Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Rulingbeleid ten aanzien van BV1/BV2 structuren

Geldend van 20-11-2000 t/m heden

Rulingbeleid ten aanzien van BV1/BV2 structuren

De Directeur-Generaal voor Fiscale Zaken deelt namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende mede.

Voor zeer aanzienlijke bedragen is zekerheid vooraf gevraagd ten aanzien van de fiscale consequenties van overnames en reorganisaties in Europa door het Amerikaanse bedrijfsleven. De structuur is zodanig vorm gegeven dat het betrokken Amerikaanse lichaam een overname of reorganisatie financiert met extern aangetrokken vreemd vermogen. Dit vermogen wordt volgens de volgende structuur doorgesluisd naar de houdstervennootschap in het land waar de overname plaatsvindt. Allereerst wordt het geld door het Amerikaanse lichaam doorgeleend aan haar 100% dochtermaatschappij BV1. BV1 brengt het geld als eigen vermogen in, in haar 100% dochtermaatschappij BV2. BV2 leent het geld vervolgens uit aan de houdstervennootschap in het land waar de overname plaatsvindt. Tussen BV1 en BV2 wordt in Nederland een fiscale eenheid aangevraagd. Binnen deze fiscale eenheid valt de rentebate van BV2 nagenoeg geheel weg tegen de rentelast van BV1. Er wordt een doorstroomfinancieringsruling gevraagd ter bepaling van het verschil tussen het rentepercentage op de ingeleende gelden en het rentepercentage op de uitgeleende gelden dat als winst in Nederland moet worden aangegeven. Ook wordt zekerheid vooraf gevraagd ten aanzien van de kapitaalsbelastingconsequenties. Op grond van geldende wetgeving in de Verenigde Staten (de zogenoemde Entity classification rules: check-the-box-regulations) bestaat in de Verenigde Staten de keuze om BV1 als transparant lichaam te laten aanmerken voor de wetstoepassing in de Verenigde Staten. Als BV1 als transparant lichaam wordt gekwalificeerd, dan wordt in de Verenigde Staten alleen de met eigen vermogen gefinancierde deelneming in BV2 herkend. In Nederland wordt een besloten vennootschap altijd als een niet transparant lichaam gekwalificeerd. Dit kwalificatieverschil leidt er bij de voorgelegde structuren toe dat in de Verenigde Staten geen belasting wordt geheven over de rente die het Amerikaanse lichaam (vanuit Nederlands perspectief) geniet zolang BV2 de door haar ontvangen rentebaten niet als dividend uitkeert aan BV1. Het uitkeren van dividend kan door het concern zo lang als gewenst is worden uitgesteld. In het land waar de overname of de reorganisatie plaatsvindt, vindt renteaftrek plaats tegen het aldaar geldende tarief voor de vennootschapsbelasting. Indien de hiervoor beschreven structuren zouden worden geïmplementeerd, dan leidt dit tot een verslechtering van de concurrentiepositie van het Nederlandse en het niet-Amerikaanse bedrijfsleven. De effectieve belastingdruk voor Amerikaanse concerns over de in Europa behaalde winsten is door de gebruikmaking van de constructie namelijk veel lager dan voor niet-Amerikaanse concerns.

Gezien de negatieve effecten van de voorgelegde structuren op de concurrentiepositie van het niet-Amerikaanse bedrijfsleven is na ampele overweging de conclusie getrokken dat het verstrekken van zekerheid vooraf ten aanzien van deze structuren in strijd geacht moet worden met de goede trouw die Nederland jegens haar verdragspartners verschuldigd is. Nadat in eerste instantie in een enkel geval zekerheid vooraf is verstrekt (zie publicatie afwijkende rulings in o.a. Fiscaal Up to Date d.d. 7 december 1999) is op basis van dit voortschrijdende inzicht besloten rulingverzoeken die betrekking hebben op BV1/BV2 structuren niet meer in behandeling te nemen. Ook zonder zekerheid vooraf kunnen de betrokken concerns echter tot implementatie van structuren overgaan en het op een definitieve beoordeling door de rechter te laten aankomen. Nederland heeft daarom het probleem onder de aandacht gebracht van de Verenigde Staten. Tevens wordt op dit moment bestudeerd of er via een wetswijziging in Nederland mogelijkheden zijn om implementatie van deze en soortgelijke structuren via Nederland onmogelijk te maken. Indien dit resulteert in een wetsvoorstel, dan zal daarbij tevens worden voorgesteld om geen overgangsrecht op te nemen voor structuren die na de datum van dagtekening van dit besluit worden geïmplementeerd.