KruimelpadGeldend op 02-10-2009
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 18 februari 2000, nr. TrcJZ/2000/1844, Directie Juridische Zaken;
Gelet op de artikelen 3, eerste lid, 4, eerste lid, onderdelen a en b, en tweede lid, en 14, tweede, derde en vijfde lid, van de Flora- en faunawet;
De Raad van State gehoord (advies van 23 maart 2000, nr. W11.00 0069/V);
Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 21 november 2000, nr. TrcJZ/2000/9384, Directie Juridische Zaken;
Hebben goedgevonden en verstaan:
Als beschermde inheemse plantensoort als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet zijn aangewezen de in bijlage 1 bij dit besluit genoemde plantensoorten.
Als soorten zoogdieren waarvan gedomesticeerde dieren niet worden aangemerkt als beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de wet zijn aangewezen:
a. de bunzing (Mustela putorius).
b. het konijn (Oryctolagus cuniculus);
c. het varken (Sus scrofa).
Als soorten vogels waarvan gedomesticeerde vogels niet worden aangemerkt als beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet zijn aangewezen:
a. de grauwe gans (Anser anser);
b. de Europese kanarie (Serinus canaria);
c. de rotsduif (Columba livia);
d. de wilde eend (Anas platyrhynchos).
Als beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de wet zijn aangewezen de in bijlage 2 bij dit besluit genoemde diersoorten.
Als beschermde uitheemse diersoort als bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van de wet zijn aangewezen:
a. de zadelrob (Phoca groenlandica);
b. de klapmuts (Cystophora cristata).
1. Als plantensoort als bedoeld in artikel 14, tweede en derde lid, van de wet is aangewezen de grote waternavel (Hydrocotyle ranunculoides).
2. Als diersoort als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de wet is aangewezen de muntjak (Muntiacus reevesi).
Als vissoort ten aanzien waarvan ingevolge artikel 14, vijfde lid, van de wet het verbod om dieren in de vrije natuur uit te zetten niet geldt, zijn aangewezen de vissoorten, aangewezen op basis van de artikelen 1, tweede lid, en17 van de Visserijwet 1963.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Beatrix
De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,
G. H. Faber
De Minister van Justitie,
A. H. Korthals
Nederlandse naam | wetenschappelijke naam | motief voor opname |
|---|---|---|
Aardaker | Lathyrus tuberosus | b |
Akkerklokje | Campanula rapunculoides | d |
Beenbreek | Narthecium ossifragum | a |
Bergklokje | Campanula rhomboidalis | a |
Blaasvaren | Cystopteris fragilis | a |
Blauwe zeedistel | Eryngium maritimum | a |
Breed klokje | Campanula latifolia | d |
Daslook | Allium ursinum | a |
Dotterbloem | Caltha palustris | b |
Duitse gentiaan | Gentianella germanica | a |
Franjegentiaan | Gentianella ciliata | a |
Gele helmbloem | Pseudofumaria lutea | a |
Gewone vogelmelk | Ornithogalum umbellatum | b |
Grasklokje | Campanula rotundifolia | d |
Groensteel | Asplenium viride | a |
Grote kaardebol | Dipsacus fullonum | b |
Gulden sleutelbloem | Primula veris | a |
Hondskruid | Anacamptis pyramidalis | a |
Jeneverbes | Juniperus communis | a |
Klein glaskruid | Parietaria judaica | a |
Kleine maagdenpalm | Vinca minor | b |
Kleine zonnedauw | Drosera intermedia | a |
Klokjesgentiaan | Gentiana pneumonanthe | d |
Kluwenklokje | Campanula glomerata | a |
Knikkende vogelmelk | Ornithogalum nutans | b |
Koningsvaren | Osmunda regalis | b |
Koraalwortel | Corallorhiza trifida | a |
Kruisbladgentiaan | Gentiana cruciata | a |
Lange ereprijs | Veronica longifola | a |
Lange zonnedauw | Drosera anglica | a |
Maretak | Viscum album | a |
Muurbloem | Erysimum cheiri | a |
Parnassia | Parnassia palustris | a |
Pijlscheefkelk | Arabis hirsuto sagittata | a |
Prachtklokje | Campanula persicifolia | a |
Rapunzelklokje | Campanula rapunculus | a |
Rechte driehoeksvaren | Gymnocarpium robertianum | a |
Ronde zonnedauw | Drosera rotundifolia | a |
Ruig klokje | Campanula trachelium | a |
Schubvaren | Ceterach officinarum | a |
Slanke gentiaan | Gentianella amarella | a |
Slanke sleutelbloem | Primula elatior | d |
Spaanse ruiter | Cirsium dissectum | a |
Steenanjer | Dianthus deltoides | a |
Steenbreekvaren | Asplenium trichomanes | a |
Stengelloze sleutelbloem | Primula vulgaris | a |
Stengelomvattend havikskruid | Hieracium amplexicaule | a |
Stijf hardgras | Catapodium rigidum | a |
Tongvaren | Asplenium scolopendrium | b |
Veldgentiaan | Gentianella campestris | a |
Veldsalie | Salvia pratensis | a |
Weideklokje | Campanula patula | d |
Wilde gagel | Myrica gale | b |
Wilde herfsttijloos | Colchicum autumnale | a |
Wilde kievitsbloem | Fritillaria meleagris | a |
Wilde marjolein | Origanum vulgare | a |
Zinkviooltje | Viola lutea calaminaria | a |
Zomerklokje | Leucojum aestivum | a |
Zwanebloem | Butomus umbellatus | b |
Zwartsteel | Asplenium adiantum-nigrum | a |
De letters a tot en met d in de derde kolom corresponderen met de onderdelen a tot en met d van artikel 3, eerste lid, van de wet en refereren naar de motieven voor opname in deze lijst van beschermde inheemse plantensoorten die van nature in Nederland voorkomen en die:
a. in hun voortbestaan worden bedreigd of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd;
b. niet noodzakelijkerwijs in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, doch ter bescherming waarvan maatregelen noodzakelijk zijn ter voorkoming van overmatige benutting;
c. uit Nederland zijn verdwenen doch ten aanzien waarvan gerede kans op terugkeer bestaat of
d. zodanige gelijkenis vertonen met soorten die zijn aangewezen op grond van het bepaalde in de onderdelen a, b of c, dat aanwijzing ervan noodzakelijk is ter bescherming van die soorten.
Nederlandse naam | wetenschappelijke naam | motief voor opname |
|---|---|---|
KREEFTACHTIGEN | CRUSTACEA | |
Rivierkreeft | Astacus astacus | a |
Nederlandse naam | wetenschappelijke naam | motief voor opname |
|---|---|---|
KEVERS | COLEOPTERA | |
Vliegend hert | Lucanus cervus | a |
Nederlandse naam | wetenschappelijke naam | motief voor opname |
|---|---|---|
DAGVLINDERS | LEPIDOPTERA | |
Bruin dikkopje | Erynnis tages | a |
Dwergblauwtje | Cupido minimus | c |
Dwergdikkopje | Thymelicus acteon | c |
Groot geaderd witje | Aporia crataegi | c |
Grote ijsvogelvlinder | Limenitis populi | a |
Heideblauwtje | Plebejus argus | d |
Iepepage | Strymonidia w-album | a |
Kalkgraslanddikkopje | Spialia sertorius | c |
Keizersmantel | Argynnis paphia | c |
Klaverblauwtje | Cyaniris semiargus | c |
Purperstreepparelmoervlinder | Brenthis ino | c |
Rode vuurvlinder | Palaeochrysophanus hippothoe | c |
Rouwmantel | Nymphalis antiopa | c |
Tweekleurig hooibeestje | Coenonympha arcania | a |
Vals heideblauwtje | Lycaeides idas | c |
Veenbesparelmoervlinder | Boloria aquilonaris | a |
Veenhooibeestje | Coenonympha tullia | a |
Veldparelmoervlinder | Melitaea cinxia | a |
Woudparelmoervlinder | Melitaea diamina | c |
Zilvervlek | Clossiana euphrosyne | c |
Nederlandse naam | wetenschappelijke naam | motief voor opname |
|---|---|---|
MIEREN | FORMICOIDEA | |
Behaarde rode bosmier | Formica rufa | b |
Zwartrugbosmier | Formica pratensis | b |
Kale rode bosmier | Formica polyctena | b |
Stronkmier | Formica truncorum | b |
Nederlandse naam | wetenschappelijke naam | motief voor opname |
|---|---|---|
SLAKKEN | GASTROPODA | |
Wijngaardslak | Helix pomatia | b |
De letters a tot en met d in de derde kolom corresponderen met de onderdelen a tot en met d van artikel 4, tweede lid, van de wet en refereren naar de motieven voor opname in deze lijst van beschermde inheemse diersoorten die van nature in Nederland voorkomen en die:
a. in hun voortbestaan worden bedreigd of het gevaar lopen in hun voortbestaan te worden bedreigd;
b. niet noodzakelijkerwijs in hun voortbestaan worden bedreigd of dat gevaar lopen, doch ter bescherming waarvan maatregelen noodzakelijk zijn ter voorkoming van overmatige benutting;
c. uit Nederland zijn verdwenen doch ten aanzien waarvan gerede kans op terugkeer bestaat of
d. zodanige gelijkenis vertonen met soorten die zijn aangewezen op grond van het bepaalde in de onderdelen a, b of c, dat aanwijzing ervan noodzakelijk is ter bescherming van die soorten.