Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling havenstaatcontrole[Regeling vervallen per 01-01-2011.]

Geldend van 31-12-2010 t/m 31-12-2010

Regeling, houdende regels voor de aanwijzing van ambtenaren van de Scheepvaartinspectie belast met de uitoefening van havenstaatcontrole, alsmede met betrekking tot de wijze waarop deze ambtenaren hun taak ingevolge de Wet havenstaatcontrole uitoefenen

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op richtlijn nr. 95/21/EG van de Raad van de Europese Unie van 19 juni 1995, betreffende de naleving met betrekking tot schepen die gebruik maken van havens in de Gemeenschap en varen in de onder de jurisdictie van de lid-staten vallende wateren, van internationale normen op het gebied van veiligheid van schepen, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden aan boord (havenstaatcontrole) (PbEG L 157) en de artikelen 5, 29 en 30 van de Wet havenstaatcontrole;

Besluit:

§ 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-01-2011]

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2011]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. wet: de Wet havenstaatcontrole;

  • b. richtlijn nr. 1999/95/EG: richtlijn nr. 1999/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 december 1999 betreffende de handhaving van de bepalingen inzake de arbeidstijd van zeevarenden aan boord van schepen die havens in de Gemeenschap aandoen (PbEG 2000, L 14);

  • c. richtlijn nr. 2008/106/EG: richtlijn nr. 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 19 november 2008 inzake het minimum opleidingsniveau van zeevarenden (PbEU L 323);

  • d. SIRENAC-informatiesysteem: het in het kader van het MOU ontwikkelde gemeenschappelijke elektronische informatiesysteem ten behoeve van de verzameling en de uitwisseling van inspectiegegevens;

  • e. verordening (EG) nr. 782/2003: verordening (EG) nr. 782/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 14 april 2003 houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen (PbEU L 115);

  • f. verordening (EG) nr. 536/2008: verordening (EG) nr. 536/2008 van de Commissie van 13 juni 2008 ter uitvoering van artikel 6, lid 3, en artikel 7 van Verordening (EG) nr. 782/2003 van het Europees Parlement en de Raad houdende een verbod op organische tinverbindingen op schepen en tot wijziging van die verordening (PbEU L 156).

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2011]

De aanwijzing, bedoeld in artikel 1, onder k, van de wet kan plaatsvinden indien de desbetreffende ambtenaar voldoet aan tenminste de eisen van bijlage VII van de richtlijn.

§ 2. Inspectieverplichtingen [Vervallen per 01-01-2011]

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2011]

Het totale aantal inspecties dat de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat jaarlijks verrichten bedraagt ten minste 25% van het gemiddelde jaarlijkse aantal afzonderlijke schepen die de Nederlandse havens hebben aangedaan, berekend op basis van de laatste drie kalenderjaren waarvoor statistieken beschikbaar zijn.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2011]

  • 1 De ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat onderwerpen elk schip met een prioriteitsfactor van meer dan 50 volgens het SIRENAC-informatiesysteem, dat niet aan een uitgebreide inspectie is onderworpen, aan een inspectie op voorwaarde dat een periode van ten minste een maand is verstreken na de laatste inspectie door een andere bij het MOU aangesloten havenstaat.

  • 2 Bij het selecteren van andere schepen voor inspectie bepalen de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat de volgorde als volgt:

    • a. de eerste ter inspectie te selecteren schepen zijn de in bijlage I, deel I, van de richtlijn vermelde schepen, ongeacht hun prioriteitsfactor,

    • b. de in bijlage I, deel II, van de richtlijn vermelde schepen worden geselecteerd in afnemende volgorde, overeenkomstig hun prioriteitsfactor volgens het SIRENAC-informatiesysteem.

  • 3 De door de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat te controleren certificaten en andere documenten, zijn de certificaten en documenten, genoemd in bijlage II van de richtlijn, de documenten genoemd in artikel 4, eerste lid, van richtlijn nr. 1999/95 EG en de certificaten en documenten genoemd in bijlage 4 bij het Internationaal Verdrag inzake de beperking van schadelijk aangroeiwerende verfsystemen op schepen (Trb. 2004, 44).

  • 4 Gegronde redenen voor een nadere inspectie door de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat zijn in elk geval de redenen, genoemd in bijlage III van de richtlijn, alsmede de omstandigheden, genoemd in artikel 4, tweede lid, van richtlijn nr. 1999/95/EG.

  • 5 Bij een inspectie, nadere inspectie of controle volgen de ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat de procedures, bedoeld in bijlage IV van de richtlijn, met dien verstande dat daarbij bijlage 1 van het MOU als richtsnoer wordt gehanteerd, alsmede de procedures, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn nr. 1999/95/EG en in artikel 23 van richtlijn nr. 2008/106/EG.

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2011]

  • 1 Een ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat onderwerpt een schip dat minder dan zes maanden tevoren door een andere bij het MOU aangesloten havenstaat is geïnspecteerd niet aan een inspectie, nadere inspectie of een controle, indien:

    • a. het schip niet behoort tot een van de categorieën van schepen, genoemd in bijlage I van de richtlijn,

    • b. er geen tekortkomingen zijn gemeld na een vorige inspectie, nadere inspectie of controle, en

    • c. er geen gegronde redenen zijn om het schip aan een inspectie, nadere inspectie of controle te onderwerpen.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op een inspectie, nadere inspectie of controle met betrekking tot de operationele voorschriften uit een of meer van de verdragen, alsmede op schepen als bedoeld in artikel 4, eerste lid.

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2011]

  • 1 Een schip in één van de categorieën van bijlage V, deel A, van de richtlijn komt in aanmerking voor een uitgebreide inspectie na een periode van twaalf maanden na de laatste uitgebreide inspectie in een bij het MOU aangesloten havenstaat.

  • 2 Indien een schip als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig artikel 4, tweede lid, ter inspectie wordt geselecteerd, wordt een uitgebreide inspectie verricht. In de periode tussen twee uitgebreide inspecties mag echter wel een inspectie overeenkomstig artikel 3 van de wet worden verricht.

  • 3 Uitgebreide inspecties vinden plaats volgens de procedures in bijlage V, deel C, van de richtlijn.

Artikel 6a [Vervallen per 01-01-2011]

  • 1 De exploitant of de kapitein van een schip als bedoeld in artikel 6, eerste lid, deelt alle in bijlage V, deel B, van de richtlijn vermelde informatie mee aan de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat indien het schip na een periode van twaalf maanden na de laatste uitgebreide inspectie in een bij het MOU aangesloten havenstaat, een Nederlandse haven aandoet. Deze mededeling geschiedt ten minste drie dagen voor de verwachte tijd van aankomst in de haven, of, als de reis naar verwachting minder dan drie dagen in beslag zal nemen, voor het vertrek uit de vorige haven.

  • 2 Indien de exploitant of de kapitein van een schip niet voldoet aan het bepaalde in het eerste lid, wordt het schip aan een uitgebreide inspectie onderworpen.

Artikel 6b [Vervallen per 01-01-2011]

De ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat onderwerpen een schip als bedoeld in artikel 6a, eerste lid, waarvan de prioriteitsfactor volgens het SIRENAC-informatiesysteem 7 of meer bedraagt, aan een uitgebreide inspectie in de eerste Nederlandse haven die het aandoet na een periode van 12 maanden na de laatste uitgebreide inspectie in een bij het MOU aangesloten havenstaat.

Artikel 6c [Vervallen per 01-01-2011]

  • 1 De ambtenaren van de Inspectie Verkeer en Waterstaat kunnen een schip onderwerpen aan een controle als bedoeld in artikel 7 van verordening (EG) nr. 782/2003 en artikel 3 van verordening (EG) nr. 536/2008.

  • 2 Tenzij er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat een schip niet voldoet aan de in het eerste lid genoemde verordening (EG) nr. 782/2003, blijft de inspectie beperkt tot:

    • a. een verificatie van de documenten die op grond van artikel 6, eerste lid, onder a en b, van de verordening (EG) nr. 782/2003 aan boord dienen te zijn, of

    • b. een beperkte monsterneming van het aangroeiwerende verfsysteem van het schip, zonder afbreuk te doen aan de integriteit, structuur of werking van het aangroeiwerende verfsysteem.

  • 3 Indien er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat het schip niet voldoet aan de in het eerste lid genoemde verordening (EG) nr. 782/2003, onderwerpt een ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat het schip aan een nadere inspectie.

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2011]

Door de kapitein of de exploitant van een schip wordt ten overstaan van de ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat aangetoond dat de tijdens de inspectie, nadere inspectie of controle geconstateerde tekortkomingen in overeenstemming met de verdragen worden verholpen.

§ 3. Aanhoudingsgronden [Vervallen per 01-01-2011]

Artikel 7a [Vervallen per 01-01-2011]

In aanvulling op het bepaalde in artikel 7 van de wet wordt een schip eveneens aangehouden indien het niet is uitgerust met een functionerend reisgegevens-recordersysteem, terwijl het gebruik daarvan op grond van bijlage XII van de richtlijn voor dat schip verplicht is. Wanneer dit gebrek niet zonder meer in de haven van aanhouding kan worden verholpen, kan de ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat het schip toestaan verder te reizen naar de dichtstbijzijnde haven waar het gebrek wel zonder meer kan worden verholpen, of kan hij verlangen dat het gebrek wordt verholpen binnen een termijn van ten hoogste 30 dagen. Daartoe zijn de procedures van artikel 9 van de wet van toepassing.

§ 4. Informatieverstrekking [Vervallen per 01-01-2011]

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2011]

  • 1 Indien een schip is aangehouden, legt de ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat bij de kennisgeving ingevolge artikel 8, derde lid, van de wet tevens het inspectierapport over. Bovendien doet hij, indien zulks van belang is, ook mededeling van de aanhouding, onder overlegging van het inspectierapport, aan de aangewezen inspecteurs of de erkende organisaties die verantwoordelijk zijn voor de afgifte van de classificatiecertificaten of de certificaten die namens de vlaggenstaat overeenkomstig de internationale verdragen worden afgegeven.

  • 2 Op de opheffing van de aanhouding is het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet, stelt de ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat het betrokken classificatiebureau in kennis van de door hem gestelde en goedgekeurde voorwaarden voor de reis van het schip naar de reparatiewerf. Deze kennisgeving geschiedt in overeenstemming met bijlage 2 van het MOU.

  • 4 Indien een schip, aangehouden in een andere havenstaat dan Nederland, in Nederland bij een reparatiewerf zal worden gerepareerd, stelt de ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat de bevoegde autoriteit van de desbetreffende havenstaat in kennis van de maatregelen die in Nederland zijn genomen.

  • 5 Indien het in het vierde lid bedoelde schip zich niet naar de afgesproken reparatiewerf begeeft, waarschuwt een ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat onmiddellijk de bevoegde instanties van alle andere bij het MOU aangesloten havenstaten.

  • 6 Indien een aangehouden schip een haven uitvaart zonder te voldoen aan de door de ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat gestelde en goedgekeurde voorwaarden, waarschuwt deze onmiddellijk de bevoegde instanties van alle andere bij het MOU aangesloten havenstaten.

  • 7 Indien een havenbeheerder bij de uitoefening van zijn normale taak opmerkt dat een schip tekortkomingen heeft die afbreuk kunnen doen aan de veiligheid van het schip of een onredelijk groot gevaar opleveren voor schade aan het mariene milieu, stelt hij een ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat daarvan onmiddellijk in kennis.

  • 8 Indien een ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat op grond van artikel 10, derde lid, van de wet, besluit tot opheffing van de aanhouding van een schip, stelt hij onmiddellijk de bevoegde instanties van alle andere bij het MOU aangesloten havenstaten daarvan in kennis.

Artikel 8a [Vervallen per 01-01-2011]

In de omstandigheden, bedoeld in artikel 3 van richtlijn nr. 1999/95/EG, stelt de ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat een verslag op ten behoeve van de administratie van de vlaggenstaat van het betrokken schip.

Artikel 8b [Vervallen per 01-01-2011]

De ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat die een schip aanhoudt wegens overtreding van de internationale voorschriften inzake de arbeids- en rusttijden volgens het verdrag, genoemd in artikel 1, onderdeel b, onder 6o, van de wet, stelt daarvan, naast de personen en instanties, genoemd in artikel 8, derde lid, van de wet, tevens de exploitant van het betrokken schip in kennis en vermeldt in de kennisgeving tevens welke vereiste corrigerende maatregelen noodzakelijk zijn.

Artikel 8c [Vervallen per 01-01-2011]

De ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat die een overtreding constateert van verordening (EG) nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten (PbEU L 129), doet daarvan mededeling aan de burgemeester.

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2011]

Het rapport, bedoeld in artikel 3, derde lid, van de wet, is opgesteld conform bijlage IX van de richtlijn.

Artikel 9a [Vervallen per 01-01-2011]

  • 1 Indien het om operationele redenen niet mogelijk is om een schip met een prioriteitsfactor van meer dan 50 volgens het SIRENAC-informatiesysteem te onderwerpen aan een inspectie of een uitgebreide inspectie, meldt de ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat dit terstond aan het SIRENAC-informatiesysteem.

  • 2 Onmogelijkheden tot inspectie als bedoeld in het eerste lid worden elke zes maanden kenbaar gemaakt aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen, onder vermelding van de redenen waarom geen inspectie van de betrokken schepen heeft plaatsgevonden.

§ 5. Weigering van toegang tot een haven [Vervallen per 01-01-2011]

Artikel 9b [Vervallen per 01-01-2011]

  • 1 In aanvulling op het bepaalde in artikel 11, eerste en tweede lid, van de wet weigert een havenbeheerder, in overeenstemming met de inspecteur-generaal van de Inspectie Verkeer en Waterstaat, eveneens een schip de toegang tot de haven indien dat schip behoort tot een van de categorieën van bijlage XI, deel A, van de richtlijn, en voorts:

    • a. ofwel de vlag voert van een staat die op de zwarte lijst van het jaarrapport van het MOU staat en meer dan tweemaal in de loop van de voorafgaande vierentwintig maanden in een haven van een bij het MOU aangesloten havenstaat is aangehouden;

    • b. ofwel de vlag voert van een staat die op de zwarte lijst van het jaarrapport van het MOU te boek staat als een staat met een zeer hoog risico dan wel een hoog risico en meer dan eenmaal in de loop van de voorgaande zesendertig maanden in een haven van een bij het MOU aangesloten havenstaat is aangehouden.

  • 2 De weigering van toegang geldt zodra een schip toestemming heeft gekregen om de haven te verlaten waar het naargelang van het geval voor een tweede of een derde keer is aangehouden.

  • 4 Bij een weigering van toegang ingevolge het eerste lid worden de procedures, opgenomen in bijlage XI, deel B, van de richtlijn toegepast.

§ 6. Slotbepalingen [Vervallen per 01-01-2011]

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2011]

  • 1 De ambtenaar van de Inspectie Verkeer en Waterstaat is bevoegd de gegevens als bedoeld in artikel 14, eerste en tweede lid, van de richtlijn te verstrekken en te ontvangen.

  • 2 Onder de gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden in elk geval begrepen de gegevens, bedoeld in bijlage 4 van het MOU en de gegevens, bedoeld in bijlage VIII van de richtlijn.

Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2011]

  • 3 Voor de aanhouding van een vissersvaartuig zijn de onderdelen 2.2, 2.4 tot en met 2.8, 2.10 tot en met 2.13, 3.2.1 tot en met 3.2.9 , 3.2.12, 3.2.14, 3.3, 3.4, 3.5, 3.7, 3.8, 3.9 en 3.10 van bijlage VI van de richtlijn niet van toepassing.

Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2011]

Een wijziging van de bijlagen I tot en met V en VII tot en met XII van de richtlijn, de artikelen 3 en 4 van richtlijn nr. 1999/95/EG en artikel 23 van richtlijn nr. 2008/106/EG gaat voor de toepassing van de artikelen 2, 4, tweede tot en met vijfde lid, 5, eerste lid, onderdeel a, 6, eerste en derde lid, 6a, eerste lid, 7a, eerste lid, 8a, 9, 9b, eerste en derde lid, en 10, tweede lid, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijnen uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven.

Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2011]

Een wijziging van bijlage 1, 2 of 4 van het MOU gaat voor de toepassing van de artikelen 4, vijfde lid, 8, derde lid en 10, tweede lid, gelden met ingang van de dag waarop de betrokken wijziging in werking treedt.

Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2011]

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juni 1998.

Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2011]

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling havenstaatcontrole

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst, met uitzondering van de bijlagen die ter inzage worden gelegd bij het Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Willem Witsenplein 6, te ’s-Gravenhage.

Den Haag, 19 mei 1998

De

Minister

van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink