Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Kostuum- en titulatuurbesluit rechterlijke organisatie

Geldend van 01-01-2015 t/m heden

Besluit van 22 december 1997 betreffende de titulatuur en het kostuum der rechterlijke ambtenaren alsmede het kostuum van de advocaten en van de procureurs (Reglement II)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie van 19 september 1997, Directie Wetgeving, nr. 653157/97/6;

Gelet op artikel 19 van de Wet op de rechterlijke organisatie;

De Raad van State gehoord (advies van 6 november 1997, nr. W03.79.0609);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Justitie van 17 december 1997, Directie Wetgeving, nr. 671101/97/6;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Eerste hoofdstuk. De titulatuur

Artikel 1

De rechterlijke ambtenaren voeren de volgende titulatuur:

  • a. de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, die werkzaam zijn bij een rechtbank, alsmede de hoofdofficieren van justitie, de plaatsvervangende hoofdofficieren van justitie, de senior officieren van justitie A, de senior officieren van justitie, de officieren van justitie, de substituut-officieren van justitie, de plaatsvervangende officieren van justitie, de officieren enkelvoudige zittingen en de plaatsvervangende officieren enkelvoudige zittingen, die werkzaam zijn bij een arrondissementsparket, het landelijk parket, het functioneel parket, het parket centrale verwerking openbaar ministerie of het parket-generaal: die van edelachtbare heer of vrouwe;

  • b. de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, die werkzaam zijn bij een gerechtshof, de landelijk hoofdadvocaat-generaal, alsmede de hoofdadvocaten-generaal, de senior advocaten-generaal, de advocaten-generaal en de plaatsvervangende advocaten-generaal, die werkzaam zijn bij het ressortsparket of het parket-generaal: die van edelgrootachtbare heer of vrouwe;

  • c. de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, die werkzaam zijn bij de Hoge Raad, de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal en de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, alsmede de griffier en de substituut-griffier van de Hoge Raad: die van edelhoogachtbare heer of vrouwe;

  • d. de procureurs-generaal die het College van procureurs-generaal vormen: die van edelgrootachtbare heer of vrouwe.

Tweede hoofdstuk. Het ambtskostuum

Artikel 2

  • 1 De in artikel 1 genoemde rechterlijke ambtenaren, en degenen die door het bestuur zijn aangewezen of benoemd voor het verrichten van griffierswerkzaamheden en de waarnemend griffiers bij de Hoge Raad zijn gekleed in het voor hun ambt voorgeschreven kostuum, bestaande uit een toga en een bef en, met inachtneming van de volgende artikelen, een baret, wanneer zij binnen een gebouw, dat als gerechtsgebouw dienst doet, in de uitoefening van hun ambt aanwezig zijn op een terechtzitting of wanneer zij in een gebouw als vorenbedoeld anders dan ter terechtzitting een ambtsverrichting vervullen, waarbij het dragen van het kostuum gepast is.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de procureurs-generaal die het College van procureurs-generaal vormen.

Artikel 3

  • 1 De toga is een lange wijde mantel met een staande kraag ter hoogte van ongeveer 4 cm, welke kraag aan de voorzijde in het midden een opening heeft van 8 cm. De toga is geheel gemaakt van zwarte stof, neerhangende tot ongeveer 10 cm boven de grond, in het midden van de achterzijde onder de kraag, evenals zijwaarts aan de bovenkant van de wijde mouwen, geplooid ingenomen, met aan de onderkant der mouwen omslagen ter breedte van ongeveer 20 cm en aan de voorzijde in het midden van boven tot onder om de 5 cm voorzien van een niet glimmende kleine zwarte knoop, een en ander in overeenstemming met de bij dit Reglement gevoegde afbeeldingen.

  • 2 De toga wordt gesloten gedragen. Aan de onderkant der mouwen behoort een voorziening te zijn getroffen, welke het terugvallen der mouwen verhindert.

Artikel 4

Voor zover de toga is voorzien van banen, zijn deze ter breedte van ongeveer 18 cm evenwijdig aan elkander met een tussenruimte van ongeveer 8 cm verticaal aan de voorzijde aangebracht en wel van de bovenkant van elke schouder af tot aan de onderkant der toga.

Artikel 5

  • 1 De toga van de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, werkzaam bij de Hoge Raad, van de procureur-generaal, van de plaatsvervangend procureur-generaal, van de advocaten-generaal en van de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad en van de griffier van de Hoge Raad is van zijde met banen en mouwomslagen van zwart fluweel.

  • 2 De toga van de president van en de procureur-generaal bij de Hoge Raad is aan de buitenwaartse randen van de banen en aan de bovenzijde van de mouwomslagen voorzien van een hermelijnen boordsel.

  • 3 De toga van de substituut-griffier en van de waarnemende griffiers van de Hoge Raad is van zijde zonder banen met mouwomslagen van zwart fluweel.

Artikel 6

  • 1 De toga van de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, is van dof grein of van een hierop gelijkende stof met banen en mouwomslagen van zwarte zijde. Het gedeelte tussen de banen is van zwart moiré.

  • 2 De toga van degenen die door het bestuur van het gerechtshof zijn aangewezen of benoemd voor het verrichten van griffierswerkzaamheden bij een gerechtshof is van dof grein of van een hierop gelijkende stof zonder banen en mouwomslagen van zwarte zijde.

Artikel 7

  • 1 De toga van de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is van dof grein of van een hierop gelijkende stof met banen en mouwomslagen van zwarte zijde.

  • 2 De toga van degenen die door het bestuur van de rechtbank zijn aangewezen of benoemd voor het verrichten van griffierswerkzaamheden bij een rechtbank is van dof grein of van een hierop gelijkende stof zonder banen en mouwomslagen van zwarte zijde.

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 10

  • 1 De bef bestaat uit twee aan de bovenzijde aan elkander bevestigde stukken geplooid wit batist of een hierop gelijkende stof, beide stukken tezamen in geplooide toestand aan de bovenzijde 8 cm breed.

  • 2 De bef heeft een lengte van 30 cm en mag aan de onderzijde niet breder zijn dan 15 cm.

  • 3 De bef wordt zodanig bevestigd, dat hetgeen zonder van de toga deel uit te maken om de hals wordt gedragen niet zichtbaar is.

  • 4 Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing indien en voor zover een gesteven witte boord met witte strik wordt gedragen.

Artikel 11

De baret is rond en heeft een staande rand ter hoogte van 5 cm en een 5 cm buiten die rand uitstekend plat geplooid bovenstuk, dat in het midden is voorzien van een platte knoop, bekleed met de stof, waarvan de baret is vervaardigd, een en ander in overeenstemming met de bij dit besluit gevoegde afbeeldingen.

Artikel 12

  • 1 De baret van de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, werkzaam bij de Hoge Raad, van de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal en de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad en van de griffier van de Hoge Raad is van zwart fluweel met om de rand een hermelijnen boordsel.

  • 2 De baret van de substituut-griffier en van de waarnemende griffiers van de Hoge Raad is van zwarte zijde zonder boordsel.

Artikel 13

  • 1 De baret van de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, is van zwart fluweel, die van de advocaten-generaal en de plaatsvervangend advocaten-generaal met de rand in zwarte zijde geborduurd met eiken-en oranjetakken als aangegeven in de bij dit besluit gevoegde afbeelding.

  • 2 De rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die tevens president is van een gerechtshof kan een baret dragen met de rand in zwarte zijde geborduurd met eiken- en oranjetakken als aangegeven in de bij dit besluit gevoegde afbeelding.

  • 3 De baret van degenen die door het bestuur van het gerechtshof zijn aangewezen of benoemd voor het verrichten van griffierswerkzaamheden bij een gerechtshof is van zwarte zijde of van dezelfde stof als waarvan de daarbij gedragen toga is vervaardigd.

Artikel 14

  • 1 De baret van de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is van zwarte zijde, die van de hoofdofficier van justitie met de rand van zwart fluweel.

  • 2 De rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast die tevens president is van een rechtbank kan een baret dragen met de rand van zwart fluweel.

  • 3 De baret van degenen die door het bestuur van de rechtbank zijn aangewezen of benoemd voor het verrichten van griffierswerkzaamheden bij een rechtbank is van zwarte zijde of van dezelfde stof als waarvan de daarbij gedragen toga is vervaardigd.

Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 17

Tenzij het bestuur van een gerecht of de president van de Hoge Raad voor plechtige terechtzittingen anders bepaalt, kan de baret tijdens de terechtzitting of de ambtsverrichting ter zijde worden gelegd.

Artikel 18

De raadsheer-plaatsvervanger in een gerechtshof, de rechter-plaatsvervanger in een rechtbank, de plaatsvervangend advocaat-generaal, de plaatsvervangend officier van justitie en de plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen zijn, wanneer zij tijdens de vervulling van hun ambt ingevolge het bepaalde in artikel 2 een ambtskostuum dragen, gekleed hetzij in het kostuum, behorende bij het door hen waargenomen ambt, hetzij in het kostuum van de advocaat.

Artikel 19

De rechterlijk ambtenaar, werkzaam bij het openbaar ministerie, die wordt belast met de waarneming van een ander rechterlijk ambt bij het openbaar ministerie, is, wanneer hij tijdens het vervullen van de werkzaamheden behorende bij dat andere ambt het in artikel 2 bedoelde kostuum moet dragen, gekleed in het voor zijn eigen ambt voorgeschreven kostuum.

Artikel 20

  • 1 Tijdens plechtige terechtzittingen en eveneens wanneer zij in het bij artikel 2 bedoelde kostuum een buiten een gerechtsgebouw plaats vindende openbare plechtigheid bijwonen, dragen de aldaar genoemde personen onder de toga donkere kleding en zwarte schoenen.

  • 2 Het bestuur van een gerecht of de president van de Hoge Raad is bevoegd ter gelegenheid van een terechtzitting of plechtigheid als in het eerste lid bedoeld, het dragen van ridderorden en eretekenen voor te schrijven. Deze dienen alsdan door hen, die daartoe gerechtigd zijn, gedragen te worden in modelformaat overeenkomstig het gebruik en overeenkomstig de desbetreffende statuten en reglementen.

Derde hoofdstuk. Het galakostuum

Artikel 21

Individueel ten Hove verschijnende of openbare plechtigheden bijwonende, kunnen de in artikel 1 genoemde rechterlijke ambtenaren een kostuum dragen, bestaande uit:

  • a. een geklede zwarte lakense rok, met zwarte zijde gevoerd en voorzien van zakken met kleppen, van mouwen met omslagen en van de navolgende knopen met rijkswapen: 9 stuks aan de voorzijde, 2 stuks in de taille, 2 stuks op de onderzijde van de rokpanden en 3 stuks onder elke zakklep;

  • b. een zwarte lakense broek met op de buitennaden een galon ter breedte van 4 cm;

  • c. een tweebladige steek met zwarte liggende struisveren, oranje cocarde, een lis van zes strengen en een knoop als op de rok;

    bij welk kostuum wordt gedragen een degen met verguld gevest in een zwarte schede; een en ander met inachtneming van het bepaalde bij de artikelen 22 tot en met 26 en in overeenstemming met de afbeeldingen, welke door Onze Minister van Justitie zullen worden bewaard.

Artikel 22

  • 1 De rok, gedragen door de rechterlijke ambtenaren met rechtspraak belast, werkzaam bij de Hoge Raad, de procureur-generaal, de plaatsvervangend procureur-generaal, de advocaten-generaal en de advocaten-generaal in buitengewone dienst bij de Hoge Raad, zomede de griffier van de Hoge Raad is in goud geborduurd met eiken- en oranjetakken op de kraag, op de zakkleppen, op het rugstuk tussen deze kleppen en op de omslagen der mouwen, het borduursel ter breedte van 6 cm, de knopen verguld.

  • 2 De broek, gedragen door de in het eerste lid genoemde rechterlijke ambtenaren, is voorzien van goudgalon.

  • 3 De steek, gedragen door de in het eerste lid genoemde rechterlijke ambtenaren, heeft een lis van goud.

Artikel 23

  • 1 De rok, gedragen door de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, alsmede degenen die door het bestuur zijn aangewezen of benoemd voor het verrichten van griffierswerkzaamheden bij een gerechtshof is in zilver geborduurd met eiken- en oranjetakken op de kraag, op de zakkleppen, op het rugstuk tussen deze kleppen en op de omslagen der mouwen, het borduursel ter breedte van 6 cm, de knopen verzilverd.

  • 2 De broek, gedragen door de in het eerste lid genoemde rechterlijke ambtenaren, is voorzien van zilvergalon.

  • 3 De steek, gedragen door de in het eerste lid genoemde rechterlijke ambtenaren, heeft een lis van zilver.

Artikel 24

  • 1 De rok, gedragen door de rechterlijke ambtenaren, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, en degenen die door het bestuur zijn aangewezen of benoemd voor het verrichten van griffierswerkzaamheden bij een rechtbank, is in zilver geborduurd met eiken- en oranjetakken op de kraag, op de zakkleppen, op het rugstuk tussen deze kleppen en op de omslagen der mouwen, het borduursel ter breedte van 4 cm, de knopen verzilverd.

  • 2 De broek, gedragen door de in het eerste lid genoemde rechterlijke ambtenaren, is voorzien van zilvergalon.

  • 3 De steek, gedragen door de in het eerste lid genoemde rechterlijke ambtenaren, heeft een lis van zilver.

Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 26

Het in artikel 21 bedoelde kostuum voor de substituut-griffier van de Hoge Raad is gelijk aan het kostuum dat in artikel 22 is voorgeschreven voor de griffier van de Hoge Raad, met dien verstande dat het borduursel op de omslagen van de mouwen de halve breedte heeft.

Vierde hoofdstuk. Het kostuum van de advocaten

Artikel 27

  • 1 De advocaten, in hun hoedanigheid binnen een gebouw, dat als gerechtsgebouw dienst doet, optredende ter terechtzitting van een in artikel 1 genoemd college of ter gelegenheid van een ambtsverrichting bij de vervulling waarvan het college of de hiervan lid zijnde rechterlijke ambtenaar het kostuum draagt, zomede tijdens hun beëdiging zijn gekleed in toga met bef.

  • 2 De advocaten mogen de toga met bef eveneens dragen, wanneer zij in hun hoedanigheid binnen een gebouw, dat als gerechtsgebouw dienst doet, optreden ter terechtzitting van een kantonrechter of ter gelegenheid van een ambtsverrichting, bij de vervulling waarvan de kantonrechter het kostuum draagt.

  • 3 Het bepaalde in het tweede lid is van overeenkomstige toepassing, indien een advocaat in zijn hoedanigheid optreedt voor een niet in artikel 1 genoemd rechtscollege, waarvan de leden of een lid ter terechtzitting een ambtskostuum dragen of draagt.

  • 4 Indien het bestuur van een gerecht of de president van de Hoge Raad ter gelegenheid van een terechtzitting of plechtigheid als bedoeld in artikel 20 het dragen van ridderorden en eretekenen heeft voorgeschreven, geldt zijn voorschrift ook voor de advocaten, die de zitting of plechtigheid bijwonen.

Artikel 28

De toga van de advocaten is gelijk aan die, welke is omschreven in artikel 3, met dien verstande, dat de toga is van dof grein of van een hierop gelijkende stof zonder banen met aan de mouwen omslagen van dezelfde stof.

Artikel 29

  • 2 De bef wordt door de advocaten zodanig bevestigd, dat hetgeen zonder van de toga deel uit te maken om de hals wordt gedragen niet zichtbaar is.

  • 3 Het bepaalde in het vorige lid is niet van toepassing, indien en voor zover een gesteven witte boord met witte strik wordt gedragen.

Artikel 30

  • 1 De advocaten mogen in de gevallen, waarin zij een toga met bef dragen, desverkiezende gedekt zijn met een baret.

  • 2 De door de advocaten gedragen baret is gelijk aan die, welke is omschreven in artikel 11, met dien verstande, dat de baret moet zijn van dezelfde stof als waarvan de daarbij gedragen toga is vervaardigd.

Vijfde hoofdstuk. Slotbepalingen

Artikel 31 [Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 32 [Vervallen per 01-01-2002]

Artikel 33

Dit besluit wordt aangehaald als: Kostuum- en titulatuurbesluit rechterlijke organisatie.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 22 december 1997

Beatrix

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Uitgegeven de dertigste december 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Bijlage bij het Reglement II

Afbeeldingen als bedoeld in artikel 3

Bijlage 2678.png

Toga met banen (vooraanzicht)

Bijlage 2679.png

Toga met banen (zij-aanzicht)

Bijlage 2680.png

Toga met banen (achteraanzicht)

Bijlage 2681.png

Toga zonder banen (vooraanzicht)

Bijlage 2682.png

Toga zonder banen (zij-aanzicht)

Bijlage 2683.png

Toga zonder banen (achteraanzicht)

Afbeeldingen als bedoeld in artikel 11

Bijlage 2684.png

Baret (zonder boordsel) (zij-aanzicht)

Bijlage 2685.png

Baret (boven-aanzicht)

Afbeelding als bedoeld in artikel 13

Bijlage 2686.png