Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Richtlijn passende arbeid 1999[Regeling vervallen per 01-01-2014.]

Geldend van 23-03-2002 t/m 31-12-2013

Richtlijn passende arbeid 1999

De minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

Gelet op artikel 10, vierde lid, van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO);

In overeenstemming met de Sector Commissie Onderwijs en Wetenschappen.

Besluit:

Artikel 1. Nadere regels omtrent het begrip passende arbeid [Vervallen per 01-01-2014]

  • 1 Het uitvoeringsorgaan handelt namens de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bij het begrip passende arbeid als bedoeld in artikel 1, eerste en derde lid, van het Besluit Werkloosheid onderwijs - en onderzoekpersoneel die in de bijlage behorende bij deze regeling opgenomen richtlijnen.

  • 2 De in de bijlage genoemde betrokkene, is de betrokkene als bedoeld in artikel 1 van het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel.

Artikel 2. Bekendmaking [Vervallen per 01-01-2014]

Deze regeling zal met de bijlage in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 3. Inwerkingtreding [Vervallen per 01-01-2014]

Deze regeling treedt in werking twee maanden na de datum van uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen, waarin deze regeling is bekendgemaakt.

Artikel 4. Citeertitel [Vervallen per 01-01-2014]

Deze regeling wordt aangehaald als: Richtlijn passende arbeid 1999

De

minister

van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

drs. L.M.I.H.A. Hermans

Bijlage Richtlijn Passende Arbeid 1999 [Vervallen per 01-01-2014]

1. Inleiding [Vervallen per 01-01-2014]

Het Besluit Werkloosheid onderwijs- en onderzoekpersoneel (BWOO) legt op personen die een aanspraak op een BWOO-uitkering maken de verplichting dat zij actief op zoek gaan naar passende arbeid en, waar aangeboden, passende arbeid aanvaarden. Onder passende arbeid wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten van betrokkene is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.

In de voorlichtingspublicatie 'Passende arbeid en sanctiebeleid' (OenW-Regelingen 1994, nr. 6a) is uiteengezet hoe de met de uitvoering van het BWOO belaste uitvoeringsinstelling (USZO) invulling geeft aan het begrip passende arbeid. In feite geeft de publicatie een weerslag van de ter zake van het begrip passende arbeid ontwikkelde jurisprudentie. Daarnaast wordt aangesloten op een in 1991-1992 voor de marktsector door de minister van sociale zaken en werkgelegenheid opgestelde richtlijn betreffende passende arbeid.

Als gevolg van een aantal ontwikkelingen is de publicatie 'Passende arbeid en sanctiebeleid' niet langer actueel. Zo heeft bijvoorbeeld het onderdeel Asanctiebeleid inmiddels een eigen plaats gekregen in de ' Regeling maatregelen sector OenW' (OCenW-Regelingen 1997, nr. 1, kenmerk AB/PSW-96033235). Gelet op de ontwikkelingen die zich hebben voor gedaan wordt de publicatie uit 1994 vervangen door de richtlijn Passende Arbeid 1999.

Evenals onder de publicatie uit 1994 krijgen ook onder deze richtlijn de uitkeringsgerechtigde, de minister, de arbeidsbemiddelingsorganisatie en de werkgever met de criteria inzake passende arbeid te maken. De criteria worden verder gehanteerd door de Stichting Uitvoeringsinstelling Sociale Zekerheid Overheids- en Onderwijzend personeel (USZO). In deze richtlijn worden in paragraaf 2 de hoofdlijnen van het begrip passende arbeid uiteengezet. Paragraaf 3 behandelt de objectieve criteria waarbij eerst een samenvatting wordt gegeven van de jurisprudentie. Daarna wordt de van uit de jurisprudentie geobjectiveerde richtlijn uiteengezet. Paragraaf 4 behandelt de subjectieve factoren.

2. Hoofdlijnen passende arbeid [Vervallen per 01-01-2014]

In het BWOO wordt passende arbeid omschreven als: 'alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de betrokkene is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd'. Deze algemene omschrijving biedt de uitvoeringsinstantie en de rechter de mogelijkheid tot het hanteren van een individuele toets. Dit wil zeggen dat aan de hand van een set van criteria/factoren per betrokkene kan worden beoordeeld of bepaalde arbeid voor hem geldt als passende arbeid. Bij deze beoordeling speelt verder het werkloosheidsrisico van de betrokkene een rol.

De te hanteren criteria/factoren kunnen worden onderverdeeld in drie categorieën:

  • a. objectieve criteria, bestaande uit:

    • de aard van het werk (niveau, omvang en soort werk)

    • de hoogte van het salaris; en

    • de reisduur en reiskosten.

  • b. subjectieve factoren in relatie tot het werk, zoals:

    • voorkeur voor de oude werkgever;

    • voorkeur voor de soort aanstelling (voltijd, deeltijd, vervangingswerk); en

    • voorkeur voor een andere werkgever

  • c. persoonsgebonden factoren, zoals:

    • gezinsomstandigheden;

    • gezondheidsbezwaren; en

    • gewetensbezwaren.

Bij het bepalen van het werkloosheidsrisico worden in beschouwing genomen:

  • het arbeidsverleden;

  • de duur van de werkloosheid;

  • de toekomstverwachtingen bij het weigeren van een aanbod;

  • de leeftijd van de betrokkene; en

  • de gezondheidstoestand van de betrokkene.

Zoals ook in de Richtlijn Passende Arbeid 1996 van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is aangegeven, volgt uit de jurisprudentie de volgende algemene lijn. Naar mate de duur van de werkloosheid toeneemt of het werkloosheidsrisico hoger is, wordt bepaalde arbeid eerder als passend aangemerkt. Dit betekent dat er na kortere of langere tijd ten aanzien van onder meer de aard van de te aanvaarden arbeid gerelateerd aan (vroeger) beroep en opleidingsniveau, concessies gedaan moeten worden. Verder kan uit de jurisprudentie worden afgeleid dat subjectieve criteria/factoren en strikt persoonlijk getinte bezwaren tegen aangeboden passende arbeid slechts onder stringente voorwaarden acceptabel worden geacht. Over het geheel genomen blijkt dat de rechtspraak kritisch oordeelt over de weigering van aangeboden werk en het met het toenemen van de werkloosheidsduur steeds moeilijker wordt arbeid als niet passend te weigeren.

Onverlet de geldende jurisprudentie moeten de bovengenoemde objectieve criteria in onderlinge samenhang worden toegepast, in die zin dat in beginsel zowel ten aanzien van de aard van het werk, het loonniveau als de reisafstand de verderop in de richtlijn aangegeven concessies kunnen worden gevraagd. Bij concrete aanbiedingen zullen uiteraard veelal niet alle concessies gelijktijdig aan de orde zijn. Indien in verschillende regio's voldoende aanbod van personeel is, ligt het niet in de rede om mensen te verplichten om vanuit de ene regio naar de andere regio te verhuizen of lange reistijden te maken om elders in een andere regio werk te aanvaarden.

De richtlijn is een hulpmiddel bij het beoordelen of een aangeboden baan al dan niet passend is. Bij de beoordeling zal de individuele situatie van de betrokkene moeten worden bezien alvorens tot een oordeel kan worden gekomen over de passendheid van een betrekking. Daarbij kunnen diverse elementen een rol spelen. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de persoonlijke omstandigheden van een betrokkene, maar ook aan de vraag in hoeverre het wenselijk is dat iemand bijvoorbeeld de onderwijssector definitief verlaat, terwijl er in de sector vraag is naar personeel (kapitaalsvernietiging). Uiteraard speelt ook de duur van de werkloosheid en de kansen op terugkeer op de arbeidsmarkt een belangrijke rol in het beoordelingsproces. Met klem wordt dan ook benadrukt dat deze richtlijn geen blauwdruk vormt voor iedere individuele situatie.

3. Objectieve criteria [Vervallen per 01-01-2014]

3.1 Aard van het werk [Vervallen per 01-01-2014]

Jurisprudentie

Uit de jurisprudentie blijkt dat het hebben van een voorkeur voor een bepaald soort werk, gezien iemands arbeidsverleden (niveau, opleiding en ervaring) begrijpelijk kan zijn, maar dat de gevolgen van het vasthouden van die voorkeur niet ten laste mogen komen van de uitvoeringsinstantie, tenzij het werkloosheidsrisico wordt verminderd. Een uitkeringsgerechtigde moet een redelijke tijd worden gegund uit te zien naar werk op zijn eigen niveau. Hierbij hangt het af van het arbeidsverleden, de opleiding, het werkloosheidsrisico van betrokkene en de duur van de werkloosheid, of men een dergelijke voorkeur (nog) mag koesteren. In de rechtspraak wordt verder rekening gehouden met het feit of een uitkeringsgerechtigde, gezien zijn arbeidsverleden een reële kans heeft om weer terug te keren op het oude niveau.

Richtlijn [Vervallen per 01-01-2014]

Gezien het bovenstaande dient als algemene regel ten aanzien van het criterium "aard van het werk" te worden aangehouden, dat een ieder die zich door opleiding en/of werkervaring voor een bepaald beroep of voor arbeid op een bepaald niveau heeft gekwalificeerd, na aanvang van de werkloosheid een half jaar de tijd heeft om zich te richten op het zoeken naar arbeid overeenkomstig het vroegere beroep en niveau en in beginsel niet verplicht is werk op een lager niveau of in een ander beroep te aanvaarden. Arbeid van tijdelijke aard of arbeid die in afwachting van arbeid in het eigen beroep tijdelijk kan worden verricht, is ook tijdens het eerste half jaar van de werkloosheid passend, ook al is de aard van de werkzaamheden niet geheel in overeenstemming met de vroeger verrichte arbeid en voor zover het niveau niet al te zeer afwijkt van het door opleiding of werkervaring verkregen niveau. In ieder geval mag van betrokkene een flexibeler opstelling worden gevraagd dan wanneer het gaat om vast werk. Arbeid voor onbepaalde duur in het eigen beroep doch van een lager niveau is passend indien mogelijkheden worden geboden om binnen een afzienbare termijn op het eigen niveau terug te keren. Onder "beroep" onderscheidenlijk "eigen beroep" wordt in dit verband verstaan: arbeid die voor wat betreft aard aansluit op de oude functie.

Na het eerste half jaar en naarmate de werkloosheid langer duurt, dient men zich ruimer op te stellen en arbeid op een (steeds) lager niveau en zo mogelijk in een ander beroep te accepteren. Hiervoor geldt de onderstaande tabel. Deze tabel dient overigens niet mechanisch te worden toegepast, maar er moet rekening worden gehouden met opleiding en ervaring.

Tabel 1
Niveau HO MBO VBO/MAVO Basis

HO-er

0-6 mnd

6-12 mnd

12-18 mnd

na 18 mnd

MBO-er1

 

0-6 mnd

6-12 mnd

na 12 mnd

VBO-/MAVO-er

   

0-6 mnd

na 6 mnd

Een en ander betekent voor iemand die zich door opleiding en werkervaring heeft gekwalificeerd voor werk op HO niveau, gehouden is om werk op MBO-niveau te aanvaarden, indien hij er na een half jaar werkloosheid niet in is geslaagd werk op het eigen niveau te vinden. Na het volgende half jaar is betrokkene in beginsel gehouden werk te aanvaarden op VBO/MAVO-niveau en een half jaar nadien is hij of zij gehouden ongeschoolde arbeid te aanvaarden.

Een MBO-er dient gedurende het eerste half jaar op zijn eigen niveau te zoeken en in het half jaar daarna werk op VBO/MAVO-niveau te accepteren. Na afloop daarvan is in principe alle arbeid passend.

Voor de vertaling van de hierboven weergegeven richtlijn naar individuele beslissingen is het van belang dat een aantal elementen mede wordt overwogen. De stapsgewijze verruiming van het niveau waarop arbeid wordt geacht passend te zijn, moet in relatie worden gezien met het volgen van noodzakelijk geachte scholing. Het verdient de voorkeur wanneer een betrokkene zoveel mogelijk op zijn eigen niveau een nieuwe betrekking vindt. Een voor de hand liggende werkwijze is dan, dat, wanneer in de eerste maanden van de werkloosheid geen baan wordt gevonden in het vroegere beroep waarvoor betrokkene primair is opgeleid, wordt bezien welke andere beroepen toegankelijk zijn met de kwalificaties die men al heeft. Hieraan kunnen de resterende maanden van de eerste periode worden besteed. Indien dit geen enkel resultaat heeft, of indien, gelet op de kwalificaties van betrokkene, dergelijke, andere beroepen niet voor hem open staan, ligt het in de rede dat wordt besloten tot omscholing naar een ander beroep op hetzelfde opleidingsniveau. Voor de duur van deze noodzakelijk geachte scholing heeft vrijstelling plaats van de verplichting om passende arbeid te aanvaarden. Na voltooiing van het scholingstraject krijgt men wederom een half jaar de tijd om een betrekking te vinden in de richting waarvoor men is opgeleid. Wordt de opleiding niet voltooid, dan dient men zich beschikbaar te stellen voor arbeid op een lager opleidingsniveau, zoals aangegeven in het bovenvermelde schema. Dit geldt ook wanneer men in het eerste half jaar na de voltooide scholing geen baan heeft gevonden.

N.B. 1

Bij het beoordelen van de vraag of een betrekking passend is, dient rekening te worden gehouden met het feit dat vacatures binnen de meeste sectoren van het onderwijs meestal per 1 augustus ontstaan. Dit betekent dat de eerste periode (van een halfjaar) wordt verlengd tot 1 augustus daarop volgend omdat de kans voor betrokkene op een betrekking op zijn oude niveau per die datum aanzienlijk groter is. In de periode tot 1 augustus dient de betrokkene in een voorkomend geval wel aangeboden tijdelijk werk van lager opleidingsniveau te accepteren.

N.B. 2

Bij het toepassen van de tabel dient rekening te worden gehouden met de wenselijkheid dat opleidingsinvesteringen en ervaring in het onderwijs zoveel mogelijk voor de onderwijssector behouden moet blijven, zodat het in individuele gevallen wenselijk kan zijn de periode waarin binnen het onderwijs naar een baan wordt gezocht enigszins te verlengen (uiteraard onder de voorwaarde dat voldoende zekerheid bestaat dat men ook die baan in het onderwijs zal vinden). Ook hier geldt dat men in de periode tot de nieuwe baan aangeboden tijdelijk werk van een lager opleidingsniveau moet accepteren.

N.B. 3

Voor parttimers geldt het volgende. Een werkloze parttimer moet zich in het kader van de huidige jurisprudentie van de Werkloosheidswet onbeperkt beschikbaar stellen, tenzij er persoonlijke omstandigheden zijn die zich daar tegen verzetten. Voor het onderwijs wordt als algemene regel aangehouden dat naarmate de werkloosheid langer duurt er concessies moeten worden gedaan met betrekking tot de beschikbaarheid. Dit betekent dat men gedurende het eerste halfjaar van de werkloosheid zich ten minste beschikbaar dient te stellen voor een betrekking die voor wat betreft omvang min of meer gelijk is aan de betrekking waaruit men met het recht op uitkering is ontslagen. Een eventueel kleinere betrekking die wordt aangeboden dient men overigens wel te aanvaarden.

De op de jurisprudentie gebaseerde richtlijn dat men meer concessies moet doen ten aanzien van de arbeid naar mate men langer werkloos is, dient ook te worden doorgetrokken naar de omvang van de betrekking waarvoor men zich beschikbaar moet stellen. Bij het bepalen van de omvang van de betrekking waarvoor men zich beschikbaar moet stellen, wordt een bandbreedte toegepast. Deze bandbreedte is afhankelijk van het aantal klokuren in de werkweek waaruit men werkloos is geworden. De bandbreedte varieert van 4 tot 8 uur.

De bandbreedte is groter naarmate de werkloosheid langer voortduurt. Regel is dat de bandbreedte na één jaar werkloosheid wordt verruimd. Verder geldt dat als men werkloos is geworden uit een betrekking van meer dan het normale aantal klokuren per week, ook betrekkingen voor dat meerdere aantal klokuren passend zijn.

Het bovenstaande geldt niet voor degenen die een bewuste keus hebben gemaakt voor deeltijdarbeid en kunnen aantonen dat zij een stabiel arbeidsverleden hadden.

In het onderstaande schema wordt het hierboven gestelde uitgewerkt.

Tabel 2
Uren verlies Uren passende arbeid  
(op weekbasis) 0-12 mnd 12 > mnd

1

5

6

2

6

7

3

7

8

4

8

9

5

9

10

6

10

11

7

11

12

8

12

13

9

13

14

10

14

16

11

15

17

12

16

18

13

17

19

14

19

21

15

20

22

16

24

26

17

25

27

18

26

28

19

27

29

20

28

31

21

29

32

22

30

33

23

31

34

24

32

35

25

33

36

26

34

37

27

35

38

28

36

38

29

38

38

30 t/m 38

38

38

39

39

39

40

40

40

41 e.v.

412

413

3.2. Loonniveau [Vervallen per 01-01-2014]

Jurisprudentie

Het in het verleden verdiende salaris geeft in principe een aanwijzing wat als passend moet worden aangemerkt. Als het vroeger loon geen juiste maatstaf is, wordt aan de hand van de omstandigheden beoordeeld of het geboden loon passend is. Uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) valt op te maken dat werknemers met een stabiel arbeidsverleden en een gering werkloosheidsrisico, gekoppeld aan een positieve instelling bij het zoeken naar ander werk ook na werkloosheid van langere duur geen werkaanbod behoeven te aanvaarden waarvan het loon beduidend lager ligt dan het uitkeringsniveau. Ook hier geldt dat het aanvaarden van een baan met een lager loon een belemmering kan zijn om op het oude niveau terug te keren.

Richtlijn

Als algemene regel dient te worden aangehouden, dat gedurende het eerste half jaar na aanvang van de werkloosheid de uitkeringsgerechtigde geacht wordt werk te aanvaarden waarvoor de beloning niet of niet in belangrijke mate lager is dan hetgeen betrokkene voorheen verdiende, voor zover dit laatste niet afwijkt van hetgeen door werknemers als betrokkene in zijn oude beroep in de regel wordt verdiend.

Ook hier geldt, dat na het eerste half jaar en naarmate de werkloosheid langer duurt, concessies moeten worden gedaan ten aanzien van het gewenste inkomen. Deze concessies kunnen geringer zijn naarmate het arbeidsverleden van betrokkene stabieler is en hij aannemelijk maakt voldoende pogingen te hebben ondernomen om een nieuwe betrekking te verwerven. De concessies ten aanzien van het loon corresponderen met het verschil in niveau van te aanvaarden werkzaamheden zoals hiervoor aangegeven.

Loon lager dan het uitkeringsniveau is als hoofdregel ook daar waar het tijdelijk werk betreft niet passend. Dat is echter anders wanneer het dagloon waarnaar de uitkering is berekend afwijkt van hetgeen door werknemers als betrokkene in zijn oude beroep in de regel wordt verdiend. In het individuele geval kan dit ertoe leiden, dat voor een uitkeringsgerechtigde met een BWOO-uitkering minder snel laag betaalde arbeid als passend kan worden aangemerkt dan tabel 1 aangeeft. De praktische betekenis hiervan dient evenwel niet te worden overschat. De BWOO-uitkering is, in de eerste plaats, een in duur beperkte uitkering.

Verder heeft een deel van de BWOO-gerechtigden een uitkering op (108%) van het minimumloonniveau. In die gevallen waarin de betrokkene een loongerelateerde uitkering of een aanvullende uitkering ontvangt, voorziet de marge van 22% gedurende het eerste half jaar en (doorgaans) 30% gedurende de rest van de uitkering ten opzichte van het oude dagloon in aanzienlijke mogelijkheden om zo nodig arbeid op lagere niveaus als passend te beschouwen. Verder dient zowel in het eerste half jaar als de periode daarna de beloning overeenkomstig de geldende CAO te zijn, of overeenkomstig het voor werknemers als betrokkene gebruikelijke loon doch tenminste overeenkomstig het voor hem geldende wettelijk minimumloon.

Met kabinetsmaatregelen gefinancierde reguliere tijdelijke banen en nieuwe banen met inzet van uitkeringsgeld ten behoeve van langdurig werklozen zijn indien het verdiende loon niet lager is dan het wettelijk minimum als passend te beschouwen, met inachtneming van de hoofdregel.

N.B.

Binnen de onderwijssector geldt als uitzondering op het bovenstaande dat een leraar met een functie op schaal 12 ook verplicht is een leraarsfunctie op schaal 10 te aanvaarden. Deze verplichting geldt ook gedurende het eerste half jaar van zijn werkloosheid.

3.3. Reisduur en reiskosten [Vervallen per 01-01-2014]

Jurisprudentie

In het algemeen is het weigeren van passende arbeid in verband met te maken reisuren slechts aanvaardbaar bij particuliere overwegingen die zo ernstig zijn, dat aanvaarding van de arbeid redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Een reisduur van ten hoogste 2 uur per dag wordt bij een korte werkloosheidsduur en ongeacht de afstand in kilometers redelijk geacht. In geval van een hoog werkloosheidsrisico of naarmate de werkloosheid voortduurt, dienen ook ten aanzien van de reisduur concessies te worden gedaan. Voor werknemers van wie het beroep een grote mate van mobiliteit vergt, kan afstand in het algemeen geen belemmerende factor zijn. Hoe langer de reisduur, hoe meer ook het aspect van de kosten een rol kan gaan spelen bij de beoordeling. Zeer hoge (niet vergoede) kosten kunnen aanleiding zijn een aanbod te weigeren indien een dergelijke vergoeding in de bedrijfstak wel gebruikelijk is.

Na een langere periode van werkloosheid mag een aanbod van passende arbeid niet worden geweigerd op basis van het feit dat men zou moeten verhuizen, tenzij zwaarwegende (meestal strikt in de persoonlijke sfeer gelegen) argumenten zich hiertegen verzetten.

Richtlijn

Als algemene regel dient te worden aangehouden, dat tijdens het eerste half jaar van de werkloosheid een werkaanbod gerelateerd aan de reisduur passend is, voor zover de reistijd niet meer bedraagt dan rond de twee uur per dag, tenzij in het oude beroep langere reistijden voor betrokkene gebruikelijk waren. Na het eerste half jaar kunnen langere reistijden met een maximum van rond de drie uur per dag (tenzij voorheen een langere reistijd gebruikelijk was) in beginsel geen belemmering vormen voor het aanvaarden van een werkaanbod. Bij het vaststellen van de reisduur wordt uitgegaan van gebruikmaking van het openbaar vervoer. Indien een uitkeringsgerechtigde in zijn vorige betrekking(en) altijd gebruik heeft gemaakt van de auto kan het criterium reisafstand worden toegepast op de auto. Voor de vaststelling van de reisduur worden geen andere vormen van vervoer dan de hierboven genoemde toegepast.

Bij voortdurende werkloosheid is het feit dat voor het aanvaarden van een baan zou moeten worden verhuisd als zodanig geen argument om een baan als niet passend te beschouwen. Een aspect waar wel rekening mee wordt gehouden, is de omvang van de te aanvaarden betrekking en het aantal dagen waarop betrokkene moet reizen. Een betrekking van 5 uur, maar verdeeld over 5 dagen, wordt minder snel als passend aangemerkt dan een betrekking van 5 uur voor één dag. Er moet dus een reële afweging plaatsvinden tussen de omvang van de betrekking, reistijd, vergoeding van de reiskosten en de duur van de werkloosheid. Naarmate de werkloosheid langer duurt zal het zwaartepunt meer op deze afweging komen te liggen. Een en ander moet verder per situatie worden beoordeeld.

4. Subjectieve factoren [Vervallen per 01-01-2014]

Bij de subjectieve factoren weegt het werkloosheidsrisico zwaar. Men heeft immers de kans op een baan maar ziet hiervan af vanwege eigen voorkeuren of persoonlijke omstandigheden. Uit de jurisprudentie zijn de volgende concrete lijnen af te leiden aan de hand waarvan wordt beoordeeld of de belangen van de uitkeringsgerechtigde van een zodanig gewicht zijn dat zij prevaleren.

4.1. Voorkeur voor de oude werkgever of een andere werkgever [Vervallen per 01-01-2014]

Een langdurig dienstverband van enige jaren kan een omstandigheid zijn, die het ook na een werkloosheidsduur van enkele maanden aanvaardbaar maakt, dat de werknemer van zijn voorkeur voor terugkeer bij zijn oude werkgever blijk geeft. Voor acceptatie van deze voorkeur geldt als voorwaarde dat er een redelijke mate van zekerheid bestaat dat de betrokkene binnen korte tijd, dat wil zeggen enkele weken, bij zijn vorige werkgever geplaatst kan worden. Hoe langer de duur van de werkloosheid, hoe minder die voorkeur wordt aanvaard. Ook het werkloosheidsrisico, een tijdelijke of een vaste baan kan een factor zijn die meeweegt in de beslissing of de voorkeur voor de oude werkgever rechtvaardig is. Hoewel erkend wordt dat in bepaalde situaties de voorkeur van de uitkeringsgerechtigde een rol kan spelen, prevaleert in belangrijke mate het opheffen van de werkloosheid. Dit betekent dat het accepteren van de eigen voorkeur in principe alleen kan indien dit geen (financieel) nadeel tot gevolg heeft voor de onderwijssector. In de onderwijswetgeving is overigens bepaald dat de ex-werkgever een belangrijke taak heeft in het oplossen van de werkloosheid van de uitkeringsgerechtigde. In deze wetgeving is opgenomen dat het bestuur bij voorrang een betrekking moet aanbieden aan een ex-werknemer met recht op uitkering. In die zin wordt beoogd de uitkeringsgerechtigde in eerste instantie weer te plaatsen bij zijn oude werkgever.

4.2. Strikt persoonlijke factoren [Vervallen per 01-01-2014]

Uit de jurisprudentie blijkt dat particuliere omstandigheden in het algemeen geen voor de toepassing van de werkloosheidsregelingen aanvaardbare grond opleveren om passende arbeid van de hand te wijzen. Dit is slechts anders, als uit de omstandigheden voortvloeiende overwegingen van zo ernstige aard zijn, dat op grond daarvan het van de betrokkene in redelijkheid niet kan worden gevergd om het werk te aanvaarden. Bij de beoordeling wordt enerzijds de ernst en de omvang van de voor betrokkene bij aanvaarding optredende problemen nagegaan en anderzijds de door betrokkene in het leven geroepen omvang van het werkloosheidsrisico door die bezwaren te laten prevaleren. Persoonlijke bezwaren betreffen onder meer: zorg voor de gezinsleden, gewetensbezwaren en gezondheidsbezwaren. In de onderwijssector kan het voorkomen dat een bevoegd gezag op godsdienstige of levensbeschouwelijk grondslag eisen stelt aan zijn werknemers, die gelet op de grondslag en doel van de instelling, nodig zijn voor de vervulling van de functie. Een aangeboden betrekking is dan in beginsel niet passend, indien het aanvaarden van die betrekking in verband met deze godsdienstige of levensbeschouwelijke aspecten, gezien de persoonlijke overtuiging van de betrokkene, in redelijkheid niet van hem kan worden gevergd. De vraag of er een rechtvaardigingsgrond is voor het weigeren van een op zich zelf passende betrekking is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden.

  • ^ [1]

    Onder MBO niveau wordt mede verstaan HAVO/VWO niveau

  • ^ [2]

    Bij een betrekking van meer dan 38 uur (bijvoorbeeld bij overuren) dient men zich ook beschikbaar te stellen voor het aantal (over)uren waarvoor men werkloos is.

  • ^ [3]

    Bij een betrekking van meer dan 38 uur (bijvoorbeeld bij overuren) dient men zich ook beschikbaar te stellen voor het aantal (over)uren waarvoor men werkloos is.