Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Inhoudsomschrijving thema 'Criminaliteit en rechtsstaat' examen maatschappijleer vwo, schooljaren 1998-1999 en 1999-2000[Regeling vervallen per 31-12-2004.]

Geldend van 07-06-1997 t/m 30-12-2004

Inhoudsomschrijving thema 'Criminaliteit en rechtsstaat' examen maatschappijleer vwo, schooljaren 1998-1999 en 1999-2000

De staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

Gelet op de onderdelen 2.2 van de bijlagen I en II, behorende bij de Regeling examenprogramma's maatschappijleer (Uitleg OenW-Regelingen 1991, 12) betreffende de examenprogramma's maatschappijleer eindexamen vwo en havo en staatsexamen vwo en havo;

Besluit:

Artikel 1. Inhoudsomschrijving 'Criminaliteit en rechtsstaat' [Vervallen per 31-12-2004]

De inhoudsomschrijving van het thema 'Criminaliteit en rechtsstaat' voor de centrale en schriftelijke examens maatschappijleer vwo in de schooljaren 1998-1999 en 1999-2000 respectievelijk de examenjaren 1999 en 2000 wordt vastgesteld zoals is aangegeven in de bijlage, behorende bij deze regeling.

Artikel 2. Bekendmaking [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling zal met de toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 3. Inwerkingtreding [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na de datum van uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen, waarin deze regeling is bekendgemaakt.

Artikel 4. Citeertitel [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling wordt aangehaald als:

Inhoudsomschrijving thema 'Criminaliteit en rechtsstaat' examen maatschappijleer vwo, schooljaren 1998-1999 en 1999-2000.

De

staatssecretaris

van onderwijs, cultuur en wetenschappen

T. Netelenbos

Bijlage 1. Overzicht van de eindtermen Criminaliteit en rechtsstaat voor vwo, vanaf het schooljaar 1998/1999 [Vervallen per 31-12-2004]

NB: Kandidaten dienen de eindtermen te kunnen toepassen bij het analyseren en verklaren van gegeven contexten en vraagstukken op het gebied van criminaliteit en rechtsstaat. Bovendien dienen kandidaten over de verschillende aspecten van dit onderwerp een eigen standpunt te kunnen formuleren op basis van vakspecifieke argumenten.

A. Algemeen: Criminaliteit als sociaal en politiek probleem [Vervallen per 31-12-2004]

1. Kandidaten kunnen op basis van gegeven contexten een beschrijving geven van de aard en de omvang van het verschijnsel criminaliteit en daarmee samenhangende vraagstukken.

1.1. Kandidaten kunnen uitleggen wat onder het begrip criminaliteit wordt verstaan.

1.2. Kandidaten kunnen aan de hand van gegeven contexten aantonen dat diverse vormen van criminaliteit als een sociaal en politiek probleem worden beschouwd.

1.3. Kandidaten kunnen uitleggen op welke manieren een beeld van de omvang van de criminaliteit kan worden verkregen en kunnen kanttekeningen plaatsen bij de verschillende onderzoeksmethodes en statistieken.

B. Politiek-juridische aspecten [Vervallen per 31-12-2004]

1. Kandidaten kunnen aanpak van criminaliteit en strafbaarstelling door de staat in verband brengen met de beginselen van de rechtsstaat.

1.1. Kandidaten kunnen de beginselen van de rechtsstaat herkennen in gegeven contexten die te maken hebben met het bestrijden van criminaliteit.

1.2. Kandidaten kunnen aan de hand van het principe van de machtenscheiding omschrijven op welke wijze de staat is betrokken bij het voork¢men en bestrijden van criminaliteit.

1.2.1. Kandidaten kunnen spanningsverhoudingen herkennen die er bij de aanpak van criminaliteit bestaan tussen de taken en bevoegdheden van verschillende staatsorganen en kunnen deze spanningsverhoudingen in verband brengen met de beginselen van de rechtsstaat.

1.3. Kandidaten kunnen in gegeven contexten de beginselen van de rechtsstaat herkennen in bepalingen van het Nederlandse straf- en strafprocesrecht.

2. Kandidaten kunnen aan de hand van gegeven contexten hun standpunt beargumenteren over de zin en de mogelijke effecten van (bepaalde) straffen.

2.1. Kandidaten kunnen kenmerken van de verschillende straffen en maatregelen herkennen.

2.2. Kandidaten kunnen uitleggen wanneer er sprake is van strafbaarheid van gedrag en dit in contexten herkennen.

2.3. Kandidaten kunnen verschillende theorieën en opvattingen over straffen onderscheiden en deze herkennen in discussies over doel en zin van straffen.

2.4. Kandidaten kunnen verschillende doelen en functies van straffen onderscheiden en kunnen globaal beschrijven welke veranderingen hierin zich in de loop van de tijd hebben voorgedaan.

2.5. Kandidaten kunnen verklaren welke veranderingen hebben plaatsgevonden in opvattingen over de positie van het slachtoffer in het strafrecht.

3. Kandidaten kunnen aangeven op welke wijze de politie, het openbaar ministerie en de rechterlijke macht betrokken zijn bij het voorkomen en bestrijden van criminaliteit en kunnen uitleggen welke dilemma's kunnen ontstaan bij de uitvoering van hun taken.

3.1. Kandidaten kunnen de drie hoofdtaken van de politie noemen.

3.2. Kandidaten kunnen bevoegdheden van de politie herkennen bij de opsporing van strafbare feiten en uitleggen waarom deze bevoegdheden beperkt zijn en hoe deze beperkingen de bestrijding van de criminaliteit kunnen bemoeilijken.

3.3. Kandidaten kunnen taken en werkwijze van het Openbaar Ministerie omschrijven, in (actuele) voorbeelden herkennen en uitleggen welke overwegingen een rol spelen bij het wel of niet vervolgen van strafbare feiten.

3.4. Kandidaten kunnen uitleggen op welke wijze de rechterlijke macht is georganiseerd.

4. Kandidaten kunnen een strafproces analyseren en daarbij kunnen zij de principes van het Wetboek van Strafvordering en de rechtsstaat herkennen.

4.1. Kandidaten kunnen in voorbeelden de functies en de onderlinge relatie van de verschillende actoren bij een strafproces herkennen en uitleggen op welke wijze de organisatie van het strafproces een eerlijk proces bevordert.

4.2. Kandidaten kunnen in voorbeelden de rechten van een verdachte herkennen en kunnen uitleggen dat deze rechten opsporing en vervolging van strafbare feiten kunnen bemoeilijken en op gespannen voet kunnen staan met de belangen van het slachtoffer.

4.3. Kandidaten kunnen de taken en werkwijze van de reclassering omschrijven.

4.4. Kandidaten kunnen de Nederlandse rechtspraak vergelijken met juryrechtspraak.

5. Kandidaten kunnen voor- en nadelen noemen van verschillende soorten beleids(maatregelen) ten aanzien van de aanpak van criminaliteit.

5.1. Kandidaten kunnen verschillende soorten repressieve en preventieve beleidsmaatregelen omschrijven bij de aanpak verschillende vormen van criminaliteit.

5.2. Kandidaten kunnen voor een gegeven voorbeeld van criminaliteit beargumenteren welke soorten van preventieve maatregelen genomen kunnen worden door de overheid, maatschappelijke organisaties en de individuele burger.

5.3. Kandidaten kunnen voorbeelden geven van internationale invloed op het beleid en regelgeving over criminaliteit.

6. Kandidaten kunnen standpunten van politieke partijen over criminaliteitsbestrijding herkennen en deze in verband brengen met de politieke stromingen.

C. Sociaal-economische aspecten [Vervallen per 31-12-2004]

1. Kandidaten kunnen uitleggen dat de positie van groepen in de samenleving van invloed kan zijn op de vorm van crimineel gedrag en ook op de wijze waarop politie en justitie daarop reageren.

1.1. Kandidaten kunnen het verschijnsel criminaliteit in verband brengen met maatschappelijke ongelijkheid.

1.2. Kandidaten kunnen verklaren waarom maatschappelijke categorieën of groepen verschillen in de vorm en mate van criminaliteit.

1.3. Kandidaten kunnen aan de hand van voorbeelden uitleggen dat er sprake is van keuzes in de opsporing, het vervolgen, het bepalen van de strafmaat en het ten uitvoer leggen van straffen.

2. Kandidaten kunnen de toename van criminaliteit en de verschillende vormen van misdaadbestrijding in verband brengen met maatschappelijke ontwikkelingen.

3. Kandidaten kunnen aan de hand van (actuele) voorbeelden uitleggen welke gevolgen criminaliteit heeft voor burger en samenleving.

4. Kandidaten kunnen de opkomst van de georganiseerde misdaad verklaren en uitleggen op welke manieren deze bestreden kan worden.

5. Kandidaten kunnen beschrijven op welke wijze burgers, bedrijven en maatschappelijke groeperingen of instellingen zijn betrokken bij het verschijnsel criminaliteit.

5.1. Kandidaten kunnen manieren beschrijven waarop burgers en bedrijven proberen criminaliteit te voorkomen en kunnen hierbij kanttekeningen plaatsen.

5.2. Kandidaten kunnen van verschillende maatschappelijke organisaties die betrokken zijn bij criminaliteit en strafrechtspraak de doelen en achterban noemen.

D. Sociaal-culturele aspecten [Vervallen per 31-12-2004]

1. Kandidaten kunnen uitleggen wat de betekenis is van rechtsregels voor de samenleving.

1.1. Kandidaten kunnen een onderscheid maken tussen rechtsregels en andere regels of normen en deze in voorbeelden herkennen.

1.2. Kandidaten kunnen uitleggen wat de betekenis is van rechtsregels voor de samenleving en kunnen aan de hand van voorbeelden uitleggen dat recht en rechtspraak voortdurend veranderen.

2. Kandidaten kunnen uitleggen dat criminaliteit een relatief begrip is.

3. Kandidaten kunnen uitleggen hoe beeldvorming over criminaliteit en criminelen ontstaat.

4. Kandidaten kunnen verschillende theorieën en visies toepassen bij het geven van verklaringen over het ontstaan of de toename van (een gegeven vorm van) criminaliteit en kunnen kanttekeningen plaatsen bij deze theorieën.

4.1. Kandidaten kunnen verschillende theorieën en visies ter verklaring van criminaliteit herkennen en deze aan de hand van voorbeelden toelichten.

4.2. Kandidaten kunnen kanttekeningen plaatsen bij de verschillende theorieën en visies ter verklaring van criminaliteit.

4.3. Kandidaten kunnen achtergrondkenmerken van groepen gedetineerden in verband brengen met de verschillende theorieën en visies over oorzaken van criminaliteit.

4.4. Kandidaten kunnen voor een gegeven voorbeeld van crimineel gedrag beargumenteren welke vorm van aanpak volgens hen geschikt is.