiste berichtstructuur wordt gespecificeerd. De door de luchtvervoerder verzamelde gegevens dienen voor het einde van de instapcontrole, de zogenaamde ‘flightclosure’, te worden overgelegd.

Op basis van ervaringsgegevens en risicoanalyses met betrekking tot illegale immigratie zal door de ambtenaar belast met de grensbewaking worden bepaald ten aanzien van welke plaatsen van vertrek en van welke luchtvervoerders de passagiersgegevens zullen worden gevorderd.

De passagiersgegevens die de luchtvervoerder op vordering van de grensbewakingsautoriteiten heeft verzameld, worden niet langer dan 24 uur na aankomst door de vervoerder bewaard. Deze zullen derhalve binnen 24 uur na aankomst worden vernietigd. Dat laat onverlet de mogelijkheid die gegevens langer te bewaren waar die zijn verzameld met het oog op bijvoorbeeld de dienstverlening door de luchtvervoerder.

Voor de ambtenaar belast met de grensbewaking geldt in beginsel eveneens een bewaartermijn van 24 uur. Dit is slechts anders indien de passagiersgegevens langer nodig zijn voor de uitoefening van zijn taken. Hierbij moet onder meer worden gedacht aan de toepassing van de terugvoerplicht zoals beschreven in artikel 65 Vw (zie A2/7.1.5). Hieruit volgt dat de passagiersgegevens van vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd bewaard kunnen worden zolang de mogelijkheid van toepassing van artikel 65, eerste lid, onder b, Vw nog openstaat. Nu de op grond van artikel 65 Vw bestaande verplichting na ten hoogste zes maanden eindigt zal in dat geval de bewaartermijn niet langer dan zes maanden beslaan.

De luchtvervoerder (luchtvaartmaatschappij) informeert de passagier omtrent de naam en de contactgegevens van zijn luchtvaartmaatschappij en de doeleinden van het verzamelen van de gegevens, namelijk het tegengaan van illegale immigratie door middel van betere grenscontroles. Verder dient de passagier door de luchtvaartmaatschappij te worden geïnformeerd over welke gegevens worden verzameld, dat de ontvangers van de gegevens de Nederlandse grensbewakingsautoriteiten zijn, en het feit dat de passagier het recht heeft om kennis te nemen van zijn gegevens en om correctie van onjuiste gegevens te verzoeken (voor zover de gegevens niet reeds zijn vernietigd).

7.1.5. Terugvoerplicht

De vervoerder heeft de verplichting om een vreemdeling die hij naar Nederland heeft vervoerd en aan wie de toegang tot het Schengengebied is geweigerd terug te brengen naar een plaats buiten Nederland (zie artikel 26 SUO en artikel 5 juncto artikel 65 Vw).

Blijkens de toelichting bij artikel 5 Vw dient de vervoerder een vreemdeling aan wie de toegang tot het Schengengebied is geweigerd, terug te brengen naar het derde land van waaruit hij werd aangevoerd, dan wel te vervoeren naar het derde land dat het document voor grensoverschrijding waarmee de vreemdeling heeft gereisd heeft afgegeven, of naar ieder derde land waar zijn toelating is gewaarborgd.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, Vw is deze terugvoerplicht van toepassing op de vreemdeling die Nederland onmiddellijk dient te verlaten dan wel die binnen zes maanden na binnenkomst met het oog op uitzetting is aangehouden. Voor de vaststelling van de termijn van zes maanden is beslissend het tijdstip van staande houden. De plaatsing van de vreemdeling aan boord van een schip of vliegtuig dat bij dezelfde vervoersonderneming in gebruik is, kan eventueel ook op een later tijdstip plaatsvinden. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren indien de vreemdeling kort voor het verstrijken van bedoelde termijn wordt aangetroffen.

De terugvoerplicht is niet alleen van toepassing op vreemdelingen aan wie bij binnenkomst aanstonds de toegang is geweigerd, maar ook op vreemdelingen – bijvoorbeeld bemanningsleden van schepen of transitpassagiers van vliegtuigen – aan wie aanvankelijk toegang is verleend maar die op illegale wijze zijn achtergebleven. De terugvoerplicht geldt niet alleen bij weigeringen van vreemdelingen die niet beschikken over (de juiste) documenten voor grensoverschrijding, maar ook bij weigeringen op basis van één van de andere gronden van artikel 5 SGC, zoals het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan of het vormen van een gevaar voor de openbare orde en nationale veiligheid.

In artikel 65, tweede lid, Vw is opgenomen dat de vervoersonderneming op aanwijzing van de ambtenaar belast met de grensbewaking de vreemdeling vervoert naar een plaats buiten Nederland en daartoe zo nodig een ander middel voor terugbrenging vindt. Hiervoor worden ‘removal orders’ gehanteerd (zie M30 en het voor de luchtvaart soortgelijke model als bedoeld in Hoofdstuk 5 van Annex 9 bij het Verdrag van Chicago). Om het terugvoeren naar een plaats buiten Nederland door de vervoerder te faciliteren, wordt indien nodig door de ambtenaar belast met de grensbewaking gebruik gemaakt van de daarvoor in internationaal verband gehanteerde attesten, bedoeld voor de met immigratie/grensbewaking belaste autoriteiten in het land van bestemming (zie Appendix 9, onder 1 en 2, van de Annex 9 bij het Verdrag van Chicago).

Gedurende de gehele periode, vanaf het moment dat aan de vervoerder de aanwijzing is gegeven de vreemdeling terug te brengen naar een plaats buiten Nederland tot aan het moment dat de vreemdeling door de vervoersonderneming daadwerkelijk naar een plaats buiten Nederland, wordt gevoerd, is de vervoerder verantwoordelijk voor de vreemdeling. Dit betekent allereerst dat de vervoerder verantwoordelijk is voor de zorg van een vreemdeling wanneer deze bijvoorbeeld in de internationale lounge van de luchthaven verblijft in afwachting van zijn vertrek. Het betekent voorts dat alle kosten die door de overheid worden gemaakt en voortkomen uit het (feitelijk) verblijf van de vreemdeling in Nederland, ook ten laste kunnen komen van de vervoerder (zie A2/7.1.7).

Indien nodig, kan door de ambtenaar belast met de grensbewaking of de ambtenaar belast met het vreemdelingentoezicht aan de vreemdeling die zal worden teruggevoerd een vrijheidsbeperkende of vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd.

Verstekelingen

In afwachting van het daadwerkelijke vertrek van de verstekeling blijft de verantwoordelijkheid voor de verstekeling bij de vervoerder liggen. In overleg met de vervoerder kan de ambtenaar belast met de grensbewaking evenwel besluiten de verstekeling tijdelijk van boord te halen en de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 Vw op te leggen (zie model M19 en model M118). De vervoerder blijft echter gehouden de verstekeling zo snel als mogelijk te laten vertrekken van het Nederlands grondgebied. De vervoerder wordt tijdig geïnformeerd omtrent de plaatsing aan boord van de verstekeling ter uitvoering van zijn verplichting.

In plaats van terugplaatsing aan boord kan de verstekeling, eveneens op kosten van de vervoerder, op een andere wijze worden terugvervoerd naar het land waar hij aan boord is gegaan, dan wel worden vervoerd naar het derde land dat het document voor grensoverschrijding waarmee de vreemdeling heeft gereisd, heeft afgegeven, of een ander land waar zijn toelating is gewaarborgd. Een dergelijke wijze van terugvervoeren is alleen mogelijk als deze praktisch uitvoerbaar is. Hiertoe dient de verstekeling in beginsel voldoende gedocumenteerd te zijn. Indien dit niet het geval is, dient de identiteit en/ of nationaliteit vastgesteld te worden en aan de verstekeling een vervangend reisdocument te worden verstrekt door de diplomatieke/ consulaire vertegenwoordiging van het land van bestemming. De vaststelling van de nationaliteit en identiteit en de afgifte van de vervangende reisdocumenten dient te geschieden alvorens het schip waarmee de verstekeling is aangevoerd de haven heeft verlaten. De uitvoering van de terugvoerverplichting op deze wijze mag evenwel niet ten koste gaan van een unieke verwijdermogelijkheid.

Gezagvoerders van zeeschepen kunnen zich niet onttrekken aan hun verplichtingen als bedoeld in artikel 65, derde lid, Vw, door een beroep te doen op artikel 371a Wetboek van Koophandel. In dat artikel is onder meer sprake van een bevoegdheid van de kapitein om een verstekeling bij de eerste gelegenheid die zich voordoet van boord te verwijderen. Onder ‘gelegenheid’ dient hier namelijk te worden verstaan een wettelijk geoorloofde gelegenheid, dat wil zeggen het van boord zetten van een vreemdeling mag slechts plaatsvinden na verkregen toestemming van de bevoegde autoriteiten.

Evenmin kan de kapitein zich zonder meer onttrekken aan terugplaatsing van de verstekeling aan boord, door een beroep te doen op voorschrift 8 Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee. In geval de kapitein zich op dit voorschrift beroept, dienen de omstandigheden waarop hij zich beroept door de ambtenaar belast met de grensbewaking te worden beoordeeld en te worden afgewogen tegen het belang van terugplaatsing van de verstekeling aan boord.

Vreemdelingen met een vluchtrelaas

Indien de vervoerder bij een controle constateert dat hij te maken heeft met een vreemdeling die niet of niet juist is gedocumenteerd, dient hij deze in principe niet te vervoeren. Indien de vreemdeling stelt dat zijn leven in het land van waar hij op dat moment wil vertrekken in direct gevaar is, kan de vervoerder de vreemdeling niet naar de Nederlandse vertegenwoordiging zenden om aldaar een aanvraag voor een mvv met als doel ‘asiel’ in te dienen. Indien de vervoerder in deze situatie overweegt de vreemdeling te vervoeren, dient de vervoerder contact op te nemen met de IND. Het Hoofd van de IND bepaalt dan of de betrokken vreemdeling, ook al is hij niet in het bezit van de juiste reisdocumenten, naar Nederland mag worden gebracht. Als een vervoerder een niet of niet juist gedocumenteerde vreemdeling naar Nederlands grondgebied heeft vervoerd, maar dit heeft gedaan met instemming van de betreffende ambtenaar, geldt geen terugvoerplicht en wordt geen proces-verbaal opgemaakt ter zake van vermoedelijke overtreding van artikel 4 Vw. Wel dient de vervoerder de feiten en omstandigheden zoals hij die daarbij heeft voorgelegd, deugdelijk schriftelijk vast te leggen.

7.1.6. Strafrechtelijke aansprakelijkheid

De vervoerder kan worden vervolgd terzake van overtreding van artikel 4, eerste, tweede en derde lid, Vw, te weten het veronachtzamen van de zorg-, afschrift- en passagiersinformatieplicht, alsmede terzake van overtreding van artikel 5, eerste en tweede lid, Vw en artikel 65, derde lid, Vw. Ook kan tegen de vervoerder vervolging worden ingesteld terzake van overtreding van artikel 197a WvSr, welk artikel mensensmokkel behelst.

Het college van procureurs-generaal heeft de Richtlijn inzake strafvordering strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de aanvoer van niet of onjuist gedocumenteerde vreemdelingen vastgesteld. De Richtlijn bevat aanwijzingen voor het OM ten aanzien van het transactie- en vervolgingsbeleid met betrekking tot artikel 4, eerste en tweede lid, en artikel 108 Vw. Voor het transactie- en vervolgingsbeleid van artikel 4, derde lid, en artikel 108 Vw bestaat de Richtlijn voor strafvordering strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het verstrekken van passagiersgegevens door luchtvaartmaatschappijen.

Overtreding van artikel 4, eerste en tweede lid, Vw (het nalaten van de zorg- of afschriftplicht) kan worden bestraft met een geldboete van de vierde categorie (maximaal € 19.000) of hechtenis van zes maanden (artikel 108 Vw). Proces-verbaal wordt opgemaakt in alle gevallen waarin als gevolg van het nalaten van de zorg- of afschriftplicht een niet of onjuist gedocumenteerde vreemdeling binnen Nederland is gebracht. Alle processen-verbaal worden doorgezonden aan het OM. In beginsel zal eerst een transactie worden aangeboden door het OM.

Overtreding van artikel 4, derde lid, Vw (het nalaten van de passagiersinformatieplicht) kan worden bestraft met een geldboete van de vierde categorie (maximaal € 19.000) of hechtenis van zes maanden (artikel 108 Vw).

Overtreding van de artikelen 5, eerste en tweede lid, Vw en artikel 65, derde lid, Vw wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie (maximaal € 3.800) of een hechtenis van ten hoogste zes maanden (artikel 108 Vw).

Het misdrijf van artikel 197a WvSr (mensensmokkel) kan worden bestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of een geldboete van de vijfde categorie (maximaal €76.000). Het derde lid van het artikel bevat de mogelijkheid tot strafverzwaring indien het feit is begaan in de uitoefening van enig ambt of beroep. Ingeval van verdenking van mensensmokkel wordt in ieder geval proces-verbaal opgemaakt en zal in beginsel onmiddellijk tot dagvaarden worden overgegaan.

7.1.7. Aansprakelijkheid voor uitzettings- en verblijfskosten

Indien het niet binnen redelijke tijd mogelijk is de vreemdeling naar een plaats buiten Nederland te vervoeren, dan kunnen de kosten van uitzetting uit Nederland, waaronder ook de verblijfskosten kunnen worden begrepen ingevolge artikel 65 Vw, juncto artikel 6.3 Vb, op die vervoersonderneming worden verhaald.

Deze kosten omvatten blijkens artikel 6.3 Vb in ieder geval de kosten verbonden aan:

  • a. het vervoer van de uit te zetten vreemdeling per eerste gelegenheid, doch op de wijze die, gelet op de omstandigheden, de goedkoopste is, naar een plaats buiten Nederland;

  • b. de begeleiding van de vreemdeling naar een plaats van vertrek uit Nederland alsmede zijn begeleiding naar een plaats buiten Nederland, voorzover deze noodzakelijk is; en

  • c. het verblijf van de vreemdeling in Nederland in de periode nadat de vervoersonderneming van een ambtenaar belast met grensbewaking de aanwijzing heeft gekregen de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten Nederland.

Onder de kosten van uitzetting zijn ook begrepen de kosten van de handelingen, zoals het presenteren van een vreemdeling op de ambassade ter verkrijging van een vervangend reisdocument. De kosten waarvoor de vervoersonderneming op basis van het hiervoor genoemde onder a tot en met c aansprakelijk is, zijn opgenomen in de tarievenlijst.

Nadat een vreemdeling is terugvervoerd, leveren alle overheidsinstanties de IND een overzicht aan van de kosten die zij met betrekking tot de betreffende vreemdeling hebben gemaakt. Zij doen dit aan de hand van onderstaande tarievenlijst. Deze gestandaardiseerde tarieven betreffen de kosten van uitzetting en de kosten van verblijf die de overheid maakt met betrekking tot vreemdelingen aan wie de toegang tot Nederland is geweigerd. De tarieven zijn gebaseerd op de werkelijk gemaakte kosten van de diverse betrokken instanties.

De IND stuurt de vervoerder vervolgens een rekening die de kosten omvat die door de diverse instanties zijn gemaakt. De instanties die het betreft, ontvangen allen een kopie van de rekening. De vervoerder dient het betreffende bedrag voorts over te maken aan de IND, waarna deze laatste de andere overheidspartijen hun aandeel doet toekomen.

Indien een vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel indient, wordt de aansprakelijkheid van de vervoerder voor de kosten voor de duur van de behandeling van de asielaanvraag opgeschort. Er zullen pas weer kosten op de vervoerder worden verhaald nadat de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden en de ambtenaar belast met de grensbewaking de vervoerder de aanwijzing heeft gegeven de vreemdeling terug te vervoeren naar een plaats buiten Nederland.

Ook indien het uiteindelijk niet mogelijk blijkt de vreemdeling uit te zetten is de vervoerder aansprakelijk voor de kosten die gemaakt worden met betrekking tot de door hem aangevoerde geweigerde vreemdeling.

Tarievenlijst 2012

Vervoer (per vervoerde vreemdeling)

Binnen Rotterdam

€ 149,80

Van Rotterdam naar Den Haag

€ 299,60

Van Rotterdam naar Amsterdam

€ 299,60

Van Rotterdam naar Brussel

€ 449,40

Binnen Amsterdam

€ 149,80

Van Amsterdam naar Den Haag

€ 299,60

Van Amsterdam naar Rotterdam

€ 299,60

Van Amsterdam naar Brussel

€ 599,20

Vervoer naar overige bestemmingen, per vreemdeling per uur

€ 74,90

Escortering tijdens het terugvervoer

Salariskosten (per escort per uur)

€ 74,90

Kosten voor het verblijf van de escort (per escort)

variabel

Ticketkosten (per escort)

variabel

Vliegvergoeding (per escort per uur)

€ 18,42

Onkostenvergoeding (per escort per dag)

€ 12,00

Reisverzekering (per escort)

variabel

Verblijf van de geweigerde vreemdeling

Enige verblijfplaats aangewezen als plaats of ruimte bedoeld in artikel 6, eerste en tweede lid, Vw (p.p.p.d.)

€ 196,00

Laissez passer

Kosten aanvraagproces

€ 597,00

Tolk tijdens vooronderzoek (per aanvraag)

€ 55,00

Prijs laissez passer

variabel

Overige kosten

variabel

   

Administratiekosten (maximaal € 1.200 administratiekosten per vreemdeling)

8%

7.2. Verplichtingen voor bestuurders en gezagvoerders

De verplichting voor de bestuurder van een voertuig om mee te werken, is geregeld in artikel 4.8 Vb en de artikelen 5:19 en 5:20 Awb.

Voor de verplichtingen voor gezagvoerders in de (internationale) luchtvaart wordt verwezen naar artikel 4.15 en 4.16 Vb. Voor de verplichtingen voor gezagvoerders in de zeevaart wordt verwezen naar artikel 4.9 tot en met 4.14 Vb. Hieruit blijkt onder meer dat in beginsel de gezagvoerders direct bij binnenkomst een passagiers- en bemanningslijst dienen te overhandigen aan de ambtenaar belast met de grensbewaking. In het VV zijn voor wat betreft de (internationale) luchtvaart modellen voor bemannings- en passagierslijsten opgenomen in bijlage 15 en 16. Voor wat betreft de zeevaart zijn modellen voor bemannings- en passagierslijsten opgenomen in bijlage 14a tot en met 14d VV. De in bijlage 14c en 14d VV opgenomen passagierslijst wordt gehanteerd voor schepen die gecertificeerd zijn voor het vervoer van ten hoogste twaalf passagiers (zie artikel 4.4 VV). De passagierslijst kan tevens gebruikt worden voor de opgave van de aanwezigheid van aangetroffen verstekelingen.

8. Ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht

Onderdanen van derde landen die niet of niet langer rechtmatig op het grondgebied van de EU verblijven en op wie een verwijderingsmaatregel van toepassing is, worden veelal verwijderd per luchtvaartuig. Rechtstreekse vluchten zijn niet altijd mogelijk en soms moet gebruik worden gemaakt van vluchten via transitluchthavens van andere lidstaten. Richtlijn 2003/110 d.d. 25 november 2003 voorziet in wederzijdse ondersteuning bij doorgeleiding in het kader van verwijdering door de lucht en geeft regels voor eenvormige procedures. De Richtlijn is niet van toepassing op Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Wel is de Richtlijn van toepassing op IJsland en Noorwegen.

Indien de lidstaat die een persoon wenst terug te zenden om redelijke en praktische motieven geen gebruik kan maken van een rechtstreekse vlucht naar het land van bestemming, kan hij verzoeken om doorgeleiding door de lucht via Nederland. Een schriftelijk verzoek om doorgeleiding van een andere lidstaat moet worden ingediend bij de KMar te Schiphol. Het verzoek dient zo vroeg mogelijk te worden ingediend, en ten minste twee dagen vóór de doorgeleiding bij de KMar aan te komen. In bijzonder dringende en naar behoren gemotiveerde gevallen mag deze termijn korter zijn. Het verzoek moet worden ingediend door middel van het daartoe in de Richtlijn vastgelegde formulier.

Een verzoek om doorgeleiding door de lucht kan worden geweigerd wanneer:

  • de onderdaan van een derde land in Nederland op grond van de nationale wetgeving vervolgd zal worden wegens strafbare feiten of gezocht wordt ter uitvoering van een vonnis;

  • de doorgeleiding door andere staten dan wel de overname door het land van bestemming niet uitvoerbaar is;

  • de verwijderingsmaatregel vereist dat op Nederlands grondgebied van de ene op de andere luchthaven wordt overgestapt;

  • de gewenste ondersteuning door de KMar om praktische redenen niet mogelijk is op een bepaald tijdstip;

  • de onderdaan van een derde land gevaar oplevert voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de internationale betrekkingen van Nederland.

Wanneer na het verlenen van toestemming tot doorgeleiding omstandigheden als hierboven genoemd bekend worden, kan de reeds verleende toestemming worden ingetrokken. Bij weigering of intrekking van toestemming dient de KMar de verzoekende lidstaat onverwijld en met opgave van redenen hiervan op de hoogte te brengen.

De KMar stelt de verzoekende lidstaat onmiddellijk, in ieder geval binnen twee dagen, in kennis van de beslissing op het verzoek om doorgeleiding. Deze termijn kan, in naar behoren gemotiveerde gevallen, met ten hoogste 48 uur worden verlengd. Zonder instemming van Nederland mag de verzoekende lidstaat niet met de doorgeleiding beginnen. Als echter niet binnen de gestelde termijn wordt geantwoord, kan de verzoekende lidstaat beginnen met de doorgeleiding door middel van een kennisgeving aan de KMar.

De doorgeleiding dient binnen de kortst mogelijke tijdspanne plaats te vinden, en maximaal binnen 24 uur. Dit betekent dat de vreemdeling de luchthaven binnen 24 uur weer moet hebben verlaten. Deze termijn kan, op verzoek van en in overleg met de verzoekende lidstaat, worden verlengd tot maximaal 48 uur in gevallen waarin de voltooiing van de doorgeleiding niet kan worden gewaarborgd. Tijdens de gehele doorgeleiding dient de KMar bereikbaar te zijn voor de betrokken autoriteiten van de verzoekende lidstaat.

De KMar begeleidt de doorgeleiding in het kader van haar grensbewakingstaak ex artikel 46 Vw. Bij de begeleiding van de doorgeleiding beschikt de KMar over bevoegdheden in het belang van de grensbewaking. In overleg met de autoriteiten van de verzoekende lidstaat neemt de KMar in dit kader alle mogelijke en nodige ondersteunende maatregelen. Dit betreft met name de volgende maatregelen:

  • de vreemdeling wordt, op grond van artikel 4.6 Vb, van het vliegtuig afgehaald en begeleid op het terrein van de transitluchthaven, met name naar de aansluitende vlucht. De KMar ziet er op toe dat de doorgeleiding plaatsvindt, ofwel dat de vreemdeling Nederland ook daadwerkelijk weer verlaat;

  • in noodgevallen wordt aan de vreemdeling en eventueel aan zijn begeleiders van de verzoekende lidstaat medische hulp verstrekt op grond van artikel 6, eerste lid, onder c, juncto artikel 2 Politiewet 1993;

  • aan de vreemdeling en eventueel aan zijn begeleiders van de verzoekende lidstaat wordt voeding verstrekt op grond van artikel 6, eerste lid, onder c, juncto artikel 2 Politiewet 1993;

  • met name bij verwijdering zonder begeleiding door de autoriteiten van de verzoekende lidstaat worden, op grond van artikel 52 Vw en van artikel 4.23 Vb, reisdocumenten in ontvangst genomen, in bewaring gehouden en doorgegeven;

  • in geval van doorreis zonder begeleiding door de autoriteiten van de verzoekende lidstaat, wordt aan die autoriteiten medegedeeld de plaats en het tijdstip van vertrek van de vreemdeling van het Nederlands grondgebied;

  • aan de verzoekende lidstaat wordt medegedeeld of er tijdens de doorgeleiding van de vreemdeling ernstige incidenten hebben plaatsgevonden.

Op grond van artikel 4.6 Vb is de vreemdeling verplicht zich te houden aan de door de ambtenaar belast met de grensbewaking, in het kader van de uitoefening van zijn taak, gegeven aanwijzingen. Hieronder vallen tevens de aanwijzingen van deze ambtenaar aan de vreemdeling met betrekking tot de plaats waar de laatste zich dient op te houden. Overtreding van deze aanwijzingen is strafbaar gesteld in artikel 108 Vw.

De ambtenaren van de KMar die (tevens) zijn aangewezen als ambtenaren belast met het vreemdelingentoezicht, beschikken in het kader van ondersteuning van doorgeleiding bij verwijdering door de lucht, indien noodzakelijk, over de bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming op grond van artikel 50 en artikel 59 Vw. Voor zover de betrokken vreemdeling de toegang is geweigerd door de verzoekende lidstaat, kan artikel 6 Vw worden toegepast (zie model M19 en model M118). Voor toepassing van maatregelen van vrijheidsbeperking en vrijheidsontneming wordt verwezen naar A6. Bevoegdheden kunnen ook zijn gerelateerd aan de algemene politietaak van de KMar op Schiphol op grond van artikel 2 Politiewet 1993.

Ten aanzien van het gebruik van hulpmiddelen om de vreemdeling in zijn bewegingsvrijheid te beperken, wordt verwezen naar A4. De bepalingen van deze paragraaf zijn hier onverkort van toepassing.

Begeleiders van de autoriteiten van de verzoekende lidstaat moeten in alle omstandigheden de Nederlandse regelgeving naleven. Zij hebben derhalve geen verdergaande bevoegdheden dan de Nederlandse regelgeving toelaat. De begeleiders dragen tijdens de doorgeleiding door de lucht geen wapens en zijn gekleed in burgerkleding. Op verzoek dienen zij passende identificatiemiddelen te overleggen, waaronder de toestemming voor doorgeleiding die door Nederland is afgegeven, of, in geval niet tijdig een toestemming is afgegeven, een kennisgeving van doorgeleiding.

In de volgende gevallen kan de vreemdeling onmiddellijk voor terugname worden overgedragen aan de verzoekende lidstaat:

  • indien de toestemming tot doorgeleiding door de lucht is geweigerd of ingetrokken;

  • indien de vreemdeling tijdens de doorgeleiding Nederland is binnengekomen, zonder dat toestemming voor de doorgeleiding is verleend;

  • indien de doorgeleiding van de vreemdeling naar een ander land van doorreis of naar het land van bestemming is mislukt, of de inscheping voor de aansluitende vlucht is mislukt;

  • indien de doorgeleiding door de lucht om een andere reden niet mogelijk is. Van deze omstandigheid kan bijvoorbeeld sprake zijn in verband met capacitaire beperkingen bij de KMar.

3. Toezicht

1. Inleiding

1.1. Algemeen

Door de grote omvang en de toename van het internationale personenverkeer nemen de mogelijkheden tot onregelmatige binnenkomst en illegaal verblijf van vreemdelingen toe. In het bijzonder met het oog hierop is een efficiënt vreemdelingentoezicht vereist. Voorts kan het in het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zijn, dat inzicht wordt verkregen in de activiteiten van vreemdelingen die zich op legale wijze in Nederland bevinden.

Ook is een adequaat vreemdelingentoezicht vereist in het kader van het te voeren vreemdelingenbeleid omdat het daarvoor noodzakelijk is om over betrouwbare gegevens te kunnen beschikken. Te denken valt hierbij aan de aantallen van de hier te lande verblijvende vreemdelingen, de plaatsen waar zij zich bevinden, het doel van hun verblijf en de omstandigheden waaronder zij leven.

Teneinde het vreemdelingentoezicht op doelmatige wijze te kunnen uitoefenen, voorziet de Vw in de mogelijkheid tot het treffen van bepaalde maatregelen van toezicht en het opleggen van bepaalde verplichtingen aan vreemdelingen of aan derden.

In het belang van het toezicht op vreemdelingen mogen slechts die verplichtingen worden opgelegd of maatregelen worden getroffen waarin de wettelijke bepalingen voorzien.

Er kunnen twee vormen van vreemdelingentoezicht worden onderscheiden, namelijk het administratieve toezicht en het operationele toezicht. Het operationele toezicht is weer onder te verdelen in toezicht ter bestrijding van illegale immigratie en toezicht in het binnenland. Bij het administratieve toezicht moet men in het bijzonder denken aan de controles voortvloeiende uit de vreemdelingenregistratie.

1.2. Ambtenaren belast met het toezicht op vreemdelingen

De ambtenaren van politie die zijn aangesteld voor de uitvoering van de politietaak (zie artikel 3, eerste lid, onder a en c, en tweede lid, Politiewet 1993) zijn belast met het toezicht op vreemdelingen (zie artikel 47, eerste lid, onder a, Vw). Hieronder wordt ingevolge artikel 3, tweede lid, Politiewet 1993 mede begrepen de Rijksrecherche. Zij voeren hun werkzaamheden uit onder leiding van de Korpschef.

Ambtenaren van de KMar zijn eveneens belast met het toezicht op vreemdelingen (zie artikel 47, eerste lid, onder b, Vw). Zij oefenen hun toezichtstaken (in casu: het MTV) uit onder leiding van de Commandant der KMar.

Op grond van artikel 47, eerste lid, onder c, Vw kan de Minister bij besluit ambtenaren aanwijzen die belast zijn met het toezicht op vreemdelingen. De Minister heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door de in artikel 142 WvSv bedoelde ambtenaren, die zijn belast met opsporingsbevoegdheid voor één of meer strafbare feiten ingevolge de Vw, aan te wijzen.

Ambtenaren belast met toezicht beschikken over de bevoegdheden die ingevolge de Awb aan toezichthouders toekomen (zie artikelen 5:11 tot en met 5:20 Awb). Deze bevoegdheden en de aanvullende bevoegdheden die op grond van de Vw aan de ambtenaren belast met toezicht op vreemdelingen toekomen, worden nader uitgewerkt in A3/2.

1.3. Opsporing van de bij de Vw strafbaar gestelde feiten

Overtreding van een aantal bepalingen van de Vw of handelen in strijd met krachtens de wet opgelegde verplichtingen, die onder meer het vreemdelingentoezicht betreffen, is strafbaar gesteld bij artikel 108, eerste lid, Vw.

Bevoegd tot het opsporen van bij die wetsbepaling strafbaar gestelde feiten zijn behalve de met het vreemdelingentoezicht belaste ambtenaren (zie artikel 1:3 Awb) tevens de ambtenaren belast met de grensbewaking, alsmede alle bij artikel 141 WvSv in het algemeen met de opsporing van strafbare feiten belaste personen.

2. Operationeel vreemdelingentoezicht

2.1. Inleiding