Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Voorschriften meetmiddelen 1997[Regeling vervallen per 01-05-2009.]

Geldend van 10-12-2008 t/m 30-04-2009

Voorschriften meetmiddelen 1997

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Handelende in overeenstemming met de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer;

Gelet op de artikelen 84 en 101 van de Wegenverkeerswet 1994;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemeen [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 1.1 [Vervallen per 01-05-2009]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a. aanwijsbereik: het bereik begrensd door de laagste en hoogste waarde waarvoor het instrument een meetwaarde presenteert of registreert;

  • b. afleeseenheid: de waarde, uitgedrukt in de eenheid van de gemeten grootheid, van het verschil tussen de aanwijzingen bij naast elkaar liggende schaaldeelstrepen voor analoog aanwijzende instrumenten of van het kleinste verschil tussen de aanwijzingen bij digitaal aanwijzende meetinstrumenten;

  • c. certificaat van eerste keuring: het certificaat afgegeven naar aanleiding van de eerste keuring van een bepaald meetmiddel, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van het meetmiddel met het ingevolge deze regeling goedgekeurde type wordt bevestigd;

  • d. certificaat van herkeuring: het certificaat afgegeven naar aanleiding van de herkeuring van een in gebruikzijnd meetmiddel, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van het meetmiddel met de eisen van deze regeling worden herbevestigd;

  • e. keuringsinstelling: de ingevolge artikel 84, eerste lid, en artikel 101, eerste lid, van de wet door de Minister aangewezen instelling;

  • f. datum ingebruikname: datum waarop het meetmiddel aantoonbaar in gebruik is genomen ten behoeve van de controle van de in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement gestelde eisen;

  • g. eerste keuring: de keuring die voor de eerste maal wordt verricht aan een bepaald meetmiddel. Bij de eerste keuring wordt de overeenstemming met het goedgekeurde type onderzocht alsook de exemplaargebonden eigenschappen;

  • h. fout: de afwijking in positieve of in negatieve zin van een aangewezen of geregistreerde waarde van de werkelijke waarde. De fout kan zijn weergegeven als een vaste waarde uitgedrukt in de meetgrootheid, dan wel zijn weergegeven als een relatieve fout, uitgedrukt in procenten van de werkelijke waarde van de gemeten grootheid;

  • i. herkeuring: de keuring die na een vastgestelde periode, dan wel als gevolg van een reparatie of justering moet worden uitgevoerd. Bij deze keuring worden vooral de eigenschappen onderzocht die door gebruik en tijd kunnen wijzigen;

  • j. hulpinrichting: inrichting die in combinatie met het meetmiddel kan worden gebruikt, doch die voor de primaire meetfunctie van het meetmiddel niet nodig of voorgeschreven is;

  • k. invloedsfactor: een invloedsgrootheid met een waarde liggend binnen de vastgelegde gebruiksomstandigheden;

  • l. invloedsgrootheid: een grootheid die geen onderwerp van de meting is, maar die de waarde van de te meten grootheid of de aanwijzing van het instrument beïnvloedt, zoals de omgevingstemperatuur;

  • m. keuring: de aanduiding voor de typekeuring, de eerste keuring en de herkeuring;

  • n. keuringscertificaat: een certificaat van eerste keuring dan wel van herkeuring;

  • o. maximale fout: de maximaal toelaatbare waarde van de fout geldend voor een bepaald soort meetmiddel;

  • p. Minister: de Minister van Verkeer en Waterstaat;

  • q. onderzoeksgerechtigde: een onderneming of instelling die op grond van hoofdstuk 2, paragraaf 2, van deze regeling door een keuringsinstelling is erkend tot het mogen afgeven van certificaten van herkeuring ten aanzien van nader bepaalde categorieën in gebruik zijnde meetmiddelen;

  • r. primair meetsignaal: het in apparatuur met elektronische signaalverwerking aanwezige analoge of digitale meetsignaal dat een getrouwe, niet beïnvloedde weergave is van de gemeten grootheid. In dit meetsignaal zijn alle relevante dynamische verschijnselen van de gemeten grootheid proportioneel aanwezig;

  • s. registratie: vastlegging van een meetresultaat hetzij getalsmatig of analoog;

  • t. registratie-inrichting: inrichting voor het vastleggen van meetresultaten, zoals een afdrukinrichting;

  • u. testaansluiting: voorziening in het meetmiddel, waardoor het mogelijk is bij de keuring zowel het primaire meetsignaal van praktijkmetingen te bemonsteren alsook gesimuleerde primaire meetsignalen aan te bieden aan het signaalverwerkende gedeelte van het instrument. Met eventueel noodzakelijke buffering is de testaansluiting opgenomen als een schakel in het normale signaalpad;

  • v. typekeuring: de keuring van een meetmiddel, waarbij de type-gebonden eigenschappen worden onderzocht. Een typekeuring vindt eenmaal plaats voor een bepaald type meetmiddel;

  • w. typekeuringscertificaat: het certificaat afgegeven naar aanleiding van een typekeuring van een bepaald meetmiddel-type, waarin de karakteristieke eigenschappen van het desbetreffende meetmiddel zijn vastgelegd en de overeenstemming van die eigenschappen met de eisen van deze regeling wordt bevestigd;

  • x. vastgelegde gebruiksomstandigheden: gebruiksomstandigheden, beschreven door vastgelegde maximale waarden van invloedsgrootheden, waaronder het meetinstrument aan de maximaal fout moet voldoen;

  • y. verstoring: een invloedsgrootheid met een waarde buiten de vastgelegde gebruiksomstandigheden, dan wel een invloedsgrootheid waarvoor de gebruiksomstandigheden niet zijn vastgelegd;

  • z. wet: Wegenverkeerswet 1994;

  • aa. justering: de handeling die is bedoeld om een instrument in een zodanige toestand te brengen dat het geschikt is voor zijn gebruik;

  • ab. analoge aanwijzing: aanwijzing die de gemeten waarde weergeeft als een continue of nagenoeg continue functie door middel van een index langs een schaalverdeling;

  • ac. digitale aanwijzing: aanwijzing die de gemeten waarde uitsluitend getalsmatig weergeeft;

  • ad. testcertificaat: het certificaat afgegeven naar aanleiding van een typekeuring van een bepaalde hulpinrichting of onderdeel van een meetmiddel, waarin de karakteristieke eigenschappen van die hulpinrichting of dat onderdeel zijn vastgelegd en de overeenstemming van die eigenschappen met de eisen van deze regeling wordt bevestigd;

  • ae. controlecertificaat: het certificaat afgegeven naar aanleiding van een eerste en periodieke controle van een in gebruik zijnde hulpinrichting, waarin de overeenstemming van de individuele eigenschappen van de hulpinrichting met de eigenschappen van deze regeling worden herbevestigd.

Artikel 1.1a [Vervallen per 01-05-2009]

Onder de vermelding in deze regeling van een EG-richtlijn wordt verstaan hetgeen daaronder wordt begrepen in artikel 1.1a van het Voertuigreglement, met inbegrip van de ingevolge artikel 1.7, eerste lid, van het Voertuigreglement bekendgemaakte wijzigingen. Artikel 1.7, tweede lid, van het Voertuigreglement is van overeenkomstige toepassing.

§ 2. Algemene voorschriften [Vervallen per 01-05-2009]

§ 2.1. Keuring [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 1.2 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De volgende meetmiddelen moeten zijn typegoedgekeurd aan de hand van de in hoofdstuk 1 en 3 opgenomen algemene respectievelijk specifieke eisen, ten bewijze waarvan een typekeuringscertificaat wordt afgegeven:

    • a. roetmeters;

    • b. toerentellers;

    • c. olietemperatuurmeters;

    • d. manometers;

    • e. pedaalkrachtmeters;

    • f. remvertragingsmeters;

    • g. rollenremtestbanken;

    • h. platenremtestbanken;

    • i. koolmonoxidemeters;

    • j. uitlaatgastesters met lambdabepaling.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde meetmiddelen moeten tevens een eerste keuring en na verloop van de in artikel 1.8 genoemde termijn een herkeuring ondergaan, ten bewijze waarvan een certificaat van eerste keuring respectievelijk van herkeuring wordt afgegeven.

Artikel 1.3 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Kalibratiegas ten behoeve van koolmonoxidemeters moet gecertificeerd zijn op grond van de in hoofdstuk 3, paragraaf 9.3 gestelde eisen.

Artikel 1.4 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Met de in deze regeling opgenomen technische eisen worden gelijkgesteld de technische eisen die in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte zijn vastgesteld en die als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt.

  • 2 Met de in deze regeling bedoelde certificaten van goedkeuring worden gelijkgesteld certificaten van goedkeuring afgegeven door een onafhankelijke keuringsinstelling in een andere lidstaat van de Europese Unie dan wel in een staat die partij is bij de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte, welke verklaring is afgegeven op basis van onderzoekingen die aan ten minste gelijkwaardige eisen voldoen.

Artikel 1.5 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien bij de in artikel 1.2, bedoelde keuringen bijzondere hulpmiddelen of informatie benodigd zijn, kan degene die het meetmiddel ter keuring aanbiedt verzocht worden deze ter beschikking te stellen.

  • 2 Het niet beschikbaar stellen van noodzakelijke hulpmiddelen of informatie kan leiden tot het niet goedkeuren van het meetmiddel.

§ 2.2. Certificaten [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 1.6 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Het typekeuringscertificaat en het certificaat van eerste keuring worden afgegeven door een keuringsinstelling.

  • 2 Het certificaat van herkeuring wordt afgegeven door een keuringsinstelling dan wel een onderzoeksgerechtigde.

  • 3 Het certificeren van kalibratiegas ten behoeve van koolmonoxidemeters geschiedt door een keuringsinstelling ingevolge artikel 2.11 erkende instelling.

  • 4 Voorzover dit in de specifieke eisen van hoofdstuk 3 is bepaald wordt in het typekeuringscertificaat een tijdelijke voorwaarde opgenomen met betrekking tot daar genoemde aspecten. Deze tijdelijke voorwaarde moet binnen de termijn genoemd in het typegoedkeuringscertificaat zijn komen te vervallen dan wel zijn omgezet in een definitieve voorwaarde op grond van een in hoofdstuk 3 vereist onderzoek naar de gedragingen in de praktijk van een representatief aantal meetmiddelen uitgevoerd door de keuringsinstelling op kosten van de aanvrager van de typekeuring.

Artikel 1.7 [Vervallen per 01-05-2009]

Een typekeuringscertificaat is niet langer geldig indien:

  • a. een wijziging in het meetmiddel wordt aangebracht, waardoor de meetwaarden zoals deze in de praktijk kunnen worden verkregen niet meer voldoen aan de maximale fout,

  • b. een wijziging in het meetmiddel wordt aangebracht die in strijd is met het typekeuringscertificaat of de bijbehorende beschrijving, of

  • c. de voorschriften worden gewijzigd en het meetmiddel niet meer voldoet aan de gewijzigde voorschriften;

  • d. de in artikel 1.6, vierde lid, genoemde termijn is verstreken, waarbinnen de daar bedoelde tijdelijke voorwaarde moet zijn vervallen dan wel moet zijn omgezet in een definitieve voorwaarde.

Artikel 1.8 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De geldigheidsduur van een keuringscertificaat bedraagt 12 maanden.

  • 2 De geldigheidsduur van een keuringscertificaat vangt aan met ingang van de datum van afgifte daarvan.

  • 3 Indien een keuringscertificaat wordt afgegeven binnen twee maanden vóór het tijdstip waarop de in het eerste lid genoemde termijn verstrijkt, vangt de geldigheidsduur van het keuringscertificaat aan met ingang van dat tijdstip.

  • 4 Een keuringscertificaat verliest zijn geldigheid indien:

    • a. een wijziging of herstel van het meetmiddel heeft plaatsgevonden, waardoor de juistheid kan zijn veranderd,

    • b. de verzegeling is verbroken,

    • c. een zodanige mechanische of elektrische overbelasting is ontstaan, dat een juist functioneren niet meer gewaarborgd kan worden, of

    • d. de geldigheidsduur verstreken is.

  • 5 Specifieke gebruiksomstandigheden, van belang bij de keuring en het gebruik van het meetmiddel, moeten worden vermeld in het keuringscertificaat.

§ 2.3. Verzegeling en goedkeuringsmerken [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 1.9 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een meetmiddel wordt bij de eerste keuring en bij de herkeuring voorzien van de verzegelingen die in het typekeuringscertificaat zijn beschreven.

  • 2 Onder verzegeling wordt verstaan:

    • a. het aanbrengen van een beveiliging waardoor het verschaffen van toegang tot onderdelen of instellingen van een meetmiddel door een onbevoegde niet kan plaatsvinden zonder dat dit feit achteraf zichtbaar is door beschadiging van een aangebracht beveiligingsmiddel, zoals een loodzegel of een sticker;

    • b. een elektronische verzegeling die kan bestaan uit een in de programmatuur opgenomen niet-terugstelbare teller, waarvan de inhoud automatisch wordt verhoogd indien toegang wordt verschaft tot een routine waarin beveiligde parameters kunnen worden aangepast. De inhoud van deze teller moet eenvoudig kunnen worden uitgelezen en moet overeenkomen met de waarde die in het laatste keuringscertificaat is vermeld, zolang de verzegeling niet verbroken is.

  • 3 Na de eerste keuring en na de herkeuring wordt op het meetmiddel een goedkeuringsmerk aangebracht door de keuringsinstelling of, in geval van herkeuring, door een onderzoeksgerechtigde.

§ 3. Algemene eisen [Vervallen per 01-05-2009]

§ 3.1. Algemene eisen gesteld aan alle meetmiddelen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 1.10 [Vervallen per 01-05-2009]

De in artikel 1.2 genoemde meetmiddelen moeten, tenzij anders bepaald in hoofdstuk 3, voldoen aan de in deze paragraaf gestelde eisen.

Artikel 1.11 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Het meetmiddel moet van een zodanige opbouw en werking zijn, dat de toetsing aan de in deze regeling gestelde eisen redelijkerwijs mogelijk is.

  • 2 Het meetmiddel moet zodanig zijn ingericht, dat er geen misverstanden kunnen ontstaan met betrekking tot de aangewezen of geregistreerde meetwaarde.

  • 3 Het meetmiddel mag niet zijn voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justeerinrichting of andere instelinrichting die de meetnauwkeurigheid kan beïnvloeden, tenzij het gebruik van deze inrichtingen in de specifieke eisen is toegestaan.

  • 4 Het meetmiddel moet zodanige eigenschappen hebben, dat geen onredelijke eisen gesteld worden aan de vaardigheid en inspanning van de gebruiker.

Artikel 1.12 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Bij het onderzoek naar de gevoeligheid voor invloedsfactoren wordt niet meer dan één onafhankelijke invloedsfactor gelijktijdig in beschouwing genomen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid geldt voor elektronische meetmiddelen die niet door het lichtnet worden gevoed dat gelijktijdig aan de eisen genoemd in artikel 1.13, vierde lid en 1.17 moet worden voldaan.

Artikel 1.13 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien in de specifieke eisen van hoofdstuk 3 een controle-inrichting is voorgeschreven, moet de werking en het resultaat van deze inrichting overeenstemmen met de door de fabrikant vastgelegde specificaties. Een onderbouwing van de waarde van het controleresultaat gerelateerd aan de maximale fout van het meetmiddel, moet bij de aanbieding voor de typekeuring door de aanbieder worden overgelegd.

  • 2 De maximale fouten, genoemd in hoofdstuk 3 gelden onder de vastgelegde gebruiksomstandigheden en bij gebruik van de meetmiddelen overeenkomstig de handleiding behorende bij het meetmiddel.

  • 3 Indien het meetmiddel wordt blootgesteld aan een verstoring, mag een daarvan het gevolg zijnde verandering van de fout in de aanwijzing of registratie niet meer bedragen dan de waarde van de maximale fout, genoemd in hoofdstuk 3. Aan deze eis behoeft niet te worden voldaan indien de verstoring tot gevolg heeft dat:

    • a. het meetresultaat niet kan worden vastgesteld, of

    • b. het meetresultaat een zodanige fout vertoont dat de gebruiker onontkoombaar de ongeldigheid van de meting zal opmerken.

  • 4 De vastgelegde gebruiksomstandigheden voor de omgevingstemperatuur omvatten het temperatuurgebied van –10 °C tot 40 °C. Het genoemde temperatuurgebied mag beperkt zijn tot het gebied van ten minste 5 °C tot 40 °C.

  • 5 Bij het onderzoek voor de typekeuring moet de aanbieder een schriftelijke verklaring overleggen waarin wordt bevestigd dat het meetmiddel voldoet aan de gestelde eisen. Tevens moet hij daarbij een opgave doen van de periode waarover het meetmiddel, bij normaal gebruik en bij correcte uitvoering van eventuele door de gebruiker te verrichten justeringen, wordt verwacht te voldoen aan de eisen met betrekking tot de maximale fout.

Artikel 1.14 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Elk meetmiddel moet zijn voorzien van de volgende duidelijk leesbare en onuitwisbare opschriften:

    • a. het fabrikaat;

    • b. het bouwjaar;

    • c. de type-aanduiding;

    • d. het typegoedkeuringsnummer;

    • e. het serienummer;

    • f. de eenheid waarin de gemeten grootheid wordt uitgedrukt;

    • g. het aanwijsbereik;

    • h. eventuele gebruiksbeperkende omstandigheden;

    • i. het temperatuurgebied waarbinnen aan de eisen van het meetmiddel wordt voldaan, tenzij anders is aangegeven in hoofdstuk III.

    Indien een meetmiddel is opgebouwd uit een aanwijseenheid met een separaat aan te sluiten meeteenheid, moeten de aanduidingen a tot en met e tevens worden vermeld op de separate meeteenheid.

    De aanduidingen f tot en met h moeten zijn aangebracht in de onmiddellijke nabijheid van de aanwijzing en worden herhaald bij elke aanwijsinrichting.

  • 2 Voor zover de meetmiddelen zijn voorzien van een registratie-inrichting moeten op elke registratie ten minste de aanduidingen genoemd in het eerste lid, onder e en f, worden vastgelegd.

  • 3 Aanwijzingen en registraties bedoeld voor de gebruiker van het meetmiddel moeten in de Nederlandse taal zijn gesteld.

  • 4 Andere vermeldingen dan genoemd in de voorgaande leden mogen worden aangebracht mits deze geen aanleiding kunnen geven tot misleiding of misvatting.

Artikel 1.15 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Meetmiddelen zijn voorzien van een handleiding in de Nederlandse taal, tenzij anders is bepaald in hoofdstuk 3.

  • 2 Ter beoordeling van de meetresultaten bevat de in het eerste lid bedoelde handleiding tenminste:

    • a. een korte en overzichtelijke procedure voor het gebruik van het meetmiddel bij de uitvoering van de algemene periodieke keuring van een voertuig, waaronder in elk geval wordt verstaan een stroomschema;

    • b. de uit te voeren controles voorafgaande aan of tijdens de metingen;

    • c. de betekenis van een controleresultaat;

    • d. een beschrijving van eventueel door het instrument gegeven meldingen;

    • e. de informatie benodigd voor een juiste interpretatie van het meetresultaat;

    • f. de in hoofdstuk III genoemde nadere informatie.

§ 3.2. Algemene eisen gesteld aan elektronische meetmiddelen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 1.16 [Vervallen per 01-05-2009]

Elektronische meetmiddelen genoemd in artikel 1.2 moeten, tenzij anders bepaald in hoofdstuk 3, voldoen aan de in deze paragraaf gestelde eisen.

Artikel 1.17 [Vervallen per 01-05-2009]

De eisen met betrekking tot de maximale fout hebben betrekking op het gehele gebied van praktisch voorkomende voedingspanningen. Aan de eis met betrekking tot de maximale fout wordt voldaan indien het instrument voldoet aan artikel 1.18, onderdeel a.

Artikel 1.18 [Vervallen per 01-05-2009]

Het meetmiddel moet voor wat betreft storingsgevoeligheid voldoen aan de volgende eisen:

  • a. het meetmiddel moet voldoende ongevoelig zijn voor elektro-magnetische invloeden. Aan deze eis wordt voldaan, indien de apparatuur de testen van International Document n° 11 General Requirements for Electronic Measuring Instruments (1994) doorstaat. De volgende testen met het aangegeven stoorniveau (Zwaarte) zijn van toepassing:

Omschrijving

Geldende eis

Artikel

Zwaarte

spanningsvariatie

1.13, lid 2

B.6

1

spanningsonderbreking

1.13, lid 3

B.7

2a en 2b

bursts (transienten)

1.13, lid 3

B.8

2

elektrostatische ontlading

1.13, lid 3

B.9

1

elektromagnetische instraling

1.13, lid 3

B.10

2

  • a. indien het meetmiddel is uitgerust om te kunnen worden gevoed door het boordnet van voertuigen, moet dit voldoen aan de eisen gesteld in ISO 7637;

  • b. indien het meetmiddel is opgebouwd uit afzonderlijke onderdelen, waarbij tussen de afzonderlijke onderdelen signaaloverdracht plaatsvindt, moet het meetmiddel zodanig zijn ingericht dat een juiste signaaloverdracht gewaarborgd is. Indien verstoringen van een andere aard dan genoemd onder a en b, zoals mechanische beschadigingen van de verbindingskabels, niet kunnen worden uitgesloten, moet verzekerd zijn dat bij het optreden van deze verstoringen voldaan wordt aan artikel 1.13, derde lid.

Artikel 1.19 [Vervallen per 01-05-2009]

De metrologisch relevante programmatuur van het meetmiddel moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a. bij de typekeuring moet de te gebruiken programmatuur redelijkerwijs kunnen worden onderzocht. De aanbieder moet daartoe de middelen ter beschikking stellen zoals de benodigde documentatie waarin de werking van de programmatuur in voldoende detail wordt weergegeven;

  • b. de programmatuur moet in een zodanige vorm in het meetmiddel aanwezig zijn, dat wijziging van de programmatuur, leidend tot een besturingscode die niet in de typekeuring is onderzocht niet mogelijk is zonder verbreking van een verzegeling;

  • c. wijzigingen in de programmatuur worden door middel van een eenvoudige en zichtbare identificatiecode gesignaleerd;

  • d. door de fabrikant moet aan elke programmatuurversie een vast versie-nummer worden toegekend, dat tezamen met de door de programmatuur zelf gegenereerde identificatie-code als bedoeld onder c de volledige identificatie van de programmatuur vormt. Dit versie-nummer moet bij elke programmatuurwijziging die invloed kan hebben op de functies en de juistheid van het meetmiddel, door de fabrikant worden aangepast;

  • e. indien de frequentie van een interne frequentiebron van invloed is op het meetresultaat, mag de frequentie geen grotere afwijking hebben van zijn nominale waarde dan overeenkomend met één tiende van de maximale fout.

§ 3.3. Algemene eisen gesteld aan hulpinrichtingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 1.20 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een hulpinrichting is zodanig opgebouwd dat zij:

    • a. de eigenschappen van het meetmiddel niet nadelig kan beïnvloeden;

    • b. onder gebruiksomstandigheden zoals deze voor het meetmiddel gelden, juist blijft functioneren;

    • c. geen aanleiding kan vormen tot misleiding of misvatting.

  • 2 Een testcertificaat, bedoeld in het eerste lid, moet zijn afgegeven door een keuringsinstelling op grond van een door die instelling uitgevoerd onderzoek. De hulpinrichting moet zodanig zijn opgebouwd, dat zij:

    • a. de eigenschappen van het meetmiddel niet nadelig kan beinvloeden;

    • b. onder gebruiksomstandigheden zoals deze voor het meetmiddel gelden juist blijft functioneren;

    • c. geen aanleiding kan vormen tot misleiding of misvatting.

Artikel 1.21 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Hulpinrichtingen mogen worden aangesloten op de in deze regeling genoemde meetmiddelen indien de desbetreffende combinatie voor gebruik is goedgekeurd.

  • 2 Indien de in het eerste lid bedoelde combinatie niet voor gebruik is goedgekeurd, mag een hulpinrichting worden aangesloten op een in deze regeling genoemd meetmiddel indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a. de hulpinrichting voldoet aan de voorwaarden gesteld in het typegoedkeuringscertificaat van het meetmiddel, waarin in elk geval de aansluiting van de desbetreffende hulpinrichting op het meetmiddel wordt toegestaan, en

    • b. de hulpinrichting is voorzien van een CE-markering als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit elektromagnetische comptabiliteit;

    • c. voor de hulpinrichting is een testcertificaat afgegeven tenzij anders vermeld in het typekeuringscertificaat.

§ 4. Bijzondere eisen gesteld aan hulpinrichtingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 1.22 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 2 Het testcertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling.

Artikel 1.23 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 2 Het controlecertificaat wordt afgegeven door een keuringsinstelling of een onderzoeksgerechtigde.

Hoofdstuk 2. Keuringsinstellingen en Onderzoeksgerechtigden [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1. Keuringsinstellingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.1 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De Minister wijst keuringsinstellingen aan die bevoegd zijn tot het verlenen van typekeuringscertificaten alsmede keuringscertificaten, tot het erkennen van onderzoeksgerechtigden en het erkennen van instellingen tot het certificeren van kalibratiegas. De aanwijzing behoeft niet al deze bevoegdheden te betreffen. Zij kan ook beperkt worden tot bepaalde meetmiddelen. Van deze aanwijzing wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

  • 2 De keuringsinstelling moet beschikken over een kwaliteitssysteem waarin de procedures zijn vastgelegd voor:

    • a. het verstrekken van typekeuringscertificaten en certificaten van eerste keuring;

    • b. het erkennen van onderzoeksgerechtigden en het door deze verstrekken van certificaten van herkeuring;

    • c. het erkennen van instellingen tot het certificeren van kalibratiegas.

  • 3 De aanwijzing kan door de Minister worden ingetrokken indien de betrokken keuringsinstelling daarom verzoekt, indien de keuringsinstelling niet meer beschikt over het in het tweede lid vereiste kwaliteitssysteem of indien de keuringsinstelling de in deze regeling opgenomen bepalingen niet naleeft.

  • 4 Met het toezicht op de naleving van de verplichtingen voortvloeiende uit de erkenning als onderzoeksgerechtigde dan wel uit de erkenning voor het certificeren van kalibratiegas zijn belast de werknemers van de keuringsinstelling die daartoe door de keuringsinstelling zijn aangewezen.

§ 2. Erkenning als onderzoeksgerechtigde [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.2 [Vervallen per 01-05-2009]

Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als onderzoeksgerechtigde worden erkend ten aanzien van een bepaalde categorie in gebruik zijnde meetmiddelen als genoemd in artikel 1.2, indien wordt voldaan aan de in artikel 2.3 tot en met 2.5 gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling is vastgesteld.

Artikel 2.3 [Vervallen per 01-05-2009]

De onderneming of instelling moet voor wat betreft organisatie, personeel en materieel zodanig zijn ingericht, en moet beschikken over zodanige documentatie, dat zij in staat is met een voldoende mate van zekerheid vast te stellen dat voldaan wordt aan de in paragraaf 3 van hoofdstuk 1 en de in hoofdstuk 3 ten aanzien van het desbetreffende meetmiddel gestelde eisen.

Artikel 2.4 [Vervallen per 01-05-2009]

De standaarden die de onderneming of instelling bij het onderzoek zal gebruiken dienen afgeleid te zijn van nationale standaarden van meeteenheden of van standaarden van meeteenheden die worden beheerd of verwezenlijkt met inachtneming van hetgeen ter zake door de bevoegde organen op grond van het op 20 mei 1875 te Parijs gesloten Verdrag ter verzekering van de internationale eenheid en volmaking van het metriek stelsel is bepaald dan wel in overeenstemming te zijn met door de Raad of Commissie van de Europese Gemeenschappen ingevolge het op 25 maart 1957 te Rome gesloten Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap genomen bindende besluiten.

Artikel 2.5 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De aanvrager van een erkenning als onderzoeksgerechtigde met betrekking tot koolmonoxidemeters moet beschikken over een relevant kwaliteitssysteem dat zodanig is opgezet dat wordt voldaan aan de kwaliteitsnorm NEN-ISO 9003 in de meest recente versie. Hieraan wordt in ieder geval voldaan indien de aanvrager het desbetreffende NEN-ISO certificaat kan overleggen.

  • 2 Het eerste lid geldt met ingang van 1 januari 1998 tevens voor de aanvrager van een erkenning als onderzoeksgerechtigde voor één of meer meetmiddelen, als bedoeld in artikel 1.2, niet zijnde de koolmonoxidemeter.

Artikel 2.6 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De erkenning wordt verleend op aanvraag en tegen betaling van het door de keuringsinstelling vastgestelde tarief.

  • 2 De aanvraag moet gegevens bevatten met betrekking tot de organisatie van de onderneming of instelling, haar personele bezetting en de ten behoeve van het onderzoek te gebruiken standaarden en andere materiële middelen.

  • 3 In de beschikking van de keuringsinstelling houdende erkenning als onderzoeksgerechtigde worden de in verband met die erkenning van belang zijnde gegevens met betrekking tot de organisatorische, personele en materiële inrichting van de onderneming of instelling vastgelegd.

  • 4 Van de beschikking houdende erkenning als onderzoeksgerechtigde wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 2.7 [Vervallen per 01-05-2009]

Op een onderneming of instelling die als onderzoeksgerechtigde is erkend rusten de volgende verplichtingen:

  • a. steeds moet worden voldaan aan de in artikel 2.3. tot en met 2.5 gestelde eisen;

  • b. de standaarden en andere hulpmiddelen benodigd voor de herkeuring moeten zich steeds in goede staat van onderhoud bevinden;

  • c. elke herkeuring wordt op een dusdanige wijze verricht dat met voldoende mate van zekerheid wordt vastgesteld of het betrokken meetmiddel voldoet aan de daaraan gestelde eisen. De procedure voor het uitvoeren van een herkeuring moet zijn vastgelegd in het in artikel 2.5 bedoelde kwaliteitssysteem van de onderzoeksgerechtigde;

  • d. van elke herkeuring met een positief resultaat wordt aan de eigenaar of houder van het betrokken meetmiddel een certificaat van herkeuring verstrekt van een door de keuringsinstelling vastgesteld model;

  • e. gedurende ten minste twee jaar wordt een afschrift bewaard van elk overeenkomstig onderdeel d afgegeven certificaat;

  • f. er worden geen certificaten afgegeven voor meetmiddelen ten aanzien waarvan de erkenning niet geldt, voor meetmiddelen die niet aan de eisen voldoen en voor meetmiddelen waarvoor een certificaat niet vereist wordt.

Artikel 2.7a [Vervallen per 01-05-2009]

Een onderneming of instelling die als onderzoeksgerechtigde is erkend, is verplicht voorafgaand aan de herkeuring van een niet-mechanisch meetmiddel aan de hand van de documentatie, behorende bij de voor dat meetmiddel geldende typegoedkeuring, vast te stellen dat het betrokken meetmiddel niet op zodanige wijze is aangepast dat niet meer verondersteld mag worden dat het meetmiddel overeenstemt met het goedgekeurde type.

Artikel 2.8 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De erkenning wordt door de keuringsinstelling bij beschikking ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de eisen bedoeld in artikel 2.3 tot en met 2.5 of indien aan één of meer van de in artikel 2.7 genoemde verplichtingen of de financiële verplichting zoals bedoeld in artikel 2.9 niet worden nageleefd.

  • 2 Van de beschikking houdende intrekking van de erkenning als onderzoeksgerechtigde wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 2.9 [Vervallen per 01-05-2009]

Ter bestrijding van de kosten, verbonden aan het toezicht op de naleving door de keuringsinstelling is de onderzoeksgerechtigde aan de keuringsinstelling een bedrag verschuldigd, berekend volgens de door de keuringsinstelling vastgestelde tarieven.

Artikel 2.10 [Vervallen per 01-05-2009]

De in artikel 2.6, eerste lid en artikel 2.9 bedoelde tarieven behoeven goedkeuring van de Minister van Verkeer en Waterstaat.

§ 3. Erkenning voor het certificeren van kalibratiegas [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.11 [Vervallen per 01-05-2009]

Een onderneming of instelling kan door een keuringsinstelling als inrichting voor het certificeren van kalibratiegas worden erkend indien wordt voldaan aan de in artikel 2.12 gestelde eisen, hetgeen na een onderzoek van de onderneming of instelling door de keuringsinstelling is vastgesteld.

Artikel 2.12 [Vervallen per 01-05-2009]

De onderneming of instelling moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a. organisatie, personeel en materieel moeten zodanig zijn dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat het te certificeren kalibratiegas de vereiste kwaliteit heeft;

  • b. de standaarden die bij het certificeren worden gebruikt, dienen afgeleid te zijn van standaarden van de instelling, bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de IJkwet dan wel van andere, door de Minister aangewezen standaarden.

Artikel 2.13 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Ter verkrijging van een erkenning als bedoeld in artikel 2.11 wordt een aanvraag ingediend bij de keuringsinstelling.

  • 2 De aanvraag moet gegevens bevatten met betrekking tot de organisatie van de onderneming of instelling, haar personele bezetting en de ten behoeve van het onderzoek te gebruiken standaarden en andere materiële middelen.

  • 3 In de beschikking van de keuringsinstelling houdende erkenning als erkende instelling of onderneming worden de in verband met die erkenning van belang zijnde gegevens met betrekking tot de organisatorische personele en materiële inrichting van de onderneming of instelling vastgelegd.

  • 4 Van de beschikking houdende erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

Artikel 2.14 [Vervallen per 01-05-2009]

Op de tot het certificeren van kalibratiegas erkende inrichting rusten de volgende verplichtingen:

  • a. steeds moet worden voldaan aan de in artikel 2.12 gestelde eisen;

  • b. de standaarden en hulpmiddelen, benodigd voor het certificeren, moeten zich steeds in een goede staat van onderhoud bevinden;

  • c. een certificaat mag slechts worden afgegeven voor gas dat is samengesteld, verpakt en gecertificeerd overeenkomstig het gestelde in de artikelen 3.9.32, 3.9.33 en 3.11.13 en dat als gecertificeerd kalibratiegas in de handel wordt gebracht;

  • d. de gegevens betreffende de uitvoering van het gestelde in artikel 2.12, voorzover van belang met betrekking tot het certificeren, moeten worden vastgelegd;

  • e. de gegevens bedoeld onder d moeten gedurende ten minste vijf jaar worden bewaard.

Artikel 2.15 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De erkenning tot het certificeren van kalibratiegas wordt ingetrokken indien niet langer wordt voldaan aan de eisen bedoeld in artikel 2.12, of indien één of meer van de in artikel 2.14 genoemde verplichtingen niet worden nageleefd.

  • 2 Van de beschikking tot intrekking van de erkenning wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.

§ 4. Overgangsbepalingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.16 [Vervallen per 01-05-2009]

De onderneming of instelling die voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling op grond van paragraaf 4 van de Regeling Meetmiddelen Voertuigreglement is toegelaten als onderzoeksgerechtigde voor bepaalde in gebruikzijnde meetmiddelen wordt aangemerkt als te zijn erkend als onderzoeksgerechtigde terzake van deze meetmiddelen op grond van hoofdstuk 2, paragraaf 2, van deze regeling.

Artikel 2.17 [Vervallen per 01-05-2009]

De onderneming of instelling die voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling op grond van artikel 4 van het Meetbesluit CO/roet motorrijtuigen is erkend tot het afgeven van verklaringen voor in gebruik zijnde koolmonoxidemeters, wordt aangemerkt als te zijn erkend als onderzoeksgerechtigde voor koolmonoxidemeters op grond van hoofdstuk 2, paragraaf 2, van deze regeling.

Artikel 2.18 [Vervallen per 01-05-2009]

De onderneming of instelling die voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling is erkend voor het certificeren van kalibratiegas op grond van bijlage V van het Meetbesluit CO/roet motorrijtuigen, wordt aangemerkt als te zijn erkend op grond van hoofdstuk 2, paragraaf 3, van deze regeling.

Hoofdstuk 3. Specifieke eisen gesteld aan Meetmiddelen [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1. Roetmeters [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1.1. Algemeen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.1.1 [Vervallen per 01-05-2009]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. opaciteit: de mate waarin lichtabsorptie plaatsvindt in het uitlaatgas dat door een roetmeter wordt geleid. Deze mate van lichtabsorptie is afhankelijk van de weglengte waarover de lichtabsorptie plaatsvindt en wordt aangeduid door de grootheid N die de afname van de lichtflux over de weglengte in het uitlaatgas, uitdrukt in een percentage van de onverzwakte lichtflux. In formule:

    Bijlage 46698.png

    Hierin is:

    N de opaciteit (uitgedrukt in %);

    ΦO de onverzwakte lichtflux;

    ΦL de lichtflux resterend na de lichtweg L;

  • b. absorptiecoëfficiënt: een maat voor de lichtabsorptie van het uitlaatgas, die karakteristiek is voor de opaciteit van het uitlaatgas en in getalwaarde onafhankelijk is van de weglengte waarover de opaciteit wordt gemeten. De absorptiecoëfficiënt wordt aangeduid door grootheid k, die de negatieve waarde van natuurlijke logaritme van de transmissie per meter lichtweg door het uitlaatgas voorstelt. In formule:

    Bijlage 46699.png

    Hierin is:

    K de absorptiecoëfficiënt (uitgedrukt in m–1);

    L de weglengte die het licht in het uitlaatgas aflegt in meter;

  • c. fysische responsie: het specifieke dynamische gedrag van dat deel van de roetmeter dat de waarde van de absorptiecoëfficiënt van het gas in de uitlaat omzet in de opaciteitswaarde die het primaire meetsignaal vormt;

  • d. normlengte: de gestandaardiseerde lengte voor de meetkamer gebruikt voor de berekening van de genormeerde opaciteit te weten 430 mm;

  • e. ongecorrigeerde opaciteit: het meetsignaal evenredig met de momentele waarde van de opaciteit, niet gecorrigeerd voor druk, temperatuur of verschil tussen de werkelijke-en de normlengte van de meetkamer;

  • f. genormeerde opaciteit: de berekende waarde van de opaciteit zoals deze zou worden gemeten in een meetkamerlengte gelijk aan de normlengte;

  • g. correctie-filter: een elektrisch filter opgenomen in het signaalpad met een karakteristiek aangepast aan de fysische responsie;

  • h. hoofdfilter: het elektrisch filter met een vaste karakteristiek, dat is opgenomen in het signaalpad en dat als ingangssignaal de genormeerde opaciteit heeft;

  • i. piekwaarde detectie-inrichting: de inrichting die de maximale waarde bepaalt van een roetuitstoot, uitgaande van het, gedurende de vrije acceleratie van de voertuigmotor, gemeten verloop van deze roetuitstoot;

  • j. meetresultaat: de waarde van de absorptiecoëfficiënt van het uitlaatgas zoals deze, beïnvloedt door de fysische en elektrische responsie van de roetmeter, is gemeten op het moment bepaald door de piekwaarde detectie inrichting.

Artikel 3.1.2 [Vervallen per 01-05-2009]

In de handleiding behorende bij de roetmeter moet naast de informatie genoemd in artikel 1.15 het volgende zijn opgenomen:

  • a. de wijze waarop een sonde in de uitlaat van het voertuig moet worden geplaatst;

  • b. eventuele aanwijzingen met betrekking tot een te gebruiken sonde voor bepaalde voertuigtypen.

§ 1.2. Technische eisen [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1.2.1. Controle-inrichtingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.1.3 [Vervallen per 01-05-2009]

De roetmeter moet zijn voorzien van:

  • a. een analoge of digitale aanwijzing van de ongecorrigeerde opaciteit;

  • b. een automatisch werkende instelling voor 0% en 100% ongecorrigeerde opaciteit. De betreffende justeerinrichting moet door de gebruiker in werking kunnen worden gesteld in de functiestand CONTROLE (of een gelijksoortige benaming), doch de werking mag niet door de gebruiker kunnen worden beïnvloed. De justeerinrichting moet zodanig functioneren, dat bij de justering op 0% gewaarborgd is dat geen onjuiste instelling kan plaatsvinden als gevolg van in de meetkamer binnentredende uitlaatgassen;

  • c. een inrichting waarmee de lineariteit van de aanwijzing van de ongecorrigeerde opaciteit kan worden gecontroleerd. Deze inrichting moet ten minste gelijkwaardig zijn aan die waarbij de roetmeter voorzien is van een geschikt optisch filter, dat een zwarting heeft overeenkomend met een aanwijzing die ligt tussen 15% en 60% ongecorrigeerde opaciteit en waarbij de juiste waarde van het filter, uitgedrukt in ongecorrigeerde opaciteit, op het filter is vermeld;

  • d. een software-routine waarmee een afdruk kan worden gemaakt van de metrologisch belangrijke parameters, die instelbaar zijn teneinde aan verschillende nationale voorschriften te kunnen voldoen. Deze voorziening is niet vereist indien door middel van software-identificatie zoals bedoeld in artikel 1.19, onderdeel c, op een eenvoudige manier is vast te stellen dat de correcte parameters zijn ingesteld;

  • e. een beveiliging die het gebruik in de functiestand PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming) verhindert indien direct voorafgaand aan de meting, de olietemperatuur van de in het onderzoek betrokken motor lager is dan 60 °C. Het is toelaatbaar om de mogelijkheid in te bouwen handmatig een lagere temperatuur in te voeren; in dat geval moet deze lagere waarde vastgelegd worden en op de afdruk van de keuringsresultaten herkenbaar zijn aan het toegevoegde teken “#”. De bedoelde beveiliging mag buiten werking worden gesteld, doch in dat geval moet op de registratie van de meetresultaten het teken “#” zijn weergegeven zonder een temperatuurwaarde;

  • f. een testaansluiting die, in afwijking van het bepaalde in artikel 1.1, onderdeel u, de mogelijkheid biedt om direct, dan wel door berekening, gedurende tenminste 20 seconden de momentele waarde te volgen van de absorptiecoëfficiënt, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter, inclusief normaal toegepaste correcties.

§ 1.2.2. Maximale fout [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.1.4 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in de volgende leden opgenomen eisen worden getoetst ten opzichte van het verloop van de roetuitstoot als functie van de tijd, zoals dit verloop bij de maximale gasstroomsnelheid optreedt.

  • 2 De maximale fout van de roetmeter wordt gecontroleerd door vergelijking met een standaard roetmeter voor roetuitstoot door een representatief aantal personenauto's en bedrijfsauto's. De fout in de waarde gepresenteerd door of berekend uit het signaal van de testconnector mag niet meer bedragen dan 0,3 m-1 + 5%. Deze maximale fout geldt voor een roetpiek met een breedte van ten minste 0,25 seconde en een vlakheid binnen 20% van de gemiddelde waarde binnen deze 0,25 seconde.

  • 3 De specifieke fysische responsie van de roetmeter moet zodanig zijn aangevuld met een elektrisch correctiefilter, dat de piekwaarde zoals deze kan worden bepaald uit het op de testaansluiting gepresenteerde meetsignaal, niet meer dan 5% afwijkt van de waarde die zou worden verkregen indien de fysische responsie een verwaarloosbare invloed zou hebben en de werkelijke waarde van de roetpiek uitsluitend zou worden gereduceerd door een eerste orde elektrisch filter dat in 0,4 seconde 90% van een stapvormige verandering aanwijst. Deze eis geldt voor een willekeurige vorm van de roetpiek zoals deze onder praktische omstandigheden kan worden verkregen.

  • 4 De roetmeter moet zijn voorzien van een elektrisch filter dat volgens een vaste karakteristiek het meetsignaal beïnvloedt. Dit filter moet zijn opgenomen in het meetsignaal dat de waarde van de genormeerde opaciteit weergeeft. Dit hoofdfilter moet beantwoorden aan de volgende karakteristiek:

    Bijlage 46700.png

    Hierin is:

    N i het ingangssignaal van het filter;

    N u het uitgangssignaal van het filter;

    t de tijd in seconden;

    τ de filterconstante in seconden;

    De nominale waarde voor τ is hierin:

    τ =

     

    1

     
     

    Ln(10)

    De tolerantie van de karakteristiek van het hoofdfilter wordt begrensd door de karakteristieken gevonden voor τ = 0,44 s en τ = 0,43 s.

    De overeenkomstige karakteristiek in numerieke vorm wordt weergegeven door:

    Y n = (1 – δ) * Xn + δ * Yn–1

    Hierin geldt voor δ de volgende waarde:

    δ = 10

    In het bovenstaande is ts de bemonsteringstijd in seconden van de ingangsgrootheid X en de waarde Y is de uitgangsgrootheid van het filter. De index n stelt het volgnummer van de bemonstering voor.

  • 5 De maximale verschuiving van de aanwijzing zonder doorvoer van uitlaatgas bij de aanwijzing 0% en 100% opaciteit mag niet meer bedragen dan 1% ongecorrigeerde opaciteit per uur of, indien justering als bedoeld in artikel 3.1.3, onderdeel b, na een bepaald tijdsinterval plaatsvindt, niet meer dan 0,5% ongecorrigeerde opaciteit over dit tijdsinterval.

§ 1.2.3. Optisch systeem [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.1.5 [Vervallen per 01-05-2009]

Het optisch systeem moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a. de toegepaste lichtbron moet hetzij een gloeilamp zijn, waarvan de kleurtemperatuur een waarde moet hebben die tussen 2800 K en 3250 K ligt, hetzij een diode die licht emitteert met een golflengte- piekwaarde tussen de 550 nm en 570 nm;

  • b. indien als lichtbron een gloeilamp wordt gebruikt, moet de spectrale gevoeligheidskarakteristiek van de foto-elektrische cel overeenkomen met de genormeerde spectrale gevoeligheidskromme van het menselijk oog;

  • c. de opbouw van het optisch systeem moet zodanig zijn dat uitwendige lichtbronnen en interne reflecties geen storende invloed hebben op de juiste werking van de roetmeter;

  • d. de opbouw van het optisch systeem moet zodanig zijn dat herhaalde reflectie tussen het optisch filter en andere reflecterende oppervlakken een verwaarloosbare invloed heeft op de effectieve waarde van het optisch filter tenzij deze reflecties een bekende en stabiele bijdrage hebben in deze effectieve waarde van het filter en geen storende invloed hebben op de controle van de lineariteit;

  • e. de opbouw van het optisch systeem dient zodanig te zijn dat regelmatige reiniging, indien noodzakelijk, door de gebruiker op een eenvoudige wijze kan worden uitgevoerd, zonder risico dat de juiste werking van de roetmeter hierdoor nadelig wordt beïnvloed.

§ 1.2.4. Temperatuuraspecten [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.1.6 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een meetcuvet moet op een temperatuur worden gehouden die ligt tussen de waarden 80 °C en 110 °C, tenzij door de aanbieder bij de typekeuring onomstotelijk wordt aangetoond dat een lagere temperatuur dan wel het achterwege laten van een verwarming van dat cuvet een verwaarloosbare invloed heeft.

  • 2 De temperatuur van het uitlaatgas moet worden bepaald met een temperatuuropnemer waarvan de positie en de responsie-snelheid zodanig zijn dat voldaan wordt aan hetgeen gesteld is in het vierde lid.

  • 3 De opwarmtijd van de roetmeter mag niet meer bedragen dan 15 minuten bij omgevingstemperaturen boven 10 °C en niet meer dan 20 minuten voor omgevingstemperaturen boven – 10 °C. Tijdens deze opwarmtijd moeten metingen met de roetmeter niet mogelijk zijn.

  • 4 Het meetresultaat moet zijn gecorrigeerd voor de feitelijke temperatuur van het uitlaatgas ter plaatse waar de lichtabsorptie wordt gemeten. De correctie moet zodanig nauwkeurig worden berekend, dat de absorptiecoëfficiënt wordt weergegeven voor een uitlaatgastemperatuur van 100 ± 5 °C.

§ 1.2.5. Monsternamesysteem [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.1.7 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een in de uitlaat van het motorrijtuig gebrachte sonde mag geen merkbare invloed hebben op de motorwerking.

  • 2 Een in de uitlaat geplaatste sonde moet zodanig zijn gepositioneerd, dat effecten van de wand van het uitlaatsysteem verwaarloosbaar zijn. Hieraan wordt voldaan indien de opening van de sonde zich op een afstand van tenminste 5 mm van de wand van de uitlaat bevindt.

  • 3 Een monsternameslang moet van een zodanige opbouw zijn dat effecten veroorzaakt door condensatie worden geëlimineerd. Aan deze eis wordt voldaan als een ingangstemperatuur van 150 °C niet tot een lagere uitgangstemperatuur leidt dan 50 °C bij een gasstroomsnelheid in de uitlaat van niet meer dan 50 m/s en een omgevingstemperatuur van –10°C dan wel 5°C als een beperkende gebruiksomstandigheid voor het temperatuurgebied als bedoeld in artikel 1.13, vierde lid, geldt. De monsternameslang moet zijn voorzien van een identificatie.

§ 1.2.6. Functiestanden [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.1.8 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De roetmeter moet ten minste in de twee volgende functiestanden kunnen worden ingesteld:

    • a. de functiestand CONTROLE (of een gelijksoortige benaming): in deze functiestand moet de waarde van de ongecorrigeerde opaciteit worden aangegeven. In deze functiestand moet de justeerinrichting kunnen worden bediend en de controle plaats kunnen vinden bedoeld in artikel 3.1.3, onderdeel c;

    • b. de functiestand PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming): in deze functiestand moet de gecorrigeerde waarde voor absorptiecoëfficiënt van de roetpiek zoals deze zich in de acceleratiefase voordoet worden weergegeven.

  • 2 De roetmeter mag zijn voorzien van een functiestand “ONGEFILTERDE PIEKWAARDE”, waarin de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt wordt aangewezen, niet beïnvloed door de werking van het hoofdfilter. In dat geval moet op de registratie het gebruik van deze functiestand zijn aangegeven.

  • 3 Andere functiestanden en aanwijzingen zijn toegestaan, mits deze geen aanleiding tot misleiding of misvatting geven.

§ 1.2.7. Aanwijsinrichting [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.1.9 [Vervallen per 01-05-2009]

De roetmeter moet zijn voorzien van een analoge of digitale aanwijsinrichting die ten minste de volgende aanwijzingen presenteert:

  • a. in de functiestand “CONTROLE” (of een gelijksoortige benaming) de ongecorrigeerde waarde van de opaciteit over het bereik van 0% tot 100%. De kleinste stap in de aangewezen waarde moet 0,1% bedragen;

  • b. de piekwaarde van de gecorrigeerde absorptiecoefficiënt over het bereik van ten minste 0 m-1 tot 5,5 m-1. De kleinste stap in de aangewezen waarde mag niet meer dan 0,02 m-1 bedragen.

§ 1.2.8. Registratie-inrichting [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.1.10 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De roetmeter moet zijn voorzien van een interne of externe afdruk-inrichting waarmee ten minste de volgende gegevens worden vastgelegd:

    • a. de datum en het tijdstip waarop de metingen worden uitgevoerd en, indien de justering niet automatisch vóór elke meetcyclus plaatsvindt, de datum en het tijdstip waarop de laatste justering heeft plaatsgevonden;

    • b. de informatie van het desbetreffende voertuig:

      • de minimale en maximale waarde van het stationair toerental;

      • de minimale en maximale waarde van het afregeltoerental;

      • de maximale waarde van de absorptiecoëfficiënt;

      • de minimale waarde van de motorolietemperatuur;

    • c. de uitgangspunten:

      • soort meetsonde: opgave volgens handleiding roetmeter;

      • de aanduiding van de functiestand, indien dit niet de functiestand CONTROLE of PIEKMETING (of een gelijksoortige benaming) is;

    • d. de meetresultaten van de geldige meetcycli:

      • de gemiddelde waarde van het stationaire toerental, gedurende de laatste vijf seconden voor het gasgeven;

      • de gemiddelde waarde van het afregeltoerental;

      • de piekwaarde van de absorptiecoëfficiënt;

      • de voor de aanvang van de cyclus gemeten motorolietemperatuur dan wel het teken als bedoeld in artikel 3.1.3, onderdeel e.

  • 2 Indien de meting, ongeacht de reden, vroegtijdig wordt beëindigd, moeten de tot dan gemeten gegevens met de afdrukinrichting kunnen worden vastgelegd.

  • 3 Andere informatie, dan bedoeld in het eerste of tweede lid, mag worden geregistreerd voorzover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.

§ 1.2.9. Toerental- en olietemperatuurmeting [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.1.11 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De roetmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter overeenkomstig het bepaalde in de paragrafen 2 en 3 van dit hoofdstuk.

  • 2 Indien de roetmeter niet is voorzien van een geïntegreerde toerenteller en olietemperatuurmeter, moet de roetmeter zijn voorzien van een signaalingang waarmee het meetsignaal van een separate toerenteller en olietemperatuurmeter kan worden overgedragen naar de roetmeter.

§ 1.2.10. Meetprogramma [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.1.12 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 2 De programmatuur van de roetmeter moet zodanig zijn dat degene die het apparaat bedient automatisch door de in het derde lid bedoelde meetprocedure wordt geleid.

  • 3 De meetprocedure moet achtereenvolgens ten minste de volgende stappen doorlopen:

    • a. invoeren van de gegevens als bedoeld in artikel 3.1.10, eerste lid, onderdeel b en c;

    • b. automatische controle of:

      • alle onder punt a bedoelde gegevens zijn ingevoerd,

      • de minimum motorolietemperatuur, zoals bedoeld in artikel 3.1.3, onderdeel e, is bereikt, tenzij deze controle is uitgeschakeld,

      • het stationair toerental gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt, en

      • het afregeltoerental gedurende 2 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt;

    • c. indien de resultaten van de onder punt b uitgevoerde controle juist zijn, mag de roetmeter de testprocedure vrijgeven;

    • d. nadat het stationair toerental na een periode van tenminste 10 seconden gedurende 5 seconden binnen de ingevoerde waarden ligt, wordt aangeven dat het gaspedaal moet worden ingedrukt;

    • e. nadat het afregeltoerental 2 seconden is gehandhaafd, wordt aangegeven dat het gaspedaal moet worden losgelaten;

    • f. de roetmeter geeft aan dat de meetprocedure wordt beëindigd indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste of de tweede test kleiner is dan of gelijk is aan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1. In dit geval is de absorptiecoëfficiënt van de eerste of de tweede test de berekende absorptiecoëfficiënt, bedoeld in onderdeel g. Indien de absorptiecoëfficiënt van de eerste test of van zowel de eerste, als de tweede test niet kleiner is dan of gelijk is aan de maximale absorptiecoëfficiënt minus 0,5 m–1, worden de punten d en e automatisch eenmaal herhaald;

    • g. automatisch wordt, indien van toepassing, het rekenkundig gemiddelde van de absorptiecoëfficiënten van drie achtereenvolgende testen berekend. Als de berekende absorptiecoëfficiënt kleiner of gelijk is aan 2,5 m, dan mogen de meetwaarden van deze drie testen onderling niet meer afwijken dan 0,5 m Als de berekende absorptiecoëfficiënt groter is dan 2,5 m, dan mogen de meetwaarden van deze drie testen onderling niet meer afwijken dan 0,7 m

      Indien blijkt dat de afwijking groter is dan 0,5 m–1 respectievelijk 0,7 m–1 moet de test een of meerdere keren worden herhaald, waarbij de berekening telkens opnieuw wordt uitgevoerd.

§ 2. Toerentellers [Vervallen per 01-05-2009]

§ 2.1. Algemeen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.2.1 [Vervallen per 01-05-2009]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. toerenteller: meetinstrument voor het bepalen van het toerental van de krukas van een voertuigmotor;

  • b. geïntegreerde toerenteller: toerenteller deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;

  • c. toerenopnemer: onderdeel van de toerenteller dat signalen afgegeven door de voertuigmotor omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de toerenteller.

Artikel 3.2.2 [Vervallen per 01-05-2009]

In de handleiding behorende bij de toerenteller moet naast de informatie genoemd in artikel 1.15 het volgende zijn opgenomen:

  • a. indien de toerenteller voorzien is van meerdere toerenopnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte toerenopnemer;

  • b. de wijze waarop de toerenopnemer op of bij de voertuigmotor moet worden geplaatst.

Indien het een geïntegreerde toerenteller betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.

§ 2.2. Technische eisen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.2.3 [Vervallen per 01-05-2009]

De maximale fout voor toerentellers bedraagt 10 min-1 voor toerentallen kleiner dan 1000 min-1 en 1% voor toerentallen gelijk aan of groter dan 1000 min-1.

Artikel 3.2.4 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De toerenteller moet zijn voorzien van een aanwijsinrichting, die digitaal of analoog het gemeten toerental aangeeft.

  • 2 De aanwijzing van het toerental moet plaats vinden in omwentelingen per minuut (min¯ⁱ).

  • 3 De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 10 min¯ⁱ.

  • 4 Het meetbereik van een toerenteller moet tenminste het gebied van 500 min¯ⁱ tot 6000 min¯ⁱ omvatten.

Artikel 3.2.5 [Vervallen per 01-05-2009]

Niet-geïntegreerde toerentellers die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan het gemeten toerental kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.

§ 2.3. Overgangsbepalingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.2.6 [Vervallen per 01-05-2009]

Toerentellers in gebruik genomen vóór inwerkingtreding van deze regeling, welke niet worden gebruikt voor de roetmeting of de uitlaatgasmeting met lambda-bepaling, als bedoeld in artikel 5.2.11, negende en elfde lid dan wel artikel 5.3.11, achtste en tiende lid van het Voertuigreglement moeten in afwijking van het bepaalde in hoofdstuk 1 voldoen aan de volgende eisen:

  • a. het toerental moet worden weergegeven in omwentelingen per minuut.

  • b. het meetbereik moet ten minste 500 tot 2500 omwentelingen per minuut bedragen;

  • c. het toerental moet op analoge of digitale wijze duidelijk aangegeven worden en gemakkelijk afleesbaar zijn;

  • d. de schaalverdeling van de toerenteller moet zodanig zijn dat op 10 omwentelingen per minuut nauwkeurig kan worden afgelezen in het meetbereik tot 1200 omwentelingen per minuut, en dat op 50 omwentelingen per minuut nauwkeurig kan worden afgelezen in het meetbereik boven 1200 omwentelingen per minuut.

§ 3. Olietemperatuurmeters [Vervallen per 01-05-2009]

§ 3.1. Algemeen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.3.1 [Vervallen per 01-05-2009]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. olietemperatuurmeter: meetinstrument voor het bepalen van de temperatuur van de olie van een voertuigmotor;

  • b. geïntegreerde olietemperatuurmeter: olietemperatuurmeter deel uitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel;

  • c. temperatuuropnemer: onderdeel van de olietemperatuurmeter dat de temperatuur van de motorolie opneemt en omzet in een elektrisch signaal en overdraagt aan het verwerkingsgedeelte van de olietemperatuurmeter.

Artikel 3.3.2 [Vervallen per 01-05-2009]

In de handleiding behorende bij de olietemperatuurmeter moet naast de informatie genoemd in artikel 1.15 het volgende zijn opgenomen:

  • a. indien de olietemperatuurmeter voorzien is van meerdere opnemers, de criteria die van belang zijn voor de keuze van een geschikte opnemer;

  • b. de wijze waarop de opnemer in de voertuigmotor moet worden geplaatst.

Indien het een geïntegreerde olietemperatuurmeter betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.

§ 3.2. Technische eisen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.3.3 [Vervallen per 01-05-2009]

De maximale fout voor olietemperatuurmeters bedraagt 5 °C voor het temperatuurgebied van 60 °C tot 90 °C. Voor het aanwijsbereik buiten het meettraject van 60 °C tot 90 °C is de maximale fout van de olietemperatuurmeter 8 °C

Artikel 3.3.4 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De aanwijzing van de olietemperatuur moet plaats vinden in graden Celsius (°C).

  • 2 De kleinste afleeseenheid mag ten hoogste een waarde hebben van 2 °C.

  • 3 Het meetbereik van een olietemperatuurmeter moet tenminste het gebied van 50 °C tot 100 °C omvatten.

Artikel 3.3.5 [Vervallen per 01-05-2009]

De opnemer moet een zodanige lengte hebben en zodanig flexibel zijn dat het temperatuurgevoelige deel op een eenvoudige en bedrijfszekere wijze in de olie kan worden ondergedompeld die zich in het carter van de te onderzoeken voertuigmotor bevindt.

Artikel 3.3.6 [Vervallen per 01-05-2009]

Niet-geïntegreerde olietemperatuurmeters die worden gebruikt in combinatie met een ander meetmiddel, moeten zijn voorzien van een signaaluitgang door middel waarvan het gemeten olietemperatuur kan worden overgedragen naar dat andere meetmiddel, voor zover koppeling verplicht is volgens de voorgeschreven meetmethode.

§ 4. Manometers [Vervallen per 01-05-2009]

§ 4.1. Algemeen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.4.1 [Vervallen per 01-05-2009]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. manometer: meetinstrument voor het bepalen van de pneumatische druk in voertuigsystemen;

  • b. geïntegreerde manometer: manometer deeluitmakend van en ingebouwd in een ander meetmiddel.

Artikel 3.4.2 [Vervallen per 01-05-2009]

In afwijking van het bepaalde in artikel 1.15 is een handleiding voor de manometer niet vereist.

Artikel 4.2. Technische eisen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.4.3 [Vervallen per 01-05-2009]

De manometer moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a. de gemeten druk moet worden weergegeven in Pascal (Pa) of in bar;

  • b. de gemeten waarde moet door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk afleesbaar en duidelijk worden aangegeven;

  • c. de maximale fout, in plus en in min, van de aangewezen druk bedraagt:

    • in geval van een aanwijsinrichting:

      voor nieuwe manometers:

      • I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar):

        10 kPa (0,1 bar), en

      • II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2%;

      voor manometers die in gebruik zijn:

      • I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 12,5 kPa (0,125 bar);

      • II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 2,5%;

    • in geval van een registratie-inrichting:

      voor nieuwe manometers:

      • I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar):

        20 kPa (0,2 bar), en

      • II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 4%;

      voor manometers die in gebruik zijn:

      • I. bij een druk van ten hoogste 500 kPa (5 bar): 25 kPa (0,25 bar);

      • II. bij een druk die groter is dan 500 kPa (5 bar): 5%.

  • d. indien gelijktijdig met de registratie van de druk door middel van dezelfde registratie-inrichting een registratie van de remvertraging of remkracht plaatsvindt, mag in de registratie van gelijktijdige veranderingen in de betrokken meetsignalen, geen tijdverschil optreden waardoor een goede beoordeling van het remsysteem van het voertuig wordt belemmerd.

§ 4.3. Overgangsbepalingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.4.4 [Vervallen per 01-05-2009]

Manometers in gebruik genomen vóór 1 juli 1998:

§ 5. Pedaalkrachtmeters [Vervallen per 01-05-2009]

§Algemeen 5.1 [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.5.1 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Onder pedaalkrachtmeter wordt verstaan: meetmiddel voor het bepalen van de kracht waarmee het rempedaal van een voertuig wordt bediend.

  • 2 De pedaalkrachtmeter moet zijn voorzien van een Nederlandstalige handleiding.

§ 5.2. Technische eisen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.5.2 [Vervallen per 01-05-2009]

De pedaalkrachtmeter moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a. de aanwijzing van de pedaalkracht dient te geschieden in Newton (N);

  • b. de meter moet een bereik hebben van 0 N tot ten minste 700 N (70 kgf);

  • c. de eisen, gesteld onder d en e, hebben betrekking op het meetgebied van 100 N tot ten hoogste 800 N (10 kgf tot ten hoogste 80 kgf);

  • d. de maximale fout, in plus en in min, van de aangegeven pedaalkracht moet:

    • 1. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die niet groter is dan 500 N: 50 N,

    • 2. bij een centrisch uitgeoefende pedaalkracht die groter is dan 500 N: 10% van de uitgeoefende pedaalkracht, en

    • 3. bij een excentrisch uitgeoefende pedaalkracht van 200 N: 80 N bedragen;

  • e. het verschil tussen de resultaten van verscheidene metingen van dezelfde pedaalkracht, verricht onder dezelfde omstandigheden en met dezelfde meter, mag niet groter zijn dan 30 N.

§ 5.3. Overgangsbepalingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.5.3 [Vervallen per 01-05-2009]

Pedaalkrachtmeters in gebruik genomen vóór 1 juli 1998:

§ 6. Remvertragingsmeters [Vervallen per 01-05-2009]

§ 6.1. Algemeen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.6.1 [Vervallen per 01-05-2009]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. gemiddelde waarde: het rekenkundig gemiddelde van, op vaste tijdsafstanden, bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;

  • b. resulterende meetwaarde: de gemiddelde waarde van de remvertraging resulterend uit een remtest, berekend uit het verloop van de remvertraging als functie van de tijd;

  • c. standaanwijsinrichting: aanwijzing of signalering voor de juiste stand van de remvertragingsmeter;

  • d. grenswaarde van de standaanwijsinrichting: de door een standaanwijsinrichting aangegeven grenswaarde voor een correcte stand van de remvertragingsmeter. Indien de standaanwijsinrichting bestaat uit een waterpas, is de grenswaarde van de scheefstelling gelijk aan 2 mm verplaatsing van de dampbel uit de middenpositie;

  • e. justeerinrichting: inrichting voor het instellen van de juiste gevoeligheid van de remvertragingsmeter;

  • f. standcorrectie-inrichting: inrichting waarmee de verkregen meetwaarden worden gecorrigeerd voor de stand waarin de remvertragingsmeter in het voertuig wordt geplaatst.

Artikel 3.6.2 [Vervallen per 01-05-2009]

In de handleiding behorende bij de remvertragingsmeter moet naast de informatie genoemd in artikel 1.15 de wijze van opstelling van de remvertragingsmeter worden opgenomen waarbij het volgende nader moet worden belicht:

  • a. de plaatsing in het voertuig;

  • b. de werkwijze voor het horizontaal plaatsen van de remvertragingsmeter;

  • c. de betekenis en beperkingen in het gebruik van de resulterende meetwaarde;

  • d. de juiste werkwijze bij het gebruik van een justeerinrichting.

§ 6.2. Technische eisen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.6.3 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De remvertragingsmeter moet zodanig zijn ingericht dat een controle van de juiste aanwijzing bij het nulpunt en bij de lokale waarde van de zwaartekrachtversnelling op een eenvoudige wijze mogelijk is.

  • 2 De remvertragingsmeter moet zijn voorzien van een standaanwijsinrichting tenzij een automatische inrichting een juiste meting zonder een dergelijke inrichting mogelijk maakt.

Artikel 3.6.4 [Vervallen per 01-05-2009]

De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een justeerinrichting indien voldaan wordt aan de volgende eisen:

  • a. de remvertragingsmeter moet zijn voorzien van een standaanwijsinrichting voor elke stand waarin de remvertragingsmeter bij de justering moet worden geplaatst;

  • b. de remvertragingsmeter moet zijn voorzien van een automatische beveiliging tegen onjuiste justeringen. Aan deze eis wordt voldaan indien gebruik van de remvertragingsmeter alleen mogelijk is indien binnen een vastgelegd tijdsinterval voorafgaand aan het gebruik ten minste twee overeenkomstige justeringen achtereenvolgend zijn uitgevoerd.

Artikel 3.6.5 [Vervallen per 01-05-2009]

De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een standcorrectie-inrichting indien voldaan wordt aan de volgende eisen:

  • a. de standcorrectie-inrichting moet handmatig in werking worden gesteld;

  • b. een remvertragingsmeter met een standcorrectie-inrichting mag niet zijn voorzien van een justeerinrichting;

  • c. een remvertragingsmeter mag alleen dan van een standcorrectie-inrichting zijn voorzien, indien een automatische inrichting verhindert dat een meting wordt verricht indien geen standcorrectie heeft plaatsgevonden;

  • d. een standcorrectie mag alleen kunnen plaatsvinden indien de remvertragingsmeter een stabiele meetwaarde vaststelt, die niet meer bedraagt dan plus of minus 2 m/s⁲.

Artikel 3.6.6 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De maximale fout zowel voor toenemende als voor afnemende remvertraging bedraagt: 0,1 m/s⁲.

  • 2 De maximale fout in de registratie van de meettijd bedraagt 2% van de werkelijke meettijd.

  • 3 De maximale fout in de meettijd voor de aanwijzing van een verandering van de remvertraging ter grootte van het gehele aanwijsbereik bedraagt 0,1 seconde.

  • 4 De maximale fout veroorzaakt door de standcorrectie-inrichting of door instelling op de grenswaarde van de standaanwijzing bij gebruik of justering bedraagt 0,02 m/s2.

  • 5 De maximale fout in de berekening van de resulterende meetwaarde bedraagt 0,02 m/s2

  • 6 De maximale fout veroorzaakt door een beperkte afleesnauwkeurigheid van de analoge registratie zoals bedoeld in artikel 3.6.11, derde lid, bedraagt 0,02 m/s2.

Artikel 3.6.7 [Vervallen per 01-05-2009]

De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer.

Artikel 3.6.8 [Vervallen per 01-05-2009]

De remvertragingsmeter mag zijn voorzien van meerdere aanwijsbereiken. Zij moeten in elk geval één aanwijsbereik hebben dat tenminste het gebied van 0 tot 9,81 m/s2 omvat.

Artikel 3.6.9 [Vervallen per 01-05-2009]

De remvertragingsmeter moet een ononderbroken meetduur hebben van ten minste 5 seconden.

Artikel 3.6.10 [Vervallen per 01-05-2009]

De remvertragingsmeter moet zijn voorzien van een registratie-inrichting, waarmee het verloop van de remvertraging als functie van de tijd wordt vastgelegd.

Artikel 3.6.11 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De remvertragingsmeter moet zijn voorzien van een analoge registratie waarmee het verloop van de remvertraging over tenminste 5 seconden zichtbaar wordt gemaakt.

  • 2 Een analoge registratie moet plaatsvinden op voor het doel geschikt materiaal met voldoende bestendigheid tegen vocht, vuil en temperatuurinvloeden.

  • 3 Indien de analoge registratie van de remvertraging de aanwijzing van de remvertragingsmeter vormt, dan wel bedoeld is om gebruikt te worden voor de vaststelling van de gemeten waarde, moet zowel een verandering van 1 m/s⁲ als een tijdsverloop van 1 seconde overeenkomen met een verandering in registratiepositie van ten minste 5 mm.

  • 4 Voor remvertragingsmeters waarbij de analoge registratie slechts bedoeld is om te worden benut voor een globale informatie over het verloop van de remvertraging moet de verandering in de registratiepositie zoals bedoeld in het derde lid, ten minste 2,5 mm zijn.

Artikel 3.6.12 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien de analoge presentatie niet voldoet aan de eis genoemd in artikel 3.6.11, derde lid, of de eis genoemd in artikel 3.6.6, zesde lid, moet de remvertragingsmeter na elke meting een meetwaardetabel leveren waarin het verloop van de remvertraging als functie van de tijd en waar mogelijk de resulterende meetwaarde wordt weergegeven.

  • 2 De registratie van de remvertraging moet plaatsvinden met een interval tussen de verschillende meetwaarden van ten hoogste 0,1 seconde.

Artikel 3.6.13 [Vervallen per 01-05-2009]

Een resulterende meetwaarde is representatief voor de gemeten remvertraging, indien:

  • a. in de meetperiode zich uitsluitend meetwaarden bevinden die verkregen zijn terwijl het voertuig in beweging is;

  • b. de maximale waarde van de remvertraging van een bewegend voertuig binnen de meetperiode valt; onder deze maximale waarde wordt niet verstaan een piekwaarde die aan het begin of aan het einde van de remproef zou kunnen optreden, en,

  • c. de resulterende meetwaarde wordt berekend door middeling van zes achtereen verkregen meetwaarden:

    • A. bepaal de maximale meetwaarde van de remvertraging gedurende de meetperiode (te noemen a);

    • B. bepaal met een interval van 0,1 seconde de 5 gemeten waarden direct vóór de maximale meetwaarde (te noemen a, a, a, a en a) en de 5 gemeten waarden direct na de maximale meetwaarde (te noemen a, a, a, a en a);

    • C. voer de volgende 6 berekeningen uit:

      • i. (a+a+a+a+a+am)/6;

      • ii. (a+a+a+a+am+a)/6;

      • iii. (a+a+a+a+a+a)/6;

      • iv. (a+a+a+a+a+a)/6;

      • v. (a+a+a+a+a+a)/6;

      • vi. (a+a+a+a+a+a)/6;

    • D. de hoogste van de onder C berekende waarden geldt als de resulterende meetwaarde waarbij uitsluitend de berekende waarden in beschouwing worden genomen die opgebouwd zijn uit meetwaarden die tenminste gelijk zijn aan 75% van de maximale meetwaarde.

  • d. het grootste verschil tussen de meetwaarden verkregen vanaf 0,5 seconde voor de meetperiode tot 0,5 seconde na de meetperiode bedraagt 1 m/s2.

§ 6.3. Overgangsbepalingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.6.14 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Het bepaalde in artikel 1.2, eerste lid, geldt niet voor remvertragingsmeters, die in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 1982.

  • 2 Remvertragingsmeters die in gebruik genomen zijn voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling:

  • 3 Voor mechanische remvertragingsmeters waarvoor een typekeurings-certificaat is afgegeven en die in gebruik zijn genomen voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling geldt dat de maximale fouten de vijfvoudige waarde van de maximale fouten genoemd in artikel 3.6.6 bedragen. Deze remvertragingsmeters mogen slechts tot 31 december 1999 worden gebruikt.

  • 4 Hulpinrichtingen die in gebruik zijn genomen vóór de datum van inwerkingtreding van deze regeling hoeven niet te voldoen aan het bepaalde in artikel 1.20 met uitzondering van de eis dat deze hulpinrichtingen de goede werking van het meetmiddel niet mogen verstoren en voorts geen aanleiding tot misleiding of misvatting mogen geven.

Artikel 3.6.15 [Vervallen per 01-05-2009]

Remvertragingsmeters waarvoor in het jaar voorafgaand aan 1 mei 2003 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de eisen die op het moment van eerste keuring van kracht waren, mogen bij een algemene periodieke keuring gebruikt worden tot de dag waarop het certificaat zijn geldigheid verliest.

§ 7. Rollenremtestbanken [Vervallen per 01-05-2009]

§ 7.1. Algemeen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.7.1 [Vervallen per 01-05-2009]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. rollenremtestbank: meetmiddel waarmee de remwerking van een voertuig kan worden onderzocht door het meten van de remkracht terwijl de wielen van een voertuigas worden aangedreven door middel van rollen die de betreffende as dragen;

  • b. gemiddelde waarde: rekenkundig gemiddelde van op vaste tijdsafstanden bepaalde momentele waarden, in aantal voldoende voor de bepaling van het werkelijke gemiddelde;

  • c. remkracht: tangentieel aan de omtrek van de rollen van de rollenremtestbank werkende kracht, overgedragen aan een daarop rollend wiel als gevolg van het in werking zijn van de reminrichting;

  • d. ingestuurde druk: druk ingestuurd op de drukluchtremcilinders van het voertuig;

  • e. resulterende meetwaarde: de door de rollenremtestbank aangewezen of afgedrukte waarde die als uiteindelijk resultaat van de remtest wordt gepresenteerd;

  • f. extrapolatie-inrichting: inrichting waarmee een remkracht gemeten bij een bepaalde waarde van de ingestuurde druk kan worden omgerekend in de remkracht zoals deze zou optreden bij een hogere waarde van de ingestuurde druk;

  • g. extrapolatiedruk (PX): waarde van de ingestuurde druk waarbij de remkracht zou optreden zoals deze door de extrapolatie-inrichting is berekend;

  • h. extrapolatiewaarde: met behulp van een extrapolatie-inrichting bepaalde resulterende meetwaarde voor de remkracht zoals deze wordt geacht op te treden bij de extrapolatiedruk;

  • i. extrapolatiedruk (PEX): gegarandeerde druk in de remcilinder van iedere as waarbij de as maximaal is beladen en met het voertuig een volle beremming wordt uitgevoerd;

  • j. rotatieperiode: tijdsperiode overeenkomend met een omwenteling van een voertuigwiel met een voor de betreffende rollenremtestbank relevante afmeting;

  • k. remkrachthelling: verhouding tussen een partiële toename van de remkracht en de bijbehorende partiële toename van de ingestuurde druk;

  • l. berekende remvertraging: door de rollenremtestbank weergegeven waarde van de remvertraging zoals deze wordt berekend gebruikmakend van de verkregen waarden voor de remkrachten en de massa van het voertuig;

  • m. rolweerstand: kracht ter aandrijving van de ongeremde wielen;

  • n. klasse I rollenremtestbank: rollenremtestbank die geschikt is voor de keuring van voertuigen met een maximum toegestane massa van niet meer dan 3500 kg en die kan worden gebruikt bij de keuring van voertuigen met een maximum toegestane massa van meer dan 3500 kg mits de asdruk van deze voertuigen niet groter is dan de maximale toelaatbare asdruk zoals aangegeven op de rollenremtestbank;

  • o. klasse II rollenremtestbank: rollenremtestbank die uitsluitend mag worden toegepast bij de keuring van voertuigen waarvan de maximum toegestane massa meer bedraagt dan 3500 kg;

  • p. klasse I/II rollenremtestbank: rollenremtestbank voorzien van twee aanwijsbereiken, waarbij het eerste aan de definitie geldend voor een klasse I rollenremtestbank en het tweede aan de definitie voor een klasse II rollenremtestbank voldoet.

Artikel 3.7.2 [Vervallen per 01-05-2009]

In de handleiding behorende bij de rollenremtestbank is opgenomen:

  • a. de informatie genoemd in artikel 1.15;

  • b. de betekenis en beperkingen in het gebruik van de berekende remvertraging.

Artikel 3.7.3 [Vervallen per 01-05-2009]

In aanvulling op artikel 1.9, tweede lid, onder a, wordt een verzegeling eveneens aangebracht tussen de rollenremtestbank en zijn fundering.

§ 7.2. Technische eisen [Vervallen per 01-05-2009]

§ 7.2.1. Controle-inrichting [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.7.4 [Vervallen per 01-05-2009]

De rollenremtestbank moet een voorziening hebben waarmee op een betrouwbare en veilige wijze door het aanbrengen van een kracht inwerkend op de krachtopnemers een statische remkracht kan worden gesimuleerd.

Artikel 3.7.5 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een rollenremtestbank moet zijn voorzien van de volgende controle-inrichtingen:

    • a. een testaansluiting;

    • b. een inrichting waarmee automatisch voorafgaande aan een meting dan wel handmatig door de gebruiker een remkracht wordt gesimuleerd.

  • 2 Met de in het eerste lid, onderdeel b, bedoelde inrichting wordt de juiste werking van de rollenremtestbank gecontroleerd. Tijdens deze controle moeten alle circuits worden gecontroleerd, die invloed kunnen hebben op de nauwkeurigheid van de aanwijzing. De omzetting van remkracht inclusief de circuits die het primaire meetsignaal genereren mogen hiervan zijn uitgezonderd.

§ 7.2.2. De maximale fout [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.7.6 [Vervallen per 01-05-2009]

Een geïntegreerde manometer of pedaalkrachtmeter moet voldoen aan de eisen gesteld in paragraaf 4 respectievelijk 5 van dit hoofdstuk.

§ 7.2.2.1. De maximale fout bij statische meting [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.7.7 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Voor een klasse I rollenremtestbank, dan wel voor het eerste aanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:

    • a. die niet groter is dan 2500 N: 100 N;

    • b. die groter is dan 2500 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.

  • 2 Voor een klasse II rollenremtestbank, dan wel voor het tweede deelaanwijsbereik van een klasse I/II rollenremtestbank, bedraagt de maximale fout bij een kracht:

    • a. die niet groter is dan 10.000 N: 400 N;

    • b. die groter is dan 10.000 N: 4% van de gesimuleerde werkelijke remkracht.

Artikel 3.7.8 [Vervallen per 01-05-2009]

Bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fouten bedoeld in artikel 3.7.7.

Artikel 3.7.9 [Vervallen per 01-05-2009]

Bij een rollenremtestbank voorzien van een extrapolatie-inrichting, is het maximale verschil tussen de gepresenteerde extrapolatiewaarde en de waarde berekend door middel van lineaire extrapolatie van de werkelijke waarden van de remkracht bij een ingestuurde druk van 1 bar en bij een ingestuurde druk 0,2 bar beneden de hoogste waarde, gebruikt bij de remtest van een voertuig, gelijk aan 2,5 maal de waarde genoemd in artikel 3.7.7, tweede lid.

§ 7.2.2.2. De maximale fout van de dynamische meting [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.7.10 [Vervallen per 01-05-2009]

De maximale fout in de resulterende meetwaarde bedraagt 2,5% van de aangewezen waarde indien deze uitsluitend veroorzaakt wordt door dynamische effecten in de meetsignalen.

§ 7.2.3. Uitvoering [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.7.11 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien een rollenremtestbank voorzien is van een geïntegreerde pedaalkrachtmeter of manometer voor de ingestuurde druk, zijn de gestelde eisen aan remkracht bedoeld in de paragrafen 7.2.4 tot en met 7.2.6 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 3.7.12 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Klasse I rollenremtestbanken moeten voorzien zijn van een analoge aanwijzing eventueel in combinatie met een digitale aanwijzing.

  • 2 Klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken moeten voorzien zijn van:

    • a. een analoge aanwijzing in combinatie met een digitale aanwijzing;

    • b. een extrapolatie-inrichting; en

    • c. een afdrukinrichting.

Artikel 3.7.13 [Vervallen per 01-05-2009]

Rollenremtestbanken voorzien van een extrapolatie-inrichting, moeten zijn voorzien van een geïntegreerde manometer voor de ingestuurde druk.

Artikel 3.7.14 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De rollenremtestbank moet van een zodanige constructie zijn, dat op een veilige manier metingen kunnen worden verricht aan voertuigen waarvoor de rollenremtestbank op grond van het aanwijsbereik bestemd is.

  • 2 De rollenremtestbank moet zijn voorzien van een beveiliging tegen overbelasting die niet in werking mag treden voor remkrachten binnen het aanwijsbereik.

Artikel 3.7.15 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Het maximale draagvermogen van de rollen zoals vermeld op de rollenremtestbank mag per wiel en in kilogram uitgedrukt niet kleiner zijn dan 1/6 maal de maximale waarde van het aanwijsbereik zoals uitgedrukt in Newton.

  • 2 De diameter van de rollen mag niet kleiner zijn dan:

    • a. 0,15 m voor klasse I rollenremtestbanken;

    • b. 0,25 m voor klasse II en klasse I/II rollenremtestbanken.

  • 3 Tijdens de remtest is de omtreksnelheid van de rollen niet lager dan 2 km/h.

Artikel 3.7.16 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1

    • a. De rollenremtestbank moet zijn voorzien van een inrichting waarmee overmatige slijtage van de banden wordt voorkomen.

    • b. Indien deze inrichting instelbaar is, kan instelling niet plaatsvinden zonder verbreking van een verzegeling.

  • 2 Het oppervlak van de rollen en de instelling van de inrichting, genoemd in het eerste lid, moeten zodanig zijn dat in droge toestand de aan het wiel overgedragen remkracht ten minste 0,6 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent.

  • 3 Ten behoeve van de vaststelling dat de rollenremtestbank aan de eis, genoemd in het tweede lid, voldoet, dient de fabrikant van de rollenremtestbank bij de aanbieding voor een typekeuring door middel van beproevingsresultaten aan te tonen dat aan de betreffende eis wordt voldaan over het gehele aanwijsbereik van de rollenremtestbank.

  • 4 Indien de inrichting, genoemd in het eerste lid, instelbaar is, moet het mogelijk zijn de instelling van de desbetreffende inrichting bij een keuring vast te stellen.

§ 7.2.4. Gepresenteerde meetwaarden [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.7.17 [Vervallen per 01-05-2009]

De rolweerstand moet altijd als remkracht worden gepresenteerd.

Artikel 3.7.18 [Vervallen per 01-05-2009]

Op de rollenremtestbank kunnen gelijktijdig voor het linker- en rechterwiel van een gemeten as ten minste de volgende waarden worden vastgesteld:

  • a. voorafgaand aan de remtest: de rolweerstand;

  • b. tijdens de remtest:

    • 1°. de momentele waarde van de remkracht, en

    • 2°. de fluctuaties in de momentele waarde van de remkracht, relevant voor de beoordeling van het geteste remsysteem;

  • c. na correcte uitvoering van de remtest moeten de volgende waarden worden aangegeven:

    • 1°. de resulterende meetwaarde;

    • 2°. de waarde van het verschil in remkracht inclusief de rolweerstand aan het linker- en rechterwiel uitgedrukt in een percentage van de hoogste remkracht. Dit verschil moet worden bepaald uit:

      • A. de resulterende meetwaarde voor klasse I rollenremtestbanken, en

      • B. de niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde bij druk PH voor klasse II rollenremtestbanken en voor het tweede aanwijsbereik van klasse I/II rollenremtestbanken.

Artikel 3.7.19 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien een rollenremtestbank voorzien is van een presentatie van een berekende maximale remvertraging, moet de berekening van deze waarde gemaakt worden overeenkomstig de formule a = F/M; hierbij is F de berekende extrapolatiewaarde zoals bedoeld in artikel 3.7.30, en M is de maximale massa per as van het voertuig zoals vermeld op het kentekenbewijs, of bij opleggers het maximale gewicht van de assen tezamen zoals vermeld op het kentekenbewijs.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde waarde moet zijn voorzien van het bijschrift `Berekende statische remvertraging'.

Artikel 3.7.20 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Dynamische effecten moeten op een juiste wijze in de resulterende meetwaarde zijn verwerkt.

  • 2 Een resulterende meetwaarde mag niet worden gepresenteerd indien de verkregen meetwaarden zo instabiel zijn dat niet kan worden voldaan aan de eis gesteld in artikel 3.7.10.

  • 3 Een resulterende meetwaarde mag niet eerder worden aangewezen dan na beëindiging van de remtest door:

    • a. het in werking treden van de inrichting genoemd in artikel 3.7.16, eerste lid; of

    • b. een daling van de remkracht tot een waarde beneden 25% van de hoogste gemeten remkracht.

  • 4 De rollenremtestbank moet zijn voorzien van een signalering, die tijdens de remtest aangeeft dat de verkregen meetwaarden voldoende stabiel zijn om na beëindiging van de remtest een resulterende meetwaarde te presenteren.

§ 7.2.5. Aanwijsinrichting [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.7.21 [Vervallen per 01-05-2009]

De analoge aanwijzing moet zodanig van opbouw zijn dat de momentele waarde van een fluctuerende remkracht kan worden geschat en de voor de beoordeling van het onderzochte remsysteem relevante fluctuaties alsmede het verschil in remkracht aan het linker- en rechtwiel in de momentele waarde zichtbaar zijn.

Artikel 3.7.22 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing en een digitale aanwijzing is voorzien:

  • a. moeten de resulterende meetwaarde en het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel digitaal worden aangewezen;

  • b. moet uitsluitend de momentele remkracht met de daarin optredende fluctuaties analoog worden aangewezen en moet de analoge aanwijzing voorzien zijn van het opschrift `Globale Aanwijzing'.

Artikel 3.7.23 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de rollenremtestbank van een analoge aanwijzing is voorzien moet de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht aan het linker- en rechterwiel, uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid niet meer bedragen dan 1/5 van de maximale fout voor statische metingen, geldend voor het betreffende meetresultaat.

Artikel 3.7.24 [Vervallen per 01-05-2009]

Een digitale aanwijzing moet zodanig zijn dat:

  • a. de onnauwkeurigheid in de resulterende meetwaarde en in het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel uitsluitend als gevolg van de beperkte afleesnauwkeurigheid niet meer bedraagt dan 1/5 van de maximale fout voor statische metingen geldend voor het betreffende meetresultaat;

  • b. de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave moeten zodanig zijn, dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is.

§ 7.2.6. Niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.7.25 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een gepresenteerde niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde moet betrekking hebben op de hoogste waarde van de gemiddelde remkracht over één rotatieperiode, zoals deze tijdens de remtest optreedt.

  • 2 Indien bij rollenremtestbanken die voorzien zijn van een registratie-inrichting de meting wordt beëindigd voordat de inrichting genoemd in artikel 3.7.16, eerste lid, in werking is getreden, wordt deze waarde aangegeven op de registratie met voor luchtdrukgestuurde remsystemen daarbij de vermelding van de gemiddelde waarde van de ingestuurde druk bepaald over de rotatieperiode als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3.7.26 [Vervallen per 01-05-2009]

Een niet-geëxtrapoleerde resulterende meetwaarde reageert als volgt op testsignalen:

  • a. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een constante gemiddelde waarde, echter periodiek variërend met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De gepresenteerde resulterende meetwaarde moet na deze test gelijk zijn aan de aanwijzing verkregen na een constant simulatiesignaal met dezelfde gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%;

  • b. op de testaansluiting wordt een simulatiesignaal aangeboden met een veranderende gemiddelde en periodiek variërende waarde met een laagste frequentie overeenkomend met één rotatieperiode. De resulterende meetwaarde:

    • 1°. mag slechts mag worden gepresenteerd indien de hoogste gemiddelde waarde van het simulatiesignaal over een rotatieperiode binnen 5% overeenkomt met de gemiddelde waarde over de voorafgaande of daarop volgende rotatieperiode, en

    • 2°. komt overeen met de aanwijzing verkregen met een constant simulatiesignaal met een gemiddelde gelijk aan de onder 1 genoemde hoogste gemiddelde waarde, met een tolerantie van 2,5%.

Artikel 3.7.27 [Vervallen per 01-05-2009]

Een rolleremtestbank voorzien van een extrapolatie-inrichting moet:

  • a. de momentele meetwaarde van de remkracht en de momentele waarde van de ingestuurde druk aanwijzen;

  • b. remkrachtwaarden, verkregen met een hogere ingestuurde druk dan de maximum extrapolatiedruk, niet meerekenen in de extrapolatiewaarde.

§ 7.2.7. Eisen aan de extrapolatie-inrichting [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.7.28 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De verhouding van het druktraject waarover meting en extrapolatie plaatsvindt, ten opzichte van het druktraject waarover de meting plaatsvindt, dient te voldoen aan de volgende voorwaarde:

    PX - PL

    -------------- ≤ 3

    PH - PL

    waarbij geldt: PX ≤ PEX

    Hierin is:

    • PEX de maximum extrapolatiedruk;

    • PX de extrapolatiedruk;

    • PL de laagste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie;

    • PH de hoogste druk van het meettraject dat de basis vormt voor de extrapolatie.

  • 2 Een gepresenteerde extrapolatiewaarde die op grond van de voorwaarde, genoemd in het eerste lid, betrekking heeft op een ingestuurde druk, lager dan de maximum extrapolatiedruk, moet duidelijk worden geïdentificeerd door een aangewezen en een afgedrukte waarschuwing dat de gesimuleerde of de werkelijke asbelasting nog kan worden verhoogd.

Artikel 3.7.29 [Vervallen per 01-05-2009]

Onregelmatigheden in de remkrachthelling voor waarden van de ingestuurde druk kleiner dan 1 bar mogen niet leiden tot verschillende extrapolatiewaarden.

Artikel 3.7.30 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een berekende extrapolatiewaarde reageert als volgt op testsignalen:

    • a. op de testaansluiting wordt door gelijktijdige aanbieding van een simulatiesignaal voor de ingestuurde druk en een simulatiesignaal voor de remkracht een meetcyclus nagebootst. Beide simulatiesignalen nemen hierbij in afhankelijkheid van elkaar volgens een constante waarde van de remkrachthelling toe, tot een eindwaarde van de ingestuurde druk zoals deze ook in de praktijk bij het bepalen van de remkracht van voertuigen zou kunnen optreden. Het simulatiesignaal voor de remkracht varieert hierbij met een laagste frequentie overeenkomend met een rotatieperiode. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 2% gelijk zijn aan de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de gesimuleerde signalen voor de ingestuurde druk en de remkracht;

    • b. op de testaansluiting wordt een meetcyclus gesimuleerd zoals beschreven onder a, doch met simulatie van een remkrachthelling waarvan de waarde verandert met de waarde van de remkracht. Een gepresenteerde extrapolatiewaarde moet binnen 5% overeenkomen met de referentiewaarde. De hier bedoelde referentiewaarde is de waarde van de remkracht bij de van toepassing zijnde maximale ingestuurde druk, zoals deze door lineaire extrapolatie kan worden berekend uit de volgende twee punten van de gesimuleerde kracht/druk-karakteristiek:

      FL is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk van 1 bar, en FH is de gesimuleerde remkracht bij een gesimuleerde ingestuurde druk 0,2 bar onder de hoogste gesimuleerde ingestuurde druk.

      De waarde van de gesimuleerde remkracht is gebaseerd op de gemiddelde waarde van de remkrachthelling over een gebied van 0,5 bar aansluitend boven de drukwaarde behorende bij FL en over een gebied van 0,5 bar aansluitend onder de drukwaarde behorende bij FH.

  • 2 Voor de berekening van de referentiewaarden genoemd in het eerste lid, onder a en b, wordt rekening gehouden met de werkelijke relatie tussen een statisch simulatiesignaal en de daaraan gerelateerde aangewezen waarde, waarbij de fluctuaties gesuperponeerd op het simulatiesignaal zijn geëlimineerd.

Artikel 3.7.31 [Vervallen per 01-05-2009]

Na beëindiging van de remtest mag naast de berekende extrapolatiewaarde tevens een gemeten waarde voor de remkracht en de bijbehorende ingestuurde druk worden gepresenteerd. Deze gemeten waarden moeten overeenkomen met de voor het extrapolatieproces gebruikte hoogste waarden voor de gemiddelde remkracht per rotatieperiode en de bijbehorende ingestuurde druk, gemiddeld over dezelfde periode. Deze waarde moet voldoen aan de eisen gesteld in paragraaf 7.2.6. met uitzondering van artikel 3.7.26, onder b.

§ 7.2.8. Registratie-inrichting [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.7.32 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een klasse II en klasse I/II rollenremtestbank moeten zijn voorzien van een interne of externe afdrukinrichting waarmee tenminste de volgende gegevens worden vastgelegd:

    • a. de informatie zoals vermeld in artikel 1.14, onder 3;

    • b. de datum en het tijdstip van de metingen aan het betreffende voertuig;

    • c. de ingevoerde informatie van het betreffende voertuig:

      • 1°. identificatie bestaande uit het kenteken of de meldcode;

      • 2°. maximum massa c.q. de maximum af te remmen massa;

      • 3°. de maximum extrapolatiedruk PEX per as;

      • 4°. de wettelijk vereiste remvertraging;

    • d. een getalsmatige of grafische weergave van de relatie tussen:

      • 1°. de pedaalkracht en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel in het geval van een remproef voor hydraulische remsystemen;

      • 2°. de ingestuurde druk en de daarbij behorende remkracht per wiel en per as en het verschil in remkracht tussen het linker- en rechterwiel in het geval van een remproef voor pneumatische remsystemen; de relatie wordt minstens weergegeven door de waarden van de druk PL en PH, zoals bedoeld in artikel 3.7.28, gebruikt bij de remtest van het voertuig;

    • e. de berekende waarden:

      • 1°. de resulterende meetwaarde gesommeerd per as;

      • 2°. de berekende statische remvertraging;

    • f. de vermelding, bedoeld in artikel 3.7.25, tweede lid;

    • g. de waarschuwing genoemd in artikel 3.7.28, tweede lid.

  • 2 Andere informatie dan bedoeld in het eerste lid mag worden geregistreerd voorzover deze niet leidt tot misleiding of misvatting.

§ 7.9.2. Overgangsmaatregelen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.7.33 [Vervallen per 01-05-2009]

Klasse II rollenremtestbanken en klasse I/II rollenremtestbanken, voor wat betreft het klasse II-bereik, voorzien van hydraulische of pneumatische krachtopnemers, waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de eisen die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, mogen tot uiterlijk drie jaar na de datum van afgifte, zoals deze staat vermeld op het certificaat, worden gebruikt bij een algemene periodieke keuring.

Artikel 3.7.34 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Klasse I rollenremtestbanken en klasse I/II rollenremtestbanken, voor wat betreft het klasse I-bereik waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de eisen die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, moeten blijven voldoen aan die eisen.

  • 2 Rollenremtestbanken, bedoeld in het eerste lid, moeten in afwijking van de eisen gesteld aan meetnauwkeurigheid, voldoen aan de volgende eisen: de maximale fout in plus en min bedraagt bij een kracht:

    • 1°. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;

    • 2°. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht.

Artikel 3.7.35 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Klasse II rollenremtestbanken en klasse I/IIrollenremtestbanken die niet voorzien zijn van hydraulische of pneumatische krachtopnemers waarvoor in de 12 maanden voorafgaande aan 1 februari 2004 een certificaat van eerste of herkeuring is afgegeven op basis van de voorschriften die op het moment van de eerste keuring van kracht waren, mogen tot uiterlijk drie jaar na de datum van afgifte van het certificaat zoals daarop vermeld, worden gebruikt bij een algemene periodieke keuring.

  • 2 Rollenremtestbanken, bedoeld in het eerste lid, moeten na 3 jaar na de in het eerste lid, genoemde datum, voldoen aan de eisen genoemd in deze regeling met uitzondering van de artikelen 1.13.5, 1.14.1 onder b en g, 1.14.2, 1.14.3, 1.20, 3.7.15, tweede lid, 3.7.16, derde lid, met dien verstande dat:

    • a. in afwijking van artikel 3.7.16, tweede lid, de aan het wiel overgedragen remkracht tenminste 0,5 maal de waarde van de kracht kan bereiken die een wiel op zijn ondersteuning uitoefent, waarbij het oppervlak van de rollen droog is;

    • b. in afwijking van artikel 3.7.23 het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in tenminste 25 schaaldelen van gelijke waarde, waarbij de totale lengte van de schaalverdeling tenminste 0,15 m moet bedragen. Voor cirkelvormige schaalverdelingen gelden deze waarden voor de lengte van de cirkelboog die het midden van de deelstrepen verbindt. Aflezing van een waarde van 2% van het aanwijsbereik moet eenvoudig zijn. De schaalverdeling moet ten minste op onderlinge gelijke afstanden die niet groter zijn dan 20% van het aanwijsbereik, van cijfers zijn voorzien; en,

    • c. in afwijking van artikel 3.7.24, het aanwijsbereik onderverdeeld moet zijn in ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig is, dat aflezing eenvoudig is.

Artikel 3.7.36 [Vervallen per 14-05-2004]

§ 8. Platenremtestbanken [Vervallen per 01-05-2009]

§ 8.1. Algemeen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.8.1 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder platenremtestbank een meetmiddel waarbij de wielen van een voertuig kunnen steunen op vlakke, horizontale platen, waarmee de remkracht wordt bepaald uit de reactiekracht die wordt uitgeoefend door een afremmend voertuig dat op de platen tot stilstand wordt gebracht.

  • 2 Platenremtestbanken behoeven niet te voldoen aan het bepaalde in paragraaf 2.3 en 3 van hoofdstuk 1.

§ 8.2. Technische eisen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.8.2 [Vervallen per 01-05-2009]

De platenremtestbank moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a. de platenremtestbank moet per as voor elk afzonderlijk wiel de gemeten waarden aangeven. Zij moet op gemakkelijke wijze te bedienen zijn en op veilige wijze werken;

  • b. de wrijvingscoëfficiënt tussen de wielen van een op de platenremtestbank geplaatst voertuig en de platenremtestbank moet in droge toestand ten minste 0,5 bedragen;

  • c. de gemeten remkracht moet worden weergegeven in Newton (N);

  • d. de gemeten waarden moeten door analoge of digitale aanwijs- of registratie-inrichtingen gemakkelijk en duidelijk worden aangegeven;

  • e. de aanwijs- of registratie-inrichtingen moeten:

    • 1. zijn voorzien van een nulstelinrichting, en

    • 2. zodanig zijn uitgevoerd dat per as de bijbehorende paren meetgegevens gelijktijdig voor aflezing of verdere verwerking beschikbaar zijn;

  • f. het meetbereik van een platenremtestbank met digitale weergave van de gemeten waarde moet ten minste 100 schaaldelen van gelijke waarde omvatten waarbij de afmetingen van de cijfers alsmede de helderheid en het contrast van de weergave zodanig moeten zijn, dat ook onder minder gunstige omstandigheden de aflezing op gemakkelijke wijze mogelijk is;

  • g. het meetbereik van een analoog aanwijzende of analoog registrerende platenremtestbank moet ten minste 25 schaaldelen van gelijke waarden omvatten, waarbij de schaalverdeling ten minste op onderling gelijke afstanden, die niet groter zijn dan 20% van het meetbereik, van cijfers moet zijn voorzien. De totale lengte van de schaalverdeling, gemeten langs de cirkel die het midden van de deelstrepen verbindt, moet bij een aanwijzende inrichting ten minste 0,15 m en bij een registrerende inrichting ten minste 0,07 m bedragen. Een waarde ter grootte van 2% van het meetbereik van de inrichting moet nog gemakkelijk zijn af te lezen;

  • h. demping en eigen frequentie van de platenremtestbank moeten zodanig zijn, dat de maximale fouten, bedoeld onder m, niet worden overschreden zolang de toename per tijdseenheid van de gemeten waarde niet de door de fabrikant van de platenremtestbank opgegeven grenswaarde te boven gaat;

  • i. de platenremtestbank en een daaraan gekoppelde inrichting voor de verwerking van meetgegevens moeten beveiligd zijn tegen of voldoende ongevoelig zijn voor de onder normale omstandigheden voorkomende thermische, atmosferische, elektrische, magnetische en elektromagnetische invloeden;

  • j. een analoog registrerende platenremtestbank moet zodanig zijn uitgevoerd dat afwijkingen als gevolg van mogelijke positieverandering van het registratieblad ten hoogste 1% van het meetbereik van de platenremtestbank bedragen. Indien de gemeten waarde wordt geregistreerd in afhankelijkheid van de tijd moet de transportsnelheid van het blad ten minste 0,005 m/s bedragen en mag de transportsnelheid niet meer dan 5% afwijken van de nominale waarde daarvan. Bij cirkelvormige bladen wordt als transportsnelheid aangemerkt de omtreksnelheid, gemeten aan de binnencirkel van het registratieveld;

  • k. de weergave van de gemeten waarde die uiterlijk 0,5 seconde nadat de meting is begonnen, wordt verkregen, wordt als maatgevend beschouwd;

  • l. de maximale fout in plus en in min, van de aangewezen remkracht bedraagt:

    • 1. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, bij een kracht:

      • I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;

      • II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;

    • 2. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa meer bedraagt dan 3500 kg, bij een kracht:

      • I. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;

      • II. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;

    • 3. indien de aanwijs- of registratie-inrichting bestemd is voor de keuring van beide hiervoor bedoelde groepen voertuigen, voor het gedeelte van het meetbereik dat bestemd is voor de keuring van voertuigen waarvan de toegestane maximum massa niet meer bedraagt dan 3500 kg, bij een kracht:

      • I. die niet groter is dan 1800 N: 180 N;

      • II. die groter is dan 1800 N: 10% van de werkelijke remkracht;

        en voor het gedeelte van het meetbereik dat is bestemd voor de keuring van andere voertuigen, bij een kracht:

      • III. die niet groter is dan 9000 N: 900 N;

      • IV. die groter is dan 9000 N: 10% van de werkelijke remkracht;

  • m. bij meting van de remkracht van de wielen van een as mag, bij gelijke remkracht, het verschil in aanwijzing voor de beide wielen niet groter zijn dan de helft van de maximale fout, bedoeld onder 1.

§ 8.3. Overgangsbepalingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.8.3 [Vervallen per 01-05-2009]

Platenremtestbanken in gebruik genomen vóór 1 juli 1984:

§ 9. Koolmonoxidemeters [Vervallen per 01-05-2009]

§ 9.1. Algemeen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.9.1 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    • a. koolmonoxidemeter: een meetmiddel dat bestemd is voor het meten van het koolmonoxidegehalte van uitlaatgassen, afkomstig van met stationair toerental draaiende motoren met elektrische ontsteking van in gebruik zijnde motorrijtuigen, welk meetmiddel het meetresultaat direct in volumeprocenten aangeeft, al dan niet tezamen met het volumegehalte van andere, in de uitlaatgassen voorkomende bestanddelen;

    • b. monsternamesysteem: het monsternamesysteem omvat alle onderdelen die worden gebruikt om de motoruitlaatgassen op te vangen en naar de koolmonoxidemeter over te brengen;

    • c. condensaatafscheider: de condensaatafscheider omvat alle onderdelen die worden gebruikt om gecondenseerde waterdamp uit de uitlaatgassen af te scheiden;

    • d. filtersysteem: het filtersysteem omvat alle onderdelen die worden gebruikt om die deeltjes uit het uitlaatgas te verwijderen die de juiste werking van de meetcel kunnen verstoren;

    • e. nulstelinrichting: de inrichting waarmee de aanwijzing van de koolmonoxidemeter, bij doorvoering van een gas dat geen koolmonoxyde bevat, op nul kan worden gesteld;

    • f. justeerinrichting: de inrichting waarmee de justering van de koolmonoxidemeter bij een vaste waarde, referentiepunt genoemd, kan worden verricht;

    • g. kalibratie-inrichting: de inrichting waarmee de aanwijzing van de koolmonoxidemeter, bij doorvoering van een kalibratiegas, in overeenstemming met de waarde van de te meten grootheid kan worden gebracht;

    • h. opwarmtijd: de door de fabrikant van de koolmonoxidemeter gegeven tijd gedurende welke de koolmonoxidemeter, alvorens te mogen worden afgesteld of gebruikt, onder elektrische spanning moet staan;

    • i. responsietijd: de tijd die verloopt na een plotselinge wijziging van de te meten grootheid bij de inlaat van het monsternamesysteem tot de koolmonoxidemeter een aanwijzing geeft waarvan het verschil ten opzichte van de definitieve aanwijzing van de nieuwe waarde van de grootheid niet meer bedraagt dan een gegeven waarde;

    • j. minimale debiet: het debiet beneden hetwelk de aanwijzing van de koolmonoxidemeter een fout kan vertonen die groter is dan de maximale fout;

    • k. minimale meettijd: de tijd die ten minste verloopt tussen het moment van inbrengen van het monsternamesysteem in de uitlaat en het moment waarop de definitieve aanwijzing van de te meten grootheid is bereikt;

    • l. meetbereik: het gebied van de waarden van de te meten grootheid waarbij de aanwijzingen van de koolmonoxidemeter die onder normale omstandigheden in één enkele meting zijn verkregen, geen grotere fout mogen vertonen dan de maximale fout;

    • m. kalibratiegas: een gasmengsel waarvan de samenstelling in de concentratie van elke component met een voldoende nauwkeurigheid bekend zijn om te worden gebruikt bij de kalibratie en justering van een koolmonoxidemeter;

    • n. drift: de variatie van de metrologische eigenschappen van koolmonoxidemeters onder normale gebruiksomstandigheden gedurende redelijk lange tijd;

    • o. elektronische inrichting: een deel of het geheel van een koolmonoxidemeter of van een hulpinrichting daarvan, waarin gebruik wordt gemaakt van elektronische componenten en dat een specifieke functie vervult en onafhankelijk kan worden gecontroleerd;

    • p. elektronische inrichting met volledige controle: een elektronische inrichting is voorzien van een volledige controle, indien storingen van de essentiële functies van de elektronische inrichting worden gedetecteerd en gesignaleerd;

    • q. elektronische inrichting zonder controle of met gedeeltelijke controle: een inrichting die niet volledig wordt gecontroleerd als omschreven in onderdeel p;

    • r. automatische en permanente controle (P): een controle die het mogelijk maakt zonder menselijke tussenkomst de juiste werking van elektronische inrichtingen tijdens een meting, hetzij continu, hetzij discontinu te controleren, opdat ook in het laatstgenoemde geval elke storing wordt gedetecteerd;

    • s. automatische en tussentijdse controle (I): een controle die het mogelijk maakt zonder menselijke tussenkomst op cyclische wijze de juiste werking van elektronische inrichtingen te controleren;

    • t. niet-automatische controle (N): een controle die het mogelijk maakt via menselijke tussenkomst de juiste werking van elektronische inrichtingen te controleren.

  • 2 De in deze paragraaf gestelde eisen zijn slechts van toepassing op koolmonoxidemeters die vóór 1 januari 1998 in gebruik zijn genomen.

Artikel 3.9.2 [Vervallen per 01-05-2009]

In de handleiding behorende bij de koolmonoxidemeter moet naast de informatie genoemd in artikel 1.15 het volgende zijn opgenomen:

  • a. de wijze waarop de sonde in de uitlaat van het voertuig moet worden geplaatst;

  • b. eventuele aanwijzingen met betrekking tot een te gebruiken sonde voor bepaalde voertuigtypen;

  • c. minimale meettijd;

  • d. het type elektrische voeding;

  • e. de opwarmtijd;

  • f. de kalibratieprocedure.

Indien het een geïntegreerde koolmonoxidemeter betreft, mag de handleiding onderdeel uitmaken van de handleiding van het betreffende meetmiddel.

§ 9.2. Eisen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.9.3 [Vervallen per 01-05-2009]

De koolmonoxidemeter moet voldoen aan de technische en metrologische eisen opgenomen in respectievelijk paragraaf 9.2.1 en 9.2.4 onder de in paragraaf 9.2.2 en 9.2.3 genoemde omstandigheden.

§ 9.2.1. Technische eisen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.9.4 [Vervallen per 01-05-2009]

De koolmonoxidemeter moet:

  • a. van deugdelijke constructie zijn,

  • b. gemakkelijk zijn te hanteren, en

  • c. bestand zijn tegen mechanische invloeden waaraan hij onder normale gebruiksomstandigheden blootgesteld kan zijn.

Artikel 3.9.5 [Vervallen per 01-05-2009]

De koolmonoxidemeter moet in uitgeschakelde toestand kunnen worden vervoerd, en zowel in uit- als in ingeschakelde toestand kunnen worden verplaatst.

Artikel 3.9.6 [Vervallen per 01-05-2009]

De delen van de koolmonoxidemeter die met de uitlaatgassen in aanraking komen moeten zijn vervaardigd uit materialen die de nauwkeurigheid van de meting niet kunnen beïnvloeden.

Artikel 3.9.7 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De sonde waarmee een monster van de uitlaatgassen kan worden genomen, moet lang genoeg zijn om een insteekdiepte van ten minste 30 cm mogelijk te maken, en moet zijn voorzien van een inrichting om de positie van de sonde ten opzichte van de uitlaat te fixeren. De sonde bestaat uit een over een voldoende lengte flexibele pijp met een uitwendige diameter van ten hoogste 10 mm. De leidingen moeten zijn vervaardigd uit een materiaal dat insnoeringen onmogelijk maakt en een lengte hebben van ten minste 3 m (de sonde niet inbegrepen).

  • 2 Het gehele monsternamesysteem moet lekdicht zijn.

Artikel 3.9.8 [Vervallen per 01-05-2009]

De koolmonoxidemeter moet zijn voorzien van een filtersysteem en een condensaatafscheider, die doeltreffend en gemakkelijk bereikbaar zijn. De onderdelen van deze inrichtingen moeten een goede werking van de koolmonoxidemeter mogelijk maken.

Artikel 3.9.9 [Vervallen per 01-05-2009]

De inrichtingen voor nulstelling en justering dienen goed bereikbaar te zijn, maar doelmatig beschermd tegen ongewilde ontregeling. De toegang tot de overige instelinrichtingen moet kunnen worden verhinderd. Daartoe moeten mogelijkheden tot verzegeling aanwezig zijn.

Artikel 3.9.10 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De koolmonoxidemeter moet zijn voorzien van een inrichting waarmede kan worden gecontroleerd of het monstergasdebiet groter is dan het minimale debiet.

  • 2 Indien de koolmonoxidemeter van een aansluiting voor accuvoeding is voorzien, moet een duidelijk waarneembare signalering worden gegeven indien de voedingsspanning buiten de in artikel 3.9.20 genoemde grenzen komt.

Artikel 3.9.11 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De afleesinrichting voor koolmonoxyde omvat één of twee schalen met deelstrepen of een numerieke schaal. Bij afleesinrichtingen met twee schalen moet iedere schaal bij nul beginnen wanneer de meter twee meetcellen omvat. Indien echter de koolmonoxidemeter slechts één meetcel omvat, moet ten minste één van beide schalen bij nul beginnen.

  • 2 Op de afleesinrichting moet het volumegehalte aan koolmonoxyde op de volgende wijze zijn vermeld: % vol CO.

  • 3 Het meetbereik van het instrument moet zich ten minste van 0 tot 7% vol CO uitstrekken.

Artikel 3.9.12 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De waarde van de afleeseenheid bedraagt bij inrichtingen met digitale aanwijzing 0,1% vol CO en bij inrichtingen met analoge aanwijzing 0,1% vol CO of 0,2% vol CO.

  • 2 Bij inrichtingen met analoge aanwijzing moet de lengte van het kleinste schaaldeel ten minste 1,25 mm bedragen. Het gedeelte van de wijzer dat de deelstrepen overlapt, moet duidelijk zichtbaar zijn en een dikte hebben die niet meer bedraagt dan een vierde van de lengte van het kleinste schaaldeel. De wijzer moet ten minste één derde van de kortste streep bedekken. Op de schaalverdeling moet bovendien elke gehele waarde met een cijfer zijn aangegeven, waarbij de hoogte van deze cijfers ten minste 5 mm moet bedragen.

  • 3 Bij inrichtingen met digitale aanwijzing moeten de cijfers een hoogte van ten minste 10 mm hebben.

Artikel 3.9.13 [Vervallen per 01-05-2009]

De koolmonoxidemeter moet zijn voorzien van een doelmatige nulstelinrichting.

Artikel 3.9.14 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De koolmonoxidemeter moet zijn voorzien van een justeerinrichting waarmee de meter binnen de grenzen van de maximale fouten kan worden gejusteerd ten opzichte van een op de koolmonoxidemeter aangegeven referentiepunt, dat ligt bij een waarde die overeenkomt met ten minste 60% van het maximale meetvermogen. Het voor het referentiepunt gegenereerde, intern signaal moet met behulp van een kalibratiegas op de juiste waarde gebracht kunnen worden.

  • 2 In afwijking van het eerste lid mag de koolmonoxidemeter zijn voorzien van een zodanige andere voorziening, dat de meter, hetzij door menselijke tussenkomst, hetzij automatisch, wordt gejusteerd binnen de grenzen van de maximale fout.

Artikel 3.9.15 [Vervallen per 01-05-2009]

De koolmonoxidemeter moet zijn voorzien van:

  • a. een doelmatige kalibratie-inrichting;

  • b. een inrichting die het mogelijk maakt een kalibratiegas aan de meter toe te voeren zonder gebruik te maken van het monsternamesyteem

Artikel 3.9.16 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een elektronische inrichting die deel uitmaakt van of gekoppeld is aan een koolmonoxidemeter moet duurzaam overeenkomstig haar gebruiksdoel functioneren en mag geen significante fouten in de meetresultaten veroorzaken.

  • 2 De metrologische betrouwbaarheid wordt bereikt:

    • a. hetzij met behulp van een adequaat ontwerp en een adequate constructie vervaardigen van elektronische inrichtingen die voldoen aan een vereist kwaliteitsniveau dat op grond van proeven aanwezig mag worden verondersteld (elektronische inrichting zonder controle),

    • b. hetzij door gebruikmaking van elektronische inrichtingen met controles waardoor significante storingen kunnen worden gedetecteerd en gesignaleerd (elektronische inrichting met volledige controle),

    • c. hetzij door combinatie van bovenvermelde methoden (elektronische inrichting met gedeeltelijke controle).

    De keuze van de methode wordt aan de fabrikant overgelaten.

Artikel 3.9.17 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Op de koolmonoxidemeter moet een opschriftenplaat zijn aangebracht waarop naast de in artikel 1.14 genoemde gegevens tevens de volgende gegevens duidelijk leesbaar en onuitwisbaar zijn vermeld:

    • a. de eventuele handelsbenaming;

    • b. de nominale spanning van de elektrische voeding in de vorm: … V;

    • c. eventueel de nominale frequentie van de elektrische voeding in de vorm: … Hz;

    • d. het minimale debiet van het monstergas in de vorm Qmin … l/h.

  • 2 Op de voorzijde van de koolmonoxidemeter of op de in het eerste lid bedoelde opschriftenplaat, indien deze zich op de voorzijde van de koolmonoxidemeter bevindt, moet duidelijk leesbaar en onuitwisbaar worden vermeld:

    • a. de opwarmtijd in de vorm: opwarmtijd … min;

    • b. de minimale meettijd in de vorm: minimale meettijd. … s.

  • 3 Op de afleesinrichting of in de onmiddellijke nabijheid daarvan moet duidelijk leesbaar en onuitwisbaar het eventuele referentiepunt worden aangegeven.

  • 4 Andere vermeldingen dan genoemd in de voorgaande leden mogen worden aangebracht mits deze geen aanleiding kunnen geven tot misleiding of misvatting.

§ 9.2.2. Beïnvloedingsfactoren [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.9.18 [Vervallen per 01-05-2009]

De omgevingstemperatuur mag variëren tussen 0°C en +40°C; de instelwaarde van de nominale temperatuur ligt tussen +17°C en +23°C; de werkelijke waarde mag niet meer dan 2°C in plus en min van de ingestelde nominale waarde afwijken.

Artikel 3.9.19 [Vervallen per 01-05-2009]

De relatieve vochtigheid van de omgevingslucht mag variëren tussen 10% en 90%. De instelwaarde van de nominale relatieve vochtigheid ligt tussen 50% en 60%; de werkelijke waarde mag niet meer dan 10% van de ingestelde waarde afwijken.

Artikel 3.9.20 [Vervallen per 01-05-2009]

De spanning van de elektrische voeding mag variëren van –15% tot +10% ten opzichte van de nominale spanning.

Artikel 3.9.21 [Vervallen per 01-05-2009]

De concentraties van kooldioxyde CO2, waterdamp H2O, waterstof H2 en koolwaterstoffen CxHy in de uitlaatgassen mogen variëren tussen:

  • a. 0% vol en 15% vol voor CO₂;

  • b. 0% vol en 3% vol voor H₂O;

  • c. 0% vol en 2% vol voor H₂;

  • d. 0% vol en 1,2% vol voor CH (CH gemeten als equivalent methaan).

Artikel 3.9.22 [Vervallen per 01-05-2009]

De druk van de uitlaatgassen in de meetcel mag ten opzichte van de nominale druk variëren tussen 800 mbar en 1100 mbar; de nominale druk is gelijk aan de heersende atmosferische druk.

§ 9.2.3. Storingen van buitenaf [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.9.23 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Vermindering van de voedingsspanning met 100% van de nominale waarde gedurende ca. 10 ms.

  • 2 Vermindering van de voedingsspanning met 50% van de nominale waarde gedurende ca. 20 ms.

  • 3 Vermindering van de voedingsspanning met 20% van de nominale waarde gedurende ca. 50 ms.

  • 4 Het tijdsverschil tussen twee opeenvolgende proeven moet ten minste 10 seconden bedragen.

Artikel 3.9.24 [Vervallen per 01-05-2009]

Op het net worden tijdelijke overspanningen van beide polariteiten aangelegd in willekeurig verschoven fasen. Deze overgangen worden zowel in fasen als in serie opgewekt uitgaande van een impedantie van 50 ohm. Amplitude, stijgtijd, duur en herhalingsfrequentie zijn in tabel 1 nader aangegeven.

Tabel 1

Amplitude

Stijgtijd

Afvaltijd tot halve amplitude

Herhalingsfrequentie

500 V

5 ns

100 ns

12 Hz

1500 V

35 ns

3 μs

≤ 12 Hz

Artikel 3.9.25 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Magnetisch veld van 60 A/m en 50 Hz, dat bijvoorbeeld wordt geproduceerd door een kabel waar een stroom van 10 A doorheen loopt, op een afstand van ongeveer 2,5 cm.

  • 2 Veldsterkte van 10 V/m bij frequenties van 100 kHz – 500 MHz.

    Veldsterkte van 1 V/m bij frequenties van 500 MHz – 1000 MHz.

  • 3 Elektrostatische ontlading van 6 kV met een energie van 2 mJ aan het geaarde chassis en met een minimale duur van 10 seconden tussen opeenvolgende ontlading. De ontlading wordt teweeggebracht op de delen van de koolmonoxidemeter, die bij normale gebruiksomstandigheden in aanraking kunnen komen met de gebruiker of diens kleding.

§ 9.2.4. Metrologische voorschriften [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.9.26 [Vervallen per 01-05-2009]

Tenzij anders vermeld, gelden de metrologische voorschriften in de artikelen 3.9.27 tot en met 3.9.31 bij nominale omstandigheden.

Artikel 3.9.27 [Vervallen per 01-05-2009]

De responsietijd bij de typekeuring voor een aanwijzing die ten hoogste 10% verschilt van de definitieve aanwijzing van de gemeten grootheid mag niet meer dan 20 seconden bedragen; bij het bepalen van de responsietijd wordt gebruik gemaakt van een gas, waarvan het koolmonoxidegehalte gedurende de meettijd niet meer dan 2% varieert.

Artikel 3.9.28 [Vervallen per 01-05-2009]

Bij nominale temperatuur mag bij de typekeuring het resultaat van een meting die wordt verricht met een gas waarvan het koolmonoxidegehalte gedurende de meettijd niet meer dan 2% varieert, in een periode van 4 uur na de opwarming van het toestel niet meer dan 0,2% vol CO bedragen.

Artikel 3.9.29 [Vervallen per 01-05-2009]

De maximale afwijking bij de typekeuring tussen 5 onmiddellijk op elkaar volgende metingen van het koolmonoxidegehalte van een gas waarvan het koolmonoxidegehalte gedurende de meettijd niet meer dan 2% varieert mag niet meer dan 0,2% vol CO bedragen.

Artikel 3.9.30 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien de koolmonoxidemeter bij de typekeuring door één van de in paragraaf 9.2.2 vermelde factoren wordt beïnvloed, mag de aanwijzing van het koolmonoxidegehalte niet meer dan 0,8 maal de in artikel 3.9.31 vermelde waarden variëren.

  • 2 In geen elk geval mag bij de typekeuring de algebraïsche som van de variaties die aan het gelijktijdig optreden van verschillende beïnvloedingsfactoren te wijten zijn, een waarde overschrijden die gelijk is aan de in artikel 3.9.31 vermelde maximale fout.

  • 3 Indien de koolmonoxidemeter bij de eerste keuring wordt beïnvloed door variatie in de samenstelling van de gassen, mag de aanwijzing van het koolmonoxidegehalte niet meer dan de in artikel 3.9.31, tweede lid, vermelde waarde variëren.

Artikel 3.9.31 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De maximale fout bij de typekeuring bedraagt 0,25% vol CO in plus en min.

  • 2 Bij de eerste keuring van koolmonoxidemeters bedraagt de maximale fout 0,3% vol CO in plus en min.

  • 3 Bij de herkeuring van koolmonoxidemeters bedraagt de maximale fout 0,4% vol CO in plus en min.

§ 9.3. Gecertificeerd kalibratiegas [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.9.32 [Vervallen per 01-05-2009]

Gecertificeerd kalibratiegas moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a. het gasmengsel moet bestaan uit de volgende componenten:

    • 1. koolmonoxyde met een gehalte tussen 4% vol CO en 5% vol CO met een relatieve onzekerheid van ten hoogste 2%, en

    • 2. No;

  • b. het gasmengsel moet verpakt zijn in een door de dienst voor het Stoomwezen goedgekeurde aluminium fles en in die verpakking gecertificeerd zijn op de wijze aangegeven in artikel 3.9.33.

Artikel 3.9.33 [Vervallen per 01-05-2009]

De certificatie geschiedt:

  • a. door middel van een genummerd certificaat overeenkomstig het model in bijlage A, en

  • b. door middel van een etiket of een soortgelijke, op duurzame wijze aangebrachte voorziening op de fles waarin het gas zich bevindt, duidelijk zichtbaar, gemakkelijk leesbaar en onuitwisbaar, vermeldende:

    • 1. “gehalte: % vol C”, met het werkelijk gehalte ingevuld;

    • 2. het nummer van het bijbehorende certificaat;

    • 3. de naam van de ingevolge artikel 2.11 erkende inrichting.

  • c. in geval het gas zich bevindt in flessen die bestemd zijn voor eenmalig gebruik, kan, in afwijking van het bepaalde in de onderdelen a en b, certificatie ook geschieden door het onverbrekelijk op de fles aanbrengen van een certificaat, bestaande uit een etiket of een soortgelijke, op duurzame wijze aangebrachte voorziening, waarop duidelijk zichtbaar, gemakkelijk leesbaar en onuitwisbaar is vermeld:

    a. de naam van de ingevolge artikel 2.11 erkende inrichting;

    b. het certificatienummer;

    c. “Samenstelling CO: % vol”, met het werkelijk gehalte ingevuld en “N₂ : rest”;

    d. de datum van certificering;

    e. de handtekening van een tot tekening bevoegde.

§ 9.4. Overgangsbepalingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.9.34 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Het bepaalde in artikel 1.2, eerste lid, geldt niet voor koolmonoxidemeters die in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 1984.

  • 2 Hulpinrichtingen die in gebruik zijn genomen vóór de datum van inwerkingtreding van deze regeling hoeven niet te voldoen aan het bepaalde in artikel 1.20 met uitzondering van de eis dat deze hulpinrichtingen de goede werking van het meetmiddel niet mogen verstoren en voorts geen aanleiding tot misleiding of misvatting mogen geven.

Artikel 3.9.35 [Vervallen per 01-05-2009]

Kalibratiegas gecertificeerd vóór inwerkingtreding van deze regeling mag, in afwijking van het bepaalde in artikel 3.9.33, zijn voorzien van het certificaat als bedoeld in Bijlage VII bij het Meetbesluit CO/roet motorrijtuigen.

§ 10. Koplamptestapparaten [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.10.1 [Vervallen per 01-05-2009]

Het koplamptestapparaat moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a. indien de stralenbundel van een koplamp met ingeschakeld dimlicht op de lens van het apparaat wordt geprojecteerd, moet de lens een beeld weergeven dat in verhouding nauwkeurig overeenkomt met het beeld dat door de stralenbundel wordt gevormd op een verticale wand die zich op 10 m van de koplamp bevindt;

  • b. het projectievlak van het apparaat dient zodanig te zijn uitgevoerd of te kunnen worden versteld, dat hierop direct de minimale en maximale hoogte-afstelling van de koplampen voor iedere beladingstoestand van alle voertuigen kan worden gecontroleerd;

  • c. de verstelbaarheid van het apparaat in verticale richting moet zodanig zijn dat koplampen waarvan de onderzijde zich ten minste 0,35 m en de bovenzijde ten hoogste 1,20 m boven het wegdek bevindt, met het apparaat kunnen worden gecontroleerd;

  • d. het apparaat moet zijn voorzien van een inrichting waarmee het met een nauwkeurigheid van 5 graden in plus en in min ten opzichte van de lengtehartlijn van het voertuig kan worden gericht. Indien het apparaat is gemonteerd op rails, moet het ten opzichte van de rails ten minste 5 graden naar links en naar rechts kunnen zwenken;

  • e. de afstelling van het apparaat moet op eenvoudige wijze kunnen worden gecontroleerd.

§ 11. Uitlaatgastesters met lambda-bepaling [Vervallen per 01-05-2009]

§ 11.1. Algemeen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.11.1 [Vervallen per 01-05-2009]

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • a. automatische controle-inrichting: een controle-inrichting die functioneert zonder tussenkomst van de gebruiker;

  • b. automatische justeerinrichting: voorziening die de justering van het instrument volgens het programma uitvoert, zonder dat de gebruiker invloed heeft op het starten van deze justering of de grootte ervan;

  • c. CO: koolmonoxide;

  • d. CO₂: kooldioxide;

  • e. controle-inrichting: een voorziening, ingebouwd in een instrument, die het mogelijk maakt om significante fouten vast te stellen en daarop te reageren. Onder “reageren op” wordt hier elke duidelijke reactie van het instrument (zoals bv. een waarschuwingslamp, geluidssignaal, het afbreken van de meting) verstaan;

  • f. filter: voorziening die bepaalde bestanddelen uit het uitlaatgasmonster verwijdert;

  • g. gasbehandelingssysteem: alle delen van het instrument, van de sonde tot de afvoer van de gasmonsters, waardoor het monster van het uitlaatgas wordt gepompt;

  • h. HC: n-hexaan: koolwaterstoffen;

  • i. interne justeerinrichting: voorziening om het instrument af te regelen op een vastgestelde waarde zonder gebruik te maken van een kalibratie-gas;

  • j. justeerinrichting met kalibratie-gas: voorziening om het instrument af te regelen op de waarde van een kalibratie-gas;

  • k. kalibratie-gas: een stabiel gasmengsel met bekende samenstelling, gebruikt voor de periodieke controle en diverse keuringen van het instrument;

  • l. lambda: dimensieloos getal dat een maat is voor de volledigheid van de verbranding in een motor, uitgedrukt als de verhouding van lucht en brandstof in de uitlaatgassen. De waarde wordt vastgesteld met een vastgestelde formule;

  • m. nulstelinrichting: voorziening om de aanwijzing van het instrument op nul in te stellen;

  • n. opwarmtijd: de tijd die verstrijkt tussen het moment dat het instrument onder spanning wordt gebracht en het moment waarop het instrument kan voldoen aan de metrologische eisen;

  • o. O₂ zuurstof;

  • p. referentie-omstandigheden: gebruiksomstandigheden, voorgeschreven voor het onderzoek naar de prestaties van een instrument, of voor de vergelijking van meetresultaten;

  • q. responsietijd: het tijdsinterval tussen het moment waarop het instrument wordt onderworpen aan een voorgeschreven plotselinge verandering in de samenstelling van een gasmengsel en het moment dat de aanwijzing binnen voorgeschreven grenzen overeenkomt met de uiteindelijke stabiele waarde;

  • r. semi-automatische justeerinrichting: voorziening die de gebruiker in staat stelt een justering van het instrument te starten zonder daarbij de mogelijkheid te hebben de grootte van de justering te beïnvloeden, ongeacht of de justering automatisch wordt vereist. Bij die instrumenten waarbij de waarden van de volume-bestanddelen van het standaard gasmengsel met de hand in het instrument moeten worden ingevoerd, wordt deze voorziening geacht semi-automatisch te zijn;

  • s. sonde: het deel van het gasbehandelingssysteem, dat in de uitlaat van een voertuig wordt geschoven voor het nemen van gasmonsters;

  • t. uitlaatgastester: meetmiddel, bestemd voor het meten van het gehalte CO en van lambda van de uitlaatgassen, afkomstig van draaiende motoren met elektrische ontsteking van in gebruik zijnde motorrijtuigen, en dat het meetresultaat van CO direct in volumeprocenten aangeeft, al dan niet tezamen met het volumegehalte van andere, in de uitlaatgassen voorkomende bestanddelen;

  • u. waterafscheider: inrichting die zoveel water verwijdert dat in het gasbehandelingssysteem daarachter condensatie wordt voorkomen.

Artikel 3.11.2 [Vervallen per 01-05-2009]

Uitlaatgastesters uitsluitend ingericht voor het meten van koolmonoxide die in gebruik zijn genomen na 31 december 1997 moeten voldoen aan de in deze paragraaf gestelde eisen met uitzondering van de eisen ten aanzien van de meting van CO2, HC, O2 en lambda.

Artikel 3.11.3 [Vervallen per 01-05-2009]

In de handleiding behorende bij de uitlaatgastester moet naast de informatie genoemd in artikel 1.15, het volgende zijn opgenomen:

  • a. de tijdsintervallen en procedures voor de justering en het onderhoud die moeten worden gevolgd opdat voortdurend wordt voldaan aan de eisen met betrekking tot de maximale fouten;

  • b. de tijdsintervallen tussen de automatische controles op gaskalibratie en lek;

  • c. een beschrijving van de procedure voor de lektest (deze lektest moet voldoende nauwkeurig zijn om het in artikel 3.11.9, achtste lid, gespecificeerde lek te detecteren);

  • d. een instructie aan de gebruiker dat voorafgaande aan elke HC meting een controle op het HC-residu moet plaatsvinden, inclusief een beschrijving van de procedure voor de controle op het HC-residu;

  • e. de maximale en minimale opslagtemperatuur;

  • f. een opgave van de gebruiksomstandigheden;

  • g. in het geval dat een lambda waarde wordt berekend, een beschrijving van de toegepaste berekening, en

  • h. een instructie voor de vervanging van de zuurstofbrandstofcel.

Artikel 3.11.4 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De uitlaatgastester moet, naast de in artikel 1.14, eerste lid, genoemde opschriften, zijn voorzien van een opschrift dat het minimale en het nominale debiet aangeeft alsmede het merk en type van de zuurstofbrandstofcel.

  • 2 Bij elke uitlaatgastester moet de waarde van de propaan-equivalentiefactor (PEF) zijn aangebracht op de voorzijde van het instrument of zichtbaar gemaakt kunnen worden op de aanwijsinrichting.

§ 11.2. Metrologische eisen gesteld aan uitlaatgastesters [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.11.5 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Het aandeel van de gasvormige componenten moet worden aangewezen in volume % voor CO, CO2 en O2, en in volume-ppm (delen per miljoen) voor HC. De aanduidingen van deze eenheden moeten ondubbelzinnig zijn verbonden met de aangewezen waarde, bijvoorbeeld: % vol CO, % vol CO₂, % vol O₂ en ppm vol HC.

  • 2 De afleeseenheid mag niet meer bedragen dan de volgende waarden:

CO

CO-2

O-2

HC

0,01% vol

0,1% vol

0,02% vol voor meetwaarden ≤ 4% vol

1 ppm vol

   

0,1% vol voor meetwaarden > 4% vol

 

Ten behoeve van controles moet het instrument zijn uitgevoerd met een mogelijkheid om negatieve waarden tot ten minste 1% en ten hoogste 5% van het meetbereik weer te geven.

Artikel 3.11.6 [Vervallen per 01-05-2009]

De meetbereiken voor elk der componenten moeten ten minste de volgende waarden hebben:

CO

CO-2

O-2

HC

(0 - 5)% vol

(0 - 16)% vol

(0 - 21)% vol

(0 - 2000) ppm vol

Artikel 3.11.7 [Vervallen per 01-05-2009]

De maximale fout in de aanwijzing van de uitlaatgastester bij typekeuring, onder referentie-omstandigheden, en bij eerste keuring en herkeuring, onder gebruiksomstandigheden, bedraagt:

 

Grootste waarde van:

CO

CO-2

O-2

HC

onder referentie-omstandigheden

absolute afwijking (volume)

0,06%

0,4%

0,1%

12 ppm

relatieve afwijking

3%

4%

3%

5%

onder gebruiksomstandigheden

absolute afwijking (volume)

0,06%

0,5%

0,1%

12 ppm

 

relatieve afwijking

5%

5%

5%

5%

Artikel 3.11.8 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in artikel 3.11.7, genoemde maximale fouten onder gebruiksomstandigheden, mogen onder de volgende condities niet worden overschreden:

    • a. de in artikel 1.13, derde lid, genoemde gebruiksomstandigheden;

    • b. relatieve luchtvochtigheid: tot 90% R.V.;

    • c. atmosferische druk: (860 – 1060) hPa.

  • 2 De keuringen, met uitzondering van onderzoek naar de invloed van temperatuur, luchtvochtigheid, luchtdruk en voedingsspanning en – frequentie, in het kader van typekeuringen, worden uitgevoerd onder de volgende omstandigheden:

    • a. temperatuur (20 ± 2) °C;

    • b. relatieve luchtvochtigheid: (55 ± 5)% R.V.;

    • c. atmosferische druk: stabiele omgevingsdruk;

    • d. nominale voedingsspanning ± 2%;

    • e. nominale frequentie van de voedingsspanning ± 1%.

  • 3 De invloed van andere gascomponenten dan het te meten gas mag niet groter zijn dan de helft van de maximale fout onder gebruiksomstandigheden, indien deze andere gassen ten hoogste in de volgende volume-delen voorkomen: 16% vol CO₂, 6% vol CO, 10% vol O₂, 5% vol H₂, 0,3% vol NO, 2000 ppm vol HC (als n-hexaan) en waterdamp tot verzadiging.

  • 4 De volgende verstoringen mogen geen invloed hebben die groter is dan de maximale fout bij eerste keuring onder gebruiksomstandigheden of moeten automatisch door het instrument worden gedetecteerd en aangegeven:

    • a. de in artikel 1.18 genoemde invloeden;

    • b. mechanische schokken, veroorzaakt door een vrije val over 25 mm door een der hoekpunten op een vast oppervlak.

  • 5 Bij de meting van:

    • a. CO, CO2 en HC moet een instrument, met inbegrip van het bijbehorende systeem voor gasbehandeling, bij onderzoek met standaard gasmengsels binnen 15 seconde 95% van de uiteindelijke waarde aanwijzen;

    • b. O2 moet een instrument, na overschakeling van lucht op een zuurstof-vrij standaard gasmengsel, binnen 60 seconde een waarde aanwijzen die een afwijking heeft van minder dan 0,1% vol ten opzichte van de uiteindelijke waarde.

  • 6 Na afloop van de opwarmtijd moet het instrument voldoen aan de metrologische eisen volgens dit voorschrift. De instrumenten moeten zijn voorzien van een voorziening waardoor wordt voorkomen dat er een aanwijzing van gemeten gascomponenten plaatsvindt gedurende de opwarmtijd.

  • 7 Het bestanddeel hydrocarbonaten moet worden uitgedrukt in ppm vol n-hexaan (C₆H₁₄) equivalent. De justering mag worden uitgevoerd met behulp van propaan (C2H2). Daartoe moet een conversie-factor, die wordt aangeduid als ‘C₃/C₆-factor’ of ‘PEF’ (Propaan-equivalentiefactor), permanent en duidelijk zichtbaar op het instrument zijn aangebracht, dan wel eenvoudig zijn op te roepen op de aanwijzing. De waarde van deze conversiefactor moet door de fabrikant voor elk instrument worden opgegeven in drie significante cijfers. Als de gassensor wordt vervangen of gerepareerd, moet een nieuwe conversiefactor op het instrument worden aangebracht.

  • 8 Instrumenten die zijn uitgevoerd met een aanwijzing van de lambda-waarde, moeten de betreffende berekening uitvoeren met behulp van de volgende formule:

    Bijlage 46701.png

    Hierin geldt:

 

[…]

= concentratie in % vol

K₁

= conversiefactor voor FID (Flame Ionisation Detector) meting naar NDIR (Non Dispersive Infra Red) meting.

Deze moet door de fabrikant van het meetinstrument worden verstrekt.

Hcv

= atoom-verhouding waterstof – koolstof, deze bedraagt voor benzine 1,850 en voor LPG 2,525

Ocv

= atoom-verhouding zuurstof – koolstof, deze bedraagt voor benzine 0,0175 en voor LPG 0.

  • 9 Bij normaal gebruik van het instrument mogen de meetresultaten, na justering met een kalibratie-gas of de interne justeerinrichting, de maximale fouten die gelden onder gebruiksomstandigheden gedurende ten minste 4 uur niet overschrijden, zonder dat gedurende deze periode gebruik wordt gemaakt van een kalibratie-gas of interne justering door de gebruiker. Indien het instrument is uitgerust met een methode voor drift-compensatie, zoals een automatische nulstelling of een automatische interne justering, mag de werking van deze justeringen geen aanwijzing veroorzaken die kan leiden tot verwarring met een meting van een extern gas.

  • 10 Indien door dezelfde persoon met hetzelfde instrument binnen relatief korte tijd 20 opeenvolgende metingen aan hetzelfde standaard gasmengsel worden uitgevoerd, mag de standaarddeviatie van deze 20 resultaten niet groter zijn dan een derde van de absolute waarde van de maximaal toelaatbare fout onder gebruiksomstandigheden.

§ 11.3. Technische eisen [Vervallen per 01-05-2009]

§ 11.3.1. Constructie [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.11.9 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Alle onderdelen van het gasbehandelingssysteem moeten zijn vervaardigd van materialen die bestand zijn tegen corrosie; in het bijzonder moet het materiaal van de sonde bestand zijn tegen de temperatuur van uitlaatgassen. De gebruikte materialen mogen de samenstelling van het gasmonster niet beïnvloeden.

  • 2 De sonde moet zodanig zijn ontworpen dat deze ten minste 30 cm in de uitlaatpijp van het voertuig kan worden gebracht en dat deze, ongeacht de insteekdiepte, door een bevestiging op zijn plaats wordt gehouden.

  • 3 Het gasbehandelingssysteem moet zijn voorzien van een filter, met regenereerbare of verwisselbare elementen, dat bestanddelen met een diameter groter dan 5 μm verwijdert.

    Het instrument moet gedurende ten minste ½ uur kunnen worden gebruikt met uitlaatgas van een automotor dat een HC bestanddeel van ca. 800 ppm vol bevat.

    Het moet mogelijk zijn de mate van vervuiling van het filter vast te stellen zonder dat dit verwijderd moet worden. Filterelementen moeten, indien nodig, eenvoudig en zonder gebruik van speciaal gereedschap kunnen worden vervangen.

  • 4 Het gasbehandelingssysteem moet een waterafscheider bevatten, die:

    • a. voorkomt dat water voorbij deze waterafscheider op oppervlakken in het instrument condenseert;

    • b. automatisch wordt geleegd.

  • 5 Het gasbehandelingssysteem moet, behalve van een aansluiting voor de sonde, zijn voorzien van afzonderlijke aansluitingen voor:

    • a. de toevoer van omgevingslucht als referentie voor de nulstelling van het instrument;

    • b. de toevoer van het kalibratie-gas.

    Deze aansluitingen moeten achter de waterafscheider en het filter zijn geplaatst opdat de vervuiling van het toegevoerde gas minimaal is. Indien bij een instrument omgevingslucht wordt gebruikt, moet deze door een afzonderlijk koolstoffilter of een gelijkwaardig systeem worden gevoerd. Er moet een voorziening zijn om de druk binnen de detector gedurende nulstellen, gaskalibratie en monstername gelijk te houden.

  • 6 De pomp waarmee het gas wordt aangezogen:

    • a. moet zodanig zijn gemonteerd dat zijn trillingen de metingen niet beïnvloeden;

    • b. moet onafhankelijk van de overige delen van het instrument in- en uitgeschakeld kunnen worden, waarbij het echter niet mogelijk mag zijn een meting te doen bij uitgeschakelde pomp.

  • 7 Het instrument moet een inrichting bevatten, waarmee wordt aangegeven wanneer de gasstroom daalt tot een niveau dat zou veroorzaken dat:

    • a. de responsietijd wordt overschreden, of

    • b. de invloed op de aanwijzing groter is dan de helft van de absolute waarde van de maximale fout onder gebruiksomstandigheden.

    Deze inrichting moet voorkomen dat er metingen kunnen worden uitgevoerd wanneer één van deze grenswaarden is bereikt.

  • 8 Het gasbehandelingssysteem moet zodanig luchtdicht zijn dat de invloed op het meetresultaat door verdunning met omgevingslucht niet meer bedraagt dan:

    • a. voor CO, CO₂ en HC: de helft van de absolute waarde van de maximale fout onder gebruiksomstandigheden;

    • b. voor O₂: 0,1% vol.

    Wanneer een zodanig lek optreedt dat één van deze grenswaarden wordt overschreden, mogen geen metingen kunnen worden uitgevoerd.

Artikel 3.11.10 [Vervallen per 01-05-2009]

Uitlaatgastesters mogen zijn voorzien van een geïntegreerde toerenteller mits deze voldoet aan de eisen gesteld in paragraaf 2 van dit hoofdstuk.

§ 11.3.2. Beveiligingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.11.11 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien het instrument is uitgevoerd met één of meer automatische controle-inrichting (en), moet het mogelijk zijn het juiste functioneren hiervan te controleren.

  • 2 Bij een uitlaatgastester moet, door middel van een controle-inrichting voor het vaststellen van restanten HC-gas, zijn gewaarborgd dat, voordat een meting kan plaatsvinden, de aangewezen waarde voor een monster omgevingslucht door de sonde minder is dan 20 ppm vol hexaan.

  • 3 Een instrument met een O₂-kanaal moet zijn uitgevoerd met een voorziening die verouderen van de sensor automatisch detecteert.

§ 11.4. Justeringen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.11.12 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Voor zover het instrument is voorzien van een voor de gebruiker toegankelijke justering moet deze justering plaatsvinden door middel van een semi-automatische justeerinrichting waarmee uitsluitend een nulstelling kan plaatsvinden.

  • 2 Indien bij een instrument, uitgevoerd met een automatische of semi-automatische justeerinrichting, justering noodzakelijk is, mag geen meting mogelijk zijn alvorens de juiste justeringen zijn uitgevoerd.

  • 3 Zowel bij een automatische als semi-automatische justeerinrichting is een signalering toegestaan voor een noodzaak tot justering.

  • 4 Als tijdelijke voorwaarde als bedoeld in artikel 1.6, vierde lid, geldt dat een instrument moet worden gejusteerd met een gecertificeerd kalibratiegas met een interval gelijk aan de helft van de periode die op grond van artikel 1.13, vijfde lid, door de aanbieder bij het typeonderzoek wordt opgegeven als beoogd justeerinterval.

    Deze tijdelijke voorwaarde wordt omgezet in een definitieve voorwaarde op basis van een onderzoek zoals bedoeld in artikel 1.6, vierde lid verricht aan vijf verzegelde instrumenten geplaatst in een representatieve gebruikssituatie. Het onderzoek vindt plaats door middel van een aantal op vaste tijdsafstanden uitgevoerde controles gedurende een periode waarin alle in het onderzoek betrokken instrumenten aan de eisen voor de maximale fout onder bedrijfsomstandigheden voldoen, doch ten hoogste gedurende een periode gelijk aan het beoogde justeerinterval. Het aantal controles is gelijk aan het aantal maanden van het beoogde justeerinterval met een minimum van drie controles.

  • 5 Indien bij dit onderzoek gedurende het beoogde justeerinterval blijkt dat:

    • a. alle in het onderzoek betrokken instrumenten aan de eisen voor de maximale fout onder bedrijfsomstandigheden voldoen wordt het definitieve justeerinterval vastgesteld op het beoogde justeerinterval;

    • b. één of meer instrumenten niet voldoen aan de eisen voor de maximale fout onder gebruiksomstandigheden blijft het tijdelijk vastgestelde justeerinterval zoals bedoeld in lid 4 van kracht tenzij één of meer instrumenten reeds binnen de periode van dit tijdelijk vastgestelde justeerinterval niet aan deze eisen voldoen. In dit geval wordt een nieuw tijdelijk vastgesteld justeerinterval van kracht gelijk aan de helft van de periode waarin alle instrumenten aan deze eisen bleken te voldoen. In elk geval wordt hierna een nieuw onderzoek uitgevoerd overeenkomstig het vierde lid echter voor een beoogd justeerinterval gelijk aan het gehele aantal maanden waarvoor alle instrumenten in het voorgaande onderzoek aan de eisen voor de maximale fout onder bedrijfsomstandigheden bleken te voldoen.

§ 11.5. Gecertificeerd kalibratiegas [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.11.13 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Gecertificeerd kalibratiegas moet voldoen aan de volgende eisen:

    Het gasmengsel moet bestaan uit de volgende componenten in draaggas N₂:

Mengsel 1

CO

3,5% vol

CO-2

14% vol

C-3 H-8

2000 ppm vol

Mengsel 2

CO

0,5% vol

CO₂

4% vol

C-3 H-8

200 ppm vol

De nominale waarde mag ten hoogste 15% afwijken van de genoemde concentraties. De maximale relatieve fout in de opgegeven concentraties bedraagt 2% voor de concentratie van C₃H₈ in mengsel 2 en 1% voor de overige concentraties.

  • 2 Een gecertificeerd kalibratiegas moet zijn vervaardigd door een ingevolge artikel 2.11 erkende inrichting.

  • 3 Een fles met gecertificeerd kalibratiegas moet zijn voorzien van een certificaat waarop tenminste de samenstelling, de datum van vervaardiging en de naam van de ingevolge artikel 2.11 erkende inrichting is vastgelegd.

§ 11.6. Overgangsbepalingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.11.14 [Vervallen per 01-05-2009]

Uitlaatgastesters in gebruik genomen vóór 1 januari 1998:

  • a. die voldoen aan de eisen voor eerste keuring ingevolge paragraaf 9 van dit hoofdstuk, en

  • b. die de berekening van de lambda-waarde kunnen uitvoeren overeenkomstig artikel 3.11.8, achtste lid, en

  • c. die volgens opgave van de fabrikant of leverancier voldoet aan de OIML R99, nauwkeurigheidsklasse 1,

doch waarvan niet door middel van een aanvullend onderzoek is vastgesteld dat het desbetreffende type voldoet aan de in deze paragraaf gestelde eisen, mogen na 30 juni 1998 nog slechts worden gebruikt voor voertuigen welke niet zijn voorzien van een katalysator en lambdasonde. Deze uitlaatgastesters moeten blijven voldoen aan de in paragraaf 9 van dit hoofdstuk gestelde eisen.

Hoofdstuk 4. Slotbepalingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 4.1 [Vervallen per 01-05-2009]

De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 30 september 1996, nr. HW/RV 225467, Hoofddirectie van de Waterstaat, houdende voorschriften gesteld aan meetmiddelen gebruikt ten behoeve van de controle van de in hoofdstuk 5 van het Voertuigreglement gestelde eisen (Voorschriften meetmiddelen 1996) (Stcrt. 200), wordt ingetrokken.

Artikel 4.2 [Vervallen per 01-05-2009]