Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Jachtbesluit

Geldend van 01-01-2013 t/m heden

Besluit van 28 november 2000, houdende regels ten aanzien van de jacht (Jachtbesluit)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 18 februari 2000, nr. TrcJZ/2000/1843, Directie Juridische Zaken;

Gelet op artikel 8 van richtlijn nr. 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand (PbEG L 103);

Gelet op de beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie van 27 april 1983 strekkende tot onderlinge erkenning van de jachtexamens (Trb. 1987, 2);

Gelet op de beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie van 24 september 1984 strekkende tot de limitatieve opsomming van de te bezigen geweren en munitie bij de jacht op de onderscheiden wildsoorten (Trb. 1987, 2);

Gelet op de artikelen 34, vijfde lid, 36, tweede lid, 40, eerste lid, 44, 49, 50, tweede lid, 53, eerste lid, 54, vierde en vijfde lid, 56, eerste lid, 75, eerste, en vierde lid, onderdeel c, en 76, eerste lid, van de Flora- en faunawet;

De Raad van State gehoord (advies van 14 april 2000, no. W11.00.0068/V);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij van 21 november 2000, nr. TrcJZ/2000/9481, Directie Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Paragraaf 1. Definities

Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

Paragraaf 2. De verhuur van het genot van de jacht

Artikel 2

  • 1 Een overeenkomst wordt voor de duur van ten minste zes en ten hoogste twaalf jaar aangegaan.

  • 2 Een overeenkomst bevat geen beding van optie of verlenging.

Artikel 3

Bij het aangaan van een overeenkomst mag worden bedongen dat, indien enige onroerende zaak waarop de overeenkomst betrekking heeft, wordt opgenomen in een akte van toedeling als bedoeld in artikel 207 van de Landinrichtingswet, en deze akte voor het einde van de duur van de overeenkomst in de openbare registers is ingeschreven, de overeenkomst, voorzover het die zaak betreft, eindigt met ingang van de datum waarop deze akte is ingeschreven.

Paragraaf 3. De uitoefening van de jacht buiten gezelschap van de jachthouder

Artikel 4

  • 1 Een jachthouder kan schriftelijk toestemming verlenen voor de gehele of gedeeltelijke uitoefening, anders dan in zijn gezelschap, van het hem toekomende genot van de jacht.

  • 2 Een jachthouder kan de schriftelijke toestemming, bedoeld in het eerste lid, slechts verlenen indien hij in het bezit is van een geldige jacht- of valkeniersakte.

  • 3 Het tweede lid is niet van toepassing indien de jachthouder een rechtspersoonlijkheid bezittende organisatie van samenwerkende jachthouders, Staatsbosbeheer of een rechtspersoonlijkheid bezittende particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisatie, als genoemd in bijlage 1 bij dit besluit, is.

  • 5 Indien de toestemming wordt verleend aan anderen dan jachtopzichters als bedoeld in het vierde lid, kan zij slechts worden verleend indien:

    • a. de toestemming is voorzien van:

      • 1°. Een aantekening van de korpschef, waaruit blijkt dat het jachtveld waarop de jacht plaatsvindt, voldoet aan de artikelen 10 en 11, voorzover de jacht geschiedt met het geweer en

      • 2°. De naam, voornamen en geboortedatum van degenen aan wie de toestemming wordt verleend;

    • b. de toestemming een geldigheidsduur heeft die uiterlijk verstrijkt op 31 maart volgende op de datum van ondertekening van de toestemming.

  • 6 In afwijking van het bepaalde in het tweede lid en onverminderd het bepaalde in het derde en vierde lid kan de jachthouder die niet in het bezit is van een geldige jacht- of valkeniersakte schriftelijke toestemming verlenen voor de gehele of gedeeltelijke uitoefening, anders dan in zijn gezelschap, van het hem toekomende genot van de jacht, voorzover hem daartoe schriftelijk verlof is verleend door Onze Minister.

  • 7 Indien degene aan wie de toestemming is verleend, in het bezit is van een geldige jacht- of valkeniersakte, kan deze aan derden toestaan het genot van de jacht in zijn gezelschap uit te oefenen, indien dit uitdrukkelijk in de schriftelijke toestemming is bepaald.

Paragraaf 4. De eisen voor het jachtexamen

Artikel 5

Om te kunnen worden erkend, voldoet een jachtexamen aan het bepaalde bij artikel 6 en krachtens artikel 7.

Artikel 6

  • 1 Het jachtexamen bevat, voorzover het de jacht met het geweer of de jacht met jachtvogels betreft, een theoretisch en een praktisch gedeelte. Het jachtexamen bevat, voorzover het de jacht met de eendenkooi betreft, een theoretisch gedeelte.

  • 2 Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met het geweer toetst op:

    • a. kennis van het wild, andere diersoorten die schade kunnen veroorzaken aan gewassen, vee, bossen, bedrijfsmatige visserij en wateren en hierop gelijkende diersoorten;

    • b. kennis van de leefomgeving van de in onderdeel a bedoelde diersoorten;

    • c. kennis van het beheer van het wild;

    • d. kennis van het beheer van het edelhert, de ree, het damhert en het wilde zwijn;

    • e. kennis van de belangrijkste wettelijke voorschriften op het terrein van de jacht en de natuurbescherming;

    • f. kennis van de belangrijkste wettelijke voorschriften over het voorhanden hebben van geweren en munitie;

    • g. kennis van landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen die gevoelig zijn voor schade aangericht door de in onderdeel a bedoelde diersoorten, en de perioden gedurende het jaar waarin zich deze schade kan voordoen;

    • h. kennis van de maatregelen die genomen kunnen worden om schade aan landbouw-, tuinbouw- en bosbouwgewassen aangericht door de in onderdeel a bedoelde diersoorten te voorkomen;

    • i. kennis van het geweer, de daarbij gebezigde munitie en het gebruik van het geweer;

    • j. kennis van de overige middelen, bedoeld in de artikelen 50 en 72 van de wet en het gebruik van deze middelen;

    • k. kennis van de jachtmethoden en van de verzorging van voor consumptie bestemde dieren en

    • l. kennis van hetgeen een goed jager betaamt.

  • 3 Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met jachtvogels toetst op kennis over de in het tweede lid, onderdelen a, b, c, e, g, h, j, k en l, bedoelde onderdelen.

  • 4 Het theoretische gedeelte van het jachtexamen voor de jacht met de eendenkooi toetst op kennis over de in het tweede lid, onderdelen a, b, c, e, j, k en l, bedoelde onderdelen.

  • 5 Het praktische gedeelte van het jachtexamen toetst op:

    • a. schietvaardigheid en bekwaamheid in de omgang met vuurwapens, indien het het doden van dieren met het geweer betreft, waarbij onderscheid gemaakt kan worden naar gelang van de aard van het gebruik van de munitie, en

    • b. bekwaamheid in de omgang met jachtvogels, indien het de jacht met jachtvogels betreft.

Artikel 7

  • 1 Bij ministeriële regeling worden nadere eisen gesteld met betrekking tot de jachtexamens.

  • 2 De regeling, bedoeld in het eerste lid, bevat in ieder geval:

    • a. eisen waaraan een organisatie die examens afneemt dient te voldoen ten behoeve van erkenning van het jachtexamen;

    • b. regels omtrent de taken en bevoegdheden van de personen die namens Onze Minister toezien op de jachtexamens en de beoordeling van examenresultaten.

Paragraaf 5. De jacht-, valkeniers- en kooikersakten

Artikel 8

  • 1 De jachtakte, valkeniersakte of kooikersakte geldt van 1 april tot 1 april van het daaropvolgende kalenderjaar en is van kracht voor heel Nederland.

  • 2 De akte verliest haar geldigheid van rechtswege op het tijdstip waarop een rechterlijke uitspraak waarbij aan de houder de bevoegdheid om te jagen is ontzegd, voor tenuitvoerlegging vatbaar wordt.

  • 3 De geldsom, bedoeld in artikel 44 van de wet, omvat een bijdrage ter dekking van de kosten van de uitgifte van een akte alsmede een algemene bijdrage in de kosten van onderzoek en voorlichting op het gebied van jacht, beheer en schadebestrijding.

  • 4 Bij ministeriële regeling worden regels gesteld ten aanzien van:

    • a. de aanvraag van akten;

    • b. het besluit op aanvragen van akten;

    • c. de voor de akten verschuldigde bedragen, die voor de onderscheiden akten verschillend kunnen worden vastgesteld.

Artikel 9

  • 1 Degene wiens akte is ingetrokken, is verplicht deze binnen vijf dagen nadat het besluit tot intrekking hem is bekendgemaakt, in te leveren bij degene die haar heeft verleend.

  • 2 Degene aan wie de bevoegdheid tot jagen bij een rechterlijke uitspraak is ontzegd, is verplicht binnen vijf dagen nadat die uitspraak voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, de akte in te leveren bij degene die haar heeft verleend.

Paragraaf 6. De jachtvelden

Artikel 10

  • 1 Een jachtveld waarop het genot van de jacht met gebruikmaking van een geweer mag worden uitgeoefend, heeft een aaneengesloten oppervlakte van:

    • a. ten minste 40 hectare per jachthouder waarop deze als zodanig bevoegd is te jagen en bovendien

    • b. ten minste zoveel maal 40 hectare als er behalve de onder a bedoelde jachthouder anderen dan jachtopzichters in datzelfde jachtveld bevoegd zijn te jagen uit hoofde van een schriftelijke toestemming als bedoeld in artikel 36, tweede lid, van de wet.

  • 2 De afmetingen van een jachtveld als bedoeld in het eerste lid, zijn zodanig dat daarin een cirkel met een straal van ten minste 150 meter kan worden beschreven.

Artikel 11

  • 1 Bij de berekening van de oppervlakte van een jachtveld, bedoeld in artikel 10, worden niet meegerekend:

    • a. gronden die zijn gelegen op een afstand van meer dan 350 meter van het middelpunt van een cirkel met een straal van 150 meter die het dichtst bij die gronden binnen het jachtveld kan worden beschreven;

    • b. gronden die, hoewel niet op een afstand van meer dan 350 meter van het in onderdeel a bedoelde middelpunt gelegen, van dat middelpunt uit in rechte lijn slechts bereikbaar zijn over grond die tot een ander jachtveld behoort;

    • c. openbare, verharde verkeerswegen, niet zijnde grindwegen;

    • d. begraafplaatsen en

    • e. bebouwde kommen van de gemeenten en onmiddellijk aan die kommen grenzende terreinen.

  • 2 Voor de toepassing van dit besluit worden als afzonderlijke jachtvelden beschouwd, ook indien op aangrenzende gronden dezelfde persoon of personen uit anderen hoofde bevoegd zijn te jagen:

    • a. gronden als bedoeld in het eerste lid, onderdelen a en b,

    • b. delen van een jachtveld waarbij de verbinding tussen deze delen op enig punt smaller is dan 50 meter, of

    • c. delen van een jachtveld die van elkaar worden gescheiden door een autosnelweg als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of door een water breder dan 10 meter waarover zich het genot van de jacht niet uitstrekt.

Paragraaf 7. De jachtmiddelen

Artikel 12

  • 1 Een geweer heeft een gladde loop met een kaliber van ten minste 24 en ten hoogste 12 of een getrokken loop met een nominaal kaliber van .22 inch of 5,58 millimeter.

  • 2 Een enkelloops hagelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten.

  • 3 Een kogelgeweer heeft een magazijn dat ten hoogste twee patronen kan bevatten, tenzij het is voorzien van een grendelinrichting waarmee het wapen handmatig schot voor schot wordt geladen.

  • 4 Een geweer is niet voorzien van een geluiddemper, een kunstmatige lichtbron, een voorziening om de prooi te verlichten, een vizier met beeldomzetter, een elektronische beeldversterker of enig ander instrument om 's-nachts te schieten.

Artikel 13

  • 1 Bij het jagen op de hierna opgesomde wildsoorten wordt slechts gebruik gemaakt van onderstaande soorten munitie:

    • a. haas, fazant, patrijs of wilde eend: hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van de hagel een doorsnede van 3,5 millimeter niet overschrijdt;

    • b. konijn of houtduif: hagelpatronen waarvan de korrelgrootte van de hagel een doorsnede van 3,5 millimeter niet overschrijdt of kogelpatronen van een kaliber van .22 inch of 5,58 millimeter.

  • 2 Het gebruik van hagelpatronen die metallisch lood bevatten, is niet toegestaan.

Artikel 14

Een eendenkooi als bedoeld in artikel 50, eerste lid, onderdeel d, van de wet, voldoet aan de volgende eisen:

  • a. er is een open wateroppervlakte aanwezig van ten minste 200 vierkante meter, waarin een cirkel met een straal van ten minste 7,50 meter beschreven kan worden;

  • b. het water is ten minste 50 centimeter diep;

  • c. rondom het water ligt een rand van bos of struweel;

  • d. in open verbinding met het water is ten minste één vangpijp aanwezig die onmiddellijk als vangmiddel kan worden gebruikt.

Paragraaf 8. Jachtverboden

Artikel 15

  • 3 Het verbod om te jagen voor zonsopkomst en na zonsondergang, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdeel f, van de wet geldt niet ten aanzien van de jacht op de wilde eend gedurende een half uur voor zonsopkomst en een half uur na zonsondergang.

  • 4 Het verbod om te jagen indien de grond met sneeuw is bedekt, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdeel g, van de wet geldt, tenzij gedeputeerde staten de jacht met toepassing van artikel 46, vijfde lid, van de wet hebben gesloten, niet:

    • a. voor de jacht op de wilde eend of de houtduif, of

    • b. voor de jacht op het konijn, de haas of de fazant, indien deze dieren anders worden bejaagd dan voor de voet.

  • 5 Het verbod om te jagen vanaf of vanuit een vaartuig, bedoeld in artikel 53, eerste lid, onderdeel o, van de wet geldt uitsluitend voor de jacht op de wilde eend, fazant, patrijs en houtduif vanuit vaartuigen die varen met een snelheid van meer dan 5 kilometer per uur.

Paragraaf 9. De verzekeringsplicht

Artikel 16

De verzekering is gesloten met een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van verzekeraar mag uitoefenen.

Artikel 17

  • 1 De verzekering geeft dekking van 1 april tot 1 april van het jaar daaropvolgend en is van kracht voor geheel Nederland.

Artikel 18

  • 1 Het bewijs van verzekering, bedoeld in artikel 54, zesde lid, van de wet bevat ten minste de volgende gegevens:

    • a. naam en adres van de verzekeraar;

    • b. naam en adres van de verzekeringnemer;

    • c. het polisnummer;

    • d. dagtekening en jaar van de ingang en van het einde van de dekking;

    • e. de aanduiding van de personen die als verzekerden worden aangemerkt;

    • f. het gebied waarin de verzekering van kracht is en

    • g. het verzekerde bedrag.

  • 2 Degene aan wie een jachtakte is uitgereikt, is verplicht iedere wijziging van de gegevens die ingevolge het eerste lid in het door hem overgelegde bewijs van verzekering zijn vermeld, onmiddellijk te melden aan de korpschef.

Artikel 19

  • 1 De korpschef houdt aantekening van de in artikel 18 bedoelde gegevens betreffende de verzekering.

  • 2 De korpschef verstrekt op verzoek schriftelijke inlichtingen omtrent de nakoming van de verzekeringsplicht voorzover deze uit de bijgehouden aantekeningen blijken aan:

    • a. Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie;

    • b. de personen belast met de opsporing van de in de wet strafbaar gestelde feiten en

    • c. hen die aannemelijk maken dat zij betrokken zijn bij schade die grond kan opleveren voor toepassing van de artikelen 54 en 55 van de wet.

Paragraaf 10. Vrijstellingen en ontheffingen

Artikel 20

Als ander belang als bedoeld in artikel 75, vijfde lid, onderdeel c, van de wet is aangewezen de training van jachthonden in het opsporen van fazanten en patrijzen buiten de periode dat de jacht op deze diersoorten is geopend.

Artikel 21

Van het verbod, bedoeld in artikel 10 van de wet, wordt vrijstelling verleend voor het met behulp van honden opsporen van fazanten en patrijzen in de maanden februari tot en met april, ten behoeve van de training van jachthonden voorzover de opsporing geschiedt door een jachthouder of door een ander met schriftelijke toestemming van een jachthouder.

Artikel 22

De wildsoorten, genoemd in artikel 32, eerste lid, van de wet, worden in de volgende categorieën gerangschikt:

  • a. grof wild: nihil;

  • b. klein wild: haas (Lepus europaeus), fazant (Phasianus colchicus) en patrijs (Perdix perdix);

  • c. waterwild: wilde eend (Anas platyrhynchos) en

  • d. overig wild: houtduif (Columba palumbus) en konijn (Oryctolagus cuniculus).

Paragraaf 11. Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 23 [Vervallen per 01-07-2002]

Artikel 24

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.

Artikel 25

Dit besluit wordt aangehaald als: Jachtbesluit.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 28 november 2000

Beatrix

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

G. H. Faber

Uitgegeven de zevende december 2000

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

Bijlage 1. als bedoeld in artikel 4, derde lid, van het Jachtbesluit

Particuliere terreinbeherende organisaties zijn:

  • a. Vereniging tot behoud van Natuurmonumenten in Nederland;

  • b. Provinciale landschappen;

  • c. Stichting het Gooisch Natuurreservaat;

  • d. Stichting Marke Vragenderveen

  • e. G.A. van der Lugtstichting

  • f. Stichting Edwina van Heek