Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Besluit milieusubsidies

Geldend op 04-07-2011


  • Besluit van 8 december 1998, houdende regels ter stroomlijning van de opzet van milieusubsidies (Besluit milieusubsidies)
  • Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

    Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 19 augustus 1998, nr. MJZ 98079022, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

    Gelet op artikel 15.13, eerste en tweede lid, van de Wet milieubeheer;

    De Raad van State gehoord (advies van 9 oktober 1998, nr. W08.98.0402);

    Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 2 december 1998, nr. MJZ 98117988, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

    Hebben goedgevonden en verstaan:

  • Hoofdstuk 1. Definities

  • Artikel 1

    In dit besluit en in een ministeriële regeling krachtens artikel 15.13, eerste, tweede of derde lid, van de Wet milieubeheer, wordt verstaan onder:

    • a. liquiditeitsbehoefte: behoefte van een subsidie-ontvanger aan liquide middelen ten behoeve van het verrichten van de te subsidiëren activiteit, gedurende het tijdvak waarvoor subsidie wordt verleend;

    • b. programma: ministeriële regeling krachtens artikel 15.13, eerste, tweede of derde lid, van de Wet milieubeheer, of onderdeel daarvan;

    • c. Commissie: Commissie van de Europese Gemeenschappen.

  • Artikel 2

    • 1.In dit besluit en in programma's wordt verstaan onder subsidiabele kosten: kosten die voor subsidiëring in aanmerking komen krachtens het betrokken programma dan wel, indien subsidie wordt verstrekt zonder programma, krachtens de beschikking tot subsidieverlening onderscheidenlijk de beschikking tot subsidievaststelling.

    • 2.Bij de bepaling van de subsidiabele kosten wordt een winstopslag ten behoeve van de subsidie-ontvanger buiten beschouwing gelaten.

  • Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen

  • Artikel 3

    • 1.Op elke subsidie verstrekt krachtens een programma onderscheidenlijk het tweede lid zijn de artikelen 5 tot en met 15 van toepassing.

    • 2.Onze Minister kan voor activiteiten op het gebied van het milieubeheer in incidentele gevallen ook subsidie verstrekken zonder programma. Van deze bevoegdheid wordt geen mandaat verleend.

    • 3.Terzake van een subsidie als bedoeld in het tweede lid, wordt in artikel 6, eerste lid, aanhef, in plaats van «programma» gelezen «beschikking tot subsidieverlening» en wordt in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, in plaats van «het programma» gelezen: de beschikking tot subsidieverlening.

  • Artikel 4

    Indien Onze Minister subsidie verstrekt op aanvraag van een staat of een volkenrechtelijke organisatie, is dit besluit van toepassing, met uitzondering van de artikelen 10, 11, tweede lid, 12, zesde lid, 13 en 14.

  • Hoofdstuk 3. Programma's en subsidieplafond

  • Artikel 5

    • 1.In een programma worden tenminste opgenomen het doel van de subsidieverstrekking, een aanduiding van de in aanmerking komende subsidie-ontvangers en van de subsidiabele kosten, en indien van toepassing: het subsidieplafond, het maximale subsidiepercentage, en het maximale subsidiebedrag.

    • 2.Indien voor een programma een subsidieplafond als bedoeld in artikel 15.13, derde lid, van de Wet milieubeheer, wordt vastgesteld, wordt in dat programma in verband met de besluitvorming over de aanvraag, bedoeld in artikel 15.13, tweede lid, onderdeel d, van de Wet milieubeheer, bepaald of bij de subsidieverlening:

      • a. wordt beslist in de volgorde van de ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld voor die beslissing als datum van ontvangst van de aanvraag geldt, of

      • b. aanvragen met betrekking tot soortgelijke activiteiten gelijktijdig worden beoordeeld op basis van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van het programma.

  • Artikel 6

    • 1.Tenzij een programma anders bepaalt, wordt de hoogte van de subsidie bepaald met inachtneming van:

      • a. de aanvraag;

      • b. de mate waarin de aanvrager een eigen belang heeft bij de resultaten van de activiteit, en

      • c. de mate waarin de activiteit bijdraagt aan de doelstellingen opgenomen in het programma.

    • 2.Bij de bepaling van de hoogte van de subsidie wordt voorts rekening gehouden met subsidies die uit anderen hoofde vanwege het Rijk of de Commissie worden of zijn aangevraagd dan wel zijn verstrekt.

  • Artikel 7

    Indien het subsidieplafond van een programma is bereikt, waarvoor de in artikel 5, tweede lid, onderdeel a, bedoelde wijze van verdeling geldt, deelt Onze Minister dit onverwijld in de Staatscourant mee.

  • Hoofdstuk 4. Notificaties aan de Commissie

  • Artikel 8

    • 1.Voor zover voor een programma of een subsidie goedkeuring van de Commissie is vereist op grond van artikel 88, derde lid, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, wordt het programma niet vastgesteld, onderscheidenlijk de beschikking tot subsidieverlening niet gegeven, voordat die goedkeuring is verkregen of geacht moet worden te zijn verkregen.

    • 2.Onze Minister doet in de Staatscourant mededeling van het verlenen van de goedkeuring van de Commissie. Indien de Commissie voorschriften aan de goedkeuring verbindt, neemt Onze Minister deze in het programma op, onderscheidenlijk verbindt hij deze als verplichtingen aan de beschikking tot subsidieverlening, voor zover zij zich daartoe lenen.

    • 3.Onze Minister draagt er zorg voor dat het programma, onderscheidenlijk een subsidie, in overeenstemming is met de regelgeving van de Europese Unie, de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen en het beleid van de Commissie terzake van de verlening van staatssteun.

  • Artikel 9

    Onze Minister dient bij de Commissie na afloop van ieder kalenderjaar een verslag in over de uitvoering in dat jaar van ieder goedgekeurd programma en iedere goedgekeurde subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid.

  • Hoofdstuk 5. Verplichtingen van de subsidie-ontvanger

  • Artikel 10

    De subsidie-ontvanger is verplicht:

    • a. de activiteit uit te voeren overeenkomstig de omschrijving van die activiteit in de beschikking tot subsidieverlening, tenzij Onze Minister voorafgaand schriftelijk heeft ingestemd met afwijking daarvan;

    • b. te voldoen aan de verplichtingen die door Onze Minister aan de subsidie zijn verbonden. Daarbij kan Onze Minister slechts verplichtingen opleggen:

    • c. indien hij in verband met de verstrekte subsidie, op zijn beurt subsidie verstrekt aan een derde, de artikelen 2, tweede lid, en 6, tweede lid, toe te passen en daaraan de verplichtingen te verbinden, die zijn bedoeld in artikel 8, tweede lid, tweede volzin, in de onderdelen b, aanhef en onder 2°, en f, alsmede, indien van toepassing, aan Onze Minister een verslag te sturen als bedoeld in artikel 9;

    • d. een administratie te voeren die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze de subsidiabele kosten kunnen worden afgelezen;

    • e. onverwijld nadat een verzoek tot verlening van surséance van betaling aan of faillietverklaring van hem, dan wel een aangifte of vordering daartoe bij de rechtbank is ingediend, daarvan schriftelijk mededeling te doen aan Onze Minister;

    • f. op verzoek van de Onze Minister medewerking te verlenen aan openbaarmaking van de gegevens en de resultaten van de activiteit, met uitzondering van vertrouwelijke bedrijfsgegevens;

    • g. alle gevraagde medewerking te verlenen aan een door Onze Minister terzake van de toepassing en de effecten van dit besluit ingesteld evaluatie-onderzoek, waarbij Onze Minister die medewerking slechts kan verlangen voor zover hij daaraan redelijkerwijs behoefte heeft, en

    • h. indien de activiteit geheel is uitgevoerd, niet voor een bepaalde tijd is uitgevoerd, niet zal worden uitgevoerd dan wel is stopgezet, daar Onze Minister onmiddellijk van in kennis te stellen.

  • Hoofdstuk 6. Het procedureverloop en voorschotten

  • Artikel 11

    • 1.Subsidie wordt slechts op aanvraag verstrekt.

    • 2.Bij de aanvraag tot subsidieverlening worden tenminste de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

      • a. een overzicht van de activiteit waarvoor subsidie wordt gevraagd;

      • b. een stuk waarin wordt toegelicht dat aan de doelstellingen van het betrokken programma kan worden voldaan en de activiteit derhalve voor subsidiëring in aanmerking komt;

      • c. een gespecificeerde begroting, waaruit tenminste blijkt:

        • 1°. dat de kosten waarvoor subsidie wordt gevraagd geen winstopslag ten behoeve van de subsidie-ontvanger bevatten;

        • 2°. voor welke activiteit en welke kosten uit anderen hoofde dan het betrokken programma subsidie vanwege het Rijk of de Commissie wordt of is aangevraagd, dan wel is verstrekt;

        • 3°. hoe hoog de totale kosten van de te subsidiëren activiteit zijn;

      • d. een tijdplanning van de activiteit;

      • e. indien voorschotten worden aangevraagd aan de hand van de individuele liquiditeitsbehoefte, bedoeld in artikel 12, derde lid: de liquiditeitsbehoefte gedurende het tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd, zo mogelijk weergegeven per tijdvak van drie maanden;

      • f. het bankrekeningnummer waarop het subsidiebedrag dient te worden gestort;

      • g. indien van toepassing: het inschrijfnummer van de aanvrager bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken, en

      • h. indien de aanvraag wordt ingediend als met de betrokken activiteit reeds is begonnen, tevens:

        • 1°. een weergave van de stand van zaken tot dusverre, en

        • 2°. een toelichting op de reden waarom de aanvraag niet voor het begin van de activiteit is ingediend.

    • 3.Onze Minister bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk.

    • 4.Aanvragen die betrekking hebben op dezelfde activiteit, worden bij de toepassing van dit besluit als één aanvraag aangemerkt.

  • Artikel 12

    • 1. Verlening van een voorschot op een verleende subsidie geschiedt op aanvraag per tijdvak van drie maanden. Zonodig worden bij de aanvraag, bedoeld in de eerste volzin, de in artikel 11, tweede lid, onderdeel e, bedoelde gegevens verstrekt. De aanvraag behoeft slechts éénmaal te worden ingediend ten behoeve van het gehele tijdvak waarvoor subsidie wordt gevraagd.

    • 2. Onverminderd het zesde lid, wordt de hoogte van het voorschot bepaald door het subsidiebedrag te delen door het aantal gehele maanden waaruit het tijdvak bestaat waarvoor de subsidie wordt verleend, en het resulterende bedrag met drie te vermenigvuldigen.

    • 3. In afwijking van het tweede lid wordt, onverminderd het bepaalde in het zesde lid, de hoogte en de spreiding van de voorschotten per tijdvak bepaald aan de hand van de individuele liquiditeitsbehoefte die blijkt uit de ingevolge artikel 11, tweede lid, onderdeel e, bij de aanvraag verstrekte gegevens of uit een raming als bedoeld in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, onder 2°. Onze Minister kan zonodig ambtshalve de hoogte en de spreiding van de voorschotten per tijdvak bepalen.

    • 4. Indien uit de rapportage, bedoeld in artikel 13, eerste lid, blijkt dat de gemaakte kosten tenminste 10 procent afwijken van de verleende voorschotten, kunnen de wijze van bevoorschotting en de hoogte van de voorschotten ambtshalve of op aanvraag worden aangepast.

    • 5. De voorschotverlening wordt opgeschort zolang de rapportage, bedoeld in artikel 13, eerste lid, in strijd met dat artikel niet is ontvangen.

    • 6. Voorschotten worden steeds uitbetaald voor 100 procent per tijdvak als bedoeld in het eerste of derde lid, totdat zij tezamen ten hoogste bedragen:

      • a. 80 procent van de verleende subsidie, ingeval de subsidie-ontvanger een onderneming drijft, en

      • b. 95 procent van de verleende subsidie, ingeval de subsidie-ontvanger geen onderneming drijft.

    • 7. In het zesde lid wordt verstaan onder onderneming: onderneming als bedoeld in de Wet op de omzetbelasting 1968.

  • Artikel 13

    • 1.Zolang geen aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 14, eerste lid, is ingediend, dient de subsidie-ontvanger tenminste één maal per jaar doch uiterlijk op een door Onze Minister te bepalen tijdstip, in:

      • a. een geactualiseerd overzicht van de activiteit waarvoor subsidie is verleend;

      • b. een weergave van de stand van zaken tot dusverre, met inbegrip van de gemaakte kosten en de besteding van de verleende voorschotten;

      • c. indien de gemaakte kosten naar verwachting 10 procent of meer afwijken van de begrotingspost: een toelichting daarop, en

      • d. voor zover nog voorschotten worden verleend:

        • 1°. een bijgestelde tijdplanning, of

        • 2°. een raming van de liquiditeitsbehoefte gedurende het komende jaar.

    • 2.De indeling en de mate van detaillering van de te verstrekken gegevens, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, b en c, moeten in overeenstemming zijn met de aanvraag op basis waarvan subsidie is verleend.

  • Artikel 14

    • 1.Tenzij de activiteit niet is uitgevoerd, wordt de aanvraag tot subsidievaststelling ingediend binnen de navolgende termijn na afloop van de activiteit of het tijdvak waarvoor subsidie is verleend:

      • a. tien maanden, ingeval de subsidie-ontvanger een rechtspersoon is, die krachtens publiekrecht is ingesteld;

      • b. zes maanden, in andere gevallen dan bedoeld in onderdeel a.

    • 2.De subsidie-ontvanger voegt bij de aanvraag tot subsidievaststelling:

      • a. een verslag omtrent het verloop, de uitvoering en de resultaten van de activiteit, waaruit blijkt dat hij aan de verplichtingen heeft voldaan;

      • b. een financiële verantwoording;

      • c. indien de gemaakte kosten 10 procent of meer afwijken van de begrotingspost: een toelichting daarop, en

      • d. indien de subsidie € 50 000 of meer bedraagt: een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

    • 3.Indien een beschikking tot subsidieverlening is gegeven, geldt voor de financiële verantwoording, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, dat de indeling en mate van detaillering in overeenstemming moeten zijn met de begroting op basis waarvan subsidie is verleend.

    • 4.Indien geen beschikking tot subsidieverlening is gegeven, is artikel 11, tweede lid, onderdelen b, f en g, van toepassing op de aanvraag van de beschikking tot subsidievaststelling, onverminderd het tweede lid.

    • 5.Het tweede lid, onderdelen b, c en d, is niet van toepassing op een subsidie waarbij het niet van belang is of de subsidiabele kosten met inachtneming waarvan de hoogte van de subsidie is verleend, ook daadwerkelijk zijn gerealiseerd.

    • 6.Indien de activiteit niet is uitgevoerd, kan op aanvraag of ambtshalve een beschikking tot subsidievaststelling worden gegeven. Op een dergelijke aanvraag zijn het tweede en derde lid niet van toepassing.

    • 7.Onze Minister bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk.

  • Artikel 14a

    Indien de subsidie-ontvanger een gemeente, een provincie of een regionaal openbaar lichaam op grond van artikel 104 van de Wet gemeenschappelijke regelingen is, zijn de artikelen 10, 13 en 14 niet van toepassing.

  • Artikel 15

    • 1.Op een aanvraag tot subsidieverlening en op een aanvraag tot verlening van een voorschot beslist Onze Minister:

      • a. binnen vier maanden na ontvangst van die aanvraag, indien op de beoordeling van de aanvraag een systeem van toepassing is als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel a;

      • b. binnen vier maanden na de sluitingsdatum voor de indiening van de aanvraag, indien op de beoordeling van de aanvraag een systeem van toepassing is als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel b.

    • 2.Op een aanvraag tot subsidievaststelling beslist Onze Minister binnen vier maanden na ontvangst van die aanvraag.

    • 3.Indien de activiteit niet is uitgevoerd, beslist Onze Minister binnen vier maanden na:

      • a. de ontvangst van de mededeling van de subsidie-ontvanger dat de activiteit niet is uitgevoerd, of

      • b. de constatering door Onze Minister dat de activiteit niet of niet binnen de daarvoor gestelde termijn is uitgevoerd.

    • 4.Indien een beslissing vanwege de vereiste goedkeuring van de Commissie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, niet kan worden genomen binnen de termijn die is genoemd in het eerste, tweede of derde lid, onderdeel a, stelt Onze Minister de aanvrager daarvan in kennis en noemt daarbij een termijn waarbinnen de beslissing wel tegemoet kan worden gezien.

  • Hoofdstuk 7. Uitzondering en experimenteerbepaling

  • Artikel 16

    • 1.Indien de subsidie strekt tot aanschaf van bepaalde, in een programma aangewezen objecten, of tot opdrachtverlening tot het verrichten van, bepaalde, in een programma aangewezen diensten, zijn de artikelen 10, onderdelen d, e, f, g en h, 11, tweede lid, 12, 13, 14, tweede tot en met vijfde lid, niet van toepassing.

    • 2.In een geval als bedoeld in het eerste lid:

      • a. wordt het voorschot bij de beschikking tot subsidieverlening vastgesteld op het bedrag dat op grond van artikel 12, zesde lid, ten hoogste kan worden uitbetaald, en

      • b. worden bij de aanvraag tot subsidievaststelling een aankoopfactuur en een betalingsbewijs gevoegd.

  • Artikel 17

    • 1.Onze Minister kan in een programma of in een beschikking op grond van artikel 3, tweede lid, experimenten aanwijzen en daarbij afwijken van de artikelen 10 tot en met 15. Elk experiment geldt voor een tevoren door Onze Minister vast te stellen periode.

    • 2.Onze Minister kan ook na afsluiting van een experiment blijven afwijken van de in het eerste lid genoemde artikelen, voor zover het subsidie-ontvangers betreft, die tijdens de duur van het experiment subsidie ontvingen met toepassing van het eerste lid en zolang een door hem noodzakelijk geoordeelde wijziging van dit besluit nog niet van kracht is geworden en in werking is getreden.

    • 3.Binnen een jaar na afsluiting van het experiment beslist Onze Minister of een wijziging van dit besluit naar zijn oordeel noodzakelijk is.

  • Hoofdstuk 8. Overgangs- en slotbepalingen

  • Artikel 18

    • 1.Ingetrokken worden:

    • 2.De besluiten, bedoeld in het eerste lid, onder a tot en met c, zoals ze luidden voor het tijdstip waarop dit besluit in werking is getreden, blijven van toepassing op subsidies die voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn aangevraagd op grond van een dergelijk besluit. De artikelen en bijlagen, genoemd in het eerste lid, onder d, zoals deze laatstelijk luidden voor het tijdstip waarop ze worden ingetrokken, blijven van toepassing op subsidies die voor dat tijdstip zijn aangevraagd op grond van één van die artikelen.

    • 3.Het Programma Hergebruik Afvalstoffen 1998 (PH'98), onderdeel van de regeling van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 6 maart 1998, nr. DGM/SP 98022985, houdende vaststelling voor 1998 van programma‘s en subsidieplafonds Subsidiebesluit milieugerichte technologie (Stcrt. 1998, nr. 50), zoals nadien gewijzigd, wordt aangemerkt als een programma in de zin van dit besluit. In afwijking van het eerste lid, aanhef en onderdeel c, wordt het Subsidiebesluit milieugerichte technologie gehandhaafd ten behoeve van de toepassing van het Programma, bedoeld in de eerste volzin.

    • 4.Dit besluit is niet van toepassing op subsidies verstrekt krachtens de Subsidieregeling niet-industriële restwarmte-infrastructuur.

  • Artikel 19

    • 1.Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 januari 1999.

    • 2.Indien het Staatsblad waarin dit besluit wordt geplaatst wordt uitgegeven op of na 4 december 1998, treedt het besluit in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sedert de dag van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst, en werkt het terug tot en met 1 januari 1999.

  • Artikel 20

    Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit milieusubsidies.

  • Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

    's-Gravenhage, 8 december 1998

    Beatrix

    De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

    J. P. Pronk

    Uitgegeven de negenentwintigste december 1998

    De Minister van Justitie,

    A. H. Korthals