Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling stofomschrijving Sovjet Unie (examen geschiedenis)[Regeling vervallen per 31-12-2004.]

Geldend van 09-09-2000 t/m 30-12-2004

Regeling stofomschrijving Sovjet Unie (examen geschiedenis)

De staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

Gelet op:

  • de artikelen 1 en 2 juncto de bijlagen 1 en 2 van de Regeling examenprogramma’s profielen v.w.o./h.a.v.o. maatschappelijke vakken,

  • artikel 1 juncto bijlagen A en B van de Regeling examenprogramma geschiedenis en staatsinrichting v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-l.b.o.,

  • artikel 2 juncto bijlage 2 van de Regeling examenprogramma’s algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o., en

  • artikel 2 juncto bijlage 2 van de Regeling examenprogramma’s staatsexamens mavo;

Besluit:

Artikel 1. Stofomschrijving [Vervallen per 31-12-2004]

  • a. De stofomschrijvingen voor het thema/onderwerp ”Sovjet Unie” genoemd in onderdeel a van de artikelen 1, 2 en 4 van de Regeling centraal examen geschiedenis examenjaren 2002 en 2003 van 5 februari 1999 (OCenW-Regelingen 1999, 5) is opgenomen in de bijlage 1 bij deze regeling.

  • b. De stofomschrijvingen voor het thema/onderwerp ”Sovjet Unie” genoemd in onderdeel a van artikel 3 van de onder a bedoelde regeling is opgenomen in de bijlage 2 bij deze regeling.

Artikel 2. Bekendmaking [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling zal met de toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 3. Inwerkingtreding [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na datum van uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen, waarin deze regeling is bekend gemaakt.

Artikel 4. Citeertitel [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling wordt aangehaald als:

’Regeling stofomschrijving Sovjet Unie (examen geschiedenis)’.

De

staatssecretaris

van onderwijs, cultuur en wetenschappen

drs. K.Y.I.J. Adelmund

Bijlage 1. HAVO/VWO [Vervallen per 31-12-2004]

Titel: Een systeem onder spanning'

Hoofdvragen:

Hoe ontwikkelde zich het communistische systeem in de Sovjetunie onder Stalin en onder Brezjnev? Hoe groot was de invloed van dit systeem op het dagelijkse leven van Sovjetburgers in de periodes 1928-1941 en 1964-1982?

Verantwoording [Vervallen per 31-12-2004]

Het thema [Vervallen per 31-12-2004]

Het thema geeft de leerling inzicht in de wording en werking van het communistische, of beter het Stalinistische systeem en in oorzaken van stagnatie c.q. ’innerlijke vermolming’ binnen dit systeem onder Brezjnev (1964-1982). Voor de Stalin periode ligt het accent op de jaren 1928 -1941 omdat in deze jaren de totalitaire staat gestalte kreeg en diep doordrong in het leven van Sovjetburgers. Het Stalinistische systeem kon niet zonder spanning en dwang. De spanning was voelbaar in al of niet vermeende dreiging van buitenaf en in ideologische verwachtingen. Het systeem kende zelf een intrinsieke spanning rond de vraag hoe totaal de greep van de staat op de samenleving moet zijn. Tussen 1941 en 1953 traden er geen wezenlijke veranderingen in het systeem op.

Er is om verschillende redenen gekozen voor een vergelijking tussen het communistische systeem onder Stalin en onder Brezjnev. Brezjnev zette het Stalinistische systeem voort maar zonder de extreme dwang en de hooggespannen ideologische verwachtingen waarmee Stalin Sovjetburgers aan zijn systeem onderwierp. Onder Brezjnev nam de afstand tussen de Sovjetstaat en de Sovjetburgers toe; de spanning binnen het systeem eveneens. Wezenlijke hervormingen bleven achterwege omdat de Sovjetleiders vreesden anders de greep op de samenleving te verliezen.

De vergelijking tussen periodes biedt mogelijkheden voor vaardigheden genoemd in domein A van het examenprogramma.

Voor de periode Chroesjtsjov is weinig aandacht. In tegenstelling tot wat lange tijd in het Westen werd gedacht hebben Chroesjtsjovs hervormingsplannen niet geleid tot wezenlijke veranderingen in het communistische systeem.

Het subdomein [Vervallen per 31-12-2004]

Dit thema is ontleend aan het subdomein ’totalitaire systemen en staten’ in het examenprogramma voor Havo en voor Vwo.

Door een integrale behandeling van de ontwikkeling van het communisme te vermijden is er ruimte voor specificaties uit het subdomein. In elk van beide periodes gaat in het bijzonder de aandacht uit naar drie groepen inwoners: de boerenbevolking, de jongeren en het partijkader. Door een confrontatie met ervaringen en de positie (of het lot) van elk van deze drie groepen krijgen leerlingen zicht op de werking van een totalitair systeem. Deze confrontatie kan bij leerlingen nieuwe vragen oproepen. De keuze voor de boerenbevolking is vanzelfsprekend: ze vormde de grootste en meest getroffen groep inwoners; ze leverde bovendien arbeiders en kapitaal voor de industriële ontwikkeling van de Sovjetunie. In de jongeren, ongeacht hun afkomst, school de ideale Sovjetmens. Het partijkader was zowel het onmisbare instrumentarium als de ’medevormgever’ van het systeem.

De meeste specificaties uit het subdomein keren in de antwoorden bij de deelvragen terug. Ze geven de leerling inzicht in kenmerkende ontwikkelingen in de twintigste eeuw die ook het denken en handelen van zijn (groot)ouders kunnen hebben beïnvloed. Ze kunnen ook hedendaagse problemen in Rusland of in Centraal Europa helpen verklaren. Ze bieden de leerling de kans tot het maken van een afweging tussen verschillende politieke systemen, met name op het punt van de relatie staat - burgers.

De specificatie aangaande het vaststellen van het onderscheid met een westers parlementair democratisch systeem, krijgt een beknopte uitwerking in de Brezjnev-periode. De specificatie over de culturele en ideologische achtergronden heeft een zeer bescheiden plaats gekregen in het eerste historische kader. De daar genoemde achtergrondkennis mag zowel van Havo- leerlingen als van Vwo-leerlingen worden verwacht. Na ampele overweging is afgezien van het aangeven van ideologische verschillen tussen fascisme en communisme. Voor deze vergelijking hebben de leerlingen meer (achtergrond)kennis van het fascisme nodig dan een basiskennis die op grond van de kerndoelen basisvorming of van subdomeinen in het examenprogramma voor Havo of Vwo mag worden verwacht.

Waar nodig wordt aandacht besteed aan de specifieke uitwerking van het communistische systeem op de sekseverhoudingen. Daar wordt in het woordgebruik ook een sekseonderscheid gemaakt. Elders worden neutrale termen of begrippen, zoals bijvoorbeeld Sovjetburgers, gehanteerd. Er wordt geen antwoord gegeven op de vraag of het communistisch systeem in alle opzichten een totalitair systeem was. De discussie over deze vraag is onder wetenschappers nog steeds gaande. De deelvragen in de stofomschrijving laten ruimte open voor het maken van een beperkte en voorzichtige afweging door de leerling zelf.

Historische begrippen en namen [Vervallen per 31-12-2004]

De historische begrippen zijn in de tekst vet aangegeven. Ze kunnen in het Centraal Examen afzonderlijk wordenbevraagd. In de historische kaders zijn een aantal begrippen vet gedrukt. Ze maken deel uit van de stofomschrijving; ze keren in de andere hoofdstukken terug.

Historische kaders [Vervallen per 31-12-2004]

Historisch kader I moet de leerling vertrouwd maken met de achtergrond van het thema en de hoofdvragen.

Naast een beknopte geografische introductie staan twee vragen centraal: welke ontwikkelingen brachten de communisten aan de macht en waarom hielden na 1917 de discussies over de toekomstige socialistische staat tot ca 1928 aan? De antwoorden op deze vragen worden gerekend tot de basiskennis en mogen worden getoetst, bij voorkeur in samenhang met aspecten van de stofomschrijving in de volgende hoofdstukken.

Historisch kader II biedt een dunne verbindingslijn tussen de twee delen van het thema en illustreert de eerder genoemde continuïteit in het systeem. Dit kader maakt geen deel uit van de examenstof.

Epiloog [Vervallen per 31-12-2004]

Op verzoek van docenten is een beknopte epiloog over de periode na 1982 opgenomen. Deze epiloog sluit aan bij de hoofdstukken 7 en 8 en biedt docenten de mogelijkheid verbindingslijnen naar de eigen tijd te trekken. De epiloog maakt geen deel uit van de examenstof.

Geen casus in de stofomschrijving [Vervallen per 31-12-2004]

Deze stofomschrijving bevat geen uitgewerkte casus meer. De CEVO kan besluiten een casus op te nemen in het Centraal Examen. Deze casus moet vallen binnen de stofomschrijving.

Hoofdstuk 1. Historisch kader I [Vervallen per 31-12-2004]

Rusland vormde in 1900 het grootste landrijk in de wereld. Vanaf de grens met het Duitse Rijk in Centraal Europa tot aan de Stille Oceaan bedroeg de afstand 14.500 km. In dit rijk leefden vele volken met verschillende godsdiensten en met een eigen taal en cultuur. De Russen vormden het grootste volk, ca 43 % van de ca 124 miljoen inwoners. De meeste Russen waren belijdend lid van de Russisch-orthodoxe Kerk. Godsdienst nam in hun leven een centrale plaats in en gaf een gevoel van verbondenheid.

Het multi-etnische Russische rijk werd in 1900 bestuurd door tsaar Nicolaas II, een autocraat uit overtuiging. Zijn macht rustte op drie pijlers: de Russisch-orthodoxe Kerk, een bestuursapparaat in handen van de Russische adel, en de machtsinstrumenten leger, politie en geheime dienst.

Een minderheid aan de macht [Vervallen per 31-12-2004]

In februari 1917 trad onder dreiging van muiterij de tsaar af, de start van de Russische Revolutie.

Tussen het voorjaar en het najaar van 1917 ontstond in Rusland een revolutionair vacuüm, met een machteloze Voorlopige Regering gesteund door de Doema aan de ene kant en een veelheid aan politieke raden (sovjets) van soldaten, arbeiders en boeren aan de andere kant. De traditionele pijlers van de macht functioneerden niet meer. In dit vacuüm gedijden de bolsjewieken. Met hun beloften van brood, vrede en land wisten ze onder de sovjets steun te verwerven. In Petrograd en Moskou grepen ze in het najaar van 1917 de macht. Om de steun van de boeren te verwerven beloofde de leider van de bolsjewieken, Vladimir Iljitsj Lenin - tegen de eigen ideologische visie in - het grondbezit te verdelen. Lenin had weinig vertrouwen in een socialistische revolutie in Rusland alleen; hij rekende er op dat de revolutie zich zou uitbreiden tot een Europese of wereldrevolutie. Deze hoop bleek ijdel.

Tegen veler verwachting in overleefden de bolsjewieken de chaotische jaren 1917-21. Zij noemden zich zelf inmiddels communisten en Rusland de Sovjetunie.

De communistische partij werd het staatsvormend instrument in handen van een autoritair bewind.

De gewenste koers [Vervallen per 31-12-2004]

De bolsjewieken werden geïnspireerd door de ideeën van Karl Marx.

Ze geloofden al vóór 1917 dat in Rusland alleen onder leiding van een centraal geleide revolutionaire elite een revolutie kon plaatsvinden.

De bolsjewieken achtten na de revolutie van 1917 een voortzetting van de klassenstrijd nodig om tot het ware communisme te komen. Op weg naar deze heilstaat moest ’alsnog’ een sterke industrialisatie gecombineerd met een geplande economische groei plaatsvinden. Politieke vrijheid werd niet toegestaan. Een éénpartijstaat zou het ’socialisme in één land’ realiseren.

In afwachting van de heilstaat waren man en vrouw alvast voor de wet gelijk. De revolutionaire staat gaf alle vrouwen onderwijs- en carrièrekansen, bood kinderopvang, gaf recht op abortus en vergemakkelijkte echtscheiding.

De Nieuwe Economische Politiek [Vervallen per 31-12-2004]

Er rees verzet tegen het gebrek aan politieke vrijheden en de staatsdwang. Lenin koos voor een pragmatische aanpak en voerde de Nieuwe Economische Politiek (1921) in.

De NEP bracht de Russische economie tot het vooroorlogse productieniveau. De Sovjetunie bleef een land van boeren, 126 miljoen tegen 26 miljoen stedelingen (cijfers van 1926). Het ontbrak de communistische bestuurders aan ervaring en aan middelen om voldoende greep te krijgen op de boerensamenleving.

De discussies over de toekomst van de socialistische revolutie beheersten na de dood van Lenin in 1924 de opvolgingsstrijd. Met wisselende standpunten trad Jozef Stalin tussen 1924 en 1928 steeds meer op de voorgrond. Hij hadgrote invloed op de nieuwe benoemingen en creëerde zo een solide machtsbasis.

Hoofdstuk 2. Naar een nieuwe politieke orde [Vervallen per 31-12-2004]

2.1. Welke politieke orde stond Stalin na 1928 voor? [Vervallen per 31-12-2004]

In de politieke orde die Stalin voor ogen stond, was de macht in handen van één partij o.l.v. een absolute leider. Een legitimatie voor deze machtsusurpatie vond Stalin in de utopie van de klassenloze industriële samenleving en in de noodzaak een machtige militaire mogendheid tegen een vijandige buitenwereld te worden. Om deze doelen te bereiken claimde de partij het recht de samenleving ingrijpend te veranderen. Een gecentraliseerde politieke macht en een commando-economie vormden de hoofdbestanddelen van Stalins nieuwe politieke orde. Vijfjarenplannen, opgesteld door het Gosplan, bepaalden zijn economische politiek. De ’communistische moraal’ werd het officiële ideaal.

2.2. Welke ontwikkelingen brachten Stalin tot zijn ingrijpende hervormingen? [Vervallen per 31-12-2004]

[De onderstaande ontwikkelingen moeten in hun onderlinge samenhang en wisselwerking worden beschouwd.]

Sociaal economische ontwikkelingen [Vervallen per 31-12-2004]

Binnen het gemengd economisch stelsel, de NEP, was het de taak van de boeren om de stedelingen en de soldaten van het Rode Leger te voeden. In 1927 ontstond er door tegenvallende graanoogsten en te lage industriële productie schaarste. Omdat de boeren geen industriële producten konden kopen en de vastgestelde lage graanprijs niet werd losgelaten weigerden de boeren levering. Door de stijgende voedselprijzen nam de bereidheid van de arbeiders in de fabrieken om de productie te verhogen af.

De regering keerde terug naar een systeem van gedwongen graanleveranties, met als resultaat een groeiend verzet onder de boeren.

Voortschrijdend inzicht [Vervallen per 31-12-2004]

In 1929 besloot de partijtop tot de Grote Doorbraak: een grootschalige industrialisatie en een agrarische collectivisatie ’van bovenaf’ in plaats van een geleidelijke industrialisatie ’van onderop’, zoals met de NEP werd beoogd.

De communistische elite rechtvaardigde haar nieuwe koers met een verwijzing naar de permanente noodtoestand waarin de Russische samenleving sinds 1917 zou verkeren. Ze voelde zich gesterkt door de aanwezigheid van een gemilitariseerd machtsapparaat, het Rode Leger en de staatsveiligheidsdienst.

Het verzet van de boeren tegen de staatsdwang werd gezien als het verzet van de ’klassenvijand’. Deze beeldvorming paste bij het groeiende wantrouwen tegen de dorpen en haar bewoners binnen de partij.

Vestigen van een persoonlijke macht [Vervallen per 31-12-2004]

Stalin greep partijtwisten over de gewenste koers aan om zijn persoonlijke macht binnen de partij te verstevigen. Partijleiders die een voorzichtiger beleid ten opzicht van de boeren bepleitten, werden uiteindelijk terzijde geschoven. De massale viering van zijn vijftigste verjaardag in 1929 bevestigde Stalins centrale positie.

Buitenlandse dreiging [Vervallen per 31-12-2004]

De ’cordon-sanitaire’ politiek van westerse mogendheden versterkte bij de communistische elite de gedachten van de ’kapitalistische omsingeling’ en van een onverzoenlijk conflict tussen de communistische wereld en de kapitalistische wereld. Vele Russen deelden Stalins opvatting dat de Sovjetunie vijftig jaar achter liep en dat het een nationale plicht was deze achterstand in tien jaar in te halen. De overtuiging dat het vaderland constant door het buitenland werd bedreigd, leefde na de bittere ervaringen van de Eerste Wereldoorlog en de burgeroorlog onder brede lagen van de bevolking. Stalin onderkende de kracht en de bruikbaarheid van dit nationalistische gevoel, en speelde erop in.

2.3. Hoe werd een stevige basis voor een industriële samenleving gelegd? [Vervallen per 31-12-2004]

Het eerste vijfjarenplan (1929-1933) voorzag in een enorme groei van de industriële productie. De nadruk lag op de zware industrie, energiewinning en bewapening. In de landbouw moest door collectivisatie en efficiënt werken een agrarische overproductie tot stand komen. Een agrarisch overschot diende meerdere doelen: export van landbouwproducten om de import van investeringsgoederen te betalen en het handhaven van lage voedselprijzen en lage lonen. De mechanisatie van de landbouw moest ook een arbeidsreservoir voor de industrie opleveren.

Twee vijfjarenplannen volgden. Zware industrie, energie-productie en bewapening behielden daarbij prioriteit. In korte tijd werden rijke grondstofgebieden ontsloten. Uit het niets ontstonden nieuwe industriesteden.

Door een massale inzet van arbeid, kapitaal en natuur en het uitoefenen van grote druk werden in de genoemde industriële sectoren indrukwekkende resultaten bereikt. Vrouwen werden ingezet in tot dan toe typische mannen-beroepen. Bij de arbeid werd zowel van mannen als van vrouwen een gelijke en een totale inzet geëist. De ’dubbele belasting’ van vrouwen stond niet ter discussie.

Van echte planning was lang niet altijd sprake, dikwijls ging het om een soort van crisismanagement. In de propaganda werd bewust gekozen voor een militaire terminologie. Niet het rendement en kwaliteit maar regelmatig verhoogde streefcijfers en de deadline telden. Het Gosplan in Moskou trok steeds meer macht naar zich toe.

2.4. Waarom werd Stalins nieuwe orde in economische zin geen onverdeeld succes? [Vervallen per 31-12-2004]

De productiecijfers -hoe omstreden ook- en de verschillende prestigeobjecten in de zware industrie en energiewinning vormden een indrukwekkend bewijs van de industriële vooruitgang. In tien jaar tijd werd de grondslag voor een moderne industrie en een bijbehorende infrastructuur gelegd.

Er werd te weinig aandacht besteed aan de consumptiegoederen en aan de dienstensector. Een moderne landbouw kon niet worden gerealiseerd (zie hoofdstuk 3). De belangen van de arbeiders- en boerenfamilies telden niet. Het grote tekort aan consumptiegoederen en huisvestingsmogelijkheden bepaalde in een belangrijke mate het dagelijks leven, in bijzonder dat van vrouwen.

Hoofdstuk 3. Communistische revolutie op het land [Vervallen per 31-12-2004]

3.1. Hoe kon in de dorpen in korte tijd een communistische economie worden gevestigd? [Vervallen per 31-12-2004]

Collectivisatie [Vervallen per 31-12-2004]

Bij de start van het eerste vijfjarenplan werd aanvankelijk gestreefd naar een collectivisatie van 20% van de boerenhuishoudens. De collectivisatie ging echter veel sneller. In 1931 was al 52 % van de boerenhuishoudens gecollectiviseerd, in 1936 ca 90%. Van de beoogde gelijktijdige mechanisatie van de landbouw kwam weinig terecht.

Onder druk van opgeschroefde rekwisities, belastingen en geweld werden boeren gedwongen toe te treden tot de kolchozen of sovchozen. Bestaande, relatief kleine sociale verschillen kregen een marxistische dimensie, een boeren-klassenstrijd. Eerst worden de koelakken als vijand aangewezen, daarna volgden andere groepen kleine zelfstandige boeren. Uiteindelijk werd iedereen die zich tegen de collectivisatie verzette of leek te verzetten als ’klassenvijand bestempeld.

Terreur [Vervallen per 31-12-2004]

De overwegend analfabete boerenbevolking werd overrompeld door lokale radicalen en door partijleden, vaak arbeiders en jongeren uit de stad.

Collectief verzet, onder andere zichtbaar in een drastische reductie van de veestapel, werd op een harde wijze bestreden. Miljoenen boeren werden gedeporteerd. Voor zover ze niet werden meegevoerd bleven vrouwen en kinderen berooid achter. Een groot deel van de boeren werd als staatsgevangenen ingeschakeld bij de aanleg van infrastructurele voorzieningen, mijnbouw, de bouw van fabrieken en dehoutkap. In de staatsgevangenkampen, bekend onder de naam Goelag, was het sterftecijfer hoog.

Hongersnood [Vervallen per 31-12-2004]

De streefcijfers van de communistische staat waren irreëel. De boeren raakten uitgeput. Er braken grote hongersnoden uit (1932-1933). Stalin weigerde elke concessie. In de Oekraïne werd bewust op een hongersnood aangestuurd om zowel het hardnekkige verzet tegen de collectivisatie als mogelijke nationalistische sentimenten te breken. Miljoenen boeren - het precieze aantal is omstreden- kwamen door honger of ziekte om het leven.

3.2. Wat betekende de collectivisatie voor het dagelijks leven van de boeren? [Vervallen per 31-12-2004]

In de greep van de staat [Vervallen per 31-12-2004]

De boeren werkten volgens een loonstelsel uitgedrukt in arbeidsdagen. De waarde van de arbeidsdagen werd achteraf aan de hand van de productie vastgesteld. De boeren werden meestal in natura betaald; geld was in beperkte mate in omloop. Eerst moest worden geleverd aan de staat op basis van een veronderstelde ’opbrengst van het land’ of aan de MTS (machine-tractorenstation) ter vergoeding van de verrichte werkzaamheden.

Het bestuur was in handen van de kolchozvoorzitter die werd gecontroleerd door partijorganisaties in het district. Elke kolchoz moest ’het plan’ halen. De geringe scholing van de boeren, het tekort aan zaaigoed en machines, de geringe arbeidsproductiviteit en de soms absurde politieke richtlijnen stonden vaak dit doel in de weg. Verplichte ideologische activiteiten verstoorden evenzeer de agrarische productie.

De neergang van de traditionele agrarische gemeenschap [Vervallen per 31-12-2004]

Binnen een decennium veranderde de eeuwenoude dorpsgemeenschap drastisch. Groepen boeren werden tegen elkaar uitgespeeld. Traditionele gezagsdragers werden geliquideerd of verdwenen in de Goelag. Het recht op zelfstandig ondernemerschap, de trots van boeren en vaklieden in het dorp, werd ontkend. Het naleven van traditionele christelijke gebruiken werd als een daad van ’klassenvijandschap’ beschouwd. Families werden door terreur en staatsdwang ontregeld. Vele jonge mannen en vrouwen, de meest productieve arbeidskrachten, werden gedwongen het dorp te verlaten en te gaan werken in industriecentra.

De positie van de boeren in het ’nieuwe dorp’ [Vervallen per 31-12-2004]

De afstand tussen de boeren en de staat, inclusief de nieuwe gezagsdragers in de kolchoz, was groot. Boeren voelden zich miskend en onderdrukt. Machteloos keken ze naar de gevolgen van de landbouwpolitiek.

De levensstandaard van boeren bleef zeer laag. De productie van graan en andere gewassen steeg wel na 1933; maar bleef voortdurend beneden de verwachtingen van de staat. Bij de distributie van schaarse goederen en middelen door de staat werd de kolchozbevolking feitelijk vergeten. Voor gebruiksartikelen en aanvullende levensmiddelen waren de boeren aangewezen op de steeds slechter bevoorraadde kolchozwinkel. De traditionele ambachten en de huisnijverheid in de dorpen waren tijdens de collectivisatie verdwenen. De boeren werden aan de grond gebonden door de invoering van een verplicht binnenlandse paspoort. Er heerste vaak armoede en ondervoeding.

Aan het einde van de jaren dertig vormden vrouwen ca 60% van de arbeidskrachten in een kolchoz. Het bestaan van de vrouwen was zwaar: ze verbouwden gewassen en droegen in alle opzichten zorg voor het vee. Bestuurlijke en technische functies waren meestal in handen van mannen. Vrouwen waren eerder geneigd in verzet te komen tegen de willekeur van de kolchozenvoorzitter of andere bestuurders dan de mannen.

3.3. Waarom werd het platteland niet volledig hervormd? [Vervallen per 31-12-2004]

Ondanks sterke terreur slaagde Stalin er vóór 1941 niet in deze eeuwenoude dorpscultuur volledig te breken. In tegenstelling tot arbeiders in de steden voelden vele boeren zich niet of nauwelijks verbonden met de vooruitgang van de Sovjetunie. Ze bleven, niet al te opvallend, vasthouden aan eeuwenoude waarden en gebruiken.

Onder druk van grote voedseltekorten en een zwarte markt stond Stalin in 1935 toe dat kolchozenboeren kleine stukjes grond mochten bebouwen voor eigen gebruik en voor een (ruil)handel op de kolchozenmarkt. Al spoedig ontstond er buiten de staatswinkels een grijs circuit met producten van deze kleine stukjes grond. De voedselvoorziening in de Sovjetunie werd er in toenemende mate afhankelijk van. Onder Stalin en onder zijn opvolgers bleef het gebruik van dit stukje grond omstreden.

Hoofdstuk 4. Een machtige partij met een zeer machtige leider [Vervallen per 31-12-2004]

4.1. Hoe versterkte Stalin zijn greep op de partij? [Vervallen per 31-12-2004]

Grip op het partijapparaat [Vervallen per 31-12-2004]

Stalin schoof het grootste deel van het oude partijkader geleidelijk aan de kant en verving het door nieuwe partijleden afkomstig uit ’proletarische bevolkingsgroepen’.

Op papier was het Partijcongres het hoogste partijorgaan. Uit dit partijcongres werd een Centraal Comité gekozen, dat op zijn beurt een Politbureau koos. Het Politbureau maakte de dienst uit. Hierin zaten de hoogste partijleden, waarvan Stalin vanzelfsprekend volledige loyaliteit eiste.

In een strakke hiërarchische organisatie werden krachtens het democratisch centralisme richtlijnen en bevelen van boven naar beneden doorgegeven en uitgevoerd. Partijleden dienden regelmatig verantwoording af te leggen aan hun superieuren. Interne partijcontrole en partij-zuiveringen waren een terugkerend verschijnsel.

Stalins terreurapparaat [Vervallen per 31-12-2004]

Een belangrijke rol in de interne controle werd gespeeld door de staatsveiligheidsdienst. In 1934 werd deze dienst (OGPOe) gereorganiseerd en door Stalin ondergebracht in de NKVD, het volkscommissariaat voor binnenlandse zaken. Het departement gaf de staatsveiligheidsdienst opdrachten, controleerde de politie, had een groeiende invloed in het Rode Leger, bepaalde de gang van zaken in concentratie- en werkkampen; beheerde bedrijven en een deel van het transportsysteem.

De Grote Terreur [Vervallen per 31-12-2004]

Na 1936 kreeg de nieuwe topman van de NKVD Nikolaj Jezjov de vrije hand om af te rekenen met werkelijke en vermeende tegenstanders in de partij. De partij werd uitgedund. In de jaren dertig verdwenen miljoenen partijleden en mensen uit hun familie- of bekendenkring in de kampen, zonder duidelijke beschuldiging of veroordeling. Precieze cijfers ontbreken. Tienduizenden partijfunctionarissen werden zonder vorm van proces terechtgesteld. Door de NKVD werd een aantal hoge partijleden en topofficieren van het Rode Leger tot zelfbeschuldigingen gebracht en al of niet in propagandistisch uitgebuite showprocessen veroordeeld tot dwangarbeid of de doodstraf.

Geleidelijk drong bij Stalin het besef door dat deze Grote Terreur had geleid tot excessen die de belangen van zijn partij bedreigde. Jezjov werd in 1938 zelf slachtoffer van zijn beschuldigingmachinerie; hij werd opgevolgd door Lavrenti Beria. De terreur binnen de partij nam af.

4.2. Welke plaats en functies hadden partij en partijkader in de Stalinistische samenleving? [Vervallen per 31-12-2004]

De kern van de samenleving [Vervallen per 31-12-2004]

In de Stalin-constitutie van 1936 werd de Partij omschreven als ’leidende kracht’ van alle maatschappelijke en staatkundige organisaties. Door een personele unie tussen functies in het apparaat van partij en staat was maximale controle gegarandeerd.

In alle geledingen van de samenleving speelde het partijkader een leidende rol. In elke kolchoz, fabriek, overheidsorganisatie of andere instelling bestond een partijafdeling, steeds onder leiding van een regionale of lokale partijsecretaris die bezielend of bureaucratisch, als een ’kleine Stalin’, macht kon uitoefenen.

De partij schoolde en leverde het kader voor het hele politieke en economische machtsapparaat. Een snelle carrière binnen de partij was zowel aantrekkelijk als risicovol. Hoesneller en hoger een partijlid steeg in rang, hoe meer gevaar hij liep te worden weggezuiverd.

Een selecte en bevoorrechte groep [Vervallen per 31-12-2004]

De partij was relatief klein, 2 % van de bevolking; een lidmaatschap kwam tot stand op basis van selectie. Het aantal vrouwen binnen de partij was eveneens relatief klein, ca 15 % van alle partijleden. Vrouwelijke partijleden bekleedden vooral administratieve functies, veelal op de lagere niveaus.

Partijleden vormden een bevoorrechte klasse met materiële voorrechten. Voor een gewoon partijlid kon het gaan om voorrang bij de voedselvoorziening, soms toegang tot speciale winkels en betere huisvesting. Voor de echte partijelite ging het om aanzienlijke maatschappelijke bevoorrechting voor de hele familie.

Controle [Vervallen per 31-12-2004]

De planning en uitvoering van het beleid stelden hoge eisen aan de spankracht van de samenleving en vereisten daarom strakke controle. Partijleden joegen de bevolking op harder te werken om de cijfers van het plan te halen en waren beducht op elke vorm van verzet. Er was alleen ruimte voor specifieke kritiek op bijzondere misstanden. Het gelijk van de partij of van Stalin stond vanzelfsprekend niet ter discussie. De druk van het partijkader op de bevolking bleef onverminderd groot omdat partijkaders ook zelf werden onderworpen aan een strakke, interne controle.

Propagandistische taak [Vervallen per 31-12-2004]

Partijleden dienden een voorbeeld te zijn voor de bevolking, conform het propagandabeeld van de heldhaftige, zichzelf opofferende strijder voor een betere samenleving. In dit beeld passen de mythen die werden geconstrueerd rond Pavlik Morozov, Angelina Praskovja en Alexei Stachanov.

Uitvoerig werden de successen onder Stalins leiding bejubeld en afgezet tegen de slechte situatie van de jaren onder de tsaar of in de kapitalistische wereld. Met posters, pamfletten, liedjes en ander materiaal werd een beeld geschapen van een bedreigende buitenwereld waartegen ieder waakzaam moest zijn onder leiding van Stalin, de ’Lenin van vandaag’.

4.3. Hoe bouwde Stalin zijn zeer grote macht in de samenleving op? [Vervallen per 31-12-2004]

Beeldvorming [Vervallen per 31-12-2004]

In het belang van volk, partij en zich zelf wierp Stalin zich op als hoeder van een ’werelds geloof’. Het bleek een doeltreffende manier om legitimiteit te verwerven in een land dat juist aan analfabetisme en achterlijkheid werd ontrukt. Deze Stalin-cultus versterkte in de samenleving de mythe van de welwillende, alwetende en vaderlijke leider. In departij droeg ze bij aan een schier absolute loyaliteit aan de partijleider. Vooral jonge partijleden waren gevoelig voor deze cultus.

Angst en terreur [Vervallen per 31-12-2004]

Angst en terreur waren Stalins vertrouwde politieke wapenen. Zijn politieke denken werd gevoed door een diepe achterdocht. Hij onderscheidde slechts ondergeschikten en tegenstanders. Wie niet onvoorwaardelijk voor hem was, was tegen hem.

4.4. Waarom stelde Stalin zich niet als de almachtige leider op de voorgrond? [Vervallen per 31-12-2004]

Stalin had veel moeite met directe contacten buiten de kleine kring van mensen om hem heen. Hij genoot niet van het optreden in het openbaar. Voor zijn persoonsverheerlijking had hij dit optreden ook niet nodig.

Zelfs een machtig leider als Stalin had geen greep op alles wat in de Sovjetunie geschiedde. Soms creëerde hij bewust een zekere afstand tussen de politieke koers en zijn persoonlijke opvattingen. Dit verschafte hem ruimte voor plotselinge koerswijzigingen. Hij zette veranderingen in gang (zoals de collectivisatie of de Grote Terreur), liet ze de vrije loop, maar greep persoonlijk in als de ontwikkelingen hem niet langer aanstonden.

Hoofdstuk 5. Een culturele ommekeer [Vervallen per 31-12-2004]

5.1. Waarom wilde Stalin een nieuwe Sovjetmens creëren? [Vervallen per 31-12-2004]

De nieuwe politieke orde vroeg om een ’totale revolutie’. Parallel aan de economische en politieke veranderingen diende om een totalitaire samenleving te bereiken ook een culturele ommekeer plaats te vinden. De kerngedachte daarachter is die van maakbaarheid van het individu en van de samenleving.

In ideologische zin was de nieuwe Sovjetmens iemand die zich met overgave wijdde aan de opbouw van het communisme in zijn land. Eigenschappen van deze nieuwe Sovjetmens waren overtuiging en enthousiasme, maar ook onverzoenlijkheid en meedogenloosheid als het moest.

5.2. Op welke manieren wilde Stalin deze nieuwe Sovjetmens creëren? [Vervallen per 31-12-2004]

Opvoeding [Vervallen per 31-12-2004]

De officiële partijlijn was dat een kind in zijn opvoeding moest leren dat het collectief belangrijker was dan het individu en dat de politieke eenheid belangrijker was dan de familie. Loyaliteit diende gericht te zijn op Stalin, Partij en Vaderland. Het doel van de (staats)opvoeding was disciplinering van de kinderen, het bijbrengen van basishygiëne en het aanleren van basisvaardigheden voor de communistische Sovjetmens.

Deze staatsopvoeding kreeg een vervolg in het (voortgezet) onderwijs, in de Komsomol en in het Rode Leger.

Onderwijs [Vervallen per 31-12-2004]

Alfabetiseringscampagnes en ideologische scholing gingen hand in hand. Voor jongeren werd vier jaar lager onderwijs verplicht. Voortgezet onderwijs en volwassenenonderwijs namen enorm toe; het opleidingspeil van de Sovjetbevolking steeg indrukwekkend.

In het onderwijs werd de nieuwe Sovjetmens mede gevormd. Er was aandacht voor het uitbannen van godsdienst, bijgeloof en burgerlijke / kapitalistische waarden. Russisch werd de verplichte tweede taal voor anderstalige volken in de Sovjetunie.

Tot in het midden van de jaren dertig werden in het kader van de klassenstrijd vooral jongeren van arbeiders- en boerenafkomst tot het voortgezet onderwijs toegelaten. Accenten werden gelegd op techniek, natuurwetenschappen en ideologische vorming.

Wetenschap stond in dienst van de nieuwe politieke orde, hetgeen onder andere zichtbaar was in het herhaald herschrijven van de geschiedenis.

De Komsomol [Vervallen per 31-12-2004]

De Komsomol, de belangrijkste massaorganisatie voor jongeren, had een kernfunctie. Zij vormde het toekomstig partijkader. Komsomolleden moesten steeds bewijzen zelf modelburgers van de nieuwe Sovjetsamenleving te zijn en de nieuwe Sovjetmens te kunnen creëren. Het lidmaatschap stond niet open voor iedereen, de leden voelden zich uitverkorenen.

De Komsomol was een van de pijlers van het Stalinistisch systeem De discipline was er streng. Leden van de Komsomol werden belast met alfabetisering van het platteland, bestreden godsdienst als de ’opium van het volk’ en maakten propaganda voor het eerste vijfjarenplan. Daarnaast streden ze ook tegen slechte woon- of werkomstandigheden van de bevolking. Zelf namen ze vaak genoegen met de communale leefsituaties, zoals in de nieuwe ontginningssteden in Siberië. Ze onthielden zich niet van kritiek op machtsmisbruik door lokale partijkaders. Zij propageerden het idee van de socialistische wedijver. Zij geloofden in Stalin en namen eigentijdse helden van de Sovjet-Unie als voorbeeld; vliegers, poolonderzoekers en grensbewakers. Het geloof in de maakbaarheid van de maatschappij bracht de jongeren in conflict met oudere generaties.

Massamedia en massavieringen [Vervallen per 31-12-2004]

Alle moderne middelen zoals film (Eisenstein), posters en brochures werden ingezet om de bevolking tot in de verste uithoeken te doordringen van het communistische ideaal. In de Stalinistische periode werden de kerkelijke traditieszoveel mogelijk doorbroken, onder andere door kerken om te bouwen tot musea, theaters, crèches of kantoren. Godsdienst werd met name door de jongeren massaal afgezworen. Daarentegen werden de collectieve prestaties van het socialisme benadrukt in sportmanifestaties en er werden massavieringen georganiseerd (oktoberrevolutie, 8 maart, 1 mei).

Kunst [Vervallen per 31-12-2004]

De staat controleerde alle culturele uitingen door middel van het gedwongen lidmaatschap van beroepsorganisaties. Alle kunstuitingen (schilderkunst, literatuur, film, muziek) moesten voldoen aan de eisen van het socialistisch realisme, d.w.z. dat kunst begrijpelijk moest zijn voor de massa, de idealen van het communisme moest uitdragen en de nieuwe Sovjetmens moest verheerlijken. De thematiek was die van het communistisch ideaal: hard werkende en gelukkige Sovjetmensen.

Evenals in de media werden in de kunst de economische en sociale successen van het communisme breed uitgemeten. Daarmee werd bijgedragen aan de vorming van een ’nationale’ entiteit in de Sovjet-Unie.

Vrije tijd [Vervallen per 31-12-2004]

Ook de vrije tijd van met name de stedelijke arbeiders werd georganiseerd en in dienst gesteld van de vorming van de nieuwe Sovjetmens. Vrije tijd diende ingezet te worden om te leren, het communisme op te bouwen en het klassenbewustzijn te versterken. In steden werden cultuurpaleizen, badinrichtingen, arbeidersclubs en avondscholen gebouwd.

5.3. Waarom slaagde Stalin er niet in een culturele ommekeer te bereiken? [Vervallen per 31-12-2004]

Woningnood, arbeidsdruk, schaarste en bureaucratie demotiveerden Sovjetburgers en stonden zo een volledige culturele ommekeer in de weg.

De propaganda ten spijt nam de ongelijkheid in de nieuwe sovjetsamenleving toe, als gevolg van de socialistische wedijver en van de maatschappelijke privileges die het partijkader en een culturele elite wisten te verwerven.

Er tekende zich een generatiekloof af. De jongeren accepteerden de ideologie van het communisme, zij geloofden in de nieuwe Sovjetmens. Vooral op het platteland bleven oudere generaties, zelfs in families van partijleden, vasthouden aan christelijke tradities.

De staat kreeg geen volledige greep op de opvoeding. In tweede helft van de dertiger jaren werd -na het bekend worden van verontrustende, dalende geboortecijfers- het gezin opnieuw gewaardeerd als kern van opvoeding. De rol van vrouwen als moeder en opvoeder kreeg weer nadruk. Het huwelijk werd weer in ere hersteld. Echtscheiding en abortus werden bemoeilijkt.

Hoofdstuk 6. Historisch kader II [Vervallen per 31-12-2004]

In 1964 kwam in de persoon van Leonid Brezjnevde generatie jonge communisten uit de jaren dertig aan de macht. Hij erfde een communistisch systeem dat al voor 1941 door Stalin was gevestigd. Tussen 1941 en 1964 veranderde dit systeem niet wezenlijk van karakter, zelfs niet onder druk van de Tweede Wereldoorlog.

De Tweede Wereldoorlog 1941-1945 [Vervallen per 31-12-2004]

De Duitse invasie bracht het communistisch systeem in groot gevaar. Door grote inschattingsfouten van Stalin leed de Sovjetunie in 1941 en 1942 zware nederlagen tegen het binnengevallen Duitse leger en verloor grote gebieden. Grote industriecentra opgebouwd in de jaren dertig vielen -zwaar beschadigd- in Duitse handen.

Het verloop van de oorlog in deze jaren toonde de zwakte maar ook de kracht van het systeem aan. Stalin koos in de oorlogsjaren voor een pragmatische, minder rigide benadering: meer ruimte voor initiatief en verantwoordelijkheid in de industrie, een herwaardering van de Russisch-orthodoxe Kerk, ruimere bevoegdheden voor militaire leiders. Door zijn optreden tijdens de Grote Vaderlandse oorlog en de oorlogssuccessen werd Stalin in de ogen van vele Russen de leider die Sovjetunie had gered en een nieuw gevoel van eenheid gaf.

De laatste zeven jaar van Stalin, 1946-1953 [Vervallen per 31-12-2004]

Voor de wederopbouw van de zwaar beschadigde Sovjetunie viel Stalin terug op de commando-economie van de jaren dertig. Militaire uitgaven voor het bezettingsleger in Oost-Europa en voor de bewapeningswedloop in het kader van de Koude Oorlog drukten zwaar op de communistische economie.

Stalin gebruikte de internationale spanning ook als rechtvaardiging voor de terugkeer naar een totale politieke en culturele controle. Er volgde in 1946-1947 een golf van zuiveringen. Verklaringen voor het soms irrationele gedrag van Stalin worden gevonden in zijn fysieke en mentale aftakeling.

De periode Chroesjtsjov 1953-1964 [Vervallen per 31-12-2004]

Na een kortstondig collectief leiderschap kwam Nikita Chroesjtsjov aan de macht. Hij erkende de noodzaak van een aanpassing van het communistisch systeem. In twee destalinisatiecampagnes werd afstand genomen van de persoon Stalin. Chroesjtsjov maakte een einde aan de willekeurige politieke terreur, gaf intellectuelen enige ruimte maar trad daarentegen weer hard op tegen de kerken. Op agrarisch gebied stond hij een te ambitieus en experimenteel hervormingsprogramma voor. De beloofde stijging van de levensstandaard bleef uit. Chroesjtsjov werd in 1964 door de partijtop afgezet.

Hoofdstuk 7. Brezjnevs politieke orde [Vervallen per 31-12-2004]

7.1. Welke politieke orde stonden Brezjnev c.s. voor? [Vervallen per 31-12-2004]

Het Brezjnev-regime stond stabiliteit, rust en orde voor. Het wilde de door Stalin gevestigde politieke orde handhaven maar zonder terug te keren naar een permanente terreur of politieke willekeur. Een herstel van de Stalin-cultus achtte het regime niet opportuun.

In de nieuwe grondwet van 1977 werd de leidende rol van de partij opnieuw bevestigd. De functies van het partijkader in de samenleving veranderden niet. De Koude Oorlog bevestigde het bestaan van een vijandige buitenwereld; internationale spanningen werden gebruikt om de éénpartijstaat te legitimeren en te versterken. Een communistische samenleving bleef in beeld, de verwachte datum van invoering werd steeds opgeschoven.

In economisch opzicht hield het Brezjnev regime vast aan Stalins planeconomie. In de jaren zestig leken de hoge economische groeicijfers het succes van de planeconomie te bevestigen. De Sovjetunie leek net als in de tijd van Stalin de achterstand op het Westen in te halen. Het landbouwbeleid bleef ongewijzigd.

Onder Brezjnev bleef de Sovjetunie een politiestaat, inclusief het systeem van politieke strafkampen.

7.2. Welke verschillen vertoonde Brezjnevs politieke orde met die van Stalin? [Vervallen per 31-12-2004]

Verhoudingen binnen de partij [Vervallen per 31-12-2004]

Brezjnev was geen absoluut leider zoals Stalin, maar ’de eerste onder zijns gelijken’. Door een consensus beleid binnen de partijtop behield hij tot zijn dood deze positie. De leiderschapscultus rond zijn persoon is niet te vergelijken met de Stalin-verheerlijking.

De werkelijke macht in de partij concentreerde zich in de kleine, conservatieve toplaag. Bij ontstentenis van partij-zuiveringen zoals in de Stalins tijd, vergrijsde deze partijelite in haar verworven posities. Jongere communisten maakten geen bliksemcarrière meer, maar konden alleen nog als protégé van een van de politieke kopstukken in de partijhiërarchie opklimmen.

Zonder Komsomol en vervolgens partijlidmaatschap was een politieke of wetenschappelijke carrière vrijwel onmogelijk.

Economische beleid [Vervallen per 31-12-2004]

Waar Stalin alle nadruk legde op de opbouw en verdediging van een communistische industriële samenleving ging het Brezjnev-regime verder; het wilde zich in militair-economisch opzicht meten met het Westen. Daarbij overschatte het de eigen kracht.

Er was sprake van een verbetering van de levensstandaard, vooral in de steden.

Er werden onder Breznjev enorme bedragen geïnvesteerd, met name in de landbouw en in de militaire sector. De resultaten vielen tegen. Na de jaren zestig vielen bij elk vijfjarenplan de opbrengstcijfers steeds meer terug. De achterstand op het Westen werd weer groter, met name waar het ging om het innovatievermogen en om de informatie en communicatietechnologie.

De agrarische bedrijfsvoering werd in een toenemende mate gebureaucratiseerd. Steeds meer landbouwproducten gingen verloren door verkeerde opslag en verwerking of door het ontbreken van transportmogelijkheden.

Brezjnev kon de door Stalin voorgestane autarkieniet handhaven. Voor het betalen van de import, o.a. van graan, en van de hoge militaire uitgaven werd de Sovjetunie steeds meer afhankelijk van de export van olie en gas.

Tegelijkertijd vond een ’informele’ decentralisatie plaats waarbij regionale partijbonzen geleidelijk steeds meer macht kregen.

De ’tweede economie’ nam onder Brezjnev sterk toe. Corruptie, zwarthandel en vriendjespolitiek namen een ongekende dimensie aan.

Controle en vervolging [Vervallen per 31-12-2004]

De censuur was minder rigide dan onder Stalin. De ideologische propaganda was vriendelijker, nogal conservatief en Russisch nationalistisch. Ondanks een wijd verbreid informantensysteem drong de staat minder dan onder Stalin het privé-leven binnen. Zolang de Sovjetburger zich in het openbaar conformeerde aan gevestigde partijopvattingen en aan bepaalde regels, had hij weinig te vrezen. Arbitraire en grootschalige terreur, zoals onder Stalin, vonden niet meer plaats; wel een gerichte en intensieve vervolging van een naar verhouding kleine groep dissidenten. Religie werd onder Breznjev met moeite getolereerd.

Houding ten opzichte van de nationaliteiten [Vervallen per 31-12-2004]

Het Brezjnev regime brak met de repressieve nationaliteitenpolitiek van Stalin, grootschalige deportaties vonden niet meer plaats. Aan verzoeken tot hervestiging van in de oorlog verdreven etnische minderheden werd echter nauwelijks gehoor gegeven.

Vergeleken met de Stalin-periode is de relatieve rust in het multi-etnische Sovjet rijk opvallend. De bestuurlijke grenzen van de Sovjet republieken en territoria vielen meestal samen met culturele grenzen. Naast een sterke russificatie met name op het terrein van het onderwijs werd binnen een Sovjet Republiek de eigen cultuur ruimte gelaten. De eerste man, de partijsecretaris, kwam uit de etnische dominante groep en de ’tweede man’ was vrijwel altijd een Rus. De etnische elite werd door toedelen van maatschappelijke posities en welvaart gebonden aan de Sovjetstaat. Zolang deze elite het Kremlinleek te volgen had ze veel beslissingsruimte.

Hoofdstuk 8. Sovjetburgers en het communisme onder Brezjnev [Vervallen per 31-12-2004]

8.1. Hoe was de verhouding Sovjetburgers - communistische staat? [Vervallen per 31-12-2004]

Tegenover de communistische staat namen Sovjetburgers een ambivalente houding aan. Enerzijds koesterden zij zich in de afhankelijkheid van de staat, anderzijds wantrouwden ze haar macht en willekeur. De staat dwong eenheid en conformisme af. Ze stond de ontwikkeling van een moderne relatie burgers - staat, zoals in de West-Europese -parlementaire democratie, in de weg. In West-Europa vonden de burgers en de staat elkaar geleidelijk in verschillende democratische uitgangspunten en in een door de staat gewaarborgde sociale zekerheid die is gekoppeld aan de plicht ook zelf initiatief te ontwikkelen. In de Sovjetunie bestond sociale zekerheid, maar naar West-Europese maatstaven op een laag niveau. In de Sovjetunie bestond net als in West-Europa een grondwet, maar in de praktijk overheerste echter de staat het leven van de Sovjetburgers. Ze kregen via televisie of krant alleen te horen wat de partij had goedgekeurd. Elke vorm van openlijk ’politiek afwijkend gedrag’ of van etnisch protest werd onderdrukt. Tijdens de Brezjnev-periode groeide onder Sovjetburgers, ook onder lagere echelons van de partij, onvrede over de machtsprivileges van een kleine groep conservatieve partijleiders.

8.2. Welke houding namen Sovjetburgers, in het bijzonder de boerenbevolking, aan ten opzichte van de planeconomie? [Vervallen per 31-12-2004]

Sovjetburgers in het algemeen [Vervallen per 31-12-2004]

Tijdens de Brezjnev-periode groeide onder Sovjetburgers de ontevredenheid over de planeconomie, al was er weinig openlijk protest. Hun lage arbeidsmoraal was een vorm van zelfverdediging tegen de staat en haar planeconomie. Kenmerkend was de houding ’zij doen alsof ze ons betalen, wij doen alsof we werken’. In het openbaar werd dit verschijnsel ontkend en de mythe van de hardwerkende Sovjetburger in stand gehouden.

Kenmerkend voor de algehele onvrede waren ook het alcoholisme, vooral onder mannen, en de veel voorkomende vormen van diefstal en corruptie.

Het gros van de Sovjetburgers, in het bijzonder de vrouwen, voelden zich als producent en als consument door de staat sterk ondergewaardeerd. Weinig waardering was er voor de kwalitatief slechte consumptiegoederen in de staatswinkels. Voor goederen of diensten werden Sovjetburgers steeds meer afhankelijk van (ruil)handel in het dure grijze circuit.

De sovjetburgers stelden vast dat ondanks een stijging van het inkomen de planeconomie in feite een systeem van gespreide, relatieve armoede opleverde.

De boeren [Vervallen per 31-12-2004]

De grote kloof tussen Sovjetburgers en de staat werd vooral zichtbaar op het platteland. De arbeidsinzet van de boerenbevolking binnen de steeds grotere kolchozen en sovchozen was spreekwoordelijk laag.

De boerenbevolking voelde zich ook als consument door de staat buitengesloten, tweederangsburgers in een zogenaamd egalitaire samenleving. Na de komst van televisie en telefoon op het platteland zagen ze in een toenemende mate het verschil in levensstandaard tussen land en stad. De producten van de kleine stukjes grond waren steeds meer nodig om direct of indirect in eigen levensonderhoud te voorzien.

Vrouwen voelden zich uitgebuite agrarische arbeidskrachten, ze hadden nauwelijks carrièrekansen. Een groot deel van de vrije tijd besteedden ze aan de zorg voor het gezin. Dit was door de leefomstandigheden op het land moeilijker dan in de stad.

Waar fabrieksarbeiders, als ’het plan’ gehaald moest worden, nog concessies konden afdwingen restte de boeren alleen ’het stemmen met de voeten’. Vooral uit de niet-zwarte aardegebieden trokken tegen de zin van de staat miljoenen mensen van het platteland naar de steden.

Een gunstige uitzondering vormden de boeren in de vruchtbare en klimatologisch gunstige zuidelijke gebieden. Een ruime productie het hele jaar door maakte hun leven daar aanzienlijk aangenamer. Van hun kant werd weinig kritiek op de planeconomie gehoord.

8.3. Hoe stonden jongeren tegenover de communistische ideologie? [Vervallen per 31-12-2004]

De jonge generaties in de Brezjnev-periode namen ten opzichte van de communistische ideologie een dubbele houding aan. In tegenstelling tot jongeren in de jaren dertig hadden ze nauwelijks echte politieke belangstelling. Jongeren onder Brezjnev droomden niet van een communistische samenleving, maar van materiële welvaart en een goede baan. In het openbaar, zoals bij 1-mei parades, toonden ze daarentegen ook een collectief enthousiasme over de verworvenheden van de Sovjetstaat en over de grote internationale betekenis van de Sovjetunie.

Binnen de Komsomol ontbrak het vroegere revolutionaire elan; het lidmaatschap was een vanzelfsprekendheid geworden. Voor jongeren uit de bovenlaag in de Sovjetsamenleving was het Komsomol-lidmaatschap een toegangspoort tot een maatschappelijke carrière.

In een toenemende mate wantrouwden jongeren de officiële idealen. Door een aantal beperkingen hield de staat bij de toegang tot het voortgezet en hoger onderwijs en bij het vinden van een baan maatschappelijke ongelijkheid in stand. Jongeren zagen dat vrouwen onder het mom van gelijkheid dikwijls de zwaarste lasten in de Sovjetsamenleving droegen, op de arbeidsvloer, in de samenleving en thuis. De staat bood vrouwen een laaginkomen en weinig persoonlijke bescherming. Abortus was vaak de enige vorm van geboortebeperking.

Jongeren, vaak uit de betere inkomensgroepen in de steden, trokken zich terug in eigen subculturen, naar Westers voorbeeld.

8.4. Waarom was de partij niet in staat de stagnatie in het communistisch systeem te doorbreken? [Vervallen per 31-12-2004]

Angst voor vernieuwing zowel binnen de partij als binnen de samenleving blokkeerden noodzakelijke hervormingen. Oorzaken van tekorten in de sovjetsamenleving, in het bijzonder in de sovjeteconomie, werden tijdens de Brezjnev-periode door een deel van het partijkader, vaak hoogopgeleide en / of technische geschoolde managers, wel onderkend. De partijtop onder leiding van Brezjnev koos echter steeds weer voor politieke stabiliteit op de korte termijn en leek economisch falen op de langere termijn daarmee te accepteren. Noodzakelijke technische en wetenschappelijke vernieuwingen, zoals moderne communicatiesystemen, werden telkenmale geblokkeerd. De vernieuwingen mochten de macht en de belangen van hoge partijfunctionarissen niet aantasten. Zij profiteerden in een belangrijke mate van de omvangrijke corruptie en nepotisme onder Brezjnev. Vele gewone Sovjetburgers wantrouwden vernieuwingen die eerder altijd leidden tot een verhoging van de productie-eisen of tot andere onwelkome maatregelen. Het sterk hiërarchisch karakter van de partij zorgde er voor dat onwelkome analyses en mogelijke oplossingen uit de partijgeledingen de vergrijsde partijtop vaak niet bereikten. Het ambtenarenapparaat hechtte aan het verbergen van haar incompetentie

Door de regionalisering van de economie nam de invloed van het centrale partijapparaat in Moskou af. Regionale partijleiders maakten onderlinge afspraken en bewezen soms lippendienst aan de centrale planning. Door deze ontwikkeling werd de ruimte voor centraal geleide hervormingen kleiner. Decentrale hervormingen, zo werd gevreesd, zouden de Sovjetunie uiteen doen vallen.

Hoofdstuk 9. Epiloog ’de onvolkomen revolutie’ [Vervallen per 31-12-2004]

In maart 1985 werd Michail Gorbatsjov gekozen tot leider van de Communistische Partij van de Sovjetunie. Tegen veler verwachting in ontpopte Gorbatsjov zich tot een radicale hervormer. In zijn streven naar economische hervormingen (perestrojka) en openheid (glasnost) speelde hij vooral in op de behoeften van een deel van het partijkader, namelijk het tweede echelon communistische leiders, minder behoudzuchtig, beter bekend met het Westen en met een sterke behoefte aan veranderingen. Gorbatsjov zocht toenadering tot het Westen, teneinde de nodige politieke ruimte en financiële steun voor zijn hervormingsplannen te verwerven. Het verschafte hem een grote populariteit buiten de Sovjetunie. De groeiende economische problemen en de zigzagkoers die Gorbatsjov soms voer, leidden echter tot teleurstelling in de Sovjetunie zelf. Gorbatsjovs ’revolutie van bovenaf’ nam snel aan populariteit af.

De veranderingen kregen een eigen dynamiek. Gorbatsjov verloor geleidelijk zijn greep op de gang van zaken. Verscheidene bondgenoten lieten hem in de steek. Hij zag zich gedwongen steeds nauwer samen te werken met het conservatieve deel van het partij- en staatsapparaat. De groeiende tegenstellingen in Moskou, de massale onvrede met de economische problemen en de toenemende kracht van de nationale bewegingen in de Sovjetrepublieken (waaronder de Russische Federatie) deden de spanning hoog oplopen. Het gevaar van militair geweld dreigde. In augustus 1991 poogde een aantal conservatieve leiders het verval van het communisme in de Sovjetunie te keren. Ze deden een greep naar de macht. Gorbatsjov werd ter zijde geschoven en de noodtoestand werd uitgeroepen. De ’staatsgreep’ mislukte. De democratische oppositie in de Sovjetunie, onder leiding van Boris Jeltsin, greep haar kans. De communistische partij werd verboden. Gorbatsjov werd zijn politieke macht grotendeels ontnomen; en in december 1991 werd de Sovjetunie officieel opgeheven.

Vrijwel niemand had er rekening mee gehouden dat de eens zo machtige Sovjetunie op vrijwel geweldloze wijze ten onder zou gaan. Eén van de belangrijkste redenen van de vreedzame ondergang van de communistische supermacht, was het gebrek aan legitimiteit van het communistische bestel bij een groeiend deel van het partijkader en ambtenarenapparaat. Velen ’deserteerden’. Ze meenden uiteindelijk meer kansen te hebben onder een nieuwe orde dan onder het communisme, als ondernemer, als politicus of als beide.

In het nieuwe Rusland van Jeltsin veranderde veel: de communistische partij werd in de ban gedaan (om later op gerechtelijk bevel weer te worden toegestaan) en de communistische staatsideologie werd overboord gegooid. De oude planeconomie, waarin privé-bezit ten hoogste werd getolereerd, maakte plaats voor een slecht werkende vrije markteconomie, waar vooral de macht van het geld telt. Er bleef echter ook veel bij hetzelfde. Aan de bureaucratie kwam geen einde. Veel politici van de oude school bleven zitten. Ze regeren Rusland met behulp van ondoorzichtige netwerken, waarin politieke macht en economische macht nauw verweven zijn. Ondanks periodieke verkiezingen heeft de gewone Rus nog steeds weinig in de melk te brokkelen. Het vertrouwen in de politiek was en blijft laag.

Literatuurlijst: [Vervallen per 31-12-2004]

Sovjetunie algemeen [Vervallen per 31-12-2004]

J.W. Bezemer, Een geschiedenis van Rusland. Van Rurik tot Brezjnev. Van Oorschot. Amsterdam 1988 (en latere edities) Marius Broekmeyer, Het verdriet van Rusland. Dagelijks leven op het platteland sinds 1945. Mets en Schilt. Amsterdam 1996.

Michail Gorbatsjov, Mijn Rusland. De dramatische geschiedenis van een grootmacht. Amsterdam, Balans, 1999.

Ed. Barbara Engel and Anastasia Posadskaya-Vanderbeck. A revolution of their own, Voices of Women in Soviet History. Westview Press 1998

Olga de Haan, Vrouwen in de Sovjetunie. Utrecht, Spectrum, 1988

John Keep, Last of the Empires. A History of the Soviet Union 1945-1991. Oxford, Oxford University Press, 1996. Francine du Plessis Gray, Vrouwen in de Sovjetunie. Een wankel evenwicht. Utrecht, Lutingh Sythoff, 1990 David Remnick, Lenins laatste adem. De ondergang van het Sovjetrijk. Bloemendaal 1994

Ronald G. Suny, The Soviet Experiment: Russia, the USSR, and the Successor States. Oxford, Oxford University Press, 1998.

Marius Broekmeyer, Stalin, de Russen en hun oorlog, 1941-1945. Amsterdam, Mets & Schilt, 1999.

Allen Bullock, Hitler en Stalin. Paralelle levens. Amsterdam, Arbeiderspers, 1991.

Sheila Fitzpatrick, Everyday Stalinism. Ordinary Life in Extraordinary Times: Soviet Russia in the 1930s. Oxford, Oxford University Press, 1999.

David King, The Commissar Vanishes. The Falsification of Photographs and Art in Stalin’s Russia. New York, Henry Holt and Company, 1997.

Stephen J. Lee, Stalin and the Soviet Union. London and New York, Routledge. 1999.

Evan Mawdsley, The Stalin Years. The Soviet Union, 1929-1953. Manchester, Manchester University Press, 1998. Chris Ward. Stalins Russia. (Second Edition).Arnold. London etc. 1999. 278 blz.

A. Wood, Stalin en het Stalinisme. Amsterdam, Babel, 1998

Periode Brezjnev [Vervallen per 31-12-2004]

Zie: Sovjetunie algemeen.

Mikhail Heller, Cogs in the wheel. The formation of Soviet Man. New York, Alfred Knopf, 1988

Hedrick Smith, De Russen. Dagelijk leven in de Sovjet-Unie. Amsterdam 1977 (vaak nog tweedehands te verkrijgen)

Wisla Suraska, How the Soviet Union disappeared. Essays on the causes of dissolution. Durham and London, Duke University Press, 1998. Hoofdstuk 1 ’The first Soviet generation.

William Tompson, The Soviet Union under Brezhnev, 1964-1982. London, Longman, 2000.

Bijlage 2. VBO / MAVO [Vervallen per 31-12-2004]

Titel: Dwang en overtuiging [Vervallen per 31-12-2004]

Subtitel: Het communistisch systeem onder Stalin, 1928 -1953 [Vervallen per 31-12-2004]

Hoofdvragen: [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1. Wat hield het communistisch systeem onder Stalin in?

  • 2. Hoe groot was de invloed van dit systeem op het leven van de Sovjetbevolking?

Verantwoording [Vervallen per 31-12-2004]

Het Centraal Examen thema 2002 voor leerlingen op Vbo of Mavo geeft zicht op de ontwikkeling en de werking van het communisme in de periode 1928 -1953 waarin Stalin als alleenheerser de Sovjetunie leidde. Het confronteert de leerlingen met aspecten van een totalitair systeem. Hiermee wordt voldaan aan de opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen een thema te ontwikkelen rond het verschijnsel totalitair systeem. Voor de laatste keer vormt een subdomein in de examenprogramma’s voor Havo en Vwo het uitgangspunt. Vanaf 2003 kent het VMBO een eigen examenprogramma. Gelet op het vigerende examenprogramma Vbo/Mavo is het niet noodzakelijk alle specificaties in het genoemde domein voor Vbo/Mavo uit te werken.

Dit thema loopt deels parallel aan het thema voor de leerlingen op Havo en Vwo, maar kent ook eigen vragen en antwoorden. De vergelijking tussen het communistische systeem onder Stalin en onder Breznjev is voor Vbo en voor Mavo achterwege gelaten. Door het thema in tijd en omvang te beperken hebben leerlingen meer tijd zich in te leven in de werking van een totalitair systeem, om daarna de betekenis ervan te kunnen verwoorden. Er is ruimte voor een verkenning van communistische systeem in deperiode 1941 -1945 en in de laatste acht levensjaren van Stalin.

De twee hoofdvragen en bijbehorende deelvragen nodigen uit tot het verwerven van kennis en tot het maken van een eenvoudige afweging. Het communistisch systeem onder Stalin was geen statisch systeem maar een systeem in ontwikkeling. Een aantal deelvragen levert verklaringen voor deze ontwikkeling op. In het bijzonder gaat de aandacht uit naar de positie van de boeren, de positie van partijleden en de opvoeding van de zogenaamde ’nieuwe Sovjetmens’. De betreffende hoofdstukken lenen zich in het bijzonder voor het maken van de genoemde afweging. Daar waar nodig wordt aandacht besteed aan de specifieke uitwerking van het communistische systeem op de sekseverhoudingen. Daar wordt in het woordgebruik ook een sekseonderscheid gemaakt. Elders worden neutrale termen of begrippen, zoals bijvoorbeeld Sovjetburgers, gehanteerd. Hoofdstuk 1 bevat een historisch kader met de vereiste basiskennis. In dit historische kader wordt ook het land en de samenleving waar het thema ’zich afspeelt’ geïntroduceerd. Gegevens uit dit kader worden in principe alleen in samenhang met gegevens uit de andere hoofdstukken bevraagd.

De historische begrippen en namen zijn in de tekst vet aangegeven. Ze kunnen in het Centraal Examen afzonderlijk worden getoetst. In het historische kader is een aantal begrippen en namen vet gedrukt. Ze maken deel uit van de stofomschrijving; ze keren in de andere hoofdstukken terug.

Hoofdstuk 1. Historisch kader [Vervallen per 31-12-2004]

Het Russische rijk rond 1900 [Vervallen per 31-12-2004]

Rond 1900 was Rusland het grootste land in de wereld. Vanaf de grens met het Duitse rijk in Europa tot aan de Stille Oceaan in Azië bedroeg de afstand 14.500 km. In dit uitgestrekte rijk woonden vele volken. Ieder volk bezat zijn eigen taal en cultuur. 43% van alle inwoners waren Russen. De meeste Russen woonden in dorpen; de dorpelingen handelden naar eeuwenoude gebruiken en gewoonten. De Russen voelden zich door godsdienst, gebruiken en taal verbonden

Het Russische rijk werd in 1900 bestuurd door tsaar Nicolaas II. Zijn macht rustte op drie pijlers: de Russisch-orthodoxe Kerk, een bestuursapparaat in handen van de Russische adel en de bureaucratie, en de machtsinstrumenten leger, politie en geheime dienst. De tsaar was hoofd van de Russisch-orthodoxe Kerk. De kerk had grote invloed op de cultuur van het grotendeels analfabete Russische volk.

Op weg naar revolutie [Vervallen per 31-12-2004]

De meeste boerenbedrijfjes waren klein, primitief en brachten weinig op in vergelijking met dezelfde bedrijvenin West-Europa. De onrust onder de boeren nam hierdoor toe. De oorzaak lag in hun afhankelijkheid van de grootgrondbezitters en hun grote armoede.

Door de rijkdom aan bodemschatten en met de kennis en het geld uit West-Europa werd in Rusland vanaf 1890 langzaam aan de industrialisatie begonnen. De regering stimuleerde dit proces.

Vele boeren verhuisden voor werk naar de industriecentra. Ook daar waren zij rechteloos; zij leefden onder mensonterende omstandigheden. De achterblijvende boeren moesten zorgen voor graanoverschotten voor export. De regering kocht het op tegen lage prijzen. Met de deviezen werd de industrialisatie betaald.

Onder de stedelijke burgerij en een deel van de adel ontstonden democratische en revolutionaire hervormingsbewegingen. Zij kregen over het algemeen weinig steun van de bevolking.

In 1905 verloor Rusland een oorlog. De nederlaag leidde tot stakingen, muiterijen en boerenopstanden. De tsaar wist met politieke beloften een revolutie te voorkomen. De regering verviel spoedig weer in oude fouten.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 leidde even de aandacht af van de sociale onrust. Naarmate de oorlog vorderde, op een voor Rusland rampzalige wijze, kwamen de maatschappelijke problemen heviger dan ooit te voorschijn. In 1917 leidde dit tot massale protesten. De tsaristische troepen weigerden op de bevolking te schieten, zij vervielen tot muiterij. De tsaar moest aftreden, het begin van de Russische Revolutie.

De Russische Revolutie, een minderheid aan de macht [Vervallen per 31-12-2004]

Voor de Voorlopige Regering was de voortzetting van de oorlog een doel. Hiermee stond ze tegenover de revolutionaire bolsjewieken. Deze kregen met hun leus, vrede, brood en land aan de boeren, grote steun en aanhang bij soldaten, arbeiders en boeren.

In het najaar van 1917 grepen de bolsjewieken in de twee grootste steden, Petersburg en Moskou, de macht.

Er volgden jaren van burgeroorlog en chaos. De bolsjewieken o.l.v. Vladimir I. Lenin kwamen als de overwinnaar uit deze strijd te voorschijn. Zij noemden zich voortaan communisten en het Russische Rijk werd de Sovjetunie genoemd.

De gewenste koers [Vervallen per 31-12-2004]

De communisten stonden een ’maatschappij van gelijkheid’ voor, zoals Karl Marx deze in de 19e eeuw had beschreven. Lenin vond dat alles moest en mocht worden gedaan om de macht te behouden en om deze samenleving te bereiken. Deze doelstelling kon alleen bereikt worden in een éénpartijstaat.

Om een begin te maken met een maatschappij van gelijkheid werden mannen en vrouwen wettelijk aan elkaar gelijkgesteld. Vrouwen kregen meer kans op het volgen van onderwijs en het maken van een carrière.

In de nieuwe samenleving was geen plaats voor godsdienst. Het bestaan van God werd officieel ontkend. Door een hevige vervolging van geestelijken en gelovigen werd de macht van de Russisch-orthodoxe Kerk gebroken.

De gevolgde koers, de Nieuwe Economische politiek [Vervallen per 31-12-2004]

Door de burgeroorlog was de economie ontregeld. Vele ontwikkelde en / of rijke Russen waren gevlucht naar het buitenland. Boeren kwamen in opstand tegen de verplichte leveranties aan o.a. het Rode Leger. De arbeiders in de steden leden honger. Dit bracht de revolutie in gevaar. Lenin moest om het gevaar te keren een stap terug doen. Hij koos voor de invoering van de Nieuwe Economische Politiek (NEP). In de landbouw, de handel en de kleinindustrie werd particulier ondernemerschap toegestaan. De grote industrieën en de banken bleven in handen van de partijstaat.

Dankzij de NEP bereikte de Sovjeteconomie weer het vooroorlogse productieniveau. De Sovjetunie bleef een land van boeren. 126 miljoen mensen leefden op het land tegen 26 miljoen in de steden. Onder de miljoenen boeren werden duidelijk inkomensverschillen zichtbaar.

Na de dood van Lenin in 1924 werd de opvolgingsstrijd beheerst door de vraag wat te doen met de ”oncommunistische” NEP. Uit deze strijd kwam Jozef Stalin als winnaar naar voren. In 1928 werd zijn leiderschap door de Communistische Partij erkend.

Hoofdstuk 2. Naar een nieuwe orde [Vervallen per 31-12-2004]

2.1. Welke nieuwe ordening van de samenleving wilde Stalin na 1928? [Vervallen per 31-12-2004]

Stalin vond dat de communistische revolutie in Sovjetunie moest worden versterkt. Tegelijkertijd moest de Sovjetunie zich weren tegen een vijandige buitenwereld. De macht in de nieuwe samenleving moest in handen zijn van één partij onder één leider. Hij zag zichzelf als de leider die deze taak kon volbrengen.

Stalins nieuwe orde eiste een gecentraliseerde politiek en een commando-economie.

Deze economie werd doorv het Gosplan sgestalte gegeven en in Vijfjarenplannen in praktijk gebracht.

2.2. Welke ontwikkelingen zetten Stalin hiertoe aan? [Vervallen per 31-12-2004]

Sociaal economische ontwikkelingen [Vervallen per 31-12-2004]

In 1927 ontstond er door tegenvallende graanoogsten en te lage industriële productie schaarste. Omdat de boeren geen industriële producten konden kopen en de vastgestelde lage graanprijs niet werd losgelaten weigerden de boeren levering. Door de stijgende voedselprijzen nam de bereidheid van de arbeiders in de fabrieken om de productie te verhogen af.

De regering keerde terug naar een systeem van gedwongen graanleveranties, met als gevolg een groeiend verzet onder de boeren.

Buitenlandse dreiging [Vervallen per 31-12-2004]

Het buitenland isoleerde de Sovjetunie na 1917. De communistische partij voelde zich omringd door een vijandig buitenland. In hun ogen bestond er een onverzoenlijk conflict tussen de kapitalistische en de communistische wereld. Stalin gebruikte dit idee om zijn eisen kracht bij te zetten. De achterstand die de Sovjetunie had op deze buitenwereld moest binnen tien jaren worden ingehaald.

Ontwikkeling in het communistisch denken [Vervallen per 31-12-2004]

De partijtop vond een oplossing voor de economische crisis van 1927-1928 en voor de buitenlandse dreiging in de invoering van een grootschalig industrialisatieprogramma en de verplichte collectivisatie van de boeren (zie hoofdstuk 3). Door de partij werd het verzet van de boeren gezien als het verzet van ’de klassenvijand’. Vele partijleden hadden een groot wantrouwen tegen de dorpen en hun bewoners.

Machtsverschuiving [Vervallen per 31-12-2004]

De graancrisis en de daarop volgende economische hervormingen greep Stalin aan om zijn persoonlijke macht te verstevigen. Partijleiders die een voorzichtiger beleid ten opzichte van de boeren bepleitten, werden uiteindelijk ook terzijde geschoven. De massale viering van zijn vijftigste verjaardag in 1929 bevestigde Stalins centrale positie.

2.3. Hoe werd de Sovjetunie een industriële samenleving? [Vervallen per 31-12-2004]

Het eerste vijfjarenplan moest de industriële productie enorm doen toenemen. De nadruk kwam te liggen bij de zware industrie, de bewapening en de energiewinning. De landbouw moest door collectivisatie komen tot overproductie. Een overschot kende meerdere doelen: het handhaven van lage voedselprijzen en lage lonen, en een grote agrarische export om de import van machines en andere industriële productiegoederen te kunnen betalen. Door mechanisatie van de landbouw zouden vele arbeidskrachten op het land vrij komen voor de nieuwe industrie.

Het eerste vijfjarenplan werd gevolgd door andere vijfjarenplannen. Er ontstonden verschillende nieuwe industriesteden. Door een massale inzet van mensen en geld en door terreur werden indrukwekkende resultaten bereikt. Het Gosplan in Moskou werd machtig. Voor alles golden de streefcijfers.

In tien jaar tijd werden de grondslagen gelegd voor een moderne industrie. De kwantitatieve cijfers van de industriële vooruitgang waren indrukwekkend. De industrialisatie versterkte ook de militaire macht van de Sovjetunie. Aan de belangen van de arbeidersbevolking en van de boerenbevolking werd volledig voorbijgegaan. Het tekort aan consumptiegoederen bleef enorm en de huisvestingsmogelijkheden waren miniem. Deze schaduwzijde van de vijfjarenplannen zou nog lang het leven van de inwoners van de Sovjetunie beheersen.

Hoofdstuk 3. De invoering van het communistisch systeem op het land [Vervallen per 31-12-2004]

3.1. Hoe werd in de dorpen in korte tijd een communistische economie gevestigd? [Vervallen per 31-12-2004]

Collectivisatie [Vervallen per 31-12-2004]

Grond, gebouwen, vee, werktuigen en andere productiemiddelen werden tot gemeenschappelijk bezit verklaard. De boeren werden gedwongen mee te doen. Om hun weerstand te breken werden in de loop van de Vijfjarenplannen steeds andere groepen boeren als klassenvijand aangeduid. Het waren eerst zogenaamde rijke boeren, de koelakken, die het moesten ontgelden. Na hen volgden andere groepen kleine zelfstandige boeren. De nieuwe ’sovjetboer’ moest, goedschiks of kwaadschiks, doordrongen worden van zijn / haar plicht de nieuwe Sovjetunie op te bouwen.

Terreur en hongersnood [Vervallen per 31-12-2004]

Fanatieke partijleden en radicale boeren / boerinnen uit de eigen omgeving moesten deze ’sovjetboer’ vormen. Iedere vorm van verzet werd op harde wijze bestreden.

In de beginjaren ’30 werden enkele miljoenen boeren gedeporteerd. Voor zover ze niet werden meegevoerd bleven vrouwen en kinderen berooid achter. Een groot deel van de boeren werd ingeschakeld bij de aanleg van wegen en kanalen, de bouw van fabrieken en de houtkap. In de staatsgevangenkampen, bekend onder de naam Goelag, was het sterftecijfer hoog.

Miljoenen boeren trokken naar en / of moesten gaan werken in de nieuwe industriecentra.

De achterblijvende boeren moesten de streefcijfers van het Gosplan halen. De cijfers waren irreëel. De enige zorg van de partijstaat was de vervulling van het plan. De boeren raakten uitgeput. Stalin weigerde elke concessie. In de Oekraïne werd bewust op een hongersnood aangestuurd om het verzet van boeren te breken. Miljoenen boeren kwamen door honger of ziekte om.

3.2. Wat betekende de collectivisatie voor het dagelijks leven van de boeren? [Vervallen per 31-12-2004]

In de greep van de partijstaat [Vervallen per 31-12-2004]

Door het collectieve landbouwsysteem was het particuliere boerenbedrijf volledig verdwenen.

De boerenbevolking was loonarbeider geworden. Ze werd voor het grootste deel in natura uitbetaald. Geld was op het platteland beperkt in omloop.

Het bestuur van een collectieve boerderij, een kolchoz, was in handen van een kolchozvoorzitter.

Hij werd gecontroleerd door partijorganisaties. De kolchoz moest ’het plan’ halen. Door de gebrekkige scholing van vele boeren en hun geringe arbeidsproductiviteit werd dit dikwijls zeer moeilijk. Beloofde machines waren er niet of vertoonden gebreken. De vastgestelde productie moest worden geleverd, ook al hield de kolchoz te weinig over voor eigen voeding of zaaigoed.

De neergang van de traditionele agrarische gemeenschap [Vervallen per 31-12-2004]

Binnen een decennium veranderde de eeuwenoude dorpsgemeenschap drastisch. De traditionele gezagsdragers waren richting Goelag verdwenen of geliquideerd. Zelfstandige boeren en dorpsambachtslieden bestonden niet meer. Families waren door staatsterreur en dwangmaatregelen ontregeld. Het naleven van eeuwenoude christelijke gebruiken werd als een daad van klassevijandschap gezien. Vele jonge mannen en vrouwen, de meest productieve arbeidskrachten, waren vertrokken naar de industriecentra.

In het ’nieuwe dorp’ [Vervallen per 31-12-2004]

De nieuwe landbouwpolitiek werd door de ’boerenarbeiders’ met grote passiviteit bekeken.

De richtlijnen van de partij deden dikwijls afbreuk aan de kennis van de boerenbevolking. Boeren en boerinnen zagen met lede ogen de desastreuze gevolgen van de landbouwpolitiek; zij voelden zich miskend en onderdrukt. De afstand tussen de boerenbevolking en de nieuwe gezagsdragers was groot.

Aan het einde van de jaren dertig vormden vrouwen ca 60% van de arbeidskrachten in een kolchoz; ze verrichtten zware arbeid, o.a. het verbouwen van gewassen en de zorg voor het vee. Relatief veel meer mannen bekleedden bestuurlijke en technische functies binnen de kolchoz.

In het dorp bleef de levensstandaard zeer laag. Het weinige ’echte geld’ dat men kreeg werd nog afgeroomd door verplichte deelname aan staatsspaarplannen. De kolchozen werden vaak ’vergeten’ bij de distributie van de schaarse goederen en consumptiemiddelen.

Hierdoor kwam er een migratie van het dorp naar de stad op gang. De staat poogde dit tegen te gaan door boeren een verplicht binnenlandse paspoort te weigeren.

3.3. Waarom kreeg Stalin geen volledige greep op de boeren? [Vervallen per 31-12-2004]

Aan de vooravond van Sovjetunie’s deelname aan WO II, leverden volgens de statistieken de collectieve boerderijen het overgrote deel van de agrarische productie.

De communistische staat was er echter niet in geslaagd een einde te maken aan de steeds terugkerende voedseltekorten. Vanuit deze realiteit had Stalin in 1935 ’boerenarbeiders’ toegestaan kleine stukjes grond te bebouwen voor eigen gebruik en voor (ruil) handel op de markt van de kolchoz. De voedselvoorziening in de Sovjetunie werd steeds meer afhankelijk van deze ’privé-stukjes grond’.

In tegenstelling tot arbeiders in de steden voelden vele boeren zich niet of nauwelijks verbonden met de vooruitgang van de Sovjetunie. In de kolchozen ervoeren ze alleen de nadelen van het communistisch systeem.

Hoofdstuk 4. Een machtige partij met een zeer machtige leider [Vervallen per 31-12-2004]

4.1. Welke functies en posities hadden partijleden? [Vervallen per 31-12-2004]

De kern van de samenleving [Vervallen per 31-12-2004]

In de Stalin-constitutie van 1936 werd de Partij omschreven als ’leidende kracht’ van allemaatschappelijke en staatkundige organisaties.

In alle geledingen van de samenleving speelde het partijkader een leidende rol. In elke kolchoz, fabriek, overheidsdienst of andere instelling bestond een partijafdeling, onder leiding van een regionale of lokale partijsecretaris. Hij kon als een ’kleine Stalin’ macht uitoefenen.

Een selecte groep [Vervallen per 31-12-2004]

Slechts een paar procent van de bevolking was partijlid. Men werd lid op basis van selectie. Men kon binnen de partij snel carrière maken. Het was ook risicovol, de snelheid van wegzuiveren was rechtevenredig aan het maken van carrière.

Het aantal vrouwen binnen de partij was relatief klein, ca 15 % van alle partijleden. Vrouwelijke partijleden bekleedden functies, veelal op de lagere niveau’s.

Partijleden profiteerden van materiële voorrechten. Voor gewone partijleden kon dat in de praktijk betekenen een betere voedselvoorziening, toegang tot speciale winkels of een betere huisvesting. Voor de echte partijelite ging het om aanzienlijke maatschappelijke bevoorrechting voor de hele familie.

Controle [Vervallen per 31-12-2004]

De uitvoering van het beleid dat hoge eisen stelde aan de spankracht van de samenleving, vroeg om strakke controle. Partijleden moesten de bevolking aanzetten tot harder werken en het halen van de cijfers van het plan. Zij drukten iedere al of niet vermeende vorm van verzet tegen het plan de kop in. Zij moesten wel druk op de ketel zetten omdat zij zelf ook weer werden gecontroleerd door hogere partijorganen.

Propagandistische taak [Vervallen per 31-12-2004]

Partijleden dienden een voorbeeld te zijn voor de bevolking. Zij waren het boegbeeld van denieuwe Sovjetmens. Met posters, pamfletten, liederen en ander materiaal werden de successen van het Plan bejubeld. Daarnaast gebruikte men dezelfde middelen om de bevolking op te roepen waakzaam te zijn tegen de ’buitenlandse vijand’.

4.2. Hoe zorgde Stalin voor een betrouwbaar partijkader? [Vervallen per 31-12-2004]

De organisatie van de partij [Vervallen per 31-12-2004]

Op papier was het Partijcongres het hoogste partijorgaan. Uit dit partijcongres werd een Centraal Comité gekozen, dat op zijn beurt een Politbureau koos. In de praktijk was dit Politbureau echter aan niemand verantwoording schuldig, behalve aan zijn leider: Jozef Stalin. Stalin eiste van de andere leden van de partijleiding volledige loyaliteit. Onder Stalin kwamen partijcongres en Centraal Comité niet vaak bijeen.

Het functioneren van de partij [Vervallen per 31-12-2004]

De partij kende een strakke hiërarchische organisatie. Richtlijnen werden van boven naar beneden doorgegeven en uitgevoerd. Partijleden waren verplicht regelmatig verantwoording af te leggen aan hoger geplaatsten. Partijzuiveringen waren een terugkerend verschijnsel.

Stalins terreurapparaat [Vervallen per 31-12-2004]

Een belangrijke rol in de interne controle van de partij kreeg de staatsveiligheidsdienst. Stalin bracht deze geheime dienst onder in de NKVD, het volkscommissariaat voor binnenlandse zaken. De NKVD controleerde ook de gewone politie en de legerleiding. Ze had het beheer over de concentratie- en werkkampen.

De Grote Terreur [Vervallen per 31-12-2004]

De Grote Terreur toonde de kwetsbare positie van partijleden onder Stalins bewind aan. Na 1936 kreeg de NKVD de vrije hand om af te rekenen met werkelijke en vermeende tegenstanders in de partij. De partij werd uitgedund. In de jaren dertig verdwenen miljoenen partijleden en mensen uit hun familie- of bekendenkring in de kampen, zonder duidelijke beschuldiging of veroordeling. Precieze cijfers ontbreken. Tienduizenden partijfunctionarissen werden zonder vorm van proces terechtgesteld. Door de NKVD werd een aantal hoge partijleden en topofficieren van het Rode Leger tot zelfbeschuldigingen gebracht en al of niet in propagandistisch uitgebuite showprocessen veroordeeld tot dwangarbeid of de doodstraf.

Geleidelijk drong bij Stalin het besef door dat deze Grote Terreur had geleid tot excessen die de belangen van de partij en de kracht van het leger bedreigden. Op bevel van Stalin nam de terreur binnen de partij af.

4.3. Was Stalin een zeer machtige leider? [Vervallen per 31-12-2004]

Stalin had als eerste partijsecretaris een grote macht over het partij- en staatsapparaat.

Om zijn grote macht te benadrukken gebruikte Stalin het middel van beeldvorming. Hij begon een Stalin-verering. In de kunst en propaganda kwam Stalin naar voren als de welwillende, alwetende en vaderlijke leider. In de partij werd een absolute loyaliteit aan de partijleider verwacht. Stalin meed directe contacten met de bevolking en de gewone partijleden. Dit versterkte binnen en buiten de partij de opvatting dat niet de leider, maar de bureaucratie voor de gemaakte fouten verantwoordelijk was.

Angst en terreur waren Stalins vertrouwde politieke wapenen. Zijn politieke denken werd gevoed door een diepe achterdocht. Hij onderscheidde slechts ondergeschikten en tegenstanders. Wie niet onvoorwaardelijk voor hem was, was tegen hem.

Hoofdstuk 5. De mens als staatsbezit [Vervallen per 31-12-2004]

5.1. Waarom wilde Stalin de nieuwe Sovjetmens creëren? [Vervallen per 31-12-2004]

De nieuwe politieke orde vroeg om een ’totale revolutie’. Parallel aan de economische en politieke veranderingen diende om een totalitaire samenleving te bereiken ook een culturele ommekeer plaats te vinden.

De kerngedachte is de maakbaarheid van het individu en van de samenleving. De nieuwe Sovjetmens was iemand die zich met volle overgave wijdde aan de opbouw van het communisme in de Sovjetunie. Eigenschappen van deze nieuwe Sovjetmens waren overtuiging en enthousiasme, maar ook onverzoenlijkheid en meedogenloosheid als het moest.

Om deze nieuwe Sovjetmens te vormen kwam elk van de volgende aspecten geheel in dienst van de idealen van Stalin en de Partij te staan: opvoeding, onderwijs, de jeugdbeweging en de vrijetijdsbesteding van ouderen. De greep van de partijstaat op elk van deze terreinen diende totaal te zijn.

5.2.1. Hoe droegen opvoeding en onderwijs bij aan de vorming van de nieuw Sovjetmens? [Vervallen per 31-12-2004]

Volgens de officiële partijlijn werd kinderen onderwezen dat het collectief belangrijker is dan het individu en het gezin ondergeschikt is aan de politieke eenheid. Het kind leerde loyaal te zijn aan Stalin, de Partij en het Vaderland en als laatste aan zijn ouders. De onttrekking aan de invloed van de ouders werd bevorderd door de massale inschakeling van vrouwen in het arbeidsproces.

Al in de kinderopvang lag het accent op disciplinering en het bijbrengen van elementaire vaardigheden. Het doel van de staatsopvoeding was: het aanleren van een basishygiëne, het aanleren van de grondprincipes van sociaal gedrag en het verwerven van de basisvaardigheden voor de Sovjetmens.

Deze basisopvoeding kreeg een vervolg in het (voortgezet) onderwijs, de jeugdbeweging en het Rode Leger.

Door alfabetiseringsprogramma’s konden volwassenen hun achterstand inhalen. Onderwijs en wetenschap werden gezien als middel om vele doelen te bereiken. Onderwijs was noodzakelijk om analfabetisme, godsdienst en bijgeloof uit te bannen. Onderwijs en wetenschap moesten ook nieuwe specialisten voor industrie en landbouw opleveren. Wetenschap stond in dienst van de politieke orde.

5.2.2. Hoe droeg de jeugdbeweging bij aan de vorming van de nieuw Sovjetmens? [Vervallen per 31-12-2004]

Voor de gewenste vrijetijdsbesteding van de jongens en meisjes stond de Komsomol model. De Komsomol was een van de pijlers van het Stalinistisch systeem.

Het lidmaatschap van de Komsomol was een erezaak, men behoorde tot de uitverkorenen (15% van alle jonge arbeiders en boeren), tot de toekomstige leden van de Communistische partij. Binnen de Komsomol heerste eveneens een strenge hiërarchie. De leden moesten bewijzen de energiekste, verstandigste en moedigste groep jongeren te zijn. Zij voerden fel actie tegen godsdienst en christelijke gebruiken. Met name meisjes werkten vrijwillig als ’cultuursoldaat’ mee aan alfabetiseringsprogramma’s. Komsomol-leden streden voor de verspreiding van de radio. Ze protesteerden tot ongenoegen van het hoge partijkader ook tegen belabberde woon- en werkomstandigheden.

5.2.3. Hoe droegen de vrijetijdsbesteding van ouderen bij aan de vorming van de nieuw Sovjetmens? [Vervallen per 31-12-2004]

In plaats van religieuze vieringen kwamen massavieringen. Kerken werden afgebroken of omgebouwd tot openbare plaatsen voor sport, dienstverlening of vermaak. Christelijke feestdagen maakten plaats voor communistische vieringen (o.a. de oktoberrevolutie en 1 mei). Sport diende een belangrijke plaats in het leven van de Sovjetmens in te nemen. Collectieve prestaties benadrukten de kracht van het socialisme.

Met alle moderne middelen werd de Sovjetmens aangevuurd om mee te werken aan de opbouw van de ware socialistische samenleving. Film, posters en brochures werden verspreid tot in de verste uithoeken van de Sovjet-Unie.

Arbeiders kregen de beschikking over eigen recreatiegebouwen, zoals arbeidersclubs en avondscholen. De vrije tijd van de arbeider stond in dienst van het permanente leren.

Ook de kunst moest in dienst staan van het socialisme. Schilderkunst, literatuur, film en muziek werden gecontroleerd door de staat. De kunst moest begrijpelijk zijn voor de massa van het volk. De zelfherkenning moest sterk zijn, dus gelukkige hard werkende mensen die werken aan de opbouw van de Sovjetunie.

5.3. Waarom kreeg de partijstaat geen volledige greep op de Sovjetburger? [Vervallen per 31-12-2004]

Stalin moest afzien van zijn gezinspolitiek toen bleek dat de bevolkingsgroei daalde; een gevaarlijke ontwikkeling bij een (mogelijk) naderende oorlog. Het gezin werd door Stalin erkend als een eigen, zelfverantwoordelijke eenheid. Moeders van grote gezinnen gaf hij een beloning of de eretitel ’Moeder-heldin’.

De culturele vernieuwingen werden vooral zichtbaar in de steden. In de kolchozen was er veel minder ruimte voor en waren de mensen veel minder geschoold. De boerenbevolking bleef eeuwenoude gebruiken en gewoonten volgen. Ook werd in stilte de godsdienst beleden.

De woningnood, de arbeidsdruk, de schaarste aan consumptiegoederen, de bureaucratie, de bevoorrechting van partijleden en andere problemen in het dagelijks leven drukten het enthousiasme van Sovjetbevolking over de culturele vernieuwingen. Bij de dood van Stalin in 1953 was er nog maar weinig van het enthousiasme over.

Hoofdstuk 6. Het communistisch systeem tijdens ’de Grote Vaderlandse Oorlog’ (1941-1945) [Vervallen per 31-12-2004]

6.1. Welke ontwikkelingen bedreigden het communistisch systeem? [Vervallen per 31-12-2004]

De Duitse inval [Vervallen per 31-12-2004]

Operatie Barbarossa bracht de Sovjetunie in de periode 1941-1942 op de rand van de nederlaag. Het Duitse leger drong diep in het Europese deel van de Sovjetunie door, tot de lijn Leningrad - Moskou - Stalingrad. In de eerste zeven maanden verloor de Sovjetunie al miljoenen militairen. Grote steden en industriecentra vielen, zwaar beschadigd, in Duitse handen. In de Baltische gebieden, delen van Wit-Rusland en in de Oekraïne verwelkomde een deel van de lokale bevolking de binnenvallende Duitsers.

Ondermijnd gezag [Vervallen per 31-12-2004]

Verkeerde inschattingen of beslissingen van Stalin werden zichtbaar. Stalin had te veel vertrouwd op het in 1939 met Hitler gesloten niet-aanvalsverdrag. Het Sovjetleger was voorbereid op een offensieve en niet op een defensieve oorlog; de legertop was door zuiveringen erg verzwakt. Na de Duitse inval stond Stalin eerst geen tactische terugtocht toe. Door de gecentraliseerde commandostructuur en de grote macht van politieke commissarissen in het Rode Leger durfden commandanten geen eigen beslissingen te nemen. De vlucht van partij en regeringsfunctionarissenen van NKVD leden oostwaarts ondermijnden het gezag van Stalin en het vertrouwen in het zijn systeem nog verder.

6.2. Hoe wist Stalin zijn gezag te herwinnen? [Vervallen per 31-12-2004]

Pragmatische koers [Vervallen per 31-12-2004]

Stalin koos een pragmatische koers. Hij gaf opdracht de industrie in bedreigde gebieden naar het oosten te verplaatsen en volledig voor de oorlog in te zetten. Hij handhaafde de commando-economie maar liet op regionaal niveau bedrijven zelf beslissingen nemen over het zo doelmatig mogelijk gebruiken van grondstoffen en van arbeidskrachten. Een gigantische oorlogsproductie maakte in 1943 een succesvolle aanvalsoorlog onder leiding van Stalin mogelijk. Stalin stond een militaire commandostructuur toe buiten de partijkanalen om. Hij werd zelf volkscommissaris voor het leger en gaf zijn generaals meer ruimte voor het nemen van eigen beslissingen.

Verloop van de oorlog [Vervallen per 31-12-2004]

Door strategische fouten, natuurlijke omstandigheden, de lange bevoorradings- en communicatielijnen, de partizanenoorlog en het overwicht van de Sovjetunie inzake grondstoffen en mankracht verliep vanaf 1942 de oorlog voor de Duitsers steeds slechter. Een belangrijk keerpunt was de strijd rond Stalingrad. Naarmate de problemen voor de Duitsers groter werden nam het gezag van Stalin weer toe.

Nationalisme [Vervallen per 31-12-2004]

Stalin stimuleerde een sterk Russisch nationalismena de Duitse inval, door bewuste propaganda en een versoepeling van de politiek inzake de Russisch orthodoxe Kerk. Dit wierp zijn vruchten af. Gaandeweg de oorlog werd Stalin de onbetwiste nationale leider, de vaderfiguur die streed voor ’Moedertje Rusland’.

Terreur [Vervallen per 31-12-2004]

Ondanks de genoemde versoepeling hield tijdens de oorlog Stalins terreur tegen de bevolking stand en bleef de Goelag vol. Op falende militairen werd standrecht toegepast. Hele bevolkingsgroepen werden naar Siberië gedeporteerd.

6.3. Waarom veranderde het communistisch systeem door de oorlog niet van aard? [Vervallen per 31-12-2004]

Na de overwinning op Duitsland in 1945 was Stalin bij een groot deel van de Sovjetbevolking populair. Zij waren trots op de positie van grote militair-industriële mogendheid die de Sovjetunie had verworven. Onder de bevolking leefde hoop op een verder liberalisatie binnen het communistisch systeem. De communistische commando-economie met op onderdelen een eigen verantwoordelijkheid kon nu worden ingezet bij de gigantische wederopbouw.

Stalin, gesteund door de partijelite, kon en wilde niet op deze wens ingaan. Hij voelde zich bedreigd door nieuwe ontwikkelingen tijdens en direct na de oorlog: de contacten tussen Russische militairen en westerse bondgenoten, de successen van het leger en de populariteit van generaals, en de toegenomen invloed van plaatselijke partijleiders. Een verdere liberalisatie zou zijn communistisch systeem verder ondermijnen.

Hoofdstuk 7. De donkere jaren 1946 - 1953 [Vervallen per 31-12-2004]

7.1. Welke ontwikkelingen zijn kenmerkend voor de laatste zeven jaar van Stalins bewind? [Vervallen per 31-12-2004]

Nieuwe zuiveringen [Vervallen per 31-12-2004]

Vanaf 1945 zette de politiek terreur door. Lavrenti Beria, chef van de staatsveiligheidsdienst, speelde hierin een belangrijke rol. Golven van zuiveringen volgden elkaar op. Slachtoffer van zuiveringen werden o.a. militairen die krijgsgevangen waren geweest of contact met bondgenoten hadden gehad; plaatselijke partijleiders in Leningrad die de verdediging van Leningrad goed hadden geleid, niet-Russische volken die vaak ten onrechte van samenwerking met de Duitsers werden verdacht; en intellectuelen wier kennis tijdens de oorlog onmisbaar was geweest. Vlak voor de dood van Stalin in 1953 dreigde een nieuwe golf van terreur, vooral tegen joden, naar aanleiding van het zgn. ’dokterscomplot’. Vervolging van kerk en gelovigen werd weer opgepakt.

Geconcentreerde macht [Vervallen per 31-12-2004]

Stalin regeerde nog steeds met een kleine groep vertrouwelingen. Hij riep zelden het Centrale Comité en het Politbureau en nooit het Partijcongres bijeen. Het leger werd volledig onder controle geplaatst. Stalin wilde zijn greep op de samenleving vergroten door decreten die een verwoestend effect hadden op cultuur en wetenschappen.

De voortzetting van een planeconomie [Vervallen per 31-12-2004]

Stalin koos voor een herstel van het communistisch systeem van de jaren dertig. In de vijfjarenplannen lag opnieuw het accent op de (weder)opbouw van een zware industrie en op collectieve bedrijfsvoering in de landbouw. Stalin weigerde economische hulp vanuit het westen (het Marshallplan) en koos voor een internationaal isolement. Veel geld werd gestoken in de bewapening als gevolg van de Koude Oorlog en in de bezetting van Oost-Europa. Het buitenlandse gevaar vormde (opnieuw) een rechtvaardigingsgrond voor de geëiste maximale inzet en de minimale beloning van Sovjetbevolking. De levensstandaard van de Sovjetbevolking bleef op een zeer laag niveau staan.

Een grootmacht met angst [Vervallen per 31-12-2004]

In tegenstelling tot de jaren dertig speelde de Sovjet-Unie op internationaal gebied een grote rol zichtbaar in: de vestiging van de Sovjetinvloed in Oost-Europese landen, de ontwikkeling van de Russische atoombom en de crisis rond Berlijn (1948-1949). De Koude Oorlogsangst was diep geworteld in het denken en handelen van Sovjetbevolking en van de leider Stalin zelf.

7.2. Hoe groot was de macht van Stalin in deze jaren? [Vervallen per 31-12-2004]

Stalins positie was tot zijn dood in 1953 onaantastbaar. Ongestraft leek hij maatregelen te kunnen nemen om zijn positie te handhaven. Lange tijd zijn Stalins willekeurig en despotisch gedrag in deze jaren gezien als een bewijs van ’gerijpt dictatorschap’. Uit recent onderzoek blijkt dat Stalin in deze jaren zich in toenemende mate onzeker voelde over het trage verloop van de wederopbouw en de internationale spanningen. Hij takelde als gevolg van zijn leeftijd en van zijn grote inzet tijdens de oorlog geestelijk en lichamelijk af. Bij tijden voelde hij zich opgesloten in zijn eigen systemen of die van de geheime dienst.

Literatuur: zie Havo/ Vwo [Vervallen per 31-12-2004]