Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling permanente eisen[Regeling vervallen per 01-05-2009.]

Geldend van 01-03-2009 t/m 30-04-2009

Regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van april 1998, nr. DGP/WJZ/V-821175 houdende permanente eisen voor voertuigen

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Definitiebepalingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 1 [Vervallen per 01-05-2009]

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. boekwerk "APK-milieukeuringseisen":

de editie van het door de minister vastgestelde boekwerk "APK-milieukeuringseisen", die geldig is op het moment van de keuring;

b. Mc Pherson-wielophangingsysteem:

een wielgeleidend systeem waarin elementen van de sturing, vering en schokdemping zijn gecombineerd.

Hoofdstuk 2. Permanente eisen keuringsplichtige voertuigen [Vervallen per 01-05-2009]

Titel 1. Toepassingsgebied [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.1.1 [Vervallen per 01-05-2009]

Dit hoofdstuk is van toepassing op:

  • a personenauto's,

  • b bedrijfsauto's,

  • c driewielige motorrijtuigen met een massa van het ledig voertuig van meer dan 400 kg, alsmede

  • d aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg.

Titel 2. Algemene bouwwijze van het voertuig [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.2.1 [Vervallen per 01-05-2009]

Onderdelen als bedoeld in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement, alsmede de bevestiging van onderdelen van personenauto's, bedrijfsauto's, driewielige motorrijtuigen met een massa van het ledig voertuig van meer dan 400 kg en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg moeten voor wat betreft corrosie voldoen aan de in afdeling 1, 2 en 3 gestelde eisen.

Afdeling 1. Motorrijtuigen welke geen volledig dragend chassis hebben [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1. Algemeen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.2.2 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 In deze afdeling wordt verstaan onder roestschade:

    door corrosie over de gehele dikte verdwenen materiaal.

  • 2

Roestschade wordt per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat uitgedrukt in de schade-eenheid "E".

Artikel 2.2.3 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in bijlage 1 genoemde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorrijtuigen met een zelfdragende carrosserie mogen per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel, of per sectie van een bodemplaat niet meer roestschade hebben dan 2E.

  • 2 Veerschotels mogen niet zijn doorgeroest.

Artikel 2.2.4 [Vervallen per 01-05-2009]

Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden "E" moet de volgende procedure worden gevolgd:

  • a. de roestschade-omvang wordt per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat in procenten bepaald volgens het van toepassing zijnde beoordelingsprincipe zoals vermeld in paragraaf 2 van deze afdeling;

  • b. aan de hand van bijlage 1 wordt de te hanteren roestschadegradatie bij maximaal functieverlies van het beschadigde onderdeel, de beschadigde bevestiging van een onderdeel dan wel de beschadigde sectie van de bodemplaat bepaald;

  • c. het onder a bepaalde percentage roestschade wordt vermenigvuldigd met de onder b bepaalde roestschadegradatie.

§ 2. Beoordelingsprincipes voor de bepaling van de roestschade-omvang per onderdeel, per bevestiging van een onderdeel of per sectie van de bodemplaat [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.2.5 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De bepaling van de roestschade-omvang van langs- en dwarsliggers geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is: a. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde deel van de omtrek en de gehele omtrek van de dwarsdoorsnede, een eventuele versterking in de langs- of dwarsligger daarbij inbegrepen. Bij de berekening van de omtrek van de dwarsdoorsnede worden de bevestigingsflenzen niet meegerekend, en b. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen de lengte van de schade en de werkelijke lengte van de langs- of dwarsligger tussen de draagpunten, zoals weergegeven in figuur 1, of zoals bij het betreffende onderdeel in bijlage 1 is omschreven. Bij de bepaling van de roestschade worden de bevestigingsflenzen meegerekend.

  • 2 Indien een plaatdeel samen met een voorgevormd profiel een koker vormt, wordt het geheel beoordeeld als een langs- of dwarsligger.

Bijlage 49916.png
Figuur 1 Lengte langs- of dwarsligger tussen de draagpunten

Artikel 2.2.6 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Voor de bepaling van de roestschade-omvang van de bodemplaat van de personenruimte wordt de bodemplaat in secties verdeeld, zoals weergegeven in figuur 2, waarna elke sectie afzonderlijk wordt beoordeeld.

  • 2 De secties worden gevormd door de volgende sectielijnen:

    • Sectielijn 1: de middenkoker of de lengtehartlijn.

    • Sectielijn 2: de dwarsligger ter plaatse van de voorzijde van de voorste zitplaatsen of indien ter plaatse geen dwarsligger aanwezig is de voorzijde van de voorste zitplaatsen in de achterste gebruiksstand.

    • Sectielijn 3: elke voorzijde van de achter de voorste zitplaatsen (achter elkaar) gelegen zitplaatsen in de achterste gebruiksstand.

    • Sectielijn 4: het einde van de bodemplaat onder de personenruimte.

Bijlage 49917.png
Figuur 2 Sectieverdeling bodemplaat personenruimte

Artikel 2.2.7 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De bepaling van de roestschade-omvang van de bodemplaat van de personenruimte geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

    • a de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde oppervlak van de sectie en het gehele oppervlak van de sectie, en

    • b de verhouding tussen de lengte van de schade aan de randen van de sectie en de totale randlengte van de sectie.

  • 2 Roestschade die doorloopt in verschillende secties moet worden beoordeeld als schade die aanwezig is in de grootste van de betrokken secties.

  • 3 Bij dubbele bodemplaten wordt de bovenste plaat beoordeeld zoals is aangegeven in het eerste lid; de onderste plaat wordt beoordeeld als één grote sectie.

  • 4 Indien een gedeelte van de bodemplaat tevens deel uitmaakt van een langs- of dwarsligger (koker), moet dit gedeelte worden meegerekend voor de bepaling van het oppervlak dan wel de randlengte.

Artikel 2.2.8 [Vervallen per 01-05-2009]

De bepaling van de roestschade-omvang van wielkasten geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

  • a de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde oppervlak en het gehele oppervlak, en

  • b de verhouding tussen de totale lengte van de schade aan de randen en de totale randlengte, en

  • c de verhouding tussen de lengte van de schade per zijde van de wielkast en de bevestigingslengte van die zijde aan een ander onderdeel.

Artikel 2.2.9 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De bepaling van de roestschade-omvang van plaatdelen, met uitzondering van de bodemplaat en de wielkasten, geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

    • a de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde oppervlak en het gehele oppervlak, en

    • b de verhouding tussen de lengte van de schade aan de randen en de totale randlengte.

  • 2 Indien een gedeelte van een plaatdeel tevens deel uitmaakt van een langs- of dwarsligger (koker), moet dit gedeelte worden meegerekend voor de bepaling van het oppervlak dan wel de randlengte.

Artikel 2.2.10 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De roestschade-omvang van de bevestiging van onderdelen, met uitzondering van de bevestiging van plaatdelen en wielkasten, wordt bepaald door een schatting te maken omtrent de afname in procenten van de sterkte van de bevestiging van het ene onderdeel aan het andere, in het gebied dat wordt omsloten door een denkbeeldige lijn gelegen op een afstand van 100 mm rondom de bevestiging.

  • 2 De roestschade in het gebied buiten de denkbeeldige lijn wordt buiten beschouwing gelaten.

Artikel 2.2.11 [Vervallen per 01-05-2009]

De beoordeling van roestschade vindt plaats:

  • a door visuele controle terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, en

  • b in geval van twijfel:

    • 1°. door gebruik te maken van een hamertje met een bolle of afgeronde kop;

    • 2°. door middel van meten met een meetmiddel van voldoende bereik.

Afdeling 2. Motorrijtuigen met een volledig dragend chassis alsmede aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1. Chassisraam [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.2.12 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 In deze paragraaf wordt onder roestschade verstaan: gedeeltelijk door corrosie verdwenen materiaal.

  • 2 Roestschade in het chassisraam wordt per langs- of dwarsligger dan wel per profiel uitgedrukt in procenten.

Artikel 2.2.13 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De langs- en dwarsliggers van het chassisraam en alle profielen die deel uitmaken van de ondersteuning van de draaikrans of opleggerkoppeling dan wel koppelingsplaat mogen, per langs- of dwarsligger dan wel per profiel, niet meer roestschade hebben dan het percentage vermeld in bijlage 2.

  • 2 De beoordeling van de roestschadeomvang van de langs- en dwarsliggers van het chassisraam geschiedt aan de hand van de lengte van de langs- en dwarsliggers tussen de draagpunten.

  • 3 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid moeten langs- en dwarsliggers van het chassisraam die uitsluitend voor de ondersteuning van de laadvloer zijn aangebracht, als hulplangs- of hulpdwarsbalk worden aangemerkt waarop paragraaf 2 van deze afdeling van toepassing is.

  • 4 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is op langs- en dwarsliggers van het chassisraam, die zijn vervaardigd uit plaatmateriaal, waarvan de dikte maximaal 2 mm bedraagt, paragraaf 2 van deze afdeling van toepassing.

  • 5 Op een gedeeltelijk zelfdragende carrosserie in combinatie met een chassisraam zijn voor het zelfdragende deel de eisen van afdeling 1 van toepassing.

§ 2. Overige onderdelen [Vervallen per 01-05-2009]

Algemeen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.2.14 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 In deze paragraaf wordt onder roestschade verstaan: door corrosie over de gehele dikte verdwenen materiaal.

  • 2 Roestschade wordt per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel uitgedrukt in de schade-eenheid "E".

Artikel 2.2.15 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in bijlage 3 genoemde onderdelen en bevestigingen van onderdelen van motorrijtuigen die niet zijn voorzien van een zelfdragende carrosserie en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg mogen per onderdeel dan wel per bevestiging van een onderdeel niet meer roestschade hebben dan 2E.

  • 2 Veerschotels mogen niet zijn doorgeroest.

Artikel 2.2.16 [Vervallen per 01-05-2009]

Voor de bepaling van de mate van roestschade in schade-eenheden "E" moet de volgende procedure worden gevolgd:

  • a. de roestschade-omvang wordt per onderdeel of per bevestiging van een onderdeel in procenten bepaald volgens het van toepassing zijnde beoordelingsprincipe;

  • b. aan de hand van bijlage 3 wordt de te hanteren roestschadegradatie bij maximaal functieverlies van het beschadigde onderdeel of de beschadigde bevestiging van een onderdeel bepaald;

  • c. het onder a bepaalde percentage roestschade wordt vermenigvuldigd met de onder b bepaalde roestschadegradatie.

Beoordelingsprincipes voor de roestschade-omvang per bevestiging of per onderdeel [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.2.17 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De bepaling van de roestschade-omvang van langs- en dwarsliggers geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

    • a. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde deel van de omtrek en de gehele omtrek van de dwarsdoorsnede, een eventuele versterking in de langs- of dwarsligger daarbij inbegrepen. Bij de berekening van de omtrek van de dwarsdoorsnede worden de bevestigingsflenzen niet meegerekend, en

    • b. de verhouding uitgedrukt in procenten tussen de lengte van de schade en de werkelijke lengte van de langs- of dwarsligger tussen de draagpunten, zoals weergegeven in figuur 3, of zoals bij het betreffende onderdeel in bijlage 3 is omschreven. Bij de bepaling van de roestschade worden de bevestigingsflenzen meegerekend.

  • 2 Indien een plaatdeel samen met een voorgevormd profiel een koker vormt, wordt het geheel beoordeeld als een langs- of dwarsligger.

Bijlage 49918.png
Figuur 3 Lengte dwars- of langsligger tussen de draagpunten

Artikel 2.2.18 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De bepaling van de roestschade-omvang van plaatdelen geschiedt aan de hand van de volgende beoordelingsprincipes, waarbij het hoogste percentage maatgevend is:

    • a de verhouding uitgedrukt in procenten tussen het beschadigde oppervlak en het gehele oppervlak, en

    • b de verhouding uitgedrukt in procenten tussen de lengte van de schade aan de randen en de totale randlengte.

  • 2 Indien een gedeelte van een plaatdeel tevens deel uitmaakt van een langs- of dwarsligger (koker), moet dit gedeelte worden meegerekend voor de bepaling van het oppervlak dan wel de randlengte.

Artikel 2.2.19 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De roestschade-omvang van de bevestiging van onderdelen, met uitzondering van de bevestiging van plaatdelen, wordt bepaald door een schatting te maken omtrent de afname in procenten van de sterkte van de bevestiging van het ene onderdeel aan het andere in het gebied dat wordt omsloten door een denkbeeldige lijn, gelegen op een afstand van 100 mm rondom de bevestiging.

  • 2

De roestschade in het gebied buiten de denkbeeldige lijn wordt buiten beschouwing gelaten.

Artikel 2.2.20 [Vervallen per 01-05-2009]

De beoordeling van roestschade vindt plaats:

  • a door visuele controle terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, en

  • b in geval van twijfel:

    • 1°. door gebruik te maken van een hamertje met een bolle of afgeronde kop;

    • 2°. door middel van meten met een meetmiddel van voldoende bereik.

Afdeling 3. Beoordelingsnorm voor roestschadereparaties ten aanzien van de in afdeling 1 en 2 genoemde onderdelen, bevestigingen van onderdelen of secties van de bodemplaat [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.2.21 [Vervallen per 01-05-2009]

Een roestschadereparatie moet zodanig zijn uitgevoerd dat het onderdeel, de bevestiging van het onderdeel of de sectie van de bodemplaat zijn oorspronkelijke functie weer kan vervullen.

Artikel 2.2.22 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Voor alle onderdelen, bevestigingen van onderdelen of secties van de bodemplaat waarvoor een roestschadegradatie is gegeven, geldt dat:

    • a reparaties met pasklare gedeelten, waarbij elk deel deugdelijk aan het oorspronkelijke materiaal is gelast, toegestaan zijn;

    • b vervanging van delen is toegestaan mits deugdelijk gelast dan wel bevestigd met bouten indien de oorspronkelijke bevestiging heeft plaatsgevonden door middel van bouten of klinknagels;

    • c een reparatie die niet volgens onderdeel a of b is uitgevoerd, als roestschade wordt aangemerkt en beoordeeld, waarbij de grootte van de reparatie wordt gezien als de grootte van de roestschade, tenzij anders wordt aangetoond;

    • d roestschade van niet meer dan 2E, al dan niet in combinatie met een reparatie volgens onderdeel a, mag zijn hersteld.

  • 2 Onder deugdelijk gelast zoals bedoeld in het eerste lid wordt verstaan:

    • a kettinglassen welke ten minste 50% van de omtrek van het te lassen gedeelte bestrijken en goed zijn verdeeld over die omtrek, of

    • b proplassen (gatlassen) met ten minste een diameter van 4 mm en een onderlinge afstand van niet meer dan 20 mm.

Artikel 2.2.23 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien een veerschotel doorgeroest, of als gevolg van roestschade gescheurd is:

    • a mag deze niet zijn gerepareerd;

    • b mag deze separaat van de veerpoot als onderdeel van het veersysteem zijn vervangen.

  • 2 Indien een wielgeleidingselement doorgeroest is, mag deze niet zijn gerepareerd.

Artikel 2.2.24 [Vervallen per 01-05-2009]

De langs- en dwarsliggers die deel uitmaken van het chassisraam, bedoeld in paragraaf 1 van afdeling 2, mogen niet zijn gerepareerd met plaatdelen welke over de roestschade zijn aangebracht.

Artikel 2.2.25 [Vervallen per 01-05-2009]

De beoordeling van de roestschadereparatie vindt plaats:

  • a door visuele controle terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, en

  • b in geval van twijfel door middel van meten met een meetmiddel van voldoende bereik.

Titel 3. Motor [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1. Corrosie [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.3.1 [Vervallen per 01-05-2009]

De bevestiging van de onderdelen van het brandstofsysteem en de motor genoemd in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement moet voldoen aan de eisen ten aanzien van corrosie bedoeld in titel 2 van dit hoofdstuk.

§ 2. Meting geluidsniveau personenauto's [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.3.2 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in deze paragraaf gestelde eisen ten aanzien van de geluidsniveaumeting gelden alleen voor personenauto"s.

  • 2 Deze eisen worden niet getoetst tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsbewijs.

Artikel 2.3.3 [Vervallen per 01-05-2009]

Het geluidsniveau moet worden gemeten met gebruikmaking van de in de artikelen 2.3.4 en 2.3.5 genoemde meetapparatuur, waarbij de in artikel 2.3.6 bedoelde meetcondities in acht moeten worden genomen.

Artikel 2.3.4 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De geluidsniveaumeter moet ten minste voldoen aan het bepaalde in Publicatie nr. 651, eerste editie 1979, Geluidsniveaumeters, van de Internationale Electrotechnische Commissie (IEC) voor geluidsniveaumeters met de nauwkeurigheidsklasse Type 1.

  • 2 De calibratiegeluidsbron moet ten minste voldoen aan het bepaalde in Publicatie nr. 942, eerste editie 1988, van de IEC voor calibratiegeluidsbronnen met de nauwkeurigheidsklasse 1.

  • 3 De geluidsniveaumeter en de calibratiegeluidsbron moeten jaarlijks gecalibreerd en getoetst worden aan de eisen bedoeld in het eerste respectievelijk het tweede lid. Hiervan moeten verklaringen aanwezig zijn, afgegeven door NMI IJkwezen BV of door een door de minister gemachtigde instelling, waaruit blijkt dat zij aan de eisen voldoen.

Artikel 2.3.5 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De toerenteller moet een nauwkeurigheid hebben van ten minste 3%.

  • 2 Bij de toerenteller moet een verklaring aanwezig zijn ten aanzien van de nauwkeurigheid, welke niet ouder mag zijn dan twee jaar, afgegeven door NMI IJkwezen BV of door een door de minister gemachtigde instelling.

Artikel 2.3.6 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De meting vindt plaats in de open lucht.

  • 2 Het proefterrein mag niet blootstaan aan sterke akoestische storingen. Hieraan wordt voldaan indien het oppervlak van het terrein bestaat uit beton, asfalt, tegels of een vergelijkbaar hard materiaal.

  • 3 Het proefterrein moet minimaal de afmetingen van een rechthoek hebben, waarvan de zijden zich op ten minste 3,00 m afstand van de personenauto bevinden, zoals weergegeven in figuur 4. Binnen deze rechthoek mogen zich geen personen of voorwerpen bevinden die niet noodzakelijk zijn voor de meting. De personenauto wordt op zodanige wijze binnen de rechthoek geplaatst dat de microfoon zich op ten minste 1,00 m afstand van eventueel aanwezige trottoirbanden bevindt.

  • 4 De waarden die door de geluidsniveaumeter voor het omgevingsgeluid en de wind worden aangegeven, moeten ten minste 10 dB (A) beneden het geluidsniveau zijn gelegen dat in het kentekenregister wordt vermeld. Dit wordt gecontroleerd door vaststelling van het achtergrondgeluidsniveau voor en na de meting. De microfoon van de geluidsniveaumeter mag van een passende windkap worden voorzien, mits rekening wordt gehouden met de invloed daarvan op de gevoeligheid van de microfoon.

  • 5 Voor aanvang van de meting moet de motor van de personenauto op bedrijfstemperatuur worden gebracht.

  • 6 De meting vindt plaats bij een stilstaande personenauto.

Bijlage 243952.png
Figuur 4 Afmetingen proefterrein

Artikel 2.3.7 [Vervallen per 01-05-2009]

De meting van het geluidsniveau wordt uitgevoerd aan de hand van de onderstaande wijze van keuren:

  • a. voor de aanvang van de meting wordt de geluidsniveaumeter ingesteld op de tijdweging "F" (voorheen aangeduid met "Fast") en de frequentieweging "A" bedoeld in artikel 2.3.4, eerste lid, genoemde IEC publicatie;

  • b. de motor is op bedrijfstemperatuur indien deze ongeveer vijftien minuten onder normale bedrijfsomstandigheden heeft gefunctioneerd;

  • c. aan het begin en einde van iedere serie metingen moet de geluidsniveaumeter gecalibreerd worden volgens de aanwijzingen van de fabrikant met behulp van een calibratiegeluidsbron, welke voldoet aan artikel 2.3.4, tweede en derde lid;

  • d. de afwijking tussen het geluidsdrukniveau van de calibratiegeluidsbron en de aanwijzing van de geluidsniveaumeter mag niet groter zijn dan 1 dB(A). Indien deze waarde bij de aanvangscontrole wordt overschreden moet de geluidsniveaumeter zodanig gejusteerd worden dat wel aan deze eis wordt voldaan. Als aan het einde van de serie metingen wordt geconstateerd dat deze afwijking groter is dan 1 dB(A), is de serie metingen ongeldig;

  • e. de microfoon van de geluidsniveaumeter moet in de volgende positie worden geplaatst, zoals weergegeven in figuur 5:

    • 1°. ter hoogte van de uitlaatmonding, in ieder geval ten minste 0,20 m boven het wegdek;

    • 2°. het membraan van de microfoon is naar de uitlaatmonding gericht en bevindt zich op een afstand van 0,50 m (waarbij een afwijking van 50 mm is toegestaan);

    • 3°. de hoofdgevoeligheidsas van de microfoon loopt evenwijdig aan het wegdek en vormt een hoek van niet minder dan 35° en niet meer dan 55° met het loodrechte vlak waarin de emissierichting van de uitlaatgassen ligt; de microfoon is zo geplaatst dat de afstand tussen de microfoon en de personenauto het grootst is;

    • 4°. indien het uitlaatsysteem meerdere uitmondingen heeft, die zijn aangesloten op eenzelfde geluidsdemper, waarvan de middelpunten niet meer dan 0,30 m van elkaar zijn verwijderd, is de microfoon gericht op de uitmonding die zich het dichtst bij de omtrek van de personenauto of zich het hoogst boven het wegdek bevindt. Indien de middelpunten van de uitmondingen meer dan 0,30 m van elkaar zijn verwijderd, wordt bij iedere uitmonding een afzonderlijke meting verricht, waarbij alleen de hoogst gemeten waarde wordt aangehouden;

  • f. het toerental van de motor wordt op de waarde gebracht die in het kentekenregister voor de betreffende personenauto is vermeld;

  • g. na het bereiken van de in onderdeel f vermelde waarde wordt het gaspedaal snel losgelaten. De tijdsduur van de meting van het geluidsniveau omvat de periode, waarin het toerental constant wordt gehouden, en de gehele duur van de vermindering van het toerental tot het stationaire toerental weer is bereikt;

  • h. er wordt per meetpunt ten minste een serie van drie metingen verricht, waarbij:

    • 1°. de hoogste waarde die de geluidsniveaumeter heeft aangegeven, als meetwaarde per meting geldt;

    • 2°. de meetwaarde per meting op de meest nabijgelegen hele decibel wordt afgerond;

    • 3°. alleen meetwaarden die bij drie opeenvolgende metingen worden verkregen en onderling niet meer dan 2 dB(A) verschillen, mogen worden aangehouden;

    • 4°. als meetresultaat de hoogste van deze drie meetwaarden geldt.

Bijlage 49920.png
Figuur 5 Plaatsing microfoon

§ 3. Emissie [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.3.8 [Vervallen per 01-05-2009]

Het koolmonoxidegehalte van de uitlaatgassen van de in artikel 5.2.11, zevende lid, en artikel 5.3.11, zesde lid, van het Voertuigreglement bedoelde personenauto's en bedrijfsauto's, met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, mag het in het boekwerk "APK-milieukeuringseisen" voor het desbetreffende type motorrijtuig aangewezen gehalte bij het bij die aanwijzing aangegeven stationaire toerental niet overschrijden.

Artikel 2.3.9 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Personenauto's met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking, die in gebruik zijn genomen na 31 december 1995, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde.

  • 2 Personenauto's die in gebruik zijn genomen na 31 december 1992 doch voor 1 januari 1996, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde, indien deze van fabriekswege is gemonteerd, hetgeen onder andere kan blijken uit de toevoeging U9 of E2 aan de typeaanduiding op het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs. Deze eis geldt niet voor personenauto's, in gebruik genomen voor 1 januari 1994, die zijn voorzien van een LPG-installatie en waarvan het voor het voertuig afgegeven kentekenbewijs niet de toevoeging U9 of E2 bij de typeaanduiding vermeldt.

  • 3 Bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, die zijn voorzien van een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking en die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997, moeten zijn voorzien van een goedwerkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde.

  • 4 Bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg en met een verbrandingsmotor met elektrische ontsteking die in gebruik zijn genomen na 31 december 1994 doch vóór 1 januari 1998, moeten zijn voorzien van een goed werkend emissiebestrijdingssysteem dat bestaat uit een katalysator en een lambdasonde indien deze van fabriekswege zijn gemonteerd.

  • 5 De beoordeling van het bepaalde in het eerste tot en met vierde lid vindt plaats door visuele controle terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

Artikel 2.3.10 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De goede werking van het emissiebestrijdingssysteem van de in artikel 2.3.9 bedoelde motorrijtuigen wordt gecontroleerd door meting van de lambdawaarde en het koolmonoxidegehalte van de uitlaatgassen bij verhoogd toerental en door meting van het koolmonoxidegehalte bij stationair draaiende motor.

  • 2 Indien de in artikel 2.3.9 bedoelde motorrijtuigen zijn voorzien van een LPG-installatie moet de in het eerste lid bedoelde meting bij verhoogd toerental worden uitgevoerd indien:

    • a) het een personenauto betreft die in gebruik is genomen na 31 december 1997;

    • b) het een personenauto betreft die in gebruik is genomen na 31 december 1992 doch vóór 1 januari 1998 waarvan op het kentekenbewijs de vermelding "G3" is vermeld; of

    • c) het een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg betreft die in gebruik is genomen na 31 december 1997.

  • 3 Vóór elke meting wordt gecontroleerd of de motor en het emissiebestrijdingssysteem op bedrijfstemperatuur zijn. Hieraan wordt voldaan indien de motor gedurende 3 minuten op een toerental van ongeveer 3000 omw/min heeft gedraaid en:

    • a. een proefrit heeft plaatsgevonden, of

    • b. de motorolietemperatuur minimaal 80°C bedraagt.

    De motorolietemperatuur moet worden gecontroleerd met behulp van een olietemperatuurmeter die is voorzien van een geldig certificaat van eerste keuring dan wel van herkeuring.

  • 4 De uitlaatgassen van de in artikel 2.3.9 bedoelde motorrijtuigen mogen bij een verhoogd toerental gelegen tussen de 2500 omw/min en 3200 omw/min:

    • a. niet meer dan 0,3 vol % koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen voor 1 juli 2002, waarbij de lambdawaarde moet liggen tussen 0.97 en 1.03;

    • b. niet meer dan 0,2% koolmonoxide bevatten indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 2002, waarbij de lambdawaarde moet liggen tussen 0.97 en 1.03.

  • 5 Indien binnen het toerentalbereik zoals vermeld in het vierde lid de betrokken waarden niet worden bereikt, moet de meting worden herhaald bij een verhoogd toerental vanaf 2000 omw/min tot 3200 omw/min waarbij de controle op het koolmonoxidegehalte en de lambdawaarde bij elke stap van ongeveer 100 omw/min moet worden uitgevoerd totdat de betrokken waarden zijn bereikt. Hierbij mogen alle elektrische stroomverbruikers zijn ingeschakeld.

  • 6 In afwijking van het vierde en het vijfde lid mogen voor de door de Directeur van de Dienst Wegverkeer aangewezen typen motorrijtuigen of motorrijtuigen die zijn voorzien van een bepaalde LPG-installatie, de bijbehorende door de Directeur vastgestelde waarden en condities worden gehanteerd. De per type motorrijtuig in de lijst met voertuigspecifieke gegevens aangegeven maximale koolmonoxidegehaltes (CO %) en lambdawaarden zijn niet van toepassing op motorrijtuigen voorzien van een LPG-installatie.

  • 7 De uitlaatgassen van de in artikel 2.3.9 bedoelde motorrijtuigen mogen, waarbij de meting zich tot één uitmonding beperkt indien het uitlaatsysteem meer dan één uitmonding heeft, bij een stationair toerental:

  • 8 Bij het vaststellen van de lambdawaarde mag het derde cijfer achter de komma buiten beschouwing worden gelaten. Bij het vaststellen van het koolmonoxidegehalte bij verhoogd toerental mag het tweede cijfer achter de komma buiten beschouwing worden gelaten.

  • 9 De in het eerste lid bedoelde meting blijft achterwege indien het personenauto's of bedrijfsauto's betreft die zijn voorzien van een rotatiemotor of een CNG-installatie.

Artikel 2.3.11 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De hoeveelheid roet, uitgedrukt in de absorptiecoëfficiënt (k-waarde), van de uitlaatgassen van personenauto’s en bedrijfsauto’s met een verbrandingsmotor met compressie-ontsteking, bepaald volgens de in artikel 2.3.12 omschreven meting, mag de:

    • a. 3,0 m-1 voor een motor met drukvulling niet overschrijden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1979, doch voor 1 juli 2008, tenzij in het kentekenregister een hogere absorptiecoëfficiënt is vermeld;

    • b. 2,5 m-1 niet overschrijden indien het voertuig in gebruik is genomen na 31 december 1979, doch voor 1 juli 2008, tenzij in het kentekenregister een hogere absorptiecoëfficiënt is vermeld;

    • c. 1,5 m-1 niet overschrijden indien het voertuig in gebruik is genomen na 30 juni 2008, tenzij in het kentekenregister een hogere absorptiecoëfficiënt is vermeld.

  • 2 Om de in het eerste lid bedoelde maximum hoeveelheid roet te bepalen moeten bij de in artikel 2.3.12 bedoelde meting de volgende gegevens worden gehanteerd:

    • a. stationaire toerental: het werkelijke stationaire toerental, waarbij ten behoeve van het invoeren in de roetmeter moet worden aangehouden als:

      • 1°. minimum: 400 omw/min, en

      • 2°. maximum: 1000 omw/min;

    • b. afregeltoerental: het geschatte afregeltoerental met een ruime marge;

    • c. minimummotorolietemperatuur: 60 °C

  • 3 De in artikel 2.3.12 omschreven meting kan achterwege blijven indien de personenauto of de bedrijfsauto is uitgerust met een comprexlader.

Artikel 2.3.12 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 In de roetmeter moeten voor het desbetreffende type motorrijtuig de volgende waarden, zoals bedoeld in artikel 2.3.11, worden ingevoerd:

    • a. de maximumabsorptiecoëfficiënt,

    • b. het minimale en maximale stationaire toerental,

    • c. het minimum- en maximumafregeltoerental, en

    • d. de minimummotorolietemperatuur.

    Tevens moet de soort meetsonde, die in de handleiding van de roetmeter wordt voorgeschreven, worden ingevoerd.

  • 2 Nadat de gegevens, genoemd in het eerste lid, zijn ingevoerd, wordt met de daadwerkelijke meting begonnen, waarbij:

    • a. de door de roetmeter aangegeven meetprocedure moet worden gevolgd. De meetprocedure mag worden afgebroken indien de roetmeter aangeeft dat de absorptiecoëfficiënt van de eerste of tweede meting kleiner of gelijk is dan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m-1, en

    • b. moet worden voldaan aan het derde tot en met vijfde lid.

  • 3 Bij elke meting moet het gaspedaal snel en zonder onderbreking binnen één seconde tot aan de aanslag worden ingedrukt.

  • 4 Indien de personenauto of bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg is uitgerust met een volautomatische versnellingsbak:

    • a. wordt de motorolie op temperatuur gebracht door het stationair draaien van de motor, of door middel van een rit, en

    • b. vinden per test niet meer dan zes metingen plaats.

  • 5 Indien door de roetmeter wordt aangegeven dat de motorolietemperatuur te laag is, mag de meting worden uitgevoerd met uitgeschakelde beveiliging. Indien de temperatuuropnemer niet in de motor is ingebracht omdat duidelijk is dat de motorolie op de vereiste temperatuur is, mag de meting eveneens met uitgeschakelde beveiliging worden uitgevoerd.

  • 6 Indien de absorptiëcoëfficiënt aan de hand van de roetmeetstrook moet worden bepaald omdat de absorptiecoëfficiënt van de eerste of tweede meting niet kleiner of gelijk is dan de maximale absortiecoëfficiënt minus 0,5-1, mogen de verschillen van de afregeltoerentallen van de metingen waarmee de gemiddelde absorptiecoëfficiënt wordt bepaald niet meer dan 10% bedragen van het hoogste afregeltoerental.

Titel 4. Krachtoverbrenging [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.4.1 [Vervallen per 01-05-2009]

De bevestiging van de onderdelen van de aandrijving genoemd in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement moet voldoen aan de eisen ten aanzien van corrosie bedoeld in titel 2 van dit hoofdstuk.

Titel 5. Assen [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1. Corrosie [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.5.1 [Vervallen per 01-05-2009]

De bevestiging van de assen moet voldoen aan de eisen ten aanzien van corrosie bedoeld in titel 2 van dit hoofdstuk.

§ 2. Speling [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.5.2 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Fuseepennen, - lageringen en - bussen mogen, naast eventuele oorspronkelijke speling, door slijtageverschijnselen niet meer speling hebben dan:

    • a in radiale richting, zoals weergegeven in figuur 6: - 1,5 mm in het bovenste of onderste draaipunt, en - 2,0 mm in het bovenste en onderste draaipunt tezamen;

    • b in axiale richting, zoals weergegeven in figuur 6: 1,0 mm.

  • 2 De in het eerste lid genoemde oorspronkelijke speling wordt met behulp van het werkplaatshandboek of soortgelijke informatie vastgesteld.

Bijlage 49921.png
Figuur 6 Fuseespeling

Artikel 2.5.3 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Fuseekogels mogen, naast eventuele oorspronkelijke speling, door slijtageverschijnselen niet meer speling hebben dan:

    • a 1,0 mm, in radiale richting, zoals weergegeven in figuur 7;

    • b 1,0 mm, in axiale richting, zoals weergegeven in figuur 7.

  • 2 De in het eerste lid genoemde oorspronkelijke speling die het gevolg is van indrukking van het veerelement in de kogel, wordt vastgesteld:

    • a met behulp van het werkplaatshandboek of soortgelijke informatie, dan wel

    • b door middel van indrukking van een nieuwe kogel.

Bijlage 49922.png
Figuur 7 Fuseekogelspeling

Artikel 2.5.4 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De draaipunten in de wielophanging anders dan bedoeld in de artikelen 2.5.2 en 2.5.3, met uitzondering van kogelgewrichten, mogen:

    • a. in de richting van de belasting door slijtageverschijnselen niet meer speling hebben dan 1,0 mm, waarbij de elasticiteit van het rubber buiten beschouwing wordt gelaten;

    • b. ten gevolge van de zijdelingse verplaatsing geen kontaktplekken vertonen.

  • 2 Het eerste lid geldt niet voor het bovenste draaipunt van het Mc Pherson-wielophangingsysteem.

  • 3 Indien het draaipunt een kogelgewricht betreft, mag deze door slijtageverschijnselen niet meer speling hebben dan:

    • a. 1,0 mm, in radiale richting;

    • b. 1,0 mm, in axiale richting.

Artikel 2.5.5 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De speling van wiellagers of hun opsluiting mag niet zodanig zijn dat de bewegingsmogelijkheid meer bedraagt dan 0,5% van de afstand van de hartlijn van de as of astap tot het meetpunt, zoals weergegeven in figuur 8.

  • 2 Bij voertuigen met vrijdragende achterassen mag de axiale bewegingsmogelijkheid, zoals weergegeven in figuur 9, niet meer bedragen dan 0,5 mm, tenzij voor de betreffende constructie hogere waarden zijn toegestaan die worden vastgesteld met behulp van het werkplaatshandboek of soortgelijke informatie.

  • 3 In geval van assen met opsluiting in het differentieel is de in het tweede lid genoemde waarde 1,5 mm.

Bijlage 49923.png
Bijlage 49924.png
Bijlage 49925.png
Bijlage 49926.png
Bijlage 49927.png

Artikel 2.5.6 [Vervallen per 01-05-2009]

Titel 6. Ophanging [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.6.1 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien van een bedrijfsauto of een aanhangwagen die na 31 december 1997 in gebruik is genomen de afzonderlijke maximum last per as in het kentekenregister is vermeld, moet per as de volgende procedure worden gevolgd:

    • a. de in het kentekenregister vermelde maximum last per as wordt gedeeld door het aantal banden op die as;

    • b. aan de hand van bijlage 4 wordt bepaald welke loadindex behoort bij de onder a gevonden maximum last per band;

    • c. de loadindex van elke band op die as mag niet lager zijn dan de onder b gevonden loadindex.

  • 2 Indien op de band een groep is gevormd met twee load-indices achter elkaar, geldt, met betrekking tot het bepaalde in het eerste lid, onder a, in het geval van enkele montage de eerst vermelde load-index en in het geval van dubbele montage de tweede load-index.

  • 3 De in het eerste lid, onder a, gevonden waarde wordt:

    • a. met 4% verminderd indien het betreft een aanhangwagen uitgerust met dubbel gemonteerde personenautobanden;

    • b. met 10% verminderd indien het betreft:

      • 1°. een aanhangwagen die bestemd is voor recreatieve doeleinden;

      • 2°. een middenasaanhangwagen of een oplegger met een toegestane maximum last onder de as of assen van niet meer dan 3.500 kg en uitgerust met enkelvoudig gemonteerde personenautobanden;

      • 3°. een vuilniswagen;

      • 4°. een reinigingswagen;

      • 5°. een straatveegwagen;

      • 6°. een sproeiwagen,

      voorzover deze inrichtingsomschrijvingen zijn vermeld op het kentekenbewijs of in het kentekenregister;

    • c. met 15% verminderd indien het een bus betreft, ingericht mede om staande passagiers te vervoeren en met een toegestane maximum massa van meer dan 5.000 kg.

  • 4 De in het eerste lid onder a gevonden waarde kan worden verminderd met een percentage overeenkomstig het gestelde in bijlage 5,

    • a. indien onder ‘bijzonderheden’ in het kentekenregister of op het kentekenbewijs een maximum snelheid is aangegeven, of

    • b. bij een snelheid van 100 km/h, indien het een aanhangwagen betreft met een toegestane maximum massa van meer dan 750 kg.

Artikel 2.6.2 [Vervallen per 01-05-2009]

De onderdelen van het veersysteem en de bevestiging daarvan genoemd in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement moeten voldoen aan de eisen ten aanzien van corrosie bedoeld in titel 2 van dit hoofdstuk.

Titel 7. Stuurinrichting [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1. Corrosie [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.7.1 [Vervallen per 01-05-2009]

De bevestiging van de onderdelen van de stuurinrichting genoemd in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement moet voldoen aan de eisen ten aanzien van corrosie bedoeld in titel 2 van dit hoofdstuk.

§ 2. Speling en flexibele koppelingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.7.2 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Het flexibele materiaal van de koppeling mag niet voor 50% of meer, over iedere volledige doorsnede (in één vlak), door scheurvorming of door het loslaten van de vulcanisatie zijn beschadigd, zoals weergegeven in figuur 10.

  • 2 Het eerste lid geldt niet voor aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg.

Bijlage 49928.png
Figuur 10 Flexibele koppeling stuurinrichting

Artikel 2.7.3 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Stuurkogels en de overige stuurverbindingen in het stangenstelsel mogen, naast eventuele oorspronkelijke speling, door slijtageverschijnselen niet meer speling hebben dan:

    • a 1,0 mm, in radiale richting, zoals weergegeven in figuur 11;

    • b 1,0 mm, in axiale richting, zoals weergegeven in figuur 11.

  • 2 De in het eerste lid genoemde oorspronkelijke speling van de stuurkogel die het gevolg is van de indrukking van het veerelement in de kogel, wordt vastgesteld:

    • a met behulp van het werkplaatshandboek of soortgelijke informatie, dan wel

    • b door middel van indrukking van een nieuwe kogel.

Bijlage 49929.png
Figuur 11 Stuurkogelspeling

Artikel 2.7.4 [Vervallen per 01-05-2009]

Titel 8. Reminrichting [Vervallen per 01-05-2009]

Afdeling 1. Regels ten aanzien van corrosie, kunststof remleidingen en misvorming van remslangen [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1. Corrosie [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.1 [Vervallen per 01-05-2009]

De bevestiging van de onderdelen van de reminrichting genoemd in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement moet voldoen aan de eisen ten aanzien van corrosie bedoeld in titel 2 van dit hoofdstuk.

Artikel 2.8.2 [Vervallen per 01-05-2009]

Een remleiding mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat deze na verwijdering van de corrosie van het oppervlak nog zogenaamde putcorrosie vertoont, zoals weergegeven in figuur 12.

Bijlage 49930.png
Figuur 12 Remleiding

Artikel 2.8.3 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een remschijf mag niet zodanig door corrosie zijn aangetast dat per kant de breedte van het effectieve gedeelte minder bedraagt dan 50% van de maximum breedte van het remblok.

  • 2 Onder het in het eerste lid bedoelde effectief gedeelte wordt verstaan: een nagenoeg glad oppervlak, zonder blijvende corrosievorming ("glimmend" gedeelte).

§ 2. Misvorming remslangen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.4 [Vervallen per 01-05-2009]

Remslangen mogen:

  • a geen scherpe knikken of sterke tordering vertonen;

  • b in hydraulische remsystemen geen door de druk veroorzaakte vervormingen vertonen die opzwellen ten gevolge van het bedienen van het remsysteem met een pedaalkracht van 700 N gedurende ongeveer 30 seconden.

§ 3. Kunststofremleidingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.5 [Vervallen per 01-05-2009]

Kunststofremleidingen van bedrijfsauto's mogen zich niet bevinden op:

  • a een afstand van minder dan 0,10 m van het uitlaatsysteem van de motor, tenzij ter plaatse een doeltreffend hitteschild is aangebracht;

  • b een plaats waarop de stroom van de uitlaatgassen direct is gericht.

Artikel 2.8.6 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in deze afdeling gestelde eisen worden beoordeeld door middel van visuele controle, terwijl het voertuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

  • 2 Bij de controle van artikel 2.8.4, onderdeel b, moet het rempedaal worden ingetrapt totdat een kracht van 700 N op het pedaal wordt uitgeoefend. Deze kracht moet gedurende ongeveer 30 seconden worden uitgeoefend waarbij het pedaal niet op de aanslag mag komen. Indien een rembekrachtiger aanwezig is, moet de controle worden uitgevoerd met draaiende motor. Indien een remhandel aanwezig is, moet de controle worden uitgevoerd met de maximale handkracht.

Afdeling 2. Bepaling van de remvertraging [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.7 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze afdeling gestelde eisen gelden niet voor driewielige motorrijtuigen.

Artikel 2.8.8 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De controle van de remvertraging van personenauto's, bedrijfsauto's en aanhangwagens moet plaatsvinden door middel van een beproeving op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter dan wel door middel van een beproeving van het voertuig op een platenremtestbank of een rollenremtestbank.

  • 2 Bij de in het eerste lid beschreven meetmiddelen wordt de pedaalkracht alleen in geval van twijfel gemeten met de pedaaldrukmeter.

  • 3 Bij bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg alsmede aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg moet aan de hand van de vermelde gegevens en formules in paragraaf 4 tot en met 7 worden bepaald of door middel van extrapolatie kan worden gecontroleerd of het voertuig ook in maximale belaste toestand aan de voorgeschreven remvertraging zou kunnen voldoen.

  • 4 Met ingang van 1 januari 1996 moet tijdens de periodieke keuring ten behoeve van de afgifte van een keuringsbewijs, in afwijking van het eerste en derde lid, bij bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg alsmede bij aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg de controle van de remvertraging plaatsvinden door middel van de in paragraaf 5 respectievelijk paragraaf 7 omschreven beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank.

  • 5 Het bepaalde in het vierde lid is niet van toepassing op:

    • a. voertuigen die breder zijn dan 2,60 m;

    • b. voertuigen met een zo kleine wieldiameter dat beproeving in de praktijk niet mogelijk is;

    • c. bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg die zijn voorzien van een permanente, niet automatische of met de hand uitschakelbare aandrijving op meer dan één as;

    • d. aanhangwagens met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg met één of meerdere achter elkaar gelegen aslijnen, als bedoeld in artikel 3.7.9. tweede lid, onder e, van het Voertuigreglement.

  • 6 De banden van het voertuig moeten op de juiste spanning zijn.

Artikel 2.8.9 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De bij de vaststelling van de remvertraging uitgeoefende pedaalkrachten en remkrachten worden uitgedrukt in Newton (N) en in geval van twijfel bepaald door middel van de voorgeschreven pedaalkrachtmeter.

  • 2 Artikel 2.8.8, vijfde lid, wordt getoetst:

    • a. door middel van visuele controle;

    • b. door in geval van twijfel de bandenspanningsmeter te gebruiken.

§ 1. Beproeving van een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter [Vervallen per 01-05-2009]

Bedrijfsrem [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.10 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter, moet de kracht die na het intrappen van het rempedaal daarop wordt uitgeoefend nagenoeg constant worden gehouden.

Artikel 2.8.11 [Vervallen per 01-05-2009]

Bij gebruik van een mechanische zelfregistrerende remvertragingsmeter moet de bij de remproef behaalde remvertraging met behulp van de daarbij vervaardigde kaart als volgt worden vastgesteld:

  • a het hoogste punt van de remvertragingskromme wordt gemarkeerd waarbij de eventueel aanwezige hobbel aan het eind van de kromme buiten beschouwing wordt gelaten;

  • b vanuit het punt genoemd in onderdeel a wordt een loodlijn op de pedaalkrachtlijn neergelaten;

  • c de pedaalkrachtlijn wordt naar links gevolgd tot waar deze lijn een knik vertoont;

  • d vanuit het punt genoemd in onderdeel c wordt een loodlijn getrokken naar de remvertragingskromme;

  • e het snijpunt van de loodlijn en de remvertragingskromme genoemd in onderdeel d wordt gemarkeerd;

  • f de remvertraging wordt bepaald door het gemiddelde te nemen van de onder a en e bepaalde remvertragingen.

Artikel 2.8.12 [Vervallen per 01-05-2009]

Bij gebruik van een elektronische, zelfregistrerende remvertragingsmeter moet de bij de remproef behaalde remvertraging als volgt worden vastgesteld:

  • a indien door de remvertragingsmeter een resulterende of gemiddelde waarde wordt aangegeven, geldt deze waarde als de minimaal behaalde remvertraging;

  • b indien de remvertraging niet volgens onderdeel a kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de meetwaardentabel op de registratiestrook wordt vastgesteld, door het gemiddelde te nemen van alle gemeten remvertragingen, die gelijk of groter zijn aan de minimaal vereiste remvertraging en gedurende minimaal een halve seconde zijn gemeten;

  • c indien de remvertraging niet volgens onderdeel a of b kan worden vastgesteld, geldt de remvertraging die met behulp van de grafiek op de registratiestrook als volgt is vastgesteld:

    • 1°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond geen plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de hoogst behaalde waarde van remvertraging bepalend;

    • 2°. indien op het moment dat het voertuig nagenoeg stilstond een plotselinge stijging van de remvertraging is waar te nemen, is de behaalde remvertraging vlak vóór deze stijging bepalend.

Parkeerrem [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.13 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter, moet het voertuig aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.

§ 2. Beproeving van een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg op een platenremtestbank [Vervallen per 01-05-2009]

Bedrijfsrem [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.14 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een platenremtestbank, moet:

  • a gebruik worden gemaakt van een pedaalkrachtmeter waarbij het mogelijk is om, door middel van de arreteerstand, na afloop van de remproef de daarbij gebruikte pedaalkracht af te lezen;

  • b de snelheid bij de aanvang van de remproef ongeveer 10 km/h bedragen;

  • c de remproef op iedere as twee maal worden uitgevoerd. Indien de met deze proeven behaalde remkrachten aan de wielen per as nagenoeg gelijk zijn, mede gelet op de gebruikte pedaalkracht, worden deze gebruikt voor het bepalen van de remvertraging. Indien de met deze proeven behaalde remkrachten aan de wielen per as niet nagenoeg gelijk zijn, moet per as een derde remproef worden uitgevoerd. De behaalde remkrachten aan de wielen van deze laatste proef en van de voorgaande proef die de behaalde remkrachten aan de wielen het dichtst benadert, worden gebruikt voor het bepalen van de remvertraging;

  • d de bij de remproef behaalde remvertraging worden berekend door de remkrachten, die op de hiervoor beschreven wijze zijn verkregen uit twee remproeven per as, bij elkaar op te tellen en te delen door twee maal de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

Parkeerrem [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.15 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een platenremtestbank, moet:

  • a de snelheid bij de aanvang van de remproef ongeveer 10 km/h bedragen;

  • b het voertuig aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan;

  • c de bij de remproef behaalde remvertraging worden berekend door de remkrachten aan de wielen te delen door de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

§ 3. Beproeving van een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg op een rollenremtestbank [Vervallen per 01-05-2009]

Bedrijfsrem [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.16 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank,

  • a moeten per as de maximale remkrachten aan de wielen met de bijbehorende pedaalkrachten worden vastgesteld;

  • b moeten de remkrachten van de voorste as en de achterste as of het achterste asstel bij elkaar worden opgeteld en vervolgens worden gedeeld door de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg waarna de uitkomst met een factor 10 wordt vermenigvuldigd en het resultaat wordt gelezen als procenten "relatieve beremming";

  • c moet, met behulp van de gevonden waarden "relatieve beremming" en "pedaalkracht op de voorste as", aan de hand van de bij dit artikel behorende tabel 1 worden beoordeeld of de remwerking voldoende is;

  • d moet, indien de gevonden waarden niet leiden tot een directe beslissing, een remproef op de weg plaatsvinden.

Tabel 1

 

REMTEST OP EEN ROLLENREMTESTBANK

REMWERKING VOLDOET

REMWERKING VOLDOET NIET

Nader Onderzoek

relatieve beremming

pedaalkracht op voorste as

relatieve beremming

pedaalkracht op voorste as

remproef op de weg bij waarden, niet leidend tot directe beslissing

Personenauto's, in gebruik genomen na 30-06-1967

 1 ≥ 40% en

≤ 400 N

≥ 52% en

 ≤ 500 N

ja

< 52% en

> 500 N

Bedrijfsauto's, 2 in gebruik genomen na 30-06-1967 en bestemd voor goederen

≥ 40% en

≤ 700 N

< 40% en

> 700 N

ja

Bussen, 2 in gebruik genomen na 30-06-1967

≥ 45% en

≤ 700 N

< 45% en

> 700 N

ja

Personenauto's, in gebruik genomen voor 01-07-1967

≥ 38%

niet van toepassing

< 38%

niet van toepassing

niet van toepassing

Bedrijfsauto's, in gebruik genomen voor 01-07-1967

≥ 38%

niet van toepassing

< 38%

niet van toepassing

niet van toepassing

Artikel 2.8.17 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Bij de vaststelling van de maximale remkrachten zoals bedoeld in artikel 2.8.16, onderdeel a, moet het volgende in acht worden genomen:

    • a. de pedaalkracht die bij de voorste as wordt gebruikt, hoeft niet dezelfde te zijn als die bij de achterste as of het achterste asstel;

    • b. bij de remtest wordt het rempedaal langzaam ingetrapt en op het moment van aflezen vastgehouden;

    • 1°. in een personenauto een pedaalkracht van 500 N wordt uitgeoefend,

    • 2°. in een bedrijfsauto een pedaalkracht van 700 N wordt uitgeoefend,

    • 3°. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of

    • 4°. de rollenremtestbank afslaat.

  • 2 Indien de remkracht op één wiel tussen twee waarden schommelt of de remkrachten op beide wielen tussen twee waarden schommelen, worden per wiel de minimale en maximale remkracht gemiddeld en wordt dit gemiddelde gebruikt als remkracht voor dat wiel.

  • 3 Bij de beoordeling van artikel 2.8.16, onderdeel d, moet het volgende in acht worden genomen:

    • a. bij de remproef op de weg wordt van een geschikte remvertragingsmeter gebruik gemaakt, indien deze aanwezig is;

    • b. de remvertraging met de bijbehorende pedaalkracht wordt beoordeeld even voor het moment van blokkeren van één of meer wielen van het voertuig.

Parkeerrem [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.18 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank, moet de bij de remproef behaalde remvertraging worden berekend door de remkrachten aan de wielen te delen door de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

§ 4. Beproeving van een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter [Vervallen per 01-05-2009]

Bedrijfsrem [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.19 [Vervallen per 01-05-2009]

Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter wordt verstaan onder:

  • a hoogst bereikbare remvertraging: de remvertraging die wordt vastgesteld bij een remproef waarbij iets minder ingestuurde druk dan wel pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van het voertuig te bereiken;

  • b extrapolatiedruk (Pex): de gegarandeerde druk in de remcilinder van een as wanneer het voertuig maximaal is belast en met dit voertuig een volle beremming wordt uitgevoerd.

Artikel 2.8.20 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Bij de beproeving van de bedrijfsrem moet een vertraging worden gemeten die ten minste gelijk is aan de in het Voertuigreglement voor de betreffende bedrijfsauto genoemde minimaal vereiste remvertraging.

  • 2 Bij de categorie voertuigen bedoeld in deze paragraaf wordt de rolweerstand bij de extrapolatie meegerekend.

Artikel 2.8.21 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De extrapolatiedruk wordt gesteld op 6 bar, tenzij:

    • a de druk in de remcilinders van een as wordt begrensd, doordat een ventiel of een remkrachtregelaar bij de toegestane maximum massa onder een as de ingestuurde druk reduceert, in welk geval de extrapolatiedruk voor die as gelijk is aan de begrensde druk;

    • b door middel van documentatie van de voertuigfabrikant of, indien het voertuig is uitgerust met een automatische lastafhankelijke remkrachtregelaaar, door middel van de gegevens op de ALR-plaat, wordt aangetoond dat de gegarandeerde druk in de remcilinders hoger ligt dan 6 bar. In dat geval mag deze hogere druk als extrapolatiedruk worden gebruikt.

  • 2 Met ingang van 1 januari 1996 moet, indien voor de extrapolatie gebruik wordt gemaakt van een formule waarin de drukfactor

    Pex - 0,4

     

    P - 0,4

     

    voorkomt, deze drukfactor kleiner of gelijk zijn aan 3.

  • 3 Indien de in het tweede lid genoemde drukfactor groter is dan 3, wordt het voertuig geheel of gedeeltelijk belast en gewogen, tenzij:

    • a de massa van de extra aangebrachte belasting exact bekend is, waarna een nieuw remproef wordt uitgevoerd, of

    • b de berekende remvertraging groter dan of gelijk is aan de minimaal vereiste remvertraging, bij herberekening met een drukfactor 3.

Artikel 2.8.22 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg is voorzien van een hydraulisch remsysteem dan wel van een mechanisch remsysteem, moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem en de extrapolatie plaatsvinden overeenkomstig artikel 2.8.23 waarbij wordt verstaan onder:

  • a. A1: niet bekrachtigd hydraulisch en mechanisch remsysteem;

  • b. A2: niet bekrachtigd hydraulisch remsysteem met automatische lastafhankelijke regelaar, of een andere vorm van remdrukbegrenzing;

  • c. B1: bekrachtigd hydraulisch remsysteem;

  • d. B2: bekrachtigd hydraulisch remsysteem met automatische lastafhankelijke regelaar, of een andere vorm van remdrukbegrenzing;

  • e. C1: druklucht bediend hydraulisch remsysteem;

  • f. C2: druklucht bediend hydraulisch remsysteem met automatische lastafhankelijke regelaar, of een andere vorm van remdrukbegrenzing.

Artikel 2.8.23 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • a avol = geëxtrapoleerde remvertraging;

    • b a = hoogst bereikbare remvertraging;

    • c Mgeremd = afgeremde massa onder de assen;

    • d Mmax = maximale massa onder de assen;

    • e Fpmax = maximum toegestane pedaalkracht;

    • f Fp = werkelijk gebruikte pedaalkracht;

    • g Pex = extrapolatiedruk;

    • h P = ingestuurde druk bedieningscilinder;

    • i 0,4 = aanspreekdruk, tenzij door meting anders bepaald;

    • j awet = wettelijk minimum vereiste remvertraging.

  • 2 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem A1 is de volgende formule van toepassing:

    avol= a x

    Mgeremd

    x

    Fp max

     
     

    Mmax

     

    Fp

     
  • 3 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem C1 is de volgende formule van toepassing:

    avol = a x

    Mgeremd

    x

    Pex - 0,4

     
     

    Mmax

     

    P - 0,4

     
  • 4 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem A2, B1, B2 of C2 en bij de remproef geen enkel wiel blokkeert, is de volgende formule van toepassing:

    a ≥ awet x

    Mmax

     
     

    Mgeremd

     
  • 5 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem A2, B1, B2 of C2 en bij de remproef één of meer wielen blokkeren, vindt geen extrapolatie plaats en is de remvertraging gelijk aan de met de remvertragingsmeter vastgestelde remvertraging.

Artikel 2.8.24 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg is voorzien van een drukluchtremsysteem, moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem en de extrapolatie plaatsvinden overeenkomstig artikel 2.8.25 waarbij wordt verstaan onder:

  • a. A: remsysteem zonder automatische lastafhankelijke regelaar;

  • b. B: remsysteem met automatische lastafhankelijke regelaar;

  • c. C: remsysteem met meerdere automatische lastafhankelijke regelaars;

  • d. D: remsysteem met automatische lastafhankelijke regelaar en terughoudventiel;

  • e. E: remsysteem met automatische lastafhankelijke regelaar en eindbegrenzingsventiel of drukverminderingsventiel.

Artikel 2.8.25 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • a avol = geëxtrapoleerde remvertraging;

    • b a = hoogst bereikbare remvertraging;

    • c Mgeremd = afgeremde massa onder de assen;

    • d Mmax = maximale massa onder de assen;

    • e Pex= extrapolatiedruk;

    • f P = ingestuurde remcilinderdruk vooras;

    • g 0,4 = aanspreekdruk, tenzij door meting anders bepaald;

    • h awet = wettelijk minimum vereiste remvertraging.

  • 2 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem A is de volgende formule van toepassing:

    avol = a x

    Mgeremd

    x

    Pex - 0,4

     
     

    Mmax

     

    P - 0,4

     
  • 3 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem B, C, D of E wordt een remproef uitgevoerd waarbij de druk in een remcilinder van de voorste as wordt gemeten en is de volgende formule van toepassing:

    avol = a x

    Mgeremd

    x

    Pex - 0,4

     
     

    Mmax

     

    P - 0,4

     

    In het geval dat de door extrapolatie verkregen remvertraging kleiner is dan de voorgeschreven remvertraging, moet een nieuwe remproef worden uitgevoerd, waarbij de automatische lastafhankelijke regelaar de volle druk doorstuurt en de druk in de remcilinder van de achterste as, niet zijnde de sleepas, moet worden gemeten. Vervolgens moet bovengenoemde formule opnieuw worden toegepast.

  • 4 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem B, C, D of E en het niet mogelijk is de automatische lastafhankelijke regelaar de volle druk te laten doorsturen en bij de remproef geen enkel wiel blokkeert, is de volgende formule van toepassing:

    a ≥ awet x

    Mmax

     
     

    Mgeremd

     
  • 5 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem B, C, D of E, en het niet mogelijk is de automatische lastafhankelijke regelaar de volle druk te laten doorsturen en bij de remproef één of meer wielen blokkeren, vindt geen extrapolatie plaats en is de remvertraging gelijk aan de met de remvertragingsmeter vastgestelde waarde.

Artikel 2.8.26 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg is voorzien van een gecombineerd remsysteem, moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem en de extrapolatie plaatsvinden overeenkomstig artikel 2.8.27 waarbij wordt verstaan onder:

  • a. A: hydraulisch- en mechanisch remsysteem;

  • b. B: druklucht bediend hydraulisch remsysteem en drukluchtremsysteem zonder automatische lastafhankelijke regelaar;

  • c. C: druklucht bediend hydraulisch remsysteem en drukluchtremsysteem met automatische lastafhankelijke regelaar.

Artikel 2.8.27 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • a avol = geëxtrapoleerde remvertraging;

    • b a = hoogst bereikbare remvertraging;

    • c Mgeremd = afgeremde massa onder de assen;

    • d Mmax= maximale massa onder de assen;

    • e Fpmax = maximum toegestane pedaalkracht;

    • f Fp = werkelijk gebruikte pedaalkracht;

    • g Pex = extrapolatiedruk;

    • h P = ingestuurde remcilinderdruk achteras;

    • i 0,4 = aanspreekdruk, tenzij door meting anders bepaald;

    • j awet = wettelijk minimum vereiste remvertraging.

  • 2 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem A is de volgende formule van toepassing.

    avol= a X

    Mgeremd

    x

    Fp max

     
     

    Mmax

     

    Fp

     
  • 3 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem B is de volgende formule van toepassing:

    avol = a X

    Mgeremd

    x

    Pex - 0,4

     
     

    Mmax

     

    P - 0,4

     
  • 4 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem C en bij de remproef één of meer wielen niet blokkeren, is de volgende formule van toepassing:

    a ≥ awet X

    Mmax

     
     

    Mgeremd

     
  • 5 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem C en bij de remproef één of meer wielen blokkeren, vindt geen extrapolatie plaats en is de remvertraging gelijk aan de met de remvertragingsmeter vastgestelde waarde.

Parkeerrem [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.28 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter, moet het voertuig aan het einde van de remproef geheel of nagenoeg geheel stilstaan.

§ 5. Beproeving van een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg op een rollenremtestbank [Vervallen per 01-05-2009]

Bedrijfsrem [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.29 [Vervallen per 01-05-2009]

Bij de categorie voertuigen bedoeld in deze paragraaf wordt de rolweerstand bij de extrapolatie meegerekend.

Artikel 2.8.30 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen zodanig wordt gesimuleerd dat de ingestuurde remcilinderdruk de drukfactor bereikt, bedoeld in artikel 2.8.33, derde lid,

  • a. moeten, nadat de gesimuleerde belasting is aangebracht, per as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld;

  • b. moet de bij de remproef behaalde remvertraging worden berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum massa van het voertuig.

Artikel 2.8.31 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Bij de vaststelling van de maximale remkrachten zoals bedoeld in artikel 2.8.30, onderdeel a, moet het volgende in acht worden genomen:

    • a. de pedaalkracht respectievelijk de remdruk hoeft niet bij alle assen gelijk te zijn;

    • b. bij de remtest moet het rempedaal langzaam worden ingetrapt en op het moment van aflezen worden vastgehouden;

    • c. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:

      • 1°. een pedaalkracht van 700 N wordt uitgeoefend,

      • 2°. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of

      • 3°. de rollenremtestbank afslaat.

  • 2 Indien de remkracht op één wiel tussen twee waarden schommelt of de remkrachten op beide wielen van een as tussen twee waarden schommelen, moeten per wiel de minimale en maximale remkracht worden gemiddeld en wordt dit gemiddelde gebruikt als remkracht voor dat wiel.

Artikel 2.8.32 [Vervallen per 01-05-2009]

Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, wordt verstaan onder:

  • a hoogst bereikbare remvertraging:

    • 1°. de remvertraging die wordt gemeten bij een pedaalkracht van 700 N,

    • 2°. de remvertraging die wordt vastgesteld bij een remproef waarbij de rollenremtestbank afslaat, of

    • 3°. de remvertraging die wordt vastgesteld bij een remproef waarbij iets minder ingestuurde druk dan wel pedaalkracht wordt gebruikt dan nodig is om de blokkeergrens van één of meer wielen van de as op de rollenremtestbank te bereiken;

  • b extrapolatiedruk (Pex): gegarandeerde druk in de remcilinder van iedere as waarbij de as maximaal is beladen en met het voertuig een volle beremming wordt uitgevoerd.

Artikel 2.8.33 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De extrapolatiedruk wordt gesteld op 6 bar, tenzij:

    • a blijkt dat de druk in de remcilinders van een as wordt begrensd doordat een ventiel of een remkrachtregelaar bij de toegestane maximum massa onder een as de ingestuurde druk reduceert, is de extrapolatiedruk voor die as gelijk aan de begrensde druk;

    • b door middel van documentatie van de voertuigfabrikant of, indien het voertuig is uitgerust met een automatische lastafhankelijke remkrachtregelaaar, door middel van de gegevens op de ALR-plaat, wordt aangetoond dat de gegarandeerde druk in de remcilinders hoger ligt dan 6 bar. In dat geval mag deze hogere druk als extrapolatiedruk worden gebruikt.

  • 2 Voordat tot extrapolatie wordt overgegaan, moet voor iedere as worden vastgesteld:

    • a de maximale remkrachten aan de wielen met de bijbehorende pedaalkrachten, of

    • b bij drukluchtremsystemen de benodigde druk in de remcilinder om de maximale remkrachten aan de wielen te bereiken.

  • 3 Met ingang van 1 januari 1996 moet, indien voor de extrapolatie gebruik wordt gemaakt van een formule waarin de drukfactor

    Pex - 0,4

     

    P - 0,4

     

    voorkomt, deze drukfactor kleiner of gelijk zijn aan 3.

  • 4 Indien de in het derde lid genoemde drukfactor van een as groter is dan 3: a. moet de betreffende as worden belast door op het voertuig een last te plaatsen, of b. door de belasting op die as te vergroten door middel van spanbanden of spankettingen, waarna opnieuw de remkrachten van de betreffende as moeten worden bepaald, tenzij de berekende remvertraging groter dan of gelijk is aan de minimaal vereiste remvertraging, bij herberekening met een drukfactor 3.

Artikel 2.8.34 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Bij de vaststelling van de maximale remkrachten zoals bedoeld in artikel 2.8.33, tweede lid, onderdeel a, moet het volgende in acht worden genomen:

    • a. de pedaalkracht respectievelijk de remdruk hoeft niet bij alle assen gelijk te zijn;

    • b. bij de remtest moet het rempedaal langzaam worden ingetrapt en op het moment van aflezen worden vastgehouden;

    • c. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:

      • 1°. een pedaalkracht van 700 N wordt uitgeoefend,

      • 2°. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of

      • 3°. de rollenremtestbank afslaat.

  • 2 Indien de remkracht op één wiel tussen twee waarden schommelt of de remkrachten op beide wielen tussen twee waarden schommelen, moeten per wiel de minimale en maximale remkracht worden gemiddeld en wordt dit gemiddelde gebruikt als remkracht voor dat wiel.

Artikel 2.8.35 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg is voorzien van een hydraulisch remsysteem dan wel van een mechanisch remsysteem, moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem en de extrapolatie plaatsvinden overeenkomstig artikel 2.8.36 waarbij wordt verstaan onder:

  • a. A1: niet bekrachtigd hydraulisch en mechanisch remsysteem;

  • b. A2: niet bekrachtigd hydraulisch remsysteem met automatische lastafhankelijke regelaar, of een andere vorm van remdrukbegrenzing;

  • c. B1: bekrachtigd hydraulisch remsysteem;

  • d. B2: bekrachtigd hydraulisch remsysteem met automatische lastafhankelijke regelaar, of een andere vorm van remdrukbegrenzing;

  • e. C1: druklucht bediend hydraulisch remsysteem;

  • f. C2: druklucht bediend hydraulisch remsysteem met automatische lastafhankelijke regelaar, of een andere vorm van remdrukbegrenzing.

Artikel 2.8.36 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • a. avol = geëxtrapoleerde remvertraging;

    • b. Fb(n) = som van de remkrachten aan de wielen per as "n";

    • c. Mmax = maximale massa onder de assen;

    • d. Fp max = maximum toegestane pedaalkracht;

    • e. Fp(n) = werkelijk gebruikte pedaalkracht per as "n";

    • f. Pex = extrapolatiedruk;

    • g. P(n) = ingestuurde remcilinderdruk van as "n";

    • h. 0,4 = aanspreekdruk, tenzij door meting anders bepaald;

    • i. a = hoogst bereikbare remvertraging;

    • j. Mgeremd = afgeremde massa onder de assen.

  • 2 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem A1 is de volgende formule van toepassing:

    Bijlage 49931.png
  • 3 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem C1 is de volgende formule van toepassing:

    Bijlage 49932.png
  • 4 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem A2, B1, B2 of C2 en de rollenremtestbank slaat niet af dan wel één of meer wielen van het voertuig blokkeren niet, is de volgende formule van toepassing:

    Bijlage 49933.png
  • 5 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem A2, B1, B2 of C2 en de rollenremtestbank slaat af dan wel één of meer wielen van het voertuig blokkeren, vindt geen extrapolatie plaats en voldoet de remvertraging aan het bepaalde in artikel 5.3.38 van het Voertuigreglement.

Artikel 2.8.37 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg is voorzien van een drukluchtremsysteem, moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem en de extrapolatie plaatsvinden overeenkomstig het tweede lid, waarbij wordt verstaan onder:

    • a avol= geëxtrapoleerde remvertraging;

    • b Fb(n) = som van de remkrachten aan de wielen per as "n";

    • c Mmax= maximale massa onder de assen;

    • d Pex = extrapolatiedruk;

    • e P(n) = ingestuurde remcilinderdruk van as "n";

    • f 0,4 = aanspreekdruk, tenzij door meting anders bepaald.

  • 2 De volgende formule is van toepassing:

    Bijlage 49934.png

Artikel 2.8.38 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg is voorzien van een gecombineerd remsysteem, moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem en de extrapolatie plaatsvinden overeenkomstig artikel 2.8.39 waarbij wordt verstaan onder:

  • a. A: hydraulisch- en mechanisch remsysteem;

  • b. B: druklucht bediend hydraulisch remsysteem en drukluchtremsysteem.

Artikel 2.8.39 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • a. avol = geëxtrapoleerde remvertraging;

    • b. Fb(n) = som van de remkrachten aan de wielen per as "n";

    • c. Mmax= maximale massa onder de assen;

    • d. Fp max = maximum toegestane pedaalkracht;

    • e. Fp(n)= werkelijk gebruikte pedaalkracht per as "n";

    • f. Pex= extrapolatiedruk;

    • g. P(n) = ingestuurde druk bedieningscilinder van as "n" danwel ingestuurde remcilinderdruk van as "n";

    • h. 0,4 = aanspreekdruk, tenzij door meting anders bepaald;

    • i. a = hoogst bereikbare remvertraging;

    • j. Mgeremd = afgeremde massa onder de assen.

  • 2 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem A, is de volgende formule van toepassing:

    Bijlage 49935.png
  • 3 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem B is de volgende formule van toepassing:

    Bijlage 49936.png
  • 4 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem B en de in het derde lid genoemde formule niet toepasbaar is en de rollenremtestbank slaat niet af dan wel één of meer wielen van het voertuig blokkeren niet, is de volgende formule van toepassing:

    Bijlage 49937.png
  • 5 Indien het voertuig is voorzien van een remsysteem B en de in het derde lid genoemde formule is niet toepasbaar en de rollenremtestbank slaat af dan wel één of meer wielen van het voertuig blokkeren, vindt geen extrapolatie plaats en voldoet de remvertraging aan het bepaalde in artikel 5.3.38 van het Voertuigreglement.

Parkeerrem [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.40 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de controle van de remvertraging van de parkeerrem van een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank, moet de bij de remproef behaalde remvertraging worden berekend door de remkrachten aan de wielen te delen door de op het kentekenbewijs vermelde massa van het ledig voertuig, vermeerderd met 100 kg.

§ 6. Beproeving van een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.41 [Vervallen per 01-05-2009]

De bedrijfsrem van de aanhangwagen moet regelbaar en onafhankelijk van het trekkende motorrijtuig kunnen worden bediend; dit geschiedt door middel van de strekrem die de volledige druk van de bedrijfsrem kan doorsturen of met behulp van een inrichting waarmee vanuit het trekkende motorrijtuig door middel van de bedrijfsrem van de aanhangwagen het samenstel van voertuigen kan worden afgeremd, waarbij het functioneren van de bedrijfsrem van het samenstel niet mag worden beïnvloed.

Artikel 2.8.42 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De gewichtsverhouding tussen het trekkende motorrijtuig en de aanhangwagen mag niet extreem groot zijn.

  • 2 De ingestuurde druk en de druk in de remcilinders van de aanhangwagen moeten in de cabine van het trekkende motorrijtuig kunnen worden afgelezen.

Artikel 2.8.43 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de remvertraging van een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg en die voorzien is van een drukluchtremsysteem wordt gecontroleerd door middel van een beproeving van het voertuig op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter waarbij extrapolatie wordt toegepast, moet:

  • a de remvertraging worden bepaald door het opvoeren van de met de strekrem of de inrichting ingestuurde druk de blokkeergrens van één of meer wielen van de aanhangwagen, waarna met een iets lagere druk de remvertraging wordt geregistreerd en de druk in de remcilinders wordt gemeten;

  • b het gemiddelde van de geregistreerde remvertraging gedurende twee seconden worden genomen, waarbij pieken niet mogen worden meegeteld.

Artikel 2.8.44 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De extrapolatiedruk wordt gesteld op:

    • a 6,5 bar indien het een aanhangwagen, betreft in gebruik genomen na 31 december 1997,

    • b 6 bar indien het een aanhangwagen betreft in gebruik genomen vóór 1 januari 1998, of

    • c 4,5 bar indien het een aanhangwagen betreft met een éénleiding remsysteem dan wel een gecombineerd één- en tweeleidingremsysteem.

  • 2 Indien de druk in de remcilinders wordt begrensd, doordat een ventiel of een remkrachtregelaar bij de toegestane maximum massa onder een as de ingestuurde druk reduceert, is de extrapolatiedruk gelijk aan de begrensde druk.

Artikel 2.8.45 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • a avol = geëxtrapoleerde remvertraging;

    • b a = gemiddelde remvertraging van de combinatie;

    • c Mtot.geremd= totale massa van de combinatie die met de aanhangwagen is afgeremd;

    • d Mmax= maximale massa onder de assen van de aanhangwagen;

    • e Pex = extrapolatiedruk;

    • f P = ingestuurde remcilinderdruk;

    • g 0,4 = aanspreekdruk, tenzij door meting anders bepaald;

    • h 0,15 = aangenomen rolweerstand trekkend motorrijtuig;

    • i aleeg = remvertraging "lege" aanhangwagen;

    • j Mahw = massa onder de assen van de "lege" aanhangwagen

  • 2 Van een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem en de extrapolatie plaatsvinden:

    • a indien het voertuig is voorzien van een remsysteem zonder automatische lastafhankelijke regelaar dan wel met een automatische lastafhankelijke regelaar voor alle assen, volgens de volgende formule:

      avol = (a -0,15) x

      Mgeremd

      x

      Pex - 0,4

      + 0,15

       

      Mmax

       

      P - 0,4

       
    • b

      • 1°. met ingang van 1 januari 1996 door een nieuwe remproef en een nieuwe berekening met een lichter trekkend motorrijtuig dan wel een geheel of gedeeltelijk belaste aanhangwagen, volgens de in onderdeel a genoemde formule, indien de drukfactor

        Pex - 0,4

         

        P - 0,4

         

        groter is dan 3 of de gemiddelde remvertraging van het samenstel van trekkend motorrijtuig en aanhangwagen minder bedraagt dan 1,5 m/sec2; indien de aanhangwagen geheel of gedeeltelijk wordt belast, moet de totale massa van het samenstel (Mtot.geremd) en van de aanhangwagen (Mahw) door middel van weging worden vastgesteld. Indien de massa van de extra aangebrachte belasting exact bekend is, mag weging van de aanhangwagen achterwege blijven;

      • Indien de drukfactor, bedoeld in 1°, wordt gesteld op 3, hoeft de aanhangwagen niet te worden belast als daarbij blijkt dat de berekende remvertraging groter dan of gelijk is aan de minimaal vereiste remvertraging.

    • c indien het voertuig is voorzien van een remsysteem met automatische lastafhankelijke regelaar voor een deel van de assen dan wel van een remsysteem met meerdere automatische lastafhankelijke regelaars, volgens de volgende formule:

      aleeg = (a -0,15) x

      Mtot.geremd

      + 0,15

       

      Mmax

       

§ 7. Beproeving van een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg op een rollenremtestbank [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.46 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg plaats vindt door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank waarbij de belasting van het voertuig door middel van spanbanden of spankettingen zodanig wordt gesimuleerd dat de ingestuurde remcilinderdruk de drukfactor bereikt, bedoeld in artikel 2.8.51, tweede lid:

  • a. moeten, nadat de gesimuleerde belasting is aangebracht, per as de maximale remkrachten aan de wielen worden vastgesteld;

  • b. moet de bij de remproef behaalde remvertraging worden berekend door de remkrachten bij elkaar op te tellen en vervolgens te delen door de op het kentekenbewijs vermelde toegestane maximum massa van het voertuig.

Artikel 2.8.47 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Bij de vaststelling van de maximale remkrachten zoals bedoeld in artikel 2.8.46, onderdeel a, moet het volgende in acht worden genomen:

    • a. bij de remtest moet de remwerking langzaam worden opgevoerd en op het moment van aflezen worden vastgehouden;

    • b. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:

      • 1°. de maximale remcilinderdruk wordt ingestuurd,

      • 2°. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of

      • 3°. de rollenremtestbank afslaat.

  • 2 Indien de remkracht op één wiel tussen twee waarden schommelt of de remkrachten op beide wielen van een as tussen twee waarden schommelen, moeten per wiel de minimale en maximale remkracht worden gemiddeld en wordt dit gemiddelde gebruikt als remkracht voor dat wiel.

Artikel 2.8.48 [Vervallen per 01-05-2009]

Bij de controle van de remvertraging van de bedrijfsrem van een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg door middel van een beproeving van het voertuig op een rollenremtestbank zonder dat de belasting van het voertuig wordt gesimuleerd, moet voordat tot extrapolatie wordt overgegaan, voor iedere as worden vastgesteld:

  • a de maximale remkrachten aan de wielen, en

  • b bij drukluchtremsystemen de benodigde druk in de remcilinder om de maximale remkrachten aan de wielen te bereiken.

Artikel 2.8.49 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Bij de vaststelling van de maximale remkrachten zoals bedoeld in artikel 2.8.48, onderdeel a, moet het volgende in acht worden genomen:

    • a. de remdruk hoeft niet bij alle assen gelijk te zijn;

    • b. bij de remtest moet de remwerking langzaam worden opgevoerd en op het moment van aflezen worden vastgehouden;

    • c. de maximale remkracht wordt bereikt wanneer:

      • 1(. de maximale remcilinderdruk wordt ingestuurd,

      • 2(. één of meer wielen van het voertuig blokkeren, of

      • 3(. de rollenremtestbank afslaat.

  • 2 Indien de remkracht op één wiel tussen twee waarden schommelt of de remkrachten op beide wielen tussen twee waarden schommelen, moeten per wiel de minimale en maximale remkracht worden gemiddeld en wordt dit gemiddelde gebruikt als remkracht voor dat wiel.

Artikel 2.8.50 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De extrapolatiedruk wordt gesteld op:

    • a 6,5 bar indien het een aanhangwagen, betreft in gebruik genomen na 31 december 1997,

    • b 6 bar indien het een aanhangwagen betreft in gebruik genomen voor 1 januari 1998, of

    • c 4,5 bar indien het een aanhangwagen betreft met een éénleidingremsysteem dan wel een gecombineerd één- en tweeleidingremsysteem.

  • 2 Indien blijkt dat de druk in de remcilinders wordt begrensd, doordat een ventiel of een remkrachtregelaar bij de toegestane maximummassa onder een as de ingestuurde druk reduceert, is de extrapolatiedruk gelijk aan de begrensde druk.

  • 3 Bij de extrapolatie wordt de rolweerstand meegerekend.

Artikel 2.8.51 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • a avol = geëxtrapoleerde remvertraging;

    • b Fb(n) = som van de remkrachten aan de wielen per as "n";

    • c Mmax= maximale massa onder de assen;

    • d Pex = extrapolatiedruk;

    • e P(n) = ingestuurde remcilinderdruk van as "n";

    • f 0,4 = aanspreekdruk, tenzij door meting anders bepaald.

  • 2 Van een aanhangwagen met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg moet de vaststelling van de remvertraging van de bedrijfsrem en de extrapolatie plaatsvinden:

    • a volgens de volgende formule:

      Bijlage 49938.png
    • b met ingang van 1 januari 1996 door een nieuwe remproef en een nieuwe berekening volgens de in onderdeel a genoemde

      formule, indien de drukfactor

      Pex - 0,4

       

      P - 0,4

       

      van een as groter is dan 3, waarbij de betreffende as moet worden belast door op het voertuig een last te plaatsen of door middel van spanbanden of spankettingen de belasting op die as te vergroten, tenzij de berekende remvertraging groter dan of gelijk is aan de minimaal vereiste remvertraging, bij herberekening met een drukfactor 3.

Afdeling 3. Regels met betrekking tot het uitbreken ten gevolge van het verschil in remwerking tussen de wielen van elke as onderscheidenlijk ten gevolge van overberemming van de achterste as of het achterste asstel [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.52 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De beoordeling van het uitbreken als gevolg van het verschil in remwerking tussen de wielen van elke as respectievelijk als gevolg van overberemming van de achterste as of het achterste asstel geschiedt door beproeving van het voertuig op de weg of door beproeving op een platenremtestbank of een rollenremtestbank aan de hand van de artikelen 2.8.53 tot en met 2.8.59.

  • 2 Indien de beoordeling van de remvertraging plaatsvindt:

    • a. door een beproeving op de weg met behulp van een zelfregistrerende remvertragingsmeter moet ook de beoordeling van het uitbreken op de weg plaats vinden;

    • b. door een beproeving op een remtestinrichting moet onverminderd artikel 2.8.55, tweede lid, ook de beoordeling van het uitbreken plaats vinden op een remtestinrichting.

  • 3 Het eerste lid geldt niet voor aanhangwagens met betrekking tot overberemming.

§ 1. De beproeving op de weg [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.53 [Vervallen per 01-05-2009]

Bij de beoordeling van het uitbreken moet bij een beproeving op de weg een beremming worden uitgevoerd waarbij:

  • a. in geval van een personenauto moet worden geremd tot de hoogst bereikbare remvertraging met een maximum van 8 m/s2 met een pedaalkracht van niet meer dan 500 N;

  • b. in geval van een bedrijfsauto of aanhangwagen moet worden geremd tot de minimaal vereiste remvertraging zoals voor de betreffende voertuigcategorie is vermeld in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement;

  • c. in geval van een driewielig motorrijtuig moet worden geremd tot de hoogst bereikbare remvertraging.

§ 2. De beproeving op een remtestinrichting [Vervallen per 01-05-2009]

Verschil in remwerking [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.54 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien bij de beoordeling van het verschil in remwerking gebruik wordt gemaakt van een remtestinrichting moeten de artikelen 2.8.55 en 2.8.56 in acht worden genomen.

Artikel 2.8.55 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien gebruik wordt gemaakt wordt van een rollenremtestbank mag het verschil in remwerking tussen de wielen op een as niet meer bedragen dan 30% van de hoogst gemeten remkracht (bovenwaarde) waarbij de wielen niet blokkeren.

  • 2 Het verschil in remkracht tussen de wielen van een bestuurde as van een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg mag niet meer bedragen dan 20% van de hoogst gemeten remkracht.

  • 3 Indien het verschil in remkracht tussen de wielen van een bestuurde as van een personenauto, een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg of een driewielig motorrijtuig, tussen de 20% en 30% van de hoogst gemeten remkracht bedraagt, moet door middel van een remproef op de weg worden bepaald of dit verschil leidt tot uitbreken; het gebruik van een remvertragingsmeter is niet noodzakelijk.

Artikel 2.8.56 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien gebruik gemaakt wordt van een platenremtestbank:

  • a moet de snelheid bij aanvang van de remproef ongeveer 10 km/h bedragen;

  • b kunnen de resultaten van de remproeven worden gebruikt die zijn uitgevoerd bij de procedure voor de beoordeling van de bedrijfsremvertraging;

  • c moet de remproef op iedere as ten minste tweemaal worden uitgevoerd;

  • d moet de beoordeling van de resultaten geschieden aan de hand van de bij dit artikel behorende tabel 2, waarin de genoemde percentages zijn gerelateerd aan de hoogst gemeten remkracht.

Tabel 2 Verschil in remwerking links en rechts op platenremtestbank.

 

 Resultaten van twee maat- gevende remproeven. VERSCHIL LINKS EN RECHTS

extra remproef nodig op de platenbank

resultaat extra remproef

CONCLUSIE

voorste as

Verschil beide proeven < 20%

-

-

TOEGESTAAN

 verschil ene proef < 20%, andere proef tussen 20 en 30%

ja

 verschil proef > 30%

NIET TOEGESTAAN

verschil proef < 20%

TOEGESTAAN

verschil proef tussen 20 en 30%

geen direkte beslissing, remproef op de weg 3houden.

 verschil ene proef < 20%, andere proef tussen 20 en 30%

-

-

NIET TOEGESTAAN

verschil beide proeven tussen 20 en 30%

-

-

geen direkte beslissing, remproef op de weg3 houden.

Achterste as

of het achterse asstel

Verschil beide proeven < 30%

-

-

TOEGESTAAN

verschil ene proef < 30%, andere proef > 30%

ja

verschil proef > 40 %

NIET TOEGESTAAN

verschil proef < 30 %

TOEGESTAAN

verschil proef tussen 30 en 40 %

geen direkte beslissing, remproef op de weg3 houden.

Verschil beide proeven > 30 %

-

-

NIET TOEGESTAAN

Overberemming van de achterste as of het achterste asstel [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.8.57 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien bij de beoordeling van de overberemming van de achterste as of het achterste asstel van een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg gebruik gemaakt wordt van een remtestinrichting moeten de artikelen 2.8.58 tot en met 2.8.60 in acht worden genomen.

Artikel 2.8.58 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien gebruik wordt gemaakt van een rollenremtestbank, moet:

    • a. voor de voorste as en de achterste as of het achterste asstel de pedaalkracht worden bepaald even voor het moment van blokkeren van één of meer wielen;

    • b. de laagst vastgestelde pedaalkracht worden gebruikt om de remkrachten te bepalen die optreden bij deze pedaalkracht op de voorste as en op de achterste as of het achterste asstel;

    • c. de door de achterste as of het achterste asstel opgebrachte remkracht lager zijn dan het volgende percentage:

      • 1°. 30% indien de motor zich voorin bevindt en voorwielaandrijving aanwezig is;

      • 2°. 40% indien de motor zich voorin bevindt en achterwielaandrijving aanwezig is;

      • 3°. 50% indien de motor zich achterin bevindt en achterwielaandrijving aanwezig is.

  • 2 Een remproef op de weg vindt als nader onderzoek plaats, indien uit de berekening met de bij de remtest verkregen waarden blijkt dat het percentage van de remkracht die wordt opgebracht door de achterste as beneden de aangegeven waarde zoals vermeld in het eerste lid, onderdeel c, ligt; het gebruik van een remvertragingsmeter is niet noodzakelijk.

  • 3 Bij een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, waarvan de motor en de aandrijving niet onder onderdeel c, van het eerste lid, vallen, wordt eveneens een remproef op de weg gehouden, zoals bepaald in paragraaf 1 van deze afdeling, echter zonder gebruik te maken van een remvertragingsmeter.

Artikel 2.8.59 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien gebruik wordt gemaakt van een vier-plaats remtestbank, moet:

    • a de snelheid bij de aanvang van de proef ongeveer 10 km/h bedragen, waarbij de remkrachten van de voorste as en de achterste as of het achterste asstel worden bepaald;

    • b de door de achterste as of het achterste asstel opgebrachte remkracht lager zijn dan het volgende percentage:

      • 1°. 30% indien de motor zich voorin bevindt en voorwielaandrijving aanwezig is;

      • 2°. 40% indien de motor zich voorin bevindt en achterwielaandrijving aanwezig is;

      • 3°. 50% indien de motor zich achterin bevindt en achterwielaandrijving aanwezig is.

  • 2 Een remproef op de weg vindt als nader onderzoek plaats, indien uit de berekening met de bij de remtest verkregen waarden blijkt dat het percentage van de remkracht die wordt opgebracht door de achterste as beneden de aangegeven waarde zoals vermeld in het eerste lid, onderdeel b, ligt; het gebruik van een remvertragingsmeter is niet noodzakelijk.

  • 3 Bij een personenauto of een bedrijfsauto met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg waarvan de motor en de aandrijving niet onder onderdeel b, van het eerste lid, vallen, wordt eveneens een remproef op de weg gehouden, zoals bepaald in paragraaf 1 van deze afdeling, echter zonder gebruik te maken van een remvertragingsmeter.

Artikel 2.8.60 [Vervallen per 01-05-2009]

In afwijking van artikel 2.8.52, tweede lid, mag de beoordeling van het uitbreken als gevolg van overberemming van de achteras of asstel niet plaatsvinden op een twee-plaatsremtestbank; de beoordeling moet worden uitgevoerd door middel van een remproef op de weg zoals bepaald in paragraaf 1 van deze afdeling.

Artikel 2.8.61 [Vervallen per 01-05-2009]

De beoordeling van de overberemming van de achterste as of het achterste asstel van een driewielig motorrijtuig moet plaatsvinden door middel van een remproef op de weg zoals bepaald in paragraaf 1 van deze afdeling; het gebruik van een remvertragingsmeter is niet noodzakelijk.

Titel 9. Carrosserie [Vervallen per 01-05-2009]

Afdeling 1. Corrosie [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.9.1 [Vervallen per 01-05-2009]

De bevestiging van de onderdelen van de carrosserie genoemd in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement moeten voldoen aan de eisen ten aanzien van corrosie bedoeld in titel 2 van dit hoofdstuk.

Afdeling 2. Voorruiten [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1. Personenauto's, bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg alsmede driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.9.2 [Vervallen per 01-05-2009]

Voorruiten van personenauto's, bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg alsmede driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg mogen in de artikel 2.9.3 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 2.9.4 en 2.9.5.

Artikel 2.9.3 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De voorruit wordt verdeeld in de volgende drie denkbeeldige vlakken, zoals weergegeven in figuur 13:

    • a het vlak voor het directe gezichtsveld van de bestuurder: dit is het gedeelte van de voorruit dat zich voor de bestuurderszitplaats bevindt, ter grootte van een op de voorruit te projecteren vlak met een horizontale zijde van 0,30 m en een verticale zijde van 0,20 m;

    • b het vlak voor het indirecte gezichtsveld van de bestuurder, hetgeen als volgt wordt gevormd: het directe gezichtsveld wordt ten opzichte van het midden van de voorruit gespiegeld naar het rechter voorruitgedeelte. Het hierdoor gevonden vlak en de tussenruimte naar het directe gezichtsveld vormt het indirecte gezichtsveld;

    • c het randvlak: dit is het nog resterende deel van de voorruit.

  • 2 Het middelpunt van het in het eerste lid, onder a, geprojecteerde vlak moet samenvallen met het snijpunt van:

    • a de verticale lijn, denkbeeldig getrokken op de voorruit, vanuit de zitpositie van de bestuurder, door het hart van het stuur, en

    • b de door het middelpunt van het ruitewisserblad beschreven baan op de voorruit of bij een centrale ruitewisser de horizontale raaklijn aan de genoemde beschreven baan, zoals weergegeven in figuur 14.

Bijlage 49939.png
Figuur 13 Voorruit
Bijlage 49940.png
Figuur 14 Centrale wisser

Artikel 2.9.4 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 In het vlak voor het directe gezichtsveld mogen, in afwijking van artikel 2.9.5, de volgende beschadigingen of verkleuringen aanwezig zijn:

    • a. enkelvoudige scheuren, ongeacht de lengte;

    • b. oppervlakkige krassen waarvan de breedte niet meer dan 5 mm bedraagt;

    • c. beschadigingen of verkleuringen waarvan de afmetingen zodanig zijn, dat een denkbeeldig getrokken cirkel om de gehele beschadiging of verkleuring heen een diameter heeft van niet meer dan 20 mm.

  • 2 In het vlak voor het indirecte gezichtsveld mogen, in afwijking van artikel 2.9.5, de volgende beschadigingen of verkleuringen aanwezig zijn:

    • a. enkelvoudige scheuren, ongeacht de lengte;

    • b. oppervlakkige krassen waarvan de breedte niet meer dan 5 mm bedraagt;

    • c. beschadigingen of verkleuringen waarvan de afmetingen zodanig zijn, dat een denkbeeldig getrokken cirkel om de gehele beschadiging of verkleuring heen een diameter heeft van niet meer dan 50 mm.

  • 3 Onder de in het eerste en tweede lid genoemde enkelvoudige scheuren worden scheuren verstaan die in de gezichtsvelden geen vertakkingen vertonen tussen begin- en eindpunt, zoals weergegeven in figuur 15.

Bijlage 49941.png
Figuur 15 Toegestane scheuren
  • 4 In het randvlak mogen beschadigingen of verkleuringen aanwezig zijn.

  • 5 Indien een beschadiging of verkleuring doorloopt in de verschillende te beoordelen vlakken van de ruit, dan moet alleen dat deel van de beschadiging of verkleuring in ogenschouw worden genomen dat in het te beoordelen vlak aanwezig is.

Artikel 2.9.5 [Vervallen per 01-05-2009]

De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 2.9.4, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.

Artikel 2.9.6 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

  • a door middel van visuele controle;

  • b door in geval van twijfel te meten met een meetmiddel van voldoende bereik.

§ 2. Bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.9.7 [Vervallen per 01-05-2009]

Voorruiten van bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg mogen in de artikel 2.9.8 aangegeven vlakken niet meer beschadigd of verkleurd zijn dan zoals bepaald in de artikelen 2.9.9 en 2.9.10.

Artikel 2.9.8 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De voorruit wordt verdeeld in de volgende drie denkbeeldige vlakken:

    • a het vlak voor het directe gezichtsveld van de bestuurder: dit is het gedeelte van de voorruit dat zich voor de bestuurderszitplaats bevindt, ter grootte van een op de voorruit te projecteren vlak met een horizontale zijde van 0,40 m en een verticale zijde van 0,40 m, zoals weergegeven in figuur 16;

    • b het vlak voor het indirecte gezichtsveld van de bestuurder, hetgeen als volgt wordt gevormd: het directe gezichtsveld wordt ten opzichte van het midden van de voorruit gespiegeld naar het rechter voorruitgedeelte: het hierdoor gevonden vlak en de tussenruimte naar het directe gezichtsveld vormt het indirecte gezichtsveld;

    • c het randvlak: dit is het nog resterende deel van de voorruit.

  • 2 Het middelpunt van het in het eerste lid, onder a, geprojecteerde vlak moet samenvallen met het snijpunt van:

    • a de verticale lijn, denkbeeldig getrokken op de voorruit, vanuit de zitpositie van de bestuurder, door het hart van het stuur, en

    • b de horizontale lijn op 0,65 m boven het laagste punt van de zitting van de onbelaste bestuurdersstoel in de achterste en onderste gebruiksstand, waarbij moet worden uitgegaan van de meest gebruikelijke zitpositie voor een bestuurder van gemiddelde lengte, indien de onderste gebruiksstand lager uitkomt dan voor het besturen noodzakelijk is.

Bijlage 49942.png
A is gelijk aan B H=geprojecteerde hoogte op de voorruit

Figuur 16 Voorruit

Artikel 2.9.9 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 In het vlak voor het directe gezichtsveld mogen, in afwijking van artikel 2.9.10, de volgende beschadigingen of verkleuringen aanwezig zijn:

    • a. enkelvoudige scheuren, ongeacht de lengte;

    • b. oppervlakkige krassen waarvan de breedte niet meer dan 8 mm bedraagt;

    • c. beschadigingen of verkleuringen waarvan de afmetingen zodanig zijn, dat een denkbeeldig getrokken cirkel om de gehele beschadiging of verkleuring heen een diameter heeft van niet meer dan 30 mm.

  • 2 In het vlak voor het indirecte gezichtsveld mogen, in afwijking van artikel 2.9.10, de volgende beschadigingen of verkleuringen aanwezig zijn:

    • a. enkelvoudige scheuren, ongeacht de lengte;

    • b. oppervlakkige krassen waarvan de breedte niet meer dan 8 mm bedraagt;

    • c. beschadigingen of verkleuringen waarvan de afmetingen zodanig zijn, dat een denkbeeldig getrokken cirkel om de gehele beschadiging of verkleuring heen een diameter heeft van niet meer dan 100 mm.

  • 3 Onder de in het eerste en tweede lid genoemde enkelvoudige scheuren worden scheuren verstaan die in de gezichtsvelden geen vertakkingen vertonen tussen begin- en eindpunt, zoals weergegeven in figuur 17.

  • 4 In het randvlak mogen beschadigingen of verkleuringen aanwezig zijn.

  • 5 Indien een beschadiging of verkleuring doorloopt in de verschillende te beoordelen vlakken van de ruit, dan moet alleen dat deel van de beschadiging of verkleuring in ogenschouw worden genomen dat in het te beoordelen vlak aanwezig is.

Bijlage 49943.png
Figuur 17 Toegestane scheuren

Artikel 2.9.10 [Vervallen per 01-05-2009]

De voorruit mag meerdere luchtbellen, beschadigingen of verkleuringen vertonen die ten aanzien van de afmetingen ieder afzonderlijk voldoen aan artikel 2.9.9, mits het uitzicht van de bestuurder daardoor niet wordt belemmerd.

Artikel 2.9.11 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

  • a door middel van visuele controle;

  • b door in geval van twijfel te meten met een meetmiddel van voldoende bereik.

Afdeling 3. Gezichtsvelden van verplichte spiegels en gezichtsveldverbeterende voorzieningen als bedoeld in de artikelen 5.3.45 en 5.3.45a van het Voertuigreglement [Vervallen per 01-05-2009]

Voertuigreglement [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.9.12 [Vervallen per 01-05-2009]

De spiegels van bedrijfsauto's moeten zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder in normale rijhouding de vereiste gezichtsvelden, zoals bepaald in de artikelen 2.9.13 tot en met 2.9.16 kan overzien.

Artikel 2.9.13 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De linkerbuitenspiegel van de bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg die in gebruik is genomen voor 26 januari 2008, of van de bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg die in gebruik is genomen voor 26 januari 2011 moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 18, waarbij de bestuurder:

    • a. een punt op het wegdek, gelegen op 10,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 2,50 m naast het verlengde van de linkerzijde van het voertuig kan zien,

    • b. een deel van de linkerzijde van het voertuig kan zien,

    • c. de horizon kan zien, en

    • d. tevens recht naar achteren kan kijken.

  • 2 De linkerbuitenspiegel van de bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg die in gebruik is genomen na 25 januari 2011, met uitzondering van bussen, is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 18a, waarbij de bestuurder:

    • a. een punt op het wegdek, gelegen op 20,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 4,00 m naast het verlengde van de linkerzijde van het voertuig kan zien,

    • b. een punt op het wegdek, gelegen op 4,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 1,00 m naast het verlengde van de linkerzijde van het voertuig kan zien,

    • c. en een deel van de linkerzijde van het voertuig kan zien,

    • d. de horizon kan zien, en

    • e. tevens recht naar achteren kan kijken.

  • 3 De linkerbuitenspiegel van de bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg die in gebruik is genomen na 25 januari 2008 en van de bus met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3.500 kg die in gebruik is genomen na 25 januari 2011 is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergeven in figuur 18b, waarbij de bestuurder:

    • a. een punt op het wegdek, gelegen op 30,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 5,00 m naast het verlengde van de linkerzijde van het voertuig kan zien,

    • b. een punt op het wegdek, gelegen op 4,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 1,00 m naast het verlengde van de linkerzijde van het voertuig kan zien,

    • c. een deel van de linkerzijde van het voertuig kan zien,

    • d. de horizon kan zien, en

    • e. tevens recht naar achteren kan kijken.

Bijlage 242364.png
Bijlage 242365.png
Bijlage 242366.png

Artikel 2.9.14 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De rechterbuitenspiegel van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008 en is bestemd voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, of de bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg die in gebruik is genomen na 25 januari 2008 en is bestemd voor het vervoer van goederen, moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 18b, waarbij de bestuurder:

    • a. een punt op het wegdek, gelegen op 30,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 5,00 m naast het verlengde van de rechterzijde van het voertuig kan zien,

    • b. een punt op het wegdek, gelegen op 4,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 1,00 m naast het verlengde van de rechterzijde van het voertuig kan zien,

    • c. een deel van de rechterzijde van het voertuig kan zien,

    • d. de horizon kan zien, en

    • e. tevens recht naar achteren kan kijken.

  • 2 De rechterbuitenspiegel van de bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 3500 kg die in gebruik is genomen na 25 januari 2011 en is bestemd voor het vervoer van goederen, is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 18a, waarbij de bestuurder:

    • a. een punt op het wegdek, gelegen op 20,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 4,00 m naast het verlengde van de rechterzijde van het voertuig kan zien,

    • b. een punt op het wegdek, gelegen op 4,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 1,00 m naast het verlengde van de rechterzijde van het voertuig kan zien,

    • c. en een deel van de rechterzijde van het voertuig kan zien,

    • d. de horizon kan zien, en

    • e. tevens recht naar achteren kan kijken.

  • 3 De rechterbuitenspiegel van de bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 2000 kg die in gebruik is genomen na 30 september 1988 doch voor 26 januari 2011 en is bestemd voor het vervoer van goederen moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 19, waarbij de bestuurder:

    • a. een punt op het wegdek, gelegen op 20,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 4,00 m naast het verlengde van de rechterzijde van het voertuig kan zien,

    • b. een deel van de rechterzijde van het voertuig kan zien,

    • c. de horizon kan zien, en

    • d. tevens recht naar achteren kan kijken.

  • 4. De rechterbuitenspiegel van de bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van niet meer dan 2000 kg die in gebruik is genomen vóór 1 oktober 1988 en is bestemd voor het vervoer van goederen en moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 20, waarbij de bestuurder:

    • a. een punt op het wegdek, gelegen op 30,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 3,50 m naast het verlengde van de rechterzijde van het voertuig kan zien,

    • b. een deel van de rechterzijde van het voertuig kan zien,

    • c. de horizon kan zien, en

    • d. tevens recht naar achteren kan kijken.

  • 5. De rechterbuitenspiegel van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen voor 26 januari 2008 en is bestemd voor het vervoer van meer dan acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen, of de bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 3500 kg die in gebruik is genomen voor 26 januari 2008 en is bestemd voor het vervoer van goederen en de rechterbuitenspiegel van de bedrijfsauto met een toegestane maximummassa van meer dan 2000 kg maar niet meer dan 3500 kg die in gebruik is genomen voor 26 januari 2011 en is bestemd voor het vervoer van goederen is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 21, waarbij de bestuurder:

    • a. een punt op het wegdek, gelegen op 4,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 0,75 m naast het verlengde van de rechterzijkant van het voertuig kan zien,

    • b. een punt op het wegdek, gelegen op 30,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 3,50 m naast het verlengde van de rechterzijkant van het voertuig kan zien,

    • c. een deel van de rechterzijde van het voertuig kan zien,

    • d. de horizon kan zien, en

    • e. tevens recht naar achteren kan kijken.

Bijlage 242367.png
Bijlage 242368.png
Bijlage 242369.png

Artikel 2.9.15 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De trottoirspiegel van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen voor 1 januari 2000 moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien zoals weergegeven in figuur 22.

  • 2 De trottoirspiegel van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 31 december 1999 moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien zoals weergegeven in figuur 22a.

  • 3 Indien het verticale dwarsvlak door de voorste zijde van de bumper op minder dan 1,00 m is gelegen van de oogpunten van de bestuurder mag het gezichtveld van de trottoirspiegel worden beperkt tot dat dwarsvlak zoals weergegeven in figuur 22b.

Bijlage 242370.png
Bijlage 242371.png
Bijlage 242372.png

Artikel 2.9.16 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De aan de passagierszijde gemonteerde breedtespiegel van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen voor 1 januari 2000 moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 23, waarbij de bestuurder:

    • a. een punt op het wegdek, gelegen op 3,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 2,50 m naast het verlengde van de rechterzijkant van het voertuig kan zien,

    • b. een punt op het wegdek, gelegen op 15,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 12,50 m naast het verlengde van de rechterzijkant van het voertuig kan zien,

    • c. een punt op het wegdek, gelegen op 4,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en op de projectie van de rechterzijkant van het voertuig of het verlengde van deze projectie kan zien,

    • d. een punt op het wegdek, gelegen op 25,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en in het verlengde van de rechterzijkant van het voertuig kan zien, en

    • e. tevens recht naar achteren kan kijken.

  • 2 De aan de passagierszijde gemonteerde breedtespiegel van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 31 december 1999 moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 23-1, waarbij de bestuurder:

    • a. een punt op het wegdek, gelegen op 1,50 m achter de oogpunten van de bestuurder en 4,50 m naast het verlengde van de rechterzijkant van het voertuig kan zien,

    • b. een punt op het wegdek, gelegen op 10,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 15,00 m naast het verlengde van de rechterzijkant van het voertuig kan zien,

    • c. een punt op het wegdek, gelegen op 25,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 15,00 m naast het verlengde van de rechterzijkant van het voertuig kan zien,

    • d. een punt op het wegdek, gelegen op 25,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en op het verlengde van de projectie van de rechterzijkant van het voertuig kan zien, en

    • e. tevens recht naar achteren kan kijken.

  • 3 De aan de bestuurderszijde gemonteerde breedtespiegel van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 31 december 1999 moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld op grondniveau kan overzien, zoals weergegeven in figuur 23-1, waarbij de bestuurder:

    • a. een punt op het wegdek, gelegen op 1,50 m achter de oogpunten van de bestuurder en 4,50 m naast het verlengde van de linkerzijkant van het voertuig kan zien,

    • b. een punt op het wegdek, gelegen op 10,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 15,00 m naast het verlengde van de linkerzijkant van het voertuig kan zien,

    • c. een punt op het wegdek, gelegen op 25,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en 15,00 m naast het verlengde van de linkerzijkant van het voertuig kan zien,

    • d. een punt op het wegdek, gelegen op 25,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en op het verlengde van de projectie van de linkerzijkant van het voertuig kan zien, en

    • e. tevens recht naar achteren kan kijken.

Bijlage 242373.png
Bijlage 242374.png

Artikel 2.9.16a [Vervallen per 01-05-2009]

  • 2 De Minister van Verkeer en Waterstaat maakt door publicatie in de Staatscourant de gezichtsveldverbeterende voorzieningen bekend die in ieder geval voldoen aan het bepaalde in de artikelen 2.9.16.b tot en met 2.9.16.d.

Artikel 2.9.16b [Vervallen per 01-05-2009]

De gezichtsveldverbeterende voorziening is zodanig geplaatst dat de bestuurder hiermee, eventueel in combinatie met andere spiegels, het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 23a, waarbij de bestuurder zicht heeft op:

  • a. een punt op het wegdek, gelegen op 1,50 m achter de oogpunten van de bestuurder en op de projectie van de rechterzijkant of het verlengde daarvan van het voertuig,

  • b. een punt op het wegdek, gelegen op 1,50 m achter de oogpunten van de bestuurder en op 4,50 m naast de rechterzijkant of het verlengde daarvan van het voertuig,

  • c. een punt op het wegdek, gelegen op 10,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en op 15,00 m naast de rechterzijkant of het verlengde daarvan van het voertuig,

  • d. een punt op het wegdek, gelegen op 25,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en op de projectie van het verlengde van de rechterzijkant van het voertuig, en

  • e. een punt op het wegdek, gelegen op 25,00 m achter de oogpunten van de bestuurder en op 15,00 m naast het verlengde van de rechterzijkant van het voertuig.

Bijlage 242375.png

Artikel 2.9.16c [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De gezichtsveldverbeterende voorziening is:

    • a deugdelijk bevestigd,

    • b steekt niet verder buiten het voertuig uit dan noodzakelijk is om de in artikel 2.9.16.b. voorgeschreven gezichtsvelden te verkrijgen,

    • c belemmert het rechtstreekse zicht van de bestuurder zo min mogelijk en

    • d steekt niet verder dan 250 mm uit, gemeten vanaf het breedste punt van het voertuig zonder de spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen, indien de onderrand van de gezichtsveldverbeterende voorziening zich op een hoogte van minder dan 2 m boven het wegdek bevindt.

Artikel 2.9.16d [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De gezichtsveldverbeterende voorziening bestaat uit een spiegel of een camera/beeldscherm-systeem.

  • 2 Een spiegel voldoet aan de volgende aanvullende eisen:

    • a hij is verstelbaar,

    • b het spiegeloppervlak is vlak of bolrond, en

    • c het proces van scannen en weergeven duurt niet langer dan 2 seconden, in het geval dat de spiegel uitsluitend het voorgeschreven gezichtsveld kan weergeven via het scannen ervan.

  • 3 Een camera/beeldscherm-systeem voldoet aan de volgende aanvullende eisen:

    • a het is zonder gereedschap te verstellen in het geval dat het systeem verstelbaar is, en

    • b het beeldscherm biedt bij normale gebruiksomstandigheden voldoende contrast en de helderheid kan handmatig aan de omgevingsomstandigheden worden aangepast of wordt automatisch hieraan aangepast.

Artikel 2.9.16e [Vervallen per 01-05-2009]

De vooruitkijkspiegel of het camera-monitorsysteem van de bedrijfsauto die in gebruik is genomen na 25 januari 2008 moet zodanig zijn geplaatst dat de bestuurder hiermee het gezichtsveld kan overzien zoals weergegeven in figuur 24, waarbij de bestuurder zicht heeft op:

  • a. een 2,00 m lang voor de uiterste voorzijde van het voertuig gelegen vlak dat begrensd wordt door de projectie of het verlengde van de projectie van de linker- en rechterzijkant van het voertuig,

  • b. een daarop aansluitende kwartcirkel met een straal van 2,00 m waarvan het middelpunt is gelegen op de projectie of het verlengde van de projecties van de voorzijde en de rechterzijkant van het voertuig.

Bijlage 242377.png

Artikel 2.9.16f [Vervallen per 01-05-2009]

Het beeldscherm van het camera-monitorsysteem moet dusdanig zijn gemonteerd dat de kijkrichting voor het beeldscherm ongeveer overeenkomt met die voor de linker- of de rechterbuitenspiegel.

Artikel 2.9.17 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze afdeling gestelde eisen worden alleen getoetst indien dit noodzakelijk is voor het bepalen van het aantal spiegels of gezichtsveldverbeterende voorzieningen; indien er getoetst wordt, gebeurt dit visueel.

Afdeling 4. Regels met betrekking tot de wielafscherming alsmede zijdelingse afscherming van voertuigen [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1. Wielafscherming [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.9.18 [Vervallen per 01-05-2009]

Bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1974 en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1974 met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg moeten ten aanzien van de wielafscherming voldoen aan de artikelen 2.9.19 tot en met 2.9.22.

Artikel 2.9.19 [Vervallen per 01-05-2009]

De wielafscherming moet het gehele horizontale projectievlak boven ieder wiel afdekken. De wielen, inclusief alle bevestigingsmiddelen en naven, mogen in de breedterichting niet meer dan 30 mm buiten deze afscherming uitsteken, zoals weergegeven in figuur 24.

Bijlage 49951.png
Figuur 24 Projectievlak

Artikel 2.9.20 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De wielen van de achterste as moeten aan de achterzijde zijn voorzien van een wielafscherming die niet mag eindigen boven een denkbeeldig horizontaal vlak gelegen op 0,15 m boven het middelpunt van de wielen en op niet meer dan 0,30 m achter het wiel. Bovendien moet het achterste gedeelte minimaal reiken tot de denkbeeldige lijn die een hoek van 45° vormt met het wegdek, zoals weergegeven in figuur 25.

  • 2 Indien de achterste wielen zijn bestuurd of gestuurd is de maat van 0,30 m niet van toepassing, zoals weergegeven in figuur 25.

Bijlage 49952.png
Figuur 25 Uiteinde wielafscherming

Artikel 2.9.21 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De wielafscherming moet:

    • a vormvast zijn, en

    • b deugdelijk zijn bevestigd.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, is, indien het een voertuig betreft in gebruik genomen vóór 1 januari 1995, een permanent aangebracht roldoek toegestaan.

  • 3 Aan het bepaalde in het eerste lid wordt voldaan indien de wielafscherming bestaat uit een constructie van scharnierende of verschuifbare delen dan wel gevormd wordt door een demontabele afscherming waarvoor een opbergruimte op het voertuig aanwezig is.

  • 4 Een eventuele spatlap aan de achterzijde van het wiel is als wielafscherming toegestaan, mits deze vormvast is of voldoende ondersteund.

Artikel 2.9.22 [Vervallen per 01-05-2009]

Delen van de permanente opbouw kunnen als deel van de wielafscherming dienen.

§ 2. Zijdelingse afscherming [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.9.23 [Vervallen per 01-05-2009]

Bedrijfsauto's in gebruik genomen na 31 december 1969 en aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1969 moeten ten aanzien van de zijdelingse afscherming voldoen aan de artikelen 2.9.24 tot en met 2.9.29.

Artikel 2.9.24 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1

    • a Aan weerszijden van het voertuig moeten de volgende gebieden zijn beveiligd:

      • 1°. het verticale dwarsvlak dat bij een bedrijfsauto op 0,30 m achter de cabine begint, zoals weergegeven in figuur 26, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op niet meer dan 0,50 m achter dit wiel, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m vóór het voorste achterwiel, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel, op 0,50 m vóór dit wiel eindigt;

      • 2°. het verticale dwarsvlak dat bij een middenasaanhangwagen op 2,50 m achter de hart-koppeling begint: indien binnen deze maat de bovenbouw nog niet is bereikt, begint het dwarsvlak aan de voorzijde van de bovenbouw, zoals weergegeven in figuur 27, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m vóór het voorste achterwiel, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel, op 0,50 m vóór dit wiel eindigt;

      • 3°. het verticale dwarsvlak dat bij een aanhangwagen, niet zijnde een een oplegger of middenasaanhangwagen, op 0,30 m achter het achterste voorwiel begint, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op niet meer dan 0,50 m achter dit wiel, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m vóór het voorste achterwiel, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel, op 0,50 m vóór dit wiel eindigt;

      • 4°. het verticale dwarsvlak dat bij een oplegger op ten hoogste 0,25 m achter het hart van de opleggersteunen begint met een maximum van 2,75 m achter het hart van de koppelingspen, zoals weergegeven in figuur 28, en het verticale dwarsvlak dat op 0,30 m voor het voorste achterwiel eindigt of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op 0,50 m vóór dit wiel;

    • b indien het voertuig is voorzien van een samenstel van assen, het gebied gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van het wiel en het vertikale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel en indien de afstand tussen beide verticale dwarsvlakken meer bedraagt dan 0,50 m, zoals weergegeven in figuur 29;

    • c het gebied gelegen tussen het verticale dwarsvlak dat begint op 0,30 m achter het achterste achterwiel van het voertuig, of in het geval van een bestuurd of gestuurd wiel op 0,50 m achter dit wiel en in het verticale dwarsvlak dat eindigt aan de achterzijde van het voertuig, zoals weergegeven in figuur 30.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c, geldt niet voor bedrijfsauto's en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg.

Bijlage 49953.png
Figuur 26 Bedrijfsauto
Bijlage 49954.png
Figuur 27 Middenasaanhangwagen
Bijlage 49955.png
Figuur 28 Oplegger
Bijlage 49956.png
Figuur 29 Tussen de wielen
Bijlage 49957.png
Figuur 30 Na achterste achterwiel

Artikel 2.9.25 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 2 Bedrijfsauto's voorzien van meer dan drie assen, in gebruik genomen na 31 mei 1997, zijn binnen de in artikel 2.9.24, eerste lid,

    • a. onderdeel a, onder 1, en onderdeel b genoemde gebieden, aan beide zijden voorzien van een zijdelingse afscherming, overeenkomstig:

      • 1°. artikel 2.9.25a, indien de afstand tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van een wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel meer bedraagt dan:

        • A. 0,75 m tussen starre assen;

        • B. 0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;

        • C. 1 m tussen twee gestuurde of bestuurde assen;

      • 2°. artikel 2.9.25b, indien de afstand tussen het verticale dwarsvlak dat raakt aan de achterzijde van een wiel en het verticale dwarsvlak dat raakt aan de voorzijde van het daarop volgende wiel meer bedraagt dan 0,50 m doch niet meer dan:

        • A. 0,75 m tussen starre assen;

        • B. 0,85 m tussen een starre as en een gestuurde of bestuurde as;

        • C. 1,00 m. tussen twee gestuurde of bestuurde assen.

    • b. onderdeel c genoemde gebieden, aan beide zijden voorzien van een zijdelingse afscherming, overeenkomstig artikel 2.9.25b.

Artikel 2.9.25a [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1

    • a De onderrand van de zijdelingse afscherming bevindt zich op niet meer dan 0,55 m boven het wegdek, en

    • b de bovenrand reikt ten minste tot 0,35 m onder de bovenbouw of tot de hoogte van de laadvloer, dan wel reikt tot 0,95 m boven het wegdek. Indien het een voertuig betreft met een verwisselbare opbouw mag de bovenzijde lager zijn gelegen dan 0,95 m.

  • 2 De zijdelingse afscherming kan onder meer worden gevormd door permanent aanwezige carrosseriedelen, randprofielen, wielafschermingen, accubakken, lucht- of brandstofreservoirs en gereedschapskisten, dan wel door afzonderlijk aangebrachte vormvaste delen.

  • 3 De vormvaste delen als bedoeld in het tweede lid moeten een doorlopend vlak oppervlak hebben of zijn opgebouwd uit één of meerdere horizontaal gemonteerde profielen die onderling niet meer dan 0,30 m uit elkaar liggen en die een hoogte hebben van tenminste:

    • a 50 mm, indien het een bedrijfsauto betreft met een toegestane maximum massa van niet meer dan 12.000 kg of indien het een aanhangwagen, met uitzondering van een middenasaanhangwagen, betreft met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg;

    • b 0,1 m, indien het een bedrijfsauto betreft met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg of indien het een aanhangwagen, met uitzondering van een middenasaanhangwagen, betreft met een toegestane maximum massa van meer dan 10.000 kg.

  • 4 In afwijking van het bepaalde in het derde lid mogen voertuigen met een wisselbare opbouw zijn voorzien van een zijdelingse afscherming die bestaat uit één profiel met een hoogte van ten minste:

    • a 50 mm, indien het een bedrijfsauto betreft met een toegestane maximum massa van niet meer dan 12.000 kg of indien het een aanhangwagen, met uitzondering van een middenasaanhangwagen, betreft met een toegestane maximum massa van niet meer dan 10.000 kg;

    • b 0,1 m, indien het een bedrijfsauto betreft met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg of indien het een aanhangwagen, met uitzondering van een middenasaanhangwagen, betreft met een toegestane maximum massa van meer dan 10.000 kg.

Artikel 2.9.25b [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De zijdelingse afscherming, als bedoeld in artikel 2.9.25, eerste lid, onderdeel b, kan onder meer worden gevormd door permanent aanwezige carrosseriedelen, randprofielen, wielafschermingen, accubakken, lucht- of brandstofreservoirs en gereedschapskisten, dan wel door afzonderlijk aangebrachte vormvaste profielen met een hoogte van ten minste 30 mm.

  • 2 De onderrand bevindt zich niet meer dan 1,30 m boven het wegdek.

Artikel 2.9.26 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Voertuigen in gebruik genomen vóór 1 januari 1998 moeten binnen de in artikel 2.9.24 genoemde vlakken aan elke zijkant zijn voorzien van een zijdelingse afscherming, overeenkomstig het tweede lid, waarvan de onderrand zich niet meer dan 1,30 m boven het wegdek mag bevinden.

  • 2 De zijdelingse afscherming kan ondermeer worden gevormd door permanent aanwezige carrosseriedelen, randprofielen, wielafschermingen, accubakken, lucht- of brandstofreservoirs en gereedschapskisten, dan wel door afzonderlijk aangebrachte vormvaste profielen met een hoogte van ten minste van 30 mm.

Artikel 2.9.27 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 2 De zijdelingse afscherming moet aanwezig zijn op een afstand van niet meer dan 0,12 m binnenwaarts ten opzichte van het breedste punt van het voertuig. Indien het voertuig na het breedste punt in breedte afneemt, moet de afstand van 0,12 m worden gemeten vanaf het verticale raakvlak door het breedste punt en enig raakpunt met een daarachter gelegen voertuigdeel, zoals weergegeven in figuur 31.

Bijlage 49958.png
Figuur 31 Breedte-afname na breedste punt

Artikel 2.9.28 [Vervallen per 01-05-2009]

De in artikel 2.9.25 en artikel 2.9.26 bedoelde zijdelingse afscherming mag zijn onderbroken, echter de onderbreking mag, gemeten in lengterichting:

  • a. niet groter zijn dan 25 mm, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen, of niet groter zijn dan 0,30 m indien de afscherming is aangebracht binnen het in artikel 2.9.24, eerste lid, onderdeel a, sub 2, en de onderdelen b en c, genoemde vlak. In afwijking hiervan is een onderbreking van maximaal 100 mm ter plaatse van de steunpoten, en maximaal 50 mm ter plaatse van het vulopening van het brandstofreservoir toegestaan;

  • b. niet groter zijn dan 0,30 m, indien het voertuig vóór 1 januari 1998 in gebruik is genomen.

Artikel 2.9.29 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien het voertuig aan beide zijden is voorzien van een afzonderlijk doorlopend spatbord over alle wielen van het samenstel van assen, is ter plaatse van het samenstel voldaan aan de artikelen 2.9.23 tot en met 2.9.28.

Artikel 2.9.30 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:

    • a. door middel van visuele controle, en

    • b. door in geval van twijfel te meten met een meetmiddel van voldoende bereik, waarbij het volgende in acht moet worden genomen:

      • 1°. het voertuig is op een horizontaal of nagenoeg horizontaal en vlak wegdek geplaatst;

      • 2°. alle wielen zijn in de stand van rechtuitrijden geplaatst;

      • 3°. de banden zijn op de juiste spanning;

      • 4°. indien het een oplegger of middenasaanhangwagen betreft is deze op zodanige wijze op steunen geplaatst dat de laadvloer horizontaal is dan wel overeenkomt met de normale rijstand.

  • 2 Bij de bepaling van de maximale onderbreking, als bedoeld in artikel 2.9.28, wordt een extra onderbreking ten gevolge van het uitschuiven van het voertuig buiten beschouwing gelaten.

Afdeling 5. Regels met betrekking tot frontbeschermingsinrichtingen van personenauto’s en van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, niet zijnde bussen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.9.31 [Vervallen per 01-05-2009]

Het EG-typegoedkeuringsmerk voor frontbeschermingsinrichtingen is vormgegeven overeenkomstig figuur 31-a, in gemonteerde toestand duidelijk leesbaar en onuitwisbaar aangebracht.

Bijlage 243293.png

Figuur 31-a EG-typegoedkeuringsmerk

waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:

e1:

EG-typegoedkeuring. De lidstaat die de goedkeuring heeft verleend wordt aangeduid met een variabele kenletter (‘1’ is Duitsland, ‘4’ is Nederland);

01:

variabel volgnummer waarmee de (wijzigings)richtlijn wordt aangeduid overeenkomstig welke de EG-typegoedkeuring heeft plaatsgevonden. Achter het volgnummer is een asterisk of een spatie geplaatst;

1471:

variabel basisgoedkeuringsnummer.

Artikel 2.9.32 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

Titel 10. Verlichting, lichtsignalen en retroreflecterende voorzieningen [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1. Zijmarkeringslichten van personenauto's, bedrijfsauto's en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.10.1 [Vervallen per 01-05-2009]

Zijmarkeringslichten moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.

Artikel 2.10.2 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Zijmarkeringslichten moeten op de volgende wijze zijn geplaatst:

    • a indien het voertuig langer is dan 6,00 m moet ten minste één zijmarkeringslicht zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevinden;

    • b de onderlinge afstand tussen de zijmarkeringslichten mag niet meer dan 3,00 m bedragen, tenzij dat in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, in welk geval deze afstand meer dan 3,00 m doch niet meer dan 4,00 m mag bedragen;

    • c de afstand van het meest naar voren gelegen zijmarkeringslicht tot de uiterste voorzijde van het voertuig mag niet meer dan 3,00 m bedragen, tenzij dat in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, in welk geval deze afstand meer dan 3,00 m doch niet meer dan 4,00 m mag bedragen.

    • d de afstand van het meest naar achteren gelegen zijmarkeringslicht tot de uiterste achterzijde van het voertuig mag niet meer dan 1,00 m bedragen.

  • 2 Indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, dan wel in het kentekenregister of op het kentekenbewijs wordt aangeduid als kaal chassis, mag zich, bij verdeling van de lengte van het voertuig in drie gelijke delen, één zijmarkeringslicht op het voorste derde gedeelte en één zijmarkeringslicht op het achterste derde gedeelte van de lengte van het voertuig bevinden.

Artikel 2.10.3 [Vervallen per 01-05-2009]

Zijmarkeringslichten moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien dat in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.

Artikel 2.10.4 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst

  • a door middel van visuele controle;

  • b in geval van twijfel te meten met een meetmiddel van voldoende bereik.

§ 2. Niet-driehoekige ambergele retroreflectoren aan de zijkanten van bedrijfsauto's en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.10.5 [Vervallen per 01-05-2009]

Niet-driehoekige ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig.

Artikel 2.10.6 [Vervallen per 01-05-2009]

Niet-driehoekige ambergele retroreflectoren moeten op de volgende wijze zijn geplaatst:

  • a indien het voertuig langer is dan 6,00 m moet ten minste één retroreflector zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevinden;

  • b de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren mag niet meer dan 3,00 m bedragen, tenzij dat in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, in welk geval deze afstand meer dan 3,00 m doch niet meer dan 4,00 m mag bedragen;

  • c de afstand van de meest naar voren gelegen retroreflector tot de uiterste voorzijde van het voertuig mag niet meer dan 3,00 m bedragen, tenzij dat in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, in welk geval deze afstand meer dan 3,00 m doch niet meer dan 4,00 m mag bedragen.

  • d de afstand van de meest naar achteren gelegen retroreflector tot de uiterste achterzijde van het voertuig mag niet meer dan 1,00 m bedragen.

Artikel 2.10.7 [Vervallen per 01-05-2009]

Niet-driehoekige ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek.

Artikel 2.10.8 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze afdeling gestelde eisen worden getoetst:

  • a door middel van visuele controle, en

  • b door in geval van twijfel te meten met een meetmiddel van voldoende bereik.

§ 3. Aanwijzing bedrijfsauto's en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg die niet behoeven te zijn voorzien van een markering aan de achterzijde [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.10.9 [Vervallen per 01-05-2009]

De volgende voertuigen behoeven niet te zijn voorzien van een markering aan de achterzijde:

  • a kraanwagens: voertuigen, uitgerust met een hijsinstallatie, die uitsluitend in verband met deze hijsinstallatie kunnen worden gebruikt;

  • b ladderwagens: voertuigen, uitgerust met één of meer, al dan niet uitschuifbare, ladderconstructies, die uitsluitend in verband met deze ladderconstructies kunnen worden gebruikt;

  • c hoogwerkers met bak achter het voertuig: voertuigen, uitgerust met een hefbare werkvloer of werkbak, die bestemd zijn voor het verrichten van werkzaamheden aan hoge objecten en waarvan de werkvloer of werkbak zich in niet geheven stand op geringe hoogte boven het wegdek achter de achterzijde van het voertuig bevindt;

  • d haspelwagens: voertuigen, ingericht voor het vervoer van op haspels opgerolde kabels of slangen;

  • e voertuigen, ingericht voor het vervoeren, laden en lossen van afzetbakken, die bestemd zijn voor het transport van (huis)vuil en die door middel van een ketting worden op- en afgezet;

  • f betonpompen: voertuigen, uitgerust met een pompinstallatie en een bijbehorend buizenstelsel waardoor vloeibaar beton wordt gepompt;

  • g teersproeiers: voertuigen, uitgerust met een installatie waarmee bitumeuze vloeistof op het wegdek kan worden gesproeid;

  • h cartransporters: voertuigen, ingericht voor het vervoer van één of meer voertuigen;

  • i boottrailers: voertuigen, ingericht voor het vervoer van één of meer boten;

  • j voertuigen, ingericht voor het ophalen van huisvuil en ander afval en die hoofdzakelijk aan de achterzijde worden geladen en gelost;

  • k diepladers: aanhangwagens, ingericht voor het vervoer van ondeelbare lading en waarvan de laadvloer zich bevindt op niet meer dan 0,15 m boven het hart van de assen;

  • l semi-diepladers: voertuigen, waarvan de uiterste achterzijde van de laadvloer zich op niet meer dan 0,55 m boven het wegdek bevindt;

  • m bedrijfsauto's, ingericht voor het vervoer van in de lengte ondeelbare lading en voorzien van een draaischamel;

  • n dolly's:

  • o kale chassis: voertuigen zonder carrosserie-opbouw waarvan het gedeelte achter de bestuurdersplaats of bestuurderscabine, slechts bestaat uit het chassis waarop de carrosserie-opbouw alsnog moet worden aangebracht;

  • p voertuigen, ingericht voor het vervoeren, laden en lossen van wissellaadbakken en die aan de achterzijde zijn voorzien van een wegklapbare laadklep.

Artikel 2.10.10 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

§ 4. Corrosie [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.10.11 [Vervallen per 01-05-2009]

De bevestiging van de verlichtingsarmaturen genoemd in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement moet voldoen aan de eisen ten aanzien van corrosie bedoeld in titel 2 van dit hoofdstuk.

§ 5. Beschadigingen en bewerkingen van de glazen van verlichtingsarmaturen van personenauto's, bedrijfsauto's, driewielige motorrijtuigen en aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.10.12 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De glazen van de verlichtingsarmaturen mogen niet zijn bespoten, geverfd of beplakt.

  • 2 De glazen van de verlichtingsarmaturen aan de achterzijde van het voertuig, met uitzondering van de achteruitrijlichten, mogen geen barsten of gaten vertonen waardoor wit licht naar achteren kan worden gestraald.

Artikel 2.10.13 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

§ 6. De reflecterende werking van de voor het dimlicht bestemde deel van de koplampreflector van personenauto's, bedrijfsauto's en driewielige motorrijtuigen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.10.14 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Het voor het dimlicht bestemde deel van de koplampreflector mag:

    • a geen roestvorming vertonen;

    • b voor niet meer dan 25% op andere wijze zijn aangetast.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op het horizontale gedeelte van de reflector.

Artikel 2.10.15 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

§ 7. Retroreflecterende markeringen voor bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg en voor aanhangwagens [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.10.16 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Lijn- en contourmarkering dienen op de volgende wijze te zijn geïnstalleerd:

    • a de markering mag ononderbroken of onderbroken worden aangebracht, in geval van onderbroken markering mag de afstand tussen de afzonderlijke delen niet groter zijn dan 50% van de lengte van het kortste deel;

    • b de afstand tussen de markering aan de achterzijde van het voertuig en de verplichte remlichten moet minimaal 200 mm bedragen.

  • 2 Lijnmarkering dient voorts:

    • a parallel of zo veel mogelijk parallel aan het wegdek te worden aangebracht en ten minste 80% van de totale lengte of breedte van het voertuig weer te geven;

    • b op een hoogte van minimaal 250 mm en maximaal 1500 mm boven het wegdek te zijn aangebracht, dan wel, indien dit in verband met de constructie van het voertuig niet anders mogelijk is, maximaal 2100 mm boven het wegdek te zijn aangebracht.

  • 3 Contourmarkering dient voorts: a. zoveel mogelijk de totale omtrek van het voertuig weer te geven; d. waar het betreft de onderste lijn van de markering op een hoogte van minimaal 250 mm en maximaal 1500 mm boven het wegdek te zijn aangebracht.

Artikel 2.10.17 [Vervallen per 01-05-2009]

Het goedkeuringsmerk voor het markeringsmateriaal dient onuitwisbaar te zijn en te zijn vormgegeven overeenkomstig het voorbeeld in figuur 31-a.

Bijlage 49959.png
figuur 31-a Goedkeuringsmerk

Waarbij de volgende codes de daarbij vermelde betekenis hebben:

  • 104 R: aanduiding goedkeuring volgens ECE-Reglement nr. 104; 0001148: variabel typegoedkeuringsnummer;

  • 1: variabele aanduiding van het land dat goedkeuring heeft verleend ("4" is Nederland);

  • C: classificatie van het gebruikte materiaal, waarbij klasse C staat voor goedgekeurd lijn- en contourmarkeringsmateriaal en klasse D en E staan voor goedgekeurd retroreflecterend materiaal dat gebruikt wordt voor de letters en afbeeldingen binnen de contourmarkering.

Artikel 2.10.18 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

§ 8. Dimlichten met gasontladingslichtbronnen voor personenauto’s en bedrijfsauto’s in gebruik genomen na 31 december 2006 [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.10.19 [Vervallen per 01-05-2009]

Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een koplampreinigingsinstallatie waarmee het gehele of een deel van het lichtdoorlatende gedeelte van de koplamp wordt gereinigd.

Artikel 2.10.20 [Vervallen per 01-05-2009]

Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.

Artikel 2.10.21 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Dimlichten met gasontladingslichtbronnen zijn voorzien van een niveauregeling, welke de verticale helling van de lichtbundel automatisch aanpast aan de belading van het voertuig.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op voertuigen waarbij de verticale helling van de lichtbundel niet wordt beïnvloed door de belading van het voertuig.

§ 9. Opvallende markering van begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.10.22 [Vervallen per 01-05-2009]

Op de installatie van opvallende markering op begeleidingsvoertuigen als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het BABW, zijnde artikelen 2.10.16, eerste en derde lid, 2.10.17 en 2.10.18, van overeenkomstige toepassing.

Titel 11. Verbinding tussen trekkend motorrijtuig en aanhangwagen [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1. Corrosie [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.11.1 [Vervallen per 01-05-2009]

De bevestiging van de koppeling genoemd in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement moet ten aanzien van corrosie voldoen aan titel 2 van dit hoofdstuk.

§ 2. Bijzondere koppelingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.11.2 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de bedrijfsauto is voorzien van een schotelkoppeling met een verticaal beweegbare pen, mag:

  • a de onvlakheid van de schotel niet meer dan 2,5 mm bedragen;

  • b de diepte van groeven langer dan 100 mm niet meer dan 2,5 mm bedragen.

Artikel 2.11.3 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien de oplegger is voorzien van een koppelingspen zoals weergegeven in figuur 32, moet de koppelingspen respectievelijk de koppelingsplaat voldoen aan de volgende eisen:

    • a de inwendige diameter van de koppelingspen mag niet meer dan 112 mm bedragen;

    • b binnen een cirkel met een straal van 0,26 m gemeten vanuit het hart van de koppelingspen mag:

      • 1°. de onvlakheid van de koppelingsplaat niet meer dan 2,5 mm bedragen, zoals weergegeven in de figuren 33 en 34;

      • 2°. in de koppelingsplaat geen deuk voorkomen;

      • 3°. de diepte van groeven in de koppelingsplaat langer dan 100 mm niet meer dan 2,5 mm bedragen.

  • 2 Het eerste lid geldt niet voor de van fabriekswege aangebrachte gaten zoals ontwateringsgaten.

Bijlage 49960.png
Figuur 32 Koppelingspen
Bijlage 49961.png
Figuur 33 Onvlakheid koppelingsplaat
Bijlage 49962.png
Figuur 34 Onvlakheid koppelingsplaat

Artikel 2.11.4 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de bedrijfsauto is voorzien van een haakkoppeling zoals weergegeven in figuur 35:

  • a moet deze zijn voorzien van een goed werkende sluit- en borginrichting;

  • b mag de lengte van de inhaakruimte niet meer dan 49 mm bedragen.

Bijlage 49963.png
Figuur 35 Haakkoppeling

Artikel 2.11.5 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de aanhangwagen is voorzien van een trekoog