Regeling eisen geschiktheid 2000

Geldend van 01-01-2018 t/m 30-06-2018

Regeling eisen geschiktheid 2000

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 111, vierde lid, 130 tot en met 132 en 134 van de Wegenverkeerswet 1994;

Besluit:

Artikel 1

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder:

    • a. groep 1: rijbewijzen van de categorieën A1, A2, A, B, B+ E en T;

    • b. groep 2: rijbewijzen van de categorieën C, C1, CE, C1E, D, D1, DE en D1E.

  • 2 Voor de toepassing van deze regeling wordt categorie B+code 96 gelijkgesteld met categorie BE.

Artikel 2

De eisen met betrekking tot de lichamelijke en geestelijke geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen worden vastgesteld overeenkomstig de bij deze regeling behorende bijlage.

Artikel 3

De Regeling eisen geschiktheid (Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 12 juni 1996, nr. HW/RV 218632 Hoofddirectie van de Waterstaat (Stcrt. 117)) wordt ingetrokken.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Verkeer en Waterstaat,

T. Netelenbos

Bijlage behorende bij de Regeling eisen geschiktheid 2000

Inhoudsopgave

1 Inleiding

2 Algemene opmerkingen

3 Stoornissen van het gezichtsvermogen.

3.1 Inleiding

3.2 Visus

3.3 Gezichtsvelden

3.4 Verlies van een oog

3.5 Rijtest

3.6 Nader oogheelkundig onderzoek

3.7 Progressieve oogaandoeningen

3.8 Donkeradaptatie

3.9 Contrastgevoeligheid

3.10 Intra-oculaire lenzen

4 Stoornissen van gehoor en evenwicht

4.1 Inleiding

4.2 Slechthorendheid en doofheid

4.3 Het syndroom van Ménière

5 Inwendige ziekten

5.1 Inleiding

5.2 Diabetes mellitus

5.3 Hypertensie

5.4 Chronische nierschade

5.5 Longziekten

5.6 Bloedziekten

5.7 Orgaantransplantatie

6 Hart- en vaatziekten

6.1 Inleiding

6.2 Chronisch hartfalen

6.2.1 Steunhart: Ventricular Assist Device (VAD)

6.3 Ischemische hartziekten

6.4 Cardiomyopathieën

6.5 Hartklepafwijkingen

6.6 Aangeboren hartafwijkingen

6.7 Ritmestoornissen

6.8 Thoracale aorta aneurysma (TAA) en abdominale aorta aneurysma (AAA)

7 Neurologische aandoeningen

7.1 Inleiding

7.2 Epileptische aanval(len)

7.3 Slaapstoornissen

7.4 Progressieve ziektebeelden

7.5 Intracraniële tumoren

7.6 Doorbloedingsstoornissen van de hersenen

7.7 Stationaire beelden

8 Psychiatrische stoornissen

8.1 Algemeen

8.2 Schizofreniespectrumstoornissen en andere psychotische stoornissen

8.3 Bipolaire en depressieve stoornissen

8.4 Angststoornissen

8.5 Dissociatieve stoornissen

8.6 Cognitieve stoornissen

8.7 Persoonlijkheidsstoornissen

8.8 Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)

8.8.1 Regelmatig gebruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)

8.9 Verstandelijke handicap

8.10 ADHD (inclusief subtypen)

8.11 Autismespectrumstoornissen (ASS)

9 Lichamelijke handicaps

10 Geneesmiddelen

10.1 Inleiding

10.2 Geneesmiddelen bij psychotische stoornissen

10.3 Geneesmiddelen bij stemmingstoornissen

10.4 Psychostimulantia

10.5 Hypnotica, sedativa, anxiolytica

10.6 Antidiabetica

10.7 Anti-epileptica

10.8 Anticoagulantia

10.9 Antihistaminica

10.10 Antihypertensiva

10.11 Corticosteroïden

10.12 Maag-darmmiddelen

10.13 Analgetica

10.14 Geneesmidddelen tegen migraine en clusterhoofdpijn

10.15 Parasympaticolytica, parasympaticomimetica, sympaticolytica, sympaticomimetica

10.16 Parkinsonmiddelen

10.17 Cytostatica/oncolytica

10.18 Vertigomiddelen

10.19 Misbruik van geneesmiddelen

11 Syncope en wegraking van onbewezen origine

11.1 Inleiding

11.2 Reflexsyncope

11.2.1 Klassieke vasovagale syncope

11.2.2 Situationele syncope

11.2.3 Sinus caroticus syncope

11.3 Cardiale syncope

11.4 Syncope ten gevolge van orthostatische hypotensie

11.5 Syncope van onbewezen origine

11.6 Wegraking van onbewezen origine

12 Overige met de geschiktheid interfererende aandoeningen

Hoofdstuk 1. Inleiding

Bij het formuleren van medische geschiktheidseisen doet zich internationaal het probleem voor, dat - afgezien van de invloed van alcoholgebruik - er nog altijd betrekkelijk weinig epidemiologische gegevens zijn over de relatie tussen de gezondheidstoestand van verkeersdeelnemers en het veroorzaken van verkeersongevallen. Het spreekt voor zich dat de ongevalskans kan toenemen door een verminderde lichamelijke of geestelijke conditie van degene die een motorrijtuig bestuurt. Ook is het duidelijk dat aandoeningen als blindheid of een ernstige geestesziekte iemand zonder meer ongeschikt maken voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer.

Hoofdstuk 2. Algemene opmerkingen

Groep 1 en groep 2

In de hierna volgende hoofdstukken worden de eisen geformuleerd voor het beoordelen van de lichamelijke en geestelijke geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen. Daarbij wordt de indeling in rijbewijssoorten gehanteerd zoals aangegeven in de derde Europese richtlijn betreffende het rijbewijs 2006/126/EG: groep 1 (categorie A1, A2, A, B, BE, B+code 96) en groep 2 (rijbewijscategorieën C, C1, CE, C1E, D, D1, DE, D1E).

Geschiktheid

Vervolgens wordt het begrip geschiktheid gebruikt. Geschiktheid heeft betrekking op de lichamelijke en geestelijke kwaliteiten op grond waarvan een persoon wel of niet, of voor een beperkte tijdsduur dan wel op voorwaarden, geschikt is voor het besturen van een motorrijtuig. De vaststelling van de geschiktheid voor één of meer rijbewijscategorieën geschiedt door middel van registratie van de verklaring van geschiktheid door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: CBR) in het rijbewijsregister van de Dienst Wegverkeer (hierna: RDW).

Aantekening arts

De medische gegevens die het CBR ontvangt voor de beoordeling van de geschiktheid bestaan uit de aantekening door de keurend arts, eventueel aangevuld met een ingevuld Geneeskundig verslag en zo nodig een specialistisch rapport. Met een aantekening van de keurend arts wordt bedoeld de aantekening over aard en ernst, die door een arts wordt geplaatst op de Eigen verklaring dan wel op een bijlage bij de Eigen verklaring, als één van de vragen bevestigend is beantwoord. Die mag, voor zover in het dossier van de aanvrager relevante, recente en feitelijke informatie aanwezig is, ook geplaatst worden door de behandelend arts. Naast de aantekening op de Eigen verklaring kan de keurend arts ook gevraagd worden een specifieke vragenlijst bij de Eigen verklaring in te vullen, zoals de diabetesvragenlijst en de beroertevragenlijst.

Specialistisch rapport

Met het specialistisch rapport is in eerste instantie bedoeld het rapport dat het CBR ontvangt van de onafhankelijke specialist naar wie de aanvrager door het CBR is verwezen. Deze groep vaste specialisten verricht met enige regelmaat rijbewijskeuringen en zijn op de hoogte van de specifieke eisen aan de geschiktheid zoals beschreven in de volgende hoofdstukken. Voor deze specialisten heeft het CBR een regeling opgesteld, met de voorwaarden waaraan beide partijen moeten voldoen. In de Vorderingsprocedure, het onderzoek naar een vermoeden van ongeschiktheid op grond van artikel 133 van de Wegenverkeerswet 1994 en bij een verzoek om een herkeuring op grond van artikel 104 van het Reglement rijbewijzen, zal het rapport altijd zijn opgemaakt door een onafhankelijk specialist.

De essentie is dat het CBR informatie ontvangt die voldoende is om een oordeel te vormen over alle aspecten die in de volgende hoofdstukken specifiek benoemd worden. In die gevallen waar het gaat om recente, feitelijke informatie, zonder oordeel van de medisch specialist over de geschiktheid, is het op grond van de KNMG-gedragsregels ook toegestaan dat in de Eigen verklaringprocedure de eigen behandelaar het specialistisch rapport opstelt volgens een door het CBR opgesteld sjabloon. Een kopie van een specialistenbrief is alleen toegestaan als de inhoud van de brief niet meer gegevens bevat dan strikt noodzakelijk voor de beoordeling van de geschiktheid (2010 KNMG Richtlijnen inzake het omgaan met medische gegevens paragraaf 3.9 Medische keuringen).

Supervisie

Waar voor de beoordeling van de geschiktheid een specialistisch rapport nodig is, is daarmee bedoeld een rapport dat is opgesteld en ondertekend door een medisch specialist, waarbij het is toegestaan dat delen van het onderzoek onder supervisie en verantwoordelijkheid van de specialist zijn uitgevoerd door een derde.

Hoofdstuk 3. Stoornissen van het gezichtsvermogen

3.1. Inleiding

In dit hoofdstuk worden de eisen aan de geschiktheid gegeven voor het gezichtsvermogen.

3.2. Visus

3.2.1. Visuseisen rijbewijzen van groep 1

De binoculaire visus moet, eventueel gecorrigeerd, ten minste 0,5 te bedragen.

Bij personen die het gezichtsvermogen aan één oog missen, of die in geval van diplopie slechts een oog gebruiken, dient de visus van het functionerende oog ten minste 0,5 te bedragen. Voor hen geldt tevens paragraaf 3.4.

In uitzonderlijke omstandigheden kunnen personen met een visus vanaf 0,4 tot 0,5 geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1. Voorwaarden zijn de afwezigheid van andere interfererende visuele functiestoornissen, een rapport van een oogarts en een positieve rijtest (zie ook paragraaf 3.5).

3.2.1.1. Rijden met een monoculair bioptisch telescoopsysteem

Onder voorwaarden kunnen personen die de visus van 0,5 bereiken met behulp van een monoculair bioptisch telescoopsysteem (BTS) geschikt worden verklaard voor een rijbewijs van de categorieën B, BE en T.

De voorwaarden zijn dat:

  • de visus met beide ogen tezamen, eventueel gecorrigeerd, ten minste 0,16 bedraagt;

  • de visus bij kijken door de bioptische telescoop ten minste 0,5 bedraagt;

  • die persoon niet het gezichtsvermogen van één oog volledig is kwijtgeraakt of slechts één oog gebruikt;

  • er geen andere hinderlijke oogheelkundige functiestoornissen met betrekking tot verkeersdeelname zijn.

Een rapport van een oogarts is vereist. Het rapport moet ingaan op oorzaak, prognose en stabiliteit van de visus en bevat een advies aan het CBR over de geschiktheidstermijn. De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar.

Voor de beoordeling van de geschiktheid is een rijtest vereist met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol. Voor een rijtest komen alleen personen in aanmerking die aantoonbaar voldoende training hebben gehad bij een door het CBR erkend trainingscentrum voor rijden met een bioptisch telescoopsysteem. Na een positieve rijtest kunnen personen die een bioptisch telescoopsysteem gebruiken slechts geschikt worden verklaard met beperking van de rijbevoegdheid tot:

  • alleen rijden met een bioptisch telescoopsysteem;

  • alleen rijden bij daglicht (vanaf één uur na zonsopgang tot één uur voor zonsondergang);

  • privégebruik en;

  • rijden met voertuigen met een automatische schakeling ingeval van rijbewijzen van de categorie B en BE.

Aan beroepsmatig gebruik van een rijbewijs van groep 1 door personen met een bioptisch telescoopsysteem moeten strenge eisen worden gesteld. Personen met een bioptisch telescoopsysteem kunnen in beginsel alleen geschikt worden verklaard voor groep 1 als de rijbevoegdheid wordt beperkt tot privégebruik.

Op speciaal verzoek kan – in individuele gevallen – een uitzondering worden gemaakt op de beperking tot privégebruik. Deze personen mogen geschikt worden verklaard voor beperkt beroepsmatig vervoer, niet zijnde vervoer van personen of het onder toezicht doen besturen van derden, voor maximaal vier uren per dag. Voorwaarden zijn een rapport van een oogarts en een verklaring van de werkgever, volgens een door het CBR vastgesteld model.

3.2.2. Visuseisen rijbewijzen van groep 2

De visus van het beste oog dient, eventueel gecorrigeerd, ten minste 0,8 te bedragen en van het minder goede oog, eventueel gecorrigeerd, ten minste 0,1.

Ongeschiktheid bestaat ook bij een plotselinge, substantiële terugval van de visus in één oog. Deze personen kunnen na een aanpassingsperiode van minimaal drie maanden en op basis van een positief advies van een oogarts weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 2, mits de resterende visus voldoet aan bovengenoemde minimumnorm.

3.2.3. Brekingsafwijkingen

  • a. groep 1: Geen eisen.

  • b. groep 2: Brillenglazen zijn toegestaan tot een sterkte van plus of min 8 dioptrieën. Contactlenzen zijn tot elke sterkte toegestaan, mits zij goed worden verdragen.

3.2.4. Kleurenzien

Geen eisen.

3.2.5. Diplopie

  • a. groep 1: Personen met storende diplopie zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1. Bij het afdekken van een oog geldt paragraaf 3.4.

  • b. groep 2: Personen met diplopie zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.

3.3. Gezichtsvelden

  • a. groep 1: Het horizontale gezichtsveld moet minimaal 120 graden zijn en het bereik dient zich links en rechts minstens 50 graden uit te strekken. Het verticale gezichtsveld dient minstens 20 graden naar boven en beneden te zijn. Binnen een straal van 20 graden vanuit het centrum mogen zich geen gezichtsvelddefecten bevinden.

    In uitzonderlijke omstandigheden kunnen personen die niet voldoen aan de normen voor het gezichtsveld, zoals bij scotomen, kwadrantanopsie of homonyme hemianopsie, geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1. Voorwaarden zijn de afwezigheid van andere visuele functiestoornissen, een positief advies van een oogarts en een positieve rijtest (zie paragraaf 3.5).

    Deze uitzondering geldt niet voor personen met een gezichtsveld van minder dan 90 graden horizontaal.

  • b. groep 2: Het binoculaire horizontale gezichtsveld moet minimaal 160 graden zijn en het bereik dient zich links en rechts minstens 70 graden uit te strekken. Het verticale gezichtsveld dient minstens 30 graden naar boven en naar beneden te zijn. Binnen een straal van 30 graden vanuit het centrum mogen zich geen gezichtsvelddefecten bevinden.

3.4. Verlies van het gezichtsvermogen van één oog

  • a. groep 1: Ongeschiktheid bestaat bij het plotseling verlies van het gezichtsvermogen van één oog, dus ook bij storende diplopie waarbij afdekken van één oog noodzakelijk is. Deze personen kunnen na een aanpassingsperiode van minimaal drie maanden en op basis van een positief advies van een oogarts weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1.

  • b. groep 2: In uitzonderingsgevallen kan een beroepschauffeur, die al in het bezit is van één of meer rijbewijzen van groep 2, na een aanpassingsperiode van minimaal drie maanden en op basis van een positief advies van een oogarts, weer geschikt worden verklaard voor een geografisch beperkt rijbewijs van de categorieën C/CE of D/DE, dat zich maximaal kan uitstrekken tot het grondgebied van Nederland.

    Voorwaarden zijn een positief oogartsrapport, een verklaring van de werkgever volgens door het CBR opgesteld model en een positieve rijtest (zie paragraaf 3.5).

3.5. Rijtest

Indien het CBR voor een juiste oordeelsvorming over de geschiktheid een rijtest nodig acht, schakelt het een deskundige in op het gebied van de praktische geschiktheid (van de desbetreffende afdeling van het CBR) voor het afnemen ervan. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol.

3.6. Nader oogheelkundig onderzoek

Personen bij wie de keurend arts geen belangrijke oogheelkundige afwijkingen heeft gevonden kunnen op basis van de gegevens van de keurend arts geschikt worden bevonden. Indien er wel belangrijke afwijkingen zijn, is aanvullend onderzoek door een oogarts noodzakelijk in verband met een eventuele beperking van de geschiktheidstermijn.

3.7. Progressieve oogaandoeningen

Beperking van de geschiktheidstermijn is aangewezen bij progressieve oogaandoeningen, zoals cataract, glaucoom met gezichtsveldbeperking, degeneratieve en vasculaire netvliesaandoeningen, progressief lijden van de nervus opticus. Voor de beoordeling is een rapport van een oogarts vereist.

3.8. Donkeradaptatie

De donkeradaptatie dient min of meer ongestoord te zijn. Bij twijfel aan dit vermogen zal nader onderzoek met een adaptometer moeten plaatsvinden: de maximaal toegestane afwijking bedraagt één logeenheid.

Personen met een afwijking in de donkeradaptatie van meer dan één logeenheid kunnen geschikt worden verklaard voor groep 1, waarbij de rijbevoegdheid wordt beperkt tot rijden bij daglicht (vanaf één uur na zonsopgang tot één uur voor zonsondergang).

De beoordeling kan voorts ondersteund worden door een rijtest (zie paragraaf 3.5).

3.9. Contrastgevoeligheid

  • a. groep 1: Geen eisen

  • b. groep 2: Personen met een verminderde contrastgevoeligheid zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.

3.10. Intra-oculaire lenzen

Intra-oculaire lenzen zijn toegestaan als er zich geen problemen voordoen zoals het bestaan van dubbelbeelden, storende mediatroebelingen of hinderlijke strooilichteffecten.

Hoofdstuk 4. Stoornissen van gehoor en evenwicht

4.1. Inleiding

In dit hoofdstuk staan de eisen aan de geschiktheid met betrekking tot gehoor en evenwicht.

4.2. Slechthorendheid en doofheid

Deze hoeven geen beletsel te zijn voor verkeersdeelname.

Na acuut ontstaan van gehoorverlies of uitval van de evenwichtsfunctie dient men een aanpassingsperiode van minstens drie maanden in acht te nemen, waarin de betrokkene als ongeschikt moet worden beschouwd.

4.3. Het syndroom van Ménière

Aanvallen van duizeligheid bij het syndroom van Ménière maken personen ongeschikt voor het besturen van motorrijtuigen. Na een klachtenvrije periode van drie maanden kunnen deze personen aan de hand van de aantekening van de keurend arts weer geschikt worden verklaard.

Hoofdstuk 5. Inwendige ziekten

5.1. Inleiding

Voor de geschiktheidsbeoordeling met betrekking tot de inwendige ziekten zijn van belang: de actuele lichamelijke conditie (al of geen klachten optredend bij deelname aan het verkeer), de ’medische’ voorgeschiedenis en de prognose (kans op verergering van klachtenpatroon, kans op complicaties).

5.2. Diabetes mellitus

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • i. een ernstige hypoglykemie: een hypoglykemie die de hulp van een andere persoon behoefde.

  • ii. herhaaldelijke ernstige hypoglykemieën: twee of meer ernstige hypoglykemieën binnen twaalf maanden.

  • iii. hypo-unawareness: het onvoldoende tijdig voelen aankomen van een hypoglykemie.

5.2.1. Algemeen

Voor alle vormen van diabetes mellitus geldt:

Personen met hypo-unawareness zijn ongeschikt voor alle rijbewijzen. Iemand kan weer geschikt worden verklaard als de waarschuwingssignalen weer aanwezig zijn en het zelfzorggedrag door een diabetesdeskundige als adequaat wordt ingeschat.

Voor personen met diabetes mellitus met één of meerdere complicaties gelden tevens de desbetreffende andere hoofdstukken (zie voor de normen hoofdstuk 3, 6, 7 en 9).

Bij vermoeden van een met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende functiestoornis is voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest vereist met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol. De geschiktheidstermijn bij één of meerdere ernstige functiestoornissen is na een positieve rijtest maximaal drie jaar.

5.2.2. Diabetes mellitus, behandeld met middelen die doorgaans geen hypoglykemieën kunnen veroorzaken

  • a. groep 1: Personen met diabetes mellitus die behandeld worden met middelen die doorgaans geen hypoglykemieën kunnen veroorzaken, kunnen op basis van de aantekening van de keurend arts geschikt worden verklaard voor een termijn van maximaal vijf jaar.

    Bij een ernstige functiestoornis, na een positieve rijtest, voor maximaal drie jaar.

    Ten minste iedere tien jaar is een rapport van een oogarts noodzakelijk.

  • b. groep 2: Personen met diabetes mellitus die behandeld worden met middelen die doorgaans geen hypoglykemieën kunnen veroorzaken, kunnen op basis van de aantekening van de keurend arts worden goedgekeurd voor een termijn van maximaal vijf jaar.

    Bij een ernstige functiestoornis, na een positieve rijtest, voor maximaal drie jaar.

    Ten minste iedere tien jaar is een rapport van een oogarts noodzakelijk.

5.2.3. Diabetes mellitus behandeld met middelen die hypoglykemieën kunnen veroorzaken

  • a. groep 1: Personen met diabetes mellitus die behandeld worden met middelen die hypoglykemieën kunnen veroorzaken en die de hypoglykemieën goed voelen aankomen, in staat zijn hiermee adequaat om te gaan en geregeld worden gecontroleerd door een diabetesdeskundige, kunnen op basis van de aantekening van de keurend arts geschikt worden verklaard voor een termijn van maximaal vijf jaar.

    Bij een ernstige functiestoornis, na een positieve rijtest, voor maximaal drie jaar.

    Ten minste iedere tien jaar is een rapport van een oogarts noodzakelijk.

    Personen met herhaaldelijke ernstige hypoglykemieën zijn ongeschikt. Zij kunnen weer geschikt worden verklaard op basis van een specialistisch rapport, opgesteld door een internist.

    Als er sprake was van herhaaldelijke ernstige hypoglykemieën tijdens wakkere uren, geldt een periode van drie maanden van ongeschiktheid na de laatste ernstige hypoglykemie.

  • b. groep 2: Personen met diabetes mellitus die behandeld worden met middelen die hypoglykemieën kunnen veroorzaken, kunnen geschikt worden verklaard op voorwaarde dat zij:

    • 1°. in het afgelopen jaar geen ernstige hypoglykemie hebben gehad;

    • 2°. op de hoogte zijn van de risico’s van een hypoglykemie;

    • 3°. hypoglykemieën goed voelen aankomen en in staat zijn daarmee adequaat om te gaan;

    • 4°. minstens tweemaal per dag en op voor het besturen relevante momenten aan zelfcontrole doen door middel van een bloedglucosetest;

    • 5°. geen ernstige diabetische complicatie hebben.

    Bij iedere beoordeling is een rapport van een internist vereist en ten minste iedere vijf jaar een rapport van een oogarts. De maximale geschiktheidstermijn is drie jaar.

5.3. Hypertensie

  • a. groep 1: Personen die ondanks behandeling een te hoge bloeddruk houden (graad 3 hypertensie), zijnde een – bij herhaling gemeten – diastolische bloeddruk van 110 mm Hg of hoger, en/of een systolische bloeddruk van 180 mm Hg of hoger, kunnen geschikt worden verklaard voor maximaal vijf jaar.

    Personen met maligne hypertensie zijn ongeschikt totdat hun bloeddrukwaarden weer onder controle zijn.

  • b. b. groep 2: Personen die ondanks behandeling een te hoge bloeddruk houden (graad 3 hypertensie), zijnde een – bij herhaling gemeten – diastolische bloeddruk van 110 mm Hg of hoger, en/of een systolische bloeddruk van 180 mm Hg of hoger, kunnen geschikt worden verklaard voor maximaal drie jaar op grond van een specialistisch rapport.

    Personen met maligne hypertensie zijn ongeschikt totdat hun bloeddrukwaarden weer onder controle zijn.

5.4. Chronische nierschade

Voor de beoordeling van de geschiktheid bij chronische nierschade (CNS) is, afhankelijk van het stadium waarin de aandoening zich bevindt en de aangevraagde rijbewijsgroep een aantekening van een keurend arts dan wel een specialistisch rapport van een internist deskundig op het gebied van nierziekten (internist-nefroloog) vereist.

De keurend arts dient de nierfunctie weer te geven in MDRD-klaring (ml/min/1.73 m2) of in een percentage van de nierfunctie. Tevens moet worden aangegeven of de CNS gepaard gaat met functionele beperkingen ten aanzien van de geschiktheid.

Voor MDRD geldt de nierfunctie in MDRD-klaring (ml/min/1.73 m2) of in een percentage van de nierfunctie. Tevens moet worden aangegeven of de CNS gepaard gaat met functionele beperkingen ten aanzien van de geschiktheid.

Het specialistisch rapport dient in te gaan op de vragen of de persoon wordt behandeld met een vorm van dialyse, hoe de algemene conditie is, in de zin van welke activiteiten en welke inspanning kan deze persoon maximaal uitvoeren, en of er in het laatste half jaar sprake is geweest van hartritmestoornissen, angina pectoris of een ernstige hypotensie in geval van dialyse.

Voor niertransplantatie zie paragraaf 5.7.2.

5.4.1. groep 1

Personen met CNS stadium I, II, III of CNS stadium IV met een MDRD van 20–29 ml/min/1.73 m2, kunnen op basis van de aantekening van een keurend arts geschikt worden verklaard. Bij personen met CNS stadium IV met een MDRD van 15–19 ml/min/1.73 m2 of CNS stadium V, met of zonder dialysebehandeling, is voor de beoordeling van de rijgeschiktheid een rapport vereist van een medisch specialist.

Als de keurend arts of medisch specialist duidelijk omschreven twijfels heeft over de rijgeschiktheid, kan het CBR voor een juiste oordeelsvorming een deskundige op het gebied van de praktische rijgeschiktheid inschakelen om de geschiktheid vast te stellen. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol.

De geschiktheidstermijn is voor personen met CNS stadium I, II of III maximaal tien jaar. Voor personen met CNS stadium IV is de geschiktheidstermijn maximaal vijf jaar en voor personen met CNS stadium V maximaal drie jaar.

5.4.2. groep 2

Personen met CNS stadium I, II of III kunnen op basis van de aantekening van een keurend arts geschikt worden verklaard. Bij personen met CNS stadium IV of V is voor de beoordeling van de rijgeschiktheid een rapport vereist van een medisch specialist.

Als de keurend arts of medisch specialist duidelijk omschreven twijfels heeft over de rijgeschiktheid, kan het CBR voor een juiste oordeelsvorming een deskundige praktische rijgeschiktheid inschakelen om de geschiktheid vast te stellen. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol.

De geschiktheidstermijn is voor personen met CNS stadium I, II of III maximaal vijf jaar.

Voor personen met CNS stadium IV is de geschiktheidstermijn maximaal drie jaar en voor personen met CNS stadium V maximaal één jaar.

5.5. Longziekten

5.5.1. Ernstige CARA (chronische aspecifieke respiratoire aandoeningen)

Respiratoire insufficiëntie bij geringe belasting: in beginsel ongeschikt voor alle rijbewijscategorieën. Het betreft in het algemeen patiënten met een pCO2 hoger dan 55 mm Hg en een maximum ademminuutvolume van minder dan 20 liter. Bij twijfel is een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid (van de desbetreffende afdeling van het CBR) aangewezen.

5.5.2. Astma bronchiale

Voor personen met normale longfunctie en intermitterende perioden van bronchospasme gelden geen beperkingen.

5.6. Bloedziekten

5.6.1. Ernstige bloedzieken

Bij ernstige stollingsstoornissen of maligniteiten in een zodanig gevorderde fase dat gevaar voor de verkeersveiligheid ontstaat, dienen rijbewijzen niet te worden afgegeven of vernieuwd tenzij de aanvraag wordt gesteund door de aantekening van de keurend arts.

5.6.2. Personen met hemofilie of andere stollingsstoornissen

Voor rijbewijzen van beide groepen volstaat voor de beoordeling van de geschiktheid een aantekening van de keurend arts. De geschiktheidstermijn voor rijbewijzen van groep 1 is vijf tot tien jaar, voor rijbewijzen van groep 2 vijf jaar.

5.7. Orgaantransplantatie

  • a. groep 1: Personen met een geslaagde transplantatie van een nier, pancreas, lever, hart of long kunnen op basis van een aantekening van de keurend arts geschikt worden verklaard. Vond de transplantatie minder dan vijf jaar geleden plaats dan is de geschiktheidstermijn vijf jaar, daarna onbeperkt.

  • b. groep 2: Bij personen met een geslaagde transplantatie van een nier, pancreas, lever, hart of long is voor de beoordeling van de geschiktheid een rapport van een specialist vereist. De geschiktheidstermijn is vijf jaar.

Hoofdstuk 6. Hart- en vaatziekten

6.1. Inleiding

In dit hoofdstuk worden de eisen aan de geschiktheid voor het onderwerp hart- en vaatziekten geformuleerd.

6.2. Chronisch hartfalen

Bij de beoordeling van de geschiktheid bij chronisch hartfalen wordt uitgegaan van de classificatie van het inspanningsvermogen zoals opgesteld door de New York Heart Association (NYHA).

NYHA I

geen beperking van het inspanningsvermogen; normale lichamelijke activiteit veroorzaakt geen overmatige vermoeidheid, palpitaties of dyspneu.

NYHA II

enige beperking van het inspanningsvermogen; in rust geen klachten maar normale lichamelijke inspanning veroorzaakt overmatige vermoeidheid, palpitaties of dyspneu.

NYHA III

ernstige beperking van het inspanningsvermogen; in rust geen of weinig klachten, maar lichte lichamelijke inspanning veroorzaakt overmatige vermoeidheid, palpitaties of dyspneu.

NYHA IV

geen enkele lichamelijke inspanning mogelijk zonder klachten; ook klachten in rust.

  • a. groep 1: Personen met hartfalen NYHA klasse I en II kunnen op basis van een aantekening van de keurend arts geschikt worden verklaard. Bij personen met NYHA klasse III is een rapport vereist van een medisch specialist.

    Voor personen met NYHA klasse I en II is de maximale geschiktheidstermijn vijf jaar, voor personen met NYHA klasse III maximaal drie jaar.

    Aan beroepsmatig gebruik van een rijbewijs van groep 1 door personen met hartfalen NYHA klasse III moeten strenge eisen worden gesteld. Zij kunnen alleen geschikt worden verklaard als de rijbevoegdheid wordt beperkt tot privégebruik.

    Op verzoek kunnen deze personen geschikt worden verklaard voor beroepsmatig gebruik voor maximaal vier uren per dag, uitgezonderd beroepsmatig personenvervoer of het onder toezicht doen besturen van derden. Voorwaarde is een verklaring van de werkgever, volgens een door het CBR vastgesteld model.

    Personen met NYHA klasse IV zijn ongeschikt.

  • b. groep 2: Personen met hartfalen NYHA klasse I en II kunnen geschikt worden verklaard, mits de ventriculaire ejectiefractie (EF) groter is dan 35%. Voor de beoordeling is een specialistisch rapport vereist.

    Personen met hartfalen NYHA klasse III of IV zijn ongeschikt.

6.2.1. Steunhart: Ventricular Assist Device (VAD)

Voor de beoordeling van de geschiktheid van personen met een steunhart is een specialistisch rapport vereist, opgesteld door een cardioloog met kennis en ervaring op dit gebied.

  • a. groep 1: Personen met een steunhart zijn ongeschikt tot twee maanden na implantatie.

    Blijkt aan het eind van deze periode dat zich geen complicaties hebben voorgedaan, dan kunnen deze personen geschikt worden verklaard. De maximale geschiktheidstermijn is twee jaar.

    Aan beroepsmatig gebruik van een rijbewijs van groep 1 door personen met een steunhart moeten strenge eisen worden gesteld. Zij kunnen alleen geschikt worden verklaard als de rijbevoegdheid wordt beperkt tot privégebruik.

    Op verzoek kunnen deze personen geschikt worden verklaard voor beroepsmatig gebruik voor maximaal vier uren per dag, uitgezonderd beroepsmatig personenvervoer of het onder toezicht doen besturen van derden. Voorwaarde is een verklaring van de werkgever, volgens een door het CBR vastgesteld model.

    Is er tevens een ICD geïmplanteerd, dan gelden ook de normen van paragraaf 6.7.4.

  • b. groep 2: Personen met een steunhart zijn ongeschikt.

6.3. Ischemische hartziekten

Bij de beoordeling van de geschiktheid bij ischemische hartziekten wordt uitgegaan van de classificatie van angineuze klachten zoals opgesteld door de Canadian Cardiovascular Society (CCS).

CCS I

angineuze klachten treden niet op bij normale activiteiten.

CCS II

angineuze klachten veroorzaken enige beperking van normale activiteiten, zoals heuvel of brug oplopen, snel een trap oplopen of wandelen na een maaltijd; de klachten ontstaan bij koud weer, bij emotionele stress of gedurende de eerste uren na het wakker worden.

CCS III

angineuze klachten veroorzaken belangrijke beperking van normale activiteiten, de klachten treden op bij minder dan 100 à 200 meter lopen of bij traplopen in een normaal tempo.

CCS IV

angineuze klachten treden op bij iedere vorm van lichamelijke inspanning en/of de klachten treden op in rust.

6.3.1. Acuut coronair syndroom (ACS)

Onder het ACS vallen het myocardinfarct met en zonder ST-elevatie (STEMI, respectievelijk non-STEMI) en de instabiele angina pectoris (dreigend infarct).

Personen met instabiele angina pectoris zijn ongeschikt voor de rijbewijzen van groep 1 en groep 2 totdat adequate behandeling heeft plaatsgevonden.

Na een myocardinfarct kunnen personen die klachtenvrij zijn op basis van een aantekening van een keurend arts geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en groep 2. Zolang er angineuze klachten bestaan geldt paragraaf 6.3.2.

Bij functionele hartschade zijn personen na een myocardinfarct vier weken ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 en groep 2, daarna gelden de eisen van paragraaf 6.2.

6.3.2. Stabiel coronair lijden

Dit betreft alle personen met kransvatlijden, ongeacht of zij daarvoor zijn behandeld met een dotterbehandeling (met of zonder stent) of coronaire bypassoperatie. Van belang is het actuele klachtenpatroon en de prognose.

  • a. groep 1: Personen met angineuze klachten CCS klasse I, II en III kunnen op basis van een aantekening van de keurend arts geschikt worden verklaard. Personen met CCS klasse I zijn onbeperkt geschikt. Voor personen met CCS klasse II en III is de maximale geschiktheidstermijn vijf jaar.

    Personen met CCS klasse IV zijn ongeschikt.

  • b. groep 2: Personen met angineuze klachten CCS klasse I kunnen op basis van een aantekening van de keurend arts geschikt worden verklaard. Bij personen met CCS klasse II is een rapport vereist van een medisch specialist.

    Voor personen met CCS klasse I en II is de maximale geschiktheidstermijn vijf jaar.

    Personen met CCS klasse III of IV zijn ongeschikt.

6.4. Cardiomyopathieën

6.4.1. Dilaterende cardiomyopathie (DCM) en restrictieve cardiomyopathie (RCM)

  • a. groep 1: Personen met DCM of RCM kunnen op basis van een aantekening van de keurend arts geschikt worden verklaard. De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar.

    Bij syncope gelden de normen van hoofdstuk 11 en bij klachten over hartfalen die van paragraaf 6.2.

  • b. groep 2: Voor de beoordeling van de geschiktheid van personen met DCM of RCM is een rapport van een medisch specialist vereist. De maximale geschiktheidstermijn is drie jaar.

    Bij syncope gelden de normen van hoofdstuk 11 en bij klachten over hartfalen die van paragraaf 6.2.

6.4.2. Hypertrofische cardiomyopathie

  • a. groep 1: Personen met hypertrofische cardiomyopathie kunnen op basis van een aantekening van de keurend arts geschikt worden verklaard. De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar.

    Bij syncope gelden de normen van hoofdstuk 11 en bij klachten over hartfalen die van paragraaf 6.2.

  • b. groep 2: Voor de beoordeling van de geschiktheid van personen met hypertrofische cardiomyopathie is een specialistisch rapport vereist. De maximale geschiktheidstermijn is drie jaar.

    Personen met hypertrofische cardiomyopathie zijn ongeschikt als sprake is van twee of meer van de volgende condities: dikte van de linker ventrikelwand van meer dan 3 cm, non-sustained ventriculaire ritmestoornissen, plotselinge hartdood bij eerstegraads familielid of het ontbreken van verhoging van de bloeddruk bij inspanning.

    Bij syncope gelden de normen van hoofdstuk 11 en bij klachten over hartfalen die van paragraaf 6.2.

6.4.3. Elektrische cardiomyopathie

6.4.3.1. Lange-QT-syndroom (LQTS)

Voor de beoordeling van de geschiktheid van personen met LQTS is een specialistisch rapport vereist.

  • a. groep 1: Personen met LQTS kunnen geschikt worden verklaard. De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar.

    Personen met LQTS zijn ongeschikt als sprake is van syncope in de voorgeschiedenis, ventriculaire tachycardieën in de vorm van ‘torsade de pointes’ of de QTc langer is dan 500 milliseconden. Zij kunnen weer geschikt worden verklaard op basis van een positief specialistisch rapport.

  • b. groep 2:Personen met LQTS kunnen geschikt worden verklaard. De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar.

    Personen met LQTS zijn ongeschikt als sprake is van syncope in de voorgeschiedenis, ventriculaire tachycardieën in de vorm van ‘torsade de pointes’ of de QTc langer is dan 500 milliseconden.

6.4.3.2. Brugada-syndroom

Voor de beoordeling van de geschiktheid van personen met het Brugada-syndroom is een specialistisch rapport vereist.

  • a. groep 1: Personen met het Brugada-syndroom kunnen geschikt worden verklaard zolang er zich geen syncope of afgewende plotselinge hartdood heeft voorgedaan. De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar.

    Indien er zich een syncope of afgewende plotselinge hartdood heeft voorgedaan, zijn zij ongeschikt tot twee maanden na succesvolle implantatie van een ICD.

  • b. groep 2: Personen met het Brugada-syndroom kunnen geschikt worden verklaard zolang er zich geen syncope of afgewende plotselinge hartdood heeft voorgedaan. De maximale geschiktheidstermijn is drie jaar.

    Heeft zich een syncope of afgewende plotselinge hartdood voorgedaan, dan zijn zij ongeschikt.

6.4.4. Overige cardiomyopathieën

Voor ischemische cardiomyopathie wordt verwezen naar paragraaf 6.3.

Bij de overige cardiomyopathieën zoals aritmogene rechter ventrikel cardiomyopathie (ARVC), non-compactie cardiomyopathie (NCCM), takotsubo cardiomyopathie (gebroken hartsyndroom) is voor de beoordeling van de geschiktheid een specialistisch rapport vereist.

Het rapport moet ingaan op de risico’s op syncope en plotselinge hartdood. De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar voor rijbewijzen van groep 1 en drie jaar voor rijbewijzen van groep 2.

6.5. Hartklepafwijkingen

6.5.1. Stenose of insufficiëntie

Het gaat hierbij om aortainsufficiëntie, aortastenose, mistralisinsufficiëntie en mitralisstenose. Voor de beoordeling van de geschiktheid zijn van belang de ernst van de stenose, de ernst van de klachten, het risico op syncope en aanwezigheid van ernstige pulmonale hypertensie.

  • a. groep 1: Personen met een hartklepafwijking met klachten NYHA klasse I en II kunnen op basis van een aantekening van de keurend arts geschikt worden verklaard voor maximaal vijf jaar. Bij personen met NYHA klasse III is een rapport vereist van een medisch specialist. Personen met NYHA klasse IV zijn ongeschikt.

    Bij syncope gelden de normen van hoofdstuk 11 en bij klachten over hartfalen die van paragraaf 6.2.

  • b. groep 2: Voor de beoordeling van personen met een klepafwijking is een specialistisch rapport vereist. Zij zijn ongeschikt als er sprake is van een ernstige stenose of een ernstige pulmonale hypertensie (graad III of IV).

    Bij syncope gelden de normen van hoofdstuk 11 en bij klachten over hartfalen die van paragraaf 6.2.

6.5.2. Hartklepprothese

Personen met een hartklepprothese kunnen geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en 2 op basis van de aantekening van de keurend arts. De maximale geschiktheidstermijn als zij klachtenvrij zijn, is voor rijbewijzen van groep 1 tien jaar en voor rijbewijzen van groep 2 vijf jaar. Bij matige tot ernstige klachten geldt paragraaf 6.2.

6.6. Aangeboren hartafwijkingen

Onder aangeboren hartafwijkingen vallen onder andere septumdefecten, een open ductus Botalli, tetralogie van Fallot, coarctatio aortae en transpositie van de grote vaten. Voor de beoordeling van de geschiktheid zijn van belang eventuele complicaties als gevolg van de hartoperatie zoals ritmestoornissen, hartfalen, cardiomyopathie, (pulmonale) hypertensie en het risico op een plotselinge hartdood.

  • a. groep 1: Personen zonder klachten kunnen op basis van een aantekening van een keurend arts voor onbeperkte tijd geschikt worden verklaard. Bij personen met klachten is een specialistisch rapport vereist. De maximale geschiktheidstermijn is tien jaar.

  • b. groep 2: Personen zonder klachten kunnen op basis van een aantekening van een arts voor onbeperkte tijd geschikt worden verklaard. Bij personen met klachten is een specialistisch rapport vereist. De maximale geschiktheidstermijn is drie jaar.

Bij syncope gelden de normen van hoofdstuk 11 en bij klachten over hartfalen die van paragraaf 6.2.

6.7. Ritmestoornissen

6.7.1. Brady-aritmie

Het gaat hierbij onder andere om het sick sinus syndroom en geleidingsstoornissen waaronder een tweedegraads of derdegraads AV-blok en bundeltakblok. Voor de beoordeling is van belang of de aandoening, bij aanwezigheid van een of meerdere cardiale syncopes, succesvol is behandeld.

  • a. groep 1: Personen zonder een voorgeschiedenis van cardiale syncope kunnen op basis van een aantekening van een keurend arts geschikt worden verklaard voor een maximale termijn van tien jaar.

    Bij personen met een voorgeschiedenis van een of meerdere cardiale syncopes is een specialistisch rapport vereist. De maximale geschiktheidstermijn is tien jaar.

    Bij syncope gelden de normen van hoofdstuk 11.

  • b. groep 2: Voor de beoordeling van personen met een brady-aritmie is altijd een specialistisch rapport vereist. De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar.

    Bij syncope gelden de normen van hoofdstuk 11.

6.7.2. Tachy-aritmie

Het gaat hierbij onder andere om atriumfibrilleren, AV-nodale re-entry tachycardie (AVNRT), AV re-entry tachycardie (AVRT) en het Wolff-Parkinson-White (WPW)-syndroom. Voor de beoordeling is van belang of de aandoening, eventueel bij aanwezigheid van een of meerdere cardiale syncopes succesvol is behandeld.

  • a. groep 1: Personen zonder een voorgeschiedenis van cardiale syncope kunnen op basis van een aantekening van een keurend arts geschikt worden verklaard voor een maximale termijn van tien jaar.

    Bij personen met een voorgeschiedenis van een of meerdere cardiale syncopes is een specialistisch rapport vereist. De maximale geschiktheidstermijn is tien jaar.

    Bij syncope gelden de normen van hoofdstuk 11 en in geval van een ICD die van paragraaf 6.7.4.

  • b. groep 2: Voor de beoordeling van personen met een brady-aritmie is altijd een specialistisch rapport vereist. De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar.

    Bij syncope gelden de normen van hoofdstuk 11 en in geval van een ICD die van paragraaf 6.7.4.

6.7.2.1. Ventriculaire tachyaritmie zonder structurele hartafwijking

Het gaat hierbij om vroegtijdige ventriculaire contractie, non-sustained ventriculaire tachycardie (NSVT) en sustained ventriculaire tachycardie (SVT).

  • a. groep 1: Personen met vroegtijdige ventriculaire contractie of NSVT kunnen op basis van een aantekening van een keurend arts geschikt worden verklaard voor een maximale termijn van tien jaar. Bij syncope gelden de normen van hoofdstuk 11.

    Personen met SVT zijn ongeschikt totdat uit een specialistisch rapport blijkt dat de aritmie onder controle is.

  • b. groep 2: Personen met vroegtijdige ventriculaire contracties of een symptoomloze monomorfe NSVT kunnen op basis van een specialistisch rapport geschikt verklaard worden. Personen met symptomatische monomorfe NSVT of polymorfe NSVT met of zonder symptomen zijn ongeschikt.

    Personen met SVT zijn ongeschikt totdat uit een specialistisch rapport blijkt dat de aritmie onder controle is.

6.7.3. Pacemaker

  • a. groep 1: Personen met een pacemaker kunnen op basis van een aantekening van een keurend arts geschikt worden verklaard voor een maximale termijn van tien jaar.

  • b. groep 2: Personen met een pacemaker zijn ongeschikt tot twee weken na implantatie.

    Na afloop van deze periode kunnen zij op basis van een aantekening van een keurend arts geschikt worden verklaard voor een maximale termijn vijf jaar.

6.7.4. Implanteerbare cardioverter-defibrillator (ICD)

Voor de beoordeling van de geschiktheid van personen met een ICD is een specialistisch rapport vereist, opgesteld door een cardioloog met kennis en ervaring op dit gebied. Van belang is of de ICD ter preventie van ventrikelfibrilleren is geïmplanteerd (primair), dan wel geplaatst is nadat er een ventrikelfibrillatie heeft plaats gevonden (secundair).

6.7.4.1. ICD voor primaire preventie

  • a. groep 1: Personen met een primaire ICD zijn ongeschikt tot twee weken na implantatie.

    Na afloop van deze periode kunnen zij geschikt worden verklaard voor een termijn van maximaal vijf jaar.

    Aan beroepsmatig gebruik van een rijbewijs door personen met een ICD moeten strenge eisen worden gesteld. Zij kunnen alleen geschikt worden verklaard als de rijbevoegdheid wordt beperkt tot privégebruik.

    Op verzoek kunnen deze personen geschikt worden verklaard voor beroepsmatig gebruik voor maximaal vier uren per dag, uitgezonderd beroepsmatig personenvervoer of het onder toezicht doen besturen van derden. Voorwaarde is een verklaring van de werkgever, volgens een door het CBR vastgesteld model.

  • b. groep 2: Personen met een primaire ICD zijn ongeschikt.

6.7.4.2. ICD voor secundaire preventie

  • a. groep 1: Personen met een secundaire ICD zijn ongeschikt tot twee maanden na implantatie.

    Na afloop van deze periode kunnen zij geschikt worden verklaard voor een termijn van maximaal vijf jaar.

    Aan beroepsmatig gebruik van een rijbewijs door personen met een ICD moeten strenge eisen worden gesteld. Zij kunnen alleen geschikt worden verklaard als de rijbevoegdheid wordt beperkt tot privégebruik.

    Op verzoek kunnen deze personen geschikt worden verklaard voor beroepsmatig gebruik voor maximaal vier uren per dag, uitgezonderd beroepsmatig personenvervoer of het onder toezicht doen besturen van derden. Voorwaarde is een verklaring van de werkgever, volgens een door het CBR vastgesteld model.

  • b. groep 2: Personen met een secundaire ICD zijn ongeschikt.

6.7.4.3. Geschiktheid na therapie van de ICD (shock)

Personen zijn na een terecht afgegeven shock ongeschikt voor de rijbewijzen van groep 1 tot twee maanden na de shock.

Personen zijn na een onterecht afgegeven shock ongeschikt totdat kans op herhaling is geminimaliseerd door aanpassing van de instellingen van de ICD of aanpassing van de medicatie. Dit ter beoordeling van de behandelend cardioloog.

6.8. Thoracale aorta aneurysma (TAA) en abdominale aorta aneurysma (AAA)

  • a. groep 1: Personen met een onbehandelde TAA of AAA kunnen op basis van een specialistisch rapport geschikt worden verklaard als er geen sprake is van een significant risico op een ruptuur.

    Voor de beoordeling van personen met een behandelde TAA en AAA voldoet een aantekening van een arts. Zij kunnen geschikt worden verklaard als de maximale aorta diameter niet groter is dan 7 cm.

  • b. groep 2: Voor de beoordeling van personen met een onbehandelde dan wel behandelde TAA of AAA is altijd een specialistisch rapport vereist. Zij kunnen geschikt worden verklaard als de maximale aorta diameter niet groter is dan 5,5 cm. De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar.

Hoofdstuk 7. Neurologische aandoeningen

7.1. Inleiding

In dit hoofdstuk worden de eisen aan de geschiktheid voor het onderwerp neurologie geformuleerd. Personen die lijden aan een ernstige neurologische aandoening zijn alleen geschikt voor rijbewijzen van zowel groep 1 als groep 2 op grond van een positief specialistisch rapport eventueel aangevuld met een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR.

Het betreft zowel stoornissen ten gevolge van aandoeningen, als ook operaties van het centrale of perifere zenuwstelsel die door sensibele of motorische defecten en evenwicht- en coördinatiestoornissen tot uiting komen. Het specialistisch rapport moet ingaan op het effect daarvan op de geschiktheid en de kans op progressie. Bij twijfel over de geschiktheid in de toekomst kunnen zij geschikt worden geacht voor een beperkte termijn, eventueel aangevuld met een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR.

7.2. Epileptische aanval(len)

Voor de normen in deze paragraaf gelden de volgende uitgangspunten:

  • Rijbewijsbezitters die een epileptische aanval krijgen, zijn ongeschikt voor een onbeperkt rijbewijs.

  • Geprovoceerde epileptische aanval of acuut symptomatische aanval: dit is een epileptische aanval die zich voordoet binnen 14 dagen na schedel- of hersenletsel, bij een koortsende ziekte, bij een metabole ontregeling, dan wel bij een andere identificeerbare causale en vermijdbare factor, zoals slaapdeprivatie.

  • Sporadische epileptische aanval: dit is een epileptische aanval waarbij zich in de voorgeschiedenis één of meerdere epileptische aanvallen hebben voorgedaan met een interval tussen deze en de voorlaatste aanval van meer dan twee jaar.

  • Meerdere aanvallen binnen 24 uur: worden beschouwd als een eenmalige aanval.

In geval van arterioveneuze malformaties, intracerebrale bloedingen, herseninfarcten en hersentumoren, met risico op epileptische aanvallen, gelden tevens de normen uit paragrafen 7.5 tot en met 7.6.4

Voor de beoordeling van de geschiktheid van personen met een epileptische aanval of meerdere epileptische aanvallen in de voorgeschiedenis is een specialistisch rapport, opgesteld door een neuroloog, vereist.

Uitzondering: personen die vijf jaar aanvalsvrij zijn, ongeacht anti-epileptische medicatie, volstaat voor groep 1 een aantekening van de keurend arts.

Aan het gebruik van een rijbewijs van groep 1 door personen met één of meerdere epileptische aanvallen in de voorgeschiedenis moeten vanwege een verhoogd risico op een verkeersongeval extra eisen worden gesteld. Personen die voldoen aan de hieronder gestelde eisen van groep 1, maar niet tevens voldoen aan de hieronder gestelde eisen van groep 2, zijn permanent ongeschikt voor beroepsmatig vervoer van personen of het onder toezicht doen besturen van derden.

7.2.1. Eerste epileptische aanval

  • a. groep 1: Personen met een eerste epileptische aanval zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 tot zes maanden na de aanval.

    Een uitzondering kan worden gemaakt als is voldaan aan één van de onderstaande voorwaarden:

    • een eerste niet-geprovoceerde epileptische aanval zonder ‘epileptiforme afwijkingen’ op het standaard EEG (gemaakt na de aanval) en zonder voor epilepsie relevante afwijkingen op de MRI-scan van de hersenen: ongeschikt tot drie maanden na de aanval;

    • een eerste geprovoceerde epileptische aanval: individueel door de neuroloog te beoordelen, maar ongeschikt tot tenminste drie maanden na de aanval, mede afhankelijk van de oorzaak van de aanval;

    • een eerste epileptische aanval bij een progressief neurologische aandoening: individueel door de neuroloog te beoordelen, maar ongeschikt tot tenminste zes maanden na de aanval.

    Na afloop van de aanvalsvrije periode kunnen personen, die voldoen aan bovenstaande voorwaarden, geschikt worden verklaard voor een termijn van twee jaar. Bij blijvende aanvalsvrijheid is de maximale geschiktheidstermijn vervolgens drie jaar en dan onbeperkt.

    Personen die bij een eerste beoordeling door het CBR al drie jaar aanvalsvrij zijn, mogen op basis van een rapport van de neuroloog direct geschikt worden verklaard voor een termijn van drie jaar. Personen die vijf jaar of langer aanvalsvrij zijn op basis van een aantekening van de keurend arts voor onbeperkte tijd.

  • b. groep 2: Personen met een eerste, al dan niet geprovoceerde, epileptische aanval zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2, tenzij zij vijf jaar lang aanvalsvrij zijn gebleven en gedurende die periode niet zijn behandeld met anti-epileptische medicatie.

    Uitzondering kan – vanwege de erkende gunstige prognose – worden gemaakt voor personen die twee jaar lang aanvalsvrij zijn gebleven en gedurende die periode niet zijn behandeld met anti-epileptische medicatie. Zij kunnen geschikt worden verklaard als er geen voor epilepsie relevante afwijkingen op de MRI-scan van de hersenen, op een recent standaard EEG en op een recent EEG na partiële of gehele slaaponthouding zijn gevonden.

    Na afloop van de aanvalsvrije periode kunnen personen, die voldoen aan bovenstaande voorwaarden, geschikt worden verklaard voor een termijn van één jaar. Bij blijvende aanvalsvrijheid is de maximale geschiktheidstermijn vervolgens drie jaar, dan telkens vijf jaar.

    Personen die bij een eerste beoordeling door het CBR al tien jaar of langer aanvalsvrij zijn zonder gebruik van anti-epileptische medicatie, mogen op basis van een rapport van de neuroloog direct geschikt worden verklaard voor de maximale termijn van vijf jaar.

7.2.2. Meer dan één epileptische aanval

  • a. groep 1: Personen met meer dan één epileptische aanval in de voorgeschiedenis zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 tot een jaar na de laatste aanval. Een uitzondering kan worden gemaakt als is voldaan aan één van de onderstaande voorwaarden:

    • een sporadische epileptische aanval: ongeschikt gedurende zes maanden na de aanval;

    • epileptische aanvallen bij een progressief neurologische aandoening: individueel door de neuroloog te beoordelen, maar ongeschikt tot ten minste een jaar na de laatste aanval;

    • aanvallen in de slaap: als is gebleken dat gedurende een jaar na de eerste aanval tijdens de slaap uitsluitend aanvallen in de slaap zijn opgetreden (stabiel aanvalspatroon) bestaat er geschiktheid;

    • myoclonieën en eenvoudig partiële aanvallen: als is gebleken dat gedurende drie maanden na de eerste myoclonie of eenvoudig partiële aanval alleen myoclonieën of eenvoudige partiële aanvallen zijn opgetreden die geen invloed hebben op de geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen (stabiel aanvalspatroon), bestaat er geschiktheid.

    Na afloop van de aanvalsvrije periode of bij een stabiel aanvalspatroon kunnen personen, die voldoen aan bovenstaande voorwaarden, geschikt worden verklaard voor een termijn van twee jaar. Bij gelijkblijvende situatie is de maximale geschiktheidstermijn vervolgens drie jaar en dan onbeperkt.

    Personen die bij een eerste beoordeling door het CBR al drie jaar aanvalsvrij zijn of een stabiel aanvalspatroon hebben, mogen op basis van een rapport van de neuroloog direct geschikt worden verklaard voor een termijn van drie jaar. Personen die vijf jaar of langer aanvalsvrij zijn, zijn op basis van een aantekening van de keurend arts geschikt voor onbeperkte tijd.

  • b. groep 2: Personen met meer dan één epileptische aanval in de voorgeschiedenis zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2, tenzij zij tien jaar lang aanvalsvrij zijn gebleven en gedurende die periode niet zijn behandeld met anti-epileptische medicatie.

    Een uitzondering kan – vanwege de erkend gunstige prognose – worden gemaakt voor personen die vijf jaar lang aanvalsvrij zijn gebleven en gedurende die periode niet zijn behandeld met anti-epileptische medicatie. Zij kunnen geschikt worden verklaard als er geen voor epilepsie relevante afwijkingen op de MRI-scan van de hersenen, op een recent standaard EEG en op een recent EEG na partiële of gehele slaaponthouding zijn gevonden.

    Na afloop van de aanvalsvrije periode kunnen personen, die voldoen aan bovenstaande voorwaarden, geschikt worden verklaard voor een termijn van één jaar. Bij blijvende aanvalsvrijheid is de maximale geschiktheidstermijn vervolgens drie jaar, dan telkens vijf jaar.

    Personen die bij een eerste beoordeling door het CBR al tien jaar of langer aanvalsvrij zijn zonder gebruik van anti-epileptische medicatie, mogen direct geschikt worden verklaard voor de maximale termijn van vijf jaar.

7.2.3. Wijziging of afbouw van anti-epileptische medicatie

Bij wijziging of afbouw van de anti-epileptische medicatie in overleg met of op advies van de behandelaar geldt voor bezitters van een groep 1 rijbewijs het volgende:

  • bij afbouwen van de anti-epileptische medicatie na een aanvalsvrije periode van minder dan twee jaar, bestaat er ongeschiktheid gedurende de periode van afbouwen en drie maanden na het stoppen;

  • bij afbouwen van de anti-epileptische medicatie na een aanvalsvrije periode van twee jaar of langer bestaat er geen ongeschiktheid, ook niet tijdens de afbouw;

  • als zich tijdens wijziging of afbouw van de anti-epileptische medicatie een epileptische aanval voordoet bestaat er een ongeschiktheid van slechts drie maanden, mits de medicatie meteen is aangepast, anders gelden de reguliere aanvalsvrije perioden van paragraaf 7.2.1a en 7.2.2a.

7.3. Slaapstoornissen

7.3.1. Obstructief slaapapnoesyndroom

7.3.1.1. Rijbewijzen van groep 1

Personen met obstructief slaapapnoesyndroom (OSAS) kunnen geschikt worden verklaard als op basis van een specialistisch rapport blijkt dat gedurende ten minste twee opeenvolgende maanden adequate behandeling plaatsvindt. Onder adequate behandeling wordt in dit verband verstaan: een Apneu-Hypopneu-Index (AHI) van kleiner dan 15 per uur, beoordeeld door een specialist met ervaring op het gebied van slaapgerelateerde stoornissen. Voor personen met hypertensie geldt tevens paragraaf 5.3.

Als de specialist ondanks de adequate behandeling blijft twijfelen aan de rijgeschiktheid kan het CBR voor een juiste oordeelsvorming zonodig de deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid (van de desbetreffende afdeling van het CBR) inschakelen om de geschiktheid vast te stellen. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol.

De geschiktheidtermijn is de eerste keer een jaar. Indien uit een specialistisch rapport vervolgens een blijvende adequate behandeling blijkt, is de maximale geschiktheidtermijn drie jaar.

7.3.1.2. Rijbewijzen van groep 2

Personen met obstructief slaapapnoesyndroom (OSAS) kunnen geschikt worden verklaard als op basis van een specialistisch rapport blijkt dat gedurende ten minste drie opeenvolgende maanden adequate behandeling plaatsvindt. Onder adequate behandeling wordt in dit verband verstaan: een Apneu-Hypopneu-Index (AHI) van kleiner dan 15 per uur, beoordeeld door een specialist met ervaring op het gebied van slaapgerelateerde stoornissen. Voor personen met hypertensie geldt tevens paragraaf 5.3.

Als de specialist ondanks de adequate behandeling blijft twijfelen aan de rijgeschiktheid kan het CBR voor een juiste oordeelsvorming zonodig de deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid (van de desbetreffende afdeling van het CBR) inschakelen om de geschiktheid vast te stellen. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol.

De geschiktheidtermijn is maximaal een jaar.

7.3.2. Narcolepsie en idiopathische hypersomnolentie

7.3.2.1. Rijbewijzen van groep 1

Personen met narcolepsie of idiopathische hypersomnolentie kunnen geschikt worden verklaard als op basis van een specialistisch rapport blijkt dat gedurende ten minste twee opeenvolgende maanden adequate behandeling plaatsvindt. Dit ter beoordeling van een specialist met ervaring op het gebied van slaapgerelateerde stoornissen. De Epworth Sleeping Scale (ESS) score moet kleiner dan 11 zijn.

De geschiktheidstermijn is de eerste keer één jaar. Indien uit een specialistisch rapport vervolgens een blijvende adequate behandeling blijkt, geldt een geschiktheidstermijn van drie jaar, daarna vijf jaar en daarna onbeperkt.

7.3.2.2. Rijbewijzen van groep 2

Personen met narcolepsie zijn permanent ongeschikt.

Personen met idiopathische hypersomnolentie kunnen geschikt worden verklaard als op basis van een specialistisch rapport blijkt dat gedurende ten minste twee opeenvolgende maanden adequate behandeling plaatsvindt. Dit ter beoordeling van een specialist met ervaring op het gebied van slaapgerelateerde stoornissen. De Epworth Sleeping Scale score moet kleiner dan 11 zijn.

De geschiktheidstermijn is de eerste keer één jaar. Indien uit een specialistisch rapport vervolgens een blijvende adequate behandeling blijkt, geldt een geschiktheidstermijn van drie jaar en daarna telkens vijf jaar.

7.4. Progressieve neurologische en neuromusculaire ziektebeelden

Het betreft hier progressieve aandoeningen van het centraal zenuwstelsel, het motorneuron, het perifere zenuwstelsel en de skeletspieren. Voor de beoordeling van de geschiktheid is een specialistisch rapport vereist, opgesteld door een neuroloog of een revalidatiearts. Bij cognitieve stoornissen geldt tevens paragraaf 8.6.

Bij cervicale myelopathie volstaat een aantekening van de keurend arts.

Aan beroepsmatig gebruik van een rijbewijs van groep 1 door personen met deze ziektebeelden moeten strenge eisen worden gesteld. Personen die voldoen aan de hieronder gestelde eisen voor groep 1, maar niet tevens voldoen aan de hieronder geformuleerde eisen voor groep 2, kunnen in beginsel alleen geschikt worden verklaard als de rijbevoegdheid wordt beperkt tot privégebruik.

Op speciaal verzoek kan – in individuele gevallen – een uitzondering worden gemaakt op de beperking tot privégebruik. Voor een termijn van vijf jaar kunnen deze personen geschikt worden verklaard voor beperkt beroepsmatig vervoer, niet zijnde vervoer van personen, of het onder toezicht doen besturen van derden, voor maximaal vier uren per dag. Voorwaarden zijn een rapport van een specialist en een verklaring van de werkgever volgens een door het CBR vastgesteld model.

7.4.1. Multiple sclerose

  • a. groep 1: Tijdens een exacerbatie (Schub) zijn personen met multiple sclerose ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1.

    Personen die tussen de exacerbaties geen met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis hebben, kunnen geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 1 voor een termijn van maximaal vijf jaar.

    Bij een vermoeden van een dergelijke functiestoornis is voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest vereist met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol. Bij een positieve rijtest bestaat er geschiktheid voor een termijn van maximaal drie jaar.

  • b. groep 2: Tijdens een exacerbatie (Schub) zijn personen met multiple sclerose ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.

    Personen die tussen de exacerbaties geen met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornissen hebben, kunnen geschikt worden verklaard voor een rijbewijs van groep 2 voor een termijn van maximaal drie jaar.

    Personen die tussen de exacerbaties wel een met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende functiestoornis hebben zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.

7.4.2. Neuromusculaire ziektebeelden

Het betreft hier ziektebeelden zoals motorneuronziekten, heriditaire neuropathieën, spierziekten (spierdystrofie, myotonie, myopathie en myositis), myasthenia gravis en ataxie van Friedreich.

  • a. groep 1: Bij een vermoeden van een met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis, is voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest vereist met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol.

    De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar en hangt af van de verwachte progressie. Lichte progressie: vijf jaar, matige progressie: drie jaar en sterke progressie: één jaar.

  • b. groep 2: Deze personen zijn niet geschikt voor rijbewijzen van groep 2.

    Slechts bij afwezigheid van met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke en geestelijke functiestoornissen, kunnen zij geschikt worden verklaard voor een termijn van maximaal drie jaar.

7.4.3. Overige progressieve neurologische ziektebeelden

Het betreft hier ziektebeelden zoals de ziekte van Parkinson, corticobasale degeneratie, de ziekte van Huntington.

  • a. groep 1: Bij een vermoeden van een met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis, is voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest vereist met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol. De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar.

  • b. groep 2: Deze personen zijn niet geschikt voor rijbewijzen van groep 2. Slechts bij afwezigheid van met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke en geestelijke functiestoornissen, kunnen zij geschikt worden verklaard voor een termijn van maximaal drie jaar.

7.5. Intracraniële tumoren

Voor de beoordeling van de geschiktheid van personen met een (status na) intracraniële tumor is een specialistisch rapport vereist, opgesteld door een neuroloog.

Bij de beoordeling van de geschiktheid zijn mede van belang de kans op, dan wel het bestaan van epileptische aanvallen en de eventuele aanwezigheid van met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke en geestelijke functiestoornissen (zie voor de normen hoofdstuk 3, paragraaf 7.2, 7.7, en 8.6).

Aan beroepsmatig gebruik van een rijbewijs van groep 1 door personen met een behandelde of onbehandelde intracraniële tumor moeten strenge eisen worden gesteld. Personen met een behandelde of onbehandelde intracraniële tumor die voldoen aan de hieronder gestelde eisen voor groep 1, maar niet tevens voldoen aan de hieronder geformuleerde eisen voor groep 2, kunnen in beginsel alleen geschikt worden verklaard als de rijbevoegdheid wordt beperkt tot privé-gebruik.

Op speciaal verzoek kan – in individuele gevallen – een uitzondering worden gemaakt op de beperking tot privé-gebruik. Voor een termijn van vijf jaar kunnen deze personen geschikt worden verklaard voor beperkt beroepsmatig vervoer, niet zijnde vervoer van personen, of het onder toezicht doen besturen van derden, voor maximaal vier uren per dag. Voorwaarden zijn een keuring door een neuroloog en een verklaring van de werkgever volgens een door het CBR vastgesteld model.

7.5.1. Hersentumoren in strikte zin

Het betreft hier vooral tumoren van het steunweefsel van de hersenen, de gliomen (astrocytomen, oligodendrogliomen, ependymomen, oligo-astrocytomen, glioblastomen).

  • a. groep 1: Deze eisen gelden zowel voor behandelde als onbehandelde hersentumoren in strikte zin.

    Als een stabiel klinisch beeld is ontstaan en bij afwezigheid van met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornissen, kunnen deze personen geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 1 voor een termijn van maximaal drie jaar.

    Bij een vermoeden van een dergelijke functiestoornis, is voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest vereist met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol.

    Bij een positieve rijtest bestaat er geschiktheid voor een termijn van één jaar, voor personen met een curatief behandelde hersentumor drie jaar.

  • b. groep 2: Personen met een hersentumor in strikte zin zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.

    Een uitzondering hierop vormt de situatie waarin sprake is van een tumor die met succes volledig curatief is behandeld. Bij afwezigheid van met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornissen, kunnen deze personen geschikt worden geacht voor een maximale termijn van drie jaar.

7.5.2. Buiten de hersenen gelegen intracraniële tumoren

  • a. groep 1: Deze eisen gelden zowel voor behandelde als onbehandelde buiten de hersenen gelegen intracraniële tumoren.

    Bij afwezigheid van met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornissen, kunnen deze personen geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 1 voor een termijn van maximaal vijf jaar.

    Bij een vermoeden van een dergelijke functiestoornis, is voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest vereist met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol.

    Bij een positieve rijtest bestaat er geschiktheid voor een termijn van maximaal vijf jaar.

  • b. groep 2: Personen met een buiten de hersenen gelegen intracraniële tumor zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.

    Een uitzondering hierop vormt de situatie waarin sprake is van een goedaardige tumor die vanwege goede prognose geen therapie behoeft of van een tumor die met succes curatief is behandeld. Bij afwezigheid van met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornissen, kunnen deze personen geschikt worden geacht voor een maximale termijn van drie jaar.

7.6. Doorbloedingsstoornissen van de hersenen

Met doorbloedingsstoornissen van de hersenen worden aandoeningen bedoeld als beroerte (intracerebrale hersenbloeding en herseninfarct), TIA (transient ischemic attack), subarachnoïdale bloedingen, misvormingen van hersenarterieën (zoals een aneurysma of een AVM) en vaatmisvormingen van de hersenvaten van zuiver veneuze aard (zoals caverneuze hemangiomen en congenitale veneuze deformaties).

Bij de beoordeling van de geschiktheid zijn mede van belang de kans op, dan wel het bestaan van epileptische aanvallen en de eventuele aanwezigheid van met de rijgeschiktheid interfererende lichamelijke en geestelijke functiestoornissen (zie voor de normen hoofdstuk 3, paragraaf 7.2, 7.7, en 8.6).

Aan beroepsmatig gebruik van een rijbewijs van groep 1 door personen met een doorbloedingsstoornis van de hersenen moeten strenge eisen worden gesteld. Personen met een doorbloedingsstoornis van de hersenen die voldoen aan de hieronder gestelde eisen voor groep 1, maar niet tevens voldoen aan de hieronder geformuleerde eisen voor groep 2, kunnen in beginsel alleen geschikt worden verklaard als de rijbevoegdheid wordt beperkt tot privé-gebruik.

Op speciaal verzoek kan – in individuele gevallen – een uitzondering worden gemaakt op de beperking tot privé-gebruik. Voor een termijn van vijf jaar kunnen deze personen geschikt worden verklaard voor beperkt beroepsmatig vervoer, niet zijnde vervoer van personen, of het onder toezicht doen besturen van derden, voor maximaal vier uren per dag. Voorwaarden zijn een keuring door een specialist en een verklaring van de werkgever volgens een door het CBR vastgesteld model.

7.6.1. Aneurysmata en andere misvormingen van de hersenarteriën

7.6.1.1. Toevallig ontdekte aneurysmata en andere misvormingen van de hersenarteriën met kans op het optreden van bloedingen.

  • a. groep 1: Personen met een toevallig ontdekt aneurysma of andere vaatmisvorming van de hersenarteriën die niet heeft gebloed en niet is behandeld, kunnen geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 1 zonder termijnbeperking.

  • b. groep 2: Personen met een aneurysma of een andere misvorming van de hersenarteriën die niet is behandeld om de kans op een recidiefbloeding te verkleinen, zijn niet geschikt voor rijbewijzen van groep 2.

Een uitzondering geldt voor toevallig ontdekte, onbehandelde aneurysmata die kleiner zijn dan 10 mm. Een specialistisch rapport door een neuroloog is vereist en de maximale geschiktheidstermijn is drie jaar.

7.6.1.2. Aneurysmata en andere misvormingen van de hersenarteriën die zijn ontdekt na een bloeding

Voor de beoordeling is een specialistisch rapport door een neuroloog vereist.

  • a. groep 1: Personen met een bloeding uit een aneurysma of een andere arteriële vaatmisvorming zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 tot zes maanden na het ontstaan van de bloeding.

    Bij afwezigheid van een met de rijgeschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornissen, kunnen deze personen geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 1 zonder termijnbeperking.

    Bij een vermoeden op een dergelijke functiestoornis, is voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid het CBR vereist. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol.

    Bij een positieve rijtest bestaat er geschiktheid voor een termijn van drie jaar.

  • b. groep 2: Personen met een bloeding uit een aneurysma of een andere arteriële vaatmisvorming zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2 tot zes maanden na de behandeling om de kans op een recidiefbloeding te verkleinen. Bij afwezigheid van met de rijgeschiktheid interfererende geestelijke of lichamelijke functiestoornissen kunnen personen geschikt worden geacht voor een termijn van maximaal drie jaar.

    Bestaat er een dergelijke functiestoornis dan zijn deze personen ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2 totdat zij volgens het specialistisch rapport minimaal vijf jaar vrij zijn van dergelijke functiestoornissen. De maximale geschiktheidstermijn is dan drie jaar.

7.6.2. Misvormingen van de hersenvaten van zuiver veneuze aard

Het betreft hier een scala aan aandoeningen, waaronder andere cerebrale caverneuze hemangiomen en congenitale veneuze malformaties.

Voor de beoordeling is een specialistisch rapport door een neuroloog vereist.

7.6.2.1. Toevallig ontdekte zuiver veneuze misvormingen van de hersenvaten zonder klinische verschijnselen

Wanneer deze aandoeningen toevallig gevonden worden, laten ze toch al vaak tekenen van een bloeding zien, zonder dat zich klinische verschijnselen hebben voorgedaan.

Deze personen zijn geschikt voor rijbewijzen van groep 1 en 2 als uit het specialistisch rapport blijkt dat het risico van een (recidief) bloeding gering wordt geacht.

De geschiktheidstermijn is gezien het dynamisch karakter van de aandoening maximaal drie jaar.

7.6.2.2. Zuiver veneuze misvormingen van de hersenvaten met klinische verschijnselen die niet zijn behandeld

  • a. groep 1: Personen met misvormingen van de hersenvaten van zuiver veneuze aard die gebloed hebben en waarbij zich klinische verschijnselen hebben voorgedaan, zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 tot zes maanden na het begin van het optreden van de klinische verschijnselen.

    Deze personen kunnen na zes maanden weer geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 1 als uit het specialistisch rapport blijkt dat het risico van een recidief bloeding gering wordt geacht en er geen met de rijgeschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis is. De geschiktheidstermijn is gezien het dynamisch karakter van de aandoening maximaal drie jaar.

    Bij een vermoeden op een dergelijke functiestoornis is voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid het CBR vereist. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol.

    Bij een positieve rijtest bestaat er geschiktheid voor een termijn van maximaal drie jaar.

  • b. groep 2: Personen met misvormingen van de hersenvaten van zuiver veneuze aard die gebloed hebben en waarbij zich klinische verschijnselen hebben voorgedaan, zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2 tot zes maanden na het begin van het optreden van de klinische verschijnselen.

    Deze personen kunnen na zes maanden weer geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 2 als uit het specialistisch rapport blijkt dat het risico van een recidief bloeding gering wordt geacht en er geen met de rijgeschiktheid interfererende geestelijke of lichamelijke functiestoornis is. De maximale geschiktheidstermijn is drie jaar.

    Bestaat er een dergelijke functiestoornis dan zijn deze personen ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2 totdat zij volgens het specialistisch rapport minimaal vijf jaar vrij zijn van dergelijke functiestoornissen. De maximale geschiktheidstermijn is dan drie jaar.

7.6.2.3. Zuiver veneuze misvormingen van de hersenvaten met klinische verschijnselen die zijn behandeld

  • a. groep 1: Personen met misvormingen van de hersenvaten van zuiver veneuze aard die gebloed hebben, waarbij zich klinische verschijnselen hebben voorgedaan en die zijn behandeld, zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 tot zes maanden na de behandeling. Deze personen kunnen na zes maanden weer geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 1 als uit het specialistisch rapport blijkt dat het risico van een recidief bloeding gering wordt geacht en er geen met de rijgeschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis is. De geschiktheidstermijn is gezien het dynamisch karakter van de aandoening maximaal drie jaar.

    Bij een vermoeden op een dergelijke functiestoornis is voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid het CBR vereist. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol.

    Bij een positieve rijtest bestaat er geschiktheid voor een termijn van maximaal drie jaar.

  • b. groep 2: Personen met misvormingen van de hersenvaten van zuiver veneuze aard die gebloed hebben, waarbij zich klinische verschijnselen hebben voorgedaan en die zijn behandeld, zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2 tot zes maanden na de behandeling. Deze personen kunnen na zes maanden weer geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 2 als uit het specialistisch rapport blijkt dat het risico van een recidief bloeding gering wordt geacht en er geen met de rijgeschiktheid interfererende geestelijke of lichamelijke functiestoornis is. De maximale geschiktheidstermijn is drie jaar.

    Bestaat er een dergelijke functiestoornis dan zijn deze personen ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2 totdat zij volgens het specialistisch rapport minimaal vijf jaar vrij zijn van dergelijke functiestoornissen. De maximale geschiktheidstermijn is dan drie jaar.

7.6.3. TIA en beroerte

  • a. groep 1: Personen met TIA of een beroerte, die niet het gevolg is van een misvorming van de hersenvaten, zijn gedurende twee weken na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1.

    Bestaat er na twee weken geen met de geschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis, dan kunnen zij op basis van de door de keurend arts ingevulde beroertevragenlijst geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 zonder termijnbeperking. Voorwaarde is dat zij adequaat worden behandeld met de geëigende therapie.

    Bestaat er na twee weken een vermoeden van een met de geschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis, dan blijven zij ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 tot drie maanden na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen. Na die termijn is een specialistisch rapport vereist, opgesteld door een neuroloog of een revalidatiearts.

    Voor de beoordeling van de geschiktheid is tevens een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR vereist. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol. Bij met de geschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis en een positieve rijtest is de maximale geschiktheidstermijn vijf jaar.

  • b. groep 2: Personen met TIA of een beroerte, die niet het gevolg is van een misvorming van de hersenvaten, zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.

    Bestaat er na vier weken na het begin van de uitvalsverschijnselen geen met de geschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis, dan kunnen zij op basis van een van de door de keurend arts ingevulde beroertevragenlijst geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 2 zonder termijnbeperking. Voorwaarde is dat zij adequaat worden behandeld met de geëigende therapie.

    Bestaat er na vier weken een vermoeden op met de geschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis dan zijn zij ongeschikt tot drie maanden na het ontstaan van de uitvalsverschijnselen. Daarna is een specialistisch rapport, opgesteld door een neuroloog of een revalidatiearts, vereist. Zij kunnen geschikt worden verklaard als uit het specialistisch rapport blijkt dat er geen met de geschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis is.

    Bestaat er twijfel of een lichamelijke functiestoornis interfereert met de geschiktheid, dan kan voor de beoordeling een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR worden afgenomen. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol.

7.6.4. Carotis stenose

  • a. groep 1: Personen met een carotis stenose zonder een doorbloedingsstoornis van de hersenen kunnen op basis van een aantekening van de keurend arts geschikt worden verklaard.

  • b. groep 2: Personen met een carotis stenose zonder een doorbloedingsstoornis van de hersenen kunnen op basis van een aantekening van de keurend arts geschikt worden verklaard. De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar.

7.6.5. Subarachoïdale bloeding (SAB)

Voor de beoordeling is een specialistisch rapport door een neuroloog vereist.

Voor de eisen aan de geschiktheid bij een SAB ten gevolge van een geruptureerd aneurysma (ca. 85% van de gevallen) zie paragraaf 7.6.1.2.

Personen die een niet-aneurysmatische, veneuze SAB (perimesencephale bloeding, ca. 10% van de gevallen) hebben gehad en restloos zijn hersteld, zijn geschikt voor groep 1 en 2 zonder termijnbeperking.

Bij een vermoeden op een met de rijgeschiktheid interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornis is voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid het CBR vereist. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol. Bij een positieve rijtest is de maximale geschiktheidstermijn vijf jaar

7.7. Stationaire beelden

Het gaat hierbij om resttoestanden na traumatisch hersenletsel, dwarslaesies, traumatisch zenuwletsel, jeugdig verkregen spasticiteit, restverschijnselen van polio en dergelijke.

  • a. groep 1: Voor rijbewijzen van groep 1 is geen specialistisch onderzoek nodig, als de aantekening van de keurend arts of de revalidatiearts voldoende informatie bevat om de geschiktheid te kunnen beoordelen. Is dit niet het geval dan is een specialistisch rapport vereist, opgesteld door een neuroloog (en eventueel een neuropsycholoog).

    Bij afwezigheid van met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke of geestelijke functiestoornissen, kunnen deze personen geschikt worden geacht voor rijbewijzen van groep 1 zonder termijnbeperking.

    Bij een vermoeden van een met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke en geestelijke functiestoornis, is voor de beoordeling van de geschiktheid een rijtest vereist met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Het CBR heeft voor de rijtest een uitvoerig protocol. Bij een positieve rijtest zijn deze personen geschikt zonder termijnbeperking.

    Bij twijfel over de geschiktheid in de toekomst kunnen zij geschikt worden geacht voor maximaal vijf jaar.

  • b. groep 2: Deze personen zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2. Slechts bij afwezigheid van met de geschiktheid tot het besturen van motorrijtuigen interfererende lichamelijke en geestelijke functiestoornissen, kunnen zij geschikt worden verklaard voor een termijn van maximaal vijf jaar. Voor de beoordeling van de geschiktheid is een specialistisch rapport vereist.

    Bij een vermoeden van een met de geschiktheid interfererende motorische functiestoornis, kan ter uitsluiting daarvan een rijtest met een deskundige praktische geschiktheid van het CBR worden gevraagd. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol.

Hoofdstuk 8. Psychiatrische stoornissen

8.1. Algemeen

In dit hoofdstuk worden de eisen aan de geschiktheid voor het onderwerp psychiatrie geformuleerd. Bij de beoordeling is het ziektebeloop van belang: de persoon zal bij voorkeur minstens een jaar vrij moeten zijn van recidieven, tenzij in specifieke gevallen anders omschreven. Daarnaast is van belang de voorspelbaarheid van uitingen van de aandoening, het ziekte-inzicht en de therapietrouw. Als de aandoening een reversibele organische stoornis tot grondslag had (heeft), kan de keurling na herstel in de regel goedgekeurd worden.

8.2. Schizofreniespectrumstoornissen en andere psychotische stoornissen

In alle gevallen geldt dat bij psychiatrische comorbiditeit of cognitieve stoornissen tevens de betreffende paragrafen uit dit hoofdstuk gelden.

8.2.1. Eenmalige, kortdurende psychotische episode

  • a. groep 1: Personen die een eenmalige psychose hebben doorgemaakt en die zes maanden recidiefvrij zijn, kunnen op basis van een positief psychiatrisch rapport geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 voor een termijn van maximaal vijf jaar.

    Zolang zij niet tevens voldoen aan de eisen voor groep 2, kunnen zij alleen geschikt worden verklaard als de rijbevoegdheid wordt beperkt tot privégebruik.

    Personen die een eenmalige psychose hebben doorgemaakt, die tien jaar recidiefvrij zijn en meer dan vijf jaar zonder medicatie, kunnen op basis van een psychiatrievragenlijst geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 zonder termijnbeperking.

  • b. groep 2: Personen die een eenmalige psychose hebben doorgemaakt, die twee jaar recidiefvrij zijn en bij wie de medicatie is gestaakt, kunnen op basis van een positief psychiatrisch rapport geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 2 voor een termijn van maximaal drie jaar.

    Personen die een eenmalige psychose hebben doorgemaakt, die tien jaar recidiefvrij zijn en meer dan vijf jaar zonder medicatie, kunnen op basis van een psychiatrievragenlijst geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 2 zonder termijnbeperking.

8.2.2. Schizofreniespectrumstoornissen (schizofrenie, schizoaffectieve stoornis, schizofreniforme stoornis)

  • a. groep 1: Personen met schizofreniespectrumstoornissen die succesvol worden behandeld (zes maanden recidiefvrij, zekere mate van ziekte-inzicht en geringe ‘negatieve symptomen’) kunnen op basis van een positief psychiatrisch rapport geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 voor een termijn van maximaal vijf jaar. Zij kunnen alleen geschikt worden verklaard als de rijbevoegdheid wordt beperkt tot privégebruik.

  • b. groep 2: Personen met schizofreniespectrumstoornissen zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.

8.2.3. Waanstoornis

  • a. groep 1: Personen met een ernstige waanstoornis zijn ongeschikt. Personen bij wie de psychiater de waanstoornis als licht beschouwt (niet interfererend met de rijgeschiktheid) kunnen geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 rijbewijzen voor maximaal vijf jaar.

  • b. groep 2: Personen met een waanstoornis zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.

8.2.4. Overige psychotische stoornissen

Personen met een psychotische stoornis, die niet valt onder bovenstaande paragrafen, kunnen na een geslaagde behandeling (zes maanden recidiefvrij) op basis van een specialistisch rapport geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en groep 2.

8.3. Bipolaire en depressieve stoornissen

In alle gevallen geldt dat bij psychiatrische comorbiditeit of cognitieve stoornissen tevens de betreffende paragrafen uit dit hoofdstuk gelden.

8.3.1. Depressieve stoornis

Personen met een depressieve stoornis kunnen voor rijbewijzen van groep 1 en 2 geschikt worden verklaard onder de volgende voorwaarden:

  • a. geen suïciderisico

  • b. adequate behandeling

  • c. redelijk ziekte-inzicht

Een adequate behandeling wil zeggen dat er geen of lichte depressieve symptomen zijn en dat de persoon therapietrouw is.

Voor de beoordeling van personen bij wie de diagnose depressieve stoornis minder dan vijf jaar geleden is gesteld, is een psychiatrisch rapport vereist als men het afgelopen jaar onder behandeling van een psychiater is geweest. Is dit niet het geval dan volstaat een door een arts ingevulde psychiatrievragenlijst.

Voor de beoordeling van personen bij wie de depressieve stoornis meer dan vijf jaar geleden is vastgesteld, voldoet in eerste instantie een door een arts ingevulde psychiatrievragenlijst. Als uit de vragenlijst blijkt dat depressieve symptomen nog aanwezig zijn, is alsnog een psychiatrisch rapport vereist.

De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar. Bij totale remissie van symptomen kunnen zij geschikt worden verklaard zonder termijnbeperking.

8.3.2. Bipolaire stoornis

Personen met een bipolaire stoornis kunnen voor rijbewijzen van groep 1 en 2 geschikt worden geacht onder de volgende voorwaarden:

  • a. geen suïciderisico

  • b. adequate behandeling

  • c. redelijk ziekte-inzicht

Een adequate behandeling wil zeggen dat er geen of lichte depressieve of hypomane symptomen zijn en dat de persoon therapietrouw is.

Voor de beoordeling van personen bij wie de diagnose bipolaire stoornis minder dan vijf jaar geleden is gesteld, is een psychiatrisch rapport vereist als men het afgelopen jaar onder behandeling van een psychiater is geweest. Is dit niet het geval dan volstaat een door een arts ingevulde psychiatrievragenlijst.

Voor de beoordeling van personen bij wie een bipolaire stoornis meer dan vijf jaar geleden is vastgesteld, voldoet in eerste instantie een door een arts ingevulde psychiatrievragenlijst. Als uit de vragenlijst blijkt dat er depressieve of hypomane symptomen aanwezig zijn, is alsnog een psychiatrisch rapport vereist.

De maximale geschiktheidstermijn is vijf jaar. Bij totale remissie van symptomen kunnen zij geschikt worden verklaard zonder termijnbeperking.

8.3.3. Dysthyme stoornis

Personen met een dysthyme stoornis kunnen op basis van een door een arts ingevulde psychiatrievragenlijst voor onbeperkte tijd geschikt worden verklaard.

8.4. Angststoornissen

Fobische reacties kunnen in bepaalde gevallen, afhankelijk van de aard van de fobie, een duidelijke belemmering vormen voor het besturen van een motorrijtuig, maar geven in de regel geen reden voor ongeschiktheidsverklaring. Echter, mensen die regelmatig therapieresistente paniekaanvallen vertonen, zijn in het algemeen ongeschikt voor het rijbewijs; voor de beoordeling is een specialistisch rapport vereist.

Personen die ter bestrijding van een angststoornis hoge doses psychofarmaca (benzodiazepinen) gebruiken, zijn ongeschikt voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer.

8.5. Dissociatieve stoornissen

De meeste personen met deze stoornissen zullen een nauwelijks verminderde geschiktheid vertonen. Wel zijn mensen die bij herhaling last hebben van een ’psychogene fugue’ of een ernstige trance in het verkeer dan wel een redelijke kans hebben op het doormaken daarvan, ongeschikt voor het rijbewijs.

Voor het algemene beleid bij bewustzijnsstoornissen, zie ook paragraaf 7.3.

8.6. Cognitieve stoornissen

8.6.1. Dementie

  • a. Groep 1: Bij een vermoeden van dementie is een specialistisch rapport vereist, opgesteld door een neuroloog, psychiater, klinisch geriater of specialist ouderengeneeskunde. Het rapport moet het CBR informatie verschaffen over de ernst van de dementie. Voor het indelen van de ernst van de dementie wordt daarbij gebruik gemaakt van de internationaal aanvaarde Clinical Dementia Rating (CDR).

    Personen met een zeer lichte (CDR 0,5) of lichte vorm (CDR 1) van dementie kunnen geschikt worden verklaard voor een rijbewijs van groep 1, met een beperking van de rijbevoegdheid tot privégebruik. Personen met een matige (CDR 2) of ernstige (CDR 3) vorm van dementie zijn altijd ongeschikt.

    Voor de bepaling van de geschiktheid van personen met zeer lichte of lichte dementie dient een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR plaats te vinden. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol.

    De geschiktheidstermijn is één jaar.

    In uitzonderingsgevallen kunnen personen met een zeer lichte vorm van dementie (CDR 0,5) geschikt worden verklaard voor een termijn van maximaal drie jaar. Voorwaarde is dat de positieve rijtest wordt aangevuld met een positief neuropsychologisch onderzoek.

  • b. Groep 2: Personen bij wie de diagnose dementie is gesteld zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2.

8.6.2. Overige cognitieve stoornissen, anders dan dementie

Personen bij wie het cognitief functioneren gestoord is geraakt (zoals een gestoord oordeel- en kritiekvermogen, gestoorde oriëntatie, geheugenstoornissen) zijn meestal ongeschikt voor groep 1 en altijd ongeschikt voor groep 2 rijbewijzen.

Eventuele tijdelijke geschiktheid voor groep 1 – zulks ter beoordeling door middel van een specialistisch onderzoek – hangt af van de mate van progressie van de ziekte en de ernst van de verschijnselen, maar is hooguit vijf jaar. Voor de bepaling van de geschiktheid dient een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van de desbetreffende afdeling van het CBR plaats te vinden. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol.

Organische aandoeningen die gepaard gaan met regelmatig terugkerende episoden van verwardheid en desoriëntatie maken de betrokkene ongeschikt voor het rijbewijs, tenzij deze verschijnselen alleen optreden bij intercurrente lichamelijke ziekten. Wat dit laatste betreft is in gunstige gevallen, na herstel van de bijkomende ziekte, goedkeuring mogelijk zo nodig met een beperkte geschiktheidstermijn. Bij reversibele oorzaken van psycho-organische stoornissen kan de betrokkene psychisch herstellen en weer geschikt worden verklaard.

8.7. Persoonlijkheidsstoornissen

Personen die op grond van stoornissen in hun persoonlijkheid grote aanpassingsmoeilijkheden hebben met betrekking tot de eisen van de maatschappij, zullen in de regel ook in het verkeer onaangepaste gedragingen vertonen, waardoor zij ongeschikt kunnen zijn voor deelname aan het gemotoriseerde verkeer. Mensen met ernstige persoonlijkheidsstoornissen (zoals bijvoorbeeld antisociale persoonlijkheidsstoornis, borderline persoonlijkheidsstoornis en paranoïde persoonlijkheidsstoornis) zijn ongeschikt voor elk rijbewijs, wanneer zij duidelijk blijk hebben gegeven (bijvoorbeeld in de vorm van grove verkeersovertredingen of -delicten) van:

  • -

    gebrek aan sociale verantwoordelijkheid of gebrekkig geweten;

  • -

    miskenning van de risico’s van rijden onder invloed van alcohol of andere gedragsbeïnvloedende middelen (zie ook paragraaf 8.8).

  • -

    Voor elke beslissing op dit gebied is een specialistisch rapport geboden.

8.8. Misbruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)

Voor de beoordeling of sprake is van misbruik van psychoactieve middelen is een specialistisch rapport vereist.

Personen die misbruik maken van dergelijke middelen zijn zonder meer ongeschikt.

Indien zij aannemelijk of aantoonbaar zijn gestopt met dit misbruik, dient een recidiefvrije periode van een jaar te zijn gepasseerd voordat zij door middel van een herkeuring - op basis van een specialistisch rapport geschikt - kunnen worden geacht.

Een strenge opstelling van de keurend arts is aangewezen, gezien de gevaren die het gebruik van deze middelen oplevert voor de verkeersveiligheid.

8.8.1. Regelmatig gebruik van psychoactieve middelen (zoals alcohol en drugs)

Het regelmatig gebruik maken van psychoactieve middelen in dusdanige hoeveelheden dat het rijgedrag daardoor ongunstig wordt beïnvloed, valt mede onder het begrip misbruik van psychoactieve middelen, als bedoeld in paragraaf 8.8. Paragraaf 8.8 is daarmee ook van toepassing op personen die regelmatig gebruik maken van psychoactieve middelen in zodanige hoeveelheden dat daardoor de rijvaardigheid ongunstig wordt beïnvloed.

8.9. Verstandelijke handicap

Als zwakbegaafden in staat zijn het praktische en theoretische rijexamen met succes af te leggen, kunnen zij geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en bij uitzondering voor één van de categorieën van groep 2.

8.10. ADHD (inclusief subtypen)

Bij de eerste beoordeling door het CBR van personen met ADHD moet een onderzoek plaatsvinden door een onafhankelijk specialist met kennis en ervaring op het gebied van ADHD bij volwassenen aan de hand van een checklist met risicofactoren.

Personen met ADHD zijn onbeperkt geschikt voor rijbewijzen van groep 1 en 2 als voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • er is geen sprake van misbruik van psychoactieve middelen (zie paragraaf 8.8);

  • er is sprake van ziekte-inzicht en therapietrouw;

  • er is geen sprake van rijgevaarlijke bijwerkingen van de medicatie.

Tevens geldt dat indien sprake is van risicofactoren zoals angststoornissen, depressieve stoornissen of persoonlijkheidsstoornissen, dient te zijn gebleken dat deze voldoende onder controle zijn. Als daarbij rijgevaarlijke medicatie wordt gebruikt gelden tevens de desbetreffende paragrafen van hoofdstuk 10.

In twijfelgevallen kan de specialist het CBR een termijnbeperking adviseren van drie of vijf jaar, waarna, evenals bij de eerste keuring, een keuring door een specialist met kennis en ervaring op het gebied van ADHD bij volwassenen moet plaatsvinden, waarbij de bovenstaande voorwaarden van toepassing zijn.

Bij een eerste aanvraag van een rijbewijs van groep 1 of 2 dient bij de beoordeling een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR plaats te vinden. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol.

8.11. Autismespectrumstoornissen (ASS)

Bij de eerste beoordeling door het CBR van personen met een autismespectrumstoornis (ASS) moet een onderzoek plaatsvinden door een onafhankelijk specialist met kennis en ervaring op het gebied van ASS bij volwassenen aan de hand van een checklist met risicofactoren.

Personen met ASS zijn onbeperkt geschikt voor groep 1 en 2 indien zowel co-morbide psychiatrische als somatische stoornissen voldoende onder controle zijn.

Deze stoornissen zijn:

  • angst- en dwangstoornissen, aandachtstoornissen, hyperactiviteit, depressieve stoornissen en psychotische stoornissen;

  • epilepsie en genetische afwijkingen.

Voor deze stoornissen gelden tevens de betreffende paragrafen uit hoofdstukken 7 en 8. Als daarbij rijgevaarlijke medicatie wordt gebruikt gelden tevens de desbetreffende paragrafen van hoofdstuk 10.

In twijfelgevallen kan de specialist het CBR een termijnbeperking adviseren van drie of vijf jaar, waarna, evenals bij de eerste keuring, een keuring door een specialist met kennis en ervaring op gebied van ASS bij volwassenen moet plaatsvinden.

Bij een eerste aanvraag voor groep 1 of 2 dient bij de beoordeling een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR plaats te vinden. Het CBR heeft hiervoor een uitvoerig protocol.

Hoofdstuk 9. Lichamelijke handicaps

De geschiktheid van personen met een lichamelijke handicap wordt in eerste instantie beoordeeld door het CBR op basis van de aantekening van de keurende arts op de eigen verklaring en de eventueel reeds beschikbare overige gegevens (bijvoorbeeld een rapport van de revalidatiearts).

In de tweede plaats kan het CBR een beoordeling vragen door een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR. Deze deskundige adviseert het CBR - veelal na uitvoering van een technisch onderzoek of een rijtest - over de mogelijkheden van de aanvrager van het rijbewijs om, zo nodig met aanpassingen aan het voertuig, een motorrijtuig te besturen.

Bij twijfel over de geschiktheid van de betrokkene in de nabije toekomst dient een beperkte geschiktheidstermijn voor de desbetreffende rijbewijscategorie te worden gehanteerd. Het CBR kan dan tijdig de geschiktheid opnieuw bezien.

Hoofdstuk 10. Geneesmiddelen

10.1. Inleiding

Voor de beoordeling van de geschiktheid is het ook van belang in hoeverre de aanvrager gebruik maakt van geneesmiddelen die de rijvaardigheid negatief kunnen beïnvloeden. Uit verschillende onderzoeken komt naar voren dat bepaalde geneesmiddelen een ongewenste nadelige invloed hebben op de rijvaardigheid. Dit geldt vooral voor geneesmiddelen die een dempende of stimulerende werking hebben op het centrale zenuwstelsel, maar ook voor geneesmiddelen die als bijwerking duizeligheid, plotselinge slaapaanvallen of wazig zien, hebben.

Wanneer in dit hoofdstuk sprake is van geneesmiddelen met geen of weinig negatieve invloed (categorie I), licht tot matig negatieve invloed (categorie II) of een ernstige of potentieel gevaarlijke invloed (categorie III) op de rijvaardigheid, dan wordt daarmee verwezen naar de internationaal aanvaarde indeling (ICADTS-classificatie) van rijgevaarlijke geneesmiddelen in de categorieën I tot en met III.

Categorie

Omschrijving effect

Vergelijkbaar bloedalcoholgehalte

I

geen of weinig negatieve invloed

< 0,5 promille

II

licht tot matig negatieve invloed

0,5–0,8 promille

III

ernstige of potentieel gevaarlijke invloed

> 0,8 promille

Geneesmiddelen dienen te worden beoordeeld aan de hand van de aandoening waarvoor zij worden voorgeschreven. Eenzelfde middel kan bijvoorbeeld voor de behandeling van een depressie in een andere categorie vallen dan voor neuropathische pijn. Onder andere door een lagere dosering.

Bij de beoordeling van de geschiktheid is tevens van belang of er meerdere geneesmiddelen met een negatieve invloed op de rijvaardigheid worden gebruikt. Tenslotte is het zo dat de aandoening waarvoor het middel wordt voorgeschreven vaak een meer wezenlijk probleem voor de geschiktheid vormt dan het middel zelf. Bij de beoordeling van de geschiktheid zal de betreffende paragraaf over de aandoening daarom moeten worden meegenomen.

10.2. Geneesmiddelen bij psychotische stoornissen

Personen die antipsychotica gebruiken met een ernstige of potentieel gevaarlijke invloed op de rijvaardigheid (categorie III) zijn ongeschikt. Personen die – in een therapeutische dosis – antipsychotica gebruiken die geen tot matige negatieve invloed hebben op de rijvaardigheid (categorie I en II), kunnen geschikt worden verklaard. Voor middelen uit categorie II geldt dat er enkele dagen na de start van de behandeling ongeschiktheid is.

10.3. Geneesmiddelen bij stemmingstoornissen

Personen die antidepressiva gebruiken met een ernstige of potentieel gevaarlijke invloed op de rijvaardigheid (categorie III) zijn ongeschikt tenzij de antidepressiva ten minste gedurende een periode van 36 maanden zonder onderbreking in gelijkblijvende dosering zijn gebruikt en de persoon een rijtest in de vorm van een specialistisch universitair onderzoek in een rijsimulator positief heeft doorstaan. Het CBR heeft daarvoor een protocol. De maximale geschiktheidstermijn bedraagt vijf jaar.

Personen die – in een therapeutische dosis – antidepressiva gebruiken die geen tot matig negatieve invloed hebben op de rijvaardigheid (categorie I en II), kunnen geschikt worden verklaard. Voor middelen uit categorie II geldt dat er een week na de start van de behandeling ongeschiktheid is.

Personen die lithiumzouten gebruiken, met een licht tot matig negatieve invloed op de rijvaardigheid (categorie II), kunnen geschikt worden verklaard. Na de start van de behandeling is er een week ongeschiktheid.

10.4. Psychostimulantia

Hieronder vallen de groep amfetamines (o.a. dexamfetamine, amfetamine en methylfenidaat) en de groep overige psychostimulantia (modafinil).

Gebruik van deze geneesmiddelen maakt iemand ongeschikt. Een uitzondering is mogelijk voor zover psychostimulantia in therapeutische dosering gebruikt worden voor de behandeling van ADHD bij volwassenen, narcolepsie of pathologische hypersomnolentie. Wanneer er geen rijgevaarlijke bijwerkingen zijn, bestaat er in die gevallen geschiktheid.

10.5. Hypnotica, sedativa, anxiolytica

Personen die behandeld worden met barbituraten zijn ongeschikt.

Personen die benzodiazepinen gebruiken met een ernstige of potentieel gevaarlijke invloed op de rijvaardigheid (categorie III) zijn ongeschikt. Personen die – in een therapeutische dosis – benzodiazepinen gebruiken die geen tot matig negatieve invloed hebben op de rijvaardigheid (categorie I en II), kunnen geschikt worden verklaard. Voor middelen uit categorie II geldt dat er bij chronisch gebruik een week na de start van de behandeling ongeschiktheid is.

10.6. Antidiabetica

Hoewel deze geneesmiddelen hypoglykemieën kunnen veroorzaken, die kunnen leiden tot acute ongeschiktheid, hebben zij een gunstig effect op het onderliggende ziektebeeld.

10.7. Anti-epileptica

De aandoening waarbij deze geneesmiddelen worden toegepast (epilepsie) vormt meestal een meer wezenlijk probleem voor de geschiktheid dan de effecten van het geneesmiddel zelf.

Personen die behandeld worden met anti-epileptica die een ernstige of potentieel gevaarlijke invloed op de rijvaardigheid hebben (categorie III), zijn ongeschikt totdat de anti-epileptica ten minste gedurende een periode van één jaar zijn gebruikt.

10.8. Anticoagulantia

Personen die worden behandeld met deze geneesmiddelen kunnen geschikt worden verklaard.

10.9. Antihistaminica

Bij de beoordeling moet onderscheid gemaakt worden tussen antihistaminica van de eerste generatie (klassieke, sederende antihistaminica), en antihistaminica van de tweede generatie (niet-sederende antihistaminica).

Sederende antihistaminica hebben een matig negatieve tot ernstige of potentieel gevaarlijke invloed op de rijvaardigheid (categorie II en III). Personen die behandeld worden met antihistaminica met een ernstige of potentieel gevaarlijke invloed (categorie III) zijn ongeschikt.

De tweede generatie antihistaminica hebben geen tot weinig negatieve invloed op de rijvaardigheid (categorie I). Personen die met deze geneesmiddelen worden behandeld, zijn geschikt, mits er geen rijgevaarlijke bijwerkingen optreden.

10.10. Antihypertensiva

Antihypertensiva hebben in een therapeutische dosis geen negatieve invloed op de rijvaardigheid. Centraal aangrijpende antihypertensiva, zoals methyldopa en clonidine, kunnen sedatie geven en de rijvaardigheid negatief beïnvloeden.

10.11. Corticosteroïden

Behandeling met corticosteroïden, bijvoorbeeld bij personen met astma, vormt geen reden voor ongeschiktheid.

10.12. Maag-darmmiddelen

Zowel behandeling met geneesmiddelen die de peristaltiek bevorderen, of de tonus normaliseren als behandeling met geneesmiddelen die de peristaltiek remmen, vormen geen reden tot ongeschiktheid. Dit geldt ook voor het gebruik van geneesmiddelen ter behandeling bij maagzweren.

10.13. Analgetica

Gebruik van paracetamol en NSAID’s vormt in het algemeen geen reden tot ongeschiktheid. Een langdurige behandeling met stabiele doses van opioïden heeft geen negatieve invloed op de rijvaardigheid. Personen die behandeling ondergaan met opioïden zijn ongeschikt gedurende de eerste twee weken van de behandeling. Uitzondering geldt voor codeïne in een dosis tot en met 20 mg per dag, mits er geen (rijgevaarlijke) bijwerkingen optreden. Een aantal antidepressiva en anti-epileptica die voor neuropathische pijn worden voorgeschreven, zijn in de therapeutische dosis geen probleem voor de geschiktheid.

10.14. Geneesmiddelen tegen migraine en clusterhoofdpijn

Het hoofdpijnmiddel pizotifeen heeft een licht tot matig negatieve invloed op de rijvaardigheid (categorie II). Na start van de behandeling is er enkele dagen ongeschiktheid.

10.15. Parasympaticolytica, parasympaticomimetica, sympaticolytica, sympaticomimetica

Op zichzelf vormen deze geneesmiddelen meestal geen reden tot ongeschiktheid.

10.16. Parkinsonmiddelen

Parkinsonmiddelen (dopamine-agonisten of parasympaticolytica) hebben geen tot een matig negatieve invloed op de rijvaardigheid (categorie I of II).

Personen die behandeld worden met dopamine-agonisten zijn ongeschikt nadat een slaapaanval is opgetreden. Als na bijstelling van de therapie de slaapaanvallen wegblijven, kunnen zij weer geschikt worden verklaard.

10.17. Cytostatica/oncolytica

Zolang bij gebruik van oncolytica rijgevaarlijke bijwerkingen zoals slaperigheid, sedatie of vertigo optreden is er ongeschiktheid.

10.18. Vertigomiddelen

Vertigomiddelen (cinnarizine, flunarizine, piracetam) hebben een licht tot matig negatieve invloed op de rijvaardigheid (categorie II). Na start van de behandeling is er enkele dagen ongeschiktheid.

10.19. Misbruik van geneesmiddelen

Personen waar sprake is van misbruik van geneesmiddelen, zoals benzodiazepinen, amfetamines en opioïden, zijn ongeschikt (zie ook paragraaf 8.8).

Hoofdstuk 11. Syncope en wegraking van onbewezen origine

11.1. Inleiding

Een wegraking is een kortdurend bewustzijnsverlies met spontaan herstel. De begrippen wegraking en syncope in deze tekst worden gehanteerd volgens de definitie en classificatie van de European Society of Cardiology (ESC) Task Force on Syncope (2009). De oorzaken van een wegraking kunnen zijn: diabetes (hoofdstuk 5), epilepsie (hoofdstuk 7), psychogeen (hoofdstuk 8) en syncope. Een wegraking veroorzaakt door een daling van de bloeddruk met als gevolg verminderde doorbloeding en zuurstoftekort van de hersenen wordt een syncope genoemd. Er zijn drie hoofdgroepen syncope: reflexsyncope, cardiale syncope en syncope door orthostatische hypotensie.

11.2. Reflexsyncope

11.2.1. Klassieke vasovagale syncope

Een klassieke vasovagale collaps is een syncope met een uitlokkend moment en prodromale verschijnselen. Prodromale verschijnselen van syncope kunnen zijn misselijkheid, bleekheid en heftige transpiratie.

Een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope is vereist bij personen met drie of meer van dergelijke syncopes per jaar of als sprake is van een zodanig korte duur tussen de eerste prodromale verschijnselen en de wegraking dat adequate actie onmogelijk is. In overige gevallen kunnen deze personen geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en 2 op basis van een aantekening van de keurend arts.

11.2.2. Situationele syncope

Voor de beoordeling van de geschiktheid is een aantekening van de keurend arts vereist.

Personen die een situationele syncope anders dan een hoestsyncope hebben doorgemaakt, kunnen voor onbeperkte tijd geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en 2. Personen met een hoestsyncope zijn tijdelijk ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 en 2. Zodra de hoestbuien onder controle zijn, dient een syncopevrije periode van een maand te zijn verstreken voordat personen voor onbeperkte tijd geschikt kunnen worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en 2.

11.2.3. Sinus caroticus syncope

  • a. groep 1: Personen bij wie een pacemaker is ingebracht kunnen op basis van de aantekening van de keurend arts geschikt worden verklaard indien er geen sterke bloeddrukdaling meer optreedt bij sinus-caroticusmassage.

    In overige gevallen is voor de beoordeling van de geschiktheid een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope vereist. Zij zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 totdat zij minimaal drie maanden geen syncope meer hebben gehad. Personen met meerdere syncopes in een periode van twaalf maanden zijn ongeschikt totdat zij minimaal twaalf maanden geen syncope meer hebben gehad. De geschiktheidtermijn is maximaal tien jaar.

  • b. groep 2: Personen bij wie een pacemaker is ingebracht kunnen op basis van een cardiologisch rapport geschikt worden verklaard indien er geen sterke bloeddrukdaling meer optreedt bij sinus-caroticusmassage. In overige gevallen is voor de beoordeling van de geschiktheid een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope vereist. Zij zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 2 totdat zij minimaal zes maanden geen syncope meer hebben gehad. Personen met meerdere syncopes in een periode van twaalf maanden zijn ongeschikt totdat zij minimaal twaalf maanden geen syncope meer hebben gehad. De geschiktheidtermijn is maximaal vijf jaar.

11.3. Cardiale syncope

Voor de beoordeling van de geschiktheid geldt tevens hoofdstuk 6.

Een cardiale syncope kan veroorzaakt worden door structurele hartafwijkingen of ritmestoornissen.

Personen bij wie na een syncope een pacemaker wordt geplaatst kunnen één week na implantatie weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en groep 2. Voor hen gelden tevens de eisen uit paragraaf 6.7.3. Personen bij wie na syncope een ICD is geplaatst kunnen twee maanden na implantatie weer geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1. Voor hen gelden tevens de eisen uit paragraaf 6.7.4. Voor rijbewijzen van groep 2 blijven deze personen ongeschikt.

Personen die behandeld worden met geneesmiddelen of behandeld zijn met cardioversie, ablatie of chirurgische hartritme ingreep zijn ongeschikt voor rijbewijzen van groep 1 en groep 2 totdat zij minimaal drie maanden geen syncope meer hebben gehad. Voor de beoordeling is een rapport van een cardioloog vereist.

Personen die niet worden behandeld kunnen alleen geschikt worden verklaard op basis van een rapport van een cardioloog met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope. Zij zijn ongeschikt totdat zij minimaal drie maanden geen syncope meer hebben gehad.

11.4. Syncope ten gevolge van orthostatische hypotensie

De belangrijkste oorzaken van orthostatische hypotensie zijn gebruik van geneesmiddelen en falen van het autonome zenuwstelsel.

  • a. Personen met syncope ten gevolge van orthostatische hypotensie door gebruik van geneesmiddelen kunnen voor onbeperkte tijd geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en groep 2 als uit de aantekening van de keurend arts blijkt dat de syncope-veroorzakende medicatie is gewijzigd en deze personen nadien gedurende minstens een maand geen syncope meer hebben gehad.

  • b. Personen met syncope ten gevolge van orthostatische hypotensie door falen van het autonome zenuwstelsel en personen die ondanks wijziging van de syncope-veroorzakende medicatie toch klachten houden, kunnen geschikt worden verklaard op basis van een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope. In ieder geval is vereist dat er prodromale verschijnselen zijn die adequate actie mogelijk maken, dat er in zittende houding geen klachten optreden en dat minimaal drie maanden geen syncope meer is opgetreden. Deze personen kunnen geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1 en groep 2 voor een termijn van één jaar. Bij ongewijzigde situatie vervolgens maximaal drie jaar en dan telkens maximaal vijf jaar. Rijbewijsbezitters die bij de eerste beoordeling door het CBR al drie jaar of langer vrij zijn van syncope door autonoom falen mogen direct geschikt worden verklaard voor een termijn van drie jaar, zij die vijf jaar of langer vrij zijn van syncope voor een termijn van vijf jaar.

11.5. Syncope van onbewezen origine

Personen bij wie wegrakingen aannemelijk op syncope berusten, maar bij wie de oorzaak van de syncope onduidelijk is (en die niet onder een van de hierboven genoemde categorieën vallen), vallen in deze groep.

Zij kunnen alleen geschikt worden verklaard op basis van een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van syncope.

  • a. groep 1: Personen met een dergelijke syncope zijn ongeschikt totdat zij minimaal drie maanden geen syncope meer hebben gehad. Personen met meerdere dergelijke syncopes in een periode van twaalf maanden, zijn ongeschikt totdat zij minimaal twaalf maanden geen syncope meer hebben gehad.

  • b. groep 2: Personen met een dergelijke syncope zijn ongeschikt totdat zij minimaal zes maanden geen syncope meer hebben gehad. Personen met meerdere dergelijke syncopes zijn ongeschikt totdat zij minimaal twaalf maanden geen syncope meer hebben gehad.

11.6. Wegraking van onbewezen origine

Voor de beoordeling van personen met een wegraking die niet valt onder één van de paragrafen van deze Regeling is een rapport van een deskundige met voldoende kennis en ervaring op het gebied van een wegraking vereist.

  • a. groep 1: Personen met een dergelijke wegraking zijn ongeschikt totdat zij minimaal drie maanden geen wegraking meer hebben gehad. Personen met meerdere dergelijke wegrakingen in een periode van twaalf maanden, zijn ongeschikt totdat zij minimaal twaalf maanden geen wegraking meer hebben gehad.

  • b. groep 2: Personen met een dergelijke wegraking zijn ongeschikt totdat zij minimaal zes maanden geen wegraking meer hebben gehad. Personen met meerdere dergelijke wegrakingen zijn ongeschikt totdat zij minimaal twaalf maanden geen wegraking meer hebben gehad.

Hoofdstuk 12. Overige met de geschiktheid interfererende aandoeningen

Personen die lijden aan aandoeningen die niet in expliciet in voorgaande hoofdstukken vermeld worden, maar die wel kunnen interfereren met de geschiktheid voor het besturen van motorrijtuigen kunnen alleen op basis van een specialistisch rapport geschikt worden verklaard, eventueel aangevuld met een rijtest met een deskundige op het gebied van de praktische geschiktheid van het CBR.

Bij twijfel over de geschiktheid in de toekomst worden zij geschikt verklaard voor een beperkte termijn.

Terug naar begin van de pagina