Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling toelatingseisen[Regeling vervallen per 01-05-2009.]

Geldend van 21-04-2007 t/m 30-04-2009

Regeling houdende vaststelling toelatingseisen voertuigen op basis van hoofdstuk 3 van het Voertuigreglement

DE MINISTER VAN VERKEER EN WATERSTAAT,

Gelet op artikel 22, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 alsmede hoofdstuk 3 van het Voertuigreglement;

BESLUIT:

Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 1.1 [Vervallen per 01-05-2009]

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. druk:

de overdruk uitgedrukt in bar (1 bar = 100 kPa);

b. gasregeleenheid:

doseerklep of verdeelhuis: de eenheid die de benodigde hoeveelheid gas, onder druk, naar het inspuitstuk regelt of verdeelt;

c. inspuitstuk:

inspuitventiel of injector: de eenheid die de benodigde hoeveelheid gas, al dan niet in vloeibare vorm, onder druk aan de inlaatlucht van de motor toevoegt;

d. gasdichte behuizing:

de behuizing die ervoor zorgt dat de daarin bevindende CNG-onderdelen en verbindingen gasdicht van de personen- of laadruimte worden afgesloten: deze behuizing kan o.a. in de vorm van een kast of hoes zijn uitgevoerd;

e. gasmengstuk:

het invoerstuk dat in het inlaatkanaal van de motor wordt geplaatst en het gas mengt met de inlaatlucht;

f. RDW:

Dienst Wegverkeer;

g. elektronische controle-eenheid:

eenheid die de LPG- dan wel CNG-hoeveelheid regelt en die automatisch de spanning op de afsluitkleppen van het LPG- dan wel CNG-systeem onderbreekt bij breuk van de brandstoftoevoerleiding of bij het uitzetten van de motor;

h. overdrukvoorziening:

voorziening die ervoor zorgt dat gasvormig LPG dan wel CNG wordt afgeblazen ter voorkoming van het barsten van de tank tengevolge van een brand (Pressure Relief Device, PRD);

i. veerveiligheid:

veergestuurde veiligheidsklep die de druk in de tank limiteert door het afblazen van gasvormig LPG dan wel CNG (Pressure Relief Valve, PRV);

j. service-aansluiting:

aansluiting in de brandstofleiding tussen de LPG-tank en de motor ten behoeve van het aansluiten van een extra LPG-tank indien de brandstof is opgeraakt.

Artikel 1.2 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 2 Het eerste lid geldt niet voor de in hoofdstuk 7 van deze regeling vermelde EEG-richtlijnen en ECE-Reglementen.

Hoofdstuk 2. Algemene wijze van keuren [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 2.1 [Vervallen per 01-05-2009]

De toelatingseisen opgenomen in hoofdstuk 3, afdelingen 2 tot en met 7, van het Voertuigreglement alsmede in de hoofdstukken 3 tot en met 11 van deze regeling worden getoetst op de wijze zoals bepaald in de artikelen 2.2 en 2.3 en voor zover van toepassing op de wijze zoals voorgeschreven bij de desbetreffende toelatingseis in deze regeling.

Artikel 2.2 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien het voertuig of betrokken onderdeel moet voldoen aan het bepaalde in een EEG-richtlijn, ECE-Reglement of een andere met name genoemde norm, moet worden nagegaan of het overgelegde goedkeuringscertificaat haar geldigheid niet heeft verloren en is afgegeven voor het voertuig of onderdeel waarvoor goedkeuring wordt gevraagd dan wel moeten de beproevingen die in de desbetreffende EEG-richtlijn, ECE-Reglement of norm zijn beschreven, worden uitgevoerd.

  • 2 Indien het voertuig of betrokken onderdeel moet voldoen aan andere eisen dan bepaald in een EEG-richtlijn, ECE-Reglement of een andere met name genoemde norm, moeten terzake documentatie of berekeningen van de betrokken fabrikant worden overgelegd. Door de RDW kan daarnaast een visuele of auditieve controle, een simulatie of een rijproef worden uitgevoerd, en moeten, indien dit noodzakelijk is voor een goede beoordeling, onderdelen worden gedemonteerd.

  • 3 Voor de vaststelling van afmetingen moet een meetmiddel van voldoende bereik worden gebruikt, die ten minste voldoet aan het bepaalde in de EEG – IJkbeschikking lengtematen van 30 mei 1978, nr. 678/364 WJA (Stcrt. 1978, 117), voor meetmiddelen van de nauwkeurigheidsklasse II.

  • 4 Voor de vaststelling van massa's en aslasten van voertuigen moet geijkte weegapparatuur worden gebruikt.

  • 5 Voor wat betreft de richtlijnen 70/221/EEG en 89/297/EEG wordt in afwijking van het gestelde in het eerste lid omtrent het uitvoeren van beproevingen indien geen goedkeuringscertificaat aanwezig is, bij voertuigen in gebruik genomen vóór 1 januari 1996 de vereiste beproeving achterwege gelaten. In dit geval wordt door de RDW slechts een visuele controle uitgevoerd.

  • 6 Het bepaalde in het vijfde lid geldt niet voor scharnierbare of gedeelde stootbalken dan wel laadbakklepconstructies die tevens fungeren als stootbalk.

Artikel 2.3 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Behoudens het bepaalde in artikel 2.2 vindt de keuring met betrekking tot de onderstaande artikelen of leden van artikelen van hoofdstuk 3 van het Voertuigreglement tevens plaats op de navolgende wijze:

    • a. artikel 3.5.7:

      indien het stuurwiel verstelbaar is uitgevoerd moet bij de meting worden uitgegaan van de meest naar de achterzijde van het voertuig gelegen stand van het stuurwiel;

    • b. artikelen 3.3.6, tweede lid, 3.3.8 en 3.7.6, tweede lid:

      een rijproef of een gesimuleerde rijproef moet worden uitgevoerd dan wel een berekening vindt plaats. In geval van een aanhangwagen moet dit geschieden met een passend trekkend motorrijtuig.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, is niet van toepassing:

    • a. op opleggers:

      • uitgevoerd met uitsluitend één starre as en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het hart van de as niet meer bedraagt dan 8,20 m,

      • uitgevoerd met uitsluitend meerdere starre assen en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het meetkundige midden van de voorste en achterste as van het samenstel van assen niet meer bedraagt dan 8,20 m,

      • uitgevoerd met een combinatie van één starre as en één of meer gestuurde of zelfsturende assen en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het hart van de starre as niet meer bedraagt dan 8,20 m,

      • uitgevoerd met een combinatie van meerdere starre assen en één of meer gestuurde of zelfsturende assen en waarvan de afstand van het hart van de koppelingspen tot het meetkundige midden van de voorste en achterste as van het samenstel van starre assen niet meer bedraagt dan 8,20 m;

    • b. indien:

      • bij hefbare assen in zowel geheven als in niet geheven positie de in de onderdeel a genoemde afstanden niet worden overschreden, en

      • de gestuurde en zelfsturende assen voldoende meesturen.

  • 3 Met betrekking tot het bepaalde in het tweede lid wordt onder een starre as verstaan een as waarvan de wielen niet gestuurd of zelfsturend zijn.

Hoofdstuk 3. Algemene bouwwijze van het voertuig [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 3.1 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Middenasaanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 12.000 kg moeten voor wat betreft de dynamische verticale last onder de koppeling voldoen aan de in artikel 3.2 gestelde eisen.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de koppeling behoort tot een overeenkomstig richtlijn 94/20/EEG goedgekeurd type.

Artikel 3.2 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De dynamische verticale last C (kg) op het trekoog van de middenasaanhangwagen wordt berekend met de volgende formule:

    C = M

    i² + h²

    waarbij:

    i² =

    L² + H²

    i² + h² + a²

    12

    M = toegestane maximum massa van de middenasaanhangwagen (kg)

    L = uitwendige lengte opbouw/lading (m)

    H = uitwendige hoogte opbouw/lading (m)

    a = horizontale afstand hart trekoog tot hart as (stel) (m)

    h = verticale afstand hart trekoog tot zwaartepunt beladen aanhangwagen (m)

    Voor h moet standaard 1,60 m worden aangehouden, uitgaande van een zwaartepuntshoogte van het beladen voertuig boven het wegdek van 2,00 m en een hoogte van het trekoog van 0,40 m boven het wegdek.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde waarde C mag niet meer bedragen dan de maximum toegestane verticale dynamische last van de toegepaste koppelingsonderdelen zoals in de desbetreffende typegoedkeuring van de koppelingsonderdelen is vastgelegd.

Hoofdstuk 4. Afmetingen en massa's [Vervallen per 01-05-2009]

Afdeling 1. De toegestane maximum last onder de as of assen [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1.1. De toegestane maximum last onder de as of assen van bedrijfsauto's en aanhangwagens die na 31 december 1994 in gebruik zijn genomen en ten aanzien waarvan in het Voertuigreglement geen eisen zijn opgenomen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 4.1 [Vervallen per 01-05-2009]

De last onder de as of assen van bedrijfsauto's die na 31 december 1994 in gebruik zijn genomen en ten aanzien waarvan in het Voertuigreglement geen eisen zijn opgenomen mag niet meer bedragen dan:

  • a. de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum last,

  • b. voor voertuigen met een asstel met drie achter elkaar gelegen assen:

    • indien de onderlinge afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,30 m, 7.000 kg per as;

    • indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 8.000 kg per as;

    • de onder 2 vermelde maximale aslasten mogen, indien het een aangedreven as betreft, worden verhoogd tot:

      • a. 10.000 kg indien slechts één as van het asstel is aangedreven;

      • b. 9.000 kg indien twee assen van het asstel zijn aangedreven,

      waarbij de last onder het asstel niet meer mag bedragen dan 24.000 kg te zamen;

    • indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 9.000 kg per as mits het asstel is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering;

    • de onder 4 vermelde maximale aslasten mogen, indien het een aangedreven as betreft die is voorzien van banden in dubbele montage, worden verhoogd tot:

      • a. 11.500 kg indien slechts één as van het asstel is aangedreven,

      • b. 9.500 kg indien twee assen van het asstel zijn aangedreven,

      waarbij de last onder het asstel niet meer mag bedragen dan 27.000 kg te zamen.

Artikel 4.2 [Vervallen per 01-05-2009]

De last onder de assen van aanhangwagens in gebruik genomen na 31 december 1994, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, mag niet meer bedragen dan 24.000 kg te zamen indien het betreft aanhangwagens met een asstel bestaande uit:

Bijlage 48817.png
Figuur 1 Aslijn en enkele as

§ 1.2. De toegestane maximum last onder de as of assen van bedrijfsauto's alsmede aanhangwagens die in gebruik zijn genomen vóór 1 januari 1995 [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 4.3 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De last onder de as of assen van bedrijfsauto's in gebruik genomen vóór 1 januari 1995 mag niet meer bedragen dan:

    • a. de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum last;

    • b. voor enige as: 10.000 kg voor een niet-aangedreven as en 11.500 kg voor een aangedreven as;

    • c. voor voertuigen met een asstel met twee niet-aangedreven assen:

      • indien de onderlinge afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,00 m, 11.000 kg te zamen,

      • indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16.000 kg te zamen,

      • indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 18.000 kg te zamen;

    • d. voor voertuigen met een asstel met twee assen waarvan 1 of 2 assen zijn aangedreven:

      • indien de onderlinge afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,00 m, 11.500 kg te zamen,

      • indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16.000 kg te zamen,

      • indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m:

        • a. 18.000 kg te zamen,

        • b. 19.000 kg te zamen indien de aangedreven as is voorzien van banden in dubbele montage alsmede van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering,

        • c. 19.000 kg te zamen indien beide aangedreven assen zijn voorzien van banden in dubbele montage, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 9500 kg.

    • e. voor voertuigen met een asstel met drie achter elkaar gelegen assen:

      • indien de onderlinge afstand tussen de assen minder bedraagt dan 1,30 m, 7.000 kg per as;

      • indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 8.000 kg per as;

      • de onder 2 vermelde maximale aslasten mogen, indien het een aangedreven as betreft, worden verhoogd tot:

        • a. 10.000 kg indien slechts één as van het asstel is aangedreven;

        • b. 9.000 kg indien twee assen van het asstel zijn aangedreven, waarbij de last onder het asstel niet meer mag bedragen dan 24.000 kg te zamen;

      • indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 9.000 kg per as mits het asstel is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering;

      • de onder 4 vermelde maximale aslasten mogen, indien het een aangedreven as betreft die is voorzien van banden in dubbele montage, worden verhoogd tot:

        • a. 11.500 kg indien slechts één as van het asstel is aangedreven,

        • b. 9.500 kg indien twee assen van het asstel zijn aangedreven, waarbij de last onder het asstel niet meer mag bedragen dan 27.000 kg te zamen.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag de last onder enige as van een rijdend werktuig niet meer bedragen dan:

    • a. voor de bruikbaarheid als werktuig noodzakelijk is,

    • b. de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum last, en

    • c. 12.000 kg per as.

  • 3 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel c en d, onder 2, mag de last onder een asstel met twee achter elkaar gelegen enkele assen van bedrijfsauto's die vóór 1 mei 1993 in gebruik zijn genomen, niet meer bedragen dan 18.000 kg te zamen, indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,20 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m.

Artikel 4.4 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De last onder de as of assen van aanhangwagens in gebruik genomen vóór 1 januari 1995 mag niet meer bedragen dan:

    • a. de door de fabrikant van het voertuig opgegeven toegestane maximum last;

    • b. voor enige as: 10.000 kg;

    • c. voor aanhangwagens met een asstel met twee achter elkaar gelegen enkele assen, indien de onderlinge afstand tussen de assen:

      • minder bedraagt dan 1,00 m, 11.000 kg te zamen,

      • 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 16.000 kg te zamen,

      • 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 18.000 kg te zamen;

    • d. voor aanhangwagens met een asstel met drie achter elkaar gelegen enkele assen, indien de onderlinge afstanden tussen de assen:

      • 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 24.000 kg te zamen,

      • 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 27.000 kg te zamen, mits het asstel is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering;

    • e. voor aanhangwagens met een meervoudige asconstructie bestaande uit drie achter elkaar gelegen enkele assen:

      • indien de afstand van de meest naar voren gelegen as tot de dichtstbij zijnde erachter gelegen as 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m en de meest naar achteren gelegen as op een afstand is gelegen van 1,80 m of meer tot de dichtstbij zijnde ervoor gelegen as, 26.000 kg te zamen;

      • indien de afstand van de meest naar voren gelegen as tot de dichtstbij zijnde erachter gelegen as 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m en de meest naar achteren gelegen as op een afstand is gelegen van 1,80 m of meer tot de dichtstbij zijnde ervoor gelegen as, 28.000 kg te zamen, mits het samenstel van assen is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering en de meest naar achteren gelegen as is gestuurd;

      • indien de onderlinge afstanden tussen de assen 1,80 m of meer bedraagt, 30.000 kg, waarbij ten minste één van de assen van het samenstel van assen is gestuurd;

    • f. voor aanhangwagens met een asstel met vier achter elkaar gelegen enkele assen, indien de onderlinge afstanden tussen de assen:

      • 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 32.000 kg te zamen,

      • 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 36.000 kg te zamen, mits het asstel is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering, waarbij ten minste één van de assen van het asstel is gestuurd;

    • g. voor aanhangwagens met een meervoudige asconstructie bestaande uit vier achter elkaar gelegen enkele assen:

      • indien de afstanden tussen de voorste drie assen 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m en de meest naar achteren gelegen as op een afstand is gelegen van 1,80 m of meer tot de dichtstbij zijnde ervoor gelegen as, 34.000 kg te zamen, mits het samenstel van assen is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering,

      • indien de afstanden tussen de voorste drie assen 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m en de meest naar achteren gelegen as op een afstand is gelegen van 1,80 m of meer tot de dichtstbij zijnde ervoor gelegen as, 37.000 kg te zamen, mits het samenstel van assen is voorzien van gasvering of van in het kader van de Europese Gemeenschappen als gelijkwaardig aangemerkte vering;

      • indien de onderlinge afstanden tussen de assen 1,80 m of meer bedraagt, 40.000 kg, waarbij ten minste één van de assen van het samenstel van assen is gestuurd;

    • h. voor aanhangwagens met twee in elkaars verlengde gelegen enkele assen, 13.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 7000 kg;

    • i. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met een aslijn als bedoeld in onderdeel h, 16.000 kg, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8000 kg;

    • j. voor aanhangwagens met twee achter elkaar gelegen aslijnen als bedoeld in onderdeel h, waarbij de onderlinge afstand tussen de aslijnen:

      • minder bedraagt dan 1,00 m, 13.000 kg te zamen,

      • 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, 17.000 kg te zamen,

      • 1,30 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 21.000 kg te zamen, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6.500 kg;

    • k. voor aanhangwagens, bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading, met twee achter elkaar gelegen aslijnen als bedoeld onder h, waarbij de onderlinge afstand tussen de aslijnen:

      • minder bedraagt dan 1,00 m, 32.000 kg te zamen,

      • 1,00 m of meer bedraagt maar minder dan 1,80 m, 32.000 kg te zamen, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 8.000 kg;

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel c, mag de last onder een asstel met twee achter elkaar gelegen enkele assen van aanhangwagens die vóór 1 mei 1993 in gebruik zijn genomen, niet meer bedragen dan 18.000 kg te zamen, indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,20 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m.

  • 3 In afwijking van het eerste lid, onderdeel j, mag de last onder een asstel met twee achter elkaar gelegen aslijnen als bedoeld in het eerste lid, onderdeel h, van aanhangwagens die vóór 1 mei 1993 in gebruik zijn genomen, niet meer bedragen dan 21.000 kg te zamen, indien de onderlinge afstand tussen de assen 1,20 m of meer bedraagt maar minder dan 1,30 m, waarbij de last onder ieder der assen niet meer mag bedragen dan 6500 kg.

Artikel 4.5 [Vervallen per 01-05-2009]

De last onder de assen van aanhangwagens in gebruik genomen vóór 1 januari 1995 bestemd voor het vervoer van ondeelbare lading mag niet meer bedragen dan 24.000 kg te zamen indien het een asstel betreft bestaande uit:

Bijlage 48818.png
Figuur 2 Aslijn en enkele as

Afdeling 2. Regels met betrekking tot de toegestane maximum bestreken baan van rijdende werktuigen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 4.6 [Vervallen per 01-05-2009]

Rijdende werktuigen moeten voor wat betreft de bestreken baan voldoen aan de in de onderstaande tabel vermelde maximum waarden:

Aantal assen Max. straal cirkel Max. bestreken baan

2 of 3

12,50 m

7,20 m

4

14,50 m

7,20 m

5 of 6

16,50 m

7,50 m

7

16,50 m

8,00 m

8 of meer

16,50 m

8,50 m

Hoofdstuk 5. Motor [Vervallen per 01-05-2009]

Afdeling 1. Eisen LPG [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.1 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Het brandstofsysteem van personenauto's, bedrijfsauto's, motorfietsen en driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een motor die wordt gevoed door LPG, moet voldoen aan het bepaalde in ECE-Reglement nr. 67-01.

  • 2 Bij wijziging van de motorbrandstof van een personenauto, bedrijfsauto, motorfiets of driewielig motorrijtuig als bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, van het Voertuigreglement in LPG, moet het brandstofsysteem, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, ten aanzien van de LPG-onderdelen voldoen aan het gestelde in paragraaf 1.1 en op de in paragraaf 1.2 voorgeschreven wijze zijn aangebracht, of voldoen aan en zijn aangebracht overeenkomstig ECE-Reglement nr. 115.

§ 1.1. Eisen toelating LPG-onderdelen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.2 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De volgende LPG-onderdelen moeten voldoen aan het bepaalde in ECE-Reglement nr. 67-01:

    • a. de LPG-tank;

    • b. de 80 %-vulklep voorzien van terugslagklep;

    • c. de niveau-indicator;

    • d. de veerveiligheid;

    • e. de automatische afnameklep voorzien van doorstroombegrenzer;

    • f. de gasdichte kast;

    • g. de verdamper/drukregelaar, al dan niet gecombineerd;

    • h. de automatische afsluitklep;

    • i. de flexibele slang die wordt toegepast in een gedeelte waar de druk hoger is dan 0,2 bar;

    • j. de vulaansluiting;

    • k. de terugslagklep;

    • l. de leidingontlastklep;

    • m. de LPG-brandstofpomp;

    • n. de gasregeleenheid;

    • o. het inspuitstuk;

    • p. de LPG-filtereenheid, met uitzondering van de LPG-filtereenheid die in de LPG-tank wordt gemonteerd;

    • q. de druk- of temperatuursensor;

    • r. de overdrukvoorziening;

    • s. de spanning-doorvoerbus ten behoeve van de voeding van de brandstofpomp of het vloeistofniveau;

    • t. de elektronische controle-eenheid;

    • u. de service-aansluiting.

  • 2 De tankappendages, genoemd in het eerste lid, onderdeel b tot en met e en de appendage, genoemd in het eerste lid, onderdeel s, kunnen met elkaar zijn gecombineerd tot een mutiklep.

  • 3 De automatische afsluitklep kan zijn gecombineerd met de verdamper/drukregelaar.

Artikel 5.3 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de LPG-brandstofpomp in de LPG-tank is aangebracht moeten het identificatiemerk van de LPG-brandstofpomp en de aanduiding `PUMP INSIDE' op de identificatieplaat van de LPG-tank zijn ingeslagen.

Artikel 5.4 [Vervallen per 26-08-2001]

Artikel 5.5 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

  • 3 De beoordeling van het gestelde in artikel 5.2, derde lid vindt plaats aan de hand van de informatie vermeld op het goedkeuringscertificaat van de verdamper/drukregelaar.

§ 1.2. Inbouwvoorschriften LPG-brandstofsysteem [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1.2.1. Algemeen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.6 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een LPG-installatie moet tenminste zijn voorzien van de volgende onderdelen:

    • a. een LPG-tank;

    • b. een 80%-vulklep voorzien van terugslagklep;

    • c. een niveau-indicator;

    • d. een veerveiligheid;

    • e. een automatische afnameklep voorzien van doorstroombegrenzer;

    • f. een verdamper/drukregelaar, al dan niet gecombineerd;

    • g. een automatische afsluitklep;

    • h. een vulaansluiting;

    • i. gasleidingen en -slangen;

    • j. gasvoerende verbindingen tussen de LPG-onderdelen;

    • k. een inspuitstuk dan wel gasmengstuk;

    • l. een elektronische controle-eenheid, indien het motorrijtuig na 31 december 2001 in gebruik is genomen, en

    • m. een overdrukvoorziening.

  • 2 De volgende onderdelen kunnen tevens deel uitmaken van de LPG-installatie:

    • a. een gasdichte kast die de tankappendages omsluit;

    • b. een terugslagklep;

    • c. een leidingontlastklep;

    • d. een gasregeleenheid;

    • e. een LPG-filtereenheid;

    • f. een druk-of temperatuursensor;

    • g. een LPG-brandstofpomp;

    • h. een spanningdoorvoerbus voor de LPG-tank;

    • i. een service aansluiting;

    • j. een brandstofselektiesysteem en elektrisch systeem;

    • k. een brandstofverdeelblok (fuel rail).

  • 3 De tankappendages, genoemd in het eerste lid, onderdelen b tot en met e, en de appendage, genoemd in het tweede lid, onder h, mogen met elkaar zijn gecombineerd indien ze als combinatie zijn goedgekeurd.

  • 4 De automatische afsluitklep mag zijn gecombineerd met de verdamper/drukregelaar indien het goedkeuringscertificaat van de verdamper/drukregelaar dit vermeldt.

  • 5 In het gedeelte van de LPG-installatie waar de druk lager is dan 0,2 bar mogen extra onderdelen ten behoeve van het goed functioneren van de motor worden aangebracht.

Artikel 5.7 [Vervallen per 01-05-2009]

Een LPG-onderdeel waarop paragraaf 1.1 van deze afdeling van toepassing is, moet zijn voorzien van een in bijlage 1, onder 1, opgenomen goedkeuringsmerk.

Artikel 5.8 [Vervallen per 01-05-2009]

De onderdelen van de LPG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de LPG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.

Artikel 5.9 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Alle onderdelen van de LPG-installatie moeten deugdelijk zijn bevestigd.

  • 2 De LPG-installatie mag geen lekkage vertonen.

Artikel 5.10 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De LPG-installatie moet zodanig zijn aangebracht dat deze zo goed mogelijk is beschermd tegen beschadigingen, zoals beschadigingen die kunnen worden veroorzaakt door aanrijdingen, bewegende voertuigdelen, steenslag, boomtakken of als gevolg van het laden of lossen van het motorrijtuig dan wel het verschuiven van de lading.

  • 2 Geen enkel onderdeel van de LPG-installatie inclusief eventueel beschermend materiaal dat deel uitmaakt van het desbetreffende onderdeel mag buiten de zijdelingse contouren van het motorrijtuig uitsteken, met uitzondering van de vulaansluiting mits deze ten opzichte van de plaats van bevestiging niet meer dan 10 mm uitsteekt.

  • 3 Met uitzondering van de LPG-tank mogen, gezien in elke dwarsdoorsnede van het motorrijtuig, geen onderdelen van de LPG-installatie inclusief eventueel beschermend materiaal dat deel uitmaakt van het desbetreffende onderdeel, aan de onderzijde van de voertuigconstructie uitsteken, tenzij binnen een straal van 150 mm een deel van het voertuig lager is gelegen.

  • 4 Alle LPG-onderdelen waarop paragraaf 1.1 van deze afdeling van toepassing is, moeten zodanig zijn aangebracht dat ze controleerbaar zijn en dat de identificatiemerken leesbaar zijn, met uitzondering van de controle van de LPG-brandstofpomp indien deze in de LPG-tank is aangebracht. In dit geval moeten het identificatiemerk van de LPG-brandstofpomp en de aanduiding `PUMP INSIDE' op de identificatieplaat van de LPG-tank zijn ingeslagen.

Artikel 5.11 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Gasleidingen en -slangen die in de personenruimte of in de gesloten laadruimte van het voertuig aanwezig zijn, mogen niet langer zijn dan noodzakelijk is om vanuit de LPG-tank één van beide zijkanten van het voertuig te bereiken.

  • 2 In de personenruimte of gesloten laadruimte mogen geen gasvoerende verbindingen aanwezig zijn met uitzondering van:

    • a. de verbindingen in de gasdichte kast, en

    • b. de verbinding tussen gasleiding of -slang en de vulaansluiting indien deze verbinding is voorzien van een omkapseling die bestand is tegen LPG en in open verbinding staat met de buitenlucht.

  • 3 Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing indien het een bus betreft en de gasleidingen of -slangen zijn voorzien van een omkapseling die bestand is tegen LPG en in open verbinding staat met de buitenlucht.

Artikel 5.12 [Vervallen per 01-05-2009]

Geen deel van de LPG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel afdoende tegen hitte is beschermd.

Artikel 5.13 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Op de LPG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het motorrijtuig.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mogen bussen zijn voorzien van een verwarmingsinstallatie die is aangesloten op de LPG-installatie en bedoeld is voor het verwarmen van de personenruimte.

  • 3 De in het tweede lid genoemde verwarmingsinstallatie moet naar het oordeel van de RDW voldoende zijn beveiligd en mag de vereiste werking van de normale LPG-installatie niet benvloeden.

Artikel 5.14 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Bussen die zijn voorzien van een LPG-installatie moeten zijn voorzien van een herkenningsteken volgens bijlage 3.

  • 2 Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.

Artikel 5.15 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De LPG-installatie moet zijn voorzien van een verklaring met bijbehorende detailtekening door of namens de fabrikant van het motorrijtuig, indien er sprake is van één of meer van de volgende situaties:

    • a. in de carrosseriebodem is een gat gemaakt, niet zijnde een gat in de bodemplaat van ten hoogste 150 bij 150 mm ten behoeve van een inspectieluikje dan wel doorvoergaten ten behoeve van leidingen en gaten voor de montage van de LPG-tank;

    • b. de carrosseriebodem is in ernstige mate vervormd waardoor de stijfheid en sterkte van de carrosserie is beïnvloed;

    • c. langs- of dwarsprofielen dan wel versterkingsdelen van de mee- of zelfdragende carrosserie zijn verwijderd die de stijfheid en sterkte van de carrosserie beïnvloeden;

    • d. het motorrijtuig is voorzien van een lastafhankelijke remkrachtregelaar en de vering is gewijzigd om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 5.19, eerste lid.

  • 2 Indien de LPG-tank op het dak van het motorrijtuig wordt aangebracht is een verklaring met bijbehorende detailtekening door of namens de fabrikant van het motorrijtuig vereist.

Artikel 5.16 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

    • a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,

    • b. met behulp van een middel dat lekkage aantoonbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld,

    • c. door in geval van twijfel te meten met een geschikt meetmiddel.

  • 2 De in artikel 5.10, derde lid, gestelde eis wordt beoordeeld met het voertuig in onbeladen toestand met behulp van een rei die horizontaal tegen de onderzijde van het voertuig wordt gehouden, waarbij de wielen niet en de LPG-tank wel als deel van de voertuigconstructie worden aangemerkt

§ 1.2.2. LPG-tank [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.17 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien, overeenkomstig het bepaalde in artikel 5.20, eerste lid, de LPG-tank is voorzien van een gasdichte kast, moet in de LPG-tank op een zodanige wijze een overdrukvoorziening zijn gemonteerd, dat deze kan afblazen in de gasdichte kast.

  • 2 De overdrukvoorziening kan zijn uitgevoerd als:

    • a. een temperatuurafhankelijke smeltplug,

    • b. een veerveiligheid,

    • c. een combinatie van de twee onderdelen, bedoeld onder a. en b., of

    • d. een andere technische oplossing die een gelijkwaardige technische prestatie levert.

  • 3 De tankappendages en de overdrukvoorziening moeten voor de LPG-tank specifiek zijn gedefinieerd in een bijlage bij het afgegeven ECE-certificaat van de LPG-tank.

Artikel 5.18 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De LPG-tank moet permanent aan het motorrijtuig zijn bevestigd en mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.

  • 2 De beproevingsdatum van de LPG-tank mag niet verder terug zijn gelegen dan 10 jaar.

  • 3 De LPG-tank moet in de juiste stand zijn gemonteerd overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant van de tank.

  • 4 De LPG-tank moet zodanig zijn bevestigd dat er geen metallisch contact bestaat, met uitzondering van de vaste bevestigingspunten aan de LPG-tank.

  • 5 De LPG-tank mag niet door corrosie zijn aangetast, met uitzondering van corrosie van het opppervlak.

  • 6 De LPG-tank mag geen deuken vertonen.

Artikel 5.19 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De LPG-tank mag in bedrijfsklare toestand van het motorrijtuig niet lager zijn gelegen dan 200 mm boven het wegdek.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien:

    • a. de LPG-tank aan de voorzijde en aan de zijkanten voldoende is beschermd door originele dragende delen welke tot de constructie van het motorrijtuig behoren, en geen deel van de tank lager dan die bescherming is gelegen, of

    • b. de LPG-tank in plaats van de oorspronkelijke brandstoftank is aangebracht en ten minste dezelfde hoogte boven het wegdek is aangehouden.

Artikel 5.20 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De LPG-tank moet zijn voorzien van een gasdichte kast die voldoet aan het bepaalde in artikel 5.2, indien deze in de personenruimte, de gesloten ruimte of de gesloten laadruimte is aangebracht.

  • 2 Indien de LPG-tank op een andere plaats is aangebracht dan genoemd in het eerste lid, moeten de tankappendages zijn beschermd tegen vuil en water.

Artikel 5.21 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De LPG-tank moet met de daartoe bestemde vaste bevestigingspunten dan wel met behulp van een tankframe en tankbanden aan het motorrijtuig worden aangebracht.

  • 2 De bevestiging van de LPG-tank moet zodanig zijn uitgevoerd dat de volgende acceleraties kunnen worden opgenomen zonder beschadigingen te veroorzaken wanneer de tank vol is:

    • a. voor personenauto's en bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, voor motorfietsen en voor driewielige motorrijtuigen,

      • -

        20 g in de rijrichting, en

      • -

        8 g in de horizontale richting dwars op de rijrichting;

    • b. voor personenauto's met een toegestane maximum massa van meer 3500 kg doch niet meer dan 5000 kg en voor bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg doch niet meer dan 12000 kg,

      • -

        10 g in de rijrichting, en

      • -

        5 g in de horizontale richting dwars op de rijrichting;

    • c. voor personenauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 5000 kg en voor bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 12000 kg,

      • -

        6,6 g in de rijrichting, en

      • -

        5 g in de horizontale richting dwars op de rijrichting.

  • 3 In het geval de LPG-tank op een andere plaats dan op het dak van het motorrijtuig is aangebracht wordt aan het bepaalde in het tweede lid voldaan indien de bevestiging aan het motorrijtuig:

    • a. bestaat uit ten minste vier bouten,

    • b. is voorzien van onderlegringen of -platen, in het geval het plaatwerk ter plaatse enkelvoudig is uitgevoerd, en

    • c. deze bouten en onderlegringen of -platen, uitgaande van materiaalsoort St 37 en bevestigingsbouten van klasse 8.8 ten minste voldoen aan de hieronder in tabel 1 aangegeven afmetingen.

  • 4 Ter plaatse van de bevestiging mogen geen samendrukbare stoffen aanwezig zijn, tenzij de bevestiging voldoet aan het bepaalde in het tweede lid.

Tabel 1

tankinhoud meer dan – tot en met

(in liter)

afmetingen onderlegringen of onderlegplaten

(in mm)

boutdiameter

(in mm)

– 100

rond 30 × 1,5

rond 25 × 2,5

8

100 – 150

rond 50 × 2

rond 30 × 3

10

150 –

constructie moet voldoen aan het bepaalde in het tweede lid

Artikel 5.22 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de LPG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt gemonteerd, moet tussen de LPG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.

Artikel 5.23 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de LPG-tank achter een zitplaats is aangebracht, moet in langsrichting van het motorrijtuig een vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn, die verdeeld mag zijn tussen de LPG-tank en de achterwand van het voertuig en tussen de LPG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.

Artikel 5.24 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien meer dan één LPG-tank op één afnameleiding is aangesloten, moet elke LPG-tank zijn voorzien van een terugslagklep die direct na de automatische afnameklep is gemonteerd en moet een leidingontlastklep na de terugslagklep in de afnameleiding zijn aangebracht.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid zijn een terugslagklep en leidingontlastklep niet noodzakelijk indien de terugstroomdruk van de automatische afnameklep in gesloten positie meer bedraagt dan 5 bar: in dit geval moet de schakeling van de automatische afnamekleppen zodanig zijn uitgevoerd dat de afnamekleppen niet gelijktijdig kunnen worden geopend.

Artikel 5.25 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

    • a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,

    • b. door in geval van twijfel te meten met een geschikt meetmiddel.

  • 3 De in artikel 5.18, derde lid, gestelde eis wordt beoordeeld aan de hand van documentatie van de fabrikant van de LPG-tank, tenzij de tank een merkteken draagt waaruit blijkt wat de juiste stand is.

  • 4 De in artikel 5.21, tweede lid, gestelde eis wordt beoordeeld aan de hand van een verklaring door of namens de voertuigfabrikant, of een berekening.

  • 5 Bij de beoordeling van de in artikel 5.23 gestelde eis moet de vrije ruimte zodanig worden gemeten dat de tank, op denkbeeldige wijze, over een afstand van ten minste 100 mm in langsrichting van het voertuig kan worden verplaatst.

  • 6 De in artikel 5.24, tweede lid, gestelde eis wordt beoordeeld aan de hand van documentatie van de fabrikant van de automatische afnameklep.

§ 1.2.3. Tankbanden [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.26 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de LPG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorrijtuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 5.27 tot en met 5.29 gestelde eisen.

Artikel 5.27 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De LPG-tank mag niet door middel van kabels zijn aangebracht.

  • 2 De LPG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankbanden tevens het gewicht van de LPG-tank dragen, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.

Artikel 5.28 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De tankbanden moeten voorkomen dat de LPG-tank kan gaan schuiven, draaien of losraken.

  • 2 Tussen de LPG-tank en de tankbanden moet beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.

  • 3 De tankbanden moeten de tankomtrek geheel of nagenoeg geheel omsluiten, waarbij het tankframe een gedeelte van de omsluiting vormen.

Artikel 5.29 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De LPG-tank die door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorrijtuig is bevestigd, mag zich nagenoeg niet verplaatsen wanneer de tank wordt onderworpen aan de acceleraties, genoemd in artikel 5.21.

  • 2 In het geval de LPG-tank op een andere plaats dan op het dak van het voertuig is aangebracht, wordt aan het bepaalde in het eerste lid voldaan indien:

    • a. de tankbanden, uitgaande van materiaalsoort St 37, en de bevestigingsbouten, uitgaande van klasse 8.8, ten minste voldoen aan de in tabel 2 aangegeven afmetingen, en

    • b. de LPG-tank in langsrichting van het motorrijtuig is aangebracht en aan de voorzijde van het tankframe een dwarsverbinding is aangebracht die:

      • ten minste dezelfde dikte heeft als het tankframe,

      • ten minste 30 mm hoog is waarbij de bovenzijde van de dwarsverbinding zich ten minste 30 mm boven de onderzijde van de tank moet bevinden en

      • zich zo dicht mogelijk dan wel binnen de bolling van de tank bevindt.

Tabel 2

tankinhoud meer dan – tot en met

(in liter)

afmetingen van de tankbanden

(in mm)

boutdiameter

(in mm)

– 85

20 × 3 of

29 × 1,5*

8

85 – 100

30 × 3

10

20 × 3**

8**

100 – 150

50 × 6

12

50 × 3***

10***

150 –

constructie moet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid

  • *) Een tankband met een afmeting van 29 × 1,5 mm moet zijn gemonteerd overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant van de tankband.

  • **) In dit geval moet de LPG-tank met ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.

  • ***) In dit geval moet de LPG-tank met ten minste vier tankbanden zijn aangebracht.

Artikel 5.30 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

    • a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,

    • b. door in geval van twijfel te meten met een geschikt meetmiddel.

  • 2 De in het artikel 5.29, eerste lid, gestelde eis wordt beoordeeld aan de hand van een berekening of beproeving waaruit moet blijken dat de betreffende bevestiging van voldoende sterkte is.

  • 3 Voor de toepassing van het bepaalde in artikel 5.29, tweede lid, onderdeel b, wordt onder de LPG-tank in langsrichting verstaan een tank waarvan de hartlijn is gelegen tussen 0° en 30° ten opzichte van het verticale mediaanlangsvlak van het motorrijtuig.

§ 1.2.4. Automatische afnameklep op de tank [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.31 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De automatische afnameklep moet direct, zonder tussenkomst van verbindingen, op de LPG-tank zijn aangebracht.

  • 2 De automatische afnameklep moet op een zodanige wijze zijn geschakeld dat bij het tot stilstand komen van de motor, ongeacht de stand van de contactschakelaar, deze afnameklep automatisch wordt gesloten en gesloten blijft indien de motor niet draait.

Artikel 5.32 [Vervallen per 01-05-2009]

De in artikel 5.31 gestelde eisen worden getoetst:

  • a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,

  • b. door het contact in te schakelen en te controleren of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens wordt de motor gestart waarna de handrem wordt aangetrokken en de hoogste versnelling wordt ingeschakeld. Met behulp van de koppeling de motor laten afslaan waarna de bekrachtiging moet wegvallen. Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op LPG wordt gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd waarna met het contact uitgeschakeld wordt gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen.

§ 1.2.5. Veerveiligheid in de tank [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.33 [Vervallen per 01-05-2009]

De veerveiligheid moet zodanig in de LPG-tank zijn aangebracht dat deze in de dampruimte uitmondt en in de buitenlucht kan afblazen, dan wel in de de gasdichte kast afblaast.

Artikel 5.34 [Vervallen per 01-05-2009]

De in artikel 5.33 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 1.2.6. De 80%-vulklep voorzien van terugslagklep [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.35 [Vervallen per 01-05-2009]

De 80%-vulklep, voorzien van een terugslagklep, moet geschikt zijn voor de LPG-tank waarin deze is aangebracht en in de juiste positie zijn geplaatst.

Artikel 5.36 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze paragraaf gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 1.2.7. Gasdichte kast op de tank [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.37 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De gasdichte kast moet, indien nodig door middel van een verbindingsslang en doorvoerstuk welke bestand zijn tegen LPG, rechtstreeks in open verbinding staan met de buitenlucht.

  • 2 De ventilatieopening van de gasdichte kast moet daar waar deze buiten het motorrijtuig uitmondt naar beneden zijn gericht, echter zodanig dat de opening niet in een wielkast uitmondt en niet is gericht op een warmtebron zoals de uitlaat.

  • 3 Een verbindingsslang en doorvoerstuk in de bodem van de carrosserie van het motorrijtuig ten behoeve van de ventilatie van de gasdichte kast moeten een doorstroomopening hebben van ten minste 450 mm²: indien in de verbindingsslang en in het doorvoerstuk een gasleiding of andersoortige leiding dan wel elektrische bedrading is aangebracht moet de doorstroomopening een oppervlakte behouden van ten minste 450 mm².

  • 4 De verbindingsslang moet zodanig door middel van een klemverbinding aan zowel de gasdichte kast als aan het doorvoerstuk zijn bevestigd dat deze een gasdichte verbinding vormt.

Artikel 5.38 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in artikel 5.37 gestelde eisen worden getoetst:

    • a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,

    • b. door in geval van twijfel te meten met een geschikt meetmiddel.

  • 2 Aan het bepaalde in artikel 5.37, derde lid, wordt voldaan indien de inwendige diameter 25 mm bedraagt met een tolerantie van + of – 0,3 mm.

§ 1.2.8. Gasleidingen en -slangen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.39 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De gasleiding moet zijn vervaardigd uit naadloos roestvast staal of naadloos koper.

  • 2 Indien gebruik wordt gemaakt van naadloos koper, moet de gasleiding zijn beschermd door een omhulsel van rubber of kunststof.

  • 3 Indien de gasleiding is vervaardigd uit naadloos koper, mag de buitendiameter niet meer bedragen dan 12 mm en de wanddikte niet minder dan 0,8 mm.

  • 4 Indien de gasleiding is vervaardigd uit roestvast staal, mag de buitendiameter niet meer bedragen dan 25 mm en moet de wanddikte voldoende zijn voor gebruik in een LPG-installatie.

  • 5 De gasleiding mag zijn vervangen door een flexibele slang indien deze slang voldoet aan het bepaalde in artikel 5.2.

  • 6 De fabricagedatum van de flexibele slangen die worden toegepast in een gedeelte waar de druk hoger is dan 0,2 bar mag niet verder terug zijn gelegen dan 1 jaar. Indien alleen het fabricagejaar is vermeld, wordt als fabricagedatum aangemerkt 31 december van dat jaar.

Artikel 5.40 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een gasleiding mag niet door middel van lassen of solderen dan wel met behulp van aluminium bevestigingsmiddelen zijn bevestigd.

  • 2 Een gasleiding moet zodanig zijn bevestigd dat deze niet onderhevig is aan trillingen of spanningen.

  • 3 Een flexibele slang moet zodanig zijn bevestigd dat deze niet onderhevig is aan spanningen.

Artikel 5.41 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De onderlinge afstand tussen de bevestigingspunten van een stalen gasleiding mag ten hoogste 0,60 m en van een koperen gasleiding of flexibele slang ten hoogste 0,40 m bedragen.

  • 2 De gasleiding of -slang moet ter plaatse van de bevestiging zijn voorzien van beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, tenzij de gasleiding al een beschermend omhulsel heeft.

Artikel 5.42 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een gasleiding of-slang mag over een lengte van ten hoogste 0,40 m door een kokerbalk worden geleid.

  • 2 Een gasleiding of-slang mag niet zijn gelegen ter plaatse van kriksteunen.

  • 3 De gasleiding of-slang, al dan niet voorzien van een beschermend omhulsel, moet daar waar zich een doorvoer bevindt zijn voorzien van beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof.

Artikel 5.43 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

  • a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt, en

  • b. door in geval van twijfel te meten met een geschikt meetmiddel.

§ 1.2.9. Gasvoerende verbindingen tussen de diverse LPG-onderdelen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.44 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Soldeer- of lasverbindingen alsmede snijringverbindingen zijn niet toegestaan.

  • 2 De verbinding van roestvast stalen gasleidingen mag uitsluitend geschieden door een fitting die is vervaardigd uit roestvast staal.

  • 3 De verbinding van koperen gasleidingen mag uitsluitend geschieden door een fitting die is vervaardigd uit corrosiebestendig materiaal.

  • 4 Een verdeelblok moet zijn vervaardigd uit corrosiebestendig materiaal.

Artikel 5.45 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een gasleiding moet door middel van een daartoe bestemde verbinding zijn aangesloten, voor stalen gasleidingen een geschikte knelringverbinding en voor koperen gasleidingen een dubbelconische ring of dubbele flens.

  • 2 Het aantal verbindingen moet tot een minimum beperkt blijven.

Artikel 5.46 [Vervallen per 01-05-2009]

De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht.

Artikel 5.47 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 1.2.10. Vulaansluiting [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.48 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De vulaansluiting moet geborgd zijn tegen verdraaiing en zijn beschermd tegen vuil en water.

  • 2 Indien de LPG-tank in de personenruimte, de gesloten ruimte of de gesloten laadruimte is gemonteerd, moet de vulaansluiting gepositioneerd zijn aan de buitenzijde van het voertuig.

Artikel 5.49 [Vervallen per 01-05-2009]

De in artikel 5.48 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.

§ 1.2.11. Automatische afsluitklep [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.50 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 In de gasleiding van de LPG-tank naar de verdamper/drukregelaar moet zo dicht mogelijk bij de verdamper/drukregelaar een automatische afsluitklep zijn aangebracht.

  • 2 De automatische afsluitklep mag deel uitmaken van de verdamper/drukregelaar.

  • 3 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag, indien er een retoursysteem bestaat tussen drukregelaar en LPG-tank, de automatische afsluiter op een door de fabrikant van de LPG-installatie aangewezen plaats in de motorruimte worden aangebracht.

Artikel 5.51 [Vervallen per 01-05-2009]

De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorrijtuig tevens is voorzien van een ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.

Artikel 5.52 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

  • a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,

  • b. door het contact in te schakelen en te controleren of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens wordt het contact uitgeschakeld en wordt gecontroleerd of de bekrachtiging wegvalt. Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op LPG gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd waarna met het contact uitgeschakeld wordt gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen.

§ 1.2.12. Elektrische voorzieningen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.53 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De elektrische voorzieningen van de LPG-installatie moeten zijn beveiligd tegen overbelasting waarbij ten minste in de voedingsleiding één afzonderlijke zekering moet zijn aangebracht.

  • 2 De zekering moet op een zodanige plaats zijn aangebracht dat deze zonder het gebruik van gereedschap bereikbaar is.

Artikel 5.54 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De elektrische stroom van LPG-onderdelen die tevens gasvoerend zijn mag niet via een gasleiding lopen.

  • 2 Alle elektrische onderdelen die zijn aangebracht in het gedeelte van de LPG-installatie waar de druk hoger is dan 0,2 bar moeten door middel van een aparte verbinding met de massa van het motorrijtuig zijn verbonden, met uitzondering van de LPG-brandstofpomp indien deze in de LPG-tank is aangebracht.

  • 3 De elektrische bedrading moet afdoende tegen beschadiging zijn beschermd.

Artikel 5.55 [Vervallen per 01-05-2009]

Bij motorrijtuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.

Artikel 5.56 [Vervallen per 01-05-2009]

De in de gasdichte kast aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.

Artikel 5.57 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

  • 2 De in artikel 5.55 gestelde eis wordt getoetst door de motor te starten en vervolgens de schakelaar te bedienen.

§ 1.2.13. Service-aansluiting [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.57a [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 5.13 mag op het brandstofsysteem van een motorrijtuig dat is voorzien van een motor die uitsluitend wordt gevoed door LPG, een service-aansluiting worden aangebracht onder de volgende voorwaarden:

    • a. de elektronische controle-eenheid van het motorrijtuig mag geen instelling hebben voor het functioneren van de motor in noodsituaties,

    • b. de service-aansluiting moet adequaat zijn beschermd,

    • c. de normale werking van het oorspronkelijke LPG-systeem mag niet worden aangetast, en

    • d. de service-aansluiting moet gecombineerd zijn met een separate gasbestendige terugslagklep waardoor uitsluitend de motor wordt gevoed.

  • 2 In de nabijheid van de service-aansluiting moet een herkenningsteken als bedoeld in bijlage 2 zijn aangebracht.

Artikel 5.57b [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle.

Afdeling 2. Eisen CNG [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.58 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Het brandstofsysteem van personenauto's, bedrijfsauto's, motorfietsen en driewielige motorrijtuigen die zijn voorzien van een motor die wordt gevoed door CNG, moet voldoen aan het bepaalde in ECE-Reglement nr. 110.

  • 2 Bij wijziging van de motorbrandstof van een personenauto, bedrijfsauto, motorfiets of driewielig motorrijtuig als bedoeld in artikel 6.7, tweede lid, van het Voertuigreglement in CNG, moet het brandstofsysteem, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, ten aanzien van de CNG-onderdelen voldoen aan het gestelde in paragraaf 2.1 en op de in paragraaf 2.2 voorgeschreven wijze zijn aangebracht, of voldoen aan en zijn aangebracht overeenkomstig ECE-Reglement nr. 115.

§ 2.1. Eisen toelating CNG-onderdelen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.59 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De volgende CNG-onderdelen voldoen aan het bepaalde in ECE-Reglement nr. 110:

    • a. de CNG-tank;

    • b. de overdrukbeveiliging ten behoeve van de CNG-tank;

    • c. de automatische tankafsluiter;

    • d. de gasdichte behuizing;

    • e. de flexibele slang die wordt toegepast in een gedeelte waar de druk hoger is dan 0,2 bar;

    • f. de drukregelaar;

    • g. de automatische afsluitklep;

    • h. de vulaansluiting;

    • i. de terugslagklep;

    • j. de handafsluiter;

    • k. de gasregeleenheid welke functioneert bij een druk hoger dan 0,2 bar;

    • l. het inspuitstuk welke functioneert bij een druk hoger dan 0,2 bar;

    • m. de CNG-filtereenheid die wordt toegepast in een gedeelte waar de druk hoger is dan 0,2 bar;

    • n. de druk- of temperatuursensor;

    • o. de doorstroombegrenzer;

    • p. de veerveiligheid;

    • q. de elektronische controle-eenheid.

  • 2 De CNG-onderdelen, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b, c en j, mogen met elkaar zijn gecombineerd.

Artikel 5.60 [Vervallen per 19-07-2002]

Artikel 5.61 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 2 De in artikel 5.59, tweede lid, gestelde eisen worden, in geval van twijfel, beoordeeld aan de hand van het goedkeuringscertificaat.

§ 2.2. Inbouwvoorschriften [Vervallen per 01-05-2009]

§ 2.2.1. Algemeen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.62 [Vervallen per 01-05-2009]

Een CNG-installatie is ten minste voorzien van de volgende onderdelen:

  • a. een CNG-tank;

  • b. een overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank;

  • c. een automatische tankafsluiter;

  • d. een drukindicator of brandstofmeter;

  • e. een drukregelaar;

  • f. een automatische afsluitklep die gecombineerd mag zijn met de drukregelaar;

  • g. een vulaansluiting;

  • h. gasleidingen en flexibele slangen;

  • i. gasvoerende verbindingen tussen de CNG-onderdelen;

  • j. een inspuitstuk dan wel gasmengstuk;

  • k. een handafsluiter;

  • l. een gasregeleenheid;

  • m. een doorstroombegrenzer;

  • n. een elektronische controle-eenheid;

  • o. een gasdichte behuizing indien CNG-onderdelen zich in de personenruimte of gesloten laadruimte bevinden.

Artikel 5.63 [Vervallen per 01-05-2009]

Een CNG-onderdeel waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, is voorzien van het goedkeuringsmerk bedoeld in bijlage 1, onder 2.

Artikel 5.64 [Vervallen per 01-05-2009]

De onderdelen van de CNG-installatie moeten bestand zijn tegen de druk die, onder normale bedrijfsomstandigheden, maximaal kan heersen in het gedeelte van de CNG-installatie waar deze onderdelen zijn aangebracht.

Artikel 5.65 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Alle onderdelen van de CNG-installatie moeten deugdelijk zijn bevestigd.

  • 2 De CNG-installatie mag geen lekkage vertonen.

Artikel 5.66 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De CNG-installatie moet zodanig zijn aangebracht dat deze zo goed mogelijk is beschermd tegen beschadigingen, zoals beschadigingen die kunnen worden veroorzaakt door aanrijdingen, bewegende voertuigdelen, steenslag, boomtakken of als gevolg van het laden of lossen van het motorrijtuig dan wel het verschuiven van de lading.

  • 2 Geen enkel onderdeel van de CNG-installatie inclusief eventueel beschermend materiaal dat deel uitmaakt van het desbetreffende onderdeel mag buiten de zijdelingse contouren van het motorrijtuig uitsteken, met uitzondering van de vulaansluiting indien deze ten opzichte van de plaats van de bevestiging niet meer dan 10 mm uitsteekt.

  • 3 Met uitzondering van de CNG-tank mogen, gezien in elke dwarsdoorsnede van het motorrijtuig, geen onderdelen van de CNG-installatie inclusief eventueel beschermend materiaal dat deel uitmaakt van het desbetreffende onderdeel, aan de onderzijde van de voertuigconstructie uitsteken, tenzij binnen een straal van 150 mm een deel van het voertuig lager is gelegen.

  • 4 Alle CNG-onderdelen waarop paragraaf 2.1 van deze afdeling van toepassing is, moeten zodanig zijn aangebracht dat ze controleerbaar zijn en dat de identificatiemerken leesbaar zijn.

Artikel 5.67 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien de CNG-tank is aangebracht in de personenruimte of in de gesloten laadruimte van het voertuig, moet deze zijn voorzien van een gasdichte behuizing.

  • 2 Gasleidingen en -slangen die in de personenruimte of in de gesloten laadruimte van het voertuig aanwezig zijn, mogen niet langer zijn dan noodzakelijk is om vanuit de CNG-tank één van beide zijkanten van het motorrijtuig te bereiken.

  • 3 In de personenruimte of gesloten laadruimte mogen geen gasvoerende verbindingen aanwezig zijn met uitzondering van:

    • a. de verbindingen in de gasdichte behuizing, en

    • b. de verbinding tussen gasleiding of -slang en de vulaansluiting indien deze verbinding is voorzien van een omkapseling die bestand is tegen CNG en in open verbinding staat met de buitenlucht.

  • 4 Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing indien het een bus betreft en de gasleidingen zijn voorzien van een omkapseling die bestand is tegen CNG en in open verbinding staan met de buitenlucht.

Artikel 5.68 [Vervallen per 01-05-2009]

Geen deel van de CNG-installatie mag dichter dan 100 mm bij de uitlaat of vergelijkbare hittebron zijn gelegen, tenzij het desbetreffende deel door middel van een schild afdoende tegen hitte is beschermd.

Artikel 5.69 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Op de CNG-installatie mogen geen andere verbruikers zijn aangesloten dan die welke strikt noodzakelijk zijn voor het goed functioneren van de motor van het motorrijtuig.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid mag een voertuig zijn voorzien van een verwarmingsinstallatie die is aangesloten op de CNG-installatie en bedoeld is voor het verwarmen van de personenruimte en de laadruimte.

  • 3 De in het tweede lid genoemde verwarmingsinstallatie moet naar het oordeel van de RDW voldoende zijn beveiligd en de vereiste werking van de normale CNG-installatie niet benvloeden [tekstcorrectie :"benvloeden" moet zijn ""beïnvloeden"] .

Artikel 5.70 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Bussen voorzien van een CNG-installatie moeten zijn voorzien van een herkenningsteken volgens bijlage 4.

  • 2 Het herkenningsteken moet zijn aangebracht op de voor- en achterzijde van de bus en aan de buitenzijde van de deuren in de rechterzijkant van de bus.

Artikel 5.71 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De CNG-installatie is voorzien van een verklaring met bijbehorende detailtekening door of namens de fabrikant van het motorrijtuig, indien er sprake is van één of meer van de volgende situaties:

    • a. in de carrosseriebodem is een gat gemaakt, niet zijnde een gat in de bodemplaat van ten hoogste 150 bij 150 mm ten behoeve van een inspectieluikje dan wel doorvoergaten ten behoeve van leidingen en gaten voor de montage van de CNG-tank;

    • b. de carrosseriebodem is in ernstige mate vervormd waardoor de stijfheid en sterkte van de carrosserie is beïnvloed;

    • c. langs- of dwarsprofielen dan wel versterkingsdelen van de mee- of zelfdragende carrosserie zijn verwijderd die de stijfheid en sterkte van de carrosserie beïnvloeden;

    • d. het motorrijtuig is voorzien van een lastafhankelijke remkrachtregelaar en de vering is gewijzigd om te kunnen voldoen aan het gestelde in artikel 5.74, eerste lid.

  • 2 Indien de CNG-tank op het dak van het motorrijtuig wordt aangebracht is een verklaring met bijbehorende detailtekening door of namens de fabrikant van het motorrijtuig vereist.

Artikel 5.72 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

    • a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,

    • b. met behulp van een middel dat lekkage aantoonbaar maakt, waarbij het contact moet zijn ingeschakeld,

    • c. door in geval van twijfel te meten met een geschikt meetmiddel.

  • 2 Bij de in artikel 5.64 te bepalen druk moet worden uitgegaan van 120 C in de motorruimte en 65 C elders in het voertuig.

  • 3 De in artikel 5.66, derde lid, gestelde eis wordt beoordeeld bij het voertuig in onbeladen toestand met behulp van een rei die horizontaal tegen de onderzijde van de voertuigconstructie wordt gehouden, waarbij de wielen niet en de CNG-tank wel als deel van de voertuigconstructie worden aangemerkt.

§ 2.2.2. CNG-tank [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.73 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 CNG-tanks zijn te onderscheiden in vier typen:

    • a. volledig metaal (staal of aluminium) (type CNG-1);

    • b. metalen tank met vezelversterkt cilindrisch deel (type CNG-2);

    • c. metalen binnentank met volledig vezelversterkte buitentank (type CNG-3);

    • d. kunststof binnentank met volledig vezelversterkte buitentank (type CNG-4).

  • 2 De beproevingsdatum van de CNG-tank mag niet verder terug zijn gelegen dan 2 jaar.

  • 3 Bij elk CNG-tank moet een verklaring van de fabrikant van de tank aanwezig zijn betreffende het controleprogramma en de procedure voor de periodieke controle zoals de herkeurfrequentie, de testmethode en de afkeurcriteria. Indien de verklaring van de fabrikant ontbreekt, wordt de herkeurdatum bepaald op 10 jaar voor een type CNG-1 tank en 5 jaar voor de overige typen CNG-tanks na de beproevingsdatum. Op het kentekenbewijs of in het kentekenregister wordt de herkeurdatum van de CNG-tank, bij meerdere tanks de herkeurdatum die het eerst wordt bereikt, vermeld.

  • 4 De CNG-tank moet permanent aan het motorrijtuig zijn bevestigd en mag niet in de motorruimte zijn geplaatst.

  • 5 De CNG-tank moet zodanig zijn bevestigd dat er geen metallisch contact bestaat, met uitzondering van de vaste bevestigingspunten aan de CNG-tank.

  • 6 De CNG-tank moet, onverminderd het bepaalde in de artikelen 5.76 en 5.83, overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant van de tank zijn aangebracht.

Artikel 5.74 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De CNG-tank mag in bedrijfsklare toestand van het motorrijtuig niet lager zijn gelegen dan 200 mm boven het wegdek.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing indien de tank aan de voorzijde en aan de zijkanten voldoende is beschermd door originele dragende delen welke tot de constructie van het motorrijtuig behoren, en geen deel van de tank lager dan die bescherming is gelegen.

Artikel 5.75 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De CNG-tank is voorzien van een gasdichte behuizing die voldoet aan het bepaalde in artikel 5.59, indien de CNG-tank in de personenruimte of de gesloten laadruimte is aangebracht.

  • 2 De tankappendages zijn beschermd tegen vuil en water indien de CNG-tank op een andere plaats is aangebracht dan bedoeld in het eerste lid.

Artikel 5.76 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De CNG-tank moet met de daartoe bestemde vaste bevestigingspunten dan wel met behulp van een tankframe en tankbanden aan het motorrijtuig worden aangebracht.

  • 2 De bevestiging aan het motorrijtuig is zodanig uitgevoerd dat bij volle tank de volgende acceleraties kunnen worden opgenomen zonder beschadigingen te veroorzaken:

    • a. voor personenauto's en bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, voor motorfietsen en voor driewielige motorrijtuigen:

      • 1. 20 G in de rijrichting, en

      • 2. 8 G in de horizontale richting dwars op de rijrichting;

    • b. voor personenauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg doch niet meer dan 5000 kg en voor bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg doch niet meer dan 12000 kg:

      • 1. 10 G in de rijrichting, en

      • 2. 5 G in de horizontale richting dwars op de rijrichting;

    • c. voor personenauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 5000 kg en voor bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 12000 kg:

      • 1. 6,6 G in de rijrichting, en

      • 2. 5 G in de horizontale richting dwars op de rijrichting.

  • 3 In het geval de CNG-tank op een andere plaats dan op het dak van het motorrijtuig is aangebracht, wordt aan het bepaalde in het tweede lid voldaan indien de bevestiging aan het motorrijtuig:

    • a. bestaat uit ten minste vier bouten,

    • b. is voorzien van onderlegringen of -platen, in het geval het plaatwerk ter plaatse enkelvoudig is uitgevoerd, en

    • c. deze bouten en onderlegringen of -platen, uitgaande van materiaalsoort St 37 en bevestigingsbouten van klasse 8.8 ten minste voldoen aan de hieronder in tabel 3 aangegeven afmetingen.

  • 4 Ter plaatse van de bevestiging mogen geen samendrukbare stoffen aanwezig zijn, tenzij de bevestiging voldoet aan het bepaalde in het tweede lid.

Tabel 3

tankinhoud/-gewicht* meer dan – tot en met

(in liter /kg)

afmetingen onderlegringen of onderlegplaten

(in mm)

boutdiameter

(in mm)

– 100

rond 30 × 1,5

rond 25 × 2,5

8

100 – 150

rond 50 × 2

rond 30 × 3

10

150 –

constructie moet voldoen aan het bepaalde in het tweede lid

  • * Tankgewicht mag worden gebruikt indien het maximum tankgewicht (incl. gasgewicht) duidelijk op de tank is aangegeven.

Artikel 5.77 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de CNG-tank met behulp van een tankframe en tankbanden wordt aangebracht moet tussen de CNG-tank en het frame beschermend materiaal zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.

Artikel 5.78 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de CNG-tank achter een zitplaats is aangebracht moet in langsrichting van het voertuig een totale vrije ruimte van ten minste 100 mm aanwezig zijn die verdeeld mag zijn tussen de tank en de achterwand van het motorrijtuig en tussen de CNG-tank en de zitplaats, waarbij de kortste afstand bepalend is.

Artikel 5.79 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

    • a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,

    • b. door in geval van twijfel te meten met een geschikt meetmiddel.

  • 2 De in het artikel 5.76, tweede lid, gestelde eis wordt beoordeeld aan de hand van een verklaring door of namens de voertuigfabrikant, een berekening of een beproeving waaruit blijkt dat de betreffende bevestiging van voldoende sterkte is.

  • 3 Bij de beoordeling van de in artikel 5.78 gestelde eis moet de vrije ruimte zodanig worden gemeten dat de tank, op denkbeeldige wijze, over een afstand van ten minste 100 mm in langsrichting van het voertuig kan worden verplaatst.

§ 2.2.3. Tankbanden [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.80 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien de CNG-tank door middel van een tankframe en tankbanden aan het motorrijtuig is bevestigd, moeten de tankbanden voldoen aan de in artikelen 5.81 tot en met 5.83 gestelde eisen.

Artikel 5.81 [Vervallen per 01-05-2009]

De CNG-tank moet met ten minste twee tankbanden op het tankframe zijn bevestigd: indien de tankband tevens het gewicht van de CNG-tank draagt, moeten ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.

Artikel 5.82 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De tankbanden moeten voorkomen dat de CNG-tank kan gaan schuiven, draaien of losraken.

  • 2 Tussen de CNG-tank en de tankbanden moet beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, zijn aangebracht.

  • 3 De tankbanden moeten de tankomtrek geheel of nagenoeg geheel omsluiten, waarbij het tankframe een gedeelte van de omsluiting mag vormen.

Artikel 5.83 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De tankbanden en de bevestiging aan het tankframe moeten zodanig zijn uitgevoerd dat deze een kracht, gemeten door het zwaartepunt van de CNG-tank, van zestien maal het gewicht van de gevulde CNG-tank in langsrichting en acht maal het gewicht van de gevulde CNG-tank in dwars- en verticale richting van het motorrijtuig kan opnemen.

  • 2 Aan het bepaalde in het eerste lid wordt voldaan indien de tankbanden, uitgaande van materiaalsoort St 37, en de bevestigingsbouten, uitgaande van klasse 8.8, ten minste voldoen aan de in tabel 4 aangegeven afmetingen.

Tabel 4

tankinhoud/-gewicht**** meer dan – tot en met

(in liter/kg)

afmetingen van de tankbanden

(in mm)

boutdiameter

(in mm)

– 85

20 × 3 of

29 × 1,5*

8

85 – 100

30 × 3

10

20 × 3**

8**

100 – 150

50 × 6

12

50 × 3***

10***

150 –

constructie moet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid

  • *) Een tankband met een afmeting van 29 × 1,5 mm moet zijn gemonteerd overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant van de tankband.

  • **) In dit geval moet de CNG-tank met ten minste drie tankbanden zijn aangebracht.

  • ***) In dit geval moet de CNG-tank met ten minste vier tankbanden zijn aangebracht.

  • ****) Tankgewicht mag worden gebruikt indien het maximum tankgewicht (incl. gasgewicht) duidelijk is aangegeven op de tank.

Artikel 5.84 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

    • a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,

    • b. door in geval van twijfel te meten met een geschikt meetmiddel.

  • 2 De in het artikel 5.83, eerste lid, gestelde eis wordt beoordeeld aan de hand van een berekening of een beproeving waaruit moet blijken dat de desbetreffende bevestiging van voldoende sterkte is.

§ 2.2.4. Overdrukbeveiliging ten behoeve van de tank [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.85 [Vervallen per 01-05-2009]

De overdrukbeveiliging moet door de fabrikant van de CNG-tank waarin deze aangebracht is, zijn aangewezen als beveiliging tegen overdruk.

Artikel 5.86 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De overdrukbeveiliging moet direct in de CNG-tank dan wel in een appendage op de tank zijn aangebracht waarbij de werking van de appendage het functioneren van de overdrukbeveiliging niet mag belemmeren.

  • 2 Overdrukbeveiliging mag niet in een leiding naast de CNG-tank zijn aangebracht.

  • 3 De uitstroomopening mag niet zijn gericht op een CNG-tank of een andere brandstoftank.

Artikel 5.87 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,

  • 2 De beoordeling van het gestelde in artikel 5.85 vindt plaats aan de hand van het goedkeuringscertificaat van de CNG-tank, het label op de CNG-tank, dan wel andere waarmerken door de fabrikant van de CNG-tank aangebracht.

§ 2.2.5. Automatische tankafsluiter [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.88 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De automatische tankafsluiter moet direct op de CNG-tank zijn aangebracht.

  • 2 De automatische tankafsluiter moet op een zodanige wijze zijn geschakeld dat bij het tot stilstand komen van de motor, ongeacht de stand van de contactschakelaar, deze afnameklep automatisch wordt gesloten en gesloten blijft indien de motor niet draait, waarbij een vertragingstijd van twee seconden is toegestaan.

Artikel 5.89 [Vervallen per 01-05-2009]

De in artikel 5.88 gestelde eisen worden getoetst:

  • a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,

  • b. door het contact in te schakelen en te controleren of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens wordt de motor gestart waarna de handrem wordt aangetrokken en de hoogste versnelling wordt ingeschakeld. Met behulp van de koppeling de motor laten afslaan waarna de bekrachtiging moet wegvallen. Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG wordt gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd waarna met het contact uitgeschakeld wordt gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen.

§ 2.2.6. Gasdichte behuizing op de tank [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.90 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De gasdichte behuizing moet ten behoeve van de ventilatie van de tankappendages, eventueel door middel van een verbindingsslang en een doorvoerstuk, rechtstreeks in open verbinding staan met de buitenlucht.

  • 2 De ventilatieopening van de gasdichte behuizing moet daar waar deze buiten het motorrijtuig uitmondt naar boven of beneden zijn gericht, echter zodanig dat de opening niet in een wielkast uitmondt en niet is gericht op een warmtebron zoals de uitlaat. Indien de ventilatieopening boven het motorrijtuig uitmondt moet deze opening tegen inwateren zijn beschermd.

  • 3 De verbindingsslang moet zodanig door middel van een klemverbinding aan zowel de gasdichte behuizing als aan het doorvoerstuk zijn bevestigd dat deze een gasdichte verbinding vormt.

Artikel 5.91 [Vervallen per 01-05-2009]

De in artikel 5.90 gestelde eisen worden getoetst:

  • a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,

  • b. door in geval van twijfel te meten met een geschikt meetmiddel.

§ 2.2.7. Gasleidingen en -slangen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.92 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een gasleiding tussen CNG-onderdelen is vervaardigd uit naadloos roestvast staal indien deze leiding voldoet aan het gestelde in DIN 17458, ASTM A 269 of ISO 2604/2 en de buitendiameter van de roestvast stalen gasleiding niet meer bedraagt dan 12 mm.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde gasleiding mag zijn vervangen door een flexibele slang indien deze slang bewegende CNG-onderdelen met elkaar verbindt en deze slang voldoet aan het bepaalde in artikel 5.59.

Artikel 5.93 [Vervallen per 19-07-2002]

Artikel 5.94 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Bij de in artikel 5.92, onderdeel a, genoemde gasleiding moet een inspectie certificaat volgens EN 10204 – 3.1.B dan wel een gelijkwaardig testrapport aanwezig zijn.

  • 2 De fabricagedatum van de in artikel 5.92, tweede lid, bedoelde flexibele slang mag niet verder terug zijn gelegen dan 1 jaar. Indien alleen het fabricagejaar is vermeld, wordt als fabricagedatum aangemerkt 31 december van dat jaar.

Artikel 5.95 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een gasleiding mag niet door middel van lassen of solderen dan wel met behulp van aluminium bevestigingsmiddelen zijn bevestigd.

  • 2 Een gasleiding is zodanig bevestigd dat deze niet onderhevig is aan trillingen anders dan die van het voertuig zelf.

  • 3 Een flexibele slang is zodanig bevestigd dat deze niet onderhevig is aan spanningen.

Artikel 5.96 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De onderlinge afstand tussen de bevestigingspunten van een stalen gasleiding mag ten hoogste 0,60 m bedragen.

  • 2 De gasleiding of -slang moet ter plaatse van de bevestiging zijn voorzien van beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof, tenzij de gasleiding al een beschermend omhulsel heeft.

Artikel 5.97 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een gasleiding of -slang mag over een lengte van ten hoogste 0,40 m door een kokerbalk worden geleid.

  • 2 Een gasleiding of -slang mag niet zijn gelegen ter plaatse van kriksteunen.

  • 3 De gasleiding of -slang, al dan niet voorzien van een beschermend omhulsel, moet daar waar zich een doorvoer bevindt zijn voorzien van beschermend materiaal, zoals vilt, leer of kunststof.

Artikel 5.98 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

  • a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,

  • b. door in geval van twijfel te meten met een geschikt meetmiddel.

§ 2.2.8. Gasvoerende verbindingen tussen de diverse CNG-onderdelen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.99 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Soldeerverbinding alsmede snijringverbindingen zijn niet toegestaan.

  • 2 De verbinding van een roestvast stalen gasleiding mag uitsluitend geschieden door een fitting die is vervaardigd uit roestvast staal.

  • 3 In afwijking van het tweede lid mogen roestvast stalen gasleidingen onderling met elkaar worden verbonden door middel van een lasverbinding indien een certificaat van een röntgenonderzoek, afgegeven door de Röntgen Technische Dienst (RTD), kan worden overgelegd.

  • 4 Een verdeelblok moet zijn vervaardigd uit een corrosiebestendig metaal.

Artikel 5.100 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Een stalen gasleiding moet door middel van een geschikte knelringverbinding zijn aangesloten.

  • 2 Het aantal verbindingen moet tot een minimum beperkt blijven.

Artikel 5.101 [Vervallen per 01-05-2009]

De verbindingen moeten op een voor de controle toegankelijke plaats zijn aangebracht, zonodig na verwijdering van een hoes.

Artikel 5.102 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

§ 2.2.9. Vulaansluiting [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.103 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De vulaansluiting is geborgd tegen verdraaiingen en is beschermd tegen vuil en water.

  • 2 De vulaansluiting is geplaatst aan de buitenzijde van het voertuig of in het motorcompartiment indien de CNG-tank in de personenruimte of in de gesloten laadruimte is gemonteerd.

Artikel 5.104 [Vervallen per 01-05-2009]

De in artikel 5.103 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.

§ 2.2.10. Automatische afsluitklep [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.105 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 In de gasleiding van de CNG-tank naar de drukregelaar moet zo dicht mogelijk bij de drukregelaar een automatische afsluitklep zijn aangebracht.

  • 2 Indien meerdere drukregelaars zijn gemonteerd, mag de automatische afsluiter voor de laatste drukregelaar zijn geplaatst.

  • 3 De automatische afsluitklep mag deel uitmaken van de drukregelaar.

Artikel 5.106 [Vervallen per 01-05-2009]

De automatische afsluitklep moet zodanig functioneren dat de brandstoftoevoer wordt afgesloten zodra de motor door middel van het contact tot stilstand wordt gebracht of, indien het motorrijtuig tevens is voorzien van ander brandstofsysteem, naar de andere brandstofsoort wordt omgeschakeld.

Artikel 5.107 [Vervallen per 01-05-2009]

De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst:

  • a. door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt,

  • b. door het contact in te schakelen en te controleren of de spoel wordt bekrachtigd. Vervolgens wordt het contact uitgeschakeld en wordt gecontroleerd of de bekrachtiging wegvalt. Indien een controle op deze wijze niet mogelijk is, wordt de motor gestart en nadat is overgeschakeld op CNG gecontroleerd of de spoel is bekrachtigd waarna met het contact uitgeschakeld wordt gecontroleerd of de bekrachtiging is weggevallen.

Artikel 5.108 [Vervallen per 19-07-2002]

Artikel 5.109 [Vervallen per 19-07-2002]

§ 2.2.11. Handafsluiter [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.110 [Vervallen per 01-05-2009]

In de CNG-installatie mogen ten hoogste twee extra handafsluiters worden geplaatst als:

  • a. extra veiligheidsafsluiter, gemonteerd in de motorruimte voor de automatische afsluitklep;

  • b. testafsluiter, indien deze afsluiter is beveiligd tegen het gebruik door onbevoegden.

Artikel 5.111 [Vervallen per 01-05-2009]

De in artikel 5.110 gestelde eis wordt getoetst door middel van visuele controle.

§ 2.2.12. Elektrische voorzieningen [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 5.112 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De elektrische voorzieningen van de CNG-installatie moeten zijn beveiligd tegen overbelasting waarbij ten minste in de voedingsleiding één afzonderlijke zekering moet zijn aangebracht.

  • 2 De zekering moet op een zodanige plaats zijn aangebracht dat deze zonder het gebruik van gereedschap bereikbaar is.

Artikel 5.113 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De elektrische stroom van CNG-onderdelen die tevens gasvoerend zijn mogen niet via een gasleiding lopen.

  • 2 Alle elektrische onderdelen die zijn aangebracht in het gedeelte van de CNG-installatie waar de druk hoger is dan 0,2 bar moeten door middel van een aparte verbinding met de massa van het motorrijtuig zijn verbonden.

  • 3 De elektrische bedrading moet afdoende tegen beschadiging zijn beschermd.

Artikel 5.114 [Vervallen per 01-05-2009]

Bij motorrijtuigen met meer dan één brandstofsysteem moet een brandstofkeuzeschakeling aanwezig zijn die voorkomt dat de motor tegelijkertijd meer dan één brandstofsoort krijgt toegevoerd.

Artikel 5.115 [Vervallen per 01-05-2009]

De in de gasdichte behuizing aanwezige elektrische verbindingen en voorzieningen moeten zodanig zijn uitgevoerd dat vonkvorming wordt voorkomen.

Artikel 5.116 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De in deze paragraaf gestelde eisen worden getoetst door middel van visuele controle, zo nodig terwijl het motorrijtuig zich boven een inspectieput of op een hefinrichting bevindt.

  • 2 De in artikel 5.114 gestelde eis wordt getoetst door de motor te starten en vervolgens de schakelaar te bedienen.

§ 2.2.13. Vervallen [Vervallen per 01-05-2009]

Hoofdstuk 6. Ophanging [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 6.1 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Personenauto's, bedrijfsauto's, driewielige motorrijtuigen alsmede aanhangwagens in gebruik genomen na 30 september 1971 doch vóór 1 januari 1995 moeten zijn voorzien van banden die zijn opgenomen in de bandentabel die op de desbetreffende voertuigcategorie van toepassing is.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde bandentabellen worden bij de RDW ter inzage gelegd.

Artikel 6.2 [Vervallen per 01-05-2009]

De gemonteerde banden moeten geschikt zijn voor de door de fabrikant van het voertuig toegestane maximum aslast, waarbij het bepaalde in de artikelen 6.3 tot en met 6.18 in acht moet worden genomen.

Artikel 6.3 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien op een band meerdere maataanduidingen zijn aangebracht geldt indien deze maataanduidingen alle vermeld staan in de bandentabel de hoogst gevonden aslast: indien slechts één van de maataanduidingen voorkomt in de bandentabel geldt de bij deze maataanduiding behorende last.

  • 2 Indien op de band geen maataanduiding is vermeld, doch wel een load-index, wordt het draagvermogen van de desbetreffende band vastgesteld aan de hand van de in bijlage 5 opgenomen load-index tabel.

Artikel 6.4 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Banden voorzien van de aanduiding “PT” of “Hipo” of “NOT FOR HIGHWAY USE” dan wel van “NHS” (Not for Highway Service) achter de maataanduiding, mogen niet worden toegepast.

  • 2 Een band voorzien van de aanduiding “DA” of “SekunDA” mag zonder beperkingen worden toegepast.

Artikel 6.5 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Het draagvermogen van de banden vermeld in de bandentabellen A-1 en B-1, bedraagt in geval van dubbele montage 1,91 maal het draagvermogen van de desbetreffende band in enkele montage.

  • 2 Het draagvermogen van de banden vermeld in de bandentabellen A-3 en B-3, bedraagt in geval van dubbele montage 1,8 maal het draagvermogen van de desbetreffende band in enkele montage.

  • 3 In afwijking van het tweede lid geldt indien in de bandentabellen A-3 en B-3, of in de in bijlage 5 opgenomen load-index tabel ten aanzien van de desbetreffende band een specifiek opgegeven draagvermogen in dubbele montage wordt aangegeven, dit draagvermogen.

  • 4 In afwijking van het tweede lid geldt indien in de bandentabellen A-2 en B-2 of in de in bijlage 5 opgenomen load-index tabel ten aanzien van de desbetreffende band een specifiek opgegeven draagvermogen in dubbele montage wordt aangegeven, dit draagvermogen.

  • 5 In afwijking van het eerste en tweede lid bedraagt het draagvermogen van banden in dubbele montage van schommelassen altijd twee maal het draagvermogen bij enkele montage.

Artikel 6.6 [Vervallen per 01-05-2009]

Onverminderd het bepaalde in artikel 6.3 geldt indien achter de load-index een snelheidssymbool wordt vermeld, het draagvermogen van de desbetreffende band slechts bij de in bijlage 6 bij het snelheidssymbool aangegeven maximum snelheid.

Artikel 6.7 [Vervallen per 01-05-2009]

De in de bandentabellen A-2, B-2, A-3 en B-3 vermelde draagvermogens ten aanzien van de banden van bedrijfsauto's mogen, afhankelijk van de te rijden snelheid en het vermelde snelheidssymbool, worden vermeerderd dan wel moeten worden verminderd met het percentage zoals opgenomen in de in bijlage 7 opgenomen tabel.

Artikel 6.8 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Het draagvermogen van banden genoemd in de bandentabellen A-1 en B-1 van aanhangwagens welke gebruikt worden voor recreatieve doeleinden mag met 10% worden vermeerderd, bij een snelheid van 100 km/h.

  • 2 Bedrijfsauto's mogen zijn voorzien van radiaalbanden welke niet zijn voorzien van een snelheidssymbool mits de door de constructie bepaalde maximum snelheid van het voertuig niet meer bedraagt dan 105 km/h bij een draagvermogen genoemd in bandentabel B-2.

  • 3 Een band voorzien van de aanduiding “V max. 100 km/h” mag worden toegepast bij aanhangwagens en bij motorrijtuigen met een door de constructie bepaalde maximum snelheid van niet meer dan 100 km/h.

Artikel 6.9 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien een band is voorzien van het snelheidssymbool “V” mag deze worden toegepast tot een maximum snelheid van 240 km/h, waarbij vanaf de snelheid van 210 km/h het draagvermogen van de desbetreffende band met het hieronder vermelde percentage moet worden verminderd.

Snelheid:

210

220

230

240

km/h

Aslast:

100

97

94

91

%

Artikel 6.10 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien een band is voorzien van het snelheidssymbool “W” mag deze worden toegepast tot een maximum snelheid van 270 km/h, waarbij vanaf de snelheid van 240 km/h het draagvermogen van de desbetreffende band met het hieronder vermelde percentage moet worden verminderd.

Snelheid:

240

250

260

270

km/h

Aslast:

100

95

90

85

%

Artikel 6.11 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien in de maataanduiding vóór de letter “R” of op een diagonaalband een snelheidssymbool is vermeld, geldt, in afwijking van het bepaalde in artikel 6.6, de toegestane maximum snelheid volgens bijlage 8.

Artikel 6.12 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien de band is voorzien van het kenmerk “VR” geldt voor een door de constructie bepaalde maximum snelheid tot 210 km/h het draagvermogen vermeld in tabel B-1.

  • 2 Indien de band is voorzien van het kenmerk “VR” geldt voor een door de constructie bepaalde maximum snelheid van 210 km/h tot 240 km/h het draagvermogen en snelheid zoals deze door de fabrikant van de band is opgegeven.

Artikel 6.13 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien de band is voorzien van het kenmerk “ZR” geldt voor een door de constructie bepaalde maximum snelheid tot 240 km/h het draagvermogen behorende bij de op de band vermelde load-index zoals opgenomen in bijlage 5.

  • 2 Indien een band is voorzien van het kenmerk “ZR” mag deze worden toegepast tot een maximum snelheid van 270 km/h, waarbij vanaf de snelheid van 240 km/h het draagvermogen van de desbetreffende band met het hieronder vermelde percentage moet worden verminderd.

Snelheid:

240

250

260

270

km/h

Aslast:

100

95

90

85

%

  • 3 Indien de band is voorzien van het kenmerk “ZR” geldt voor een door de constructie bepaalde maximum snelheid van meer dan 270 km/h het draagvermogen en snelheid zoals deze door de fabrikant van de band is opgegeven.

Artikel 6.14 [Vervallen per 01-05-2009]

De toepassing van winterbanden, voorzien van de aanduidingen “M+S”, “MS” of “M & S”, waarvan de snelheid volgens het snelheidssymbool lager is dan de maximumsnelheid van het voertuig, is toegestaan, mits door middel van een sticker op het dashboard aan de bestuurder kenbaar wordt gemaakt welke snelheid bij de desbetreffende banden hoort.

Artikel 6.15 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien het een personenauto, bedrijfsauto, driewielig motorrijtuig of aanhangwagen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg met twee of meer assen betreft, geldt dat:

  • a. op dezelfde as geen banden van verschillende karkasstructuur mogen zijn aangebracht;

  • b. indien op de vooras een radiaalband is aangebracht, op de achteras geen diagonaalband of bias belted band mag zijn aangebracht;

  • c. indien op de vooras een bias belted band is aangebracht, op de achteras geen diagonaalband mag zijn aangebracht.

Artikel 6.16 [Vervallen per 01-05-2009]

De banden op de bestuurde of gestuurde as van bedrijfsauto's alsmede aanhangwagens met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg mogen niet van verschillende karkasstructuur zijn. De banden op bestuurde of gestuurde assen onderling mogen echter wel van verschillende structuur zijn.

Artikel 6.17 [Vervallen per 01-05-2009]

Motorfietsen mogen indien op de vooras een radiaalband is aangebracht op de achteras niet zijn voorzien van een diagonaalband.

Artikel 6.18 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien op de band door middel van een pijl de draairichting van de band is aangegeven, moet de band dienovereenkomstig zijn aangebracht.

Hoofdstuk 7. Eisen reminrichting [Vervallen per 01-05-2009]

Afdeling 1. Personenauto's [Vervallen per 01-05-2009]

§ 1.1. Personenauto's in gebruik genomen na 30 september 1978 doch vóór 1 januari 1995 [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 7.1 [Vervallen per 01-05-2009]

De reminrichting van personenauto's in gebruik genomen na 31 maart 1990 doch vóór 1 januari 1995 moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I t/m VIII van richtlijn 71/320/EEG, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 75/524/EEG en 79/489/EEG.

Artikel 7.2 [Vervallen per 01-05-2009]

De reminrichting van personenauto's in gebruik genomen na 30 september 1978 doch vóór 1 april 1990 moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I t/m VIII van richtlijn 71/320/EEG, waarbij:

  • a. punt 2.2.1.12. van bijlage I zodanig wordt toegepast dat of aan punt 2.2.1.12.1. of aan punt 2.2.1.12.2. moet zijn voldaan, en

  • b. de punten 1.4 en 1.5 van bijlage II niet van toepassing zijn.

§ 1.2. Personenauto's in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 oktober 1978 [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 7.3 [Vervallen per 01-05-2009]

De reminrichting van personenauto's in gebruik genomen na 30 juni 1978 moet voldoen aan de in de artikelen 7.4 tot en met 7.11 gestelde eisen.

Artikel 7.4 [Vervallen per 01-05-2009]

De reminrichting moet bestaan uit een bedrijfsrem, een parkeerrem alsmede een hulprem (noodrem).

Artikel 7.5 [Vervallen per 01-05-2009]

De bedrijfsrem moet:

  • a. regelbaar zijn,

  • b. op alle wielen werken, en

  • c. rechtstreeks werken op met de wielen verbonden remschijven of remtrommels zonder tussenkomst van tandwielen.

Artikel 7.6 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien het hydraulisch remsysteem niet is voorzien van een toegankelijk remvloeistofreservoir, waarvan het vloeistofpeil te controleren is zonder het reservoir te openen, moet dit zijn voorzien van:

    • a. een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het niveau van de remvloeistof onder het vereiste minimum niveau is gedaald, of

    • b. in geval van een gescheiden remsysteem een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra één van de kringen van het remsysteem faalt.

  • 2 De goede werking van het signaal van de in het eerste lid bedoelde waarschuwingsinrichtingen moet kunnen worden gecontroleerd.

  • 3 In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.

Artikel 7.7 [Vervallen per 01-05-2009]

De remvertraging van de bedrijfsrem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal gelegen weg ten minste 5,2 m/s² bedragen bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N.

Artikel 7.8 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De parkeerrem moet op ten minste twee wielen werken, waarbij de beremde wielen zich symmetrisch aan weerszijden van de personenauto moeten bevinden.

  • 2 De parkeerrem moet in werking kunnen worden gesteld door een geheel mechanische overbrenging.

  • 3 De parkeerrem moet in aangezette toestand kunnen worden vergrendeld.

Artikel 7.9 [Vervallen per 01-05-2009]

De parkeerrem moet de personenauto op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, en een kracht op de hefboom van de parkeerrem van niet meer dan 400 N, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, ten minste 1,2 m/s² bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.

Artikel 7.10 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De hulprem moet regelbaar zijn.

  • 2 De onderstaande remmen kunnen als hulprem fungeren:

    • a. de parkeerrem, mits de remvertraging ten minste 2,6 m/s² bedraagt op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, en de overbrenging onafhankelijk is van die van de bedrijfsrem, of

    • b. de bedrijfsrem, indien het een gescheiden systeem betreft en bij het uitvallen van één van de kringen de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,5 m/s² bedraagt.

  • 3 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, worden niet als delen van de overbrenging aangemerkt, de delen die de verbinding vormen tussen het bedieningsorgaan en de hoofdremcylinder of de rembedieningsklep, mits deze delen voldoen aan artikel 7.11.

Artikel 7.11 [Vervallen per 01-05-2009]

De bedrijfsrem, de parkeerrem en de hulprem mogen delen gemeenschappelijk hebben, mits:

  • a. de gemeenschappelijke delen van de bedrijfsrem en de hulprem gemakkelijk toegankelijk voor onderhoud zijn en een veilige werking waarborgen;

  • b. het bedieningsorgaan waarmee de parkeerrem in werking wordt gesteld onafhankelijk is van het bedieningsorgaan waarmee de bedrijfsrem in werking wordt gesteld.

Artikel 7.12 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De reminrichting van personenauto's in gebruik genomen na 30 september 1971 doch vóór 1 oktober 1978 moet tevens voldoen aan de in de volgende leden gestelde eisen.

  • 2 Indien voor de werking van een reminrichting een hulpkrachtbron noodzakelijk is, moet deze hulpkrachtbron voldoende energie-reserve bezitten zodat de personenauto voldoet aan het bepaalde in artikel 7.7, eerste lid, 7.9 en 7.10, tweede lid.

  • 3 Voorzieningen die niet behoren tot de bedrijfsrem, de hulprem of de parkeerrem, mogen alleen door middel van een overstroomklep of een vergelijkbare automatisch werkende inrichting op het voorraadreservoir zijn aangesloten.

  • 4 De in het derde lid bedoelde klep of inrichting moet zo dicht mogelijk bij het voorraadreservoir zijn aangebracht en moet zodanig zijn afgesteld dat de druk in het voorraadreservoir, bij uitvallen van één van de daarop aangesloten voorzieningen niet op gevaarlijke wijze kan verminderen.

§ 1.3. Personenauto's in gebruik genomen vóór 1 juli 1967 [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 7.13 [Vervallen per 01-05-2009]

De reminrichting van personenauto's in gebruik genomen vóór 1 juli 1967 moet voldoen aan de in de artikelen 7.14 tot en met 7.19 gestelde eisen.

Artikel 7.14 [Vervallen per 01-05-2009]

De reminrichting moet bestaan uit een bedrijfsrem en een parkeerrem.

Artikel 7.15 [Vervallen per 01-05-2009]

De bedrijfsrem moet:

  • a. op alle wielen werken, en

  • b. rechtstreeks werken op met de wielen verbonden remschijven of remtrommels zonder tussenkomst van tandwielen.

Artikel 7.16 [Vervallen per 01-05-2009]

Het remvloeistofreservoir van het hydraulische remsysteem moet op een behoorlijk toegankelijke plaats zijn aangebracht en de vloeistofvoorraad moet op eenvoudige wijze kunnen worden gecontroleerd.

Artikel 7.17 [Vervallen per 01-05-2009]

De remvertraging van de bedrijfsrem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s² bedragen.

Artikel 7.18 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De parkeerrem moet op ten minste twee wielen werken, waarbij de beremde wielen zich symmetrisch aan weerszijden van de personenauto moeten bevinden.

  • 2 De parkeerrem moet in werking kunnen worden gesteld door een geheel mechanische overbrenging.

  • 3 De parkeerrem moet in aangezette toestand kunnen worden vergrendeld.

Artikel 7.19 [Vervallen per 01-05-2009]

De remvertraging van de parkeerrem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,0 m/s² bedragen.

Afdeling 2. Bedrijfsauto's [Vervallen per 01-05-2009]

§ 2.1. Bedrijfsauto's in gebruik genomen na 30 september 1975 doch vóór 1 januari 1995 [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 7.20 [Vervallen per 01-05-2009]

De reminrichting van bedrijfsauto's, in gebruik genomen na 31 maart 1990 doch vóór 1 januari 1995, moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 75/524/EEG en 79/489/EEG.

Artikel 7.21 [Vervallen per 01-05-2009]

De reminrichting van bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van niet meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 30 september 1975 doch vóór 1 april 1990, moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG, waarbij:

  • a. punt 2.2.1.12 van bijlage I zodanig wordt toegepast dat of aan punt 2.2.1.12.1 of aan punt 2.2.1.12.2 moet zijn voldaan;

  • b. punt 2.2.1.20 van bijlage I en de punten 1.4 en 1.5 van bijlage II van de richtlijn niet van toepassing zijn;

  • c. in afwijking van punt 2.1.2.1 van bijlage II, de remvertraging van de hulpreminrichting ten minste 30% van de voor de bedrijfsrem vastgestelde waarde moet bedragen, indien de hulpreminrichting uit een deel van de bedrijfsreminrichting bestaat.

Artikel 7.22 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De reminrichting van bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 31 december 1982 doch vóór 1 april 1990, moet voldoen aan de eisen van bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 75/524/EEG en 79/489/EEG.

  • 2 De reminrichting van bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 30 september 1978 doch vóór 1 januari 1983, moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG, zoals gewijzigd bij richtlijn 75/524/EEG.

  • 3 De reminrichting van bedrijfsauto's met een toegestane maximum massa van meer dan 3500 kg, in gebruik genomen na 30 september 1975 doch vóór 1 oktober 1978, moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG.

  • 4 Ten aanzien van de in de vorige leden genoemde bijlagen van richtlijnen geldt dat:

    • a. punt 2.2.1.12 van bijlage I zodanig wordt toegepast dat of aan punt 2.2.1.12.1 of aan punt 2.2.1.12.2 moet zijn voldaan;

    • b. punt 2.2.1.20 van bijlage I en de punten 1.4 en 1.5 van bijlage II van de richtlijn niet van toepassing zijn;

    • c. in afwijking van punt 2.1.2.1 van bijlage II, de remvertraging van de hulpreminrichting ten minste 30% van de voor de bedrijfsrem vastgestelde waarde moet bedragen, indien de hulpreminrichting uit een deel van de bedrijfsreminrichting bestaat.

§ 2.2. Bedrijfsauto's in gebruik genomen na 30 september 1971 doch vóór 1 oktober 1975 [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 7.23 [Vervallen per 01-05-2009]

De reminrichting van bedrijfsauto's in gebruik genomen na 30 september 1971 doch vóór 1 oktober 1975 moet voldoen aan de in de artikelen 7.24 tot en met 7.39 gestelde eisen.

Artikel 7.24 [Vervallen per 01-05-2009]

De reminrichting moet bestaan uit een bedrijfsrem, een parkeerrem, alsmede een hulprem.

Artikel 7.25 [Vervallen per 01-05-2009]

De bedrijfsrem moet:

  • a. regelbaar zijn,

  • b. op alle wielen werken, en

  • c. rechtstreeks werken op met de wielen verbonden remschijven of remtrommels zonder tussenkomst van tandwielen.

Artikel 7.26 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien het hydraulisch remsysteem niet is voorzien van een toegankelijk remvloeistofreservoir, waarvan het vloeistofpeil te controleren is zonder het reservoir te openen, moet dit zijn voorzien van:

    • a. een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het niveau van de remvloeistof onder het vereiste minimum niveau is gedaald, of

    • b. in geval van een gescheiden remsysteem een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra één van de kringen van het remsysteem faalt.

  • 2 De goede werking van het signaal van de in het eerste lid bedoelde waarschuwingsinrichtingen moet kunnen worden gecontroleerd.

  • 3 In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.

Artikel 7.27 [Vervallen per 01-05-2009]

De remvertraging van de bedrijfsrem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N ten minste bedragen:

  • a. 4,0 m/s², en

  • b. 4,5 m/s², indien de bedrijfsauto is ingericht voor het vervoer van personen, met meer dan acht zitplaatsen, de bestuurderszitplaats niet meegerekend.

Artikel 7.28 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De parkeerrem moet op ten minste twee wielen werken, waarbij de beremde wielen zich symmetrisch aan weerszijden van de bedrijfsauto moeten bevinden.

  • 2 De parkeerrem moet in werking kunnen worden gesteld door een geheel mechanische overbrenging.

  • 3 De parkeerrem moet in aangezette toestand kunnen worden vergrendeld.

Artikel 7.29 [Vervallen per 01-05-2009]

De parkeerrem moet de bedrijfsauto op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, en een kracht op de hefboom van de parkeerrem van niet meer dan 600 N, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, ten minste 1,2 m/s² bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.

Artikel 7.30 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De hulprem moet regelbaar zijn.

  • 2 De onderstaande remmen kunnen als hulprem fungeren:

    • a. de parkeerrem, mits de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 2,0 m/s² bedraagt, en de overbrenging onafhankelijk is van die van de bedrijfsrem, of

    • b. de bedrijfsrem, indien het een gescheiden systeem betreft en bij het uitvallen van één van de kringen de remvertraging op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 1,2 m/s² bedraagt

  • 3 Voor de toepassing van het tweede lid, onderdeel a, worden niet als delen van de overbrenging aangemerkt, de delen die de verbinding vormen tussen het bedieningsorgaan en de hoofdremcylinder of de rembedieningsklep, mits deze delen voldoen aan artikel 7.31.

Artikel 7.31 [Vervallen per 01-05-2009]

De bedrijfsrem, de parkeerrem en de hulprem mogen delen gemeenschappelijk hebben, mits:

  • a. de gemeenschappelijke delen van de bedrijfsrem en de hulprem gemakkelijk toegankelijk voor onderhoud zijn en een veilige werking waarborgen;

  • b. het bedieningsorgaan waarmee de parkeerrem in werking wordt gesteld onafhankelijk is van het bedieningsorgaan waarmee de bedrijfsrem in werking wordt gesteld.

Artikel 7.32 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Voorzieningen die niet behoren tot de bedrijfsrem, de hulprem of de parkeerrem, mogen alleen door middel van een overstroomklep of een vergelijkbare automatisch werkende inrichting op het voorraadreservoir zijn aangesloten.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde klep of inrichting moet zo dicht mogelijk bij het voorraadreservoir zijn aangebracht en moet zodanig zijn afgesteld dat de druk in het voorraadreservoir, bij uitvallen van één van de daarop aangesloten voorzieningen niet op gevaarlijke wijze kan verminderen.

Artikel 7.33 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Indien de bedrijfsauto is voorzien van een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem, moet deze zijn voorzien van:

    • a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcylinders op iedere as, kunnen worden gemeten;

    • b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten;

    • c. een drukmeetpunt op elk drukluchtreservoir;

    • d. een aftapinrichting op elk drukluchtreservoir;

    • e. een waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra de energievoorraad in één van de bedrijfsremkringen is gedaald tot een druk van 65% van de normale waarde.

  • 2 Een manometer wordt niet aangemerkt als een waarschuwingsinrichting als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e.

Artikel 7.34 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien voor de werking van een reminrichting een hulpkrachtbron noodzakelijk is, moet deze hulpkrachtbron voldoende energie-reserve bezitten zodat de bedrijfsauto voldoet aan artikel 7.27, eerste lid, 7.29 en 7.30, tweede lid.

Artikel 7.35 [Vervallen per 01-05-2009]

Indien in een remleiding van een druklucht- of vacuüm-reminrichting een afsluitinrichting is aangebracht, moet deze:

  • a. van een vaste of uitsluitend in geopende stand afneembare sleutel zijn voorzien, tenzij de afsluitinrichting zodanig is uitgevoerd, dat door het aansluiten van de leiding de inrichting automatisch in geopende stand wordt gebracht;

  • b. zich op een zodanige plaats bevinden dat deze bij het aansluiten van de remleiding kan worden bediend;

  • c. de geopende stand op of bij de inrichting aangeven.

Artikel 7.36 [Vervallen per 01-05-2009]

Bij elektrische reminrichtingen moeten de leidingen dubbel-polig zijn uitgevoerd.

Artikel 7.37 [Vervallen per 01-05-2009]

Bij het bedienen van de parkeerrem moet het aanhangwagenremsysteem van de bedrijfsauto automatisch in werking worden gesteld.

Artikel 7.38 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Bedrijfsauto's voorzien van een inrichting waarop de druklucht- of vacuümreminrichting voor een aanhangwagen kan worden aangesloten, moeten voorzien zijn van voorraadreservoirs met zodanige afmetingen hebben, dat na “x” volledige remmingen de druk in de voorraadreservoirs nog ten minste de helft van de oorspronkelijke waarde van de bedrijfsdruk bedraagt.

  • 2 De proef, bedoeld in het eerste lid, moet worden uitgevoerd met stilstaande motor. De factor “x” bedraagt:

    • a. 12, bij een éénleiding-drukluchtremsysteem;

    • b. 8, bij een tweeleiding-drukluchtremsysteem;

    • c. 7, bij een éénleiding-vacuümremsysteem;

    • d. 5, bij een tweeleiding-vacuümremsysteem.

Artikel 7.39 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Wanneer een reminrichting of een deel daarvan door een afzonderlijke inrichting buiten werking kan worden gesteld, moet de werking van deze afzonderlijke inrichting automatisch worden beëindigd zodra de reminrichting in werking wordt gesteld.

  • 2 Het eerste lid is echter niet van toepassing indien de afzonderlijke inrichting, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend met behulp van gereedschap buiten werking kan worden gesteld.

§ 2.3. Bedrijfsauto's in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 oktober 1971 [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 7.40 [Vervallen per 01-05-2009]

De reminrichting van bedrijfsauto's, in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 1 oktober 1971, moet voldoen aan de in de artikelen 7.24 tot en met 7.31 alsmede artikel 7.33, met uitzondering van het eerste lid, onderdeel c, gestelde eisen.

§ 2.4. Bedrijfsauto's in gebruik genomen vóór 1 juli 1967 [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 7.41 [Vervallen per 01-05-2009]

De reminrichting ven bedrijfsauto's in gebruik genomen vóór 1 juli 1967 moet voldoen aan de in de artikelen 7.42 tot en met 7.48 gestelde eisen.

Artikel 7.42 [Vervallen per 01-05-2009]

De reminrichting moet bestaan uit een bedrijfsrem, en een parkeerrem.

Artikel 7.43 [Vervallen per 01-05-2009]

De bedrijfsrem moet:

  • a. op alle wielen werken, en

  • b. rechtstreeks werken op met de wielen verbonden remschijven of remtrommels zonder tussenkomst van tandwielen.

Artikel 7.44 [Vervallen per 01-05-2009]

Het remvloeistofreservoir van het hydraulische remsysteem moet op een behoorlijk toegankelijke plaats zijn aangebracht en de vloeistofvoorraad moet op eenvoudige wijze kunnen worden gecontroleerd.

Artikel 7.45 [Vervallen per 01-05-2009]

De remvertraging van de bedrijfsrem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s² bedragen.

Artikel 7.46 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De parkeerrem moet op ten minste twee wielen werken, waarbij de beremde wielen zich symmetrisch aan weerszijden van de bedrijfsauto moeten bevinden.

  • 2 De parkeerrem moet in werking kunnen worden gesteld door een geheel mechanische overbrenging.

  • 3 De parkeerrem moet in aangezette toestand kunnen worden vergrendeld.

Artikel 7.47 [Vervallen per 01-05-2009]

De remvertraging van de parkeerrem moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggend weg ten minste 1,0 m/s² bedragen.

Artikel 7.48 [Vervallen per 01-05-2009]

Bedrijfsauto's met een geheel of gedeeltelijk drukluchtremsysteem moeten zijn voorzien van:

  • a. drukmeetpunten waarmee de drukken die worden ingestuurd in de drukluchtremcylinders op iedere as, kunnen worden gemeten;

  • b. een drukmeetpunt waarmee de druk vóór elke drukluchtremkrachtregelaar kan worden gemeten.

Afdeling 3. Motorfietsen in gebruik genomen vóór 1 april 1995 [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 7.49 [Vervallen per 01-05-2009]

De reminrichting van motorfietsen in gebruik genomen vóór 1 april 1995 moet voldoen aan de in de artikelen 7.50 tot en met 7.53 gestelde eisen.

Artikel 7.50 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Het remsysteem van motorfietsen moet bestaan uit twee remmen.

  • 2 Op elk wiel, met uitzondering van het wiel van de zijspanwagen, moet ten minste één rem werken.

Artikel 7.51 [Vervallen per 01-05-2009]

De remmen moeten rechtstreeks werken op met de wielen verbonden rem-schijven of remtrommels zonder tussenkomst van tandwielen.

Artikel 7.52 [Vervallen per 01-05-2009]

Het remvloeistofreservoir van het hydraulische remsysteem moet op een behoorlijk toegankelijke plaats zijn aangebracht en de vloeistofvoorraad moet op eenvoudige wijze kunnen worden gecontroleerd.

Artikel 7.53 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De remvertraging van de bedrijfsrem van motorfietsen in gebruik genomen na 26 november doch vóór 1 april 1995 moet, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, bij een uitgeoefende kracht van niet meer dan 200 N bij gebruik van een remhandel en niet meer dan 500 N bij gebruik van een rempedaal:

    • a. bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,5 m/s², en bij aangekoppelde zijspanwagen ten minste 4,1 m/s²;

    • b. bij gebruik van de voorwielrem ten minste 3,5 m/s²;

    • c. bij gebruik van de achterwielrem ten minste 2,8 m/s²,

      bedragen.

  • 2 De remvertraging van de bedrijfsrem van motorfietsen in gebruik genomen na 30 juni 1967 doch vóór 27 november 1975, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg bij gebruik van beide remmen tezamen ten minste 4,2 m/s² bedragen.

  • 3 De remvertraging van de bedrijfsrem van motorfietsen in gebruik genomen vóór 1 juli 1967, moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 3,8 m/s² bedragen.

Afdeling 4. Driewielige motorrijtuigen [Vervallen per 01-05-2009]

§ 4.1. Driewielige motorrijtuigen in gebruik genomen na 31 maart 1990 doch vóór 1 april 1995 [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 7.54 [Vervallen per 01-05-2009]

De reminrichting van driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximum massa van meer dan 1000 kg, in gebruik genomen na 31 maart 1990 doch vóór 1 april 1995, moet voldoen aan de eisen van de bijlagen I tot en met VIII van richtlijn 71/320/EEG, zoals gewijzigd bij de richtlijnen 75/524/EEG en 79/489/EEG.

Artikel 7.55 [Vervallen per 01-05-2009]

De reminrichting van driewielige motorrijtuigen met een toegestane maximum massa van niet meer dan 1000 kg, in gebruik genomen na 31 maart 1990 doch vóór 1 april 1995, moet voldoen aan de in de artikelen 7.56 tot en met 7.61 gestelde eisen.

Artikel 7.56 [Vervallen per 01-05-2009]

De reminrichting moet bestaan uit een bedrijfsrem, en een parkeerrem.

Artikel 7.57 [Vervallen per 01-05-2009]

De bedrijfsrem moet:

  • a. regelbaar zijn,

  • b. op alle wielen werken, en

  • c. rechtstreeks werken op met de wielen verbonden remschijven of remtrommels zonder tussenkomst van tandwielen.

Artikel 7.58 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 Als het hydraulisch remsysteem niet is voorzien van een toegankelijk remvloeistofreservoir, waarvan het vloeistofpeil te controleren is zonder het reservoir te openen, moet dit zijn voorzien van:

    • a. een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra het niveau van de remvloeistof onder het vereiste minimum niveau is gedaald, of

    • b. in geval van een gescheiden remsysteem een deugdelijke waarschuwingsinrichting die in werking treedt zodra één van de kringen van het remsysteem faalt.

  • 2 De goede werking van het signaal van de in het eerste lid bedoelde waarschuwingsinrichtingen moet kunnen worden gecontroleerd.

  • 3 In de reservoirs van het hydraulisch remsysteem moet voldoende remvloeistof aanwezig zijn.

Artikel 7.59 [Vervallen per 01-05-2009]

  • 1 De remvertraging van de bedrijfsrem van een driewielig motorrijtuig dat is ingericht voor het vervoer van personen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 5,2 m/s² bedragen bij een pedaalkracht van niet meer dan 500 N.

  • 2 De remvertraging van de bedrijfsrem van een driewielig motorrijtuig dat is ingericht voor het vervoer van goederen moet op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg ten minste 4,0 m/s² bedragen bij een pedaalkracht van niet meer dan 700 N.

Artikel 7.60 [Vervallen per 01-05-2009]

De parkeerrem moet:

  • a. op ten minste twee wielen werken,

  • b. in werking kunnen worden gesteld door een geheel mechanische overbrenging, en

  • c. in aangezette toestand kunnen worden vergrendeld.

Artikel 7.61 [Vervallen per 01-05-2009]

De parkeerrem moet het driewielig motorrijtuig op een helling van 16% in beide richtingen in stilstand kunnen houden. Hieraan wordt voldaan indien de remvertraging, uitgaande van een aanvangssnelheid van 15 km/h, en een kracht op de hefboom van de parkeerrem van niet meer dan 400 N, op een droge of nagenoeg droge en ongeveer horizontaal liggende weg, ten minste 1,2 m/s² bedraagt en de rem ook in achterwaartse richting functioneert.

§ 4.2. Driewielige motorrijtuigen met een ledige massa van niet meer dan 400 kg in gebruik genomen vóór 1 april 1990 [Vervallen per 01-05-2009]

Artikel 7.62 [Vervallen per 01-05-2009]