Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Promit-regeling 1998

Geldend van 21-06-1998 t/m heden

Regeling stimuliering multimodaal en intermodaal transport 1998

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op de artikelen 3 en 4 van de Kaderwet subsidies Verkeer en Waterstaat;

Besluit:

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. De Minister:

De Minister van Verkeer en Waterstaat;

b. programmabeheerder:

de organisatie die krachtens mandaat met de uitvoering van deze regeling is belast;

c. haalbaarheidsproject:

een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit een analyse en een beoordeling van de mogelijkheden om een logistiek systeem of een verkeers- of vervoerstechniek te ontwikkelen of in de praktijk toe te passen;

d. onderzoeks- of ontwikkelingsproject: een samenhangend geheel van activiteiten, gericht op:
  • 1) het vergroten van het technisch of wetenschappelijk inzicht omtrent een logistiek systeem of een verkeers- of vervoerstechniek, of

  • 2) het ontwikkelen of geschikt maken van een logistiek systeem of een verkeers- of vervoerstechniek voor toepassing in de praktijk, of

  • 3) het verbeteren van een ontwerp van logistiek systeem of een verkeers- of vervoerstechniek;

e. praktijkexperiment:

een samenhangend geheel van activiteiten, bestaande uit het treffen van technische of beheersmatige voorzieningen voor zover geheel of nagenoeg geheel bestemd voor het vergroten van het inzicht in de geschiktheid voor toepassing in de praktijk van een logistiek systeem of een verkeers- of vervoerstechniek, alsmede de daarmee samenhangende activiteiten die gericht zijn op het verbeteren van die geschiktheid;

f. demonstratieproject:

een samenhangend geheel van activiteiten die een technisch en economisch risico inhouden, bestaande uit het door de aanvrager toepassen van logistieke problemen of verkeers- of vervoerstech- nieken die voor Nederland nieuw zijn dan wel een nieuwe toepassing betekenen van deze systemen of technieken, alsmede de daarmee samenhangende activiteiten die gericht zijn op het demonstreren van voorzieningen en de daarmee behaalde resultaten, met inbegrip van het verstrekken van gegevens aan de programmabeheer-der ten behoeve van de verspreiding van kennis omtrent de aard en de resultaten van de voorzieningen;

g. kennisoverdrachtproject:

een samenhangend geheel van activiteiten, gericht op het overdragen van kennis en informatie, met name aan bedrijven en organisaties op het gebied van verkeer en vervoer;

h. modal shift:

verandering van vervoersmodaliteit ten gunste van energie- en milieuvriendelijker vervoerswijzen.

Artikel 2

  • 1 De Minister kan aan haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, demonstratie- en kennisoverdracht-projecten subsidie verlenen indien deze:

    • a. behoren tot een van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde categorieën, en

    • b. in aanmerkelijke mate bijdragen aan de bevordering van de modal shift in het goederenvervoer, en

    • c. geheel of gedeeltelijk in Nederland worden uitgevoerd in samenwerking tussen tenminste één van de volgende marktpartijen:

      • -

        in Nederland gevestigde vervoers- en verladersbedrijven;

      • -

        in Nederland gevestigde toeleveranciers aan deze bedrijven;

      • -

        en tenminste één van de volgende onderzoekspartijen:

      • -

        ingenieurs- en adviesbureaus die actief zijn op logistiek gebied;

      • -

        instellingen voor wetenschappelijk onderwijs;

      • -

        instellingen voor wetenschappelijk of toegepast onderzoek.

  • 2 De mate waarin wordt bijgedragen aan de in de eerste lid bedoelde bevordering van de modal shift wordt bepaald aan de hand van de volgende criteria:

    • a. de milieu- en energiewaarde van het project, te beoordelen aan de hand van de mate waarin een vermindering van de uitstoot van CO2 en NOx als gevolg van het project aannemelijk wordt gemaakt;

    • b. de slagingskans van het project, te beoordelen op basis van de volgende elementen:

      • -

        technische haalbaarheid;

      • -

        organisatorische haalbaarheid;

      • -

        economische haalbaarheid;

    • c. de innovatieve waarde van het project, te beoordelen naar de mate waarin sprake is van het toepassen van nieuwe of vernieuwende systemen en technieken dan wel het geven van een nieuwe of vernieuwende toepassing van bestaande systemen en technieken;

    • d. de toepassingsmogelijkheden van de projectresultaten in de markt, te beoordelen naar de mate waarin de projectresultaten naar verwachting kunnen worden toegepast in de markt.

Artikel 3

Een project behoort tot de categorie Nieuwe toetreders tot het spoor indien:

  • a. het betrekking heeft op de ontwikkeling van organisatorische of technische maatregelen die een modal shift ten gunste van het vervoer per spoor bevorderen, en

  • b. bij de opdracht tot uitvoering van het project een onderneming is betrokken die:

    • 1) in het bezit is van een door de Minister van Verkeer en Waterstaat afgegeven erkenning als spoorbedrijf;

    • 2) een aanvraag tot toelating bij Railned b.v. heeft ingediend en de procedure tot toelating op het spoor is gestart, en

    • 3) een businessplan heeft opgesteld met betrekking tot de te ontwikkelen spoorvervoeractiviteiten, inclusief de financiële onderbouwing daarvan.

Artikel 4

Een project behoort tot de categorie Promit algemeen indien het gericht is op de ontwikkeling van technische of organisatorische maatregelen die modal shift bevorderen en niet behoort tot de in artikel 3 bedoelde categorie.

Artikel 5

Het subsidieplafond dat aan het toekennen van subsidies ingevolge deze regeling wordt gesteld, bedraagt:

  • a. voor projecten, behorend tot de in artikel 3 genoemde categorie: f 1,6 miljoen;

  • b. voor projecten, behorend tot de in artikel 4 genoemde categorie: f 1,75 miljoen.

Artikel 6

  • 1 Onverminderd het bepaalde in het tweede, derde, vierde en zevende lid, bedraagt de subsidie:

    • a. voor haalbaarheidsonderzoeken: 75% van de projectkosten;

    • b. voor onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten: 50% van de project- kosten, met dien verstande dat de kosten van een door de rijksoverheid gefinancierde onderwijs- of onderzoeksinstelling 100% gesubsidieerd kunnen worden;

    • c. voor praktijkexperimenten: 25% van de projectkosten;

    • d. voor demonstratieprojecten: 25% van de projectkosten;

    • e. voor kennisoverdachtprojecten: 90% van de projectkosten.

  • 2 De in het eerste lid genoemde percentages voor een onderzoeks- of ontwikkelingsproject, een praktijkexperiment of een demonstratieproject kunnen worden verhoogd met:

    • a. ten hoogste 10% van de projectkosten indien de aanvrager een kleine of middelgrote onderneming is in de zin van de Communautaire kaderregeling inzake overheidssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen van de Commissie van de Europese gemeenschappen van 23 juli 1996 (PbEG C 213);

    • b. ten hoogste 15% van de projectkosten indien het project aansluit bij de specifieke doelstellingen, taken en technische oogmerken van de werk- programma’s Vervoer, Thermie, Industrie- en materiaaltechnologie, Informatietechnologie, Telematica-technologie en Geavanceerde commu-nicatietechnologie en -diensten van het vierde kaderprogramma en volgende voor Onderzoek en technologische ontwikkeling of het SAVE-programma, mits het project gericht is op het uitvoeren van onderzoek dat in verschillende sectoren kan worden toegepast en blijk geeft van een multi- disciplinaire aanpak.

  • 3 Indien sprake is van een combinatie van projecten die betrekking hebben op hetzelfde logistiek systeem of dezelfde verkeers- en vervoerstechniek, dan bedraagt de subsidie ten hoogste het gewogen gemiddelde van de voor de afzonderlijke projecten op grond van het eerste en tweede lid geldende percentages.

  • 4 Tot de projectkosten, bedoeld in het eerste lid, behoren:

    • a. de kosten van personeel dat zich uitsluitend met de uitvoering van het project bezighoudt;

    • b. de kosten van de apparatuur, de uitrusting en de gebouwen die uitsluitend en permanent voor de uitvoering van het project worden gebruikt;

    • c. de kosten van het inwinnen van extern advies en soortgelijke diensten die uitsluitend voor de uitvoering van het project worden gebruikt;

    • d. overige algemene en exploitatiekosten die rechtstreeks uit de projectactiviteiten voortvloeien.

  • 5 De in het vierde lid genoemde kosten worden in aanmerking genomen:

    • a. met inbegrip van verschuldigde omzetbelasting voor zover deze niet kan worden verrekend;

    • b. voor zover zij na 31 december 1997 zijn gemaakt;

    • c. voor zover zij rechtstreeks aan het project zijn toe te rekenen.

  • 6 Indien ten behoeve van het project subsidie is verleend uit anderen hoofde dan deze regeling dan wel daarop aanspraak bestaat, wordt de subsidie die is vastgesteld op grond van de voorgaande leden zodanig verlaagd dat de totale subsidie niet meer bedraagt dan het ingevolge de voorgaande leden voor het desbetreffende project maximaal geldende percentage.

  • 7 De subsidie bedraagt maximaal f 500.000,- per project.

Artikel 7

  • 1 De in artikel 2, eerste lid, sub c genoemde partijen kunnen ter verkrijging van subsidie een aanvraag indienen, waarbij wordt aangegeven op welke van de in de artikelen 3 en 4 genoemde categorieën de aanvraag betrekking heeft.

  • 3 Aanvragen kunnen uitsluitend vanaf de datum van inwerkingtreding van deze regeling tot en met 2 november 1998 worden ingediend bij de programmabeheerder, zijnde:

    NOVEM

    Postbus 8242

    3502 RE Utrecht

    tel. 030 - 2393493

  • 4 Een aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een bij de programmabeheerder verkrijgbaar aanvraagformulier en gaat vergezeld van de in het formulier aangegeven bewijsstukken en gegevens.

Artikel 8

  • 1 De aanvragen worden behandeld in volgorde van ontvangst met dien verstande dat wanneer een aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid wordt gesteld zijn aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvullende gegevens zijn ontvangen geldt als datum van ontvangst.

  • 2 De Minister neemt binnen zes weken na de datum van ontvangst van de aanvraag een beslissing.

  • 3 Indien meer tot dezelfde projectcategorie behorende aanvragen op dezelfde dag zijn ontvangen die betrekking hebben op een totaalbedrag aan subsidie dat hoger is dan het resterende gedeelte van het voor die categorie beschikbare subsidieplafond, dan wordt het resterende gedeelte naar evenredigheid over die aanvragen verdeeld.

  • 4 Behalve de in de Algemene wet bestuursrecht geregelde gevallen wordt de aanvraag ook afgewezen indien:

    • a. hij niet binnen de in artikel 7, derde lid, genoemde periode is ingediend;

    • b. de aanvraag betrekking heeft op een demonstratieproject en het project niet voldoende rendabele toepassingsmogelijkheden voor andere marktpartijen dan de aanvrager zelf biedt;

    • c. de aanvrager niet aannemelijk kan maken dat hem voldoende financiële middelen ter beschikking staan om het project uit te voeren;

    • d. de aanvrager niet beschikt over de voor de uitvoering van het project benodigde vergunningen en ontheffingen en deze niet binnen een door de programmabeheerder gestelde termijn verkregen kunnen worden.

Artikel 9

  • 1 De beschikking tot subsidieverlening vermeldt in elk geval:

    • a. de geschatte projectkosten;

    • b. het subsidiepercentage;

    • c. het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld;

    • d. nadere voorschriften over de declaratie van projectkosten en de uitbetaling van het in het tweede lid bedoelde voorschot.

  • 2 Van het bedrag, bedoeld in het eerste lid onder c, wordt maximaal 80% bij wijze van voorschot op declaratiebasis uitbetaald.

Artikel 10

De subsidie kan worden verleend onder de voorwaarde:

  • a. dat het project binnen een bepaald tijdvak wordt uitgevoerd;

  • b. dat het project in samenwerking met andere subsidie-ontvangers wordt uitgevoerd;

  • c. dat de subsidie-ontvanger zijn medewerking verleend aan een door de programmabeheerder of een door de programmabeheerder aangewezen derde uit te voeren meet- of demonstratie-programma.

Artikel 11

  • 1 De subsidie-ontvanger is verplicht:

    • a. zijn administratie zodanig in te richten dat daarin alle in artikel 6 genoemde projectkosten kunnen worden onderscheiden en gecontroleerd en dat met betrekking tot de loonkosten een door middel van een sluitende tijdschrijving vastgestelde urenverantwoording per werknemer voorhanden is;

    • b. een schriftelijk verslag omtrent het verloop, de uitvoering en de resultaten van het project op te maken;

    • c. de programmabeheerder onverwijld in kennis te stellen van elke wijziging in de uitvoering van het project en van het afzien van de uitvoering van het project;

    • d. zijn medewerking te verlenen aan eventuele onderzoeken naar de effecten van de onderhavige regeling en de doelmatigheid van de subsidie;

    • e. op een daartoe strekkend verzoek van de programmabeheerder zijn medewerking te verlenen aan de openbaarmaking van gegevens betreffende het door hem uitgevoerde project en de resultaten daarvan.

  • 2 Aan de subsidie-ontvanger kunnen nadere verplichtingen worden opgelegd met betrekking tot de inrichting van zijn administratie.

Artikel 12

Behalve de in de Algemene wet bestuursrecht geregelde gevallen kan de subsidie, zolang deze nog niet definitief is vastgesteld, worden ingetrokken indien de subsidie-ontvanger failliet is verklaard, aan hem surseance van betaling is verleend of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend.

Artikel 13

  • 1 Aanvragen tot subsidievaststelling kunnen binnen 13 weken na beëindiging van het project worden ingediend bij de programmabeheerder.

  • 2 De aanvraag vindt plaats door indiening van een bij de programmabeheerder verkrijgbaar aanvraagformulier en gaat in ieder geval vergezeld van:

    • a. het in artikel 11, eerste lid, onder b. bedoelde verslag;

    • b. een financiële verantwoording over de uitvoering van het pro-ject die wordt voorzien van een verklaring van een in artikel 2:393, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde accountant indien het verleende subsidiebedrag f 100.000,- of meer bedraagt, dan wel van een verklaring van een administratief accountant indien het verleende subsidiebedrag lager is.

  • 3 De verklaring van een in artikel 2:393, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde accountant kan ook worden verlangd indien de Minister een redelijk vermoeden heeft dat de subsidie-ontvanger niet heeft voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie zijn verbonden of dat op andere wijze sprake is van het bestaan van onregelmatigheden.

  • 4 De Minister neemt binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling een beslissing op de aanvraag.

  • 5 Indien het definitieve subsidiebedrag hoger is dan hetgeen reeds ingevolge artikel 9, tweede lid, als voorschot is uitbetaald, wordt het restant binnen twee weken na dagtekening van de beschikking tot subsidievaststelling uitbetaald.

Artikel 14

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Den Haag, 15 juni 1998

De

Minister

van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink