KruimelpadGeldend op 09-02-2012
In deze regeling wordt verstaan onder:
a. wet: de Penitentiaire beginselenwet;
b. raam: een voorziening waardoor de cyclus van dag en nacht kan worden waargenomen.
Bij de tenuitvoerlegging van een disciplinaire straf in een strafcel of de tenuitvoerlegging van afzondering in een afzonderingscel geldt het bepaalde in de huisregels van de inrichting waar de straf respectievelijk de afzondering ten uitvoer wordt gelegd, voorzover in deze regeling niet anders is bepaald.
Indien de afzondering, bedoeld in artikel 24 van de wet,
a. in het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting dan wel een ongestoorde tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming,
b. in verband met de ernst van de gedragingen van de gedetineerde, of
c. in verband met de lichamelijke- of geestelijke toestand van de gedetineerde, niet ten uitvoer kan worden gelegd in de verblijfsruimte, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de wet, vindt deze plaats in een afzonderingscel.
De directeur geeft van een plaatsing in een straf- of afzonderingscel onverwijld kennis aan de arts die aan de inrichting is verbonden. De arts of diens vervanger, dan wel in diens opdracht de verpleegkundige, bezoekt de gedetineerde zo spoedig mogelijk in de straf- of afzonderingscel en na de melding, bedoeld in artikel 24, zesde lid, van de wet, regelmatig.
Indien de gedetineerde herhaaldelijk zonder noodzaak gebruik maakt van in de straf- of afzonderingscel aanwezige communicatiemiddelen kan de directeur beslissen dat deze buiten werking worden gesteld. In dat geval treft hij de maatregelen die noodzakelijk zijn voor voldoende communicatie van de gedetineerde met ambtenaren of medewerkers.
1.De deur van een strafcel en de deur van een afzonderingscel, bij plaatsing in afzondering op de grond van artikel 23, onder a of b, van de wet, wordt slechts geopend indien ten minste twee ambtenaren of medewerkers daarbij aanwezig zijn.
2.In de dienstinstructies worden regels gesteld over het openen van de deur van een straf- of afzonderingscel tijdens de nachtdienst.
De directeur draagt zorg dat gedurende de tenuitvoerlegging van een disciplinaire straf in een strafcel of de tenuitvoerlegging van afzondering in een afzonderingscel het nodige contact tussen ambtenaren en medewerkers van de inrichting en de gedetineerde wordt gewaarborgd en naar aard en frequentie op de situatie van de gedetineerde wordt afgestemd.
De artikelen 2, 3, 5, 6, tweede lid, artikel 7 onder a, en 13 van de Regeling eisen verblijfsruimte penitentiaire inrichtingen zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van een straf- of afzonderingscel.
1.De directeur draagt zorg dat de gedetineerde in staat wordt gesteld contact met de buitenwereld te onderhouden, volgens het daarover bepaalde in de huisregels.
2.De directeur kan het recht van de gedetineerde om te telefoneren met of het ontvangen van bezoek van persoonlijke relaties slechts beperken of uitsluiten indien het belang van de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting, dan wel de gedragingen, lichamelijke of gemoedstoestand van de gedetineerde zulks noodzakelijk maken.
3.Het bezoek vindt gescheiden van de overige gedetineerden en onder toezicht plaats.
4.Het is de in artikel 37 van de wet genoemde personen en instanties toegestaan vrijelijk contact te onderhouden met de gedetineerden.
De gedetineerde wordt, gedurende zijn verblijf in de straf- of afzonderingscel, in staat gesteld goederen te kopen. Aangekochte goederen worden in de verblijfsruimte, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de wet opgeslagen, tenzij de directeur bepaalt dat tegen uitreiking van bepaalde goederen in de straf- of afzonderingscel geen bezwaar bestaat.
1.De gedetineerde is verplicht de straf- of afzonderingscel met de zich daarin bevindende voorwerpen schoon en ongeschonden te houden.
2.De gedetineerde is verplicht dagelijks onder toezicht de straf- of afzonderingscel waarin hij verblijft te reinigen, tenzij hij daar op grond van zijn lichamelijke of geestelijke toestand niet toe in staat is.
1.De directeur kan, indien de lichamelijke of geestelijke toestand van de gedetineerde dit noodzakelijk maakt, bepalen dat de gedetineerde dag en nacht door middel van een camera wordt geobserveerd.
2.Alvorens hij hiertoe beslist, wint hij het advies van de inrichtingsarts in, tenzij dit advies niet kan worden afgewacht. In dat geval wint de directeur het advies zo spoedig mogelijk na zijn beslissing in.
3.De directeur geeft de gedetineerde onverwijld schriftelijk, en zoveel mogelijk in een voor hem begrijpelijke taal een met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende mededeling van zijn beslissing om tot camera-observatie over te gaan.
De directeur is op grond van de Geweldsinstructie penitentiaire inrichtingen bevoegd jegens een gedetineerde geweld te gebruiken dan wel vrijheidsbeperkende middelen aan te wenden, voor zover dit noodzakelijk is met het oog op de plaatsing in de straf- of afzonderingscel of de handhaving van de orde of de veiligheid in de inrichting.
In afwijking van artikel 2 geldt voor gedetineerden die in een straf- of afzonderingscel verblijven in afwachting van plaatsing in een extra beveiligde inrichting, het daarover bepaalde in de huisregels van de extra beveiligde inrichting.
De volgende regelingen worden ingetrokken:
Reglement voor afzondering in een cel niet zijnde een strafcel (18 mei 1978, nr. 369/378);
Reglement voor opsluiting in een strafcel (18 mei 1978, nr. 370/378);
Uitvoeringsregeling van art. 105 Gevangenismaatregel (29 januari 1979, nr. 1426/378);
Reglement plaatsing in de isoleercel en plaatsing op het veiligheidsbed (19 februari 1981, nr. 927/380);
Uitvoeringsregeling van art. 105 Gevangenismaatregel (21 september 1981, nr. 969/381);
Toezending brochure over de plaatsing in afzondering (9 januari 1984, nr. 1390/383);
Aanvulling van art. 13, eerste lid, reglement strafcel (13 oktober 1992, nr. 256564/92)
Regiem t.a.v. gedetineerden in landelijke afzonderingsafdelingen en Penitentiair Ziekenhuis in afwachting van plaatsing in ebi (11 oktober 1994, nr. 456588/94/DJ).