Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vaststellingsregeling regelen voor personen, die werkzaamheden verrichten, verband houdende met de luchtwaardigheid van vliegtuigen

Geldend van 21-08-1998 t/m heden

Vaststellingsregeling regelen voor personen, die werkzaamheden verrichten, verband houdende met de luchtwaardigheid van vliegtuigen

Artikel 1. Eisen voor de verkrijging van een erkenning

  • 1 De aanvrager moet naar het oordeel van de Minister van Verkeer en Waterstaat met betrekking tot het gebied van de werkzaamheden, ten aanzien waarvan hij de erkenning aanvraagt:

    • a. een grondige kennis bezitten omtrent de door de Joint Aviation Authorities opgestelde codes en procedures, welke in Nederland van toepassing zijn, alsmede de door de minister met betrekking tot de beoordeling van de luchtwaardigheid gestelde regelen en de krachtens die regelen door het hoofd van de afdeling Luchtvaartinspectie van de Rijksluchtvaartdienst gegeven aanwijzingen, voor zover deze regelen en aanwijzingen voor hem van belang zijn;

    • b. een gezond oordeel bezitten en een onafhankelijke dan wel een voldoende verantwoordelijke positie bekleden op dat gebied.

  • 2 Voorts moet de aanvrager:

    • a. ten minste één jaar in goede samenwerking met de afdeling Luchtvaartinspectie van de Rijksluchtvaartdienst aangelegenheden, direct verband houdende met de verkrijging van bewijzen van luchtwaardigheid van vliegtuigen, hebben behandeld;

    • b. zijn aanbevolen door de onderneming, waarbij of waarvoor hij werkzaam is;

    • c. indien de erkenning geen vliegproeven zal omvatten, ongeveer acht jaren op het gebied, waarvoor hij de erkenning aanvraagt, dan wel op een aanverwant gebied, werkzaamheden hebben verricht, direct verband houdende met de verkrijging van bewijzen van luchtwaardigheid van vliegtuigen, of op een andere wijze hebben getoond, dat hij geschikt is voor die werkzaamheden;

    • d. indien de erkenning vliegproeven zal omvatten, ten minste houder zijn van een geldig vliegbewijs B 3, waarin de bevoegdverklaring "blindvliegen" is gesteld; voorts moet de aanvrager tijdens vluchten, waarvan de gezamenlijke tijdsduur ten minste 2000 uren bedraagt, als houder van een vliegbewijs vliegtuigen hebben bestuurd, waarvan ten minste 100 uren in het tijdvak van twaalf maanden, onmiddellijk voorafgaande aan de aanvraag, en waarvan ten minste 100 uren een vliegtuig van het type, waarvoor hij de erkenning aanvraagt.

Artikel 2. Verplichtingen van de houder van een erkenning

  • 1 De houder van een erkenning is verplicht de verklaringen met betrekking tot de uit hoofde van de erkenning door hem verrichte werkzaamheden te zenden aan het hoofd van de afdeling Luchtvaartinspectie van de Minister van Verkeer en Waterstaat; deze verklaringen dienen te worden gesteld op de daarvoor door het evengenoemde hoofd geaccepteerde formulieren.

  • 2 De houder is verplicht een tweede exemplaar van de in het vorige lid bedoelde verklaringen te bewaren of te doen bewaren.

  • 3 De houder is verplicht de Minister van Verkeer en Waterstaat tijdig op de hoogte te stellen van proevenprogramma's en proeven, zodat deze proeven eventueel door medewerkers van het Directoraat-Generaal van de Rijksluchtvaartdienst kunnen worden bijgewoond.

Artikel 3. Model van de erkenning

De erkenning zal geschieden in de vorm als in de bijlage van deze beschikking is aangegeven.

Artikel 4. Geldigheidsduur

De geldigheidsduur van een erkenning is twaalf maanden.

Artikel 5. Verlenging van de geldigheidsduur

De erkenning kan telkens worden verlengd voor een tijdvak van ten hoogste twaalf maanden.

Artikel 6. Intrekking

Een erkenning wordt geheel of gedeeltelijk door de Minister van Verkeer en Waterstaat ingetrokken:

  • a. op verzoek van de houder of van de werkgever, op wiens aanbeveling de erkenning was afgegeven;

  • b. na beëindiging van het dienstverband van de houder met de werkgever, op wiens aanbeveling de erkenning was verleend;

  • c. indien naar het oordeel van de Minister van Verkeer en Waterstaat:

    • 1°. de houder niet voldoet aan de voor de verkrijging van een erkenning gestelde regelen dan wel de houder deze regelen niet nakomt,

    • 2°. de werkzaamheden van de houder niet langer nodig of gewenst zijn dan wel door hem niet naar behoren zijn verricht.