KruimelpadGeldend op 10-02-2012
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op voordracht van Onze Minister van Justitie van 14 november 2000, nr. 5063009/00/06;
Gelet op artikel 320, zesde lid, van de Faillissementswet;
De Raad van State gehoord (advies van 8 december 2000, nr. W03.00.0525/I);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 1 februari 2001, nr. 5074887/01/06;
Hebben goedgevonden en verstaan:
In dit besluit wordt verstaan onder:
a. schuldsaneringsregeling: de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen, bedoeld in titel III van de Faillissementswet;
b. salaris: het door de rechtbank vast te stellen salaris van de bewindvoerder.
c. zaak: een door de bewindvoerder af te wikkelen schuldsaneringsboedel.
1. Het salaris wordt berekend over iedere maand, een gedeelte van een maand daaronder begrepen, gedurende welke de schuldsaneringsregeling in een zaak van toepassing is.
2. Voor iedere maand vanaf de maand waarin de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt uitgesproken bedraagt het salaris in een zaak € 37,– [Red: Per 1 juli 2011: € 42,00] .
3. In afwijking van het tweede lid bedraagt het salaris in een zaak € 44,– [Red: Per 1 juli 2011: € 50,00] , indien de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt uitgesproken bij twee personen ten aanzien van wie een algehele gemeenschap van goederen geldt.
4. De hoogte van het salaris, bedoeld in dit artikel, wordt jaarlijks door Onze Minister aangepast overeenkomstig het voor dat jaar vastgestelde percentage voor de bijdrage in de kosten van de arbeidsvoorwaardenontwikkeling aan niet VWS-gebonden gepremieerde en gesubsidieerde sectoren. Het salaris wordt afgerond op het naastliggende veelvoud van € 0,50.
5. De aanpassing, bedoeld in het vorige lid, vindt plaats met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop deze is vastgesteld, tenzij Onze Minister een andere datum van inwerkingtreding vaststelt.
1.De rechtbank kan op voordracht van de rechter-commissaris, op verzoek van de bewindvoerder dan wel ambtshalve, een ander salaris vaststellen dan het overeenkomstig artikel 2 te berekenen salaris, indien daartoe gronden zijn.
2.De rechtbank stelt op verzoek van de bewindvoerder vast welke door de bewindvoerder in een zaak gemaakte reiskosten noodzakelijk zijn en uit de boedel kunnen worden voldaan.