Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Mededeling nr. 13, nieuwe verordening betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen

Geldend van 08-01-2001 t/m heden

Mededeling nr. 13, nieuwe verordening betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen

Algemeen

A. Samenvatting

Op 1 oktober 2000 is de nieuwe verordening (EG) nr. 2037/2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen in werking getreden. Met deze verordening zijn de maatregelen tegen de ozonlaag afbrekende stoffen op een aantal punten verscherpt. Deze verordening vervangt Verordening (EG) nr. 3093/94.

B. Wettelijke bepalingen

Bij Verordening (EG) nr. 2037/2000 (Pb. EG L 244 van 29 september 2000), zoals gewijzigd bij de Verordeningen (EG) nrs. 2038/2000 en 2039/2000 (Pb. EG L 244 van 29 september 2000) zijn maatregelen vastgesteld betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen. De verordening is van toepassing op de productie, de invoer, de uitvoer, het op de markt brengen, het gebruik, de terugwinning, de recycling en de regeneratie alsmede de vernietiging van chloorfluorkoolstoffen, andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen, halonen, tetrachloorkoolstof 1,1,1,-trichloorethaan, methylbromide, broomfluorkoolwaterstoffen en chloorfluorkoolwaterstoffen, op de rapportage van gegevens over die stoffen en op de invoer, de uitvoer, het op de markt brengen en het gebruik van die stoffen bevattende producten en apparatuur. De verordening is bovendien van toepassing op de productie, de invoer, het op de markt brengen en het gebruik van broomchloormethaan.

De nationale bepalingen ter uitvoering van deze verordening (het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten 1995 , moeten nog worden aangepast. Naar verwachting zal het nieuwe besluit in het voorjaar 2001 in werking treden.

Belangrijkste wijzigingen ten opzichte van Verordening 3093/94

C. Belangrijkste wijzigingen

De belangrijkste wijzigingen zijn de volgende:

  • met ingang van 1 oktober 2000 is de productie en het gebruik van een nieuwe ozonlaag afbrekende stof, het broomchloormethaan, verboden;

  • vanaf 1 januari 2001 is het bijvullen van koel- en klimaatregelingsapparatuur met chloorfluorkoolstoffen (CFK’s) verboden;

  • halonen bevattende brandbeveiligingssystemen en blusapparaten moeten voor 1 januari 2004 buiten gebruik worden gesteld;

  • het bijvullen van koelinstallaties met chloorfluorkoolwaterstoffen (HCFK’s), die in eerste instantie als vervangers voor CFK’s op de markt zijn gekomen, wordt in twee stappen beëindigd;

  • de toepassing van methylbromide wordt – in de landen waar het thans nog is toegelaten – met ingang van 1 januari 2005 beëindigd, met uitzondering van nog vast te stellen kritische toepassingen en de toepassing in de quarantaine sector. In Nederland is de belangrijkste toepassing (grondontsmetting) reeds vanaf 1992 verboden. Verder zal – met uitzondering van een aantal met alle belanghebbenden vastgestelde kritische toepassingen – in Nederland het nog overgebleven gebruik eerder worden beëindigd, namelijk in 2001;

  • met ingang van 1 oktober 2000 is de uitvoer verboden van producten en apparatuur die ozonlaag afbrekende stoffen bevatten of die deze stoffen nodig zullen hebben om in werking te blijven. Bepaalde toepassingen zijn hiervan uitgezonderd;

  • met ingang van 1 oktober 2000 is de uitvoer van methylbromide uit de Gemeenschap naar een staat die geen partij is bij het protocol verboden;

  • met ingang van 1 januari 2004 is het verboden HCFK’s uit te voeren naar een staat die geen partij is bij het protocol;

  • voor elke uitvoer is een vergunning van de Europese Commissie nodig; in de vergunning wordt de eindbestemming van de goederen vastgelegd;

  • de emissie van ozonlaag afbrekende stoffen moet worden voorkomen door bij het onderhoud van apparatuur deze stoffen terug te winnen, te recyclen en te vernietigen. De lidstaten dienen voor 1 januari 2001 passende maatregelen te nemen. In Nederland zijn reeds emissiebeperkende maatregelen vastgelegd in de Regeling Lekdichtheid Koelinstallaties; deze zal zo nodig worden aangepast.

Begripsbepalingen en werkingssfeer

D. Inleidende bepalingen

In artikel 1 van de verordening is de werkingssfeer van de verordening nader omschreven (zie hiervoor onderdeel B).

In artikel 2 van de verordening zijn de definities opgenomen. Dit artikel bevat onder andere de definities van gereguleerde stoffen (zie ook bijlage I bij de verordening), chloorfluorkoolstoffen, andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen, halonen, tetrachloorkoolstof, 1,1,1-trichloorethaan, methylbromide, broomfluorkoolwaterstoffen, chloorfluorkoolwaterstoffen en nieuwe stoffen. Voorts is een aantal begrippen nader gedefinieerd; het betreft hier onder andere ‘gebruik’, ‘op de markt brengen’, ‘recycling’, ‘terugwinning’, ‘regeneratie’en ‘actieve veredeling’.

Beheersing van productie, het op de markt brengen en het gebruik

E. Tijdschema voor de geleidelijke eliminatie

De artikelen 3 tot en met 5 bevatten bepalingen betreffende de beheersing van de productie van gereguleerde stoffen, de beheersing van het op de markt brengen en het gebruik van gereguleerde stoffen alsmede de beheersing van het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen.

Op grond van artikel 4, lid 6, is de invoer en het op de markt brengen verboden van producten en apparatuur die chloorfluorkoolstoffen, andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen, halonen, tetrachloorkoolstof, 1,1,1-trichloorethaan, en broomfluorkoolwaterstoffen bevatten, met uitzondering van producten en apparatuur waarvoor het gebruik van gereguleerde stoffen overeenkomstig artikel 3, lid 1, tweede alinea is toegestaan of in bijlage VII is genoemd. Het verbod geldt bovendien niet voor producten en apparatuur waarvan is aangetoond dat zij voor 1 oktober 2000 zijn geproduceerd.

Vergunningen, invoer, actieve veredeling en uitvoer

F. Vergunning voor de invoer en actieve veredeling

Het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen of de actieve veredeling van gereguleerde stoffen is onderworpen aan de overlegging van een invoervergunning (artikel 6). Deze vergunningen worden door de Commissie afgegeven nadat is vastgesteld of voldaan is aan de artikelen 6,7, 8 en 13 van de verordening. De Commissie zendt een afschrift van de vergunning aan de bevoegde instantie van de lidstaat waar de betrokken stoffen zullen worden ingevoerd. Elke lidstaat wijst hiertoe een instantie aan. De gereguleerde stoffen van de groepen I, II, III, IV en V van bijlage I van de verordening worden niet voor actieve veredeling ingevoerd.

Wanneer de vergunning betrekking heeft op een procedure voor actieve veredeling, wordt deze slechts afgegeven indien de gereguleerde stoffen binnen het douanegebied van de Gemeenschap volgens het in artikel 114, lid 2, punt a, van het CDW bedoelde systeem inzake schorsing worden gebruikt en mits de veredelingsproducten worden wederuitgevoerd naar een staat waar voor de vervaardiging, het verbruik en de invoer van die gereguleerde stof geen verbod geldt. De vergunning wordt slechts afgegeven na goedkeuring door de bevoegde instantie van de lidstaat waar de actieve veredeling zal geschieden.

De Commissie kan een certificaat verlangen waarin de aard van de in te voeren stoffen wordt vermeld.

G. Invoer uit derde landen

Het in de Gemeenschap in het vrije verkeer brengen van uit derde landen ingevoerde gereguleerde stoffen is aan kwantitatieve beperkingen onderworpen (artikel 7; de hoeveelheden zijn opgenomen in bijlage III van de verordening). De toewijzing geschiedt slechts voor bepaalde doeleinden.

Het is verboden in de Gemeenschap gereguleerde stoffen in het vrije verkeer te brengen, of voor actieve veredeling vrij te geven, die zijn ingevoerd uit een staat die niet partij bij het protocol is (artikel 8).

Het is verboden in de Gemeenschap gereguleerde stoffen bevattende producten en apparatuur in het vrije verkeer te brengen die zijn ingevoerd uit staten die niet partij bij het protocol zijn (artikel 9). Als richtsnoer is in bijlage V bij de verordening een lijst van producten en apparatuur opgenomen. De Commissie kan deze lijst wijzigen.

De Raad zal op voorstel van de Commissie voorschriften vaststellen voor het in het vrije verkeer brengen van producten die uit een niet partij bij het protocol zijnde staat zijn ingevoerd en die met gereguleerde stoffen zijn vervaardigd doch geen stoffen bevatten die met zekerheid als gereguleerde stoffen kunnen worden geïdentificeerd (artikel 10).

H. Vergunning voor de uitvoer

De uitvoer van gereguleerde stoffen is onderworpen aan de overlegging van een uitvoervergunning (artikel 12). Deze vergunningen worden door de Commissie afgegeven nadat is vastgesteld of voldaan is aan artikelen 11 van de verordening. De Commissie zendt een afschrift van de vergunning aan de bevoegde instantie van de lidstaat waar de betrokken stoffen zullen worden uitgevoerd. Voor de behandeling van de vergunningen wordt verwezen naar paragraaf 13 van het Voorschrift Wet milieugevaarlijke stoffen.

I. Uitvoer van gereguleerde stoffen of gereguleerde stoffen bevattende producten

Het is verboden chloorfluorkoolstoffen, andere volledig gehalogeneerde chloorfluorkoolstoffen, halonen, tetrachloorkoolstof, 1,1,1-trichloorethaan, en broomfluorkoolwaterstoffen of producten en apparatuur, andere dan persoonlijke goederen, welke die stoffen bevatten of nodig zullen hebben om in werking te blijven, uit de Gemeenschap uit te voeren. Dit verbod geldt niet voor bepaalde toepassingen (artikel 11).

Het is verboden methylbromide uit de Gemeenschap uit te voeren naar een staat die geen partij bij het protocol is.

Met ingang van 1 januari 2004 is het verboden uit de Gemeenschap chloorfluorkoolwaterstoffen uit te voeren naar een geen partij bij het protocol zijnde staat. De Commissie kan in het licht van de internationale ontwikkelingen deze datum zo nodig wijzigen.

J. Uitzonderlijke toestemming voor de handel

In afwijking van artikel 8, artikel 9, lid 1, artikel 10 en artikel 11, leden en 3, kan de Commissie voor de handel in gereguleerde stoffen en in een of meer van die stoffen bevattende of daarmee vervaardigde producten met een niet partij bij het protocol zijnde staat toestemming verlenen voor de in- of uitvoer (artikel 13).

K. Handel met een niet door het protocol bestreken gebied

Op grond van artikel 14 kan de Commissie besluiten dat sommige of alle bepalingen van de artikelen 8, 9 en 11 van de verordening niet van toepassing zijn voor een niet door het protocol bestreken gebied.

L. Rapportage

Artikel 19 bevat rapportage verplichtingen voor elke producent, importeur en exporteur. De douanediensten van de lidstaten zenden de afgestempelde gebruikte vergunningsdocumenten elk jaar voor 31 december aan de Commissie terug (artikel 19).

M. Nieuwe stoffen

Het in het vrije verkeer brengen of vrijgeven voor actieve veredeling, het op de markt brengen en het gebruik van stoffen, genoemd in bijlage II bij de verordening (broomchloormethaan) is verboden. De Commissie doet zo nodig voorstellen om andere dan gereguleerde stoffen in bijlage II op te nemen.

N. Taak van de ambtenaren

Voor de taak van de ambtenaren wordt kortheidshalve verwezen naar de paragrafen 12 tot en met 14 van het Voorschrift Douanetaken wet milieugevaarlijke stoffen . Opgemerkt wordt dat paragraaf 15 alleen toepassing kan vinden voor zover de in het Besluit inzake stoffen die de ozonlaag aantasten opgenomen bepalingen in overeenstemming zijn met de verordening; dit betekent dat ingeval het besluit niet is aangepast aan nieuwe verboden de sancties beperkt blijven tot het niet aanvaarden van de aangiften voor het in het vrije verkeer brengen, voor de plaatsing onder de regeling actieve veredeling of de uitvoer. In voorkomende gevallen dient contact te worden opgenomen met de meldkamer van het ministerie van VROM. De Inspectie Milieuhygiëne van dit ministerie zal het betrokken bedrijf verzoeken om de betreffende partij op vrijwillige basis terug te voeren.

Het telefaxbericht WD2000/807 M, van 9 oktober 2000, heeft hiermede zijn belang verloren.

De

Staatsecretaris

van Financiën
namens deze:

De plv. Directeur-Generaal Fiscale Zaken

J.C. de Waard