Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Lozingenbesluit open teelt en veehouderij

Geldend op 11-11-2009

[Regeling vervalt per 01-01-2013]


  • Besluit van 27 januari 2000, houdende regels voor het lozen op oppervlaktewater dat samenhangt met agrarische activiteiten in de open grond alsmede gebruiksvoorschriften voor bestrijdingsmiddelen (Lozingenbesluit open teelt en veehouderij)
  • Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

    Op de voordracht van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van 30 juni 1999, nr. CDJZ/BVW 967-99, en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, gedaan mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, drs. J.F. Hoogervorst;

    Gelet op de richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1991, 91/676/EEG (PbEG L375) inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen, gelet op de artikelen 1, 2a, 2b, 2c, tweede lid, van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en mede gelet op artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, voorzover het betreft de artikelen 1, 2, 3, 5, 13, 14, 15, 17, 21 en 25;

    De Raad van State gehoord (advies van 18 november 1999, no. W09.99.0322/V);

    Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat van, nr. CDJZ/2000-83 en de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, uitgebracht mede namens Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.F. Hoogervorst;

    Hebben goedgevonden en verstaan:

  • Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

  • Artikel 1

    • 1. In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

      • a. afvalwater: alle water waarvan de houder zich – met het oog op de verwijdering daarvan – ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;

      • b. agrarische activiteiten: een geheel van activiteiten die betrekking hebben op landbouwgewassen en landbouwhuisdieren als bedoeld in bijlage I bij dit besluit;

      • c. beperkt lozen: lozen van 10 inwonerequivalenten of minder;

      • d. bestaand lozen: lozen dat reeds voor het tijdstip van het in werking treden van het besluit plaatsvond;

      • e. bestrijdingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel of biocide als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen of biociden;

      • f. biologische teelt: teelt uitgevoerd overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens het Landbouwkwaliteitsbesluit 2007;

      • g. condenswater: water dat bij afkoeling van lucht in koelinstallaties en langs koude oppervlakken in bewaarruimten ontstaat;

      • h. controlevoorziening: voorziening ten behoeve van het nemen van monsters;

      • i. driftarme dop: een spuitdop die in het toe te passen drukbereik vergeleken met de grensdop van de klasse fijn en midden volgens de British Crop Protection Council (BCPC)-klassificatie (31-030-F110 bij 3 bar), een 50% kleiner volumepercentage druppels met een diameter kleiner dan 100 μm produceert;

      • j. emissiescherm: tijdens het gebruiken van een bestrijdingsmiddel of bladmeststof aanwezige, aan de grond verankerde barrière van ondoorlatend materiaal of van gaas met een windreductie van 50% of meer, die van tenminste gelijke hoogte is als de bovenste in gebruik zijnde spuitdop van de gebruikte apparatuur én van tenminste gelijke hoogte als het gewas op het perceel, die het verwaaien van spuitvloeistof naar het oppervlaktewater beperkt, die met uitzondering van een doorrijscherm op de kopakker aaneengesloten is;

      • k. gewasbed: strook beteelde grond die in de breedte wordt begrensd door een strook onbeteelde grond;

      • h. gewasbeschermingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

      • m. hemelwater: water dat als gevolg van neerslag op het perceel, het erf of de gebouwen terechtkomt;

      • n. huishoudelijk afvalwater: afvalwater dat naar zijn aard en samenstelling overeenkomt met afvalwater afkomstig van een particulier huishouden;

      • o. insteek van het oppervlaktewater: snijpunt van de raaklijnen van het talud en het horizontale maaiveld;

      • p. kantdop: driftarme dop die als gevolg van de constructie en bevestiging aan de veldspuitapparatuur een tophoek van maximaal 90° kent en aan de zijde van het oppervlaktewater een verticale of nagenoeg verticale neerwaartse richting van het bestrijdingsmiddel creëert;

      • q. kantstrooivoorziening: voorziening die tijdens het toedienen van korrel- en poedervormige meststoffen bewerkstelligt dat de verspreiding van die meststoffen richting het oppervlaktewater wordt verhinderd;

      • r. lozen: het in oppervlaktewater brengen van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen;

      • s. luchtondersteuning: voorziening aan de spuitboom van veldspuitapparatuur, waarbij een separate luchtstroom een geforceerde neerwaartse richting van het bestrijdingsmiddel creëert;

      • t. meststoffen: stoffen als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Meststoffenwet;

      • u. NEN: door het Nederlands Normalisatie Instituut (NNI) uitgegeven norm;

      • v. nieuw lozen: lozen dat geen bestaand lozen is;

      • w. omvangrijk lozen: lozen van meer dan 10 doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;

      • x. Onze Minister: Onze Minister van Verkeer en Waterstaat;

      • y. Onze Ministers: Onze Minister en Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

      • z. overkapte beddenspuit: apparatuur die bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen waarbij de spuitdoppen gemonteerd zijn binnen een overkapping, die met uitzondering van de voor- en de achterzijde van de apparatuur, het gewasbed min of meer omsluit en waarbij per gewasbed een eenheid van spuitleiding en overkapping wordt gebruikt;

      • aa. reflectiescherm: verticale constructie aan een apparaat dat bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen, met een zodanige hoogte en breedte dat het verwaaien van spuitnevel wordt beperkt;

      • bb. riolering: voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater als bedoeld in artikel 10.30 van de Wet milieubeheer of een daarop aangesloten bedrijfsriolering;

      • cc. spuitdop: uitstroomopening van apparatuur die bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen die in staat is spuitvloeistof zo te verdelen in druppels dat er op de grond of op het landbouwgewas een regelmatige verdeling ontstaat;

      • dd. spuitgeweer: apparatuur die bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen bestaande uit een spuitleiding die is voorzien van één spuitdop die met de hand wordt vastgehouden en bediend;

      • ee. teeltvrije zone: strook tussen de insteek van het oppervlaktewater en het te telen gewas waarop, behoudens grasland, geen gewas of niet hetzelfde gewas als op de rest van het perceel wordt geteeld;

      • ff. testcertificaat: schriftelijke verklaring, afgegeven door een deskundig, onafhankelijk instituut, waaruit blijkt dat een driftarme dop, die bij het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen wordt toegepast, voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde eisen ten aanzien van driftarme doppen;

      • gg. tunnelspuit: apparatuur die is bestemd voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen in een gewasrij waarbij het verwaaien van spuitnevel wordt beperkt door een constructie die de gewasrij geheel of gedeeltelijk omsluit;

      • hh. vanggewas: tijdens het gebruiken van een bestrijdingsmiddel aanwezige barrière van bomen, struiken of andere gewassen welke van tenminste gelijke hoogte is als de bovenste in gebruik zijnde spuitdop van de gebruikte apparatuur én van tenminste gelijke hoogte als het gewas op het perceel, die het verwaaien van spuitvloeistof naar het oppervlaktewater beperkt, die met uitzondering van een doorrijscherm op de kopakker aaneengesloten is;

      • ii. veldspuitapparatuur: mechanisch voortbewogen apparatuur die bestemd is voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen, bestemd voor bovengrondse volveldsbehandeling in buitenteelten, die een overwegend neerwaartse uitstroming van de spuitvloeistof bewerkstelligt;

      • jj. waterkwaliteitsbeheerder: het bestuursorgaan dat overeenkomstig artikel 3 van de wet bevoegd is of zou zijn een vergunning te verlenen;

      • kk. wet:Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

    • 2. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen, wordt de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering berekend langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

    • 3. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen, wordt in uiterwaarden en buitendijkse gebieden onder oppervlaktewater verstaan: beddingen waarin ten tijde van het lozen een aan het aardoppervlak en de open lucht grenzende watermassa voorkomt.

    • 4. Voor de toepassing van dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt het aantal inwonerequivalenten van een lozing van huishoudelijk afvalwater berekend door:

      • a. het aantal kubieke meters gebruikt water per 365 dagen te vermenigvuldigen met de factor 0,023, of

      • b. het aantal mandagen per 365 dagen te vermenigvuldigen met de factor 0,0011.

  • Artikel 2

    • 1.Dit besluit is van toepassing op het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen nabij oppervlaktewater ten gevolge van agrarische activiteiten dan wel van activiteiten die daarmee verband houden, met uitzondering van:

      • a. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen vanuit respectievelijk op bedrijfsterreinen die in belangrijke mate bestemd zijn voor technische dienstverlening aan derden voor gemechaniseerd agrarisch loonwerk;

      • b. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen ten gevolge van glastuinbouwactiviteiten of activiteiten die daar direct mee verband houden, als bedoeld in het Besluit glastuinbouw.

      • c. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen ten gevolge van respectievelijk bij witloftrek;

      • d. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen ten gevolge van respectievelijk bij paddestoelenteelt;

      • e. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen ten gevolge van respectievelijk bij de teelt van landbouwgewassen in potten, containers of substraat op een dichte of doorlatende ondergrond;

      • f. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen ten gevolge van respectievelijk bij de teelt van vaste planten in een waterbassin;

      • g. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen vanuit respectievelijk op wetenschappelijke onderzoeksinstellingen;

      • h. het lozen ten gevolge van het spoelen van landbouwgewassen die uitsluitend of in hoofdzaak afkomstig zijn van agrarische activiteiten van derden;

      • i. het lozen van huishoudelijk afvalwater met een omvang van meer dan 10 inwonerequivalenten, behoudens het omvangrijk lozen waarbij de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering waarop kan worden aangesloten, gemeten vanaf de plaats waar dat afvalwater ontstaat, minder bedraagt dan:

        • 1°. 100 m bij 10 tot 25 inwonerequivalenten,

        • 2°. 600 m bij 25 tot 50 inwonerequivalenten,

        • 3°. 1500 m bij 50 tot 100 inwonerequivalenten en

        • 4°. 3000 m bij meer dan 100 inwonerequivalenten doch niet meer dan 200 inwonerequivalenten;

      • j. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen ten gevolge van respectievelijk bij de teelt van bloembollen of -knollen op hetzelfde gewasperceel gedurende een periode van twee of meer achtereenvolgende teeltseizoenen in de in bijlage II bij dit besluit aangewezen gebieden;

      • k. het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen waarvoor op de datum van het inwerking treden van dit besluit

        • 1°. door de waterkwaliteitsbeheerder een aanvraag voor een vergunning op grond van artikel 1 van de wet is ontvangen dan wel

        • 2°. een zodanige vergunning van kracht is, tenzij door de waterkwaliteitsbeheerder een aanvraag om intrekking is ontvangen vóór de datum van inwerking treden van het besluit;

      • l. het lozen vanuit inrichtingen die behoren tot een categorie als bedoeld in bijlage I van de richtlijn (EG) nr. 96/61/EG van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (PbEG L 257);

      • m. het lozen ten gevolge van het sorteren of transporteren van landbouwgewassen.

    • 3.Degene die agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden uitvoert neemt de bij en krachtens dit besluit gestelde voorschriften in acht.

  • Artikel 3

    Indien een voorschrift dat is opgenomen in dit besluit inhoudt dat daarbij aangegeven middelen ter voorkoming of beperking van verontreiniging van het oppervlaktewater moeten worden toegepast, kan degene die agrarische activiteiten uitvoert andere middelen toepassen mits hij, voordat hij die andere middelen toepast, aan de waterkwaliteitsbeheerder aantoont dat met de door hem gekozen middelen een tenminste gelijkwaardige bescherming van het oppervlaktewater wordt bereikt.

  • Hoofdstuk II. Bepalingen ten aanzien van het lozen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen nabij oppervlaktewater

  • Artikel 4

    • 1.Bij agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden wordt voldoende zorg in acht genomen om verontreiniging van het oppervlaktewater te voorkomen.

    • 2.De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten het oppervlaktewater kan worden verontreinigd, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voorzover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die verontreiniging te voorkomen of, voorzover die verontreiniging niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

  • Artikel 5

    • 1.Lozen is verboden.

    • 2.In afwijking van het eerste lid is lozen toegestaan, indien het betreft:

      • a. huishoudelijk afvalwater, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 6;

      • b. lozen ten gevolge van het wassen of uitwendig reinigen van voertuigen, werktuigen of apparaten, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 7;

      • c. lozen ten gevolge van het spoelen van landbouwgewassen, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 8;

      • d. lozen ten gevolge van de ontijzering van grondwater, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 9;

      • e. lozen ten gevolge van het reinigen van gebouwen of opstallen waarin agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden plaatsvinden, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 10;

      • f. lozen van koel- en condenswater, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 11;

      • g. lozen van hemelwater en water dat bij het reinigen van verhard oppervlak vrijkomt, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in artikel 12;

      • h. het op een andere wijze dan met behulp van een werk lozen door pleksgewijze, driftvrije, toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op het talud;

      • i. overig op een andere wijze dan met behulp van een werk lozen, dat verband houdt met gewasbescherming en toediening van meststoffen, met inachtneming van de voorschriften, genoemd in de artikelen 13, 15 en 16;

      • j. water dat bij normaal landbouwkundig gebruik uit de bodem vrijkomt en via een drainagesysteem wordt geloosd.

    • 3.Ander lozen dan genoemd in het tweede lid, onderdeel a tot en met j, is toegestaan indien degene die de agrarische activiteiten waarvan het voorgenomen lozen het gevolg zal zijn uitvoert, voor de aanvang van het lozen aan de waterkwaliteitsbeheerder aantoont, dat het lozen geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewater zal veroorzaken.

    • 4.Het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen nabij oppervlaktewater is

      • a. verboden, tenzij de voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 13 in acht worden genomen;

      • b. binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van het oppervlaktewater verboden, tenzij de voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 15 in acht worden genomen.

  • Artikel 6

    • 1.Met betrekking tot het lozen van huishoudelijk afvalwater worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het tiende lid, in acht genomen.

    • 2.Beperkt lozen is verboden, indien de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering gemeten vanaf de plaats waar het afvalwater ontstaat, 40 m of minder bedraagt.

    • 4.Indien de in het tweede lid bedoelde afstand meer bedraagt dan 40 m, wordt het afvalwater door een voorziening voor de individuele behandeling van afvalwater geleid waarmee de nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zoveel mogelijk worden voorkomen.

    • 5.Bij bestaand beperkt lozen kan de waterkwaliteitsbeheerder, in een geval als bedoeld in het vierde lid, nadere eisen stellen aan de voorziening indien aan het desbetreffende oppervlaktewater in een plan, vastgesteld ingevolge de Wet op de waterhuishouding, een bijzondere functie of waterkwaliteitsdoelstelling is toegekend. De eisen kunnen worden gesteld ten aanzien van het zuiveringsrendement dan wel de doelmatigheid, het gebruik en het onderhoud van de voorziening, alsmede de aanwezigheid, de uitvoering en de situering van een controlevoorziening.

    • 6.Bij nieuw beperkt lozen kan de waterkwaliteitsbeheerder, in een geval als bedoeld in het vierde lid, nadere eisen stellen ten aanzien van het zuiveringsrendement dan wel de doelmatigheid, het gebruik of het onderhoud van de voorziening, alsmede de aanwezigheid, de uitvoering en de situering van een controlevoorziening.

    • 8.De septic tank wordt zo dikwijls geledigd als voor een goede werking daarvan noodzakelijk is.

    • 9.Het is verboden de bij het ledigen van de septic tank vrijkomende stoffen te lozen.

    • 10.In afwijking van het zevende lid kan worden volstaan met een voorziening die wat het zuiveringsrendement betreft tenminste gelijkwaardig is aan een voorziening als bedoeld in dat lid, indien voldaan wordt aan door de waterkwaliteitsbeheerder te stellen nadere eisen ten aanzien van het zuiveringsrendement dan wel de doelmatigheid, het gebruik of het onderhoud van de voorziening.

  • Artikel 7

    • 1.Met betrekking tot het lozen ten gevolge van het wassen of uitwendig reinigen van voertuigen, werktuigen of apparaten worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het vijfde lid, in acht genomen.

    • 2.Afvalwater dat afkomstig is van het op verhard oppervlak wassen of uitwendig reinigen van voertuigen, werktuigen of apparaten die bestemd zijn voor het gebruiken van bestrijdingsmiddelen of meststoffen, wordt niet geloosd.

    • 3.Indien het wassen of uitwendig reinigen van voertuigen, werktuigen of apparaten op verhard oppervlak plaatsvindt dan is lozen verboden tenzij:

      • a. binnen een afstand van 40 m vanaf de plaats waar het afvalwater ontstaat geen riolering aanwezig is;

      • b. het gehalte minerale olie in enig monster van het te lozen afvalwater niet meer dan 20 mg/l, bepaald volgens NEN-EN-ISO 9377-2, uitgave december 2000, bedraagt en het gehalte onopgeloste bestanddelen niet meer dan 100 mg/l, bepaald volgens NEN 6621, uitgave 1988, bedraagt en

      • c. het te lozen afvalwater voorafgaand aan het lozen en voordat het vermengd wordt met ander afvalwater een doelmatige en goed toegankelijke controlevoorziening doorloopt.

    • 4.De waterkwaliteitsbeheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van de uitvoering en de situering van de controlevoorziening.

    • 5.Indien het wassen of uitwendig reinigen niet op verhard oppervlak plaatsvindt, wordt een zodanige afstand van het te reinigen voertuig, werktuig of apparaat tot de insteek van het oppervlaktewater aangehouden dat geen lozen plaatsvindt. De aan te houden afstand bedraagt tenminste 5 m.

  • Artikel 8

    • 1.Met betrekking tot het lozen ten gevolge van het spoelen van landbouwgewassen worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het veertiende lid, in acht genomen.

    • 2.Lozen is verboden indien binnen een afstand van 40 m vanaf de plaats waar het te lozen afvalwater ontstaat een riolering aanwezig is.

    • 3.Het spoelproces is onderverdeeld in voorspoelen en naspoelen, waarbij de uitsleep van water uit het voorspoelen zo veel mogelijk wordt voorkomen en de hoeveelheid naspoelwater wordt geminimaliseerd.

    • 4.Binnen het spoelproces vindt hergebruik van spoelwater plaats.

    • 5.Er wordt uitsluitend naspoelwater geloosd.

    • 6.Het lozen van naspoelwater is alleen toegestaan, indien het naspoelwater niet kan worden benut voor hergebruik.

    • 7.Het lozen van naspoelwater vindt plaats via een voorziening voor het tegenhouden van onopgeloste bestanddelen.

    • 8.In enig monster van het te lozen naspoelwater bedraagt het gehalte aan onopgeloste bestanddelen niet meer dan 100 mg/l, bepaald volgens NEN 6621, uitgave 1988.

    • 9.Het naspoelwater doorloopt voorafgaand aan het lozen en voordat het vermengd wordt met ander afvalwater een doelmatige en goed toegankelijke controlevoorziening.

    • 10.Indien aan het desbetreffende oppervlaktewater in een plan, vastgesteld ingevolge de Wet op de waterhuishouding, een bijzondere functie of waterkwaliteitsdoelstelling is toegekend kan de waterkwaliteitsbeheerder ten aanzien van het spoelproces nadere eisen stellen die voor de kwaliteit van dat oppervlaktewater voldoende bescherming bieden.

    • 11.Indien blijkens een toxiciteitsproef in enig monster van het op het desbetreffende oppervlaktewater te lozen water sprake is van acute toxiciteit voor waterorganismen kan de waterkwaliteitsbeheerder ten aanzien van het spoelproces nadere eisen stellen die voor de kwaliteit van dat oppervlaktewater voldoende bescherming bieden.

    • 12.De waterkwaliteitsbeheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van de uitvoering en de situering van de controlevoorziening, bedoeld in het negende lid.

    • 13.Het derde tot en met het zesde lid is niet van toepassing op het spoelen van:

      • a. prei, indien voorafgaand aan het spoelen vervuiling met de buitenste bladeren van het gewas is verwijderd;

      • b. asperges.

    • 14.Het zevende tot en met het negende lid zijn van overeenkomstige toepassing op het water afkomstig van het spoelen van gewassen als bedoeld in het dertiende lid.

  • Artikel 9

    • 1.Met betrekking tot het lozen ten gevolge van de ontijzering van grondwater worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het zesde lid, in acht genomen.

    • 2.Lozen is verboden indien binnen een afstand van 40 m vanaf de plaats waar het afvalwater ontstaat een riolering aanwezig is.

    • 3.Het lozen vindt plaats via een voorziening voor het tegenhouden van onopgeloste bestanddelen.

    • 4.In enig monster van het te lozen afvalwater bedraagt het gehalte aan ijzer niet meer dan 5 mg/l, bepaald volgens NEN 6426, uitgave 1995.

    • 5.Het te lozen afvalwater doorloopt voorafgaand aan het lozen en voordat het vermengd wordt met ander afvalwater een doelmatige en goed toegankelijke controlevoorziening.

    • 6.De waterkwaliteitsbeheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van de uitvoering en de situering van de controlevoorziening.

  • Artikel 10

    • 1.Met betrekking tot het lozen ten gevolge van het reinigen van gebouwen of opstallen waarin agrarische activiteiten dan wel activiteiten die daarmee verband houden plaatsvinden worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het achtste lid, in acht genomen.

    • 2.Lozen is verboden indien binnen een afstand van 40 m vanaf de plaats waar het afvalwater ontstaat een riolering aanwezig is.

    • 3.Afvalwater dat afkomstig is uit stallen, ruimten waarin bestrijdingsmiddelen worden toegepast of worden opgeslagen, ruimten waarin meststoffen worden opgeslagen dan wel ruimten waarin onderhoud aan voertuigen, werktuigen of apparaten plaatsvindt, wordt niet geloosd.

    • 4.Afvalwater waarin reinigings- of ontsmettingsmiddelen voorkomen en afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken van onderdelen die afkomstig zijn uit de in het eerste lid bedoelde gebouwen of opstallen en in aanraking zijn geweest met bestrijdingsmiddelen of meststoffen, wordt niet geloosd.

    • 5.Het lozen van afvalwater dat vrijkomt ten gevolge van het reinigen van gebouwen en opstallen als bedoeld in het eerste lid, vindt plaats via een voorziening voor het tegenhouden van onopgeloste bestanddelen.

    • 6.In enig monster van het te lozen afvalwater bedraagt het gehalte aan onopgeloste bestanddelen niet meer dan 100 mg/l, bepaald volgens NEN 6621, uitgave 1988.

    • 7.Het te lozen afvalwater doorloopt voorafgaand aan het lozen en voordat het vermengd wordt met ander afvalwater een doelmatige en goed toegankelijke controlevoorziening.

    • 8.De waterkwaliteitsbeheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van de uitvoering en de situering van de controlevoorziening.

  • Artikel 11

    • 1.Met betrekking tot het lozen van koel- en condenswater worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het zesde lid, in acht genomen.

    • 2.Het te lozen koelwater is uitsluitend thermisch verontreinigd en is niet warmer dan 30° C.

    • 3.De waterkwaliteitsbeheerder kan in het belang van de kwaliteit van het oppervlaktewater nadere eisen stellen ten aanzien van het gehalte aan chloride, ijzer of zuurstof of organische stoffen in het te lozen koelwater. Daarbij mag het gehalte niet bepaald worden op een waarde:

      • 1° lager dan 200 mg/l voor chloride;

      • 2° lager dan 2 mg/l voor ijzer;

      • 3° hoger dan 5 mg/l voor zuurstof;

      • 4° lager dan 15 mg/l voor organische stof.

    • 4.Het te lozen koel- of condenswater doorloopt voorafgaand aan het lozen en voordat het vermengd wordt met ander afvalwater een doelmatige en goed toegankelijke controlevoorziening.

    • 5.Condenswater wordt niet geloosd, indien dit afkomstig is uit ruimten waarin bestrijdingsmiddelen worden toegepast.

    • 6.De waterkwaliteitsbeheerder kan nadere eisen stellen ten aanzien van de uitvoering en de situering van de controlevoorziening, bedoeld in het vierde lid.

  • Artikel 12

    • 1.Met betrekking tot het lozen van hemelwater en water waarmee verhard oppervlak wordt gereinigd worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het derde lid, in acht genomen.

    • 2.Materialen, apparaten, voedingsstoffen, afvalstoffen en grondstoffen waarmee het hemelwater verontreinigd kan raken worden zodanig op verhard oppervlak opgeslagen of gestald dat te lozen hemelwater en water waarmee het verhard oppervlak wordt gereinigd daarmee niet in contact kan komen.

    • 3.Materialen, apparaten, voedingsstoffen, afvalstoffen en grondstoffen worden op onverhard oppervlak langs oppervlaktewater:

      • a. op een afstand van tenminste 5 m tot de insteek van het oppervlaktewater opgeslagen of gestald of

      • b. zodanig opgeslagen of gestald dat te lozen hemelwater niet in contact kan komen met die materialen, apparaten, voedingsstoffen, afvalstoffen en grondstoffen.

  • Artikel 13

    • 1.Met betrekking tot het lozen op een andere wijze dan met behulp van een werk in het kader van gewasbescherming worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het derde tot en met het veertiende lid, in acht genomen.

    • 2.Met betrekking tot het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het derde tot en met het veertiende lid, in acht genomen.

    • 3.Langs oppervlaktewater wordt een teeltvrije zone aangehouden.

    • 4.De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van NAK-pootaardappelen, consumptieaardappelen, fabrieksaardappelen inclusief pootgoed, poot- en plantuien, zaaiuien, bloembollen en -knollen, aardbeien, asperges, prei, schorseneren, sla, was- en bospenen, winterpenen, vaste planten, en in neerwaartse richting te bespuiten boomkwekerijgewassen, als bedoeld in bijlage I bij dit besluit:

      • a. tenminste 150 cm;

      • b. tenminste 100 cm, indien gebruik gemaakt wordt van:

        • 1°. veldspuitapparatuur met luchtondersteuning,

        • 2°. een overkapte beddenspuit,

        • 3°. een motorisch aangedreven handgedragen spuit,

        • 4°. vanggewas, of

      • c. tenminste 50 cm, indien gebruik gemaakt wordt van een handmatig aangedreven handgedragen spuit.

    • 5.De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van in opwaartse of zijwaartse richting te bespuiten boomkwekerijgewassen als bedoeld in bijlage I bij dit besluit tenminste 500 cm.

    • 6.De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten:

      • a. tenminste 900 cm;

      • b. tenminste 450 cm, indien gebruik wordt gemaakt van een reflectiescherm;

      • c. tenminste 300 cm, indien:

        • 1°. gebruik wordt gemaakt van een tunnelspuit,

        • 2°. gebruik wordt gemaakt van een vanggewas,

        • 3°. sprake is van biologische teelt, of

        • 4°. gebruik wordt gemaakt van een dwarsstroomspuit met reflectiescherm en van een emissiescherm, waarvan geen afdruipende gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater kunnen geraken;

      • d. met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, tenminste 300 cm, indien gebruik wordt gemaakt van een dwarsstroomspuit en bij de bespuiting van de buitenste gewasrij geen gebruik wordt gemaakt van naar het oppervlaktewater gerichte apparatuur en slechts gebruik wordt gemaakt van spuitdoppen waarvan door een deskundig, onafhankelijk instituut is vastgesteld dat het gebruik van die spuitdoppen bij die wijze van bespuiten resulteert in een driftdepositie in oppervlaktewater in de volbladsituatie van ten hoogste 1,5%.

    • 7.In afwijking van het zesde lid, onderdeel a, bedraagt de teeltvrije zone langs de kopakker tenminste 600 cm, indien bij de bespuiting van de buitenste gewasrij geen gebruik wordt gemaakt van naar het oppervlaktewater gerichte apparatuur.

    • 8.De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van:

      • a. grasland, graszaad, haver, rogge, spelt, teff, triticale, vlas, zomertarwe, wintertarwe, zomergerst en wintergerst tenminste 25 cm;

      • b. overige landbouwgewassen met uitzondering van de landbouwgewassen genoemd in het vierde tot en met zesde lid, tenminste 50 cm.

    • 9.In afwijking van het vierde lid, het zesde lid, onderdelen b tot en met d, en het achtste lid bedraagt de teeltvrije zone langs de in de bijlage bij artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet aangewezen oppervlaktewateren tenminste 500 cm.

    • 10.De teeltvrije zone bedoeld in het vierde tot en met het negende lid, wordt gemeten vanaf de insteek van het oppervlaktewater en strekt zich, met uitzondering van de teelt van grasland, uit tot het hart van de buitenste planten van de te telen landbouwgewassen.

    • 11.Bij aanwezigheid van een talud dat breder is dan 200 cm kan de waterkwaliteitsbeheerder bij nadere eis een minder brede teeltvrije zone voorschrijven dan bedoeld in het vierde tot en met het tiende lid. In gevallen waarin toepassing is gegeven aan de vorige volzin, zijn die bepalingen niet van toepassing.

    • 12.Indien aan het desbetreffende oppervlaktewater in een plan, vastgesteld ingevolge de Wet op de waterhuishouding, een bijzondere functie of waterkwaliteitsdoelstelling is toegekend, kan de waterkwaliteitsbeheerder bij nadere eis een bredere teeltvrije zone voorschrijven dan bedoeld in het vierde tot en met het tiende lid. In gevallen waarin toepassing is gegeven aan de vorige volzin, zijn die bepalingen niet van toepassing.

    • 13.In afwijking van het derde lid behoeft een teeltvrije zone niet te worden aangehouden langs andere dan de in het negende lid bedoelde oppervlaktewateren:

      • a. bij de teelt van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten van bomen, waarvan de laagste gesteltak op 175 cm of hoger uit de stam ontspringt, indien binnen een afstand van ten minste 900 cm vanaf de insteek van het oppervlaktewater geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast;

      • b. bij teelt anders dan de teelt van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten, indien:

        • 1°. sprake is van biologische teelt;

        • 2°. gebruik wordt gemaakt van een emissiescherm, waarvan geen afdruipende gewasbeschermingsmiddelen in het oppervlaktewater kunnen geraken.

    • 14.In afwijking van het derde lid behoeft een teeltvrije zone niet te worden aangehouden langs gegraven waterlopen, die van 1 april tot 1 oktober onder normale omstandigheden geen water bevatten, mits daaraan niet in een plan, vastgesteld ingevolge de Wet op de waterhuishouding, een bijzondere functie of waterkwaliteitsdoelstelling is toegekend.

  • Artikel 14 [Vervallen per 23-05-2007]

  • Artikel 15

    • 1.Met betrekking tot het lozen op een andere wijze dan met behulp van een werk in het kader van gewasbescherming worden binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van het oppervlaktewater de voorschriften, gesteld bij of krachtens het derde tot en met het zevende lid, in acht genomen.

    • 2.Met betrekking tot het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen binnen een afstand van 14 m vanaf de insteek van het oppervlaktewater, worden de voorschriften gesteld bij of krachtens het derde tot en met het zevende lid in acht genomen.

    • 3.Gewasbeschermingsmiddelen worden niet gebruikt met een luchtvaartuig.

    • 4.Gewasbeschermingsmiddelen worden niet gebruikt

      • a. met veldspuitapparatuur, met uitzondering van een overkapte beddenspuit, die:

        • 1°. niet is voorzien van kantdoppen en andere driftarme doppen, of

        • 2°. zodanig is ingesteld dat de spuitdoppen zich op een hoogte groter dan 50 cm boven het gewas of de kale grond bevinden;

      • b. met een spuitgeweer dat is voorzien van een werveldop of dat gebruik maakt van een werkdruk van 5 bar of meer, zodat over een afstand van meer dan 2 m vloeistof verspreid kan worden;

      • c. bij een windsnelheid van 5 m of meer per seconde gemeten op spuitdophoogte tenzij:

        • 1°. de gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt met een overkapte beddenspuit;

        • 2°. degene die de gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kan aantonen, dat redelijkerwijs niet anders dan door het gebruiken van die middelen bij een windsnelheid van 5 m of meer per seconde een teeltbedreigende situatie kan worden afgewend.

    • 5.Binnen de teeltvrije zone worden gewasbeschermingsmiddelen niet gebruikt met apparatuur die bestemd is voor het druppelsgewijs gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen, met uitzondering van pleksgewijze onkruidbestrijding met een afgeschermde spuitdop.

    • 6.In afwijking van het vijfde lid is het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen op overhangend loof met een maximale omvang van een halve gewasrij toegestaan, tenzij daartoe gebruik wordt gemaakt van naar het oppervlaktewater gerichte apparatuur.

    • 7.Het driftarm karakter van doppen als bedoeld in het vierde lid, onderdeel a,

      • a. blijkt uit een testcertificaat en

      • b. wordt volgens een door Onze Ministers bij ministeriële regeling aan te wijzen testmethode dan wel een daaraan gelijkwaardige methode vastgesteld.

  • Artikel 16

    • 1.Met betrekking tot het lozen op een andere wijze dan met behulp van een werk in het kader van het gebruik van meststoffen worden de voorschriften, gesteld bij of krachtens het tweede tot en met het zevende lid in acht genomen.

    • 2.Het is verboden meststoffen toe te dienen op de ingevolge artikel 13 voorgeschreven teeltvrije zone.

    • 3.In afwijking van het tweede lid is het verboden bij de teelt van opwaarts en zijwaarts te bespuiten boomkwekerijgewassen als bedoeld in bijlage I bij dit besluit of van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten, meststoffen toe te dienen binnen 25 cm vanaf de insteek van het oppervlaktewater van andere dan de in artikel 13, negende lid, bedoelde oppervlaktewateren, indien in de teeltvrije zone geen ander gewas dan gras wordt geteeld.

    • 4.Bij gebruik van korrel- of poedervormige meststoffen op de strook gelegen naast de teeltvrije zone wordt direct langs de zone een kantstrooivoorziening toegepast.

    • 5.In afwijking van het tweede lid is het pleksgewijs bemesten van een vanggewas op de teeltvrije zone toegestaan buiten een afstand van 50 cm gemeten vanaf de insteek van het oppervlaktewater van andere dan de in artikel 13, negende lid, bedoelde oppervlaktewateren, onverminderd het zevende lid.

    • 6.Bij de toepassing van bladmeststoffen op de strook gelegen naast de teeltvrije zone wordt direct langs de zone:

      • a. bij het bemesten van landbouwgewassen als bedoeld in artikel 13, vierde en achtste lid, gebruik gemaakt van kantdoppen en andere driftarme doppen die zich maximaal op een hoogte van 50 cm boven het gewas of de kale grond bevinden;

      • b. bij het bemesten van landbouwgewassen als bedoeld in artikel 13, vijfde en zesde lid, geen gebruik gemaakt van naar het oppervlaktewater gerichte apparatuur.

    • 7.Bij de toepassing van bladmeststoffen bij de teelt van een gewas waarbij ingevolge artikel 13, dertiende lid, aanhef en onderdeel b, onder 2°, geen teeltvrije zone wordt aangehouden, wordt gebruik gemaakt van een emissiescherm waarvan geen afdruipende bladmeststoffen in het oppervlaktewater kunnen geraken.

  • Artikel 17

    • 1.Het is verboden apparatuur, die bestemd is voor het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen, vanuit of nabij oppervlaktewater te vullen, tenzij daarbij het tweede en het derde lid in acht worden genomen.

    • 2.Bij uit oppervlaktewater vullen van apparatuur die bestemd is voor het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen wordt een voorziening getroffen die terugstroming van het mengsel van gewasbeschermingsmiddelen en water voorkomt.

    • 3.Het vullen van de apparatuur die gebruikt wordt voor het gebruiken van gewasbeschermingsmiddelen vindt op een afstand van tenminste 2 m van de insteek van het oppervlaktewater plaats.

  • Artikel 18

  • Hoofdstuk III. Meldingen

  • Artikel 19

    • 1.Degene die voornemens is agrarische activiteiten uit te voeren ten gevolge waarvan een lozing kan plaatsvinden meldt het lozen tenminste zes weken voordat daarmee wordt aangevangen aan de waterkwaliteitsbeheerder.

    • 2.Een melding als bedoeld in het eerste lid wordt schriftelijk gedaan en omvat in ieder geval:

    • 3.De melding wordt gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister.

    • 4.Degene die voornemens is agrarische activiteiten ten gevolge waarvan een lozing plaatsvindt te veranderen, meldt veranderend lozen voordat daarmee wordt aangevangen aan de waterkwaliteitsbeheerder, tenzij het veranderend lozen uitsluitend het gevolg is van een wijziging in teelt en de gegevens omtrent het te telen landbouwgewas en de betreffende percelen op grond van artikel 26 van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet zijn gemeld aan Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Het tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  • Hoofdstuk IV. Bijzondere omstandigheden

  • Artikel 20

    Indien zich als gevolg van agrarische activiteiten dan wel van activiteiten die daarmee verband houden een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zijn ontstaan of dreigen te ontstaan,

    • a. worden onmiddellijk de maatregelen genomen die redelijkerwijs verlangd kunnen worden om de gevolgen van die gebeurtenis te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, om deze zoveel mogelijk te beperken en ongedaan te maken;

    • b. wordt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen 8 uur, melding gemaakt van het voorval aan de waterkwaliteitsbeheerder van het desbetreffende oppervlaktewater;

    • c. worden onverwijld alle maatregelen die de waterkwaliteitsbeheerder voorschrijft ter voorkoming van verdere verontreiniging van oppervlaktewateren getroffen.

  • Artikel 21

    De bij of krachtens de artikelen 13 en 15 gestelde voorschriften zijn niet van toepassing indien de directeur van de Plantenziektenkundige Dienst, of deze directeur namens Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op grond van of krachtens artikel 3 van de Plantenziektenwet, de gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen heeft aangezegd deze middelen te gebruiken ter voorkoming van het optreden en van de verbreiding van schadelijke organismen en ter bestrijding daarvan, dan wel de verplichting tot dit gebruik op grond van of krachtens artikel 3 van de Plantenziektenwet aan deze gebruiker is opgelegd.

  • Hoofdstuk V. Evaluatie- en overgangsbepalingen

  • Artikel 22

    Onze Minister zendt in overeenstemming met Onze Minister van Landbouw, Natuur- en Voedselkwaliteit en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer binnen vier jaar na de inwerkingtreding van dit besluit en vervolgens telkens na vier jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de mate waarin dit besluit bijdraagt aan het behalen van de waterkwaliteitsdoelstellingen.

  • Artikel 23

    • 1.Indien binnen de in artikel 6, tweede lid, bepaalde afstand riolering wordt aangelegd waarop aangesloten kan worden, is bestaand beperkt lozen, in afwijking van artikel 6, tweede lid, toegestaan gedurende 5 jaar vanaf het tijdstip waarop aansluiting op de riolering mogelijk is, indien het afvalwater door een voorziening wordt geleid die voldoet aan de voorschriften gesteld krachtens artikel 6.

  • Artikel 24 [Vervallen per 23-05-2007]

  • Artikel 25

    In afwijking van artikel 13, zesde lid, bedraagt de teeltvrije zone van percelen die niet breder zijn dan 70 m en aan de zijde parallel of nagenoeg parallel aan de gewasrijen worden begrensd door oppervlaktewater tot 1 januari 2010 tenminste 150 cm, indien bij de bespuiting van de buitenste gewasrij geen gebruik wordt gemaakt van naar het oppervlaktewater gerichte apparatuur.

  • Artikel 26

    In een geval, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel k, onder 2°, de zinsnede beginnend met «tenzij» en eindigend met «besluit,» wordt dit besluit van toepassing voor het desbetreffende lozen met ingang van de datum waarop de beschikking tot intrekking van de vergunning, onherroepelijk is geworden.

  • Artikel 27 [Vervallen per 23-05-2007]

  • Hoofdstuk VI. Slotbepalingen

  • Artikel 28 [Vervallen per 23-05-2007]

  • Artikel 29 [Vervallen per 23-05-2007]

  • Artikel 29a

    Met de in dit besluit bedoelde middelen en methoden worden gelijkgesteld middelen en methoden die rechtmatig zijn vervaardigd of in de handel zijn gebracht in een andere lidstaat van de Europese Unie, dan wel rechtmatig zijn vervaardigd in een staat die partij is bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, en die aan ten minste gelijkwaardige technische eisen voldoen.

  • Artikel 30

    Dit besluit treedt in werking met ingang van het tijdstip liggende vier weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

  • Artikel 31

    Dit besluit wordt aangehaald als: Lozingenbesluit open teelt en veehouderij.

  • Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

    's-Gravenhage, 27 januari 2000

    Beatrix

    De Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat,

    J. M. de Vries

    De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

    G. H. Faber

    De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer a.i.,

    T. Netelenbos

    De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

    E. Borst-Eilers

    De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

    J. F. Hoogervorst

    Uitgegeven de eerste februari 2000

    De Minister van Justitie,

    A. H. Korthals

  • Index van het besluit

    HOOFDSTUK I

    ALGEMENE BEPALINGEN

    artikel 1

    begripsomschrijvingen

    artikel 2

    reikwijdte van het besluit

    artikel 3

    alternatieve voorziening

      

    HOOFDSTUK II

    BEPALINGEN TEN AANZIEN VAN HET LOZEN en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen nabij oppervlaktewater

    artikel 4

    voorzorgsbepaling

    artikel 5

    opheffing van het lozingsverbod

    artikel 6

    huishoudelijk afvalwater

    artikel 7

    wassen en uitwendig reinigen van voertuigen, werktuigen en apparatuur

    artikel 8

    spoelen van produkten

    artikel 9

    ontijzering van grondwater

    artikel 10

    reinigen van gebouwen en opstallen

    artikel 11

    koel- en condenswater

    artikel 12

    afstroming van hemelwater en afspuiten van erfverharding

    artikel 13

    teeltvrije zone in 2000

    artikel 14

    bredere teeltvrije zone

    artikel 15

    zorgvuldig spuiten en spuittechniek

    artikel 16

    mestvrije zone

    artikel 17

    vullen van spuitapparatuur

      

    HOOFDSTUK III

    MELDINGEN

    artikel 18

    uitzondering lozingsverbod indien afvoeren via de riolering niet is toegestaan

      

    HOOFDSTUK IV

    BIJZONDERE OMSTANDIGHEDEN

    artikel 19

    melding

    artikel 20

    ongewoon voorval

    artikel 21

    bijzondere fytosanitaire omstandigheden

      

    HOOFDSTUK V

    EVALUATIE EN OVERGANGSBEPALINGEN

    artikel 22

    evaluatiebepaling

    artikel 23

    overgangsbepaling voor huishoudelijk afvalwater

    artikel 24

    overgangsbepaling voor agrarisch afvalwater

    artikel 25

    overgangsbepaling voor smalle percelen en driftarme- en kantdoppen

    artikel 26

    overgangsbepaling voor de aanvraag tot intrekking van een vergunning

    artikel 27

    overgangsbepaling meldingen

      

    HOOFDSTUK VI

    SLOTBEPALINGEN

    artikel 28

    wijziging van artikel 2 van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wvo

    artikel 29

    wijziging van artikel 4 van het Uitvoeringsbesluit artikel 1, derde lid, Wvo

    artikel 30

    inwerkingtreden

    artikel 31

    citeertitel

    Bijlage I

    Overzicht landbouwhuisdieren en landbouwgewassen

    Bijlage II

    Aanwijzing gespecialiseerde bollenteeltgebieden met overzicht aangewezen gebieden

  • Bijlage I. bij het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij

    Overzicht van landbouwhuisdieren en landbouwgewassen

    Landbouwhuisdieren en landbouwgewassen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij zijn de onderstaande gewassen en dieren voorzover deze geteeld of gekweekt onderscheidenlijk gefokt, gemest of gehouden worden in of ten behoeve van de akkerbouw, de vollegrondsgroententeelt, de fruitteelt, de bloembollenteelt, de vollegrondsbloemisterij, de boomkwekerij, de glastuinbouw, de teelt in potten, containers of substraat, de paddestoelenteelt, de witloftrekkerij, de graasdierhouderij, de hokdierhouderij en de gemengde veehouderij.

    LANDBOUWHUISDIEREN EN -GEWASSEN

    Veestapel

    Rundvee (geen vlees- of weidevee)

    Rundvee

    Jongvee

    Vaarzen

    Melk- en kalfkoeien

    Fokstieren

    Rundvee (vlees- of weidevee)

    Vleeskalveren

    Vleesvee

    Zoogkoeien

    Vlees- en weidekoeien

    Varkens

    Biggen

    Vleesvarkens

    Opfokzeugen

    Opfokberen

    Zeugen

    Beren

    Kippen

    Vleeskuikens

    Moederdieren

    Leghennen

    Eenden en kalkoenen

    Eenden

    Vleeskalkoenen

    Kalkoenen voor de eierproductie

    Overig pluimvee (o.a. ganzen, parelhoenders, struisvogels)

    Paarden en pony's

    Paarden

    Pony's

    Schapen en geiten

    Lammeren

    Ooien

    Overige schapen

    Melkgeiten

    Overige geiten

    Konijnen

    Vleeskonijnen

    Voedsters

    Edelpelsdieren

    Nertsen

    Vossen

    Overige pelsdieren

     

    Tuinbouw open grond

    Groenten

    Aardbeien

    Andijvie

    Asperges

    Bewaarkool

    Bloemkool

    Broccoli

    Herfstkool en vroege sluitkool

    Knolselderij

    Kroten

    Sla

    Prei

    Schorseneren

    Spinazie

    Spruitkool

    Stamsperziebonen

    Tuinbonen

    Was- en bospeen

    Winterpeen

    Witlofwortel

    Overige groenten

    Fruit

    Appelen

    Peren

    Overige pit- en steenvruchten

    Klein fruit (exclusief machinaal geoogst fruit)

    Machinaal geoogst fruit

    Tuinbouwzaden

    Groentezaden

    Bloemzaden

    Bloemkwekerijgewassen

    Droogbloemen

    Overige bloemkwekerijgewassen

    Bloembollen en -knollen

    Hyacinten

    Tulpen

    Narcissen

    Gladiolen

    Krokussen

    Lelies

    Irissen

    Overige bol- en knolgewassen

    Boomkwekerijgewassen

    Bos- en haagplantsoen

    Laan- en parkbomen

    Vruchtbomen

    Rozestruiken

    Sierconiferen

    Overige sierheesters en klimplanten

    Vaste planten

    Vaste planten

     

    Paddestoelenteelt

    Champignons

    Overige eetbare paddestoelen

     

    Bollenbroei en witloftrek

    Tulpenbroei

    Narcissenbroei

    Witloftrek

     

    Tuinbouw onder glas

    Groenten

    Tomaten

    Komkommers

    Aardbeien

    Asperges

    Paprika

    Radijs

    Aubergines

    Overige groenten

    Groentezaden

    Opkweekmateriaal groenten

    Fruit

    Fruit onder glas

    Bloemkwekerijgewassen

    Rozen

    Anjers

    Anthurium

    Chrysanten

    Freesias

    Orchideeën

    Gerberas

    Alstroemerias

    Gypsophila

    Eustoma Russellianum

    Lelies

    Nerine

    Overige snijbloemen

    Potplanten voor de bloei

    Bladplanten

    Amaryllisbollen

    Perkplanten

    Overige bloemkwekerijgewassen

    Opkweekmateriaal snijbloemen

    Boomkwekerijgewassen en vaste planten

    Boomkwekerijgewassen en vaste planten onder glas

     

    Akkerbouw

    Wintertarwe

    Zomertarwe

    Wintergerst

    Zomergerst

    Rogge (geen snijrogge)

    Haver

    Triticale

    Groene erwten en schokkers

    Kapucijners en grauwe erwten

    Bruine bonen

    Veldbonen

    Erwten (groen te oogsten)

    Koolzaad

    Karwijzaad

    Blauwmaanzaad

    Vlas

    Graszaad

    NAK-Pootaardappelen

    Consumptie aardappelen

    Fabrieksaardappelen (incl.pootgoed)

    Suikerbieten

    Voederbieten

    Luzerne

    Snijmaïs

    Korrelmaïs

    Corn-cob mix

    Groenbemestingsgewassen

    Cichorei

    Hennep (t.b.v. gangbare landbouwkundige toepassingen)

    Poot- en plantuien

    Zaaiuien

    Zilveruitjes

    Spelt

    Teff

    Overige akkerbouwgewassen

     

    Overig

    Blijvend grasland

    Tijdelijk grasland

    Snelgroeiend productiehout

    Braakland

    Cultuurgronden niet in gebruik

    Overige gronden

  • Bijlage II. bij het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij

    Als gebied als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel j, zijn aangewezen:

    • 1°. de in de provincie Noord-Holland gelegen gemeenten:

      – Den Helder

      – Anna Paulowna voorzover gelegen ten westen van de watergangen de Boezem van Zijpe/ Hooge Oude Veer en de Van Ewijcksvaart

      – Wieringermeer

      – Zijpe voorzover gelegen ten westen van de Groote Sloot

      – Schoorl

      – Bergen

      – Alkmaar

      – Egmond

      – Heiloo

      – Castricum

      – Limmen

      – Akersloot voorzover gelegen ten westen van het Noordhollandsch Kanaal

      – Uitgeest voorzover gelegen ten westen van de rijksweg A9 (Haarlem-Alkmaar)

      – Heemskerk

      – Haarlemmermeer voorzover gelegen ten westen van de Spieringweg

      – Bloemendaal

      – Heemstede

    • 2°. de in de provincie Zuid-Holland gelegen gemeenten:

      – Hillegom

      – Lisse

      – Noordwijk

      – Noordwijkerhout

      – Warmond

      – Sassenheim

      – Voorhout

      – Katwijk

      – Rijnsburg

      – Wassenaar