Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Uitvoeringsregeling BSE 2001-I[Regeling vervallen per 11-06-2005.]

Geldend van 16-12-2000 t/m 10-06-2005

Uitvoeringsregeling BSE 2001-I

De Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 2, tweede lid, 3, tweede lid, 5 en 6, eerste lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's;

Besluit:

Artikel I [Vervallen per 11-06-2005]

[Red: Wijzigt de Uitvoeringsregeling BSE 2000-I.]

Artikel II [Vervallen per 11-06-2005]

[Red: Wijzigt de Uitvoeringsregeling BSE 2000-IA.]

Artikel III [Vervallen per 11-06-2005]

[Red: Wijzigt de Uitvoeringsregeling BSE 2000-II. ]

Artikel IV [Vervallen per 11-06-2005]

[Red: Wijzigt de Uitvoeringsregeling BSE 2000-IIA.]

Artikel V [Vervallen per 11-06-2005]

[Red: Wijzigt de Uitvoeringsregeling BSE 2000-III.]

Artikel VI [Vervallen per 11-06-2005]

[Red: Wijzigt de Uitvoeringsregeling BSE 2000-IIIA. ]

Artikel VII [Vervallen per 11-06-2005]

  • 1 Als programma als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's, wordt vastgesteld het programma opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1, onder A.

  • 2 Voor het in bijlage 1, onder A, opgenomen onderdeel A van het programma wordt het subsidieplafond vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in bijlage 1, onder B.

  • 3 Het in het tweede lid bedoelde bedrag is beschikbaar voor aanvragen die zijn ontvangen in de in bijlage 1, onder C, opgenomen periode.

  • 4 Het bedrag voor onderdeel A van bijlage 1, onder A, wordt verdeeld op de wijze, bepaald in artikel 9, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's.

Artikel VIII [Vervallen per 11-06-2005]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel IX [Vervallen per 11-06-2005]

Deze regeling wordt aangehaald als: Uitvoeringsregeling BSE 2001-I.

Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst.

`s-Gravenhage, 11 december 2000

De

Minister

van Economische Zaken,

A. Jorritsma-Lebbink

Bijlage 1 [Vervallen per 11-06-2005]

A. Energiebesparing in de Gebouwde Omgeving en Ruimtelijke Aspecten 2001 [Vervallen per 11-06-2005]

Het doel van het programma Energiebesparing in de Gebouwde Omgeving en Ruimtelijke Aspecten is het bevorderen van de ontwikkeling en toepassing van energiebesparende methoden en technieken in de woningbouw en in de utiliteitsbouw en het bevorderen van de reductie van de vraag naar energie en reductie van de milieubelasting door het optimaliseren van de energie infrastructuur, door samenwerking op bedrijventerreinen en door reductie van de vraag naar mobiliteit en het bevorderen van de duurzame afwikkeling van de mobiliteitsvraag. Het programma omvat de Tender Gebruiksgedrag (ENTER).

Onderdeel A. Tender Gebruiksgedrag (ENTER) [Vervallen per 11-06-2005]

De doelstelling van dit onderdeel is om, door middel van het stimuleren van praktijkexperimenten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en kennisoverdrachtprojecten, nieuwe methoden voor het beïnvloeden van energie gerelateerd gedrag van huishoudens te ontwikkelen en daarmee een extra impuls te geven aan blijvende energiebesparing bij huishoudens.

Projecten kunnen ook een positief effect hebben op het indirect energiegebruik van huishoudens. Activiteiten gericht op indirect energiegebruik zijn onderdeel van een bredere aanpak gericht op het beïnvloeden van energie gerelateerd gedrag van huishoudens in woningen. Er wordt gestreefd naar een zo hoog mogelijke energiebesparing in relatie tot de projectkosten en naar een zo groot mogelijke voorbeeldwerking. Projecten gericht op gedrag met betrekking tot mobiliteit komen niet voor subsidie in aanmerking. Dit onderdeel wordt uitgevoerd in de vorm van een oproep voor het indienen van projectvoorstellen (tender). Om voor subsidie in aanmerking te komen dienen de projecten minimaal aan de volgende voorwaarden te voldoen:

  • a. de beoogde besparing door gedragsverandering gericht op direct energiegebruik dient minimaal 5% te zijn van het gemiddelde elektriciteitsverbruik en/of gasverbruik van de huishoudens in het experiment; het voorstel moet zijn voorzien van een onderbouwing van dit besparingsgetal; door middel van berekeningen en/of resultaten uit voorgaande experimenten moet in voldoende mate aannemelijk worden gemaakt dat de beoogde resultaten behaald zullen worden;

  • b. het project richt zich op het beïnvloeden van actief handelen van huishoudens, waarbij de te realiseren gedragsverandering blijvend dient te zijn;

  • c. de projectkosten voor de onderdelen die betrekking hebben op indirect energiegebruik (specifieke activiteiten en monitoring) mogen maximaal 20% van de totale projectkosten bedragen;

  • d. projecten die zich bijvoorbeeld uitsluitend bedienen van technische gedragsturing, waarbij bepaald gedrag via techniek onmogelijk gemaakt wordt, of uitsluitend gericht zijn op aankoopgedrag van huishoudelijke apparatuur en installaties of eenmalig instelgedrag komen niet voor subsidie in aanmerking;

  • e. de beoogde verandering in gebruiksgedrag en/of verandering in aankoopgedrag van diensten of producten dient concreet beschreven te zijn in termen van handelingen en de daarmee te behalen directe en/of indirecte energiebesparing dient aangegeven te zijn;

  • f. projecten dienen uit te gaan van een uitgewerkte en beschreven methodiek, die een verklaring geeft hoe de beoogde gedragsveranderingen en energiebesparing bereikt worden;

  • g. in de beschrijving van de gekozen methodiek dienen de volgende elementen behandeld te worden: de beschrijving van het gedrag in handelingen, de determinanten van deze handelingen en de relevante structurele en sociale omgevingsfactoren voor deze handelingen, de gebruikte aangrijpingspunten voor gedragsbeïnvloeding en de in te zetten interventies op deze aangrijpingspunten;

  • h. het projectvoorstel dient voorzien te zijn van een opzet voor monitoring, effectmeting en evaluatie;

  • i. binnen het project dient deze opschaalbaarheid verder te worden onderzocht, waarbij inzicht verkregen dient te worden in de slaag- en faalfactoren bij opschaling;

  • j. minimaal één van de deelnemers in het project dient een marktpartij te zijn die de mogelijkheid en capaciteit heeft om de methodiek in de praktijk te implementeren; deze marktpartij moet toegang hebben tot huishoudens voor zowel het project als de beoogde opschaling;

  • k. het project dient gericht te zijn op minimaal 100 huishoudens;

  • l. het project dient uiterlijk 1 mei 2003 te zijn afgerond.

Aanvragen voor praktijkexperimenten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten of kennisoverdrachtprojecten die aan de wettelijke voorschriften en aan de hierboven genoemde voorwaarden voldoen, worden beoordeeld en gerangschikt door de adviescommissie Tender Gebruiksgedrag. Artikel 9, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's is van toepassing. De rangschikking vindt plaats op basis van een vergelijking van de geschiktheid van de projecten om bij te dragen aan de doelstelling van de Tender Gebruiksgedrag (ENTER) aan de hand van de volgende criteria:

  • 1. de mate van effectiviteit van de interventie gericht op de actieve beïnvloeding van handelingen van huishoudens inzake energiegerelateerd gedrag;

  • 2. de kwaliteit van de methodiek waarop het onderhavige voorstel zich baseert om de gewenste gedragsverandering te realiseren;

  • 3. de kwaliteit van de uitgewerkte systematiek voor monitoring, evaluatie en effectmeting; hierbij wordt met name gelet op het meten van de mate waarin de gedragsverandering blijvend is en de energiebesparingseffecten op langere termijn;

  • 4. de mate waarin de gekozen methodiek kansen biedt voor opschaling en de voorbeeldwerking die ervan uitgaat;

  • 5. de mate waarin een marktpartij, die de mogelijkheid en capaciteit heeft om de methodiek in de praktijk te implementeren, betrokken is bij het project en hier financieel in participeert;

  • 6. de mate waarin het project waarborgt dat de toegang tot de doelgroep huishoudens verkregen wordt;

  • 7. de mate waarin de projectvoorbereiding (instrumentontwikkeling, communicatiestrategie, interventiestrategie, doelgroepkeuze, evaluatieaanpak) is uitgewerkt en onderbouwd.

De subsidie bedraagt ten hoogste f 750.000,00 per project.

Ten behoeve van de bovenstaande procedure dient in aanvulling op de gegevens die op grond van het standaard BSE-aanvraagformulier dienen te worden verstrekt, extra informatie te worden verstrekt. Gegevens daarover zijn beschikbaar in het bij Novem verkrijgbare informatiepakket.

B. Subsidieplafond [Vervallen per 11-06-2005]

Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies op in 2001 ontvangen aanvragen met betrekking tot dit onderdeel bedraagt f 6.700.000,00.

C. Aanvraagperiode [Vervallen per 11-06-2005]

Aanvragen met betrekking tot dit onderdeel moeten door Novem zijn ontvangen in de periode van 1 februari 2001 tot en met 1 juni 2001.

Nadere informatie is te verkrijgen bij: Novem B.V., Postbus 8242, 3503 RE Utrecht, tel. 030-2393493.