Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling Asbestbeleid Rijksgebouwendienst

Geldend van 01-12-2000 t/m heden

Regeling Asbestbeleid Rijksgebouwendienst

De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op artikel 11 van het Besluit Rijksgebouwendienst 1999;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepaling

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder:

    a. besluit:

    Besluit Rijksgebouwendienst 1999;

    b. asbest:

    asbest als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Asbest-verwijderingsbesluit;

    c. asbestschoon maken:

    verwijderen van alle in, aan of op het object aanwezige asbest, uitgezonderd het asbest waarvan de verwijdering om technische redenen een inspanning vereist die onevenredig is aan het risico dat het betreffende asbest schade toe zal brengen aan de gezondheid van personen;

    d. Directeur-Generaal:

    Directeur-Generaal van de Rijksgebouwendienst;

    e. object:

    een of meer gebouwen, werken of terreinen, of gedeelten daarvan, waarover de zorg van de dienst zich uitstrekt;

    f. interne verhuurovereenkomst:

    huurovereenkomst als bedoeld in artikel 8 van het besluit.

Artikel 2. Plan van aanpak

  • 1 De Directeur-Generaal stelt een plan van aanpak vast waarin vorm wordt gegeven aan de sturing van de inventarisatie, bedoeld in artikel 3, en de maatregelen die in opdracht van de dienst worden getroffen.

  • 2 In het plan van aanpak wordt tenminste aandacht geschonken aan hetgeen in deze regeling is bepaald en aan de volgende aspecten:

    • a. financiĆ«le aspecten;

    • b. organisatorische aspecten;

    • c. informatieaspecten, mede omvattende de aspecten aangaande de communicatie;

    • d. kwaliteitsaspecten.

Artikel 3. Inventarisatie

  • 1 De inventarisatie door de dienst omvat per object in ieder geval:

    • a. de registratie van alle toepassingen van asbestbevattende materialen;

    • b. de registratie van asbestbevattende materialen die risico kunnen opleveren van schade aan de gezondheid van personen;

    • c. de opgave van de maatregelen die naar objectieve maatstaven benodigd zijn om het risico van schade aan de gezondheid van personen zoveel mogelijk te beperken. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen maatregelen waarvan de uitvoering geen uitstel kan dulden, mede omvattende tijdelijke maatregelen, en maatregelen waarvan de uitvoering op termijn kan plaatsvinden;

    • d. de opgave van de wijze waarop de afnemer de uitvoering van zijn beheerwerkzaamheden in, aan of op het object dient aan te passen indien de aanwezigheid van asbest daartoe naar objectieve maatstaven aanleiding geeft;

    • e. een raming van de kosten, bedoeld in artikel 6;

    • f. een raming van de uitvoeringsduur van de in onderdeel c bedoelde maatregelen.

  • 2 De volgorde van prioriteitstelling bij de inventarisatie van objecten is als volgt:

    • a. objecten van de eerste prioriteit: objecten, die eigendom zijn van de Staat, waarvan de dienst heeft besloten om tot sloop of renovatie over te gaan;

    • b. objecten van de tweede prioriteit: objecten waarvan de verwachting is dat asbestbevattende materialen zijn toegepast;

    • c. objecten van de derde prioriteit: objecten, die eigendom zijn van de Staat, waarvan de dienst heeft besloten om tot afstoot over te gaan;

    • d. objecten van de vierde prioriteit: overige objecten.

  • 3 Van de inventarisatie zijn uitgezonderd de objecten waarvan de bouw na 31 december 1993 is aangevangen en objecten waarvan de Staat na de datum waarop deze regeling in werking is getreden eigenaar of huurder is geworden.

  • 4 De dienst rondt voor 1 januari 2005 de inventarisatie af van alle objecten die tot de voorraad van de dienst behoren naar de stand op de datum van de inwerkingtreding van deze regeling.

  • 5 De Directeur-Generaal bepaalt de volgorde van inventarisatie binnen een prioriteit waarbij alle afnemers zoveel mogelijk gelijk worden behandeld.

Artikel 4. Objecten waarvan de Staat eigenaar is

  • 1 De maatregelen, bedoeld in artikel 2, ten aanzien van objecten waarvan de Staat eigenaar is, worden binnen een redelijke termijn nadat de inventarisatie van het object is afgerond tot uitvoering gebracht. De volgorde van prioriteitstelling van de objecten bij het uitvoeren van maatregelen is als volgt:

    • a. objecten van de eerste prioriteit: objecten waarvan is gebleken dat de asbest een acuut risico oplevert van schade aan de gezondheid van personen;

    • b. objecten van de tweede prioriteit: overige objecten.

  • 2 Ingeval sprake is van een object waarvan de Staat eigenaar is en waaraan de tweede of de derde prioriteit, bedoeld in artikel 3, tweede lid, is toegekend betreffen de maatregelen het asbestschoon maken van het object.

  • 3 De maatregelen die in het kader van het plan van aanpak worden uitgevoerd worden aangemerkt als dringende reparatie in de zin van artikel 1591, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek.

  • 4 Indien voor een object tussen de dienst en de afnemer een interne verhuurovereenkomst van kracht is, is artikel 1591, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Ten aanzien van de voorbereiding en de uitvoering van maatregelen is de dienst gehouden omtrent het tijdstip van de uitvoering vooraf met de afnemer overleg te plegen en de overlast voor de afnemer tot een minimum te beperken.

  • 6 Ten aanzien van ieder object dat na de datum van inwerkingtreding van deze regeling aan de voorraad van de dienst wordt toegevoegd, bedingt de dienst dat het object asbestschoon aan de dienst wordt geleverd.

Artikel 5. Objecten waarvan de Staat huurder is

  • 1 Op objecten die door de Staat worden gehuurd zijn artikel 4, eerste lid, derde tot en met vijfde lid, en artikel 6, eerste lid, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat maatregelen met betrekking tot gebouwelementen waarvoor de verhuurder verantwoordelijk is niet verder behoeven te strekken dan het beperken van acuut risico van schade aan de gezondheid van personen.

  • 2 De dienst gaat eerst over tot het treffen van de in het eerste lid bedoelde maatregelen nadat de verhuurder in de gelegenheid is gesteld om voor eigen rekening de vereiste maatregelen te treffen en een daartoe door de dienst gestelde redelijke termijn ongebruikt is verstreken.

  • 3 De dienst verricht al het nodige om de kosten van de maatregelen bedoeld in het eerste lid te verhalen op de verhuurder.

  • 4 Ten aanzien van ieder object dat na de datum van inwerkingtreding van deze regeling aan de voorraad van de dienst wordt toegevoegd, bedingt de dienst dat het object asbestschoon aan de dienst wordt verhuurd.

Artikel 6. Kosten

  • 1 Onder de kosten worden begrepen:

    • a. alle met de inventarisatie gemoeide kosten;

    • b. alle met de maatregelen, bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdeel c, gemoeide kosten;

    • c. de kosten van de tijdelijke huisvesting ten behoeve van de afnemer;

    • d. de advieskosten van externe adviseurs en de apparaatskosten van de dienst overeenkomstig het tarief genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Regeling Tarieven Rijksgebouwendienst;

    • e. de omzetbelasting indien van toepassing;

    • f. de vergoeding aan de afnemer op grond van artikel 4, vierde lid.

  • 2 De kosten komen voor rekening van de dienst en leiden, in de gevallen waarin tussen de dienst en de afnemer een interne verhuurovereenkomst van kracht is, niet tot een aanpassing van de gebruiksvergoeding.

  • 3 Indien op verzoek van een afnemer maatregelen worden getroffen die afwijken van hetgeen naar objectieve maatstaven noodzakelijk wordt geacht komen de kosten voor zijn rekening voor zover deze betrekking hebben op bedoelde afwijking. In de gevallen waarin tussen de dienst en de afnemer een interne verhuurovereenkomst van kracht is, kunnen deze kosten leiden tot aanpassing van de gebruiksvergoeding.

Artikel 7. Slotbepaling

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 december 2000.

  • 2 Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling Asbestbeleid Rijksgebouwendienst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

`s-Gravenhage, 27 november 2000

De

Staatssecretaris

van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

J.W. Remkes