Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht

Geldend van 01-01-2017 t/m heden

Rijksbesluit van 25 november 1999, houdende regels met betrekking tot de uitvoeringsbepalingen ingevolge het Wetboek van Militair Strafrecht, de Wet militair tuchtrecht en de Wet militaire strafrechtspraak (Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Defensie van 14 juli 1999, nr. CST99/0117/016 99002114, directie juridische zaken, gedaan mede namens Onze Minister van Justitie;

Gelet op de artikelen 21, 36b, 44a, 59, 71 en 135 van het Wetboek van Militair Strafrecht, de artikelen 46, 65, 80p, 92, 98, 103 en 105 van de Wet militair tuchtrecht en de artikelen 6, 9, 11, 17, 18, 23, 33, en 61 van de Wet militaire strafrechtspraak;

De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 18 oktober 1999);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Defensie van 24 november 1999, nr. CST 99/0117/016 99.003153 uitgebracht mede namens Onze Minister van Justitie;

De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk I. Nadere bepalingen met betrekking tot het Wetboek van militair strafrecht

§ 1. Tenuitvoerlegging buiten het Europese deel van Nederland en buiten het Koninkrijk

Artikel 1

  • 1 Tenuitvoerlegging in strafinrichtingen in Aruba, Curaçao of Sint Maarten of in Bonaire, Sint Eustatius of Saba als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht, kan plaatsvinden, indien:

    • a. het feitelijk onmogelijk is om gebruik te maken van een daartoe bestemde inrichting of bestemd gebouw in Nederland, of

    • b. de veroordeelde in een van deze landen is geboren, terwijl zulks dienstbaar is aan de voorbereiding van de terugkeer van de veroordeelde in het maatschappelijk leven, dan wel

    • c. de veroordeelde zich op het tijdstip waarop de straf uitvoerbaar is geworden, in een van deze landen bevindt, met dien verstande, dat hij, anders dan met zijn schriftelijke toestemming ten hoogste zes maanden van de straf in zulk een inrichting of gebouw ondergaat.

  • 2 De straf wordt ten uitvoer gelegd, indien zij bestaat uit:

    • a. gevangenisstraf: in een gevangenis;

    • b. militaire detentie: in een huis van bewaring;

    • c. hechtenis: in een huis van bewaring.

Artikel 2

  • 1 Tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht, kan plaatsvinden in een strafinrichting buiten het Koninkrijk, die naar het oordeel van het met de tenuitvoerlegging belaste gezag daarvoor genoegzaam geschikt is, of, doch voor ten hoogste vier weken, op een plaats bestemd of geschikt voor het ondergaan van een tuchtrechtelijke straf. Tenzij het feitelijk onmogelijk is de veroordeelde zijn verdere straf in een strafinrichting binnen het Koninkrijk te doen ondergaan, vindt, zonder diens schriftelijke toestemming, de tenuitvoerlegging voor ten hoogste zes maanden in een strafinrichting buiten het Koninkrijk plaats.

  • 2 Is een strafinrichting buiten het Koninkrijk niet of niet meer beschikbaar, dan kan de gehele straf of het gehele verdere deel van de straf worden ondergaan op een plaats bestemd of geschikt voor het ondergaan van een tuchtrechtelijke straf.

  • 3 Bij de aanwijzing van die plaatsen ziet het met de tenuitvoerlegging belaste gezag erop toe dat de vrijheid van de veroordeelde ten gevolge van die aanwijzing niet anders wordt beperkt dan uit de aard van de opgelegde straf noodzakelijk voortvloeit.

§ 2. Tijdstip van ingang bijkomende straf

Artikel 3

  • 1 Met betrekking tot het tijdstip van ingang van de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, genoemd in artikel 36 van het Wetboek van Militair Strafrecht, of de luchtvaart uit te oefenen, genoemd in artikel 36a van die wet, en de daaraan verbonden administratieve gevolgen wordt die straf gelijkgesteld met de overeenkomstige straf van het burgerlijk strafrecht van het rijksdeel, waar de veroordeelde op het tijdstip van het onherroepelijk worden van de rechterlijke uitspraak woont, of, zo hij op dat tijdstip militair is, is gestationeerd. Is de veroordeelde buiten het Koninkrijk woonachtig onderscheidenlijk gestationeerd, dan vindt gelijkstelling met de overeenkomstige straf in het Wetboek van Strafrecht van het Europese deel van Nederland plaats.

  • 2 Indien met toepassing van het eerste lid het tijdstip van ingang van de daar genoemde bijkomende straffen niet kan worden bepaald, gaan zij in zodra de rechterlijke uitspraak uitvoerbaar is geworden.

  • 3 Bij de oplegging van de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, verliest een aan de veroordeelde door Onze Minister van Defensie afgegeven militair rijbewijs zijn geldigheid voor de duur van de ontzegging, zodra de rechterlijke uitspraak uitvoerbaar is geworden.

  • 4 De veroordeelde is verplicht het betrokken rijbewijs binnen acht dagen nadat het zijn geldigheid heeft verloren, op eerste vordering over te geven aan een door het met de tenuitvoerlegging belaste gezag aangewezen opsporingsambtenaar. De ambtenaar zendt het bewijs onverwijld naar dat gezag.

  • 5 Indien een militair de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen is opgelegd, geeft het openbaar ministerie daarvan kennis aan Onze Minister van Defensie. De datum waarop deze bijkomende straf onherroepelijk wordt of is geworden, wordt eveneens medegedeeld.

§ 3. Verpleging in Aruba, Curaçao of Sint Maarten of in Bonaire, Sint Eustatius of Saba

Artikel 4

  • 1 De verpleging van personen, bedoeld in artikel 44a van het Wetboek van Militair Strafrecht, kan plaatsvinden in Aruba, Curaçao of Sint Maarten of in Bonaire, Sint Eustatius of Saba, indien

    • a. de gelegenheid ontbreekt gebruik te maken van een daartoe bestemd psychiatrisch ziekenhuis of een daartoe bestemde inrichting in Nederland, of

    • b. de ter beschikking gestelde in één van deze landen is geboren.

  • 2 De verpleging kan slechts plaatsvinden in een psychiatrisch ziekenhuis of een inrichting welke naar het oordeel van het met de tenuitvoerlegging belaste gezag daartoe, mede met het oog op de persoon van de ter beschikking gestelde, genoegzaam geschikt is.

§ 4. Strafbeschikking

Artikel 5

  • 3 In de strafbeschikking worden enkel een geldboete of een verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer opgelegd. De strafbeschikking kan in totaal ten hoogste een betalingsverplichting van € 2.000 inhouden.

Artikel 6

  • 1 De bevelvoerende militair die de strafbeschikking uitvaardigt, verstrekt de officier van justitie, genoemd in artikel 5, tweede lid, de gegevens die nodig zijn voor de uitvoering van dit artikel en voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde geldboete of verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer.

  • 2 De officier van justitie houdt aantekening in de daarvoor bestemde landelijke geautomatiseerde registers van elke uitreiking in persoon of toezending van het afschrift van de strafbeschikking.

  • 3 In geval van uitreiking in persoon wordt aantekening gehouden van in ieder geval de volgende gegevens:

    • a. de datum van uitreiking;

    • b. de plaats en het adres van uitreiking; en,

    • c. de naam van de verdachte aan wie wordt uitgereikt.

  • 4 In geval van toezending wordt aantekening gehouden van in ieder geval de volgende gegevens:

    • a. de datum van toezending;

    • b. de naam van de verdachte aan wie het afschrift wordt toegezonden, de naam van de benadeelde partij aan wie het afschrift wordt toegezonden en de naam van de bij de officier van justitie bekende rechtstreeks belanghebbende aan wie het afschrift wordt toegezonden;

    • c. het adres of de adressen waarnaar het afschrift wordt toegezonden;

    • d. of de toezending per gewone dan wel per aangetekende brief geschiedt; en,

    • e. de datum van ontvangst van het afschrift.

Artikel 7

  • 1 De bevelvoerende militair die de strafbeschikking uitvaardigt, wijst ten behoeve van de verdachte die wil voldoen aan de opgelegde geldboete of verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds ten behoeve van het slachtoffer, een plaats aan waar en een persoon bij wie kan worden overgegaan tot betaling.

  • 2 Ten aanzien van de betaling wordt door of vanwege de bevelvoerende militair die de strafbeschikking heeft uitgevaardigd onverwijld een gedagtekend en ondertekend betalingsbewijs uitgereikt. Een kopie van het gedagtekende en ondertekende betalingsbewijs wordt door of vanwege de bevelvoerende militair bewaard.

  • 3 De op grond van het eerste lid ontvangen gelden worden regelmatig, indien nodig door tussenkomst van de in artikel 5, tweede lid, genoemde officier van justitie, overgemaakt op de daartoe bestemde bankrekening van Onze Minister van Veiligheid en Justitie.

  • 4 De commandanten van de operationele commando’s doen op de door Onze Minister van Veiligheid en Justitie te bepalen wijze opgave van de verstrekking en het beheer van de betalingsbewijzen, de afrekening en de verantwoording van de ontvangen gelden alsmede de in verband daarmee te voeren administratie.

Artikel 8

  • 1 De officier van justitie, genoemd in artikel 5, tweede lid, draagt zorg dat de krachtens artikel 59, eerste lid, van de Wet militaire strafrechtspraak aangewezen bevelvoerende militairen door tussenkomst van de commandanten van de operationele commando's in het bezit worden gesteld van de richtlijnen, bedoeld in artikel 59, derde lid, van het Wetboek van Militair Strafrecht, waarin per delictscategorie de geldboetebedragen worden aangegeven. Aan de betrokken personen verleent de bevelvoerende militair ter gelegenheid van de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 5, desgevraagd inzage in de richtlijn.

  • 2 De officier van justitie ziet erop toe dat de bevelvoerende militair bij de uitoefening van diens bevoegdheid dit besluit en de richtlijnen naleeft.

  • 3 De officier van justitie kan bepalen dat het belang van de strafvordering vergt dat de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een strafbeschikking wordt opgeschort. Van de opschorting wordt schriftelijk mededeling gedaan aan de commandanten van de betrokken operationele commando's. Deze dragen zorg dat de mededeling de betrokken bevelvoerende militairen onverwijld bereikt en dat deze dienovereenkomstig handelen.

  • 4 Indien de redenen van de opschorting zijn vervallen, doet de officier van justitie de commandanten van de betrokken operationele commando's daarvan onverwijld schriftelijk mededeling. Deze dragen zorg dat deze mededeling de betrokken bevelvoerende militairen onverwijld bereikt.

§ 5. Dienstvoorschriften

Artikel 9

  • 1 Onder de in artikel 135 van het Wetboek van Militair Strafrecht bedoelde besluiten van algemene strekking worden, naast de in dit besluit vervatte regelen van algemene strekking, mede verstaan de schriftelijke besluiten van algemene strekking welke voor de inwerkingtreding van de Rijkswet van 14 juni 1990, tot wijziging van het Wetboek van Militair Strafrecht in verband met de herziening van het militair tuchtrecht en ter afschaffing van de doodstraf, door Onze Minister van Defensie of door het gezag dat op grond van de Wet op de Krijgstucht alstoen bevoegd was tot het opleggen van krijgstuchtelijke straffen, werden vastgesteld en bekendgemaakt. Bij de toepassing van artikel 135 van het Wetboek van Militair Strafrecht worden dergelijke besluiten gelijkgesteld met besluiten die zijn vastgesteld krachtens dit besluit.

  • 2 Tot het ter verzekering van het goede functioneren van de krijgsmacht, ter bevordering van de veiligheid en ter handhaving van de discipline geven van dienstvoorschriften, zijn bevoegd:

  • 3 De bevelvoerende militair, bedoeld in het tweede lid, onder c, is niet bevoegd dienstvoorschriften te geven die in strijd zijn met dienstvoorschriften die gegeven zijn door boven hem gestelde bevelvoerende militairen of door Onze Minister van Defensie.

  • 4 De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze algemene maatregel van rijksbestuur geldende dienstvoorschriften, gegeven krachtens artikel 9, tweede lid, van het Besluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht berusten vanaf dat tijdstip op artikel 9, tweede lid, van dit rijksbesluit.

Hoofdstuk II. Nadere bepalingen met betrekking tot de Wet militair tuchtrecht

§ 1. Tuchtrechtelijke geldboete

Artikel 10

  • 1 De betaling, de administratie, het beheer en de verantwoording van geïnde geldboeten geschiedt volgens door Onze Minister van Defensie te stellen regels. Als betaling worden in ieder geval aangemerkt:

    • a. contante betaling;

    • b. verstrekken van een machtiging tot inhouding op de bezoldiging.

  • 2 Naar door Onze Minister van Defensie te stellen regels worden de uit geldboeten ontvangen gelden periodiek ter nadere verrekening overgedragen aan het Ministerie van Defensie. De zodanig ontvangen gelden komen ten goede aan 's Rijks schatkist.

§ 2. Vergoeding voor advocaat, getuige en deskundige

Artikel 11

§ 3. Herstel geleden nadeel

Artikel 12

Herstel van het geleden nadeel ingeval een beklag of beroep over de wijze van tenuitvoerlegging van een straf van strafdienst of van uitgaansverbod geheel of gedeeltelijk gegrond is verklaard, geschiedt als volgt:

  • a. indien het betreft een beklag of beroep over de wijze van tenuitvoerlegging van een straf van strafdienst wordt voor iedere dag waarop de wijze van tenuitvoerlegging niet passend wordt geacht, een vergoeding in vrije tijd voor de duur van een uur toegekend;

  • b. indien het betreft een beklag of beroep over de wijze van tenuitvoerlegging van een straf van uitgaansverbod:

    • 1E. en de straf is ondergaan op een vrije dag: voor iedere dag waarop de wijze van tenuitvoerlegging niet passend wordt geacht, wordt een vergoeding in vrije tijd voor de duur van twee uren toegekend;

    • 2E. en de straf is ondergaan op een werkdag: voor iedere dag waarop de wijze van tenuitvoerlegging niet passend wordt geacht, wordt een vergoeding in vrije tijd voor de duur van een uur toegekend.

Artikel 13

  • 1 Herstel van het geleden nadeel van een bij de beslissing op beklag of in beroep geheel of gedeeltelijk teniet-gedane of verminderde reeds ondergane straf van strafdienst of van uitgaansverbod, geschiedt als volgt:

    • a. iedere dag waarop de straf van strafdienst is ondergaan, wordt vergoed met vrije tijd voor de duur van maximaal een halve werkdag;

    • b. iedere vrije dag waarop de straf van uitgaansverbod is ondergaan, wordt vergoed met vrije tijd voor de duur van één werkdag;

    • c. iedere werkdag waarop de straf van uitgaansverbod is ondergaan, wordt vergoed met vrije tijd voor de duur van een halve werkdag.

  • 2 Indien een dag uitgaansverbod ten onrechte gedeeltelijk is ondergaan, wordt 12 uur of meer met vrije tijd voor de duur van een hele werkdag vergoed en wordt minder dan 12 uur vergoed met vrije tijd voor de duur van een halve werkdag.

Artikel 14

  • 2 Ingeval herstel van het geleden nadeel plaatsvindt binnen 30 dagen voordat de militair de dienst verlaat of nadat de militair de dienst heeft verlaten, wordt op verzoek van de militair de toegekende vrije tijd vervangen door een geldbedrag.

  • 3 Onze Minister van Defensie bepaalt welk geldbedrag in de plaats komt van ieder uur toegekende vrije tijd.

§ 4. Bewaring van en klachten ten aanzien van ingenomen voorwerpen en geschriften

Artikel 15

  • 1 Op grond van artikel 103 van de Wet militair tuchtrecht ingenomen geschriften of voorwerpen worden zo spoedig mogelijk na inneming deugdelijk gewaarmerkt en bewaard door de commandant van de rechthebbende in een goed afgesloten kast of ruimte, welke niet voor derden toegankelijk is.

  • 2 Indien de rechthebbende niet bekend is, worden de geschriften of voorwerpen bewaard:

    • a. bij inneming op een militaire plaats, niet zijnde een militair voertuig dat in gebruik is bij of ten behoeve van de krijgsmacht: door de commandant van die militaire plaats;

    • b. bij inneming in de overige gevallen: door de commandant van de brigade van de Koninklijke marechaussee in wiens ressort de geschriften of voorwerpen zijn ingenomen.

  • 3 De bewaarder geeft een geschrift of voorwerp uitsluitend af aan de rechthebbende tegen een bewijs, waarin de datum der afgifte, de aard van het geschrift of voorwerp en de naam, de rang en het registratienummer van de ontvanger zijn vermeld.

Artikel 16

  • 1 De rechthebbende en eventuele andere belanghebbenden kunnen schriftelijk klagen bij de voorzitter van de militaire kamer, bedoeld in artikel 87 van de Wet militair tuchtrecht, over het gebruik van de ingenomen voorwerpen of geschriften, over de wijze van bewaring, het voortduren der inneming, over het uitblijven en de wijze van teruggave.

  • 2 Het klaagschrift wordt binnen vijf dagen na de inneming ingediend bij de commandant.

  • 4 Acht de voorzitter van de militaire kamer het beklag gegrond dan geeft hij de daarmede overeenkomende last.

§ 5. Uitvoering tuchtstraffen opgelegd aan krijgsgevangenen

Artikel 17

De duur van de straf van arrest, genoemd in artikel 89, eerste lid, onder 4, van het Verdrag van Genève betreffende de behandeling van krijgsgevangenen, is ten hoogste dertig dagen.

Artikel 18

Bij de oplegging van de straf van arrest kan door de kampcommandant voor gestraften die op grond van hun persoonlijkheid niet geschikt zijn om in gemeenschap te worden geplaatst of op gronden ontleend aan de veiligheid, worden bepaald welk deel van dat arrest in afzondering wordt ondergaan.

Artikel 19

  • 1 Het arrest wordt door de krijgsgevangene ondergaan:

    • a. «niet in afzondering» in een daartoe bestemde ruimte of bestemd lokaal of, indien niet aanwezig, op een door de kampcommandant aan te wijzen plaats;

    • b. «in afzondering» in een daartoe bestemde cel of, indien niet aanwezig, op een andere door de kampcommandant aan te wijzen plaats.

  • 2 Op gronden ontleend aan de lichamelijke of geestelijke toestand van de met arrest gestrafte krijgsgevangene, de omstandigheden van het klimaat of het weer dan wel de toestand van de ruimte, het lokaal of de cel waarin het arrest moet worden ondergaan onderscheidenlijk de toestand van de daartoe aangewezen plaats, kan de rechtstreeks boven de kampcommandant gestelde bevelvoerende militair de plaats van arrest wijzigen indien dit in het belang van de gestrafte noodzakelijk is.

  • 3 Het arrest, genoemd in het eerste lid, onder a, mag niet worden ondergaan in gemeenschap met niet met arrest gestrafte krijgsgevangenen, behoudens tijdens het verrichten van werkzaamheden welke de met arrest gestrafte krijgsgevangene zijn opgedragen.

Artikel 20

Het is de met arrest gestrafte krijgsgevangene verboden de plaats waar hij zijn straf moet ondergaan gedurende zijn straftijd zonder noodzaak te verlaten of zonder daartoe verkregen toestemming aldaar bezoek te ontvangen. De kampcommandant kan de gestrafte toestemming verlenen tot het bijwonen van godsdienstoefeningen.

Artikel 21

  • 1 Aan een krijgsgevangene, verdacht van een tuchtvergrijp, kan voorlopig arrest worden aangezegd, indien de orde en tucht in het krijgsgevangenkamp zulks vereisen of indien hij zich schuldig heeft gemaakt aan een van de vergrijpen als bedoeld in artikel 105, onder d, van de Wet militair tuchtrecht.

  • 2 Het voorlopig arrest wordt ondergaan in de vorm van het in artikel 19 omschreven arrest in afzondering.

Hoofdstuk III. Nadere bepalingen met betrekking tot de Wet militaire strafrechtspraak

§ 1. Reis- en verblijfskosten, eedsaflegging en tenue van de militaire leden

Artikel 22

  • 1 De militaire leden genieten een vergoeding van reis- en verblijfkosten overeenkomstig de bepalingen welke te dien aanzien voor de burgerlijke ambtenaren werkzaam op de ministeries zijn of zullen worden vastgesteld.

  • 2 De militaire leden leggen de eed of belofte af, bedoeld in artikel 5g, eerste lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren, met dien verstande dat de woorden «rechterlijk ambtenaar» worden vervangen door «militair lid».

  • 3 Van het afleggen van de eed of belofte wordt een akte opgemaakt.

  • 4 De eed of belofte wordt afgenomen op requisitoir van het openbaar ministerie.

  • 5 De militaire leden zijn ter terechtzitting gekleed in de tenue vastgesteld voor het betrokken operationeel commando.

§ 2. Bevelsgebied commandant der zeemacht in het Caraïbisch gebied

Artikel 23

Het bevelsgebied, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet militaire strafrechtspraak, van de commandant der zeemacht in het Caraïbisch gebied beslaat het grond- en watergebied van Aruba, Curaçao en Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en het zeegebied van de Atlantische Oceaan, de Caraïbische Zee en de Golf van Mexico begrensd:

  • ten noorden door: de parallel van 35 graden noorderbreedte;

  • ten oosten door: de meridiaan van 51 graden westerlengte vanaf de parallel van 35 graden noorderbreedte tot de evenaar;

  • ten zuiden door: de evenaar;

  • ten westen door: de meridiaan van 100 graden westerlengte vanaf de parallel van 35 graden noorderbreedte tot de evenaar.

§ 3. Reis- en verblijfskostenvergoeding voor de officier-raadsman en voor de verdachte

Artikel 24

Voor de vergoeding van de kosten, bedoeld in artikel 23, vijfde lid, van de Wet militaire strafrechtspraak, van de officier die als raadsman optreedt en van de kosten, bedoeld in artikel 33, eerste lid, van die wet, van de verdachte die in verband met de uitoefening van de dienst in een ander land verblijft dan waarin de rechter zitting houdt en wiens verschijnen in persoon door de rechter is bevolen, is het Besluit dienstreizen defensie van toepassing.

§ 4. Bevoegdheden van de opsporingsambtenaren buiten het Koninkrijk

Artikel 25

Voorzover aan de opsporingsambtenaren, bedoeld in de artikelen 141, 142 en 154 van het Wetboek van Strafvordering van het Europese deel van Nederland, bevoegdheden toekomen in verband met het opsporen van feiten, waarvan de rechter bedoeld in de Wet militaire strafrechtspraak kennis neemt, kunnen zij die bevoegdheid buiten het Koninkrijk slechts uitoefenen, voor zover het volkenrecht dit toelaat.

Artikel 26

  • 1 Buiten het Koninkrijk zijn de in de artikelen 141, 142 en 154 van het Wetboek van Strafvordering van het Europese deel van Nederland bedoelde opsporingsambtenaren bevoegd van de aan de militaire rechtsmacht onderworpen bestuurder van een motorrijtuig de overgifte te vorderen van het hem ingevolge enige binnen het Koninkrijk geldende regeling afgegeven rijbewijs, dan wel van het hem in het buitenland uitgereikte internationaal rijbewijs, indien tegen deze bestuurder proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van:

    De bestuurder is op de eerste vordering van de opsporingsambtenaar verplicht tot overgifte van het rijbewijs.

  • 2 Het ingevorderde rijbewijs of internationaal rijbewijs of de ingevorderde rijbewijzen worden, tegelijk met het proces-verbaal, onverwijld opgezonden aan de betrokken officier van justitie bij de rechterlijke instantie bedoeld in de Wet militaire strafrechtspraak. Deze is bevoegd dat bewijs of die bewijzen onder zich te houden, totdat de rechterlijke uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen, of indien bij die uitspraak de bestuurder de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen is ontzegd, tot het tijdstip waarop die uitspraak, wat betreft de bijkomende straf van ontzegging, voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. In dat laatste geval draagt hij zorg dat, na het bovenbedoelde tijdstip, het binnen het Koninkrijk afgegeven rijbewijs wordt ingeleverd bij degene, die dat bewijs heeft afgegeven.

  • 3 In geval van toepassing van het eerste lid kan het motorrijtuig, voorzover geen andere bestuurder beschikbaar is, onder toezicht, of voorzover degene die het proces-verbaal opmaakt zulks nodig oordeelt, in bewaring worden gesteld. In dat geval wordt het motorrijtuig op kosten van de verdachte overgebracht naar een door de verbaliserende persoon geschikt geachte plaats en aldaar op kosten van de verdachte bewaard, totdat het door of vanwege de eigenaar of houder wordt afgehaald. Indien de eigenaar of houder een ander is dan de verdachte, is hij bevoegd die kosten op de verdachte te verhalen.

Hoofdstuk IV. Slotbepalingen

Artikel 27

Het Besluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht wordt ingetrokken.

Artikel 29

Dit besluit wordt aangehaald als: Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair straf- en tuchtrecht.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad, in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen en in het Afkondigingsblad van Aruba zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 25 november 1999

Beatrix

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals

De Staatssecretaris van Defensie,

H. A. L. van Hoof

Uitgegeven de dertigste november 1999

De Minister van Justitie,

A. H. Korthals