Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Kleine serie-regeling[Regeling vervallen per 01-05-2009.]

Geldend van 09-11-2006 t/m 30-04-2009

Regeling houdende eisen en wijze van keuren van voertuigen die in een kleine serie worden vervaardigd

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 2.2 van het Voertuigreglement;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemeen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 1 [Vervallen per 01-05-2009]

Deze regeling is van toepassing op de typegoedkeuring van motorrijtuigen die in een kleine serie als bedoeld in artikel 8 van richtlijn 70/156/EEG worden vervaardigd en op de typegoedkeuring van motorfietsen en driewielige motorrijtuigen die in een kleine serie als bedoeld in artikel 15, vierde lid, onderdeel b, van richtlijn 92/61/EEG worden vervaardigd.

Artikel 1a [Vervallen per 01-05-2009]

Onder de vermelding in deze regeling van een EG-richtlijn wordt verstaan hetgeen daaronder wordt begrepen in artikel 1.1a van het Voertuigreglement, met inbegrip van de ingevolge artikel 1.7, eerste lid, van het Voertuigreglement bekendgemaakte wijzigingen. Artikel 1.7, tweede lid, van het Voertuigreglement is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Per jaar wordt voor een familie van typen als bedoeld in richtlijn 70/156/EEG, bijlage XII, onderdeel A, die op grond van deze regeling zijn goedgekeurd, een kenteken opgegeven voor ten hoogste:

    • a. vijfhonderd personenauto’s;

    • b. honderd bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg;

    • c. honderd bedrijfsautochassis met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg;

    • d. vijfentwintig bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg;

    • e. vijfentwintig bedrijfsautochassis met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg.

  • 2 Per jaar wordt voor ten hoogste honderd voertuigen van een type voertuig als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van richtlijn 92/61/EEG, die op grond van deze regeling zijn goedgekeurd, een kenteken opgegeven.

Artikel 3 [Vervallen per 01-05-2009]

Hoofdstuk 2. Personenauto's [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 4 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Personenauto’s zijn voor toelating tot het verkeer op de weg voorzien van een Nederlandse typegoedkeuring. Richtlijn 70/156/EEG is niet van toepassing.

  • 3 Artikel 3.2.12, eerste lid, Voertuigreglement

    • a. In plaats van het overleggen van een goedkeuringscertificaat of een testrapport mag de fabrikant de ingevolge richtlijn 70/221/EEG voorgeschreven beproevingen uitvoeren.

    • b. De ingevolge richtlijn 70/221/EEG voorgeschreven beproeving, anders dan de druk- en kanteltest van een brandstofreservoir van kunststof, mag worden vervangen door een verklaring van de fabrikant van die kunststof, dat:

      • 1°. de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 70/221/EEG, en

      • 2°. de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.

  • 4 Artikel 3.2.15 Voertuigreglement

    De voorschriften betreffende geluiddempers die vezelig geluiddempend materiaal bevatten, bedoeld in bijlage I, punt 5.3.1.1 tot en met 5.3.1.3.8 van richtlijn 70/157/EEG, zijn niet van toepassing indien de gemeten waarde voor het geluidsniveau tenminste 1 dB(A) lager is dan in richtlijn 70/157/EEG, bijlage I, in de tabel volgens punt 5.2.2.1 voor het desbetreffende voertuig is aangegeven.

  • 5 Artikel 3.2.16, eerste lid, Voertuigreglement

    De proeven worden niet uitgevoerd indien blijkt dat de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem overeenkomen met de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem van een motorrijtuig dat voldoet aan de eisen van hoofdstuk 3, afdeling 2 van het Voertuigreglement. De referentiemassa van dat laatste motorrijtuig mag niet kleiner zijn dan de massa van de personenauto waarvoor goedkeuring wordt gevraagd.

  • 13 Artikel 3.2.29, eerste lid, Voertuigreglement

    • a. De voorruit moet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.

    • b. De voorruiten en zijruiten mogen geen beeldvertekening tonen.

    • c. Indien geen rechterbuitenspiegel is gemonteerd, mag de achterruit geen beeldvertekening vertonen.

    • d. Het materiaal van de ruiten van personenauto’s moet bestaan uit gehard glas, gelaagd glas of kunststof, dan wel:

      • 1°. het moet ten minste even doorzichtig zijn als gewoon glas, en

      • 2°. het moet bij breuk minder kans geven op ernstige verwondingen dan bij breuk van gewoon glas.

    • e. Het overigens bepaalde in richtlijn 92/22/EEG is niet van toepassing.

  • 14 Artikel 3.2.30, eerste lid, Voertuigreglement

    • a. Personenauto’s met een voorruit zijn voorzien van een deugdelijke ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.

    • b. Personenauto’s moeten zijn uitgerust met ten minste één automatische ruitenwisser, dat wil zeggen een ruitenwisser die bij lopende voertuigmotor kan functioneren zonder enige andere tussenkomst van de bestuurder dan die welke voor het in- en uitschakelen van de ruitenwisserinstallatie nodig is.

    • c. De ruitenwisser moet ten minste twee wissnelheden hebben.

    • d. Een der wissnelheden moet gelijk zijn aan of meer bedragen dan 45 slagen per minuut. Onder slag wordt verstaan een volledige heen- en teruggaande beweging van de wisserarm.

    • e. Een andere wissnelheid moet ten minste 10 en ten hoogste 55 slagen per minuut bedragen.

    • f. Het verschil tussen de hoogste wissnelheid en ten minste een van de laagste wissnelheden, moet ten minste 15 slagen per minuut bedragen.

    • g. Wanneer de ruitenwisser wordt uitgeschakeld met de bedieningsschakelaar moeten de wisserarmen automatisch in de ruststand terugkeren.

    • h. Personenauto’s met een voorruit zijn voorzien van een deugdelijke ruitensproeier-installatie die tenminste het gehele wisvlak van de ruitenwissers bereikt. De opgesproeide vloeistof wordt binnen niet meer dan twee volledige passages van de ruitenwissers van het gehele wisvlak weggewist.

    • i. Het bepaalde in richtlijn 78/318/EEG is niet van toepassing.

  • 16 Artikel 3.2.32, eerste en tweede lid, Voertuigreglement

    In afwijking van het hieromtrent bepaalde in richtlijn 71/127/EEG en richtlijn 2003/97/EG, mag door een persoon van gemiddelde gestalte die op gebruikelijke wijze is gezeten op de voor hem in de juiste rijstand gestelde bestuurderszitplaats, worden beoordeeld of wordt voldaan aan de vereiste gezichtsvelden op de weg.

    Bij de beoordeling van het gezichtsveld van een spiegel moet de positie van het hoofd van de beoordelaar ten opzichte van de spiegel onveranderd blijven.

  • 19 Artikel 3.2.35, eerste lid, Voertuigreglement

    • a. Personenauto’s moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij een ongeval voldoen aan de volgende eisen:

      • 1°. richtlijn 74/60/EEG, bijlage I, paragraaf 5, met uitzondering van de punten 5.1.2 en 5.7.1.2 alsmede met uitzondering van de tweede zinsnede van punt 5.2.3.1, die luidt: ‘bovendien moet dit oppervlak bestaan uit of zijn bekleed met een materiaal dat de stootkracht kan opnemen, zoals omschreven in bijlage III, waarbij als trefinrichting de horizontale lengterichting dient te worden gekozen’;

      • 2°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat geen deel van het oppervlak van het stuurwiel dat naar de bestuurder is gericht en geraakt kan worden door een bol met een diameter van 165 mm, een ruw oppervlak of scherpe kanten bevat met een krommingsstraal geringer dan 2,5 mm;

      • 3°. Het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat het geen delen of accessoires, met inbegrip van de bedieningsinrichting van de geluidssignaalinrichting en andere bedieningsinrichtingen, omvat, waaraan de bestuurder met zijn kleding of sieraden kan blijven vastzitten bij een normale besturing van het voertuig;

      • 4°. De stuurinrichting moet zodanig zijn geconstrueerd dat als gevolg van een frontale botsing als bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, de achterwaartse verplaatsing van het stuurwiel als bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, wordt gereduceerd;

      • 5°. Het stuurwiel moet voldoen aan de proef met het proefhoofd overeenkomstig Richtlijn 74/297/EEG, Bijlage I, punt 5.3.

    • b. Het overigens bepaalde in de richtlijnen 74/60/EEG en 74/297/EEG is niet van toepassing.

  • 20 Artikel 3.2.35, derde lid, Voertuigreglement

    • a. Personenauto’s moeten voor wat betreft de inrichting, de sterkte en de bevestiging van de naar voren gerichte zitplaatsen voldoen aan het volgende:

      • 1°. voor zover aanwezig moet elk verstel - en verplaatsingssysteem van een automatisch vergrendelsysteem zijn voorzien;

      • 2°. Het bedieningsorgaan voor het ontgrendelen van een verplaatsingssysteem moet aan de buitenkant van de zitplaats, dicht bij de deur, zijn aangebracht. Het moet gemakkelijk bereikbaar zijn, ook voor de passagier op de zitplaats onmiddellijk achter de betrokken zitplaats;

      • 3°. De stoelen en zitbanken moeten stevig aan het voertuig zijn bevestigd;

      • 4°. Verschuifbare stoelen en zitbanken moeten in elke voorziene stand automatisch zijn vergrendeld;

      • 5°. Verstelbare rugleuningen moeten in elke voorziene stand kunnen worden vergrendeld;

      • 6°. Scharnierbare stoelen en zitbanken alsmede scharnierbare rugleuningen van stoelen en zitbanken moeten in de normale stand automatisch zijn vergrendeld.

    • b. Personenauto’s moeten op iedere zijzitplaats voorin zijn voorzien van hoofdsteunen.

    • c. Hoofdsteunen:

      • 1°. moeten zodanig zijn bevestigd dat geen enkel vast en gevaarlijk gedeelte buiten de bekleding van de hoofdsteunen, de bevestiging van de hoofdsteunen en de rugleuning van de zitplaatsen kan uitsteken;

      • 2°. mogen in geen enkele gebruikstoestand gevaarlijke oneffenheden of scherpe kanten vertonen die het risico op of de ernst van verwondingen van inzittenden van het voertuig kunnen vergroten;

      • 3°. moeten de eigenschap bezitten energie te absorberen ter bescherming van het hoofd van inzittenden van het voertuig;

      • 4°. mogen geen bijkomende oorzaak van gevaar zijn voor de inzittenden van het voertuig.

    • d. Het overigens bepaalde in de richtlijnen 74/408/EEG en 78/932/EEG is niet van toepassing.

  • 23 Artikel 3.2.36, vijfde lid, Voertuigreglement,

    Het is toegestaan personenauto’s te voorzien van autogordels die zijn goedgekeurd voor een ander type voertuig dan waarvoor goedkeuring wordt gevraagd, indien:

    • a. in het in richtlijn 77/541/EEG, bijlage II, bedoelde goedkeuringsformulier dat ander type voertuig is vermeld,

    • b. de positie van de bevestigingspunten in het voertuig overeenstemt met de positie waarin de autogordels zijn goedgekeurd, en

    • c. de autogordels zijn aangebracht overeenkomstig de montagevoorschriften van de fabrikant van de autogordels.

  • 24 Artikel 3.2.37, eerste lid Voertuigreglement

    • a. Aan de buitenzijde van een personenauto bevindt zich geen enkel naar buiten gericht puntig, scherp of uitstekend deel met een zodanige vorm, afmeting, richting of hardheid dat het risico op of de ernst voor lichamelijk letsel van een persoon die bij een ongeval tegen het voertuig stoot of daardoor wordt geraakt, kan vergroten.

    • b. Het bepaalde in richtlijn 74/483 is niet van toepassing.

  • 29 Artikel 3.2.40 Voertuigreglement

    Voor de gemonteerde verlichting, lichtsignalen en onderdelen daarvan behoeven geen goedkeuringscertificaten te worden overgelegd.

  • 31 Artikel 3.2.54, eerste lid Voertuigreglement

    • a. De test bedoeld in bijlage I, punt 2, hoeft niet te worden uitgevoerd indien er zich geen obstakels aan de voorzijde van de gemonteerde geluidssignaalinrichting bevinden.

    • b. Voor de gemonteerde geluidssignaalinrichting behoeft geen goedkeuringscertificaat te worden overgelegd.

Hoofdstuk 3. Motorfietsen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 4a [Vervallen per 01-05-2009]

  • 4 Artikel 3.4.12 Voertuigreglement

    • a. In plaats van het overleggen van een goedkeuringscertificaat of een testrapport mag de fabrikant de ingevolge hoofdstuk 6 van richtlijn 97/24/EG voorgeschreven beproevingen uitvoeren.

    • b. De ingevolge richtlijn 97/24/EG voorgeschreven beproeving van een brandstofreservoir van kunststof, mag worden vervangen door een verklaring van de fabrikant van die kunststof, dat:

      • 1°. de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 97/24/EG; en

      • 2°. de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.

  • 5 Artikel 3.4.14 Voertuigreglement

    • a. Indien de elektronische onderdelen van de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem, het koelsysteem, het in- en uitlaatsysteem en de aandrijflijn overeenkomen met de elektronische onderdelen van de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem, het koelsysteem, het in- en uitlaatsysteem en de aandrijflijn van een motorrijtuig dat voldoet aan de eisen van hoofdstuk 3, afdelingen 2, 3, 4 of 5 van het Voertuigreglement, wordt de elektromagnetische breedbandstraling niet gemeten.

    • b. Bij de meting van de elektromagnetische smalbandstraling in het frequentiebereik van 30 tot 1000 MHz mag worden volstaan met het scannen van het frequentiebereik met behulp van een spectrumanalysator of automatische ontvanger, waarbij de referentiegrens niet mag worden overschreden.

  • 6 Artikel 3.4.15 Voertuigreglement

    De voorschriften betreffende geluiddempers die vezelig geluiddempend materiaal bevatten, bedoeld in hoofdstuk 9, bijlage III, punt 2.3.1.3.1 tot en met 2.3.1.4.3.5, van richtlijn 97/24/EG, zijn niet van toepassing indien de gemeten waarde voor het geluidsniveau tenminste 1 dB(A) lager is dan in richtlijn 97/24/EG, hoofdstuk 9, bijlage I, in de tweede kolom van de tabel voor het desbetreffende voertuig is aangegeven.

  • 7 Artikel 3.4.16 Voertuigreglement

    • a. De proef, bedoeld in hoofdstuk 5, bijlage II, onder punt 2.2.1.1.2, van richtlijn 97/24/EG, wordt eenmaal uitgevoerd indien de voorgeschreven grenswaarden, genoemd in de tabellen I en II niet worden overschreden.

    • b. Indien bij de proef, bedoeld in het eerste lid, de voorgeschreven grenswaarden worden overschreden, wordt de procedure, bedoeld in hoofdstuk 5, bijlage II, onder punt 3, van richtlijn 97/24/EG gevolgd, waarbij de beschreven grenswaarde niet mag worden overschreden.

    • c. De proef, bedoeld in het eerste lid, wordt niet uitgevoerd indien blijkt dat de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem overeenkomen met de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem van een motorrijtuig dat voldoet aan de eisen van hoofdstuk 3, afdelingen 2, 3, 4 of 5 van het Voertuigreglement.

  • 9 Artikel 3.4.18 Voertuigreglement

    • a. Richtlijn 95/1/EG is niet van toepassing op de wijze van meten van de door de constructie bepaalde maximumsnelheid en het maximumkoppel.

    • b. Richtlijn 95/1/EG is niet van toepassing op de wijze van meten van het netto maximum vermogen, tenzij het door de fabrikant opgegeven vermogen niet meer bedraagt dan 25 kW.

  • 14 Artikel 3.4.37, eerste lid, Voertuigreglement

    • a. Aan de buitenzijde van een motorfiets bevindt zich geen enkel naar buiten gericht puntig, scherp of uitstekend deel met een zodanige vorm, afmeting, richting of hardheid dat het risico op of de ernst van verwondingen van een persoon die bij een ongeval tegen het voertuig stoot of daardoor wordt geraakt, kan vergroten.

    • b. De uiteinden en buitenste randen van het koppelingshendel en het remhendel zijn afgerond, waarbij de kromtestraal minstens zeven mm bedraagt.

    • c. Het overige bepaalde in richtlijn 97/24/EG is niet van toepassing.

  • 16 Artikel 3.4.41, eerste lid, Voertuigreglement

    Voor de gemonteerde grote lichten, dimlichten, stadslichten, richtingaanwijzers, achterlichten, remlichten, de installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat en de niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig behoeven geen goedkeuringscertificaten te worden overgelegd.

  • 19 Artikel 3.4.57 Voertuigreglement

    • a. Een motorfiets op twee wielen is voorzien van ten minste één standaard ten behoeve van de stabiliteit in de parkeerstand.

    • b. Het bepaalde omtrent de stabiliteitsproef en de proefprocedure in richtlijn 93/31/EEG is niet van toepassing.

Hoofdstuk 4. Driewielige motorrijtuigen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 4b [Vervallen per 01-05-2009]

  • 3 Artikel 3.5.12, eerste lid, Voertuigreglement

    • a. In plaats van het overleggen van een goedkeuringscertificaat of een testrapport mag de fabrikant de ingevolge hoofdstuk 6 van richtlijn 97/24/EG voorgeschreven beproevingen uitvoeren.

    • b. De ingevolge richtlijn 97/24/EG voorgeschreven beproeving van een brandstofreservoir van kunststof, mag worden vervangen door een verklaring van de fabrikant van die kunststof, dat:

      • 1°. de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 97/24/EG; en

      • 2°. de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.

  • 4 Artikel 3.5.14 Voertuigreglement

    • a. Indien de elektronische onderdelen van de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem, het koelsysteem, het in- en uitlaatsysteem en de aandrijflijn overeenkomen met de elektronische onderdelen van de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem, het koelsysteem, het in- en uitlaatsysteem en de aandrijflijn van een motorrijtuig dat voldoet aan de eisen van hoofdstuk 3, afdelingen 2, 3, 4 of 5 van het Voertuigreglement, wordt de elektromagnetische breedbandstraling niet gemeten.

    • b. Bij de meting van de elektromagnetische smalbandstraling in het frequentiebereik van 30 tot 1000 MHz mag worden volstaan met het scannen van het frequentiebereik met behulp van een spectrumanalysator of automatische ontvanger, waarbij de referentiegrens niet mag worden overschreden.

  • 5 Artikel 3.5.15 Voertuigreglement

    De voorschriften betreffende geluiddempers die vezelig geluiddempend materiaal bevatten, bedoeld in hoofdstuk 9, bijlage III, punt 2.3.1.3.1 tot en met 2.3.1.4.3.5 van richtlijn 97/24/EG, zijn niet van toepassing indien de gemeten waarde voor het geluidsniveau tenminste 1 dB(A) lager is dan in richtlijn 97/24/EG, hoofdstuk 9, bijlage I, in de tweede kolom van de tabel voor het desbetreffende voertuig is aangegeven.

  • 6 Artikel 3.5.16 Voertuigreglement

    • a. De proef, bedoeld in hoofdstuk 5, bijlage II, onder punt 2.2.1.1.2, van richtlijn 97/24/EG, wordt eenmaal uitgevoerd indien de voorgeschreven grenswaarden, genoemd in de tabellen I en II niet worden overschreden.

    • b. Indien bij de proef, bedoeld in het eerste lid, de voorgeschreven grenswaarden worden overschreden, wordt de procedure, bedoeld in hoofdstuk 5, bijlage II, onder punt 3, van richtlijn 97/24/EG gevolgd, waarbij de beschreven grenswaarde niet mag worden overschreden.

    • c. De proef, bedoeld in het eerste lid, wordt niet uitgevoerd indien blijkt dat de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem overeenkomen met de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem van een motorrijtuig dat voldoet aan de eisen van hoofdstuk 3, afdelingen 2, 3, 4 of 5 van het Voertuigreglement.

  • 7

Artikel 3.5.17, eerste lid, Voertuigreglement
  • a. Het driewielige motorrijtuig wordt beproefd bij een snelheid van 50 km/h.

  • b. Punt 2.3.3 van de bijlage van richtlijn 2000/7/EG is niet van toepassing.

  • c. De snelheidsmeting mag plaatsvinden met inachtneming van richtlijn 97/24/EG, hoofdstuk 9, bijlage III, punt 2.1.2.2.

  • 9 Artikel 3.5.29, eerste lid, Voertuigreglement

    • a. De voorruiten in een driewielig motorrijtuig voorzien van een carrosserie belemmeren niet het directe en indirecte gezichtsveld van de bestuurder, bedoeld in artikel 2.9.3 van de Regeling permanente eisen.

    • b. Het goedkeuringsmerk en het goedkeuringscertificaat mogen worden vervangen door een verklaring van de fabrikant dat het materiaal en de door de fabrikant gebruikte methode om de ruit vorm te geven, overeenkomen met goedkeuringen die betrekking hebben op reeds eerder door de fabrikant gebruikt materiaal en gebruikte vormgevingsmethode.

  • 10 Artikel 3.5.30 Voertuigreglement

    • a. Driewielige motorrijtuigen met een voorruit zijn voorzien van een deugdelijke ruitenwisserinstallatie die de bestuurder voldoende uitzicht geeft.

    • b. Driewielige motorrijtuigen met een voorruit zijn voorzien van een deugdelijke ruitensproeierinstallatie die tenminste het gehele wisvlak van de ruitenwissers bereikt. De opgesproeide vloeistof wordt binnen niet meer dan twee volledige passages van de ruitenwissers van het gehele wisvlak weggewist.

    • c. Het overige bepaalde in richtlijn 97/24/EG is niet van toepassing.

  • 11 Artikel 3.5.31 Voertuigreglement

    • a. Driewielige motorrijtuigen met een voorruit zijn voorzien van een deugdelijke installatie ter ontdooiing en ontwaseming van de voorruit, die tenminste het directe en indirecte zichtveld, bedoeld in artikel 2.9.3 van de Regeling permanente eisen, van de bestuurder bereikt.

    • b. Het overige bepaalde in richtlijn 97/24/EG is niet van toepassing.

  • 15 Artikel 3.5.36, zesde lid, Voertuigreglement

    Driewielige motorrijtuigen mogen zijn voorzien van autogordels die zijn goedgekeurd voor een ander type voertuig dan waarvoor goedkeuring wordt gevraagd, indien:

    • a. in het goedkeuringscertificaat bedoeld in richtlijn 97/24/EG, bijlage XI, dat andere type voertuig wordt vermeld;

    • b. de positie van de bevestigingspunten in het voertuig waarvoor goedkeuring wordt gevraagd overeenstemt met de positie van het voertuig waarin de autogordels zijn goedgekeurd; en

    • c. de autogordels zijn aangebracht overeenkomstig de montagevoorschriften van de fabrikant van de autogordels.

  • 16 Artikel 3.5.37, eerste lid, Voertuigreglement

    • a. Aan de buitenzijde van een driewielig motorrijtuig bevindt zich geen enkel naar buiten gericht puntig, scherp of uitstekend deel met een zodanige vorm, afmeting, richting of hardheid dat het risico op of de ernst van verwondingen van een persoon die bij een ongeval tegen het voertuig stoot of daardoor wordt geraakt, kan vergroten.

    • b. De uiteinden en buitenste randen van het koppelingshendel en het remhendel van een driewielig motorrijtuig zonder carrosserie zijn afgerond, waarbij de kromtestraal ten minste zeven mm bedraagt.

    • c. Het overige bepaalde in richtlijn 97/24/EG is niet van toepassing.

  • 18 Artikel 3.5.41, eerste lid, Voertuigreglement

    Voor de gemonteerde grote lichten, dimlichten, stadslichten, richtingaanwijzers, achterlichten, remlichten, de installatie ter verlichting van de aan de achterzijde van het voertuig aangebrachte kentekenplaat en de niet-driehoekige rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig behoeven geen goedkeuringscertificaten te worden overgelegd.

Hoofdstuk 5. Bedrijfsauto’s [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 4c [Vervallen per 01-05-2009]

  • 3 Artikel 3.3.12, eerste lid, Voertuigreglement

    • a. In plaats van het overleggen van een goedkeuringscertificaat of een testrapport mag de fabrikant de ingevolge richtlijn 70/221/EEG voorgeschreven beproevingen uitvoeren.

    • b. De ingevolge richtlijn 70/221/EEG voorgeschreven beproeving, anders dan de druk- en kanteltest van een brandstofreservoir van kunststof, mag worden vervangen door een verklaring van de fabrikant van die kunststof, dat:

      • 1°. de kunststof voldoet aan de eisen uit richtlijn 70/221/EEG, en

      • 2°. de kunststof reeds eerder is toegepast in soortgelijke constructies waar vergelijkbare eisen aan zijn gesteld.

  • 4 Artikel 3.3.15 Voertuigreglement

    De voorschriften betreffende geluiddempers die vezelig geluiddempend materiaal bevatten, bedoeld in bijlage I, punt 5.3.1.1 tot en met 5.3.1.3.8 van richtlijn 70/157/EEG, zijn niet van toepassing indien de gemeten waarde voor het geluidsniveau tenminste 1 dB(A) lager is dan in richtlijn 70/157/EEG, bijlage I, in de tabel volgens punt 5.2.2.1 voor het desbetreffende voertuig is aangegeven.

  • 5 Artikel 3.3.16, eerste lid, Voertuigreglement

    • a. Indien het voertuig wordt getoetst volgens het bepaalde in richtlijn 70/220/EEG en de referentiemassa is ten hoogste 2840 kg, worden de proeven niet uitgevoerd indien blijkt dat de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem overeenkomen met de motor, de ontstekingsinrichting, het brandstofsysteem en het in- en uitlaatsysteem van een motorrijtuig dat voldoet aan de eisen van hoofdstuk 3, afdelingen 2 of 3 van het Voertuigreglement. De referentiemassa van dat laatste motorrijtuig mag niet kleiner zijn dan de ledige massa van de bedrijfsauto waarvoor goedkeuring wordt gevraagd.

    • b. In afwijking van onderdeel a mogen mobiele kranen met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg naar keuze voldoen aan richtlijn 2005/55/EG of richtlijn 97/68/EG.

  • 10 Artikel 3.3.25, eerste lid, Voertuigreglement

    • a. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, moeten voldoen aan richtlijn 70/311/EEG, bijlage I, punt 4.1 en punt 4.2.4.1.1, met uitzondering van de testen bedoeld in punt 4.1.1, 4.1.3 en 4.1.5.

    • b. Voor mobiele kranen met een toegestane maximum massa van meer dan 12000 kg, is krabbengang toegestaan.

    • c. Het overige bepaalde in richtlijn 70/311/EEG is op bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg niet van toepassing.

  • 13 Artikel 3.3.29, eerste lid, Voertuigreglement

    • a. De voorruit moet voldoen aan het bepaalde in richtlijn 92/22/EEG.

    • b. De voorruiten en zijruiten mogen geen beeldvertekening tonen.

    • c. Indien er bij het voor vervoer van goederen bestemde bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg geen rechterbuitenspiegel is gemonteerd, mogen de achterruiten geen beeldvertekening veroorzaken waardoor de bestuurder kan worden gehinderd.

    • d. Het materiaal van de ruiten van bedrijfsauto’s moet bestaan uit gehard glas, gelaagd glas of kunststof, dan wel:

      • 1°. het moet ten minste even doorzichtig zijn als gewoon glas, en

      • 2°. het moet bij breuk minder kans geven op ernstige verwondingen dan bij breuk van gewoon glas.

    • e. Het overige bepaalde in richtlijn 92/22/EEG is niet van toepassing.

  • 18 Artikel 3.3.35, eerste lid, Voertuigreglement

    • a. Bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 1500 kg, moeten voor wat betreft de bescherming van de inzittenden bij een ongeval voldoen aan de volgende eisen:

      • 1°. de stuurinrichting moet zodanig zijn geconstrueerd dat als gevolg van een frontale botsing de achterwaartse verplaatsing van het stuurwiel wordt gereduceerd;

      • 2°. Het stuurwiel moet voldoen aan de proef met het proefhoofd bedoeld in richtlijn 74/297/EEG, bijlage I, punt 5.3;

      • 3°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat geen deel van het oppervlak van het stuurwiel dat naar de bestuurder is gericht en geraakt kan worden door een bol met een diameter van 165 mm, een ruw oppervlak of scherpe kanten bevat met een krommingsstraal geringer dan 2,5 mm, en

      • 4°. het stuurwiel moet zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en bevestigd dat het geen delen of accessoires, met inbegrip van de bedieningsinrichting van de geluidssignaalinrichting en andere bedieningsinrichtingen, omvat, waaraan de bestuurder met zijn kleding of sieraden kan blijven vastzitten bij een normale besturing van het voertuig.

    • b. Het overige bepaalde in richtlijn 74/297/EEG is niet van toepassing.

  • 19 Artikel 3.3.35, tweede lid, Voertuigreglement

    • a. De bepalingen van richtlijn 74/408/EEG omtrent de wijze van keuren van bevestiging van de stoelen, zijn niet op bussen van toepassing.

    • b. Hoofdsteunen van bedrijfsauto’s met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg:

      • 1°. moeten zodanig zijn bevestigd dat geen enkel vast en gevaarlijk gedeelte buiten de bekleding van de hoofdsteunen, de bevestiging van de hoofdsteunen en de rugleuning van de zitplaatsen kan uitsteken;

      • 2°. mogen in geen enkele gebruikstoestand gevaarlijke oneffenheden of scherpe kanten vertonen die het risico op of de ernst van verwondingen van inzittenden van het voertuig kunnen vergroten;

      • 3°. moeten de eigenschap bezitten energie te absorberen ter bescherming van het hoofd van inzittenden van het voertuig, en

      • 4°. mogen geen bijkomende oorzaak van gevaar zijn voor de inzittenden van het voertuig.

  • 21 Artikel 3.3.36, vijfde lid, Voertuigreglement

    Het is toegestaan bedrijfsauto’s te voorzien van autogordels die zijn goedgekeurd voor een ander type voertuig dan waarvoor goedkeuring wordt gevraagd, indien:

    • a. de positie van de bevestigingspunten in het voertuig overeenstemt met de positie waarin de autogordels zijn goedgekeurd;

    • b. de autogordels zijn aangebracht overeenkomstig de montagevoorschriften van de fabrikant van de autogordels, en

    • c. voor autogordels met specifieke eigenschappen de geschiktheid wordt aangetoond.

  • 22 Artikel 3.3.37, eerste lid, Voertuigreglement

    • a. Uitstekende delen die niet meer dan 5 mm uitsteken, zijn afgerond.

    • b. Uitstekende delen die meer dan 5 mm uitsteken moeten zijn afgerond met een kromtestraal van ten minste 2,5 mm.

    • c. In afwijking van de onderdelen a en b:

      • 1°. hebben roosterdelen een kromtestraal van ten minste 2,5 mm indien de afstand tussen aangrenzende delen meer dan 40 mm bedraagt, ten minste 1 mm indien de afstand 25 mm tot 40 mm bedraagt en ten minste 0,5 mm indien de afstand minder dan 25 mm bedraagt;

      • 2°. zijn naar buiten gerichte stijve vlakken van bumpers afgerond met een kromtestraal van ten minste 5 mm;

      • 3°. zijn de randen van treeplanken en treden afgerond, en

      • 4°. hebben randen van aan de zijkanten aangebrachte lucht- en regendeflectoren en vuilwerende luchtdeflectoren aan de ruiten die naar buiten kunnen worden gericht, een kromtestraal van ten minste 1 mm hebben.

    • d. Buitenspiegels en hun bevestiging, evenals accessoires zoals antennes en bagagerekken worden buiten beschouwing gelaten.

    • e. Het bepaalde in richtlijn 92/114/EEG is niet van toepassing.

  • 28 Artikel 3.3.40 Voertuigreglement

    Voor de gemonteerde verlichting, lichtsignalen en onderdelen daarvan behoeven geen goedkeuringscertificaten te worden overgelegd.

  • 31 Artikel 3.3.54 Voertuigreglement

    • a. De test bedoeld in bijlage I, punt 2, hoeft niet te worden uitgevoerd indien er zich geen obstakels aan de voorzijde van de gemonteerde geluidssignaalinrichting bevinden.

    • b. Voor de gemonteerde geluidssignaalinrichting behoeft geen goedkeuringscertificaat te worden overgelegd.

Hoofdstuk 6. Wijze van keuren [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De wijze waarop de keuring wordt verricht is voor zover mogelijk gelijk aan de wijze waarop dit voor de betreffende artikelen van het Voertuigreglement is bepaald.

  • 2 In de gevallen waarin gebruik wordt gemaakt van reeds op grond van een desbetreffende richtlijn goedgekeurde voertuigonderdelen, uitrustingsstukken of voorzieningen ter bescherming van bestuurders en passagiers, wordt nagegaan of de betrokken voertuigonderdelen, uitrustingsstukken of voorzieningen ter bescherming van bestuurders en passagiers in overeenstemming zijn met die waarvoor de goedkeuring is verleend en of de goedkeuring haar geldigheid niet heeft verloren. Indien in de betreffende richtlijn bijzondere voorwaarden zijn gesteld die met de goedkeuring verband houden, moet worden aangetoond dat aan deze voorwaarden wordt voldaan.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 6 [Vervallen per 01-05-2009]

De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 5 december 1994, nr. RV 187532, houdende eisen en wijze van keuren van voertuigen die in een kleine serie worden vervaardigd (Stcrt. 244), wordt ingetrokken.

Artikel 7 [Vervallen per 01-05-2009]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 8 [Vervallen per 01-05-2009]

Deze regeling wordt aangehaald als: Kleine serie-regeling.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink

Bijlage bij artikel vier, twaalfde lid. [Vervallen per 01-05-2009]

Eisen aan het gezichtveld van de bestuurder van personenauto’s

Artikel 1 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1. De definities van richtlijn 77/649/EEG zijn van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de definitie van ’de Punten V’

  • 2. Onder ’punt V’ wordt verstaan: het punt waarvan de plaats in de passagiersruimte wordt bepaald in relatie tot de verticale langsvlakken door de middelpunten van de meest buitenwaarts ontworpen zitplaatsen van de voorstoelen en gerelateerd aan punt R en de ontwerphoek van de rugleuning.

Artikel 2 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1. Het doorzichtige gedeelte van de voorruit moet ten minste de volgende niveaupunten van de voorruit omvatten, zoals weergegeven in figuur 1:

    • a. een ’horizontaal niveaupunt’ dat is gelegen vóór punt V en 14° naar links bij voertuigen met links geplaatst stuur dan wel vóór punt V en 14° naar rechts bij voertuigen met rechts geplaatst stuur;

    • b. een ’bovenste verticaal niveaupunt’ gelegen vóór punt V en 3° boven het horizontale vlak;

    • c. een ’onderste verticaal niveaupunt’ gelegen vóór punt V en 5° onder het horizontale vlak.

  • 2. Het doorzichtige gedeelte van de voorruit moet tevens ten minste de in het eerste lid genoemde niveaupunten omvatten, die zijn gespiegeld ten opzichte van het middenlangsvlak van het voertuig.

Bijlage 37693.png

A = 68 mm

B = 5 mm

C = 627 mm

(1) Tracé van het middenlangsvlak

(2) Tracé van het verticale vlak door punt R

(3) Tracé van het verticale vlak door punt V

Figuur 1. Driedimensioneel referentiesysteem en bepaling van het punt V en de niveaupunten van de voorruit [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1. De afschermingshoek door elke A-stijl, zoals weergegeven in figuur 2, mag, gemeten in het horizontale vlak door punt V, niet meer bedragen dan 6°.

  • 2. Een personenauto mag niet meer dan twee A-stijlen bevatten.

Bijlage 37694.png

1 = Afschermingshoek door de A-stijl aan de zijde van de bestuurder

2 = Afschermingshoek door de A-stijl aan de zijde van de passagier

Figuur 2. Afschermingshoek door elke A-stijl [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 4 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1. In het gezichtsveld van de bestuurder naar voren over 180°, onder een horizontaal vlak door punt V en boven drie vlakken door punt V, waarvan één vlak is gelegen loodrecht op het vlak X-Z en voorwaarts 4° hellend onder het horizontale vlak en waarvan de beide andere vlakken zijn gelegen loodrecht op het vlak Y-Z en 4° naar beneden hellend onder het horizontale vlak, zoals weergegeven in figuur 3, mag geen andere afscherming ontstaan dan die afscherming welke wordt teweeggebracht door:

    • a. de A-stijlen;

    • b. de verdeelstijlen van vaste of beweegbare ventilatie- of zijraampjes;

    • c. aan de buitenzijde van het voertuig geplaatste radioantennes;

    • d. achteruitkijkspiegels;

    • e. ruitewissers, alsmede

    • f. de in richtlijn 77/649/EEG, bijlage I, punt 5.1.3. als niet-belemmerend voor het gezichtsveld aangemerkte geleiders.

  • 2. In het gezichtsveld van de bestuurder mag afscherming ontstaan door de buitenrand van het stuurwiel en het instrumentenpaneel aan de binnenzijde van het stuurwiel, indien een vlak door punt V, dat is gelegen loodrecht op het vlak X-Z en dat het bovenste gedeelte van de buitenrand van het stuurwiel raakt, voorwaarts tenminste 1° onder een horizontaal vlak door punt V helt.

Bijlage 37695.png

Figuur 3. Afscherming in het rechtstreekse gezichtsveld van de bestuurder naar voren over 180° [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5. wijze van keuren [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1. Het voertuig wordt aan de hand van het referentiesysteem en de ontwerpstand in de juiste positie geplaatst.

  • 2. De positie van punt H wordt bepaald volgens de procedure omschreven in richtlijn 77/649/EEG, bijlage III.

  • 3. De positie van punt R wordt gelijkgesteld aan de positie van punt H.

  • 4. De positie van punt V ten opzichte van punt R, zoals aangegeven door de coördinaten XYZ van het driedimensionale referentiesysteem, is weergegeven in de tabellen I en II.

  • 5. Tabel I geeft de fundamentele coördinaten voor een ontwerprugleuninghoek van 25°. De positieve richting voor de coördinaten is weergegeven in figuur 1.

  • 6. Tabel II geeft de waarden aan waarmee de coördinaten X en Z van punt V moeten worden gecorrigeerd indien de ontwerprugleuninghoek ongelijk is aan 25°. De positieve richting van de coördinaten is aangegeven in figuur 1.

  • 7. Proeven om na te gaan of aan de eisen wordt voldaan kunnen onder meer het gebruik omvatten van theodolieten, lichtbronnen of schaduwapparatuur dan wel van andere methoden waarvan de gelijkwaardigheid wordt aangetoond.

Positie van punt V [Vervallen per 01-05-2009]

  X Y Z

Punt V

68 mm

5 mm

627 mm

Tabel II Correctie voor ontwerprugleuninghoeken die ongelijk zijn aan 25° [Vervallen per 01-05-2009]

Rugleuning hoek (in°) Horinzontale coördinaten Δ X Verticale coördinaten Δ Z Rugleuning hoek (in°) Horizontale coördinaten Δ X Verticale coördinaten Δ Z

5

- 186 mm

28 mm

23

- 18 mm

5 mm

6

- 177 mm

27 mm

24

- 9 mm

3 mm

7

- 167 mm

27 mm

25

0 mm

0 mm

8

- 157 mm

27 mm

26

9 mm

- 3 mm

9

- 147 mm

26 mm

27

17 mm

- 5 mm

10

- 137 mm

25 mm

28

26 mm

- 8 mm

11

- 128 mm

24 mm

29

34 mm

- 11 mm

12

- 118 mm

23 mm

30

43 mm

- 14 mm

13

- 109 mm

22 mm

31

51 mm

- 18 mm

14

- 99 mm

21 mm

32

59 mm

- 21 mm

15

- 90 mm

20 mm

33

67 mm

- 24 mm

16

- 81 mm

18 mm

34

76 mm

- 28 mm

17

- 72 mm

17 mm

35

84 mm

- 32 mm

18

- 62 mm

15 mm

36

92 mm

- 35 mm

19

- 53 mm

13 mm

37

100 mm

- 39 mm

20

- 44 mm

11 mm

38

108 mm

- 43 mm

21

- 35 mm

9 mm

39

115 mm

- 48 mm

22

- 26 mm

7 mm

40

123 mm

- 52 mm