Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Uitvoeringsvoorschriften BABW inzake verkeerstekens

Geldend van 01-04-2015 t/m heden

Regeling houdende voorschriften over de toepassing, plaatsing en uitvoering van verkeerstekens, uitgezonderd verkeerslichten

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Gelet op artikel 14 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 4, derde lid, 9, 10 eerste en tweede lid, derde lid onder a en c, 11 en 48, derde lid, van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer;

Besluit:

de volgende voorschriften vast te stellen ten aanzien van de toepassing, de plaatsing en de uitvoering van enkele in het RVV 1990 opgenomen verkeersborden, onderborden en verkeerstekens op het wegdek:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Paragraaf 1. Definities

  • 1 Voorwaarschuwingsbord: een op enige afstand voor het bord geplaatst identiek bord van bijlage 1 van het RVV 1990, met een onderbord waarop een afstandsaanduiding is vermeld.

  • 2 Herhalingsbord: een bord geplaatst ter herinnering aan eenzelfde bord dat aan het begin van een en hetzelfde wegvak geplaatst is.

Paragraaf 2. Algemene bepaling ten aanzien van toepassing

  • 4

Verkeerstekens worden slechts toegepast, voor zover dit bepaald nodig is en nadat vervangende infrastructurele maatregelen zijn overwogen.

Paragraaf 3. Tijdelijke toepassing van verkeerstekens

  • 5

Bij tijdelijke toepassing van verkeerstekens en onderborden, overeenkomstig het bepaalde in paragraaf 8 van het BABW, mag in spoedeisende gevallen van de voorschriften in de hoofdstukken II en III worden afgeweken. Dergelijke afwijkingen worden zo spoedig mogelijk gecorrigeerd.

Hoofdstuk II. Verkeersborden

Paragraaf 1. Algemene bepalingen ten aanzien van de toepassing van verkeersborden

  • 1 Borden worden slechts toegepast indien de inrichting van de weg in overeenstemming is met hetgeen bij de afzonderlijke borden is voorgeschreven.

  • 2 Borden worden niet toegepast indien daarmee een regeling beoogd wordt die overeenkomt met een gedragsregel of een ander verkeersteken. Ook indien het gewenste gedrag voortvloeit uit de weginrichting blijven borden achterwege.

  • 3 Verkeersborden die een gevaar aanduiden worden slechts toegepast, indien het gevaar voor weggebruikers onvoldoende of niet tijdig waarneembaar is.

  • 4 Overzicht van mogelijke combinaties bij zonale toepassing.

     

    A1

    E1

    E9

    E10

    C.. 1

    G5

    G7

    A1

    X

    J

    J

    J

    J

    N

    N

    E1

     

    X

    J

    J

    J

    N

    N

    E9

       

    X

    J

    J

    J

    J

    E10

         

    X

    J

    J

    N

    C..1

           

    J

    J

    N

    G5

             

    X

    N

    G7

               

    X

    J = combinatie van zones mogelijk

    N = combinatie van zones niet mogelijk

    X = n.v.t.

Paragraaf 2. Algemene bepalingen ten aanzien van plaatsing van verkeersborden

  • 6 De waarneembaarheid van verkeersborden moet dag en nacht verzekerd zijn.

  • 7 Borden worden zodanig geplaatst dat zij het zicht op het verkeer of op verkeerstekens niet belemmeren.

  • 8 Borden worden in beginsel haaks ten opzichte van de wegas geplaatst.

  • 9 Meer dan twee borden, niet zijnde onderborden, worden buiten de bebouwde kom niet boven elkaar geplaatst. Borden worden gecombineerd in de volgorde van bijlage 1 van het RVV 1990, dat wil zeggen dat een bord geplaatst wordt onder een verderop in die bijlage genoemd bord.

  • 10 Borden worden geplaatst aan de rechterzijde van de weg of boven een rijstrook indien het bord uitsluitend voor die rijstrook geldt, dan wel links van de weg indien het bord uitsluitend voor de linkerzijde geldt.

    Borden kunnen ook boven de rijbaan worden aangebracht.

    Ter hoogte van rechts geplaatste borden kunnen eveneens aan de linkerzijde van de weg of rijbaan worden geplaatst indien daaraan uit oogpunt van waarneembaarheid behoefte bestaat dan wel indien het bord tevens voor de linkerzijde geldt.

  • 11 Bij gebruik op twee- of meerstrooks gedeelten van autosnelwegen en dubbelbaans autowegen worden de borden A1 en A4, C22, F 1 tot en met 4, J (alle), L5, L7 en L11 geplaatst aan beide zijden van de rijbaan waarop zij betrekking hebben.

  • 12 De hoogte van de onderkant van het bord ten opzichte van het wegdek bedraagt minimaal:

    • A. binnen de bebouwde kom: 2,20 m;

      de hoogte mag minder zijn indien het bord is geplaatst op een verkeerseiland of buiten een pad of trottoir, doch bedraagt dan tenminste 1,20 m.

    • B. buiten de bebouwde kom: 1,20 m.

  • 12a De hoogte van de onderkant van bord D2 of D3 ten opzichte van het wegdek, bedraagt minimaal 0,90 meter indien het bord is geplaatst op een gele verkeerszuil.

  • 13 Bij plaatsing van borden boven de rijbaan bedraagt de vrije doorrijhoogte ten minste 4,50 m en boven fiets- en voetpaden ten minste 2,50 m.

    Bij tunnels, viaducten en dergelijke kan hiervan worden afgeweken.

  • 14 Een bord staat tenminste buiten het profiel van vrije ruimte van de rijbaan. De afstand tussen de rand van het bord en de kant van de rijbaan dan wel de kant van de verharding bedraagt bij voorkeur tenminste 0,60 m en ten hoogste 3,60 m. Op wegen buiten de kom, zonder parkeer- of vluchtstrook, bedraagt de minimumafstand 1,80 m.

Paragraaf 3. Algemene bepalingen ten aanzien van uitvoering van verkeersborden

  • 15 Borden worden weergegeven in:

    • vaste uitvoering, waarbij bij voortduring hetzelfde verkeersbord wordt getoond, of

    • verschijnuitvoering, waarbij één of meerdere verkeersborden kunnen worden getoond.

    Borden in vaste uitvoering, met uitzondering van bord L3, voldoen aan de paragrafen 5 en 6 van norm NEN 3381 (Verkeerstekens - Algemene eisen voor borden);

    Borden in verschijnuitvoering, met uitzondering van de borden A3 en F9 en borden in transparante uitvoering, voldoen aan de norm NEN EN 12966 (Verticale verkeerstekens - Variabele verkeersborden)

    Ingeval een bord op een elektronisch signaleringsbord wordt weergegeven kan het symbool in wit op een zwart veld worden uitgevoerd in plaats van in zwart op een wit veld.

  • 16 Borden, met uitzondering van de borden G13, G14, K1 tot en met K13, L3 tot en met L7 en L10 tot en met L12 worden ten minste uitgevoerd overeenkomstig de afmetingen genoemd in paragraaf 4 van norm NEN 3381, waarbij voor de volgende wegen de volgende typen gelden:

    • op wegen waar een maximumsnelheid geldt van 120 km/h of minder: type III;

    • op wegen waar een maximumsnelheid geldt van 80 km/h of minder: type II;

    • op wegen waar een maximumsnelheid geldt van 50 km/h of minder: type I, en

    • bord B1 als herhalingsbord, alsmede de borden D2 en D3 indien gecombineerd met de gele koker: type 0.

    Van de minimummaat kan worden afgeweken indien het bord wordt geplaatst op een parkeerterrein, verzorgingsplaats of andere verkeersruimte bestemd voor beperkt gebruik.

  • 17 Borden worden uitgevoerd met de oppervlakte van de afbeelding in retroreflecterend materiaal. De eigenschappen van het retroreflecterende materiaal komen minimaal overeen met klasse I van norm NEN 3381, met dien verstande dat de borden B7 en D2 minimaal conform klasse II worden uitgevoerd.

    Niet retroreflecterend behoeven te zijn:

    • borden van hoofdstuk E, binnen de bebouwde kom;

    • bord L3;

    • borden G7 tot en met G10 alsmede G13 en G14;

    • borden in transparante uitvoering, en

    • elektronische signaleringsborden.

  • 18 Bewegwijzering ten behoeve van voetgangers mag in afwijking van het bepaalde in het derde lid, eerste volzin, van artikel 4 van het BABW bestaan uit een rechthoekig bord, waarop de letters, cijfers of symbolen in een veld zijn geplaatst van andere kleur dan blauw.

Paragraaf 4. Voorschriften voor de afzonderlijke borden

Bord A1 (maximumsnelheid)

Toepassing

  • 1 De in te stellen maximumsnelheid dient in overeenstemming te zijn met het wegbeeld ter plaatse. Dit betekent dat waar nodig de omstandigheden op zodanige manier zijn aangepast dat de beoogde snelheid redelijkerwijs voortvloeit uit de aard en de inrichting van de betrokken weg en van zijn omgeving.

  • 2 Geen andere dan de volgende maximumsnelheden worden vastgesteld:

    • a. binnen de bebouwde kom:

      • -

        op wegvakken: 70, 30, 15 km/h

      • -

        bij gevarenpunten: 30, 20 km/h;

    • b. buiten de bebouwde kom:

      • op autowegen:

        • -

          op wegvakken: 80 km/h

        • -

          bij gevarenpunten: 70 km/h;

      • op autosnelwegen:

        • -

          op wegvakken: 130, 120, 110, 100, 90, 80, 70, 60, 50 km/h;

      • op andere wegen buiten de bebouwde kom:

        • -

          op wegvakken: 60, 30 km/h

        • -

          bij verkeerslichten: 70 km/h

        • -

          bij gevarenpunten: 60, 50 km/h.

  • 3 Binnen de bebouwde kom mag bord A1 worden geplaatst in afwijking van het bepaalde in Hoofdstuk II, Paragraaf 1 onder punt 2, om zonodig te herinneren aan de algemene snelheidslimiet van 50 km/h.

  • 4 15 km/h en 15 km/h zone, 30 km/h en 30 km/h zone, 60 km/h en 60 km/h zone

    Bord A1 (15 km/h en 15 km/h zone) mag op woonerven worden geplaatst om expliciet aan te geven dat op woonerven slechts stapvoets, 15 km/h, mag worden gereden, zoals bepaald in artikel 45 van het RVV 1990.

    Bord A1 (30 km/h binnen en buiten de bebouwde kom en 60 km/h buiten de bebouwde kom) mag op wegvakken slechts worden toegepast indien wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • -

      iedere weg in het betrokken gebied heeft voornamelijk een verblijfsfunctie;

    • -

      om te voorkomen dat de verblijfsfunctie wordt aangetast door een relatief hoge intensiteit van het gemotoriseerde verkeer, is de weg met zijn omgeving waar nodig aangepast;

    • -

      met het oog op snelheidsbeperking en attentieverhoging is extra aandacht besteed aan potentieel gevaarlijke punten, zoals:

      • a. plaatsen waar voetgangers, in het bijzonder schoolkinderen en bejaarden, plegen over te steken;

      • b. kruispunten met een hoofdroute voor fietsers en eventueel bromfietsers;

      • c. kruispunten waar de voorrang door middel van borden geregeld is;

        • -

          de overgangen naar een andere maximumsnelheid zijn door de constructie duidelijk herkenbaar;

        • -

          indien de overgang naar een hogere maximumsnelheid binnen 20 meter van een kruisende weg ligt, dan is de voorrang geregeld door middel van verkeerstekens of een in- en uitritconstructie, tenzij de kruisende weg geschikt is om in het betrokken gebied opgenomen te worden.

Plaatsing

  • 1 Bord A1 wordt bij combinatie met bord H1 daaronder geplaatst.

  • 2 Bij een rijbaan van meer dan 5 m breed of met twee of meer rijstroken in dezelfde richting, wordt het bord indien mogelijk tevens aan de linkerzijde van die rijbaan geplaatst.

Onderborden

  • 1 Bij voorkeur wordt de reden van een vastgestelde maximumsnelheid bij een gevarenpunt zichtbaar gemaakt door bord A1 te combineren met een bord of onderbord dat de aard van het gevaar of het belang van de maximumsnelheid aangeeft.

Categorale maxima

  • 1 Om een maximumsnelheid aan te geven voor een bepaalde categorie bestuurders wordt die categorie aangegeven op een onderbord, en wel zo mogelijk door het betreffende symbool dat voorkomt in bijlage 1 van het RVV 1990.

    Indien de maximumsnelheden betrekking hebben op motorvoertuigen die een bepaald maximum toegestane totaalmassa te boven gaan wordt op het onderbord die massa vermeld in het aantal tonnen, aangegeven door cijfers met toevoeging van de letter t.

Bord A2 Einde maximumsnelheid

Toepassing

Het bord wordt niet toegepast bij de toegang tot een woonerf.

Bord A3 (maximumsnelheid op een elektronisch signaleringsbord)

Toepassing

Geen andere dan de volgende maximumsnelheden worden vastgesteld op wegvakken op autosnelwegen: 130, 120, 110, 100, 90, 80, 70, 60, 50 km/h.

Plaatsing

  • 1 Dit bord wordt bij plaatsing boven de rijbaan aangebracht boven elke rijstrook. Het bord kan ook rechts van de weg worden geplaatst. In dit geval moet het bord bij een rijbaanbreedte van meer dan 5 m tevens ter linkerzijde worden geplaatst.

Bord A4 (adviessnelheid)

Toepassing

  • 1 Een adviessnelheid wordt slechts plaatselijk toegepast om aan te geven met welke veilige snelheid een gevarenpunt gepasseerd kan worden, waarvan voor de bestuurder niet goed waarneembaar is dat in aanzienlijke mate snelheid moet worden verminderd.

  • 2 In recreatiegebieden kan buiten de bebouwde kom een adviessnelheid worden toegepast op verharde wegvakken met gemengd verkeer, mits de wegen waarvan die wegvakken deel uitmaken hun begin- of eindpunt binnen het recreatiegebied hebben en geen lagere snelheid wordt geadviseerd dan 30 km/h.

  • 3 Zo mogelijk wordt de reden van een vastgestelde adviessnelheid zichtbaar gemaakt door bord A4 te combineren met een bord of onderbord dat de aard van het gevaar of de reden van het advies aangeeft.

  • 4 Een met bord A4 aan te geven adviessnelheid is tenminste 20 km/h lager dan de snelheidslimiet op het direct daaraan voorafgaande weggedeelte.

Voorwaarschuwingsborden

  • 1 Voor het bord wordt geen voorwaarschuwingsbord geplaatst.

Bord A5 (einde adviessnelheid)

Toepassing

  • 1 Dit bord wordt niet toegepast:

    • a. indien uit andere verkeerstekens of uit een gedragsregel reeds het einde van de adviessnelheid voortvloeit;

    • b. ter beëindiging van een adviessnelheid bij een gevarenpunt.

Bord B1 (voorrangsweg)

Toepassing

  • 1 Het bord wordt niet toegepast in erven, op 30 km/h-wegen, in 30 km/h-zones, op 60 km/h-wegen en in 60 km/h-zones.

Plaatsing

  • 1 Binnen de bebouwde kom wordt dit bord geplaatst direct voor zijwegen van de voorrangsweg.

  • 2 Buiten de bebouwde kom wordt dit bord geplaatst op enige afstand na zijwegen van de voorrangsweg. Op autosnelwegen wordt dit bord na toeritten niet geplaatst. Op autowegen wordt dit bord na vloeiende toeritten niet geplaatst.

Onderborden

  • 1 Het verloop van de voorrangsweg kan op een onderbord worden weergegeven.

Borden B3, B4 en B5 (voorrangskruispunt)

Toepassing

  • 1 Het bord wordt slechts toegepast indien op de kruisende weg de voorrang geregeld is door middel van bord B6, B7 en/of door middel van haaientanden.

Plaatsing

  • 1 Het bord mag achterwege blijven, indien het verwarring kan geven ten aanzien van de voorrangsregeling op een volgende, op zeer korte afstand gelegen, kruising of splitsing van wegen. In dit geval worden op de zijweg zowel bord B6 als haaientanden, dan wel bord B7 en een stopstreep toegepast.

Bord B6 (verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg)

Toepassing

  • 1 Het bord wordt niet toegepast binnen erven.

  • 2

    30 km/h- en 30 km/h-zones

    Het bord wordt binnen 30 km/h- en 30 km/h-zones slechts toegepast bij rotondes en bij kruispunten met:

    • -

      een vrijliggende busbaan;

    • -

      een vrijliggend fietspad;

    • -

      een vrijliggend fiets/bromfietspad;

    • -

      een hoofdfietsroute, die duidelijk als zodanig herkenbaar is en waarop slechts een ondergeschikte hoeveelheid gemotoriseerd verkeer voorkomt.

Plaatsing

  • 1 Bij een rijbaanbreedte van meer dan 5 m, wordt het bord buiten de bebouwde kom tevens aan de linkerzijde van de rijbaan geplaatst.

  • 2 Bij twee of meer rijstroken in dezelfde richting binnen de bebouwde kom wordt het bord tevens aan de linkerzijde van de rijbaan geplaatst.

  • 3 Dit bord wordt buiten de bebouwde kom tevens geplaatst op een middengeleider.

  • 4 Indien een fietspad, of fiets/bromfietspad deel uitmaakt van de kruisende weg wordt het bord geplaatst in combinatie met een duidelijke markering van dat pad.

Voorwaarschuwingsborden

  • 1 Op wegen buiten de bebouwde kom wordt een voorwaarschuwing geplaatst, zonodig aangevuld met een voorwaarschuwingsdriehoek op het wegdek.

Onderborden

  • 1 Indien het bord betrekking heeft op een in twee richtingen bereden fietspad dan wel een in twee richtingen bereden fiets/bromfietspad, wordt een onderbord met een fietssymbool en eventueel een bromfietssymbool en twee naar elkaar gerichte horizontale pijlen toegepast.

Bord B7 (stop; verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg)

Toepassing

  • 1 Dit bord wordt slechts toegepast op kruispunten en splitsingen van wegen, waar de meeste bestuurders voor het oprijden uit eigen beweging stoppen.

Plaatsing

  • 1 Bij een rijbaanbreedte van meer dan 5 m, wordt het bord buiten de bebouwde kom tevens aan de linkerzijde van de rijbaan geplaatst.

  • 2 Bij twee of meer rijstroken in dezelfde richting binnen de bebouwde kom wordt het bord tevens aan de linkerzijde van de rijbaan geplaatst.

  • 3 Dit bord wordt buiten de bebouwde kom tevens geplaatst op een middengeleider.

Vooraanduiding

  • 1 Op wegen buiten de bebouwde kom wordt een vooraanduiding geplaatst. Hiervoor wordt uitsluitend bord B6 gebruikt, met een onderbord waarop een afstandaanduiding en zonodig het woord “stop” wordt vermeld. De vooraanduiding kan ondersteund worden door een voorwaarschuwingsdriehoek op het wegdek.

Bord C1 (gesloten in beide richtingen voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee)

Toepassing

  • 1 Het bord wordt niet toegepast bij T-kruispunten, waar toepassing van bord C4, dan wel D4 of D5 mogelijk is.

Bord C2 (eenrichtingweg, in deze richting gesloten voor voertuigen, ruiters en geleiders van rij- of trekdieren of vee)

Toepassing

  • 1 Het bord wordt niet toegepast bij T-kruispunten, waar toepassing van bord C4, dan wel D4 of D5 mogelijk is.

  • 2 Het bord wordt ter voorkoming van spookrijden geplaatst aan het einde van afritten van autosnelwegen en dubbelbaans autowegen, ter weerszijden van de rijbaan. Dit bord wordt op een afstand van tenminste 100 m herhaald en is voorzien van een onderbord met de tekst ’ga terug’. De onderkant van het onderbord moet zich bij voorkeur op een hoogte van 0,50 m boven het wegdek bevinden.

Bord C4 (eenrichtingweg)

Plaatsing

  • 1 Dit bord wordt geplaatst tegenover de zijweg van een T-kruispunt, wanneer er sprake is van eenrichtingverkeer op de doorgaande weg.

Toepassing

  • 1 Dit bord wordt niet toegepast bij een rotonde.

Bord C5 (inrijden toegestaan)

Plaatsing

  • 1 Om verwarring met naastliggende rijbanen te voorkomen mag het bord aan de linkerzijde van de weg worden geplaatst.

Bord C19 (gesloten voor voertuigen die, met inbegrip van de lading, hoger zijn dan op het bord is aangegeven)

Toepassing

  • 1 Het getal op het bord is niet groter dan 3,9 m.

  • 2 Het getal op het bord heeft één decimaal en is altijd 0,10 m tot 0,20 m lager dan de gemeten doorrijhoogte.

Plaatsing

  • 1 Dit bord wordt in beginsel boven de rijbaan aangebracht.

Bord C22 (gesloten voor voertuigen met bepaalde gevaarlijke stoffen)

Toepassing en plaatsing

Vooraanduiding

  • 1 Op autosnelwegen en autowegen wordt een vooraanduiding in de vorm van bord L10 geplaatst.

Bord C23-01 Spitsstrook open

Toepassing

Dit bord wordt toegepast op bepaalde trajecten om aan te geven dat daar de vluchtstrook in verband met grote drukte is opengesteld als spitsstrook.

Plaatsing

Het bord wordt geplaatst aan de zijde van de rijbaan waar zich de spitsstrook bevindt.

Uitvoering

De afmeting van het bord bedraagt tenminste 1,85 meter (breedte) bij tenminste 1,25 meter (hoogte). De borden worden in verschijnuitvoering uitgevoerd. Er moet ook een blanco vlak of aanduiding kunnen worden getoond, waaruit blijkt dat de spitsstrook niet operationeel is.

Onderbord

Het bord kan worden voorzien van een onderbord. In dat geval luidt de tekst: ‘Spitsstrook open’.

Bord C23-02 Spitsstrook vrijmaken

Toepassing

Dit bord wordt uitsluitend gebruikt om aan te geven dat een geopende spitsstrook dient te worden ontruimd.

Plaatsing

Het bord wordt geplaatst aan de zijde van de rijbaan waar zich de spitsstrook bevindt. Het bord kan zonodig op enige afstand worden herhaald.

Uitvoering

De afmeting van het bord bedraagt tenminste 1,85 meter (breedte) bij tenminste 1,25 meter (hoogte). De borden worden in verschijnuitvoering uitgevoerd. Er moet ook een blanco vlak of aanduiding kunnen worden getoond, waaruit blijkt dat de spitsstrook niet operationeel is.

Onderbord

Het bord C23-02 kan worden voorzien van een onderbord. In dat geval luidt de tekst: ‘Spitsstrook vrijmaken’.

Bord C23-03 Einde spitsstrook

Toepassing

Het bord wordt gebruikt om het einde van de spitsstrook aan te geven.

Plaatsing

Het bord wordt geplaatst aan de zijde van de rijbaan waar zich de spitsstrook bevindt.

Uitvoering

De afmeting van het bord bedraagt tenminste 1,85 meter (breedte) bij tenminste 1,25 meter (hoogte). De borden worden in verschijnuitvoering uitgevoerd. Er moet ook een blanco vlak of aanduiding kunnen worden getoond, waaruit blijkt dat de spitsstrook niet operationeel is.

Onderbord

Het bord C23-03 kan worden voorzien van een onderbord. In dat geval luidt de tekst: ‘Einde spitsstrook’.

Bord D1 Rotonde; verplichte rijrichting

Toepassing en plaatsing

  • 1 Dit bord wordt geplaatst op het middeneiland tegenover de toeleidende wegen. Het bord kan tevens worden geplaatst op de toeleidende wegen.

  • 2 Dit bord wordt slechts toegepast in combinatie met plaatsing van bord B6 en haaientanden bij de aansluiting van toeleidende wegen op de hoofdrijbaan van de rotonde. De vormgeving van de toeleidende wegen is zonodig aangepast aan de voorrangsregeling.

    Bovenstaande gebeurt op zodanige wijze dat de bestuurders op de toeleidende weg voorrang moeten verlenen aan de bestuurders op de hoofdrijbaan van de rotonde.

Vooraanduidingsborden

  • 1 Dit bord wordt niet als voorwaarschuwingsbord gebruikt. Als vooraanduiding kan uitsluitend bord J9 worden gebruikt.

Borden D2 (gebod voor alle bestuurders het bord voorbij te gaan aan de zijde die de pijl aangeeft) en D3 (bord mag aan beide zijden voorbij worden gegaan)

Toepassing

  • 1 Op andere plaatsen dan aan het begin van een middengeleider worden deze borden niet toegepast.

  • 2 Dit bord wordt niet toegepast op het middeneiland bij een rotonde.

Plaatsing

  • 1 Binnen de bebouwde kom wordt dit bord voorzien van een reflecterend gele koker, verticaal onder het bord geplaatst. Indien deze borden bevestigd zijn aan masten van verkeerslichten of verlichting kan de gele koker achterwege blijven.

Bord E1 (parkeerverbod) en bord E2 (verbod stil te staan)

Plaatsing

  • 1 Het einde en het begin van een parkeer- of stopverbod wordt zonodig aangegeven door middel van een onderbord met een pijl in de richting van het wegvak waarvoor het verbod geldt. Dit onderbord wordt evenwijdig aan de wegas aangebracht. Wanneer het einde of het begin van een verbod met een zijweg samenvalt kan het onderbord achterwege blijven.

    Het einde van deze verboden wordt niet aangegeven indien dit reeds volgt uit een ander verkeersteken of uit een gedragsregel dan wel uit de inrichting van de weg.

  • 2 Op rijbanen met verkeer in twee richtingen worden deze borden zodanig geplaatst dat de verboden voor verkeer in beide richtingen waarneembaar zijn. Hiertoe mogen de borden, mits voorzien van een onderbord waaruit begin of eind van het parkeerverbod blijkt, evenwijdig aan de wegas worden geplaatst.

Bord E5 (taxistandplaats; tevens parkeerverbod voor andere voertuigen)

Plaatsing

  • 1 Dit bord mag evenwijdig aan de weg worden geplaatst.

Bord E6 (gehandicaptenparkeerplaats)

Plaatsing

  • 1 Dit bord mag evenwijdig aan de weg worden geplaatst.

Onderborden

  • 1 Indien de parkeerplaats is gereserveerd voor een motorvoertuig, wordt een onderbord met het kenteken van dat motorvoertuig aangebracht.

  • 2 Indien de parkeerplaats is gereserveerd voor een gehandicaptenvoertuig, wordt een onderbord ’gehandicaptenvoertuig’ aangebracht.

Bord E7 (gelegenheid bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen van goederen; tevens parkeerverbod voor andere voertuigen)

Plaatsing

  • 1 Het bord mag evenwijdig aan de weg worden geplaatst.

Bord E8 (parkeergelegenheid alleen bestemd voor de voertuigcategorie die op het bord is aangegeven; tevens parkeerverbod voor andere voertuigcategorieën)

Uitvoering

  • 1 Afbeeldingen ter aanduiding van de voertuigcategorieën komen overeen met de afbeeldingen in zijaanzicht op de borden van bijlage 1 van het RVV 1990.

Plaatsing

  • 1 Het bord mag evenwijdig aan de weg worden geplaatst.

Bord E9 (parkeergelegenheid alleen bestemd voor vergunninghouders)

Plaatsing

  • 1 Dit bord mag evenwijdig aan de weg worden geplaatst.

Bord E10 (Parkeerschijf-zone)

Plaatsing

  • 1 Dit bord mag evenwijdig aan de weg worden geplaatst.

  • 2 In een zone, aangeduid met bord E10, worden parkeerplaatsen waar het gebruik van de parkeerschijf niet verplicht is, aangeduid of aangegeven met een P-tegel of een P-bord.

Bord E12 (Parkeergelegenheid voor openbaar-vervoer-reizigers bij een Parkeer en Reis halte)

Toepassing

  • 1 De afzonderlijke parkeergelegenheid, bestemd voor openbaar vervoer reizigers, moet voldoen aan de volgende eisen:

    • -

      voldoende (minimaal 40) parkeerplaatsen bevatten;

    • -

      voorzien zijn van verharding, van een parkeervakindeling en van openbare verlichting.

  • 2 Een parkeerplaats op deze parkeergelegenheid mag niet verder dan op ongeveer 250 meter loopafstand zijn gelegen van de Parkeer en Reis halte.

  • 3 Dit bord mag uitsluitend worden toegepast indien het betrokken openbaar vervoer op werkdagen gedurende de spitsuren in ieder geval een frequentie heeft van zes maal per uur voor zoveel het lokaal vervoer betreft en van twee maal per uur voor zoveel het interlokaal vervoer betreft.

Plaatsing

  • 1 Dit bord wordt geplaatst bij de parkeergelegenheid van een Parkeer en Reis halte.

  • 2 Het bord kan tevens als verwijzing worden toegepast. In dat geval kan het symbool van het bord worden opgenomen in de bewegwijzering, of wordt het bord voorzien van een pijlaanduiding.

Bord E13 (Parkeergelegenheid ten behoeve van carpoolers)

Toepassing

  • 1 De parkeergelegenheid ten behoeve van carpoolers moet voorzien zijn van een verharding, een parkeervakindeling en openbare verlichting.

Plaatsing

  • 1 Dit bord wordt geplaatst bij de parkeergelegenheid ten behoeve van carpoolers.

  • 2 Het bord kan tevens als verwijzing worden toegepast. In dat geval wordt de verwijzing door middel van een pijlaanduiding op het bord aangegeven.

Bord F1 (verbod voor motorvoertuigen om elkaar onderling in te halen)

Plaatsing

  • 1 De plaatsing van dit bord geschiedt op enige afstand voor het punt of weggedeelte waar het inhalen gevaarlijk of hinderlijk is.

  • 2 Bij een rijbaanbreedte van meer dan 5 m, wordt het bord tevens aan de linkerzijde van de rijbaan geplaatst.

Bord F2 (einde verbod voor motorvoertuigen om elkaar onderling in te halen)

Plaatsing

  • 1 De plaatsing van dit bord geschiedt op enige afstand voorbij het punt of weggedeelte waar het inhalen gevaarlijk of hinderlijk is.

  • 2 Dit bord wordt niet geplaatst indien de beëindiging van het inhaalverbod samenvalt met een geplaatst bord B6 of B7.

Bord F3 (verbod voor vrachtauto’s om motorvoertuigen in te halen)

Plaatsing

  • 1 De plaatsing van dit bord geschiedt op enige afstand voor het punt of een weggedeelte waar het inhalen gevaarlijk of hinderlijk is.

  • 2 Bij een rijbaanbreedte van meer dan 5 m, wordt het bord tevens aan de linkerzijde van de rijbaan geplaatst.

Bord F4 (einde verbod voor vrachtauto’s om motorvoertuigen in te halen)

Plaatsing

  • 1 De plaatsing van dit bord geschiedt op enige afstand voorbij het punt of weggedeelte waar het inhalen gevaarlijk of hinderlijk is.

  • 2 Dit bord wordt niet geplaatst indien de beëindiging van het inhaalverbod samenvalt met een geplaatst bord B6 of B7.

Bord F5 (verbod voor bestuurders door te gaan bij nadering van verkeer uit tegengestelde richting)

Vooraanduidingen

  • 1 Bord F5 wordt niet als voorwaarschuwing gebruikt. Als vooraanduiding kunnen de borden J17, J18 of J19 worden gebruikt.

Bord F6 (bestuurders uit tegengestelde richting moeten verkeer dat van deze richting nadert voor laten gaan)

Vooraanduidingen

  • 1 Bord F6 wordt niet als voorwaarschuwing gebruikt. Als vooraanduiding kunnen de borden J17, J18 of J19 worden gebruikt.

Bord F7 (keerverbod)

Plaatsing

  • 1 Dit bord wordt aan de linkerzijde van de rijbaan geplaatst.

Bord F10 (stop. In het bord kan worden aangegeven door wie of waarom het bord wordt toegepast)

Uitvoering

  • 1 In het bord wordt zo mogelijk aangegeven door wie of waarom het bord wordt toegepast.

Voorwaarschuwing

  • 1 Buiten de bebouwde kom wordt een voorwaarschuwing geplaatst.

Bord G1 (autosnelweg)

Toepassing

  • 1 De weg waarop dit bord wordt geplaatst voldoet aan de volgende eisen:

    • -

      de lengte van het als autosnelweg aangeduide weggedeelte bedraagt minimaal 2,5 km,

    • -

      de weg is gelegen buiten de bebouwde kom en de doorgaande rijbaan is aangewezen als voorrangsweg,

    • -

      de weg heeft ongelijkvloerse kruisingen, gescheiden rijbanen en vloeiend verlopende toe- en afritten.

Bord G3 (autoweg)

Toepassing

  • 1 De weg, waarop dit bord wordt geplaatst, voldoet aan de volgende eisen:

    • -

      de lengte van het als autoweg aangeduide weggedeelte bedraagt minimaal 2,5 km,

    • -

      de doorgaande rijbaan is aangewezen als voorrangsweg,

    • -

      de weg heeft geen uitritten,

    • -

      overpaden zijn slechts bij hoge uitzondering toegelaten en het gebruik is beperkt tot agrarisch verkeer,

    • -

      de breedte van de wegverharding bedraagt ten minste 7,00 m,

    • -

      bij kruispunten zijn opstelvakken voor linksafslaand verkeer aanwezig.

Bord G5 (erf)

Toepassing

  • 1 Het erf moet voornamelijk een verblijfsfunctie hebben. Dit houdt in, voor zover het gemotoriseerd verkeer betreft, dat de wegen binnen een erf slechts een functie mogen hebben voor verkeer dat zijn bestemming of zijn vertrekpunt binnen het erf heeft en de intensiteit van het verkeer het karakter van het erf niet mag aantasten.

  • 2 De aard en de gesteldheid van de wegen en weggedeelten in het erf moeten zodanig zijn en op of aan die wegen en weggedeelten moeten snelheidsbeperkende voorzieningen zijn aangebracht waardoor stapvoets rijden redelijkerwijze uit die omstandigheden voortvloeit.

  • 3 De indruk moet worden vermeden dat de weg is verdeeld in een rijbaan en een trottoir. Er mag daarom geen doorlopend hoogteverschil bestaan in het dwarsprofiel van een weg binnen een erf. Voor zover aan het vorenstaande wordt voldaan mag een voorziening voor voetgangers worden gerealiseerd.

  • 4 De in- en uitgangen van een erf moeten reeds door hun constructie als zodanig duidelijk kenbaar zijn. Voor zover de in- en uitgangen bij een kruisende weg door motorvoertuigen kunnen worden gebruikt moeten zij als in- of uitrit zijn uitgevoerd. Het is toegestaan dat de in- en uitgang van een erf vóór een kruisende weg is gesitueerd, mits op een zodanige afstand, met een minimum van 20 meter, van de kruisende weg dat geen misverstand kan bestaan over de op het kruispunt geldende voorrangsregeling.

  • 5 De parkeerplaatsen moeten worden aangeduid of aangegeven met een P-tegel of een P-bord. Indien het erf tevens is aangewezen als parkeerschijf-zone moet op de parkeerplaatsen waar de parkeerschijf verplicht is een blauwe streep worden aangebracht.

Bord G6 (einde erf)

Toepassing

  • 1 Bord G6 wordt toegepast bij elke uitgang van een erf.

Plaatsing

  • 1 Dit bord mag aan de linker- of rechterzijde van de weg worden geplaatst.

Borden G7 tot en met G14 Voetpad, ruiterpad, verplicht fietspad, onverplicht fietspad en fiets/bromfietspad, respectievelijk einde van het pad.

Toepassing

  • 1 Bord G12a wordt slechts toegepast:

    • -

      indien het ongewenst is dat bromfietsers gebruik maken van de rijbaan of van een andere route;

    • -

      bij een weggedeelte voor fietsers en bromfietsers op een eenrichtingsweg, aan de zijde waar deze weg voor het overige verkeer door middel van bord C2 is gesloten, mits dit weggedeelte is gemarkeerd door een doorgetrokken streep.

Plaatsing

  • 1 De borden G7 tot en met G14 mogen aan de linker- of rechterzijde van de weg worden geplaatst.

Uitvoering

  • 1 Deze borden mogen op zelfstandige paden in parken, duinen en boswegen worden uitgevoerd met geringere afmetingen dan type 0.

Borden H1 en H2 (bebouwde kom resp. einde bebouwde kom)

Toepassing

  • 1 De grens van de bebouwde kom, aangegeven door bord H1 en H2, wordt gekenmerkt door het begin van een langs de weg gelegen aaneengesloten bebouwing van zodanige omvang en dichtheid, dat een voor de weggebruiker duidelijk herkenbaar verschil in het karakter van de wegomgeving aanwezig is met een buiten de bebouwde kom gelegen weg. Ter plaatse van de komgrens moet een zodanige wijziging van wegkenmerken voorkomen dat het verschil in karakter van de weg voor en na bord H1 of H2 aldaar zoveel mogelijk benadrukt wordt.

Plaatsing

  • 1 Bord H2 kan links of rechts van de weg of rijbaan worden geplaatst.

  • 2 Beide borden kunnen worden weggelaten langs voetpaden, onverplichte fietspaden en ruiterpaden.

Bord J 9 Rotonde.

Toepassing

  • 1 Dit bord wordt uitsluitend toegepast als vooraanduiding op geruime afstand van een rotonde.

Bord J15 (beweegbare brug)

Plaatsing

  • 1 Buiten de bebouwde kom wordt dit bord bij aanwezigheid van een voorwaarschuwingssein daaronder geplaatst.

Onderborden

  • 1 Indien automatische afsluitbomen aanwezig zijn wordt een onderbord ’slagbomen dalen automatisch’ geplaatst.

Bord J16 (werk in uitvoering)

Toepassing

  • 1 Dit bord wordt uitsluitend tijdelijk toegepast.

Borden J17 tot en met J19 (rijbaanversmalling)

Toepassing

  • 1 Deze borden worden niet gebruikt om het einde van een rijstrook aan te geven.

Borden J21 (kinderen), J23 (voetgangers), J24 (fietsers en bromfietsers)

Toepassing

  • 1 Deze borden worden in het algemeen niet toegepast indien de plaats waar wordt overgestoken, ligt bij een kruising of splitsing van wegen.

Onderborden

  • 1 Indien bord J24 waarschuwt voor fietsverkeer in twee richtingen, wordt dit bord voorzien van een onderbord met twee horizontale, naar elkaar gerichte pijlen.

Bord J25 (losliggende stenen)

Toepassing

  • 1 Dit bord wordt uitsluitend tijdelijk gebruikt.

Bord J29 (tegenliggers)

Plaatsing

  • 1 Het bord wordt geplaatst nabij het punt waar twee gescheiden rijbanen overgaan in een rijbaan voor verkeer in twee richtingen.

  • 2 Het bord wordt geplaatst aan het begin van een wegvak waar de bestuurder geen tegenliggers verwacht.

Bord J32 (verkeerslichten)

Toepassing

  • 1 Dit bord wordt toegepast in situaties, waar verkeerslichten door bestuurders niet worden verwacht.

Uitvoering

  • 1 Op autosnelwegen wordt dit bord uitgevoerd met twee gele knipperlichten.

  • 2 Op autowegen buiten de bebouwde kom wordt dit bord uitgevoerd met een geel knipperlicht.

Onderborden

  • 1 Buiten de bebouwde kom wordt de afstand tot de verkeerslichten op een onderbord vermeld.

Verlichting

  • 1 Op autowegen en autosnelwegen is het bord bij duisternis verlicht door een eigen verlichting.

Bord J33 (file)

Uitvoering

  • 1 Dit bord wordt als regel uitgevoerd in verschijnuitvoering.

Onderborden

  • 1 Indien het bord niet is uitgevoerd in verschijnuitvoering, dan wordt op een onderbord aangegeven onder welke omstandigheden filevorming optreedt.

Borden J34 (ongeval); J35 (slecht zicht door sneeuw, regen of mist; J36 (ijzel of sneeuw)

Toepassing

  • 1 Deze borden worden uitsluitend tijdelijk toegepast.

Bord J37 (gevaar)

Toepassing

  • 1 Dit bord wordt alleen toegepast, indien het gevaar niet door een ander bord van bijlage 1 van het RVV 1990 kan worden aangeduid.

Onderborden

  • 1 In alle gevallen wordt de aard van het gevaar op een onderbord aangegeven.

Bord K14

Toepassing

  • 1 Dit bord wordt toegepast om routes aan te duiden waarop krachtens gemeentelijke verordening het vervoer van gevaarlijke stoffen is toegestaan.

Bord L1 (hoogte onderdoorgang)

Toepassing

  • 1 Het getal op het bord is niet kleiner dan 4,0 m en niet groter dan 4,4 m.

  • 2 Het getal op het bord heeft één decimaal en is altijd 0,10 m tot 0,20 m lager dan de gemeten doorrijhoogte.

Plaatsing

  • 1 Dit bord wordt in beginsel boven de rijbaan aangebracht.

Bord L2 (voetgangersoversteekplaats)

Toepassing

  • 1 Dit bord wordt uitsluitend toegepast bij een zebra.

Plaatsing

  • 1 Bij voorkeur wordt dit bord in een middengeleider dan wel boven de rijbaan aangebracht.

Bord L4 (voorsorteren)

Plaatsing

  • 1 De plaatsing van een bord L4 geschiedt op enige afstand voor het begin van de voorsorteervakken.

Bord L5 (einde rijstrook)

Plaatsing

  • 1 De plaatsing van een bord L5 geschiedt voor het einde van de rijstrook of het begin van het verdrijvingsvlak.

Bord L13 Verkeerstunnel

Toepassing

  • 1. Het bord wordt geplaatst voor elke tunnel, langer dan 250 meter.

  • 2. De lengte van de tunnel wordt vermeld in het onderste deel van het bord.

  • 3. De naam van de tunnel kan op het bord of op een onderbord worden aangegeven.

  • 4. Bij tunnels, langer dan 3000 meter, wordt de resterende lengte van de tunnel om de 1000 meter aangegeven.

Plaatsing

Het bord wordt aan elke ingang van de tunnel geplaatst.

Bord L15 Vluchthaven

Toepassing

De aanwezigheid van noodtelefoons en brandblusapparaten wordt aangegeven met bord L 18.

Bord L 20 Dichtstbijzijnde uitgang in de op het bord aangegeven richting en afstand

Toepassing en plaatsing

Het bord wordt om de 25 meter op een hoogte van ten hoogste 1,5 meter boven het wegdek op de tunnelwanden geplaatst om aan te geven waar zich de twee dichtstbijzijnde uitgangen bevinden.

Hoofdstuk III. Onderborden

Uitvoering en plaatsing

  • 1 Onderborden zijn rechthoekig en worden in wit uitgevoerd met zwarte letters, cijfers en afbeeldingen.

  • 2

    • a. Op onderborden worden waar mogelijk de afbeeldingen gebruikt zoals die voorkomen op de borden van bijlage 1 van het RVV 1990.

    • b. Om een beperking van de werkingssfeer aan te geven wordt het woord ’uitgezonderd’ gebruikt.

    • c. Indien het beoogde verkeersgedrag niet kan worden aangegeven overeenkomstig de in de onderdelen a en b aangegeven wijze, worden teksten of tekens, al dan niet in combinatie met symbolen, gebruikt, waarmee het beoogde verkeersgedrag wordt aangegeven.

  • 3 De grootte en leesbaarheid van het onderbord is in overeenstemming met die van het bord waaronder het is geplaatst.

  • 4 Het retroreflecterend materiaal waarin het onderbord wordt uitgevoerd is gelijk aan dat van het bord, waaraan het is toegevoegd.

  • 5 Een afstandsaanduiding en wegvaklengte worden afgerond op:

    • -

      10 m bij afstanden van minder dan 100 m

    • -

      50 m bij afstanden tot 300 m

    • -

      100 m bij afstanden vanaf 300 m.

    Bij afstanden van meer dan 1000 m wordt de afstand in kilometers aangegeven, zonodig met één decimaal.

  • 6 De lengte van een wegvak wordt op het onderbord aangegeven door een getal met aan weerszijden verticaal omhoogwijzende pijlen.

Hoofdstuk IV. Verkeerstekens op het wegdek

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

  • 1 Tekens op het wegdek zijn wit tenzij voor een afzonderlijk teken anders is bepaald. Bij tijdelijke toepassing is de kleur in ieder geval een andere kleur dan wit.

  • 2 De minimale breedte van strepen is 0,10 m. De minimale breedte van de stopstreep, bedoeld in art. 78 van het RVV 1990, is 0,20 m.

  • 3 In afwijking van het tweede onderdeel, eerste volzin, is de minimale breedte van de kantstreep 0,05 m indien:

    • a. deze is aangebracht ter markering van de rechterzijde respectievelijk linkerzijde van de vluchtstrook, als de vluchtstrook aan de rechterzijde respectievelijk linkerzijde van de weg is gelegen, en

    • b. deze vluchtstrook kan worden opengesteld als spitsstrook.

Paragraaf 2. Voorschriften voor de afzonderlijke tekens op het wegdek

  • 1 De gele doorgetrokken streep, zoals bedoeld in art. 23.1.g van het RVV 1990

    Plaatsing

    De gele doorgetrokken streep wordt op of langs de kant van de rijbaan aangebracht.

  • 2 De gele onderbroken streep, zoals bedoeld in art. 24.1.e van het RVV 1990

    Plaatsing

    De gele onderbroken streep wordt op of langs de kant van de rijbaan aangebracht.

    Uitvoering

    De verhouding in meters tussen een streep en een onderbreking is:

    • -

      1,00 : 1,00 of

    • -

      0,50 : 0,50 of

    • -

      0,30 : 0,30.

    Het minimum aantal aan te brengen strepen bedraagt drie.

  • 3 De blauwe streep als bedoeld in art. 25, tweede lid, van het RVV 1990

    Plaatsing

    De blauwe streep wordt tenminste aangebracht:

    • -

      aan een lange zijde van een parkeervak bij langsparkeren;

    • -

      aan een korte zijde van een parkeervak bij haaks of schuin parkeren;

    • -

      of langs de kant van de rijbaan waar parkeren over grotere lengte met gebruik van de parkeerschijf is toegestaan.

  • 4 De doorgetrokken streep als bedoeld in artikel 76 van het RVV 1990

    Uitvoering

    De minimumlengte van de doorgetrokken streep bedraagt 20 m.

  • 5 Het verdrijvingsvlak, zoals bedoeld in art. 77 van het RVV 1990

    Vooraanduiding

    Voor het verdrijvingsvlak, ter aanduiding van een vermindering van het aantal rijstroken, wordt een vooraanduiding gegeven in de vorm van verdrijfpijlen op het wegdek voor het einde van een rijstrook, ongeacht de eventuele aanwezigheid van een bord L5.

  • 6 De stopstreep, zoals bedoeld in art. 79 van het RVV 1990

    Toepassing en plaatsing

    Voor een verkeerslicht als bedoeld in de artikelen 68 tot en met 72 van het RVV 1990 en voor een bord B7 wordt een stopstreep aangebracht om duidelijk te maken op welke plaats door bestuurders gestopt dient te worden.

    Uitvoering

    De breedte van de stopstreep die wordt aangebracht bij bord B7 bedraagt ten minste 0,30 m.

  • 7 Haaientanden, zoals bedoeld in artikel 80 van het RVV 1990

    Toepassing (van zelfstandige haaientanden)

    De toepassing van haaientanden met de betekenis, bedoeld in artikel 80 van het RVV 1990 (dus zonder bord B6 en eventueel tevens zonder een bord B3, B4, B5 op een kruisende weg) is beperkt tot:

    • -

      fietspaden en parallelwegen indien de aanwezigheid van één van deze borden verwarring zou kunnen geven voor andere bestuurders;

    • -

      de ten opzichte van de doorgaande weg ondergeschikte zijtak van een T-kruispunt, doch uitsluitend indien het informele voorrangsgedrag overeenkomt met de voorrangsregeling.

    Plaatsing (van alle haaientanden)

    Haaientanden worden aangebracht op de plaats waar bestuurders bij het verlenen van voorrang plegen te stoppen dan wel naar inzicht van de wegbeheerder dienen te stoppen.

  • 8 De blokmarkering, zoals bedoeld in art. 11.4 van het RVV 1990

    Uitvoering

    De blokmarkering, bedoeld in artikel 11.4 van het RVV 1990, is ten minste 20 m lang. De blokken bestaan uit witte rechthoekige markeringen.

  • 9 De voetgangersoversteekplaats (zebra), zoals bedoeld in art. 49.2 van het RVV 1990

    Toepassing

    Een zebra wordt slechts toegepast:

    • -

      op wegen binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/h of 50 km/h en;

    • -

      op wegen buiten de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/h mits de naderingssnelheid van minimaal 85% van de motorvoertuigen lager is dan 50 km/h.

    Uitvoering

  • 1 Een zebra bestaat uit een dwars op de wegas aangebrachte markering met een breedte van ten minste 4 m, bestaande uit witte strepen met een breedte en een tussenliggende afstand van 0,4 tot 0,6 m.

  • 2 Bij een zebra wordt, behalve bij verkeerslichten, altijd bord L2 geplaatst.

Hoofdstuk V. Slotbepalingen

  • 1

    Overgangsbepaling

    De verkeerstekens en onderborden, die zijn geplaatst voor de datum van inwerkingtreding van deze regeling, worden geacht te zijn geplaatst overeenkomstig de bepalingen van deze regeling.

  • 2

    Intrekking

    De regeling van de Minister van Verkeer en Waterstaat van 28 juni 1991, nr. RV 93679A, houdende voorschriften over de toepassing, plaatsing en uitvoering van verkeerstekens, uitgezonderd verkeerslichten (Stcrt. 134), wordt ingetrokken.

  • 3

    Inwerkingtreding

    Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De

Minister

van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink

  • ^ [1]

    = Met dien verstande dat een geslotenverklaring voor alle motorvoertuigen, voortvloeiend uit C1 of C12 de toepassing van de andere zoneborden meestal overbodig maakt.