Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Lozingenbesluit bodembescherming[Regeling vervallen per 01-01-2013.]

Geldend van 01-07-2012 t/m 31-12-2012

Besluit van 8 december 1997, houdende regels met betrekking tot het in de bodem lozen van vloeistoffen (Lozingenbesluit bodembescherming)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 7 november 1997, nr. MJZ97570259, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Gelet op de artikelen 6, 15, 17, 65, 67, 70, 71, 92, 97 en 98 van de Wet bodembescherming;

De Raad van State gehoord (advies van 26 november 1997, nr. W08.97.0725);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 3 december 1997, nr. MJZ 97579463, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;

Hebben goedgevonden en verstaan:

HOOFDSTUK I. ALGEMEEN [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2013]

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

wet:

de Wet bodembescherming;

   

lozing in de bodem:

het definitief in de bodem brengen of doen brengen van vloeistoffen;

   

bestaande lozing in de bodem:

lozing in de bodem die voor 1 juli 1990 regelmatig plaatsvond in het kader van een op die datum reeds bestaande activiteit en waarvan het aantal lozingseenheden - indien het een omvangrijke lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem betreft - sedert 1 juli 1990 met ten hoogste 20 procent is toegenomen;

   

gemiddeld hoogste grondwaterstand:

het gemiddeld hoogste niveau van de grondwaterstand gemeten over een tijdvak van ten minste 8 jaar;

   

riolering:

een gemeentelijk rioolstelsel;

   

woonruimte:

een ruimte die blijkens haar inrichting bestemd is als een afzonderlijk geheel te voorzien in woongelegenheid;

   

lozingseenheid:

berekeningseenheid voor de hoeveelheid huishoudelijk afvalwater die per dag in de bodem wordt geloosd;

   

beperkte lozing in de bodem:

lozing in de bodem van 10 lozingseenheden of minder per dag;

   

omvangrijke lozing in de bodem:

lozing in de bodem van meer dan 10 lozingseenheden per dag;

   

huishoudelijk afvalwater:

afvalwater afkomstig van particuliere huishoudens en ander afvalwater dat naar zijn aard en samenstelling overeenkomt met afvalwater afkomstig van een particulier huishouden;

   

koelwater:

water dat uitsluitend is gebruikt voor koelingsdoeleinden, indien daaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd en de concentratie van verontreinigende stoffen in het water niet door een bewerking van het water is toegenomen;

   

overige vloeistoffen:

vloeistoffen niet zijnde huishoudelijk afvalwater of koelwater;

omgevingsvergunning:

omgevingsvergunning voor een activiteit met betrekking tot een inrichting als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 1a [Vervallen per 01-01-2003]

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Dit besluit is niet van toepassing op een lozing in de bodem:

    • a. van water onttrokken uit een oppervlaktewaterlichaam, indien daaraan, na de onttrekking, geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd;

    • b. van hemelwater of drinkwater, indien daaraan geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd;

    • c. van ter plaatse opgepompt grondwater in dezelfde laag als waar het werd opgepompt, indien daaraan, na de onttrekking, geen verontreinigende stoffen zijn toegevoegd, de concentratie van verontreinigende stoffen niet door een bewerking is toegenomen en daaraan geen warmte is toegevoegd;

    • d. indien het een beregenen, bevloeien of besproeien met uitsluitend grondwater betreft met het oog op:

      • 1. de vochtvoorziening van gewassen;

      • 2. het schoonmaken van gewassen op het veld;

      • 3. het voorkomen van verstuiving van op de bodem gebrachte materialen;

    • e. via een vloeiveld, bezinkveld, biezenveld of rietveld;

    • f. indien het water betreft afkomstig van het reinigen van voertuigen op landbouwbedrijven, die niet zijn gebruikt voor het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen of biociden;

    • g. bij het stomen van de bodem met het oog op de bestrijding van ziekten en plagen;

    • h. voor zover sprake is van artikel 15, eerste, dan wel tweede lid, van de Wet op de openluchtrecreatie;

    • i. indien het een opspuiten van terreinen betreft met het oog op het bouwrijp maken daarvan;

    • j. [Red: vervallen;]

    • k. voor zover het plaatsvindt in het kader van een toediening van kunstmeststoffen met het oog op de gewasproduktie.

  • 2 Dit besluit is voorts niet van toepassing op een lozing in de bodem:

    • a. binnen inrichtingen waarvoor ingevolge een besluit op grond van artikel 8.40 ter zake van lozingen in de bodem in het belang van de bescherming van de bodem voorschriften gelden;

    • b. voor zover daaromtrent in het belang van de bescherming van de bodem voorschriften gelden die krachtens artikel 7 van de wet zijn gesteld met betrekking tot het gebruik van dierlijke mest of zuiveringsslib;

    • c. vanuit een particulier huishouden;

    • d. waarop het Besluit lozen buiten inrichtingen van toepassing is.

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Behoudens het bepaalde in het tweede tot en met zesde lid zijn voor de toepassing van dit besluit burgemeester en wethouders van de gemeente waar de lozing in de bodem plaatsvindt, het bevoegd gezag.

  • 5 Met betrekking tot een lozing in de bodem in een gebied dat niet deel uitmaakt van een provincie, is het bestuursorgaan dat is aangewezen krachtens artikel 21.5 van de Wet milieubeheer, het bevoegd gezag en worden de door dit gezag daartoe aan te wijzen ambtenaren belast met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit besluit bepaalde.

  • 6 Het bestuur van het waterschap in wiens beheergebied een lozing in de bodem plaatsvindt, is het bevoegd gezag, indien het een lozing in de bodem betreft van grondwater dat ter plaatse is onttrokken krachtens een door dat bestuur verleende vergunning als bedoeld in artikel 6.5 van de Waterwet.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Voor de berekening van het aantal lozingseenheden van een lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem wordt voor de toepassing van dit besluit uitgegaan van:

  • 2 Indien meer dan 20 procent van het gebruikte water niet in de bodem wordt geloosd, of wordt geloosd op een wijze als bedoeld in artikel 2, bepaalt het bevoegd gezag op daartoe strekkende aanvraag dat in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onder d, in plaats van de hoeveelheid gebruikt water wordt uitgegaan van de hoeveelheid geloosd water.

HOOFDSTUK II. BEPERKTE LOZINGEN VAN HUISHOUDELIJK AFVALWATER IN DE BODEM [Vervallen per 01-01-2013]

§ 1. Lozingen in de bodem [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het is verboden een beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem - niet zijnde een bestaande lozing in de bodem - uit te voeren.

  • 2 Het verbod geldt niet, indien de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt, tot de dichtstbijzijnde riolering meer is dan 40 meter en tevens wordt voldaan aan de artikelen 6 tot en met 9.

  • 3 Het bevoegd gezag kan voor een lozing in de bodem, anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op een daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering reeds bestaande zuiveringssysteem en van de bij die aanleg reeds bestaande infiltratievoorziening, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien:

    • a. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt, tot de dichtstbijzijnde riolering 40 meter of minder is, en

    • b. wordt voldaan aan de artikelen 6 tot en met 9.

  • 4 Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering berekend langs de kortste lijn waar de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

Artikel 5a [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 5, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 5, derde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet.

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Voorafgaand aan een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 5 moet het huishoudelijk afvalwater door een zuiveringssysteem bestaande uit een septic tank worden geleid.

  • 2 Een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 5 moet worden uitgevoerd in een zakput, infiltratiebed, infiltratiekanaal, dan wel opgehoogd infiltratiebed.

  • 3 De onderzijde van een infiltratievoorziening als bedoeld in het tweede lid moet boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand zijn gelegen.

  • 4 Voorafgaande aan de lozing in de bodem moet door middel van een onderzoek, uitgevoerd overeenkomstig door Onze Minister vast te stellen regels, de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van de lozing en de dimensionering van de infiltratievoorziening zijn vastgesteld.

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Een zuiveringssysteem, een infiltratievoorziening alsmede de daarbij behorende leidingen moeten van een zodanige constructie zijn en van zodanige materialen zijn vervaardigd, dat zij duurzaam bestand zijn tegen vervorming en corrosie.

  • 2 Een zuiveringssysteem, een infiltratievoorziening alsmede de daarbij behorende leidingen moeten zodanig zijn aangelegd en uitgevoerd dat:

    • a. zij te allen tijde bereikbaar zijn,

    • b. alle onderdelen gemakkelijk te herstellen en te vervangen zijn en

    • c. alle vorstgevoelige onderdelen tegen vorst zijn beschermd.

  • 3 Een infiltratievoorziening en de afgesloten onderdelen van een zuiveringssysteem moeten zodanig zijn uitgevoerd, dat een voldoende en ongehinderde afvoer van gevormde gassen kan plaatsvinden.

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Een zuiveringssysteem en de daarmee verbonden leidingen moeten vloeistofdicht zijn uitgevoerd en moeten vloeistofdicht zijn verbonden met een infiltratievoorziening.

  • 2 Een zuiveringssysteem en een infiltratievoorziening moeten in dimensionering en uitvoering op elkaar zijn afgestemd.

  • 3 Onze Minister stelt nadere regels met betrekking tot zuiveringssystemen en infiltratievoorzieningen.

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2013]

Zuiveringssystemen en infiltratievoorzieningen moeten, zolang zij in gebruik zijn voor lozingen in de bodem, zodanig worden onderhouden, dat hun goede werking gewaarborgd is.

Artikel 10 [Vervallen per 01-01-2013]

Indien een beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem definitief wordt beëindigd, moeten het zuiveringssysteem en de infiltratievoorziening worden verwijderd, of na volledige verwijdering van het erin aanwezige slib, worden opgevuld met schoon bodemmateriaal.

Artikel 10a [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Bij een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 5, derde lid, worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorende bijlage I zijn aangegeven. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de te verstrekken gegevens.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 5a.

§ 2. Bestaande lozingen in de bodem [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het is verboden een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem uit te voeren.

  • 2 Het verbod geldt niet indien de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering meer is dan 40 meter.

  • 3 De afstand tot de dichtstbijzijnde riolering als bedoeld in het tweede en vierde lid wordt berekend langs de kortste lijn waar de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  • 4 Artikel 5, derde lid, is ten aanzien van het in het eerste lid bedoelde verbod van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het in artikel 5, derde lid, onder a, gestelde voor de toepassing van dit lid wordt vervangen door: de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering 40 meter of minder is.

Artikel 11a [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 11, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 11, vierde lid, juncto artikel 5, derde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet.

Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Met ingang van 1 januari 2005 zijn de artikelen 6 tot en met 9 voor een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem van overeenkomstige toepassing.

  • 2 In afwijking van het eerste lid zijn de artikelen 6 tot en met 9 voor een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem van overeenkomstige toepassing met ingang van 1 juli 1995, indien de lozing plaatsvindt bij een horecabedrijf als bedoeld in het Besluit horecabedrijven milieubeheer.

Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2013]

Indien een bestaande beperkte lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem definitief wordt beëindigd is artikel 10 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13a [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Bij een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 11, vierde lid, juncto artikel 5, derde lid, worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorende bijlage I zijn aangegeven. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de te verstrekken gegevens.

HOOFDSTUK III. OMVANGRIJKE LOZINGEN VAN HUISHOUDELIJK AFVALWATER IN DE BODEM [Vervallen per 01-01-2013]

§ 1. Lozingen in de bodem [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het is verboden een omvangrijke lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem - niet zijnde een bestaande lozing in de bodem - uit te voeren.

  • 2 Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod indien:

    • a. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering, afhankelijk van het aantal lozingseenheden, ten minste bedraagt:

      • - tot 25 lozingseenheden 100 meter

      • - van 25 tot 50 lozingseenheden 600 meter

      • - van 50 tot 100 lozingseenheden 1500 meter

      • - van 100 tot en met 200 lozingseenheden 3000 meter,

    • b. het een lozing in de bodem betreft van ten hoogste 200 lozingseenheden,

    • c. uit een onderzoek, verricht met grondboringen, uitgevoerd overeenkomstig door Onze Minister vast te stellen regels, de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van de lozing en de dimensionering van de infiltratievoorziening is vastgesteld en

    • d. een aansluiting op de riolering of een andere wijze van afvoer van het huishoudelijk afvalwater redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 4 Het bevoegd gezag kan tevens voor een lozing in de bodem, anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op een daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van het bij de aanleg van de riolering reeds bestaande zuiveringssysteem, bedoeld in artikel 15 , en van de infiltratievoorziening, bedoeld in artikel 16, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien:

    • a. de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering kleiner is dan de afstand die ingevolge het tweede lid, onder a, vereist is, en

    • b. wordt voldaan aan het tweede lid, onder b en c, en aan de artikelen 15 tot en met 19.

  • 5 Voor de toepassing van het tweede en vierde lid wordt de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering berekend langs de kortste lijn waar de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

Artikel 14a [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het huishoudelijk afvalwater moet, alvorens een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 14 plaatsvindt worden gezuiverd door middel van:

    • a. een opgehoogd infiltratiebedsysteem,

    • b. een opgehoogd filtratiebedsysteem,

    • c. een zandfiltersysteem,

    • d. een oxydatiebedsysteem of

    • e. een biorotorsysteem.

  • 2 Bij toepassing van een opgehoogd infiltratiebed - een opgehoogd filtratiebed - dan wel een zandfiltersysteem moet het huishoudelijk afvalwater achtereenvolgens worden voorbehandeld en biologisch behandeld.

  • 3 Bij toepassing van een oxydatiebed - dan wel een biorotorsysteem moet het huishoudelijk afvalwater achtereenvolgens worden voorbehandeld, biologisch behandeld en nabehandeld.

Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 14 dient te worden uitgevoerd in een zakput, infiltratiebed, infiltratiekanaal, dan wel opgehoogd infiltratiebed.

  • 2 De onderzijde van een infiltratievoorziening als bedoeld in het eerste lid moet boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand zijn gelegen.

Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2013]

Met betrekking tot zuiveringssystemen bedoeld in artikel 15 en infiltratievoorzieningen bedoeld in artikel 16 zijn de artikelen 7 tot met 9 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 14 uitvoert, moet het zuiveringssysteem vóór in gebruikname en vervolgens tenminste eenmaal per twee jaar, door een deskundig bedrijf doen keuren op de goede werking ervan.

  • 2 Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld omtrent de in het eerste lid genoemde keuring en het deskundig bedrijf.

  • 3 De schriftelijke resultaten van een keuring als bedoeld in het eerste lid moeten door degene die de lozing in de bodem uitvoert gedurende ten minste vijf jaar worden bewaard.

Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2013]

Indien een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 14 definitief wordt beëindigd, moeten het zuiveringssysteem en de infiltratievoorziening worden verwijderd of, na volledige verwijdering van het erin aanwezige slib, worden opgevuld met schoon bodemmateriaal.

Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2013]

Bij een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 14 en bij een in artikel 14a bedoelde aanvraag om afwijking van het in artikel 14, eerste lid, bedoelde verbod worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorende bijlage I zijn aangegeven. Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de te verstrekken gegevens.

§ 2. Bestaande lozingen in de bodem [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 21 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het is verboden een omvangrijke bestaande lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem uit te voeren.

  • 2 Het verbod geldt niet indien:

    • a. de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering, afhankelijk van het aantal lozingseenheden, ten minste bedraagt:

      • - tot 25 lozingseenheden 100 meter

      • - van 25 tot 50 lozingseenheden 600 meter

      • - van 50 tot 100 lozingseenheden 1500 meter

      • - van 100 tot en met 200 lozingseenheden 3000 meter,

    • b. het een lozing in de bodem betreft van ten hoogste 200 lozingseenheden,

    • c. uit een onderzoek, verricht met grondboringen, uitgevoerd overeenkomstig door Onze Minister vast te stellen regels, de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van de lozing in de bodem en de dimensionering van de infiltratievoorziening is vastgesteld en

    • d. wordt voldaan aan de voorschriften, vermeld in de artikelen 15 tot en met 18, en de krachtens artikel 30 gestelde nadere eisen.

  • 3 Het bevoegd gezag kan op een daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn, gebaseerd op het nog niet verstreken deel van een redelijke afschrijvingstermijn van de bij de aanleg van de riolering reeds bestaande zuiveringssystemen, bedoeld in artikel 15, en de infiltratievoorziening, bedoeld in artikel 16, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien:

    • a. de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering kleiner is dan de afstand die ingevolge het tweede lid, onder a, vereist is, en

    • b. wordt voldaan aan het tweede lid, onder b, c en d.

  • 4 Artikel 20 is op een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in het derde lid van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Voor de toepassing van het tweede en derde lid wordt de afstand tot de dichtstbijzijnde riolering berekend langs de kortste lijn waar de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

Artikel 21a [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij de vergunning bepalen dat in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 21, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan indien het in artikel 21, derde lid, bedoelde geval zich binnen de inrichting voordoet.

Artikel 22 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 21 uitvoert en die voornemens is de gebezigde lozingswijze te wijzigen, geeft hiervan zo spoedig mogelijk kennis aan het bevoegd gezag.

  • 2 Bij een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorende bijlage II zijn aangegeven. De kennisgeving wordt gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister. Onze Minister kan daarbij nadere regels stellen met betrekking tot de in bijlage II bedoelde gegevens.

Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2013]

Ter zake van het definitief beëindigen van een lozing in de bodem als bedoeld in artikel 21 is artikel 19 van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK IV. KOELWATER EN OVERIGE VLOEISTOFFEN [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het is verboden een lozing van koelwater in de bodem uit te voeren.

  • 2 Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op daartoe strekkende aanvraag voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod.

Artikel 24a [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij die vergunning bepalen dat, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 24, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste tien jaar.

Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het is verboden een lozing van overige vloeistoffen in de bodem uit te voeren.

  • 2 Het bevoegd gezag kan, voor een lozing in de bodem anders dan binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, op daartoe strekkende aanvraag, voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar, ontheffing verlenen van het in het eerste lid bedoelde verbod, indien wordt aangetoond dat:

    • a. een aansluiting op de riolering of een andere wijze van afvoer van de vloeistof niet mogelijk is en

    • b. in de overige vloeistoffen geen stoffen voorkomen als bedoeld in de bij dit besluit behorende bijlage III, of deze stoffen daarin voorkomen met een - wat betreft de stoffen van lijst I zodanig geringe toxiciteit, persistentie en (bio)accumulatie, of - wat betreft de stoffen van lijst II - zodanig geringe schadelijke werking dat ook op de lange termijn geen gevaar voor verontreiniging van de bodem bestaat.

  • 3 Indien Onze Minister van Economische Zaken op grond van artikel 3, vierde lid, dient te beslissen over een besluit inzake een ontheffing, stelt hij de directeur-generaal Milieubeheer van het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer in de gelegenheid ter zake advies uit te brengen. De directeur-generaal Milieubeheer brengt een advies uit binnen vier weken nadat hij daartoe in de gelegenheid is gesteld.

Artikel 25a [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Ten aanzien van een lozing in de bodem binnen een inrichting waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, kan het bestuursorgaan dat bevoegd is die vergunning te verlenen, bij die vergunning bepalen dat, in afwijking van het verbod, bedoeld in artikel 25, eerste lid, een lozing in de bodem is toegestaan in gevallen als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a en b, voor een door hem vast te stellen termijn van ten hoogste vier jaar.

Artikel 26 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Aan een ontheffing als bedoeld in de artikelen 24 en 25 worden ten minste voorschriften verbonden met betrekking tot:

    • a. de wijze waarop en de frequentie waarmee onderzoek moet worden verricht naar de samenstelling van de vloeistof die in de bodem wordt geloosd en naar de hoedanigheden van de bodem ter plaatse,

    • b. de samenstelling en de hoeveelheid van de vloeistof die in de bodem wordt geloosd,

    • c. de wijze waarop de lozing in de bodem plaats moet vinden en

    • d. voor zover het geen lozing in de bodem van koelwater betreft, de wijze van definitieve beëindiging van de lozing in de bodem.

  • 2 Bij een aanvraag om een ontheffing worden de gegevens verstrekt die in de bij dit besluit behorende bijlage I zijn aangegeven.

    Onze Minister kan nadere regels stellen met betrekking tot de te verstrekken gegevens.

HOOFDSTUK V. VERDERE BEPALINGEN [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 27 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 2 Een verzoek als bedoeld in het eerste lid bevat:

    • a. de vermelding van de naam en het adres van de aanvrager en de rechthebbenden;

    • b. de vermelding van de plaats waar het onderzoek moet plaatsvinden;

    • c. de vermelding van de aard, de omvang en het tijdstip van het voorgenomen onderzoek;

    • d. de vermelding van de handelingen die de rechthebbenden in het belang van het onderzoek moeten nalaten.

  • 3 Het bevoegd gezag kan, indien een verzoek als bedoeld in het eerste lid is gedaan, de rechthebbenden ten aanzien van het betrokken gedeelte van de bodem de in dat lid bedoelde verplichting opleggen.

Artikel 28 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Het bestuursorgaan dat in het gebied waar de lozing in de bodem geheel of gedeeltelijk plaatsvindt of zal plaatsvinden, bevoegd is tot verlening van vergunning krachtens artikel 6.2 van de Waterwet, wordt in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen omtrent het ontwerp van de beschikking op de aanvraag om ontheffing krachtens de artikelen 14, 24, en 25, en omtrent het voorlopige voornemen tot het geven van een beschikking krachtens artikel 66 van de wet, anders dan op verzoek van de houder van de ontheffing, alsmede omtrent een beslissing tot afwijken van in dit besluit gestelde verboden krachtens de artikelen 14a, 24a, en 25a.

  • 2 Indien burgemeester en wethouders van een gemeente waar de lozing in de bodem plaatsvindt of zal plaatsvinden, ingevolge artikel 3 niet het bevoegd gezag zijn worden zij in de gelegenheid gesteld advies uit te brengen omtrent de onderwerpen bedoeld in het eerste lid.

Artikel 29 [Vervallen per 01-01-2013]

In gevallen waarin een verzoek om ontheffing of afwijking als bedoeld in de artikelen 14, 24 of 25, onderscheidenlijk 14a, 24a of 25a wordt ingediend, waarbij het lozen in de bodem gevolgen kan hebben voor de hoedanigheden van de bodem van een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen, wordt desgevraagd met de betrokken lidstaat overleg gevoerd alvorens ontheffing wordt verleend, of afwijking wordt toegestaan.

Artikel 30 [Vervallen per 01-01-2013]

HOOFDSTUK VI. OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN [Vervallen per 01-01-2013]

Artikel 33 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 2 De artikelen 24 tot en met 26 zijn, voor zover deze betrekking hebben op bestaande lozingen in de bodem, niet van toepassing gedurende twee jaar na 1 juli 1990.

  • 3 Indien binnen de in het tweede lid bedoelde periode een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 24 of artikel 25 is ingediend, gelden de onderscheidenlijk in die artikelen gestelde verboden niet tot 3 maanden nadat het besluit, waarbij op dat verzoek is beslist, van kracht is geworden.

  • 4 De artikelen 25 en 26 zijn gedurende twee jaar na 1 juli 1990 niet van toepassing met betrekking tot lozingen in de bodem tengevolge van de substraatteelt binnen inrichtingen, die tot een in het Hinderbesluit (Stb. 1980, 445) aangewezen categorie behoren.

Artikel 34 [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1 Degene die een omvangrijke bestaande lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem uitvoert, die voldoet aan de vereisten vermeld in artikel 21, tweede lid, onder a en b, dient binnen drie jaar na 1 juli 1990:

    • a. een onderzoek, verricht met grondboringen, overeenkomstig door Onze Minister vast te stellen regels, te doen uitvoeren naar de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van de lozing in de bodem en de dimensionering van de infiltratievoorziening en

    • b. van deze lozing in de bodem een kennisgeving te doen aan het bevoegd gezag.

  • 2 Bij een kennisgeving als bedoeld in het eerste lid worden de gegevens verstrekt, die in de bij dit besluit behorende bijlage II zijn aangegeven. De kennisgeving wordt gedaan op een formulier waarvan het model wordt vastgesteld door Onze Minister. Onze Minister kan daarbij nadere regels stellen met betrekking tot de in bijlage II bedoelde gegevens.

Artikel 35 [Vervallen per 01-01-2013]

Na de inwerkingtreding van dit besluit worden de krachtens het Lozingenbesluit bodembescherming (Stb. 1990, 217) vastgestelde regels en andere besluiten gelijkgesteld met regels onderscheidenlijk besluiten, vastgesteld met toepassing van dit besluit.

Artikel 36 [Vervallen per 01-01-2013]

Het Lozingenbesluit bodembescherming (Stb. 1990, 217) wordt ingetrokken.

Artikel 37 [Vervallen per 01-01-2013]

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sedert de dag van uitgifte van het Staatsblad waarin het wordt geplaatst.

Artikel 38 [Vervallen per 01-01-2013]

Dit besluit wordt aangehaald als: Lozingenbesluit bodembescherming.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat daarvan afschrift zal worden gezonden aan de Raad van State.

's-Gravenhage, 8 december 1997

Beatrix

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer a.i.,

A. Jorritsma-Lebbink

Uitgegeven de achttiende december 1997

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Bijlage I. behorende bij de artikelen 10a, 13a, 20 en 26 van het Lozingenbesluit bodembescherming [Vervallen per 01-01-2013]

Ontheffing of afwijking van in het Lozingenbesluit bodembescherming gestelde verboden, als bedoeld in de artikelen 5, 5a, 11, 11a, 14, 14a, 21, 21a, 24, 24a, 25 en 25a van dat besluit

1. Bij een aanvraag om ontheffing als bedoeld in de artikelen 5, 11, 14, 21, 24 en 25 en bij een aanvraag om afwijking van in het besluit gestelde verboden, als bedoeld in de artikelen 5a, 11a, 14a, 21a, 24a en 25a, worden de volgende gegevens verstrekt:

  • a. naam en adres van degene die ontheffing vraagt;

  • b. een opgave van het adres waar de lozing in de bodem plaatsvindt of zal moeten plaatsvinden;

  • c. de kadastrale aanduiding en een plattegrondtekening van het terrein waar is of zal worden geloosd;

  • d. de voorgenomen tijdsduur van de lozing in de bodem, en

  • e. indien het betreft een verandering van de gebezigde werkwijze, het voorgenomen tijdstip van deze wijziging.

2. Bij een aanvraag om ontheffing voor een omvangrijke lozing van huishoudelijk afvalwater in de bodem, als bedoeld in artikel 14, tweede lid, en bij een aanvraag om afwijking als bedoeld in artikel 14a, tweede lid, worden tevens de volgende gegevens verstrekt:

  • a. het aantal lozingseenheden berekend aan de hand van het bepaalde in artikel 4;

  • b. de resultaten van een onderzoek naar de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse en de dimensionering van de infiltratievoorziening;

  • c. een omschrijving van het toe te passen zuiveringssysteem en de toe te passen infiltratievoorziening;

  • d. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar de vloeistof vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering;

  • e. de resultaten van een onderzoek naar de andere wijzen van afvoer van het huishoudelijk afvalwater, en

  • f. de voorgenomen wijze van definitieve beëindiging van de lozing in de bodem.

3. Bij een aanvraag om ontheffing voor een beperkte lozing, als bedoeld in artikel 5, derde lid, en artikel 11, vierde lid, bij een aanvraag om afwijking als bedoeld in artikel 5a, eerste lid, en artikel 11a, eerste lid, bij een aanvraag om ontheffing voor een omvangrijke lozing, als bedoeld in artikel 14, vierde lid, en 21, derde lid, en bij een aanvraag om afwijking als bedoeld in artikel 14a, tweede lid, en artikel 21a, eerste lid, worden naast de gegevens zoals aangegeven onder punt 1 van deze bijlage tevens de volgende gegevens verstrekt:

  • a. het aantal lozingseenheden berekend aan de hand van het bepaalde in artikel 4;

  • b. de resultaten van een onderzoek naar de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse van de dimensionering van de infiltratievoorziening;

  • c. een omschrijving van het toegepaste zuiveringssysteem en de toegepaste infiltratievoorziening alsmede het tijdstip van installatie, en

  • d. de voorgenomen wijze van definitieve beëindiging van de lozing in de bodem.

4. Bij een aanvraag om ontheffing voor een lozing van koelwater in de bodem, als bedoeld in artikel 24, en bij een aanvraag om afwijking als bedoeld in artikel 24a worden tevens de volgende gegevens verstrekt:

  • a. de samenstelling en temperatuur van het koelwater;

  • b. de hoeveelheid van het koelwater;

  • c. de wijze waarop en de frequentie waarmee onderzoek wordt gedaan naar de samenstelling en temperatuur van het koelwater;

  • d. de resultaten van een onderzoek naar de te verwachten effecten van de lozing op de hoedanigheden van de bodem op de korte en lange termijn, en

  • e. de wijze waarop de lozing in de bodem plaatsvindt.

5. Bij een aanvraag om ontheffing voor een lozing van overige vloeistoffen in de bodem, als bedoeld in artikel 25, en bij een aanvraag om afwijking als bedoeld in artikel 25a worden tevens de volgende gegevens verstrekt:

  • a. de samenstelling van de vloeistof;

  • b. de hoeveelheid van de vloeistof;

  • c. de wijze waarop en de frequentie waarmee onderzoek wordt gedaan naar de samenstelling van de vloeistof;

  • d. de resultaten van een onderzoek naar de te verwachten effecten van de lozing op de hoedanigheden van de bodem op de korte en lange termijn;

  • e. de wijze waarop de lozing in de bodem plaatsvindt;

  • f. de afstand van de kadastrale grens van het perceel waar de vloeistof vrijkomt tot de dichtstbijzijnde riolering;

  • g. de resultaten van een onderzoek naar de andere wijzen van afvoer van de vloeistof, en

  • h. de voorgenomen wijze van definitieve beëindiging van de lozing in de bodem.

Bijlage II. bij het Lozingenbesluit bodembescherming [Vervallen per 01-01-2013]

Kennisgeving als bedoeld in de artikelen 22 en 34 van het Lozingenbesluit bodembescherming

Bij een kennisgeving als bedoeld in de artikelen 22 en 34 moeten de volgende gegevens worden verstrekt:

  • a. naam en adres van degene die kennis geeft,

  • b. een opgave van het adres waar in de bodem wordt geloosd,

  • c. de kadastrale aanduiding en een plattegrondtekening van het terrein waar wordt geloosd,

  • d. de afstand van het dichtstbijzijnde gebouw waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt en de dichtstbijzijnde riolering,

  • e. het aantal lozingseenheden berekend aan de hand van het bepaalde in artikel 4,

  • f. de resultaten van het in artikel 21, tweede lid, onder c, dan wel het in artikel 34, eerste lid, onder a, bedoelde onderzoek naar de gemiddeld hoogste grondwaterstand ter plaatse en de dimensionering van de infiltratievoorziening,

  • g. een omschrijving van het toe te passen zuiveringssysteem en de infiltratievoorziening en

  • h. indien het betreft een verandering van de lozingswijze, het voorgenomen tijdstip van deze wijziging.

Bijlage III. bij het Lozingenbesluit bodembescherming [Vervallen per 01-01-2013]

Lijsten I en II als bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder b, van het Lozingenbesluit bodembescherming

LIJST I. Families en groepen van stoffen [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1. Organische halogeenverbindingen en stoffen waaruit dergelijke verbindingen kunnen ontstaan.

  • 2. Organische fosforverbindingen.

  • 3. Organische tinverbindingen.

  • 4. Stoffen die een kankerverwekkende, mutagene of teratogene werking hebben.

  • 5. Minerale oliën en koolwaterstoffen.

  • 6. Cyaniden.

  • 7. De volgende metalloïden en metalen alsmede verbindingen daarvan:

    • - kwik

    • - cadmium

    • - lood

    • - arsenicum

    • - antimoon

    • - tin

    • - beryllium

    • - uranium

    • - thallium

    • - tellurium

    • - zilver

LIJST II. Families en groepen van stoffen [Vervallen per 01-01-2013]

  • 1. De volgende metalloïden en metalen alsmede verbindingen daarvan:

    • - zink

    • - koper

    • - nikkel

    • - chroom

    • - selenium

    • - molybdeen

    • - borium

    • - vanadium

    • - kobalt

    • - barium

    • - titaan

  • 2. Biociden en derivaten daarvan, die niet onder lijst I vallen.

  • 3. Stoffen met een schadelijke werking op de smaak en/of geur van het grondwater alsmede verbindingen waaruit dergelijke stoffen in het water kunnen ontstaan en die het water ongeschikt voor menselijke consumptie maken.

  • 4. Organische siliciumverbindingen die toxisch of persistent zijn en stoffen waaruit dergelijke verbindingen kunnen ontstaan, met uitzondering van die welke biologisch onschadelijk zijn of die snel worden omgezet in onschadelijke stoffen.

  • 5. Anorganische fosforverbindingen en elementair fosfor.

  • 6. Ammoniak, nitrieten en nitraten.

  • 7. Chloriden, bromiden, fluoriden.

  • 8. Sulfaten.