Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling impuls beroeponderwijs voor landelijke organen 2000[Regeling vervallen per 31-12-2004.]

Geldend van 09-09-2000 t/m 30-12-2004

Regeling impuls beroeponderwijs voor landelijke organen 2000

De minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

Gelet op artikel 2.7 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen [Vervallen per 31-12-2004]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. minister:

    de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen;

  • b. wet:

    de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • c. landelijk orgaan:

    een landelijk orgaan als bedoeld in artikel 1.5.1 van de wet;

  • d. een project:

    een samenhangend geheel van werkzaamheden gericht op de doelstelling, bedoeld in artikel 2;

  • e. vmbo:

    voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs verzorgd aan een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, een school voor voorbereidend beroepsonderwijs, dan wel een scholengemeenschap waarvan in elk geval een school voor middelbaar algemeen voortgezet onderwijs of een school voor voorbereidend beroepsonderwijs deel uitmaakt als bedoeld in artikel 21, eerste lid, tweede volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs;

  • f bo:

    het beroepsonderwijs bedoeld in de wet;

  • g hbo:

    het hoger beroepsonderwijs, bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

  • h Vereniging Colo:

    de vereniging voor landelijke organen beroepsonderwijs.

Artikel 2. Doel [Vervallen per 31-12-2004]

Het doel van de regeling is het verlenen van aanspraak op een aanvullende vergoeding aan landelijke organen en subsidie aan de Vereniging Colo ten behoeve van projecten met als doelstelling:

  • a. het verbeteren van de aansluiting tussen de structuren van het vmbo en het bo;

  • b. het verbeteren van de aansluiting tussen de structuren van het bo en het hbo;

  • c. het verbeteren van de programmatische aansluiting tussen vmbo en bo;

  • d. het verbeteren van de programmatische aansluiting tussen bo en hbo;

  • e. het verbeteren van de aansluiting tussen het onderwijs van het bo en de praktijk van het beroep, zoals dat wordt uitgevoerd in het leerbedrijf.

Artikel 3. Hoogte van de aanvullende vergoeding [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1 Voor toekenningen van aanvullende vergoedingen en subsidie op grond van deze regeling is een bedrag van ƒ 8.000.000,- beschikbaar.

  • 2 De hoogte van de aanvullende vergoeding voor een landelijk orgaan en de subsidie aan de Vereniging Colo wordt bepaald door de minister, op voorstel van de Vereniging Colo. Dit voorstel wordt door de Vereniging Colo ingediend bij de minister voor 6 oktober 2000.

  • 3 In het voorstel, bedoeld in het tweede lid, maakt de Vereniging Colo aannemelijk dat met projecten, bedoeld in artikel 4, vierde lid, het gemeenschappelijk belang van de landelijke organen wordt gediend.

  • 4 De minister maakt de hoogte van de aanvullende vergoeding respectievelijk de subsidie uiterlijk 20 oktober aan de landelijke organen en de Vereniging Colo bekend.

Artikel 4. Voorwaarden [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1 De minister verleent de aanspraak op een aanvullende vergoeding, bedoeld in artikel 3, slechts indien het bestuur van het landelijk orgaan voor 15 september 2000 een verzoek indient bij de Vereniging Colo.

  • 2 In het verzoek is opgenomen:

    • a. indien landelijke organen samenwerken, het landelijk orgaan dat de aanvullende vergoeding ontvangt;

    • b. een plan van aanpak conform het format dat door de Vereniging Colo op 13 juli 2000 bij brief met kenmerk RVDK 5746CM/9.1 aan de landelijke organen is toegezonden.

  • 3 Het plan van aanpak omvat ten minste:

    • a. de uitwerking van de doelstellingen, bedoeld in artikel 2;

    • b. een duidelijke en concrete omschrijving van de voorgestelde opbrengst van het project en de wijze waarop deze opbrengst bijdraagt aan de doelstellingen, bedoeld in artikel 2;

    • c. een duidelijke en concrete omschrijving van de uitvoering van de activiteiten van het project die voldoet aan eisen van kwaliteit, waaronder in elk geval de eis dat het project aansluit op kenbare en relevante beleidsontwikkeling terzake binnen het landelijk orgaan;

    • d. de wijze waarop met scholen die vmbo verzorgen, hogescholen en instellingen, bedoeld in artikel 1.3.1 van de wet, wordt samengewerkt.

  • 4 De Vereniging Colo kan in overleg met de landelijke organen een verzoek indienen voor aanspraak op een subsidie ter uitvoering van een project als bedoeld in artikel 2, indien het project het gemeenschappelijk belang van de landelijke organen dient. Het tweede lid onderdeel a, en het derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 5 De Vereniging Colo draagt er zorg voor dat van het voorstel, bedoeld in artikel 3, tweede lid, deel uitmaakt een controle van de aansluiting van het vmbo met de eindtermen van de opleidingen, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid onderdelen a en b, van de wet.

Artikel 5. Rapportages [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1 Het landelijk orgaan zendt vóór 1 mei 2001 een eindrapportage die voldoet aan het format van de Vereniging Colo, aan de minister en de Vereniging Colo.

  • 2 Op projecten, bedoeld in artikel 4, vierde lid, is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6. Verantwoording [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1 Het landelijk orgaan verantwoordt de aanvullende vergoeding door middel van: a. de eindrapportage, bedoeld in artikel 5, eerste lid; b. een financiële verantwoording op de wijze zoals omschreven in de Regeling Financieel jaarverslag (jaarrekening) voor instellingen/ organen in de bve-sector met ingang van het verslagjaar 2000.

  • 2 De Vereniging Colo dient uiterlijk binnen dertien weken na afloop van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, een aanvraag in tot vaststelling van de subsidie. De aanvraag omvat in elk geval een eindrapportage als bedoeld in artikel 5, tweede lid, en een financiële verantwoording.

Artikel 7. Terugvordering [Vervallen per 31-12-2004]

De aanvullende vergoeding respectievelijk de subsidie kan geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd van een aanvrager, indien:

  • a. er uiterlijk 1 mei 2001 geen eindrapportage is ingediend bij de minister;

  • b. de aanvrager onjuiste, niet tijdige of voor de beoordeling van de uitvoering van de regeling onvolledige gegevens heeft verstrekt;

  • c. het project niet is gestart, aanzienlijk is vertraagd of voortijdig wordt beëindigd;

  • d. de ontvanger van de aanvullende vergoeding respectievelijk de subsidie heeft gehandeld in strijd met de aan de aanvullende vergoeding verbonden verplichtingen, of

  • e. de ontvanger van de aanvullende vergoeding respectievelijk de subsidie kennelijk in strijd met het doel van de aanvullende vergoeding respectievelijk de subsidie heeft gehandeld.

Artikel 8. Bekendmaking [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling zal met toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 9. Inwerkingtreding [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na dagtekening van Uitleg OCenW-Regelingen waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 10. Citeertitel [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling impuls beroeponderwijs voor landelijke organen 2000.

De

minister

van onderwijs, cultuur en wetenschappen

Drs. L. M. L. H.A. Hermans