Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling onderwerpen centraal examen geschiedenis v.w.o./h.a.v.o. (oude stijl) examenjaar [...] cultuur in Nederland v.w.o./h.a.v.o. (oude en nieuwe stijl)[Regeling vervallen per 31-12-2004.]

Geldend van 25-11-2000 t/m 30-12-2004

Regeling onderwerpen centraal examen geschiedenis v.w.o./h.a.v.o. (oude stijl) examenjaar 2003 en stofomschrijving politiek systeem en politieke cultuur in Nederland v.w.o./h.a.v.o. (oude en nieuwe stijl)

De staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

Gelet op de artikelen 1 en 2 juncto de bijlagen 1 en 2 van de Regeling examenprogramma’s profielen v.w.o./h.a.v.o. maatschappelijke vakken, artikel 1 juncto de bijlagen A en B van de Regeling examenprogramma geschiedenis en staatsinrichting v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-l.b.o.;

Besluit:

Artikel 1. Onderwerpen centraal (schriftelijk) examen geschiedenis v.w.o. en h.a.v.o (oude stijl) examenjaar 2003 [Vervallen per 31-12-2004]

De onderwerpen voor het centraal (schriftelijk) examen v.w.o. en h.a.v.o. (oude stijl) in 2003 zijn:

  • a. Sovjet Unie;

  • b. Politiek systeem en politieke cultuur in Nederland.

Artikel 2. Stofomschrijving [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1 De stofomschrijving voor het onderwerp ”Sovjet Unie” bedoeld in onderdeel a van artikel 1 is opgenomen in bijlage 1 bij de Regeling stofomschrijving Sovjet Unie (examen geschiedenis) van 25 augustus 2000 (OCenW-Regelingen 2000, 19).

  • 2 De stofomschrijving voor het onderwerp ”Politiek systeem en politieke cultuur in Nederland” bedoeld in onderdeel b van artikel 1 is opgenomen in de bijlage bij deze regeling.

  • 3 De stofomschrijving voor het thema ”Politiek systeem en politieke cultuur in Nederland” bedoeld in onderdeel b van artikel 4 van de Regeling centraal examen geschiedenis examenjaren 2002 en 2003 van 5 februari 1999 (OCenW-Regelingen 1999, 5) is opgenomen in de bijlage bij deze regeling.

Artikel 3. Bekendmaking [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling zal in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 4. Inwerkingtreding [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na datum van uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen, waarin deze regeling is bekend gemaakt.

Artikel 5. Citeertitel [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling wordt aangehaald als:

’Regeling onderwerpen centraal examen geschiedenis v.w.o./h.a.v.o. (oude stijl) examenjaar 2003 en stofomschrijving politiek systeem en politieke cultuur in Nederland v.w.o./h.a.v.o. (oude en nieuwe stijl)’.

De

staatssecretaris

van onderwijs, cultuur en wetenschappen

drs. K.Y.I.J. Adelmund

Bijlage Havo/vwo [Vervallen per 31-12-2004]

Nederlanders en hun gezagsdragers 1950-1990: verzuiling, polarisatie en herwonnen consensus [Vervallen per 31-12-2004]

Hoofdvraag: [Vervallen per 31-12-2004]

Hoe ontwikkelde zich de politieke cultuur in Nederland in de periode 1950-1990?

Verantwoording [Vervallen per 31-12-2004]

Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen gaf de opdracht een thema te ontwikkelen binnen het subdomein ’Politiek systeem en politieke cultuur in Nederland’.

Het gekozen thema richt zich op de relatie burgers -gezagsdragers in de tweede helft van de twintigste eeuw, een periode waarin een decennia-oude, op consensus gerichte politieke cultuur aan veranderingen onderhevig was. Onder ’politieke cultuur’ wordt verstaan: het geheel van fundamentele normen, emoties en inzichten die vorm geven aan politieke processen, voor zover zichtbaar in vormen van politiek gedrag.

Het thema geeft de leerling zicht op de emancipatieprocessen van groepen Nederlandse burgers, met name vrouwen en jongeren, en op de met deze processen gepaard gaande actievormen. De burgers brachten met hun eisen politieke en maatschappelijke gezagsdragers in grote verlegenheid en bevorderden polarisatie binnen het politiek en maatschappelijk bestel.

Het thema geeft de leerling tevens zicht op gelijktijdige sociaal-economische veranderingsprocessen die zowel de voedingsbodem als de context van de genoemde veranderingen vormden.

Het thema bestrijkt bepaalde aspecten van de politieke cultuur uit de periode 1950 - 1990. Als startjaar is 1950 gekozen, omdat in dat jaar het verzuilde politiek-maatschappelijk bestel gericht op een consensuspolitiek nog volop functioneerde en de meeste burgers trouw waren aan het gezag. Als einddatum is 1990 gekozen, omdat dat jaar het einde vormt van een decennium waarin een buitenparlementair actiewezen plaats maakt voor een nieuwe vorm van consensus met kernwoorden als ’poldermodel’ en ’civil society’.

Het thema leent zich voor het vaststellen van overeenkomsten met aspecten van het huidige politieke bestel en reikt mogelijke verklaringen aan voor het gedrag van hedendaagse gezagsdragers.

Het thema is ontleend aan het subdomein ’politiek systeem en politieke cultuur in Nederland’.

De specificaties c, d en e, gericht op het emancipatieproces van groepen burgers en op de effecten ervan voor de politieke cultuur en het daarmee verbonden politiek systeem, staan in dit thema centraal.

Het emancipatieproces was deels een reactie op de groeiende macht en gezag van een sterk regelende overheid (specificatie a). De in de aanhef van het subdomein genoemde omstandigheden en processen krijgen ruime aandacht.

De begrippen ’gezag’ en ’gezagsdragers’ krijgen een brede vertaling. Zo maakt de leerling kennis met de vervlechting van ideeën en belangen tussen een politieke en een maatschappelijke elite. De leerling krijgt inzicht in de Nederlandse politieke cultuur met kenmerkende begrippen als verzuiling, ontzuiling, pacificatie, consensus en maatschappelijk middenveld. Speciale aandacht krijgt de verhouding gezag - media (specificatie f). De media ontworstelden zich aan een politieke bevoogding, en oefenden vervolgens grote invloed uit op het gedrag en op de besluiten van politici.

De specificaties b en g nemen binnen het thema een ondergeschikte plaats in. Voor de laatste specificatie is vanwege haar bijzondere aard binnen dit thema geen ruimte.

De historische begrippen en namen zijn in de tekst vet aangegeven. Ze kunnen in het Centraal Examen afzonderlijk worden bevraagd. In het historische kader is een aantal begrippen vet gedrukt. Ze maken deel uit van de stofomschrijving; ze keren in de andere hoofdstukken terug. Het thema voert de leerlingen een relatief onbekend terrein binnen en vraagt zowel een verbreding als een verdieping van kennis. In het historische kader wordt de basis- of voorkennis gegeven die o.a. op grond van de kerndoelen basisvorming mag worden verwacht.

Het thema leent zich voor een reeks van vaardigheden genoemd in domein A van het examenprogramma. In het bijzonder gaat de aandacht uit naar ’continuïteit en discontinuïteit’. Er is een ruime voorraad schriftelijke en visuele bronnen beschikbaar.

Dit thema biedt geen casussen. De CEVO geschiedenis kan een of meerdere casussen opnemen in het Centraal Examen, mits een casus past binnen de stofomschrijving van dit thema.

Historisch Kader [Vervallen per 31-12-2004]

Na de grondwetswijziging van 1848 ontwikkelde zich in Nederland een parlementaire democratie . Aanvankelijk lag de politieke macht in handen van de gegoede burgers. Tussen 1870 en 1900, een periode van ingrijpende crises en verandering, ontstonden politieke partijen die opkwamen voor de rechten van de kleine burgerij, boeren en arbeiders. Strijdpunten waren de uitbreiding van het kiesrecht, de gelijkstelling van het bijzonder onderwijs aan het openbaar onderwijs en de sociale taak van de staat. Over deze punten waren de politieke partijen lange tijd sterk verdeeld. De grondwetswijziging van 1917 stond in het teken van een pacificatie, waarbij o.a. het algemeen mannenkiesrecht werd ingevoerd.

Het politieke bestel in Nederland werd in de eerste helft van de twintigste eeuw gevormd door de staat, politieke partijen en maatschappelijke belangengroepen. Sinds de eeuwwisseling was de politieke macht verschoven van het Binnenhof naar het veelvormig overleg tussen uitvoerend gezag en allerlei gezagsdragers die deze partijen en groepen vertegenwoordigden. In het parlement werden de bereikte compromissen gelegitimeerd. Tussen 1917 en 1939 kreeg een consensuspolitiek geleidelijk vorm. Deze politiek had ook invloed op de daling van het aantal grote stakingen in Nederland na 1917.

De politieke cultuur werd in Nederland een verzuilde cultuur. Verzuiling is een verticale differentiatie van de samenleving op grond van verschillen op levens- en wereldbeschouwelijk gebied. Vanaf circa 1900 tot in de jaren zestig was Nederland sterk verzuild. De zuilen waren gemeenschappen die bestonden uit een dichtgeweven netwerk van stichtingen, verenigingen en organisaties. Elke zuil kende een kleine bovenlaag van politieke en maatschappelijke gezagsdragers.

Tot in de jaren vijftig was trouw aan het gezag een gewaardeerde eigenschap van de Nederlandse burger. De burger, zo kreeg hij van jongs af aan te horen, diende gezag te eerbiedigen en diende in het bijzonder trouw te zijn aan de gezagsdragers binnen de eigen zuil. Er was een beperkte ruimte voor minderheidsgroepen die vonden dat gezag niet vanzelfsprekend is, maar moet worden verworven en erkend.

Tussen 1917 en 1940 hadden confessionele partijen een doorslaggevende invloed op de samenstelling van de regering. Ze sloten de sociaal-democraten tot 1939 van regeringsdeelname uit. Vlak na de Tweede Wereldoorlog hoopten groepen Nederlanders tevergeefs op een doorbraak naar een modern partijenstelsel en een moderne partijpolitiek. De in 1939 gevormde regeringscombinatie, met als kern de katholieken en de socialisten, werd in 1946 als roomsrode coalitie hervat en in het belang van de wederopbouw tot 1958 voortgezet.

Hoofdstuk 1. De politieke cultuur en het politieke bestel in de jaren vijftig [Vervallen per 31-12-2004]

1.1. Hoe gingen de gezagsdragers met elkaar om? [Vervallen per 31-12-2004]

De politieke en maatschappelijke gezagsdragers waren de leidinggevende functionarissen van de vier zuilen: de katholieke, de protestantse, de socialistische en de liberale. Zij kwamen elkaar in de besturen van verschillende organisaties tegen en vormden vaak onderling een informele, soms hechte band. Deze verzuilde elites regelden hun problemen onderling in een geïnstitutionaliseerd en goed gesmeerd overleg. Elke zuil op zichzelf vertegenwoordigde een minderheidsgroepering. Het werd niet op prijs gesteld wanneer de ene zuil kiezers uit een andere zuil probeerde los te weken.

Een politieke beslissing kon uitsluitend genomen worden op grond van een compromis tussen zuilen. In een sfeer van zakelijk beraad herleidden de elites elk vraagstuk, voor zover mogelijk, tot een kwestie van distributie. Het evenredigheidsbeginsel , o.a. de getalsverhouding binnen het parlement, bepaalde de verdeling. Om wederzijds ingrijpende concessies te kunnen doen in ideologisch beladen kwesties was voor hen geheimhouding een elementaire vuistregel. Het grote publiek werd buiten de politieke besluitvorming gehouden.

1.2. Hoe oefenden de politieke gezagsdragers invloed uit op het leven van de Nederlanders? [Vervallen per 31-12-2004]

Door een hiërarchische wijze van besturen wisten de politieke gezagsdragers de verzuilde achterbannen goed in bedwang te houden. Het grootste deel van de burgers maakte opvallend weinig gebruik van de mogelijkheid om buiten de daartoe bestemde kanalen, zoals partijcongressen, een zelfstandige opinie te laten gelden in de politiek. Slechts een miniem deel van de burgers participeerde in de politieke arena via de kaders van partij en vakbeweging.

In het openbaar cultiveerden politieke gezagsdragers de grote ideologische verschillen tussen de zuilen. Deze werden zichtbaar in de partijprogramma’s en hoorbaar in de achterban. De achterban in elke zuil liet zich door de gezagsdragers mobiliseren om te ageren tegen de opvattingen die in de andere zuilen leefden, zoals tijdens de verkiezingsstrijd van 1956. Het grootste deel van de bevolking stemde trouw op de zuilgebonden partij. Bij verkiezingenbleven dan ook grote verschuivingen in de zetelverhouding uit.

Door van hogerhand een beroep te doen op een algemeen besef van saamhorigheid werden tijdens de jaren 1945-1960 politieke stabiliteit en arbeidsvrede gestimuleerd.

De gezagsdragers heersten ook op het terrein van de persoonlijke omgangsvormen. Zij beschouwden het als hun plicht de bevolking mentaal te beschermen en op te voeden tot fatsoenlijke, zuinige, hardwerkende en gezagsgetrouwe burgers.

1.3. Waarom werd er in de politieke cultuur zoveel nadruk gelegd op consensus en ordening? [Vervallen per 31-12-2004]

Onder de politici heerste angst voor een terugkeer van de langdurige werkloosheid in Europa. Om dit te vermijden was eendracht noodzakelijk. De Katholieke Volkspartij en de Partij van de Arbeid , die tussen 1946 en 1958 de politieke spil van het regeringsbeleid vormden, legden ook een directe relatie tussen het belang van een politieke en maatschappelijke consensus en de wederopbouw.

De maatschappelijke ordeningsdrang kwam ook voort uit de angst voor moreel verval van de bevolking en voor de politieke of maatschappelijke verschuivingen die dit verval zou meebrengen. Naar de mening van de gezagsdragers zou de bevolking in de jaren van crisis, bezetting en wederopbouw het politieke en maatschappelijke gezag zijn gaan negeren. Ook waren ze bang voor de maatschappelijke gevolgen van de industrialisatie, in het bijzonder voor een ’crisis binnen het gezin’.

1.4. Hoe was de politieke cultuur van consensus en ordening in de praktijk zichtbaar? [Vervallen per 31-12-2004]

Gaandeweg deelden bijna alle partijen de overtuiging dat de staat binnen het politieke bestel verantwoordelijk was voor de kwaliteit van het samenleven. De regering had de taak om in samenwerking met de sociale partners te zorgen voor volledige werkgelegenheid, arbeidsrust en sociale zekerheid. Belangrijke delen van haar beleid legde de regering voor aan de Sociaal-Economische Raad (1950). Op het terrein van de loonvorming was de regering verplicht om advies te vragen aan de Stichting van de Arbeid (1945), waarin werkgevers, vakbonden en landbouw- en middenstandsorganisaties eendrachtig samenwerkten. Zo verzekerde de regering zich van de instemming van de sociale organisaties, terwijl zij zelf het besluitvormingsproces rond het loonbeleid regisseerde.

De overheid voerde voor het behoud van het gezin als maatschappelijke kerneenheid een actieve gezins- enhuwelijkspolitiek en stelde in dit kader een nieuw ministerie, het ministerie van Maatschappelijk Werk in. De morele bezorgdheid van de gezagsdragers leidde tot een enorme groei van een heel netwerk van instellingen voor sociale zorg.

Hoofdstuk 2. Trouw aan het gezag, maatschappelijke verhoudingen in de jaren vijftig [Vervallen per 31-12-2004]

2.1. Welke invloed hadden ouders op het leven van jonge Nederlanders? [Vervallen per 31-12-2004]

Het gezin werd algemeen geaccepteerd als de kern van de samenleving. De opvoeding binnen het gezin werd gezien als een goede voorbereiding op het maatschappelijk functioneren.

Bij de opvoeding lag een sterke nadruk op gezag. Ouders hanteerden strenge richtlijnen; vooral in de puberteit werd grote waarde gehecht aan een strakke opvoeding en aan gehoorzaamheid aan ouders en aan gezagsdragers buiten het gezin. Binnen het gezin gold meestal een veronderstelde harmonieuze ongelijkheid . Dit ideaalbeeld bepaalde ook in belangrijke mate het verschil in opvoeding en onderwijs tussen jongens en meisjes. De vrijetijdsbesteding van jongeren werd door ouders sterk gereguleerd. De overheid kwam hen te hulp door gesubsidieerd jeugdwerk of sport, of door vrijheidbeperkende maatregelen als filmcensuur en dansverboden.

2.2. Welke invloed hadden kerken op het leven van Nederlanders? [Vervallen per 31-12-2004]

Naast het gezin stond ’de kerk’ in het leven van de meeste Nederlanders centraal. De invloed van kerken beperkte zich niet tot levensbeschouwelijke zaken, maar strekte zich uit tot verschillende terreinen van het leven van mensen o.a. onderwijs, ziekenzorg, armoedebestrijding, vrijetijdsbesteding. Voor deze terreinen bestonden vele verzuilde organisaties die in een toenemende mate door de overheid werden gesubsidieerd.

Opvoeding en onderricht binnen eigen zuil of kerkelijk verband vulden opvoeding en onderricht door ouders aan of reguleerden deze. Deze nauwe relatie moest de trouw aan de eigen zuil waarborgen. Buiten het economische terrein werden contacten met leden van andere zuilen zoveel mogelijk vermeden.

Trouw zijn aan het gezag was een centrale gedachte bij de opvoeding en het onderwijs. In de talrijke dorpen en kleine steden maakten de kerkelijke gezagsdragers deel uit van de plaatselijke elite. Op basis van het nog bestaande stands- en klassendenken rekenden ze op een vanzelfsprekende erkenning van hun gezag. Een openlijke ontkenning van dit gezag kon niet alleen leiden tot (al of niet tijdelijke) uitsluiting uit ’de kerk’, maar ook tot verlies van werk of van noodzakelijke voorzieningen.

Op nationaal niveau hadden de grote kerkgenootschappen door het overwicht van confessionele partijen binnen de regering en het parlement grote invloed. Wetten en regels weerspiegelden een christelijk-ethisch denken . De belangen van confessionele groepen kregen voorrang boven de belangen van andersdenkenden, bijvoorbeeld op het terrein van het onderwijs of de gezinspolitiek. Niet-kerkelijken voelden zich vaak in hun vrijheden beperkt, bijvoorbeeld als het ging om levensbeschouwelijke keuzes of om regelingen rond de verplichte zondagsrust.

2.3. Welke invloed hadden arbeidsorganisaties op het leven van Nederlanders? [Vervallen per 31-12-2004]

Er waren drie verzuilde vakcentrales: de Katholieke Arbeidersbeweging, het Nationaal Verbond voor Vakverenigingen en het Christelijk Nationaal Vakverbond . Elke vakcentrale kende een aantal aangesloten vakbonden. Hiervan was circa 40% van de werknemers lid.

De bonden behartigden niet alleen de materiële belangen van de arbeiders maar kwamen op voor ’heel de arbeider’. Ze hadden invloed op vele andere terreinen, zoals volksgezondheid, vrije tijdsbesteding, huisvesting, verzekeringen, volksontwikkeling en pers.

De vakcentrales werden gezien als de spreekbuis van alle werknemers in Nederland. Vakbondsleiders deelden met andere gezagsdragers een vanzelfsprekend gezag. Zij predikten - evenals politieke en kerkelijke gezagsdragers - de boodschap van matiging en zuinigheid in Nederlandse gezinnen.

Op het terrein van de arbeid stonden ze voor sociale harmonie . Stakingen werden als een verouderd dwangmiddel afgewezen. Vanaf 1955 groeide onder arbeiders verzet tegen deze koers: de lonen bleven achter bij de economische ontwikkeling en er werd niets bereikt op het terrein van de economische medezeggenschap van arbeiders.

Hoofdstuk 3. Een samenleving in verandering, Nederland in de jaren vijftig en zestig [Vervallen per 31-12-2004]

3.1. Welke veranderingen vonden in de Nederlandse samenleving plaats? [Vervallen per 31-12-2004]

Tussen 1950 en 1970 werd in de Nederlandse samenleving eerst geleidelijk en na 1965 versneld een mentaliteitsverandering zichtbaar. Nederlanders gingen andere eisen stellen aan zich zelf, aan elkaar en aan de gezagsdragers. De wereld van jong en oud werd breder. Mensen werden mondiger. Tegelijk nam de sociale controle af.

Deze mentaliteitsverandering viel samen met ingrijpende sociaal-economische veranderingen. De landbouwsector industrialiseerde in een versneld tempo. Voor een groot deel van de snel groeiende Nederlandse bevolking veranderde de woon-, werk- en leefomgeving. Traditionele sociale verbanden, kenmerkend voor de kleine steden en dorpen, werden doorbroken. Gelijktijdig groeide het aantal overheidstaken.

3.2. Welke economische ontwikkelingen droegen bij aan deze veranderingen? [Vervallen per 31-12-2004]

De industrialisatiepolitiek van de Nederlandse overheid wierp na 1955 haar vruchten af. De industriële basis van Nederland werd sterk verbreed. Door fusies en schaalvergroting verdwenen de traditionele kleine bedrijven en de huisindustrie. De industriële productiviteit nam aanzienlijk toe. Rationalisering, schaalvergroting en verhoging van efficiency werden ook sleutelwoorden in andere economische sectoren. Het transportwezen onderging een revolutie.

De structuur van de beroepsbevolking veranderde. Naast werk in de industrie vonden steeds meer mensen werk in de commerciële dienstverlening en bij de overheid.

De mobiliteit van de bevolking nam toe. Het werk en bijbehorende scholing concentreerden zich in uitdijende industriële en commerciële stadskernen. Er ontstond in de jaren zestig een intensief woon- en werkverkeer tussen deze kernen en de forensengemeenten waar ook een wassende stroom migranten uit de agrarische regio’s in Nederland huisvesting vond.

De jaarlijkse stijging van lonen en de toegenomen vrije tijd in de jaren zestig gaven Nederlanders meer zelfvertrouwen.

3.3. Welke culturele ontwikkelingen droegen bij aan deze veranderingen? [Vervallen per 31-12-2004]

Het medium televisie verbreedde het wereldbeeld van Nederlanders.

Dankzij de welvaart ontwikkelde zich een moderne consumptiemaatschappij , naar Amerikaans model.

De hogere eisen die het productieproces aan het scholings-peil stelde, leidden tot een forse uitbreiding van de deelname aan hoger onderwijs. Kinderen uit middengroepen en uit een deel van de arbeidersklasse werden door studiebeurzen (1961) en kinderbijslag in staat gesteld hogere opleidingen te volgen en kregen meer kans op een ’goede baan’.

Binnen de verzuilde organisaties namen de beter geschoolde jongere generaties langzaam maar zeker afstand van de opvattingen van de verzuilde elite. Sociaal-politieke problemen moesten volgens hen pragmatisch worden opgelost door een moderne overheid met haar ambtenarenapparaat.

Door de groeiende welvaart en de komst van de verzorgingsstaat voelden Nederlanders zich niet meer zo afhankelijk van de traditionele gezagsdragers. In geval van nood was er nu recht op een uitkering van overheidswege, vastgelegd in de Algemene Bijstandswet (1963).

Deze ontwikkelingen versterkten het secularisatieproces in de Nederlandse samenleving en bevorderden ontzuiling .

3.4. Welke veranderingen werden in de politieke cultuur zichtbaar? [Vervallen per 31-12-2004]

In de loop van de jaren vijftig raakten veel gezagsdragers er geleidelijk van overtuigd dat Nederland op weg was naar een andere samenleving. Om onrust, spanningen en geweld in de overgang naar de nieuwe samenleving te vermijden en greep op de bevolking te houden vonden gezagsdragers het verstandig vroegtijdig tot aanpassingen te komen.

Zo blokkeerde een confessionele meerderheid in het parlement niet langer veranderingen in de positie van de gehuwde vrouw. In 1956 werd na het aanvaarden van de motie Tendeloo in 1955 de handelingsonbekwaamheid van de gehuwde vrouw afgeschaft.

Het verzuilde politieke bestel stond in de ogen van politiek betrokken groepen intellectuelen een zakelijke-neutrale benadering van ’een samenleving in verandering’ in de weg. In deze kringen was de ergernis over het Bisschoppelijk Mandement (1954) groot. In de politieke cultuur maakte moralisme geleidelijk plaats voor tolerantie. In kerkelijke kringen lag het initiatief bij het bestuur van de Hervormde Kerk. In het begin van de jaren zestigvolgden katholieke leiders als bisschop Bekkers deze lijn. Ze predikten openheid, eenheid en individuele verantwoordelijkheid in de samenleving.

Onder druk van een groot ledenverlies verlegden vakbonden hun koers. In plaats van de verdediging van algemene maatschappelijke belangen richtten zij zich op de verdediging van de materiële belangen van hun leden. Ze waren ook in toenemende mate bereid tot een confrontatie met overheid en met werkgevers.

Onder intellectuelen en jonge professionelen groeide de behoefte aan vernieuwing. Ze waren ontstemd over de ondoorzichtige wijze waarop een oudere generatie bestuurders haar macht uitoefende. In de eerste helft van de jaren zestig sympathiseerden ze met de eerste maatschappelijke protestbewegingen onder jongeren tegen o.a. de NAVO en de nucleaire bewapening.

Hoofdstuk 4. Gezag onder druk: emancipatie van jongeren in de jaren zestig en zeventig [Vervallen per 31-12-2004]

4.1. Welke veranderingen werden zichtbaar in de houding van jongeren ten opzichte van het gezag? [Vervallen per 31-12-2004]

De werkende jeugd ontwikkelde een eigen leefstijl, o.a. zichtbaar in het verschijnsel nozem. Schoolgaande jongeren - met name uit de maatschappelijke middengroepen -ontwikkelden eigen subculturen. Bepaalde kenmerken van deze jeugdculturen als een eigen gedrag, eigen uiterlijk en eigen opvattingen, o.a. over seksualiteit, botsten met de traditionele normen en waarden van de gezagsdragers. Er was vaak eerder sprake van een vertrouwensbreuk dan van een gezagscrisis.

4.2. Welke specifieke ontwikkelingen stimuleerden deze veranderingen? [Vervallen per 31-12-2004]

[De onderstaande ontwikkelingen moeten worden bezien in het licht van de veranderingen beschreven in hoofdstuk 3.]

Jongeren beschikten over meer geld en over meer mogelijkheden voor eigen vrijetijdsbesteding. Door de groeiende vraag naar arbeid stegen de jeugdlonen. De stijging in het gezinsinkomen werkte door in de verhoging van het zakgeld van schoolgaande jongeren.

Het aantal jongeren dat minstens tot het 18e jaar volledig dagonderwijs volgde steeg vanaf het einde van de jarenvijftig snel. Universiteiten werden vanaf het midden van de jaren zestig overstroomd door jaarlijks steeds grotere studentenaantallen. Belangrijke levenservaringen werden in toenemende mate opgedaan in schoolverband. De afstand tot de -vaak minder geschoolde- ouders werd groter.

Onder de indruk van snelle veranderingen in de samenleving lieten zowel ouders als andere gezagsdragers traditionele opvoedingsmethoden geleidelijk los en toonden soms openlijk respect voor de idealen van de jeugd. Ze stimuleerden jongeren tot deelname aan de politiek, tot voor kort het terrein van oudere generaties. Binnen een aantal politieke partijen wisten jongerenafdelingen vernieuwingen af te dwingen.

4.3. Hoe confronteerden jongeren gezagsdragers met hun eisen? [Vervallen per 31-12-2004]

In 1965 ontstond in Amsterdam de provobeweging. Provo stelde in ludieke acties op straat de ’burgerlijke’ welvaartssamenleving aan de kaak en plaatste daartegenover eigen waarden: vrijheid, gelijkheid en creativiteit. Provo’s brachten het gezag in diskrediet door het met eenvoudige provocaties telkens weer te verleiden tot massaal en buitensporig geweld. Ze onderkenden het belang van de media voor hun acties.

Naar het voorbeeld van de provo’s gingen groepen beter opgeleide jongeren in delen van het land de straat op voor ’meer democratie in de samenleving’, voor ’inspraak en medezeggenschap’.

Het groeiend verzet tegen de oorlog in Vietnam stimuleerde landelijke protestbewegingen. Jongeren hanteerden actievormen waarop politieke gezagsdragers niet snel greep kregen, zoals de ’sit-in’, de ’teach-in’, en de ’happening’.

Verzet tegen politiek en verzet tegen maatschappelijk gezag gingen aan het einde van de jaren zestig hand in hand. In het onderwijs werden de autoritaire gezagsstructuren en het conservatieve leerprogramma fel bekritiseerd. Om een democratisering van de gezagsverhoudingen af te dwingen kozen studenten voor het actiemiddel bezetting. Na 1970 volgden groepen scholieren in het voorgezet onderwijs hun voorbeeld, of dreigden ermee. Ze vroegen om leerlingenparlementen, inspraak in het rooster en egalitaire gedragsvormen binnen school.

In de jaren zeventig verbreedde de politieke protestbeweging van jongeren. Actievoeren tegen al dan niet vermeende misstanden werd min of meer een vanzelfsprekendheid. ’Het gezag’ diende kritisch te worden benaderd. Een deel van de jongeren, bijvoorbeeld in de kraakbeweging , koos voor radicalere vormen van buitenparlementair verzet waarin het gezag van de overheid ter discussie werd gesteld of werd afgewezen. Een ander deel van de jongeren hield vast aan ludieke acties tegen de overheid en wees zoop gebreken of tekorten in de samenleving, een trend die aan het eind van de jaren zestig was ingezet door de Kabouterbeweging .

4.4. Wat waren de reactiepatronen van de (politieke) gezagsdragers? [Vervallen per 31-12-2004]

Autoriteiten sloegen in eerste instantie de ondermijnende aanvallen van jongeren op hun gezag af. Het harde optreden van de politie tegen bijv. provo’s verdedigden ze vanuit een nog heersende regentenmentaliteit.

Geleidelijk kozen gezagsdragers voor een meer flexibele en tolerante benadering. Het autoritaire gedrag veranderde in een milde vorm van paternalisme, o.a. zichtbaar in milde vormen van rechtshandhaving. Door het openlijk tonen van begrip, het voeren van vele gesprekken en het geven van inspraak hoopten ze de greep op jongeren en hun organisaties te herstellen.

Vormen van burgerlijke ongehoorzaamheid werden lange tijd door de overheden geaccepteerd zo lang deze maar niet gepaard gingen met geweld of beschadigingen van eigendommen.

4.5. Welke ontwikkelingen in de jaren zeventig wezen op een verander(en)de positie van jongeren in de politieke cultuur? [Vervallen per 31-12-2004]

In de jaren zeventig waren openbaarheid, inspraak en medezeggenschap voor jongeren geen loze kreten meer, getuige het bestaan van schoolparlementen, wijkraden, of wetswinkels.

Overheden en volksvertegenwoordigers voelden zich sneller gecontroleerd en waren eerder bereid tot een publieke verantwoording ten overstaan van kritische jongerengroepen. Formele jongerengroepen kregen makkelijker toegang tot overheden en parlement.

In de politiek, in het onderwijs en in het leger werden aan jongeren rechten toegekend. In deze sectoren kregen ze meer ruimte voor een mondig gedrag. Partijen deden hun best door het vernieuwen van partij- en verkiezingsprogramma’s jongeren voor zich te winnen. Zo werd bijvoorbeeld de kiesgerechtigde leeftijd verlaagd tot 18 jaar.

Hoofdstuk 5. Gezag onder druk: emancipatie van vrouwen in de jaren zestig en zeventig [Vervallen per 31-12-2004]

5.1. Welke veranderingen werden zichtbaar in de traditionele gezagsverhoudingen binnen het gezin en tussen de seksen? [Vervallen per 31-12-2004]

Het ideaalbeeld van het gezin met daarin de traditionele rollen van de echtgenote /moeder en van meisjes kwam sterk onder druk te staan.

De groeiende welvaart in Nederland bevorderde een geleidelijke stijging van beroepsarbeid door de gehuwde vrouw. Door de invoering van de pil (1963) konden vrouwen hun vruchtbaarheid vrij gaan regelen en ging men geslachtsverkeer en voortplanting voortaan losser van elkaar zien. In samenhang met deze ontwikkelingen voltrok zich een algemeen proces van individualisering . Niet langer traditie, maar persoonlijke behoeften werden richtinggevend voor het gedrag in gezinsverband. Dat manifesteerde zich o.a. in het losser worden van de huwelijksmoraal.

In de jaren zeventig ontstonden naast het traditionele gezin nieuwe vormen van samenleven en ouderschap.

5.2. Welke specifieke ontwikkelingen stimuleerden deze veranderingen? [Vervallen per 31-12-2004]

[ De onderstaande ontwikkelingen moeten worden bezien in het licht van de veranderingen beschreven in hoofdstuk 3. ]

De toetreding van de vrouw tot de arbeidsmarkt werd bevorderd door een complex van factoren. Allereerst ontwikkelingen op de arbeidsmarkt: de afname van het aantal ongehuwde vrouwen en de stijgende vraag naar arbeid in de sectoren verpleging, onderwijs en administratie. Vervolgens ontwikkelingen thuis: de mechanisering van het huishouden en na 1965 de daling van het kinderaantal. De kenmerkende grote gezinnen van katholieken en gereformeerden verdwenen bijna helemaal.

In de jaren zestig verkleinden de meisjes en vrouwen hun onderwijsachterstand op jongens en mannen, getuige de groeicijfers in het vervolgonderwijs, al kwamen ze nog vaak in lagere onderwijssoorten terecht.

Beter opgeleide vrouwen werden zich, mede onder invloed van populaire egalitaire ideeën, scherper bewust van ongelijkheid tussen seksen op de arbeidsmarkt en in de politiek.

Tussen 1968 en 1970 ontstond in Nederland de tweede feministische golf . Twee feministische organisaties, Man

Vrouw Maatschappij en Dolle Mina , gaven dit feminisme vorm en stimuleerden een verdere individualisering van de maatschappelijke verhoudingen en ontvoogding van de positie van vrouwen.

5.3. Hoe confronteerden vrouwenbewegingen gezagsdragers met hun eisen? [Vervallen per 31-12-2004]

De eisen die MVM en Dolle Mina aan gezagsdragers stelden, kenden een sterk verschillende toonzetting maar vertoonden wat de inhoud betreft duidelijke overeenkomsten. Voor de actiegroep Dolle Mina (1970) vormde het ludieke anarchisme van Provo de grondslag. Zij richtte fel de publieke aandacht op de achterstelling en onderdrukking van vrouwen en bepleitte feministische doelstellingen: legalisering van abortus, gratis kinderopvang en gelijkstelling van mannen en vrouwen in arbeid en onderwijs. MVM (1968) trad verhoudingsgewijs wat gematigder op. Deze pressie- en lobbygroep spande zich meer pragmatisch in voor de gelijke kansen van mannen en vrouwen. Zij vroeg om ’positieve discriminatie’, een voorrangsbeleid voor vrouwen.

Het belangrijkste strijdpunt van deze tweede feministische golf vormde de strijd voor een vernieuwde abortuswetgeving. Gedurende de jaren zeventig voltrokken zich acties en demonstraties waarbij vooral Dolle Mina en ’Wij vrouwen eisen’ in de weer waren. Climax vormde de bezetting van de met sluiting bedreigde Bloemenhovekliniek, een abortuskliniek te Bloemendaal, in 1976.

5.4. Wat waren de reactiepatronen van de gezagsdragers? [Vervallen per 31-12-2004]

Tot ver in de jaren zeventig hield een deel van de politici en maatschappelijke gezagsdragers vast aan traditionele opvattingen rond huwelijk en gezin. Het centrale strijdpunt in de jaren zeventig vormde de abortuskwestie. Tussen 1970 en 1981 werden zeven wetsvoorstellen ingediend om de abortus te regelen. Met moeite werd in 1981 een politieke meerderheid gevonden voor een compromis: abortus bleef opgenomen in het Wetboek van Strafrecht maar was niet meer strafbaar, mits de wetsregels werden nageleefd.

Tijdens de jaren zeventig wijzigde de overheid geleidelijk haar beleid ten gunste van de wensen van de vrouwenbeweging. Dankzij een wetswijziging in 1971 werd de echtscheiding bij gemeenschappelijk verzoek ingevoerd en kon de rechter niet meer het bewijs van duurzame ontwrichting van het huwelijk eisen. Ook echtscheiding op eenzijdig verzoek werd voortaan mogelijk. Het Nederlandse emancipatiebeleid werd in 1974 een officieel feit bij de installatie van de Emancipatiecommissie . Aangezet door

Europese richtlijnen heeft de overheid tussen 1975 en 1978 wetgeving voor gelijke beloning en gelijke behandeling bij arbeid en in sociale zekerheid gestimuleerd.

5.5. Welke ontwikkelingen in de jaren zeventig wezen op een verander(en)de positie van vrouwen in de politieke cultuur? [Vervallen per 31-12-2004]

De positie van de vrouwen in Nederland is in de loop van de jaren zeventig aanzienlijk versterkt. In het parlement, de provinciale staten en de gemeenteraden is het aandeel van de vrouwelijke politici in de loop van de jaren zeventig gestegen. Ook het aantal vrouwelijke ministers, wethouders en burgemeesters is toegenomen.

Van 1977 tot 1986 waren er staatssecretarissen voor emancipatiebeleid. De Emancipatiecommissie werd in 1981 opgevolgd door de Emancipatieraad die gevraagd en ongevraagd adviezen uitbracht over emancipatiekwesties.

Ook in het partijwezen is de invloed van vrouwen gestegen, vooral via de versterking van de vrouwenorganisaties, als de ’Rooie Vrouwen’ in de PvdA. Hierdoor zijn de selectiecriteria voor een verkiesbare plaats op de kandidatenlijst aangepast ten gunste van vrouwen.

Politieke of maatschappelijke vrouwenorganisaties kwamen in aanmerking voor gelden uit de jaarlijkse subsidiestroom.

Hoofdstuk 6. Gezag onder druk: de rol van de media in de jaren zestig en zeventig [Vervallen per 31-12-2004]

6.1. Welke veranderingen werden in de jaren zestig zichtbaar in de houding van de media ten opzichte van het gezag? [Vervallen per 31-12-2004]

In het midden van de jaren zestig meldde zich een nieuwe generatie journalisten aan die hun onafhankelijkheid wilde bewijzen. Journalisten hadden tot die tijd in de ogen van de elite een dienende functie. Er was tot dan toe weinig ruimte voor een kritische benadering van de eigen ideeën. Het nieuws werd geredigeerd volgens opvattingen van de betreffende zuil. In de politieke berichtgeving was er een grote, maar tevens kritiekloze aandacht voor autoriteiten.

De traditionele beleefdheid - zo kenmerkend voor de media in de jaren vijftig - maakte plaats voor een confronterende en een ironische benadering van gezag. De journalisten weigerden zich te houden aan ongeschreven regels in de politieke cultuur; gebreken en spanningen in het politieke bestel werden breed uitgemeten.

6.2. Welke specifieke ontwikkelingen in en buiten de media stimuleerden deze veranderingen? [Vervallen per 31-12-2004]

[ De onderstaande ontwikkelingen moeten worden bezien in het licht van de veranderingen beschreven in hoofdstuk 3.]

Het aantal zelfstandige dagbladondernemingen liep door ontzuiling, schaalvergroting en fusieprocessen terug van 54 in 1960 naar 28 in 1976. Weinig dagbladen hielden nog vast aan de oorspronkelijk levensbeschouwelijke of religieuze beginselen.

In de tweede helft van de jaren zestig commercialiseerden de media. Vóór 1960 was nog het uitgangspunt dat commercie in de ether in strijd was met de opvoedende waarde van de omroep. In de eerste helft van de jaren zestig beheerste een discussie over het toestaan van commerciële omroep de politiek en de mediawereld. Het verzuilde omroepbestel werd opengegooid met de komst van de TROS (1966) en de Veronica Omroep Organisatie (1976).

De televisie, in Nederland geïntroduceerd aan het begin van de jaren vijftig, werd een geliefd massamedium voor de besteding van de toegenomen vrije tijd. Actualiteitenrubrieken, met een groeiend aantal politieke onderwerpen, gingen tot de ’bestgekende’ programma’s behoren.

De omroepen werden door maatschappelijke veranderingen voor keuzen geplaatst. Herkenbaarheid werd minder bepaald door de eigen identiteit en meer door ’de programma’s die het ’m doen’.

De jonge generatie journalisten was breder opgeleid, kwam uit universitaire of professionele beroepsopleidingen, en deelde een sterke ambitie en vernieuwingsgezindheid.

6.3. Hoe kwamen de media in botsing met de gezagsdragers? [Vervallen per 31-12-2004]

De uitzending over beeldreligie van het satirische programma van de VARA ’Zo is het toevallig ook nog eens een keer’ (1964) vormde de eerste grote botsing van een nationale omvang. In de discussie die volgde werd een generatieconflict tussen de gevestigde gezagsdragers en de naoorlogse generatie zichtbaar.

Progressieve kranten en tijdschriften namen in de tweede helft van de jaren zestig stelling tegen de gevestigde autoriteiten en identificeerden zich met de opstandige jongeren (Provo, studenten) en hun ideeën. Een deel van de persstapte over van gezagsgetrouwe naar kritische journalistiek.

Televisie dramatiseerde en versterkte in heel Nederland tot ongenoegen van de politici de beeldvorming over politieke onlusten in Amsterdam in 1965-1966. De introductie van de televisiecamera op het Binnenhof werkte negatief voor het imago van de politiek. De televisieregistratie van de ’Nacht van Schmelzer’ (1966) en het vuurtje dat tevoren in de landelijke kranten was opgestookt leverde veel spanning op met gezagsdragers.

De media zorgden er voor dat voor politici eerst onbespreekbare zaken zoals de legalisering van de verkoop van voorbehoedsmiddelen, abortus en homofilie of nieuwe thema’s als milieu, jeugdcultuur, vredesbeweging en Derde Wereld toch op de politieke agenda kwamen te staan. In de jaren zeventig speelden de media een opiniërende rol in de maatschappelijke discussie rond kwesties waar het gezag van de overheid in het geding was, bijvoorbeeld rond de kraakbeweging.

6.4. Wat waren de reactiepatronen van gezagsdragers? [Vervallen per 31-12-2004]

De politici waren gewend de verzuilde media te reguleren en te binden aan (in)formele codes, o.a. een interne censuur. Tot in de tweede helft van de jaren zestig beproefden gezagsdragers dit middel met steeds minder succes.

Om consensus te bewaren tussen voor- en tegenstanders van maatschappelijke vernieuwing, was de regering steeds minder bereid op te treden tegen ’ongewenst gedrag’ van de media.

Politieke tradities veranderden. De politieke strijd werd persoonlijker. Een lijsttrekker moest ’telegeniek’ zijn. In de jaren zeventig werd het aantal politieke (actualiteiten)programma’s op radio en televisie opvallend groot. Verschijnselen als ’het wekelijks gesprek met de minister-president’, het aanstellen van perswoordvoerders en communicatietrainingen duidden er op dat politici er veel aan gelegen was de invloed op de media te herwinnen of te behouden.

6.5. Welke ontwikkelingen in de jaren zeventig wezen op een blijvende verander(en)de positie van de media in de politieke cultuur? [Vervallen per 31-12-2004]

Vanaf de tweede helft van de jaren zestig speelden media een belangrijke rol als intermediair tussen burgers en politiek. Niet het parlement, de zaal of de straat, maar de plaats voor de camera werd het toneel waar de politieke strijd in verkiezingstijd wordt uitgevochten (’de media zijn de campagne’). Vooral vanwege de toename van het aantal’zwevende kiezers’ werden media onmisbaar in het politieke spel.

Tussen media en politiek ontstond een ambivalente verhouding: men had elkaar nodig, maar dan vanuit verschillende belangen. Meer dan voorheen bepaalden media wat nieuwswaarde had. Voor de legitimering van hun beleid waren politieke partijen en overheid in belangrijke mate aangewezen op de media. Voor het vroegtijdig verkrijgen van betrouwbare informatie werden media sterk afhankelijk van de overheid of van politieke partijen.

De formele banden tussen media en politieke partijen werden niet hersteld; de informele banden met politieke partijen bleven (bijvoorbeeld in actualiteitenprogramma’s) wel duidelijk aanwezig.

Hoofdstuk 7. Gezag onder druk: het politieke bestel in de jaren zestig en zeventig [Vervallen per 31-12-2004]

7.1. Hoe werkten in de Haagse politiek veranderingen in de samenleving door? [Vervallen per 31-12-2004]

’De Nacht van Schmelzer’ bevestigde in de samenleving bestaande bezwaren tegen het verzuilde politieke bestel en werd een symbool voor de vermeende onbetrouwbaarheid van de politici, vooral die van de KVP. Openlijk werd de bestaande praktijk van politieke machtsvorming, in het bijzonder de wijze waarop tussen 1958 en 1965 coalities waren gevormd, ter discussie gesteld.

Deze ontwikkeling viel samen met en werd deels gevoed door maatschappelijke veranderingsprocessen waarin het gezag van de traditionele gezagsdragers ter discussie werd gesteld en burgers opkwamen voor hun rechten.

Ook in de politiek maakte de consensusgedachte plaats voor een scherpe polarisatie . Ze werd zichtbaar in de debatten tussen volksvertegenwoordigers in en buiten het parlement. Volksvertegenwoordigers en de leden van de regering werden bestookt door actiegroepen van volwassen burgers die inspraak en medezeggenschap eisten. Volksvertegenwoordigers in Den Haag zochten op hun beurt ’de straat’ op en speelden veel meer dan voor 1966 in op protestbewegingen op landelijk en op lokaal niveau.

7.2. Hoe werkte de polarisatie in de arbeidsverhoudingen door? [Vervallen per 31-12-2004]

Door een kerend economisch getij na 1969 verkilden de arbeidsverhoudingen verder. De vakbeweging liep te hoop tegen bedrijfssluitingen en massale ontslagen. Om eeneinde te maken aan de economische neergang en de scherpe polarisatie op het terrein van de arbeid koos de overheid voorzichtig voor een nieuw dirigistisch beleid via de wet op de loonvorming (1970). De vakbeweging eiste in ruil voor de looningrepen van bovenaf vergaande concessies van de overheid, o.a. verdergaande inkomensnivellering, bescherming van de sociale zekerheid en medezeggenschap. De ondernemers waren fel tegen zulke hervormingen, zij wilden een verdere liberalisering van de arbeidsverhoudingen.

7.3. Wat wilden politieke vernieuwingsbewegingen bereiken? [Vervallen per 31-12-2004]

D’66 , opgericht vlak na de Nacht van Schmelzer, wilde naar een participatiedemocratie en propageerde een moderne doorbraakgedachte met een partijenstelsel bestaande uit een progressief en een conservatief blok. Dat stelsel zou de kiezer directe invloed moeten geven op zowel de samenstelling als op het vaststellen van de gezindheid van een toekomstig kabinet. Daarnaast bepleitte D’66 een rechtstreekse verkiezing van de minister-president en de vervanging van het stelsel van evenredige vertegenwoordiging door een districtenstelsel om zo de band tussen kiezer en gekozene te versterken.

Binnen de PvdA stond Nieuw Links politieke vernieuwing voor. Ze stond voor een versterking van de interne partij-democratie. Dankzij Nieuw Links kwam het Progressief Akkoord tussen PvdA, D’66 en de PPR in 1969 tot stand. Bij de Kamerverkiezingen van 1971 en 1972 presenteerde de PvdA samen met D’66 en de PPR een ’schaduwkabinet’ van ministeriabele personen aan de kiezers.

7.4. Welke effecten hadden de vernieuwingsbewegingen op de politieke partijen? [Vervallen per 31-12-2004]

De politieke partijen moesten zich bij iedere verkiezing waar maken tegenover kritische kiezers die onderdelen van het politieke bestel en het gedrag van politieke autoriteiten ter discussie stelden. In plaats van te ’preken voor eigen parochie’ moest via een moderne verkiezingscampagne het groeiend aantal zwevende kiezers worden benaderd. De politieke leiders van de grote partijen, rond 1960 aangetreden, hadden veel moeite met de grotere participatie van de kiezers. Ze lieten de autoritaire stijl van hun voorgangers varen, maar wisten vaak geen goed antwoord op de nieuwe uitdagingen vanuit de maatschappij. Dit maakte hen kwetsbaar. Door het instellen van verschillende commissies, o.a. de commissie ter herziening van de grondwet, gaven ze de indruk politieke hervormingen voor te staan.

7.5. Welke politieke en sociaal-economische vernieuwingen stond het kabinet-Den Uyl voor? [Vervallen per 31-12-2004]

Premier Den Uyl presenteerde zijn ministers als een progressief kabinet dat het verkiezingsprogramma ’Keerpunt ’72’ van de PvdA, D’66 en de PPR zou uitvoeren. In dit programma waren deze partijen uit op een politieke meerderheid en kondigden ze onder het motto ’spreiding van inkomen, kennis en macht’ diepgaande maatschappelijke hervormingen aan. De progressieve drie zetten zich scherp af tegen het confessioneel-liberale beleid dat tussen 1967 en 1972 gevoerd was. Dat was er in hun ogen totaal niet in geslaagd om de vraagstukken van inflatie, werkgelegenheid, milieu, inkomensongelijkheid en politieke participatie aan te pakken.

Het kabinet-Den Uyl legde voorstellen voor structurele vernieuwingen aan de Tweede Kamer voor: een nieuwe regeling van de ondernemingsraden, een wijziging van de grondpolitiek, en de vermogensaanwasdeling. Het kabinet wilde de kiezers meer invloed geven op de samenstelling en het beleid van de kabinetten om zo een einde te maken aan de ’achterkamertjespolitiek’ na de verkiezingen.

7.6. Waarom bleven deze vernieuwingen uit? [Vervallen per 31-12-2004]

De linkse ministers kregen van hun achterban nauwelijks ruimte om tot overeenstemming te komen met de confessionele collega’s in het kabinet. De spanning was het grootst binnen de PvdA. Tegenover de PvdA-ministers die te maken kregen met een economische crisis, stond een partijkader dat de verrichtingen van de ministersploeg achterdochtig volgde.

De hervormingsvoorstellen van het kabinet ontmoetten in de samenleving veel verzet. Het bedrijfsleven voerde soms een directe obstructiepolitiek. Door de gevolgen van de oliecrisis van 1973 nam de financiële ruimte voor de hervormingsplannen af. De progressieve partijen wilden en konden niet voldoen aan de eisen van de vakbeweging en misten daardoor de directe steun van de vakbeweging.

Hoofdstuk 8. Naar een hernieuwd evenwicht in de verhouding tussen Nederlanders en hun gezagsdragers 1977-1990 [Vervallen per 31-12-2004]

8.1. Hoe wijzigden zich de partijpolitieke verhoudingen na de val van het kabinet-Den Uyl (1977)? [Vervallen per 31-12-2004]

Tijdens de langdurige kabinetsformatie van 1977 verspeelde de PvdA door haar eisen regeringsdeelname. Tot halverwege de jaren tachtig voerde de PvdA het verzet aan tegen de politieke koers van CDA en VVD, gericht op bezuinigingen en een terugtredende overheid. Deze partijen cultiveerden een negatieve beeldvorming rond de PvdA.

Het christelijk midden keerde terug als politieke factor, belichaamd in het Christen Democratisch Appel (1980). De nieuwe partij kreeg een brede basis; veel kiezers waren de polarisatiestrategie van de progressieve partijen beu. Het succes van het CDA werd ook bevorderd door het bewaren van een zekere afstand tot de kerken. De partij herwon aanhang onder groepen die het ’maatschappelijke middenveld’ (o.a. de christelijke vakbeweging, organisaties van boeren, ouderen en werkgevers) vormden. Tot en met 1990 bepaalde het CDA, eerst onder leiding van A. van Agt en later van R. Lubbers, de uitkomst van kabinetsformaties. De aanhang van het CDA groeide tussen 1981 en 1989, die van de PvdA en de VVD schommelde.

Politieke opvattingen verschoven. Het CDA en de VVD kozen voor de ’vrije markt werking’ en voor ’een terugtredende overheid’. Tegenover een steeds duurder wordende verzorgingsstaat stelde het CDA ’de verantwoordelijke samenleving’, die de gevolgen van overheidsbezuinigingen op de verzorgingsstaat moest opvangen. Het CDA greep terug op het aloude confessionele idee van de beperkte rol van de staat en de eigen verantwoordelijkheid van maatschappelijke organen en het individu. Sleutelbegrippen werden: gerechtigheid, gespreide verantwoordelijkheid, solidariteit en rentmeesterschap. De VVD zette de onder H. Wiegel gekozen neo-liberale koers voort. Ze pleitte voor een afslanking van de ’doorgeschoten’ verzorgingsstaat. Wiegel gebruikte de symbolen vrijheid en zelfstandigheid ten opzicht van de overheid. Zijn opvolger E. Nijpels presenteerde zijn partij als een ’antipolitieke partij’. De PvdA-top nam in de loop van de jaren tachtig geleidelijk afstand van het polarisatiemodel.

Na het vertrek van Den Uyl als politiek leider in 1987 vonden de drie grote partijen elkaar in een beleid van ingrijpende bezuinigingen en van een sterke beheersing van de sociale zekerheid. Het CDA en de VVD lieten geleidelijk hun confronterende opstelling tegenover de PvdA varen.

Door het kleiner worden van de politieke tegenstellingen gingen de partijen in ideologisch opzicht steeds meer op elkaar lijken. In de politieke campagnes ging het daarom steeds minder om de ideologische verschillen. Partijen, vooral het CDA, werden een soort ’catch-all’ bewegingen: partijen waarin leden en sympathisanten in toenemende mate werden gerekruteerd uit andere groepen dan de traditionele achterban.

8.2. Hoe wijzigden zich de arbeidsverhoudingen? [Vervallen per 31-12-2004]

Een tweede economische crisis tussen 1979 en 1984 en de daarmee gepaard gaande snelle stijging van de werkeloosheid bracht de vakbeweging in problemen. Stakingen - o.a. voor het behoud van de prijscompensatie - verloren onder deze omstandigheden hun effect en riepen steeds meer maatschappelijk verzet op. Door een aanhoudend ledenverlies werd de positie van de vakbewegingen, de Federatie Nederlandse Vakbeweging en het CNV steeds meer kwetsbaar. Pragmatische leiders binnen de vakbewegingen kregen na 1981 de overhand.

Het Akkoord van Wassenaar (1982) tussen werkgevers en werknemersorganisaties maakte een einde aan de vele arbeidsconflicten. De vakbeweging aanvaardde een loonmatiging ’in ruil’ voor arbeidsduurverkorting en herverdeling van werk op termijn. Doorslag gaven de snel stijgende werkeloosheid, de dreiging van onbeheersbare overheidsfinanciën en de vorming van een nieuw kabinet CDA - VVD met een ruime meerderheid in de Tweede Kamer. Het akkoord van Wassenaar wordt beschouwd als een van de pijlers van het Nederlandse poldermodel, de nieuwe consensuspolitiek die zich rond 1990 aftekende.

8.3. Hoe ontwikkelde zich de politieke cultuur in de jaren tachtig? [Vervallen per 31-12-2004]

Politieke elites gingen de noodzaak van constructieve samenwerking benadrukken. De kruisrakettenkwestie was het laatste sterk gepolariseerde strijdpunt in de Nederlandse politiek. De hernieuwde consensuspolitiek bevorderde een afnemende betrokkenheid van burgers bij de traditionele politiek.

De nieuwe politieke stijl werd zakelijk en nuchter. Politieke conflicten werden vaak in het openbaar, via het medium televisie, gedepolitiseerd. Meester hierin was minister-president R. Lubbers, met zijn ’no-nonsense aanpak’. De regering trok zich, mede door de slechte toestand van de economie, weinig aan van linkse actiegroepen. De jaren tachtig kenden een soort revival van de naoorlogse jaren waarin de landspolitiek (ook) werd gedomineerd door thema’s uit de economie. Opvallend was de invloedvan CPB-cijfers op de politieke discussie. De linkse idealen van de jaren zeventig werden in deze tijd van recessie te kijk gezet als spilzieke dagdromerij.

Tegenover de gezagsdragers stonden kritische en zelfstandige burgers. In de jaren tachtig veranderde de relatie tussen burger en politiek. Traditionele organisaties (politieke partijen, vakbonden, kerken) zagen hun aanhangers in aantal verminderen. De belangstelling voor politiek nam niet af, maar presenteerde zich in andere vormen van politieke participatie. Burgers sloten zich op basis van persoonlijke overtuiging of betrokkenheid aan bij nieuwe organisatievormen. Er kwam meer interesse voor nieuwe organisaties die zich bezighielden met moderne vraagstukken over abortus en euthanasie, natuur en milieu en internationale solidariteit. Het succes van bewegingen als Amnesty International en Greenpeace leidde er toe dat maatschappelijke kwesties en milieukwesties een belangrijkere rol in politiek Den Haag zijn gaan spelen. Jongeren en vrouwen vonden zich in de algemene doelen en werkwijzen van de genoemde organisaties en voelden weinig behoefte zich op basis van leeftijd of sekse binnen deze organisatie te onderscheiden. De burger kon in het tijdperk van het individu eigen keuzes maken; solidariteit met groepsbelang leek achterhaald.

Politici moesten leren inspelen op het gedrag van burgers die zonder schroom opkwamen voor hun rechten in de ’civil society’ : een ontzuild ’sociaal middenveld’ waarin de burgers zich veelvuldig en uit vrije wil aansluiten bij politieke en sociale verbanden.

Veel (nieuwe) sociale bewegingen, vaak voortgekomen uit buitenparlementaire actiegroepen, deden een beroep op politieke tradities uit de tijd van de verzuiling. Ze ontvingen daarom o.a. subsidies van de overheid. De politieke strategie van deze bewegingen was net als die van de politieke elite gericht op consensus, te bereiken in een netwerk van adviesorganen. Maatschappelijke problemen of milieukwesties werden aan de onderhandelingstafel van hun scherpe kanten ontdaan.

Literatuurlijst [Vervallen per 31-12-2004]

Algemeen [Vervallen per 31-12-2004]

Aerts, R., e.a., Land van kleine gebaren. Een politieke geschiedenis van Nederland 1780 -1990 (Nijmegen 1999), in het bijzonder 265-342.

Dunk, H.H. von der, e.a., Wederopbouw, welvaart en onrust (Houten 1986).

Hofland, H.J.A., Een teken aan de wand. Album van de Nederlandse samenleving 1963-1983 (Amsterdam 1983). Kennedy, J.C., Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig (Amsterdam 1995).

Lans, J. van der, e.a., Lage landen, hoge sprongen. Nederland in beweging 1898-1998 (Wormer 1998).

Lijphart, A., Verzuiling, pacificatie en kentering in de Nederlandse politiek (Amsterdam 1976).

Righart, H., De eindeloze jaren zestig. Geschiedenis van een generatieconflict (Amsterdam 1995).

Vossen, H., e.a., red, Vertrouwde patronen, nieuwe dromen. Nederland naar een modern industriële samenleving 1948-1973 (IJsselstein 1992) [ = VGN bundel n.a.v. C.E. 1993-1994].

Woltjer, J.J., Recent verleden. Nederland in de twintigste eeuw (Amsterdam 1992).

Hoofdstuk 1 [Vervallen per 31-12-2004]

Boost, R., Wat je zegt dat ben je zelf en andere herinneringen aan de Jaren 50 (Weesp 1985).

Galesloot, H., en M. Schrevel, red., In fatsoen hersteld. Zedelijkheid en wederopbouw (Amsterdam 1987).

Liagre Böhl, H. de, e.a., Nederland industrialiseert! Politieke en ideologische strijd rondom het naoorlogse industrialisatiebeleid 1945-1955 (Nijmegen 1981). Stuurman, S., ’Het zwarte gat van de jaren vijftig’ in: Kleio, XXV (1984) nr.8., 6-13

Hoofdstuk 2 [Vervallen per 31-12-2004]

Essen, M. van, Opvoeden met een dubbel doel (Amsterdam 1990).

Peet, J., Het uur van de arbeidersjeugd. De emancipatie van de werkende jongeren in Nederland (Baarn 1987).

Pijfers, H., en J. Roes, red., Memoriale. Katholiek Leven in Nederland in de twintigste eeuw (Zwolle 1996). Tillekens, G., red., Nuchterheid en nozems. De opkomst van de jeugdcultuur in de jaren vijftig (Muiderberg 1990).

Hoofdstuk 3 [Vervallen per 31-12-2004]

Blok, E., Loonarbeid van vrouwen in Nederland 1945-1955 (Nijmegen 1978).

Mak, G., Hoe God verdween uit Jorwerd (Amsterdam 1996). Daalder, H., en G.A. Irwin, red., Politics in the Netherlands: how much change? (London 1989).

Hoofdstuk 4 [Vervallen per 31-12-2004]

Boekholt, P.Th.F.M., Geschiedenis van de school in Nederland (Assen 1989).

Mamadouh, V., De stad in eigen hand. Provo’s, kabouters en krakers als stedelijke sociale beweging (Amsterdam 1992).

Hoofdstuk 5 [Vervallen per 31-12-2004]

Costera Meijer, I., Het persoonlijke wordt politiek. Feministische bewustwording in Nederland 1965-1980 (Amsterdam 1996).

Grever M., en C, Wijers, red., Vrouwen in de twintigste eeuw. De positie van de vrouw in Nederland en de Verenigde Staten van Amerika, 1929-1969 (IJsselstein 1988) [VGN bundel i.v.m. C.E. 1990 en 1991].

Ribberink, A., Leidsvrouwen en zaakwaarneemsters. Een geschiedenis van de aktiegroep Man Vrouw Maatschappij (MVM) 1968 - 1973 (Hilversum 1998)

Vossen, H., e.a., red., Omstreden consensus en onbetwiste strijd. Themanummer van Tijdschrift voor vrouwenstudies, XIII (1992) nr. 2.

Hoofdstuk 6 [Vervallen per 31-12-2004]

Heuvel, J.H.J., e.a., Een vrij zinnige verhouding. De VPRO en Nederland 1926-1986 (Baarn 1986).

Vree, F. van, De metamorfose van een dagblad. Een journalistieke geschiedenis van de Volkskrant (Amsterdam 1996).

Wijfjes, H., Omroep in Nederland. Vijfenzeventig jaar medium en maatschappij, 1919-1994 (Zwolle 1994).

Hoofdstuk 7 [Vervallen per 31-12-2004]

Bootsma, P., en W. Breedveld, De verbeelding aan de macht. Het kabinet Den Uyl 1973-1977 (Den Haag 1999).

Harmsen, G., e.a., Mensenwerk. Industriële vakbonden op weg naar eenheid (Baarn 1980).

Hofland, H.J.A., Tegels lichten of Ware Verhalen over de autoriteiten in het Land van de Voldongen feiten (Amsterdam 1972).

Praag jr., Ph. van, Strategie en illusie. Elf jaar intern debat in de PvdA (1966-1977) (Amsterdam 1990).

Hoofdstuk 8 [Vervallen per 31-12-2004]

Duyvendak, J. W., e.a., Tussen verbeelding en macht, 25 jaar sociale bewegingen in Nederland (Amsterdam 1992).

Duyendak, J.W., Waar blijft de politiek? Essays over paarse politiek, maatschappelijk middenveld en sociale cohesie (Amsterdam 1997).

Metze, M., De staat van Nederland op weg naar 2000 (Nijmegen 1996).

Verkuil, D., Een positieve grondhouding. De geschiedenis van het CDA (Den Haag 1992).

Zanden, J. Luiten van, Een klein land in de 20e eeuw. Economische geschiedenis van Nederland 1914-1995 (Utrecht 1997).