Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vaststelling programma’s en subsidieplafonds 1998 Subsidiebesluit milieugerichte technologie[Regeling vervallen per 23-12-2004.]

Geldend van 29-11-1998 t/m 22-12-2004

Vaststelling programma’s en subsidieplafonds 1998 Subsidiebesluit milieugerichte technologie

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

Gelet op artikel 15.13, eerste tot en met derde lid, van de Wet milieubeheer, en de artikelen 2, 4, derde, vijfde en zesde lid, en 5, derde, vijfde en vierde lid, van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie;

Besluit:

Paragraaf 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 23-12-2004]

Artikel 1 [Vervallen per 23-12-2004]

Met toepassing van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie kunnen in 1998 subsidies worden verstrekt voor projecten in het kader van de in de artikelen 5 tot en met 10 bedoelde programma’s.

Artikel 2 [Vervallen per 23-12-2004]

Om voor een subsidie in aanmerking te komen dient te worden voldaan aan artikel 3, eerste lid, van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie.

Artikel 3 [Vervallen per 23-12-2004]

Aanvragen tot subsidieverlening worden beoordeeld op de in artikel 3, tweede lid, van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie bedoelde aspecten.

Artikel 4 [Vervallen per 23-12-2004]

De berekening van het uurloon, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, onder 2°, van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie, en de vaststelling van het opslagpercentage voor algemene kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel b, van dat besluit, met inbegrip van indirecte loonkosten en kosten van toezichthoudend personeel, kan geschieden overeenkomstig een voor de gehele organisatie van de aanvrager geldende en controleerbare methodiek.

Paragraaf 2. Programma Milieutechnologie 1998 [Vervallen per 23-12-2004]

Artikel 5 [Vervallen per 23-12-2004]

  • 1 Het Programma Milieutechnologie 1998 heeft als doel het bevorderen van de praktische toepassing van milieugerichte technologie. Op het programma kan subsidie worden aangevraagd door bedrijven, (onderzoeks)instellingen, universiteiten en andere organisaties, die niet tot de rijksoverheid behoren, die innovatieve grensverleggende technologieën ontwikkelen en demonstreren, leidend tot schonere processen.

  • 2 Het subsidieplafond voor het programma, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op f 4.100.000.

  • 3 Het maximale subsidiepercentage van de projectkosten en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, is voor:

    a. haalbaarheidsprojecten:

    80% met een maximum van f 75.000;

    b. onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten:

    50% met een maximum van f 500.000;

    c. demonstratieprojecten:

    35% voorzover de projectkosten niet meer bedragen dan f 1.000.000 en 25% voorzover de project-kosten meer bedragen dan f 1.000.000, waarbij de subsidie ten hoogste f 500.000 bedraagt, en

    d. kennisoverdrachtsprojecten:

    50%, waarbij de subsidie ten hoogste f 25.000 bedraagt.

  • 4 Projecten komen niet voor subsidie in aanmerking, indien:

  • 5 Projecten komen voorts niet voor subsidie in aanmerking, indien het betreft:

    • a. onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten:

      • waarvan de projectkosten lager zijn dan f 25.000, of

      • die gericht zijn op het vermeerderen van technisch of wetenschappelijk inzicht in een product, apparaat, systeem of techniek;

    • b. demonstratieprojecten waarvan de projectkosten lager zijn dan f 50.000;

    • c. kennisoverdrachtsprojecten waarbij geen branche-organisatie is betrokken, of

    • d. praktijkexperimenten, marktintroductieprojecten of toepassingsprojecten.

  • 6 Projecten komen voor subsidie in aanmerking, indien ze betrekking hebben op:

    • a. Voor de voedings- en genotmiddelenindustrie:

      • waterinname en -verbruik;

      • herbenutting van proces- en afvalwater;

      • waterverontreiniging;

      • zuiveringsslib;

      • geuremissies;

      • luchtemissies;

      • afval ten gevolge van verpakken;

      • ontstaan en opwerken van bijstromen;

      • productafval;

      • 10º efficiëncy grondstoffenverbruik;

      • 11º reinigen en de afvalstromen die daaruit ontstaan, of

      • 12º fijnstof emissies.

    • b. Voor de textiel- en tapijtindustrie:

      • vermindering van het gebruik van kleurstoffen, of

      • vermindering van het watergebruik.

    • c. Voor de metalectro-industrie:

      • afval;

      • gieten;

      • metaallagen;

      • organische deklagen;

      • conversielagen;

      • stralen, of

      • verbindingstechnieken.

    • d. Voor de basismetaalindustrie:

      • verwerking van afvalstoffen;

      • voorkomen van ontstaan van afvalstoffen;

      • vermindering van de lozing van zware metalen;

      • beperking van verzurende emissies;

      • nieuwe ovenconcepten;

      • continu gietprocessen;

      • nieuwe concepten voor de conservering van stalen oppervlakken, of

      • nieuwe concepten voor koel(water)processen.

  • 7 Bij de beoordeling van subsidie-aanvragen wordt - boven de in artikel 3, tweede lid, van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie opgenomen beoordelingscriteria - prioriteit toegekend aan projecten waarbij betrokkenheid is gegarandeerd van:

    • a. verschillende onderdelen van de bedrijfskolom, of

    • b. degenen die de beschikbaar komende technologie gebruiken alsmede degenen die de beschikbaar komende technologie ontwikkelen.

  • 8 Kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel a, onder 5°, van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie worden niet als projectkosten in aanmerking genomen.

  • 9 Het beschikbare bedrag wordt verdeeld in de volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat, wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aangevulde aanvraag is ontvangen, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.

  • 10 Subsidie-aanvragen worden ingediend voor 1 december 1998 bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu BV, met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier.

Paragraaf 3. Programma Reductie Luchtemissies Bedrijven 1998 [Vervallen per 23-12-2004]

Artikel 6 [Vervallen per 23-12-2004]

  • 1 Het Programma Reductie Luchtemissies Bedrijven 1998 heeft als doel het bevorderen van de ontwikkeling en toepassing van grensverleggende technieken ter vermindering van de luchtemissies van bedrijfsprocessen of categorieën van verbrandingsinstallaties, die door de aard en omvang van hun emissies van belang zijn. Op het programma kan subsidie worden aangevraagd door bedrijven, (onderzoeks)instellingen, universiteiten, gemeenten, provincies en milieudiensten.

  • 2 Het subsidieplafond voor het programma, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op:

    • a. voor haalbaarheidsprojecten op het gebied van conversie van biomassa in energie: f 250.000;

    • b. voor haalbaarheidsprojecten voor selectieve katalytische reductie-technieken en selectieve niet-katalytische reductie-technieken op het gebied van verbrandings- en procesemissies f 1.000.000 en voor andere haalbaarheidsprojecten op het gebied van procesemissies: f 250.000;

    • c. voor marktintroductie-, demonstratie- en kennisoverdrachtsprojecten op het gebied van NOx-reductie bij verbrandings- of procesinstallaties: f 10.000.000, en

    • d. voor onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten op het gebied van N2O-reducties: f 1.000.000.

  • 3 Het maximale subsidiepercentage van de projectkosten en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, bedraagt:

    • a. voor haalbaarheidsprojecten voor selectieve katalytische reductie-technieken en selectieve niet-katalytische reductie-technieken: 75% met een maximum van f 50.000 en voor andere haalbaarheidsprojecten: 90% met een maximum van f 100.000;

    • b. voor demonstratieprojecten: 35% voorzover de projectkosten niet meer bedragen dan f 1.000.000 en 25% van de projectkosten voor het meerdere boven f 1.000.000 met een maximum van f 5.000.000;

    • c. voor kennisoverdrachtsprojecten: 90% met een maximum van f 200.000;

    • d. voor marktintroductieprojecten: 25% met een maximum van f 5.000.000;

    • e. voor onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten: 50% met een maximum van f 1.000.000.

  • 4 Projecten als bedoeld in het tweede lid, onder a, komen voor subsidie in aanmerking, indien ze betrekking hebben op:

    • a. emissiemetingen in combinatie met het opstellen van een massa- en energiebalans, en

    • b. maximaal zes projecten waarvan er telkens ten hoogste twee zijn gericht op vergassingstechnieken, verbrandingstechnieken, dan wel op overige technieken.

  • 5 Projecten als bedoeld in het tweede lid, onder b, komen voor subsidie in aanmerking:

    • a. voorzover het haalbaarheidsprojecten voor selectieve katalytische reductie-technieken en selectieve niet-katalytische reductie-technieken betreft: indien beoogd wordt de haalbaarheid van deze technieken te analyseren en te beoordelen vooruitlopend op een beslissing over het starten van een project dat voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het zevende lid of het achtste lid, onder a, b en c;

    • b. voorzover het andere haalbaarheidsprojecten betreft, indien ze betrekking hebben op:

    • aa. NOx-reductietechnieken en -maatregelen bij de productie van salpeterzuur;

    • bb. NOx-reductie door toepassing van oxy-fuel stoken bij ovenprocessen;

    • cc. NOx-reductietechnieken bij het sinterproces;

    • dd. NOx-reductietechnieken bij het pelletiseerproces, of

      technieken voor de reductie van het stikstofgehalte van anodes bij de primaire aluminiumindustrie.

  • 6 Projecten als bedoeld in het tweede lid, onder c, komen voor subsidie in aanmerking, indien ze betrekking hebben op:

    • a. ketels voor het opwekken van stoom en fornuizen voor industriële processen waarbij de stookcapaciteit van de ketels respectievelijk fornuizen meer dan 10 MWth bedraagt;

    • b. gasturbine-installaties met een asvermogen groter dan 1MW, of

    • c. procesemissies van installaties met een afgasdebiet van van meer dan 10.000 m3/uur.

  • 7 Marktintroductieprojecten als bedoeld in het tweede lid, onder c, komen voor subsidie in aanmerking, indien toepassing van selectieve katalytische reductie leidt tot een:

    • a. NOx-reductie bij stoomketels en fornuizen van tenminste 80% als ontwerpwaarde tot een niveau van ten hoogste:

      • 50 mg/m3 voor gasstook, of

      • 80 mg/m3 voor vloeibare en vaste brandstoffen;

    • b. NOx-restemissie bij gasturbine-installaties van ten hoogste 15 g/GJ als ontwerpwaarde, of

    • c. NOx-reductie bij installaties met procesemissies van tenminste 80% als ontwerpwaarde.

  • 8 Demonstratieprojecten als bedoeld in het tweede lid, onder c, komen voor subsidie in aanmerking, indien door toepassing van:

    • a. selectieve katalytische reductie bij stoomketels en fornuizen een emissiereductie van tenminste 80% als ontwerpwaarde;

    • b. selectieve niet-katalytische reductie bij stoomketels en fornuizen en bij installaties met procesemissies een emissiereductie van tenminste 60% als ontwerpwaarde;

    • c. selectieve katalytische reductie in combinatie selectieve niet-katalytische reductie bij gasturbine-installaties een restemissie van ten hoogste 15 g/GJ wordt bereikt, of

    • d. geavanceerde verbrandingstechnieken bij gasturbine installaties, waarvan het asvermogen van de gasturbine niet meer bedraagt dan 10 MW, een restemissie van ten hoogste15 g/GJ wordt bereikt.

  • 9 Kennisoverdrachtsprojecten als bedoeld in het tweede lid, onder c, komen voor subsidie in aanmerking, indien:

    • a. ze ingevolge het zevende of achtste lid voor subsidie in aanmerking komen en als marktintroductieproject of demonstratieproject reeds zijn uitgevoerd, tenzij

    • b. voor het betrokken project subsidie is verstrekt in het kader van dit programma.

  • 10

Projecten als bedoeld in het tweede lid, onder d, komen voor subsidie in aanmerking, indien ze betrekking hebben op N2O-reductietechnieken bij de productie van salpeterzuur.

  • 11 Het beschikbare bedrag wordt verdeeld in de volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat, wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aangevulde aanvraag is ontvangen, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.

  • 12 Subsidie-aanvragen worden ingediend voor 1 december 1998 bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu BV, met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier.

Paragraaf 4. Programma KWS2000 Processen [Vervallen per 23-12-2004]

Artikel 7 [Vervallen per 23-12-2004]

  • 1 Het Programma KWS2000 Processen heeft als doel het beperken van de emissie van vluchtige organische stoffen (VOS) door bedrijven en huishoudens. Op het programma kan subsidie worden aangevraagd door bedrijven.

  • 2 Het subsidieplafond voor het programma, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op f 200.000.

  • 3 Het maximale subsidiepercentage van de projectkosten en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, is voor:

    • a. haalbaarheidsprojecten: 90% met een maximum van f 100.000;

    • b. onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten: 50% met een maximum van f 100.000;

    • c. demonstratieprojecten: 35% met een maximum van f 100.000.

  • 4 Haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten komen voor subsidie in aanmerking.

  • 5 Projecten als bedoeld in vierde lid, komen voor subsidie in aanmerking, indien ze:

    • a. betrekking hebben op reductiemaatregelen van koolwaterstoffen bij grafische druktechnieken of poly-esterharsverwerking, en

    • b. worden genoemd als maatregelen en aanvullende maatregelen in de KWS2000 Strategie 1992-2000.

  • 6 Het beschikbare bedrag wordt verdeeld in de volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat, wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aangevulde aanvraag is ontvangen, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.

  • 7 Subsidie-aanvragen worden ingediend voor 1 december 1998 bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu BV, met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier.

Paragraaf 5. Programma Stimulering Productgerichte Milieuzorg 1998 [Vervallen per 23-12-2004]

Artikel 8 [Vervallen per 23-12-2004]

  • 1 Het Programma Stimulering Productgerichte Milieuzorg 1998 heeft als doel het stimuleren van de ontwikkeling en introductie van productgerichte milieuzorgsystemen ter vermindering van de milieubelasting van producten en de verbetering van de milieuprestatie van deze producten. Op het programma kan subsidie worden aangevraagd door bedrijven en branche-organisaties.

  • 2 Het subsidieplafond voor het programma, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op f 3.300.000.

  • 3 Het maximale subsidiepercentage van de projectkosten en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, is voor:

    • a. haalbaarheidsprojecten:

      • 90% met een maximum van f 50.000 voor bedrijven, en

      • 90% met een maximum van f 75.000 voor branche- organisaties;

    • b. onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten:

      • 50% met een maximum van f 125.000 voor bedrijven, en

      • 50% met een maximum van f 150.000 voor branche- organisaties;

    • c. praktijkexperimenten:

      • 50% met een maximum van f 25.000 voor bedrijven, en

      • 50% met een maximum van f 50.000 voor branche- organisaties.

  • 4 De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijk Ordening en Milieubeheer voorziet in een gelijktijdige beslissing op aanvragen met betrekking tot soortgelijke projecten op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van het programma.

  • 5 Subsidie-aanvragen worden ingediend voor 6 juni 1998 bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier.

Paragraaf 6. Programma Demonstratieprojecten Motorvoertuigen (DEMO) [Vervallen per 23-12-2004]

Artikel 9 [Vervallen per 23-12-2004]

  • 1 Het Programma Demonstratieprojecten Motorvoertuigen (DEMO) heeft als doel het faciliëren van invoering op de Nederlandse markt van milieu-innovatieve wegvoertuigen onder marktconforme omstandigheden. Op het programma kan subsidie worden aangevraagd door gebruikers en aanbieders van wegvoertuigen, die eraan kunnen bijdragen dat de kansen op toepassing van milieutechnische vernieuwingen onder marktconforme omstandigheden toenemen.

  • 2 Voor de toepassing van dit programma wordt verstaan onder:

    a. wegvoertuigen:

    voertuigen die zijn toegelaten tot het verkeer op de weg ingevolge hoofdstuk III van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van brom- en motorfietsen en driewielige motorrijtuigen;

    b. speciale voertuigen:

    voertuigen bestemd en gebruikt voor speciale doeleinden.

  • 3 Het subsidieplafond voor het programma, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op f 6.000.000.

  • 4 De minimum projectkosten, het maximale subsidiepercentage van de projectkosten en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, zijn voor:

    • a. praktijkexperimenten:

      • f 200.000, 50% waarbij de subsidie ten hoogste f 2.000.000 bedraagt, of

      • f 200.000, 60% waarbij de subsidie ten hoogste f 2.000.000 bedraagt, indien de aanvrager een kleine of middelgrote onderneming is in de zin van de Communautaire kaderregeling inzake overheidssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (PbEG C 213) of indien de aanvrager geen ondernemer is;

    • b. demonstratieprojecten:

      • f 250.000, 35% waarbij de subsidie ten hoogste f 350.000 bedraagt, of

      • f 1.000.000, 25% waarbij de subsidie ten hoogste f 5.000.000 bedraagt;

    • c. marktintroduktieprojecten: f 1.000.000, 25% waarbij de subsidie ten hoogste f 5.000.000 bedraagt, en voor

    • d. toepassingsprojecten: 15% waarbij de subsidie ten hoogste f 25.000 per personenauto bedraagt. Voor toepassingsprojecten gelden geen minimum projectkosten.

  • 5 Projecten als bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, komen voor subsidie in aanmerking, indien het betreft meer dan 10 personenauto’s met een hybride of elektrisch aandrijfsysteem.

  • 6 Projecten komen voorts voor subsidie in aanmerking, indien de wegvoertuigen uiterlijk 16 maanden na de datum waarop de aanvraag is ingediend op de openbare weg in gebruik worden genomen, dan wel - ingeval het project de vervanging van meer dan de helft van een wagenpark betreft - de eerste helft van de wegvoertuigen waarop het project betrekking heeft uiterlijk 16 maanden, onderscheidenlijk de tweede helft van de wegvoertuigen waarop het project betrekking heeft uiterlijk 32 maanden, na de datum waarop de aanvraag is ingediend in gebruik worden genomen en:

    • a. ze betrekking hebben op personenauto’s:

      • die voldoen aan de voorgestelde indicatieve Europese emissie-eisen voor 2005, zoals vastgelegd in gemeenschappelijk standpunt nr. 40/97 door de Raad vastgesteld op 7 oktober 1997 met het oog op aanneming van de richtlijn tot wijziging van de richtlijn nr. 70/220/EEG van de Raad inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen (Pb EG C 351) en

      • die tenminste 20% minder brandstof verbruiken en CO2-armer zijn dan het gemiddelde van alle in het voorafgaande kalenderjaar verkochte nieuwe auto’s met dezelfde afmeting als de projectauto’s, uitgedrukt in lengte maal breedte;

    • b. ze betrekking hebben op personenauto’s:

      • die voldoen aan de voorgestelde Europese emissie-eisen voor 2000, zoals vastgelegd in het in onderdeel a, onder 1°, bedoelde gemeenschappelijk standpunt en

      • die tenminste 40% minder brandstof verbruiken en CO2-armer zijn dan het gemiddelde van alle in het voorafgaande kalenderjaar verkochte nieuwe auto’s met dezelfde afmeting als de projectauto's, uitgedrukt in lengte maal breedte;

    • c. ze betrekking hebben op personenauto’s met volledig elektrische aandrijving, die lokaal emissievrij rijden en met inbegrip van energie-opwekking, CO2-armer zijn dan vergelijkbare voertuigtypen;

    • d. ze betrekking hebben op bestelauto’s die voldoen aan de voorgestelde Europese emissie-eisen voor 2005, zoals vastgelegd in de ontwerp-richtlijn van 4 april 1997 van het Europees parlement en de Raad met betrekking tot maatregelen tegen luchtverontreiniging door emissies van motorvoertuigen en tot wijziging van richtlijn 70/220/EEG van de Raad als gewijzigd bij Richtlijn 98/.../EG (PbEG C 106);

    • e. ze betrekking hebben op vrachtauto’s, speciale voertuigen en touringcars, die lokaal emissievrij kunnen rijden en die voldoen aan de op dit moment van toepassing zijnde Europese emissie-eisen;

    • f. ze betrekking hebben op vrachtauto’s, speciale voertuigen en touringcars met een dieselmotor:

      • die voldoen aan de voorgestelde Europese emissie-eisen voor 2000 zoals vastgelegd in het voorstel van de Commissie van 21 november 1997 voor een wijziging van de richtlijn nr. 88/77/EEG van de Raad van 3 december 1988 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door dieselmotoren bestemd voor het aandrijven van voertuigen, en

      • waarvan de emmissie voor NOx lager is dan 2.5 gram/kWh en voor deeltjes lager dan 0.08 gram/kWh;

    • g. ze betrekking hebben op vrachtauto’s, speciale voertuigen en touringcars met een LPG - of aardgasaandrijving:

      • die voldoen de in onderdeel f, onder 1°, bedoelde emissie-eisen, en

      • waarvan de emissie voor NOx lager is dan 2 gram NOx/kWh;

    • h. ze betrekking hebben op vrachtauto’s, speciale voertuigen en touringcars:

      • die voldoen de in onderdeel f, onder 1°, bedoelde emissie-eisen, en

      • die tenminste 15% minder brandstof verbruiken en CO2-armer zijn per kilometer dan qua toepassing vergelijkbare voertuigtypen;

    • i. ze betrekking hebben op stads- en streekbussen met een dieselmotor:

      • die voldoen aan de concept Europese emissie-eisen voor 2000 zoals vastgelegd in het voorstel van de Commissie van 21 november 1997 voor een richtlijn van de Raad en het Europees Parlement tot wijziging van de richtlijn 88/77/EEG inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de Lid-Staten met betrekking tot de maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door dieselmotoren bestemd voor het aandrijven van voertuigen, en

      • waarvan de emmissie voor NOx lager is dan 2.5 gram/kWh en voor deeltjes lager dan 0.08 gram/kWh;

    • j. ze betrekking hebben op stads- en streekbussen met een hybride LPG- of aardgasaandrijving met een zo klein mogelijke verbrandingsmotor:

      • die voldoen de in onderdeel i, onder 1°, bedoelde emissie-eisen, en

      • waarvan de emissie voor NOx lager is dan 2 gram NOx/kWh,

    • k. ze betrekking hebben op stads- en streekbussen:

      • die voldoen de in onderdeel i, onder 1°, bedoelde emissie-eisen, en

      • die tenminste 15% minder brandstof verbruiken en CO2-armer zijn per kilometer dan qua toepassing vergelijkbare voertuigtypen, of

    • l. ze betrekking hebben lichtgewichtopleggers als bedoeld onder nummer 6043 van de Milieulijst 1998, behorende bij de Aanwijzingsregeling willekeurige afschrijvingen milieu-investeringen, waarbij het bij de onderscheidenlijke trekkeropleggercombinaties vermelde leeggewicht met tenminste 5% is gereduceerd.

  • 7 Bij de beoordeling van subsidie-aanvragen worden naast de in artikel 3, tweede lid, van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie bedoelde beoordelingsaspecten betrokken de kosteneffectiviteit op lange termijn van de technische vernieuwing.

  • 8 Projectkosten die zijn gemaakt voor de datum van indiening van de aanvraag, kunnen in aanmerking worden genomen, indien zij zijn gemaakt na de bekendmaking van het programma en geen samenhang vertonen met de indiening van de aanvraag. Kosten die gemaakt zijn ten behoeve van de indiening van de aanvraag behoren niet tot de projectkosten.

  • 9 Het beschikbare bedrag wordt verdeeld in de volgorde van ontvangst van de aanvragen met dien verstande dat, wanneer de aanvrager krachtens artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aangevulde aanvraag is ontvangen, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.

  • 10 Subsidie-aanvragen worden ingediend voor 1 december 1998 bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu BV, met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier.

Paragraaf 7. Programma Technologie 2000 (T-2000) 1998 [Vervallen per 23-12-2004]

Artikel 10 [Vervallen per 23-12-2004]

  • 1 Het programma T-2000 heeft als doel het bevorderen van de modificatie en waar nodig het ontwikkelen van de volgende verwijderingstechnologieën die bijdragen aan een vermindering van de belasting van het milieu door afvalstoffen:

    • a. immobilisatie die zowel chemische als fysische vastlegging van verontreinigingen in afvalstoffen bewerkstelligt;

    • b. droge-deeltjesscheiding die leidt tot de afscheiding van droge componenten uit afvalstromen, en

    • c. hydro- en pyrometallurgische verwerking van metaalhoudende gevaarlijke afvalstoffen waar nog geen adequate verwerkingstechnieken voor zijn.

      Op het programma kan subsidie worden aangevraagd door bedrijven, branche-organisaties, (onderzoeks)instellingen, universiteiten en andere organisaties die niet tot de rijksoverheid behoren.

  • 2 Het subsidieplafond voor het programma, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op:

    • a. voor immobilisatie: f 400.000;

    • b. voor droge deeltjescheiding: f 200.000;

    • c. voor hydro- en pyrometallurgische verwerking: f 600.000;

  • 3 Het maximale subsidiepercentage van de projectkosten en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, is voor:

    • a. haalbaarheidsprojecten: 80% met een maximum van f 100.000;

    • b. onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten: 50% met voor immobilisatie een maximum van f 100.000 voor droge deeltjesscheiding een maximum van f 150.000 en voor het onderdeel hydro- en pyrometallurgische verwerking een maximum van f 200.000;

    • c. demonstratieprojecten: 35% met een maximum van f 200.000 voor immobilisatie en droge deeltjesscheiding en voor hydro- en pyrometallurgische verwerking een maximum van f 300.000;

    • d. marktintroductieprojecten: 25% met een maximum van f 300.000;

    • e. kennisoverdrachtprojecten: 60 % met een maximum van f 50.000;

  • 4 Projecten komen niet voor subsidie in aanmerking, indien:

    • a. ze slechts gericht zijn op het vermeerderen van technisch of wetenschappelijk inzicht;

    • b. het betreft onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten die vooral zijn gericht op het ontwerpen van milieuvriendelijke producten;

    • c. voor het betrokken project subsidie is of wordt verstrekt in het kader van:

  • 5 Projecten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, komen voor subsidie in aanmerking, indien het betreft:

    • a. onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten,

    • b. een techniek gericht op zowel anorganische als organische verontreinigingen van een afvalstroom, en

    • c. koude immobilisatie gericht op AVI-vliegassen waarbij producten ontstaan, die voldoen aan het Bouwstoffenbesluit of de milieubelasting van de te storten C2-afvalstoffen aanzienlijk reduceren, of

    • d. thermische immobilisatie van combinaties van de in de bijlage behorende bij deze regeling opgenomen afvalstoffen die een positief effect hebben op de vastlegging van verontreiniging, en waarbij de cijferaanduidingen 1, 2 en 3 boven de categorieën van afvalstoffen in de bijlage, de prioriteit voor de toekenning aangeeft. De thermische immobilisatie is bovendien gericht op een zo groot mogelijke energetische zelfvoorziening.

  • 6 Projecten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, komen voor subsidie in aanmerking, indien het betreft onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten gericht op het afscheiden van droge componenten middels sensorgestuurde technieken.

  • 7 Projecten als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, komen voor subsidie in aanmerking, indien het betreft:

    • a. haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten voor de verwerking van (waterige) metaalhoudende gevaarlijke afvalstromen en verdunde reststromen afkomstig van industrieel metaalhoudend gevaarlijk afval met behulp van in ieder geval biotechnologie, gericht op het scheiden of concentreren van metalen en op het terugwinnen van metalen, als basis voor een afzetbaar product;

    • b. onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten van hydrometallurgische technieken voor de verwerking van leerafval en DTO-rookgasreinigingsresidu en -vliegas;

    • c. kennisoverdrachtsprojecten met betrekking tot hydro- of pyrometallurgische verwerkingstechnieken van metaalhoudend gevaarlijk afval:

      • waarbij een branche organisatie of drie of meer bedrijven een financiële bijdrage levert, en

      • die zijn gericht op implementatie van nieuwe technologieën;

    • d. marktintroductieprojecten van pyrometallurgische technieken voor C2- en C3-afvalstoffen, of

    • e. onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten van hydrometallurgische technieken voor de verwerking van andere metaalhoudende afvalstromen dan bedoeld in onderdeel b, met dien verstande dat aan de projecten genoemd in de onderdelen a tot en met d prioriteit wordt toegekend boven de in dit onderdeel bedoelde projecten.

  • 8 Bij de beoordeling van subsidie-aanvragen wordt - boven de in artikel 3, tweede lid, van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie opgenomen beoordelingscriteria - prioriteit toegekend aan projecten:

    • a. ingediend door degene bij wie in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf afvalstoffen ontstaan onderscheidenlijk die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf afvalstoffen verwijdert;

    • b. waarbij betrokkenheid van een brancheorganisatie of degene die de voor het betrokken project benodigde apparatuur aanlevert, is gewaarborgd;

    • c. die voorzien in een samenwerking tussen de in onderdelen a en b bedoelde partijen.

  • 9 De directie van de Nederlandse onderneming voor energie en milieu BV (Novem) verdeelt het subsidieplafond, bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, in de volgorde van rangschikking van de aanvragen.

  • 10 Kosten, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onder 5°, van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie worden niet als projectkosten in aanmerking genomen.

  • 11 Subsidie-aanvragen worden ingediend voor 12 uur 29 mei 1998 bij de onderneming, bedoeld in het negende lid, met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier.

Paragraaf 8. Programma Hergebruik afvalstoffen 1998 (PH’98) [Vervallen per 23-12-2004]

Artikel 11 [Vervallen per 23-12-2004]

  • 1

Het Programma Hergebruik Afvalstoffen 1998 (PH’98) heeft als doel het bevorderen dat reeds opgedane kennis en inzichten op het gebied van – op hergebruik gerichte – gescheiden inzameling van afvalstoffen en van hergebruik van afvalstoffen in de praktijk worden getest en toegepast.

  • 2

Projecten komen voor subsidie in aanmerking indien ze betrekking hebben op:

  • a. praktijkexperimenten waarmee met betrekking tot producten op hergebruik gerichte retoursystemen worden opgezet en geïntroduceerd, een en ander voor zover deze retoursystemen niet voortvloeien uit bij of krachtens de wet gegeven regels;

  • b. praktijkexperimenten of demonstratieprojecten met betrekking tot het, op hergebruik gerichte, gescheiden inzamelen of aanleveren van bedrijfsafval, afkomstig van de KWDI-sector, als omschreven in het Programma Gescheiden Inzamelen van Bedrijfsafval (Afval Overleg Orgaan; AOO-publicatie 97-11, Augustus 1997);

  • c. praktijkexperimenten of demonstratieprojecten die de mogelijkheden tot materiaalhergebruik van kunststof verpakkingsafval vergroten door:

    • verbetering van be- of (her)verwerkingstechnieken van dergelijk afval;

    • verbreding van de toepassingen van door be- of (her)verwerking uit dergelijk afval vrijkomende secundaire kunststoffen;

    • verbetering van de eigenschappen van door be- of (her)verwerking uit dergelijk afval vrijkomende secundaire kunststoffen, of

    • be- of verwerking van dergelijk afval tot voeding voor grondstofhergebruik.

  • 3

Tot verpakkingsafval als bedoeld in dit programma worden niet gerekend reststoffen die vrijkomen bij de productie van verpakkingen.

  • 4

Subsidie kan worden aangevraagd:

  • a. voor projecten als bedoeld in het tweede lid, onder a: door bedrijven die de desbetreffende producten produceren of importeren;

  • b. voor projecten als bedoeld in het tweede lid, onder b, voor zover het betreft bedrijfsafval, niet zijnde verpakkingsafval dat geheel of gedeeltelijk uit kunststof bestaat, door provincies of gemeenten of door bedrijven die hetzij producten produceren in verband waarmee afval ontstaat, hetzij zich van dergelijk afval ontdoen of dergelijk afval inzamelen of verwerken;

  • c. voor projecten als bedoeld in het tweede lid, onder b, voor zover het projecten betreft ten aanzien van verpakkingsafval dat geheel of gedeeltelijk uit kunststof bestaat, of voor projecten als bedoeld in het tweede lid, onder c: door bedrijven die, hetzij zich van bedrijfsafval als bedoeld in het tweede lid, onder b, of van verpakkingsafval, ontdoen, hetzij bedrijfsmatig verpakkingsafval be- of verwerken, hetzij secundaire grondstoffen toepassen.

  • 5

Het subsidieplafond voor het tijdvak ingaande op de datum van inwerkingtreding van deze regeling tot en met 31 december 1999 voor het programma, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op:

  • a. voor projecten als bedoeld in het tweede lid, onder a: f 700.000,-;

  • b. voor projecten als bedoeld in het tweede lid, onder b:

    • voor zover het verpakkingsafval betreft, dat geheel of gedeeltelijk uit kunststof bestaat: f 600.000,-;

    • voor zover het bedrijfsafval betreft, niet zijnde verpakkingsafval dat geheel of gedeeltelijk uit kunststof bestaat: f 400.000,-;

  • c. voor projecten als bedoeld in het tweede lid, onder c: f 1.200.000,-.

  • 6

Het maximale subsidiepercentage van de projectkosten en het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, bedraagt:

  • a. voor projecten als bedoeld in het tweede lid, onder a: 40% met een maximum van f 250.000,-;

  • b. voor praktijkexperimenten als bedoeld in het tweede lid, onder b:

    • voor zover het verpakkingsafval betreft dat geheel of gedeeltelijk uit kunststof bestaat: 25% met een maximum van f 125.000,-;

    • voor zover het bedrijfsafval betreft, niet zijnde verpakkingsafval dat geheel of gedeeltelijk uit kunststof bestaat: 40% met een maximum van f 250.000,-;

  • c. voor demonstratieprojecten als bedoeld in het tweede lid, onder b:

    • voor zover het verpakkingsafval betreft dat geheel of gedeeltelijk uit kunststof bestaat: 20% met een maximum van f 125.000,-;

    • voor zover het bedrijfsafval betreft niet zijnde verpakkingsafval dat geheel of gedeeltelijk uit kunststof bestaat: 30% met een maximum van f 250.000,-;

  • d. voor praktijkexperimenten als bedoeld in het tweede lid, onder c: 33% met een maximum van f 165.000,-;

  • e. voor demonstratieprojecten als bedoeld in het tweede lid, onder c: 27% met een maximum van f 165.000,-.

  • 7

Een project komt niet voor subsidie in aanmerking, indien:

  • a. de projectkosten lager zijn dan f 75.000,-;

  • b. het project niet voor 1 juli 2001 wordt voltooid;

  • c. voor het project subsidie is verstrekt in het kader van:

  • d. door uitvoering van het project verschuiving van milieuproblemen naar andere milieucompartimenten optreedt;

  • e. het een project als bedoeld in het tweede lid, onder b, voor zover het betrekking heeft op verpakkingsafval dat geheel of gedeeltelijk uit kunststof bestaat, of een project als bedoeld in het tweede lid, onder c, betreft, en dat project naar het oordeel van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer niet substantieel bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het Convenant Verpakkingen II, (deel)convenant materiaalhergebruik kunststofverpakkingen.

  • 8

Bij de beoordeling van subsidie-aanvragen voor projecten als bedoeld in het tweede lid, onder a, worden - naast de in artikel 3, tweede lid, van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie bedoelde aspecten - betrokken:

  • a. de mate van zekerheid dat het systeem, onderscheidenlijk de techniek, op korte termijn in Nederland operationeel wordt en een substantiële bijdrage levert aan preventie en hergebruik van afvalstoffen;

  • b. de mate waarin de resultaten van het project door andere bedrijven kunnen worden toegepast;

  • c. de mate waarin hergebruik plaatsvindt binnen dezelfde keten;

  • d. de hoogte van de projectkosten in relatie tot de milieuverdienste;

  • e. de mate waarin ten aanzien van het project samenwerking plaatsvindt tussen meerdere bedrijven, bij voorkeur tussen bedrijven die in verschillende fasen van productie of gebruik betrokken zijn bij hetzelfde product.

  • 9

Bij de beoordeling van subsidie-aanvragen voor projecten als bedoeld in het tweede lid, onder b, voor zover het betreft bedrijfsafval, niet zijnde verpakkingsafval dat geheel of gedeeltelijk uit kunststof bestaat, worden - naast de in artikel 3, tweede lid, van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie bedoelde aspecten - betrokken:

  • a. de mate waarin ten aanzien van het project gescheiden inzameling van één of meerdere specifieke componenten wordt gerealiseerd waarbij het inzamelsysteem zodanig wordt ingericht dat de inzameling meer rendement oplevert;

  • b. de mate waarin ten aanzien van het project synergie wordt nagestreefd door samenwerking tussen bedrijven die zich van afval ontdoen, bedrijven die zich bezig houden met gescheiden inzameling van afval, en provincies of gemeenten;

  • c. de mate waarin het project een directe bijdrage levert aan het verhogen van materiaal-onderscheidenlijk producthergebruik;

  • d. de mate waarin het project practische, direct toepasbare kennis of ervaring oplevert, die bijdraagt aan een toename van materiaal- onderscheidenlijk producthergebruik.

  • 10

Bij de beoordeling van subsidie-aanvragen voor projecten als bedoeld in het tweede lid, onder b, worden voor zover het betreft verpakkingsafval dat geheel of gedeeltelijk uit kunststof bestaat - naast de in artikel 3, tweede lid, van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie bedoelde aspecten - betrokken:

  • a. de mate waarin het project aan het eind van het jaar 2001 leidt tot een toename van de hoeveelheid mechanisch verwerkt kunststof verpakkingsafval uit Nederland;

  • b. de hoogte van de projectkosten in relatie tot de omvang van de hoeveelheid hergebruikt kunststof verpakkingsafval;

  • c. de verwachtingen omtrent de rentabiliteit van de in het project toegepaste systemen of technieken;

  • d. de mate waarin ten aanzien van het project samenwerking plaatsvindt tussen meerdere bedrijven, bij voorkeur tussen bedrijven die betrokken zijn bij verschillende onderdelen van het (her)verwerkingsproces of tussen bedrijven die zich van afval ontdoen.

  • 11

Bij de beoordeling van subsidie-aanvragen voor projecten als bedoeld in het tweede lid, onder c, worden - naast de in artikel 3, tweede lid van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie bedoelde aspecten - betrokken:

  • a. de mate waarin het project aan het eind van het jaar 2001 leidt tot een toename van materiaalhergebruik van kunststof verpakkingsafval;

  • b. de mate waarin het project leidt tot de verbetering van de eigenschappen (kwaliteit) van uit het afval vrijkomende secundaire kunststoffen;

  • c. de mate van verbetering van de kosteneffectiviteit van de toegepaste be- of (her)verwerkingstechniek;

  • d. de mate waarin ten aanzien van het project samenwerking plaatsvindt tussen meerdere bedrijven, bij voorkeur tussen bedrijven die betrokken zijn bij verschillende onderdelen van het (her)verwerkingsproces.

  • 12

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verdeelt het subsidieplafond in de volgorde van rangschikking van de aanvragen op basis van een vergelijking van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van het programma.

  • 13

Subsidie-aanvragen worden ingediend voor 16 maart 1999 bij de Nederlandse onderneming voor energie en milieu BV, met gebruikmaking van een aldaar verkrijgbaar formulier.

Paragraaf 9. Slotbepalingen [Vervallen per 23-12-2004]

Artikel 12 [Vervallen per 23-12-2004]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 6 maart 1998

De

Minister

van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

M. de Boer

Bijlage behorende bij artikel 5, onderdeel d, van de Regeling houdende vaststelling van programma’s en subsidieplafonds voor 1998 ter uitvoering van het Subsidiebesluit milieugerichte technologie [Vervallen per 23-12-2004]

Afvalstoffen als bedoeld in artikel 5, onderdeel d, zijn:

  • 1

    • Straalgrit-residuen

    • Asbesthoudend afval

    • Teerhoudende dakbedekking

    • Rookgasreinigingsresidu verbranding gevaarlijk afval

    • Grond- en zeefzandreinigingsresidu

    • Slib afkomstig van het wassen van puingranulaat

    • Baggerspecie klasse IV

  • 2

    • Slak verbranding gevaarlijk afval

    • Zuiveringsslib-as

    • AVI-vliegas

    • Ovenpuin aluminiumbereiding

    • Pigmentslibben

    • RKG-slib

    • Communaal zuiveringsslib

    • Baggerspecie klasse III

  • 3

    • Vliegas verbranding gevaarlijk afval

    • Afgewerkte bleekaarde

    • Niet-reinigbare grond

    • Residu boorspoeling en boorgruis

    • Zuiveringsslib synthetische vezel- en garenindustrie

    • Arseensulfide-houdend afval

    • Rookgasreinigingsresidu AVI’s

    • Hoogovenslib fijne fractie