Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Kaderregeling ontheffingen experiment ’het Zuivere Ei’[Regeling vervallen per 27-06-2014.]

Geldend van 01-01-2001 t/m 26-06-2014

Kaderregeling ontheffingen experiment ’het Zuivere Ei’

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Gelet op artikel 59, tweede en derde lid, van de Meststoffenwet;

Besluit:

Artikel 1 [Vervallen per 27-06-2014]

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder:

    a) wet:

    Meststoffenwet;

    b) minister:

    Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;

    c) kippen:

    dieren behorend tot de diercategorieën die in bijlage A bij de wet worden aangeduid met de nummers 300, 301, 310, 311 en 312;

    d) legkippen:

    dieren behorend tot de diercategorieën die in bijlage A bij de wet worden aangeduid met de nummers 300 en 301;

    e) kalkoenen:

    dieren behorend tot de diercategorieën die in bijlage A bij de wet worden aangeduid met de nummers 200, 201, 202 en 210;

    f) producent:

    eenieder die door het houden van legkippen dierlijke meststoffen produceert;

    g) exporteur:

    besloten vennootschap Agro Limburg te Roermond;

    h) controle-instantie:

    besloten vennootschap Agro-Systems te Roermond;

    i) mestproductierecht:

    hoeveelheid dierlijke meststoffen uitgedrukt in kilogrammen fosfaat varkens- en kippenmest, die ingevolge artikel 55, eerste, vijfde, zesde, zevende en achtste lid van de wet op een bedrijf ten hoogste mag worden geproduceerd, zoals deze hoeveelheid is gewijzigd door toepassing van het bij of krachtens de wet, de wet van 2 mei 1997, houdende wijziging van de Meststoffenwet (Stb. 360), en de Wet verplaatsing mestproductie bepaalde;

    j) Zuivere Ei:

    beleidsexperiment in het kader waarvan ten hoogste 30 pluimveehouders investeringen plegen gericht op het door middel van biothermische droging produceren van kwalitiatief zeer hoogwaardige pluimveemest in ammoniakemissie-arme stallen teneinde de gecertificeerde mest volledig te exporteren;

    k) stuurgroep:

    Stuurgroep NUBL, ingesteld ingevolge het op 11 maart 1992 door de Staat der Nederlanden, de provincie Noord-Brabant en de provincie Limburg ondertekende convenant;

    l) bureau:

    Bureau Heffingen van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te Assen;

    m) aangifte overschotheffing 1996:

    schriftelijke opgave, zoals in voorkomend geval gecorrigeerd, die met betrekking tot het jaar 1996 ter vaststelling van de verschuldigde overschotheffing met betrekking tot het bedrijf is gedaan krachtens de artikelen 8 en 13 van de Meststoffenwet, zoals deze artikelen luidden onmiddellijk vóór inwerkingtreding van de Wet van 2 mei 1997, houdende wijziging van de Meststoffenwet (Stb. 360).

  • 2 Voor de toepassing van deze regeling worden de door de heffingplichtige aangebrachte correcties in zijn aangifte overschotheffing 1996 slechts in aanmerking genomen voor zover deze vóór 30 september 1997 door het bureau zijn ontvangen.

Artikel 2 [Vervallen per 27-06-2014]

  • 1 Op een daartoe strekkende aanvraag van de producent wordt, indien wordt voldaan aan de voorwaarden van deze regeling, ten aanzien van een door hem gevoerd bedrijf door de minister een ontheffing verleend van het uitbreidingsverbod, bedoeld in artikel 55, eerste lid, van de wet, tot een daarbij vastgestelde hoeveelheid meststoffen.

Artikel 3 [Vervallen per 27-06-2014]

Een ontheffing wordt slechts verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a) het bedrijf neemt blijkens een daartoe strekkende verklaring van de stuurgroep deel aan het Zuivere Ei;

  • b) met het verlenen van de ontheffing wordt het aantal van 30 ontheffingen niet overschreden;

  • c) voor het bedrijf gold op 1 januari 1996 een mestproductierecht van tenminste 10.000 kilogram;

  • d) na 1 januari 1996 heeft geen verplaatsing als bedoeld in de Wet verplaatsing mestproductie vanaf het bedrijf plaatsgevonden waarbij een mestproductierecht was betrokken;

  • e) op het bedrijf zijn volgens de aangifte overschotheffing 1996 in 1996 gemiddeld tenminste 20.000 dieren van de diercategorie die in bijlage A bij de wet wordt aangeduid met nummer 301, of 35.000 dieren van de diercategorie die in bijlage A bij de wet wordt aangeduid met nummer 300, gehouden; en

  • f) er heeft terzake van het bedrijf geen opkoop van mestproductierecht plaatsgevonden op grond van de Opkoopregeling varkenshouderij of enige andere regeling.

Artikel 3a [Vervallen per 27-06-2014]

Indien het bedrijf is ontstaan als gevolg van een afsplitsing van een ander bedrijf, gelden in afwijking van artikel 3, onderdelen c, d en e de volgende voorwaarden:

  • a. het bedrijf waarvan het ontstane bedrijf deel uitmaakte, voldeed in de periode tot het moment van afsplitsing aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 3, onderdelen c tot en met f;

  • b. de afsplitsing heeft niet tot gevolg dat mestproductie gaat plaatsvinden op een locatie die voor de splitsing niet voor de mestproductie werd gebruikt;

  • c. het na afsplitsing ontstane bedrijf is van dezelfde persoon, rechtspersoon, of samenwerkingsverband van personen of rechtspersonen als het bedrijf waarvan het voor de splitsing deel uitmaakte;

  • d. het voor het bedrijf geldende mestproductierecht voor varkens en kippen komt ten minste overeen met de mestproductie van dieren van de diercategorieën die in bijlage A bij de wet worden aangeduid met de nummers 300 en 301, die volgens de aangifte overschotheffing 1996 in 1996 gemiddeld op het bedrijf waarvan het deel uitmaakte plaatsvond, omgerekend naar de aan de desbetreffende diercategorie in bijlage A bij de wet gerelateerde mestproductie, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat per kalenderjaar;

  • e. sinds het ontstaan van het bedrijf is het voor het bedrijf geldende niet-gebonden mestproductierecht voor varkens en kippen niet afgenomen door een registratie als bedoeld in artikel 9 of 10 van de Wet verplaatsing mestproductie.

Artikel 4 [Vervallen per 27-06-2014]

  • 1 Aan de ontheffing worden de volgende voorschriften verbonden:

    • a) op het bedrijf worden niet in een grotere hoeveelheid dan overeenkomend met 100 kilogram fosfaat per jaar andere dierlijke meststoffen geproduceerd dan die afkomstig van kippen en kalkoenen, welke productie wordt berekend op basis van de forfaitaire productienormen voor de onderscheiden diercategorieën, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat per dier per jaar, die zijn opgenomen in bijlage A bij de wet;

    • b) ten aanzien van het bedrijf worden de verfijnde mineralenheffingen, bedoeld in artikel 22 van de wet, geheven.

    • c) alle op het bedrijf geproduceerde dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen worden op het bedrijf bewerkt met gebruikmaking van een biothermische droogeenheid die voldoet aan de in de bijlage bij deze regeling opgenomen omschrijving;

    • d) terzake van het biothermische droogproces op het bedrijf is een certificaat afgegeven door de controle-instantie ten bewijze dat wordt voldaan aan de eisen ter waarborging van de kwaliteit van de gedroogde dierlijke meststoffen;

    • e) terzake van het biothermische droogproces op het bedrijf vindt proces- en kwaliteitsbewaking plaats door de controle-instantie;

    • f) alle op het bedrijf geproduceerde meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen worden na biothermische droging overeenkomstig een met de exporteur gesloten overeenkomst volgens een door de minister daartoe vastgesteld model, rechtstreeks en zonder tussenkomst van anderen afgeleverd aan de exporteur, hetgeen aannemelijk wordt gemaakt met de gegevens, bescheiden en bewijsstukken, bedoeld in paragraaf 3 van het Besluit administratieve verplichtingen Meststoffenwet;

    • g) de exporteur zet de meststoffen, bedoeld in onderdeel f, uitsluitend af in het buitenland; en

    • h) de producent levert tenminste 80 % van de totale in het kalenderjaar geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen in dat kalenderjaar af aan de exporteur, en de resterende hoeveelheid vóór 1 maart van het daarop volgende kalenderjaar. Indien de ontheffing betrekking heeft op een gedeelte van een kalenderjaar, levert de producent de totale in het betreffende deel geproduceerde hoeveelheid dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen vóór 1 maart van het daarop volgende kalenderjaar af aan de exporteur.

  • 2 Aan de voorschriften, gesteld in het eerste lid, wordt uiterlijk vóór 1 januari 2000 en bovendien gedurende de gehele periode waarvoor de ontheffing geldt, voldaan. Ingeval de producent bij het bevoegd gezag in verband met de ontheffing een aanvraag heeft ingediend om een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer ten behoeve van een vergroting van het aantal te houden kippen of ten behoeve van de oprichting van een inrichting dan wel wijziging van een bestaande inrichting die is benodigd om te voldoen aan het voorschrift, gesteld in onderdeel c van het eerste lid, en de vergunning op 31 december 1999 nog niet is verleend of nog niet in werking is getreden, dan geldt in afwijking van de eerste volzin dat aan de voorschriften voldaan wordt uiterlijk acht maanden na inwerkingtreding van de vergunning, of, indien dit eerder is, vóór 1 januari 2002.

  • 3 De ontheffing wordt voor een periode van 7 jaren verleend welke periode aanvangt met het tijdstip waarop aan alle voorschriften, bedoeld in het eerste lid, wordt voldaan.

  • 4 In zoverre in afwijking van het derde lid wordt de ontheffing voor een periode van 12 jaren verleend indien uit de verklaring, bedoeld in artikel 3, onderdeel a, blijkt dat ten aanzien van het betreffende bedrijf wordt voldaan aan binnen het Zuivere Ei gestelde bijkomende voorwaarden aan het bedrijfssysteem in het kader waarvan dierlijke meststoffen afkomstig van legkippen worden geproduceerd.

Artikel 5 [Vervallen per 27-06-2014]

De overeenkomst, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel f, verplicht de exporteur ertoe om:

  • a) gedurende de gehele periode waarvoor de ontheffing wordt verleend, alle op het bedrijf geproduceerde dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen af te nemen en deze behoudens een tussentijdse opslag op een tot de onderneming van de exporteur behorende locatie rechtstreeks en zonder tussenkomst van anderen af te zetten in het buitenland;

  • b) a) tenminste 80 % van de totale in het kalenderjaar aan hem afgeleverde hoeveelheid dierlijke meststoffen in dat kalenderjaar in het buitenland af te zetten, en de resterende hoeveelheid vóór 1 maart van het daarop volgende kalenderjaar;

  • c) steeds vóór 1 april aan de producent schriftelijk opgave te doen van de in het vorige kalenderjaar door de producent aan hem afgeleverde hoeveelheid dierlijke meststoffen, de van deze hoeveelheid door de exporteur in dat kalenderjaar, onderscheidenlijk vóór 1 maart van het volgende kalenderjaar in het buitenland afgezette hoeveelheid, en van de in dit volgende kalenderjaar vóór 1 maart door de producent aan hem afgeleverde hoeveelheid dierlijke meststoffen, en deze opgave op eerste verzoek onder overlegging van daartoe strekkende gegevens en bescheiden te staven; en

  • d) in het kader van zijn onderneming uitsluitend dierlijke meststoffen afkomstig van kippen en kalkoenen en aan hem afgeleverd door producenten waarvan het bedrijf deelnemer is aan het Zuivere Ei en die beschikken over een hen verleende ontheffing op grond van deze regeling, aan te voeren.

Artikel 6 [Vervallen per 27-06-2014]

  • 1 De ontheffing wordt verleend voor een hoeveelheid meststoffen op jaarbasis uitgedrukt in kilogrammen fosfaat die wordt bepaald door het aantal dierplaatsen voor legkippen op het bedrijf te vermenigvuldigen met de forfaitaire productienormen voor de onderscheiden diercategorieën uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die zijn opgenomen in bijlage A bij de wet, en dit product te verminderen met het ten tijde van de verlening van de ontheffing voor het bedrijf geldende mestproductierecht, met dien verstande dat de aldus bepaalde hoeveelheid uitgedrukt in kilogrammen fosfaat niet meer bedraagt dan 37.500 kilogram.

  • 2 In zoverre in afwijking van het eerste lid bedraagt de overeenkomstig dat lid bepaalde hoeveelheid niet meer dan 15.000 kilogram indien de dierplaatsen voor legkippen op het bedrijf voor tenminste 95 % bestaan uit dierplaatsen voor dieren van de diercategorie die in bijlage A bij de wet wordt aangeduid met nummer 300.

  • 3 Indien de ontheffing betrekking heeft op een gedeelte van een kalenderjaar wordt de ontheffing voor dat jaar verleend voor het met dat gedeelte overeenkomende deel van de overeenkomstig het eerste en tweede lid bepaalde hoeveelheid.

  • 4 Voor de toepassing van het eerste lid blijft een wijziging van het mestproductierecht door toepassing van artikel 55a van de wet, dat aan de wet wordt toegevoegd indien het bij koninklijke boodschap van 15 november 1997 ingediende voorstel van wet houdende regels inzake een stelsel van varkensrechten en een heffing ter zake van het houden van varkens (Wet herstructurering varkenshouderij) (kamerstukken II 1997/98, 25 746, nr. 1) tot wet wordt verheven, buiten beschouwing.

Artikel 7 [Vervallen per 27-06-2014]

De ontheffing vervalt indien:

  • a. een verkleining van het voor het bedrijf geldende pluimveerecht plaatsvindt door een registratie als bedoeld in artikel 58q van de wet;

  • b. een vergroting van het voor het bedrijf geldende pluimveerecht plaatsvindt door een registratie als bedoeld in artikel 58q van de wet, voor een hoeveelheid fosfaat overeenkomend met deze toename;

  • c. er een kennisgeving van het vervallen of het gedeeltelijk vervallen van het voor het bedrijf geldende pluimveerecht wordt gedaan als bedoeld in artikel 58x van de wet;

  • d. niet wordt voldaan aan het voorschrift, gesteld in artikel 4, eerste lid, onderdeel g.

Artikel 8 [Vervallen per 27-06-2014]

  • 2 De ontheffing wordt geheel ingetrokken indien de producent die de aanvraag om ontheffing heeft ingediend, het bedrijf ten aanzien waarvan de ontheffing is verleend, niet langer voert.

  • 3 Indien in het geval, bedoeld in het tweede lid, het gehele bedrijf ongewijzigd wordt voortgezet door een opvolgende producent, kan op aanvraag door de minister worden toegestaan dat de rechten en voorschriften verbonden aan de ontheffing op hem overgaan. De aanvraag wordt in ieder geval afgewezen indien door de opvolgende producent, onderscheidenlijk ten aanzien van het voortgezette bedrijf niet wordt voldaan aan de artikelen 4 en 5.

Artikel 9 [Vervallen per 27-06-2014]

  • 1 De aanvraag, bedoeld in artikel 2, wordt door tussenkomst van de stuurgroep uiterlijk op 30 juni 1999 ingediend bij het bureau, met gebruikmaking van een daartoe door de minister vastgesteld formulier dat volledig is ingevuld en ondertekend. 2. Zodra de producent aan alle voorschriften van artikel 4, eerste lid, voldoet, geeft hij hiervan kennis aan het bureau onder overlegging van een afschrift van het certificaat, bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel d, en de overeenkomst, bedoeld in artikel 5.

Artikel 10 [Vervallen per 27-06-2014]

  • 1 De producent houdt een administratie bij waarin hij tenminste de opgave, bedoeld in artikel 5, onderdeel c, opneemt.

  • 2 De producent overlegt de opgave, bedoeld in het eerste lid, vóór 1 mei van het jaar na dat waarop de opgave betrekking heeft, aan het bureau.

Artikel 11 [Vervallen per 27-06-2014]

  • 1 De gegevens uit de administratie worden ten genoegen van de minister gestaafd met bewijsstukken.

  • 2 De administratie en de daarop betrekking hebbende bewijsstukken worden gedurende vijf jaren na afloop van het kalenderjaar waarop deze betrekking hebben, door de producent bewaard.

Artikel 12 [Vervallen per 27-06-2014]

Deze regeling wordt aangehaald als: Kaderregeling ontheffingen experiment ’het Zuivere Ei’.

Artikel 13 [Vervallen per 27-06-2014]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst, en werkt terug tot en met 1 januari 1998.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 20 februari 1998

De

Minister

van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J.J. van Aartsen