Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Subsidieregeling zeldzame landbouwhuisdierrassen[Regeling vervallen per 01-04-2007.]

Geldend van 15-09-2005 t/m 31-03-2007

Subsidieregeling zeldzame landbouwhuisdierrassen

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Gelet op artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van Verordening (EEG) nr. 2078/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 30 juni 1992 en Verordening (EG) nr. 746/96 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 april 1996;

Gelet op de artikelen 15 en 19 van de Landbouwwet en artikel 2 van de Kaderwet LNV-subsidies;

Gezien de goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 24 november 1997, nr. C(97)3096;

Besluit:

Artikel 1 [Vervallen per 01-04-2007]

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. de minister:

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

b. landbouwbedrijf:

geheel van productie-eenheden in Nederland, bestaande uit één of meer gebouwen of gedeelten daarvan en daarbij behorende cultuurgrond, uitsluitend of ondermeer dienende tot uitoefening van de landbouw;

c. rechtspersoon:

rechtspersoon, anders dan een publiekrechtelijke rechtspersoon;

d. zeldzame landbouwhuisdieren:

runderen, paarden of schapen, die blijkens een registratie door een ingevolge artikel 3 van het Fokkerijbesluit erkende organisatie voor ten minste de in bijlage I bij deze regeling genoemde bloedvoeringspercentages behoren tot een ras dat is opgenomen in bijlage I;

e. Dienst Regelingen:

Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

f. GVE:

grootvee-eenheid als bedoeld in bijlage II bij deze regeling.

g. mutatie:

iedere, voor het bedrijfsregister relevante, wijziging ten aanzien van het zeldzame landbouwhuisdier waarvoor subsidie is aangevraagd, daaronder begrepen aanvoer, afvoer, geboorte en dood;

h. bedrijfsregister:

een door Dienst Regelingen voorgeschreven register van de gehouden zeldzame landbouwhuisdieren waarvoor subsidie is of wordt aangevraagd, gespecificeerd naar registratienummer aan of in het dier of bij paarden naar hippisch registratiebewijs met bijbehorende schets, soort, ras, geslacht, leeftijd en aantal, waarin tevens iedere mutatie ten aanzien van een zeldzaam landbouwhuisdier waarvoor subsidie is aangevraagd wordt vermeld;

i. voederareaal:

oppervlakte in gebruik door het landbouwbedrijf ten behoeve van het voederen van de zeldzame landbouwhuisdieren, waarvoor subsidie is aangevraagd of verleend;

j. bedrijfsadministratie:

geheel aan gegevens omtrent mutaties, koop, verkoop, destructie, keuring en andere relevante bescheiden ten aanzien van de gehouden zeldzame landbouwhuisdieren waarvoor subsidie is aangevraagd evenals alle bescheiden ten aanzien van het voederareaal;

k. goede landbouwpraktijken:

de geldende nationale en Europese minimumnormen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en hygiëne, hetgeen in ieder geval omvat de geldende normen bij of krachtens de Wet milieubeheer, de Wet verontreiniging oppervlaktewater, de Meststoffenwet, de Wet bodembescherming, de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de Diergeneesmiddelenwet en de Plantenziektenwet;

l. veebezettingsgetal:

getal dat de verhouding weergeeft tussen het aantal GVE aan gehouden en gesubsideerde zeldzame landbouwhuisdieren en het voederareaal van het bedrijf dat voor de voedering van deze zeldzame landbouwhuisdieren wordt gebruikt.

Artikel 2 [Vervallen per 01-04-2007]

De minister kan met inachtneming van de volgende bepalingen op aanvraag een subsidie verstrekken ter zake van het houden van zeldzame landbouwhuisdieren.

Artikel 3 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1

Een subsidie kan worden verstrekt aan natuurlijke personen of rechtspersonen die blijkens hun statuten ten doel hebben een landbouwbedrijf te exploiteren, indien:

  • a. zij blijkens de gegevens van het Bedrijfs Registratie Systeem van Dienst Regelingen op het moment van de aanvraag van een beschikking tot subsidieverlening voor eigen rekening en risico een landbouwbedrijf exploiteren;

  • b. zij voor eigen rekening en risico op hun landbouwbedrijf een tenminste met 1 GVE overeenkomend aantal zeldzame landbouwhuisdieren houden.

  • 2

Een subsidie kan tevens worden verstrekt aan natuurlijke personen, met uitzondering van de natuurlijke personen, bedoeld in het eerste lid, of rechtspersonen die blijkens hun statuten ten doel hebben zeldzame landbouwhuisdierrassen, natuurlijke landschappen of het milieu in stand te houden, en voor eigen rekening en risico een tenminste met 1 GVE overeenkomend aantal zeldzame landbouwhuisdieren houden.

  • 3

Indien de aanvraag tot subsidieverlening betrekking heeft op de subsidie als bedoeld in het eerste lid, wordt een veebezettingsgetal van maximaal 2,5 GVE per hectare per jaar door de aanvrager in acht genomen voor de zeldzame landbouwhuisdieren waarvoor subsidie is verleend.

  • 4

Geen subsidie wordt verstrekt indien op het moment van de aanvraag van tot subsidieverlening:

  • a. reeds een subsidie aan de aanvrager is verleend op grond van deze regeling, of

  • b. reeds voor hetzelfde of een vergelijkbaar doel vanwege de staat, een ander overheidsorgaan of de Europese Gemeenschap aan de aanvrager een subsidie is verleend.

  • 5

Indien de fysieke, juridische of financiële structuur van een bedrijf na inwerkingtreding van de regeling tot wijziging van deze regeling is of wordt gewijzigd hoofdzakelijk met het doel de verplichtingen, het maximumsubsidiebedrag of het bepaalde in het vierde lid, van de Subsidieregeling zeldzame landbouwhuisdieren zoals gewijzigd te ontgaan, wordt deze wijziging buiten beschouwing gelaten voor de toepassing van de regeling.

Artikel 4 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 De minister stelt ieder kalenderjaar een subsidieplafond vast ten behoeve van subsidieverlening op grond van deze regeling.

  • 2 Aanvragen worden behandeld in volgorde van binnenkomst, waarbij bepalend is het tijdstip dat een aanvraag is ontvangen met het ingevulde formulier, genoemd in artikel 5, eerste lid, en de kopie van het bedrijfsregister, genoemd in artikel 5, tweede lid, onderdeel c, en indien toepasselijk een kopie van de statuten van de rechtspersoon.

  • 3

Indien bij de verdeling overeenkomstig het tweede lid en door toewijzing van de aanvragen tot subsidieverlening met dezelfde datum van ontvangst het subsidieplafond zou worden overschreden, geschiedt de rangschikking door middel van een loting verricht door een notaris van de op dezelfde dag ontvangen aanvragen. De loting geschiedt door een door de minister of Dienst Regelingen aan te wijzen notaris.

Artikel 5 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 De minister stelt jaarlijks een of meer aanvraagperioden vast, in welke perioden aanvragen tot subsidieverlening kunnen worden ingediend bij Dienst Regelingen door gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier. Per aanvraagperiode kan door dezelfde natuurlijke of rechtspersoon slechts één aanvraag worden ingediend. Het besluit tot openstelling van een aanvraagperiode wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

  • 2 De aanvraag tot subsidieverlening bevat:

    • a. een opgave van het aantal zeldzame landbouwhuisdieren gespecificeerd naar:

      registratienummer aan of in het dier, soort, ras, geslacht, leeftijd en aantal, dat door de aanvrager op de datum van indiening van de aanvraag wordt gehouden en waarvoor om subsidieverlening wordt verzocht,

    • b. een door Dienst Regelingen voorgeschreven schriftelijke en gewaarmerkte bevestiging door een erkende organisatie als bedoeld in het Fokkerijbesluit van de inschrijving in het stamboek van de, in de opgave van onderdeel a, genoemde dieren, en het voldoen van deze ingeschreven dieren aan de in bijlage 1 van deze regeling genoemde bloedvoeringspercentages,

    • c. een kopie van het bedrijfsregister dat betrekking heeft op de gehouden zeldzame landbouwhuisdieren waarvoor subsidie wordt aangevraagd,

    • d. een verklaring van de aanvrager dat de in de opgave vermelde dieren voldoen aan de in bijlage 1 van deze regeling genoemde minimum bloedvoeringspercentages,

    • e. indien toepasselijk: een verklaring van de aanvrager dat het landbouwbedrijf voldoet aan de goede landbouwpraktijken,

    • f. een verklaring van de aanvrager dat aan hem geen subsidie is verleend voor hetzelfde doel of een vergelijkbaar doel op grond van deze regeling of vanwege de staat, een ander overheidsorgaan of de Europese Gemeenschap,

    • g. indien toepasselijk: een opgave van het voederareaal,

    • h. indien toepasselijk: een afschrift van de statuten van de rechtspersoon, en

    • i. indien toepasselijk: afschriften van de hippische registratiebewijzen en bijbehorende schetsen.

  • 3 Indien de aanvraag volledig is of na een daartoe strekkend verzoek als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht is aangevuld, zendt Dienst Regelingen de aanvrager een bevestiging van ontvangst van de aanvraag, waarbij wordt aangegeven op welke datum de aanvraag volledig is ontvangen. De minister beslist uiterlijk binnen 12 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening.

  • 4 De minister kan besluiten dat vanaf een door hem te bepalen datum geen aanvragen tot subsidieverlening meer kunnen worden ingediend. Zodanig besluit wordt bekendgemaakt in de Staatscourant.

Artikel 6 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 De minister kan besluiten dat met betrekking tot het houden van een of meer rassen van zeldzame landbouwhuisdieren geen aanvragen tot subsidieverlening meer kunnen worden ingediend indien hem is gebleken dat van deze rassen het aantal volwassen vrouwelijke dieren waarvoor subsidie is aangevraagd of verleend groter is dan:

    • a. 1000 voor rassen van rund en paard,

    • b. 1500 voor schapenrassen.

  • 2 Voor de toepassing van het eerste lid worden als volwassen aangemerkt vrouwelijke runderen en paarden van twee jaar en ouder en vrouwelijke schapen en geiten van 6 maanden en ouder.

  • 3 Van een besluit als bedoeld in het eerste lid geeft de minister kennis in de Staatscourant.

  • 4 Indien ten aanzien van een of meer rassen een besluit als bedoeld in het eerste lid is genomen, wordt voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van aanvragen tot subsidieverlening welke zijn ingediend na de datum van kennisgeving, bedoeld in het tweede lid, geen rekening gehouden met dieren, behorende tot deze rassen.

Artikel 7 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 De beschikking tot subsidieverlening vermeldt per ras het aantal dieren, omgerekend in GVE, waarvoor subsidie wordt verleend, alsmede het jaarlijkse bedrag van de subsidie, berekend overeenkomstig het tweede lid.

  • 2 De subsidie bedraagt € 120,25 per jaar per GVE gehouden zeldzame landbouwhuisdieren tot, indien toepasselijk, een maximumbedrag van € 300,60 per hectare voederareaal op het landbouwbedrijf. De subsidie heeft, met uitzondering van een subsidie uitsluitend voor schapenrassen, betrekking op ten hoogste dertig GVE per aanvrager.

  • 3 De subsidie als bedoeld in het tweede lid, wordt verleend voor een tijdvak van vijf jaren te rekenen vanaf de door de minister bij het besluit als bedoeld in artikel 5, eerste lid, te bepalen datum.

  • 4 De subsidieverlening wordt in ieder geval geweigerd indien:

    • a. de aanvrager door ernstige nalatigheid of opzet een onjuiste aanvraag tot subsidieverlening heeft ingediend, onderscheidenlijk

    • b. het bedrag van de subsidie, berekend overeenkomstig het tweede lid, minder dan € 120,25 per jaar zou bedragen.

Artikel 8 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 De subsidieontvanger is verplicht gedurende een tijdvak van 5 jaar, te rekenen vanaf de door de minister bij het besluit als bedoeld in artikel 5, eerste lid, te bepalen datum:

    • a. per ras het aantal zeldzame landbouwhuisdieren op zijn landbouwbedrijf, omgerekend in GVE, op een niveau te handhaven dat ten minste gelijk is aan het aantal zeldzame landbouwhuisdieren van dat ras, omgerekend in GVE, waarvoor subsidie is verleend,

    • b. een bedrijfsregister en een administratie bij te houden en binnen drie dagen iedere mutatie ten aanzien van een zeldzaam landbouwhuisdier te registreren,

    • c. indien van toepassing: de goede landbouwpraktijken op het gehele landbouwbedrijf in acht te nemen, en

    • d. indien van toepassing: het veebezettingsgetal als bedoeld in artikel 3, derde lid, op het landbouwbedrijf in acht te nemen.

  • 2 De subsidieontvanger is verplicht bij Dienst Regelingen door gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier binnen twee maanden aangifte te doen van een mutatie van het aantal zeldzame landbouwhuisdieren van een bepaald ras dat wordt gehouden, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, onder vermelding van de reden van deze mutatie.

  • 3 Indien de subsidieontvanger bij de aangifte, bedoeld in het tweede lid, aangeeft dat de daling van het aantal op zijn bedrijf gehouden zeldzame landbouwhuisdieren het gevolg is van verkoop, sterfte of noodslachting, heeft deze daling geen gevolgen voor de beschikking tot subsidieverlening onderscheidenlijk de beschikking tot subsidievaststelling, mits:

    • a) het verkochte, gestorven of in nood geslachte zeldzame landbouwhuisdier van het betrokken ras binnen 2 maanden na de datum waarop het dier het bedrijf heeft verlaten is vervangen door een zeldzaam landbouwhuisdier van hetzelfde ras en met dezelfde waarde in GVE,

    • b) de vervanging binnen een termijn van 2 maanden als bedoeld in onderdeel a, door middel van het door Dienst Regelingen voorgeschreven formulier aan Dienst Regelingen is gemeld, en

    • c) het vervangende dier op het moment van vervanging is geregistreerd door een erkende organisatie als bedoeld in artikel 3 van het Fokkerijbesluit en ingeschreven is in het stamboek.

  • 4 Indien de subsidie-ontvanger bij de aangifte, bedoeld in het tweede lid, aantoont dat de daling van het aantal op zijn bedrijf gehouden zeldzame landbouwhuisdieren van een bepaald ras het gevolg is van overmacht heeft deze daling geen gevolgen voor de beschikking tot subsidieverlening. De subsidie-ontvanger is in dat geval verplicht het aantal zeldzame landbouwhuisdieren van het betrokken ras binnen een jaar na de datum van de aangifte weer terug te brengen op het niveau, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

Artikel 9 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 De subsidie-ontvanger dient telkens binnen vier weken nadat een heel jaar van het tijdvak, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, is verstreken, bij Dienst Regelingen een aanvraag tot subsidievaststelling in door gebruikmaking van een daartoe bestemd formulier.

  • 2 De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van een afschrift van het register, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder b, naar de stand van de laatste dag van het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft, alsmede van schriftelijke bescheiden uit de administratie van de subsidie-ontvanger, waaruit blijkt dat de in het register vermelde dieren zijn geregistreerd door een erkende organisatie als bedoeld in artikel 3 van het Fokkerijbesluit.

  • 3 De subsidieontvanger voegt bij de aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in het eerste lid, een verklaring dat de in de opgave vermelde dieren voldoen aan de in bijlage 1 van deze regeling genoemde minimum bloedvoeringspercentages.

Artikel 10 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 Artikel 4:49, eerste lid, onderdeel c, Algemene wet bestuursrecht vindt geen toepassing ten aanzien van de reeds uitbetaalde subsidie indien niet-nakoming van de uit deze regeling voortvloeiende verplichtingen het gevolg is van:

    • a. overlijden van de subsidieontvanger,

    • b. langdurige arbeidsongeschiktheid van de aanvrager,

    • c. overmacht,

    • d. onteigening of gedwongen verkoop in de zin van de Onteigeningswet, voorzover deze onteigening of gedwongen verkoop niet te voorzien was op de dag waarop de aanvraag tot subsidieverlening is ingediend,

    • e. een epizoötie die de gehele veestapel of een deel daarvan heeft getroffen, of

    • f. een uitbraak van een epizoötie waardoor de gehele veestapel of een deel daarvan preventief is gedood ten behoeve van de bestrijding van de uitbraak.

  • 2 Een subsidieontvanger dient het beroep op een van de in het eerste lid bedoelde gevallen bij Dienst Regelingen in binnen een termijn van een maand, te rekenen vanaf het tijdstip waarop dit voor hem mogelijk is. Dit beroep gaat vergezeld van bewijzen.

Artikel 10a [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 De subsidieverlening of -vaststelling wordt overeenkomstig het tweede tot en met vierde lid gewijzigd onderscheidenlijk overeenkomstig het vijfde lid ingetrokken indien op enig moment, behoudens de situatie, bedoeld in artikel 8, derde lid of artikel 10, eerste lid, wordt vastgesteld dat het aantal in de aanvraag tot subsidieverlening of de aanvraag subsidievaststelling aangegeven dieren, omgerekend in GVE, verschilt van het aantal aanwezige dieren, omgerekend in GVE, waarvoor subsidie is verleend.

  • 2 Het subsidiebedrag per dier wordt voor het betrokken verplichtingenjaar verminderd met:

    het percentage dat overeenkomt met het bevonden verschil, indien dit niet hoger is dan 2 dieren.

  • 3 Het subsidiebedrag per dier wordt, indien het bevonden verschil groter is dan 2 dieren, voor het betrokken verplichtingenjaar verminderd met:

    • a. het percentage dat overeenkomt met het bevonden verschil, indien dit verschil niet groter is dan 10%;

    • b. het dubbele van het percentage dat overeenkomt met het bevonden verschil, indien dit hoger is dan 10% doch niet hoger dan 20%;

    • c. 100%, indien het bevonden verschil hoger is dan 20%.

  • 4 Indien de in artikel 9, eerste lid, bedoelde aanvraag tot subsidievaststelling wordt ingediend na de uiterste termijn voor indiening, wordt de subsidie met 1% per werkdag, tot en met een maximum van 25 dagen, lager vastgesteld.

  • 5 Indien de aanvrager door ernstige nalatigheid of opzet een onjuiste aanvraag tot subsidieverlening of -vaststelling heeft ingediend of de aanvraag tot subsidievaststelling langer dan 25 dagen na de uiterste datum heeft ingediend, wordt de subsidieverlening of -vaststelling geweigerd onderscheidenlijk ingetrokken.

Artikel 11 [Vervallen per 01-04-2007]

Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 4:57 van de Algemene wet bestuursrecht of artikel 6 van de Kaderwet LNV-subsidies, betaalt de subsidie-ontvanger onverschuldigd uitgekeerde bedragen op eerste verzoek daartoe terug, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van betaling tot de datum van terugbetaling.

Artikel 12 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 Indien de subsidie-ontvanger voor de afloop van de periode van vijf jaar, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, overlijdt, het gehele landbouwbedrijf verkoopt, verpacht of daarop een gebruiksrecht vestigt, kan zijn bedrijfsopvolger zich er tegenover de minister toe verbinden de verplichtingen van de subsidie-ontvanger voortvloeiende uit deze regeling verder na te komen. De bedrijfsopvolger meldt dit onverwijld schriftelijk aan Dienst Regelingen. Voor de toepassing van deze regeling wordt de bedrijfsopvolger die de in de eerste volzin bedoelde verbintenis aangaat, vanaf het moment dat deze verbintenis is aangegaan aangemerkt als de subsidie-ontvanger.

  • 2 Indien voor de afloop van de periode van vijf jaar, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, de subsidie-ontvanger overlijdt, zonder dat er een bedrijfsopvolger is die de in het eerste lid bedoelde verbintenis aangaat, of het betrokken bedrijf voorwerp is van onteigening of gedwongen verkoop in de zin van de Onteigeningswet, trekt de minister de beschikking tot subsidieverlening in voor het resterende deel van deze periode. Vóór de intrekking van de subsidieverlening gegeven beschikkingen tot subsidievaststelling worden in dit geval niet ingetrokken of gewijzigd op de grond dat niet is voldaan aan de verplichting, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a.

Artikel 13 [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 De Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is belast met het toezicht op de naleving van de in deze regeling gestelde voorschriften.

Artikel 13a [Vervallen per 01-04-2007]

  • 1 De subsidie wordt verleend onder voorbehoud van goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen.

  • 2 De beslissing tot verlening van de subsidie kan worden gewijzigd of ingetrokken indien dit noodzakelijk is in verband met het verkrijgen van de goedkeuring van de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor deze regeling of wegens het uitblijven daarvan.

Artikel 14 [Vervallen per 01-04-2007]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 15 [Vervallen per 01-04-2007]

Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling zeldzame landbouwhuisdierrassen.

Deze regeling zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 6 juli 1998

De

Minister

van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J.J. van Aartsen

Bijlage I [Vervallen per 01-04-2007]

Zeldzame landbouwhuisdierrassen en minimum bloedvoeringspercentages [Vervallen per 01-04-2007]

A. RUNDEREN  

- Fries roodbont

87,5

- Blaarkop

87,5

- Lakenvelder

87,5

- Brandrode Rund

87,5

B. PAARDEN  

- Gelders paard

n.v.t.

- Groninger paard

75

C. [Red: Vervallen.]
D. SCHAPEN  

- Mergellandschaap

n.v.t

- Kempisch heideschaap

n.v.t.

- Veluws heideschaap

n.v.t.

- Schoonebeker

n.v.t.

- Drents heideschaap

n.v.t.

Bijlage II [Vervallen per 01-04-2007]

Tabel voor de omrekening van runderen, paardachtigen, schapen en geiten in grootvee-eenheden (gve) [Vervallen per 01-04-2007]

stieren, koeien en andere

runderen van meer dan

2 jaar, paardachtigen van

meer dan 6 maanden

1,0 GVE

runderen van 6 maanden

tot 2 jaar

0,6 GVE

Schapen

0,15 GVE

Geiten

0,15 GVE