Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Vaststelling energieprogramma’s (eerste tranche)[Regeling vervallen per 11-06-2005.]

Geldend van 18-12-1997 t/m 10-06-2005

Ministeriële regeling houdende vaststelling van enige energieprogramma’s, de daarvoor beschikbare bedragen en de periodes in 1997 waarin aanvragen om subsidies met betrekking tot die programma’s kunnen worden ingediend (eerste tranche)

De Minister van Economische Zaken,

Gelet op de artikelen 2, tweede lid, 5 en 6, eerste lid, van het Besluit subsidies energieprogramma’s;

Besluit:

Artikel 1 [Vervallen per 11-06-2005]

Als programma’s als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma’s worden vastgesteld de programma’s, opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlagen 1 tot en met 15, onder A.

Artikel 2 [Vervallen per 11-06-2005]

  • 1 Voor ieder van de in de bijlagen 1 tot en met 15 opgenomen programma’s zijn de bedragen beschikbaar, die zijn opgenomen in de desbetreffende bijlagen, onder B.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde bedragen zijn beschikbaar voor aanvragen die zijn ontvangen in de in de desbetreffende bijlagen onder C opgenomen periodes.

Artikel 3 [Vervallen per 11-06-2005]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 13 maart 1997

De

Minister

van Economische Zaken,

G.J. Wijers

Bijlage 1 [Vervallen per 11-06-2005]

A. Programma bouwmaterialen-, keramiek- en glasindustrie (BKG) 1997 [Vervallen per 11-06-2005]

Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat in het jaar 2000 19% efficiencyverbetering van het energieverbruik, exclusief grondstoffen, wordt bereikt ten opzichte van 1989, conform de doelstelling van de Vervolgnota Energiebesparing.

Om de doelstelling te bereiken, is voor de industrie een aantal instrumenten opgezet, met name Meerjarenafspraken (MJA’s), het Besluit tenders industriële energiebesparing (TIEB), de Subsidieregeling energiebesparings- en milieu-adviezen (E&M), en het onderhavige programma, dat in het kader van het Besluit subsidies energieprogramma’s is gericht op de bouwmaterialen-, keramiek-, en glasindustrie.

Via de meerjarenafspraken worden met de bedrijfssectoren afspraken gemaakt over de wijze waarop de betreffende sector bij zal dragen aan de bovengenoemde doelstelling.

Voorop staat het belang dat te ondersteunen projecten bijdragen aan vernieuwingen die een aanmerkelijk effect op energiegebruik hebben, en daarmee bijdragen aan het behalen van de bovengenoemde doelstelling. Uit projecten voortkomende kennis moet een bredere toepassing kunnen vinden binnen de bouwmaterialen-, keramiek-, en glasindustrie.

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen zijn: haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- en kennisoverdrachtprojecten gericht op:

  • -

    het verbeteren van de energiehuishouding in bedrijven zoals energiebeheer en procesintegratie;

  • -

    het verbeteren van de opwekking en distributie van warmte, koude en elektriciteit bij industriële bedrijven;

  • -

    het verbeteren of vernieuwen van branchespecifieke procestechnologie van energie-intensieve processen, bijvoorbeeld voor processtromen, procesmodellering, producten, en op de toepassing ervan via ketenbeheer;

  • -

    het ontwikkelen van nieuwe energiebesparende technologieën binnen de branche;

  • -

    het verbeteren van kennisoverdracht binnen de branche zoals communicatieplannen, workshops en opleidingen.

Overige beoordelingsaspecten [Vervallen per 11-06-2005]

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

  • a. de slaagkans van het project;

  • b. de milieuverdienste van het project;

  • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

  • d. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd;

  • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

  • f. de bijdrage van het project aan de realisatie van een meerjarenafspraak;

  • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

  • h. de kostprijsverlaging van een voor het programma relevante techniek;

  • i. de mate waarin relevante kennisoverdracht mogelijk is.

Toelichting [Vervallen per 11-06-2005]

Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/ economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

  • de mate waarin CO2-emissie wordt vermeden (ton/jaar);

  • de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies en reststoffenverwerking;

  • de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden.

ad d. Onder het nieuwheidscriterium wordt in onderhavig programma verstaan:

  • het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;

  • het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;

  • (vergaande) procesintegratie.

Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name bij ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten.

ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

ad f. Projecten worden mede beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in de betreffende MJA en de behoefte in de betreffende sector aan de resultaten.

ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of product.

ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger scoren dan een referentie-techniek.

ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden.

Aan het programma kunnen met name bijdragen bedrijven uit de sectoren waarmee meerjarenafspraken gemaakt zijn of zullen worden en organisaties binnen deze sectoren en voorts: instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs;

leveranciers en fabrikanten van productie-apparatuur of processen, alsmede van procesonderdelen;

adviesbureaus.

B. Budget [Vervallen per 11-06-2005]

Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidie-toezeggingen op in 1997 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Bouwmaterialen-, Keramiek-, en Glasindustrie bedraagt f 3.900.000,-.

C. Aanvraagperiode [Vervallen per 11-06-2005]

Aanvragen met betrekking tot het programma Bouwmaterialen-, Keramiek- en Glasindustrie moeten zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1997 tot en met 1 december 1997.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem, Postbus 17, 6130 AA Sittard, tel. 046-4202334

Bijlage 2 [Vervallen per 11-06-2005]

A. Programma chemische en aardolie industrie 1997 [Vervallen per 11-06-2005]

Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat in het jaar 2000 19% efficiencyverbetering van het energieverbruik, exclusief grondstoffen, wordt bereikt ten opzichte van 1989, conform de doelstelling van de Vervolgnota Energiebesparing.

Om de doelstelling te bereiken, is voor de industrie een aantal instrumenten opgezet, met name meerjarenafspraken (MJA’s), het Besluit tenders industriële energiebesparing (TIEB), de Subsidieregeling energiebesparings- en milieu-adviezen (E&M) en het onderhavige programma, dat in het kader van het Besluit subsidies energieprogramma’s is gericht op de chemische industrie, de aardolie-industrie en de olie- en gaswinning.

Met de chemische industrie is op 24 november 1993 een meerjarenafspraak afgesloten. Met de raffinaderijen is op 1 september 1994 een meerjarenafspraak afgesloten. Met de olie- en gaswinningsbedrijven is op 11 juni 1996 eveneens een meerjarenafspraak afgesloten.

Het programma richt zich op ondersteuning van de meerjarenafspraken en het bereiken van een zo groot mogelijke energie-efficiency verbetering in de betreffende bedrijfstakken.

Het programma is ingedeeld in twee onderdelen:

1. Chemische industrie [Vervallen per 11-06-2005]

Dit onderdeel richt zich op de chemische industrie.

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, kennisoverdrachtprojecten, demonstratieprojecten en marktintroductieprojecten gericht op:

  • -

    verlaging van het totale energieverbruik van een fabriek;

  • -

    vernieuwing en verbetering van processen;

  • -

    verbetering van scheidingsbewerkingen, zoals distillatie, membranen en smeltkristallisatie;

  • -

    verbetering van apparaten, zoals reactoren en procesfornuizen;

  • -

    verbetering van warmtewisselende apparatuur en introductie van nieuwe typen warmtewisselaars, bijvoorbeeld compacte warmtewisselaars.

2. Aardolie-industrie en olie- en gaswinning [Vervallen per 11-06-2005]

Dit onderdeel richt zich op raffinaderijen, cokesfabrieken en olie- en gaswinning.

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, kennisoverdrachtsprojecten, demonstratieprojecten en marktintroductieprojecten gericht op:

  • -

    verlagen van het totale energiegebruik van de fabriek resp. installatie;

  • -

    verbetering van processen;

  • -

    verbetering van scheidingsbewerkingen zoals distillatie en membranen;

  • -

    verbetering van apparaten, zoals compressoren, reactoren en procesfornuizen;

  • -

    verbetering van warmtewisselende apparatuur en introductie van geavanceerde nieuwe typen warmtewisselaars.

Overige beoordelingsaspecten [Vervallen per 11-06-2005]

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstelling van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

  • a. de slaagkans van het project;

  • b. de milieuverdienste van het project;

  • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

  • d. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan bestaande kennis wordt toegevoegd;

  • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

  • f. de bijdrage van het project aan de realisatie van een meerjarenafspraak;

  • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

  • h. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.

Toelichting [Vervallen per 11-06-2005]

Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt naast een inschatting van de technische en financieel/ economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

ad d. Onder het nieuwheidscriterium wordt in het onderhavige programma verstaan:

  • -

    het toepassen van nieuwe, danwel vernieuwende technologieën;

  • -

    het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;

  • -

    vergaande procesintegratie.

Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name voor ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten.

ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste. Voor de energieverdienste worden de projectkosten beoordeeld in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

ad f. Projecten worden mede beoordeeld op de bijdrage die ze leveren aan de realisering van doelstelling van de meerjarenafspraak in de betreffende deelsector.

ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of product.

ad h. Projecten die gedragen worden door een samenwerkingsverband waarin eindgebruikers deelnemen, verdienen voorkeur. Ook wordt positief beoordeeld de mate waarin de aanvrager deel wil nemen aan kennisoverdrachtactiviteiten, zoals het schrijven van artikelen, deelnemen aan symposia of openstellen van technologie voor derden.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen bedrijven in de hiervoor genoemde bedrijfstakken. Tevens richt het programma zich op bedrijven of organisaties die invloed kunnen uitoefenen op het toekomstige energieverbruik in de hiervoor genoemde bedrijfstakken, zoals universiteiten, onderzoeksinstellingen, ingenieursbureaus en de apparatenindustrie.

B. Budget [Vervallen per 11-06-2005]

Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1997 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Chemische en Aardolie Industrie bedraagt f 10.800.000,-.

C. Aanvraagperiode [Vervallen per 11-06-2005]

Aanvragen met betrekking tot het programma Chemische Industrie moeten zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1997 tot en met 1 december 1997.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem, Postbus 8242, 3503 RE Utrecht, tel.: 030-2393493

Bijlage 3 [Vervallen per 11-06-2005]

A. Programma energiewinning uit afval en biomassa (EWAB) 1997 [Vervallen per 11-06-2005]

Het doel van het EWAB-programma is het bevorderen van de inzet van biomassa en afval als energiebron, zodanig dat maximaal wordt bijgedragen aan de besparing op fossiele brandstoffen, waarbij de belasting van het milieu binnen aanvaardbare grenzen dient te blijven. Het programma richt zich vooral op projecten op het gebied van brandstofvoorziening, technologie-ontwikkeling, haalbaarheid, demonstratie en marktintroductie.

Het programma is ingedeeld in drie onderdelen:

1. Brandstoffen [Vervallen per 11-06-2005]

Dit onderdeel richt zich op de versterking van de beschikbaarheid van biomassa(brandstoffen) voor energie. Het gaat hierbij om o.a. de teelt van energiegewassen, de benutting van bosbouwkundige, agrarische en industriële reststromen, de import van biomassa, het vervoer, de bewerking, de karakterisering en de versterking van de markt in biomassabrandstoffen.

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen zijn: haalbaarheids-, ontwikkelings-, demonstratie en marktintroductieprojecten gericht op:

  • -

    de teelt van gewassen t.b.v. de (eventueel gedeeltelijke) inzet voor energiedoeleinden;

  • -

    de import van biomassa t.b.v. de inzet voor energiedoeleinden, met uitzondering van de inzet in afvalverbrandingsinstallaties;

  • -

    inventarisatie van de aard en hoeveelheden van biomassa(brandstoffen);

  • -

    bewerking van afval en/of biomassa tot een (hoogwaardige) brandstof, o.a. energiezuinige processen voor het drogen en verkleinen;

  • -

    vermindering van de gezondheidsbezwaren bij het omgaan met biomassa-(brandstoffen);

  • -

    het bij elkaar brengen van vraag naar en aanbod van biomassa(brandstoffen).

2. Conversietechnologie [Vervallen per 11-06-2005]

Dit onderdeel richt zich op de omzetting van biomassa in energie door middel van zowel thermische als biologische conversietechnieken. De nadruk ligt daarbij op de thermische conversieprocessen. De conversie kan zowel betrekking hebben op schone biomassa als biomassa met een afvalkarakter: huishoudelijk afval (of fracties daaruit), hout (vers hout, oud hout, resthout), bedrijfsafval, zuiveringsslib, agrarische residuen, mest, stro, bermgras, energiegewassen. De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen zijn: haalbaarheids-, ontwikkelings-, demonstratie- en marktintroductieprojecten gericht op:

  • -

    schone en efficiënte verbranding van biomassa voor, in het bijzonder, de gecombineerde opwekking van elektriciteit en warmte;

  • -

    thermische vergassing van biomassa. Daarin zijn ook begrepen de daarmee samenhangende voorbewerking van de brandstof en de toepassing van stookgas in gasturbines of gasmotoren;

  • -

    pyrolyse-, liquefactie- en/of carbonisatieprocessen voor biomassa;

  • -

    het meeverbranden van biomassa met fossiele brandstoffen in elektriciteitscentrales of bij andere toepassingen, m.n. waar het schone biomassa (geen afval) betreft;

  • -

    verbetering van de energiebenutting bij afvalverbrandingsinstallaties (AVI’s);

  • -

    de winning en benutting van stortgas, voor zover het project bijdraagt aan de stortgaswinning op langere termijn;

  • -

    vergisting van (natte) bedrijfsafval-stromen, eventueel gecombineerd met mest.

3. Marktstimulering [Vervallen per 11-06-2005]

Dit onderdeel richt zich op de promotie van energiewinning uit afval en biomassa. De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen zijn:

  • -

    projecten die gericht zijn op het vergroten van het draagvlak bij de Nederlandse bevolking voor de introductie van energiewinning uit bio-massa;

  • -

    projecten die gericht zijn op onderwijs en scholing van groepen, die een belangrijke rol spelen bij de implementatie van energiewinning uit biomassa;

  • -

    projecten die gericht zijn op de industriële samenwerking in federatie-verband of vergelijkbare vormen.

Overige beoordelingsaspecten [Vervallen per 11-06-2005]

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstelling van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

  • a. de slaagkans van het project;

  • b. de milieuverdienste van het project;

  • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

  • d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen;

  • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstelling van het programma;

  • f. de nieuwheid van het project;

  • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

  • h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken;

  • i. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.

Toelichting [Vervallen per 11-06-2005]

Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

  • -

    de mate waarin CO2-emissie wordt vermeden(ton/jaar);

  • -

    de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies en reststoffenverwerking;

  • -

    de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden.

Gelet op samenhang tussen bepaalde emissies en het energiegebruik, geldt met name voor marktintroductieprojecten dat zij een voldoende hoog energetisch rendement dienen te hebben. De voorkeur wordt gegeven aan marktintroductieprojecten met hoogrendementprocessen, waaronder warmte/krachtsystemen.

ad d. Van belang is dat projecten zoveel mogelijk aansluiten op reeds eerder door de aanvrager of door anderen gegenereerde kennis en dat voor wat betreft haalbaarheids- en ontwikkelingsprojecten doublures worden vermeden.

ad e. Met name bij demonstratie- en marktintroductieprojecten worden de projectkosten getoetst aan de energie- en milieuverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ) en per hoeveelheid vermeden CO2-emissie (gulden/ton CO2).

ad f. Onder het nieuwheidscriterium wordt in dit programma verstaan:

  • -

    het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;

  • -

    het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;

  • -

    (vergaande) procesintegratie.

Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name voor ontwikkelingsprojecten.

ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van de mate waarin het toepasbaar is in de markt en de mate waarin herhalingspotentieel met betrekking tot de betreffende technologische toepassing aanwezig is.

ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentie-techniek.

ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bedrijven en instellingen bijdragen, die initiatieven wensen te nemen om afval en/of biomassa te benutten voor energie-opwekking en/of daarvoor beschikbaar te maken. Hierbij gaat het vooral om industriële bedrijven, nutsbedrijven, gemeentelijke instellingen en samenwerkingsverbanden, afvalverwerkende bedrijven, landbouwcoöperaties, bosbouwgroepen e.d..

Voor technologie-ontwikkeling richt het programma zich vooral op industriële bedrijven, onderzoeksinstituten en instellingen voor hoger of wetenschappelijk onderwijs.

B. Budget [Vervallen per 11-06-2005]

Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1997 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Energiewinning uit Afval en Biomassa bedraagt f 8.500.000,-.

C. Aanvraagperiode [Vervallen per 11-06-2005]

Aanvragen met betrekking tot het programma Energiewinning uit Afval en Biomassa moeten zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1997 tot en met 1 december 1997.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem, postbus 8242, 3503 RE Utrecht, tel. 030-2393488

Bijlage 4 [Vervallen per 11-06-2005]

A. Programma lichte industrie [Vervallen per 11-06-2005]

Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat 19% efficiencyverbetering van het energieverbruik, exclusief grondstoffen, wordt bereikt in het jaar 2000 ten opzichte van 1989, conform de doelstelling van de Vervolgnota Energiebesparing.

Om de doelstellingen te bereiken zijn voor de industrie een aantal instrumenten opgezet, met name Meerjarenafspraken (MJA’s), het Besluit Tenders Industriële Energiebesparing (TIEB), de Subsidieregeling energiebesparings- en milieu-adviezen (E&M) en het onderhavige programma. Het programma is ingedeeld in drie onderdelen:

1. De sectorale benadering [Vervallen per 11-06-2005]

Dit programma-onderdeel is gericht op de metalektro sector, ijzergieterijen, de oppervlaktebehandelingssector, de industriële loonkoel- en vriesbedrijven, de bloemenveilingen, de visbewerkingsbedrijven, de industriële natwasserijen en strijk-inrichtingen, de tapijtfabrikanten en industriële bedrijven niet behorende tot een branche waarmee een MJA is afgesloten danwel wordt afgesloten en met een jaarlijks energie-gebruik van minimaal 0,1 PJ. Via meerjarenafspraken zullen met deze bedrijfstakken afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de betreffende bedrijfstakken zullen bijdragen aan de bovengenoemde doelstelling.

Dit onderdeel beoogt in de bedrijfstakken waarmee meerjarenafspraken zijn gemaakt of nog zullen worden gemaakt, de doelstellingen van die meerjarenafspraken te realiseren.

De soorten projecten die in 1997 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- en kennisoverdrachtsprojecten en praktijkexperimenten die binnen bovengenoemde bedrijfstakken gericht zijn op:

  • -

    het opstellen van meerjarenplannen en monitoringsystematieken voor een bedrijfstak;

  • -

    het verbeteren van de energiehuishouding in bedrijven, zoals integraal energiebeheer, procesintegratie en procesregelingen;

  • -

    het ontwikkelen van energiebesparingstechnieken;

  • -

    het verbeteren of vernieuwen van branchespecifieke procestechnologie gericht op de verbetering van de energie-efficiency.

2. De benadering via de nutssector [Vervallen per 11-06-2005]

Dit programma-onderdeel is gericht op de Energiedistributiebedrijven (EDB’s) ten behoeve van het realiseren van hun doelstellingen zoals vermeld in het Milieu Actie Plan (MAP) gericht op industriële klanten. Met de EDB’s worden plannen van aanpak gedefinieerd om de industriële bedrijven in de desbetreffende verzorgingsgebieden systematisch te benaderen voor het verbeteren van de energie-efficiency.

De soorten projecten die in 1997 voor subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- en kennisoverdrachtsprojecten en praktijkexperimenten die gericht zijn op:

  • -

    het opstellen van plannen van aanpak voor provinciale of (inter)regionale verzorgingsgebieden;

  • -

    het uitvoeren van projecten in samenwerking met sectoren waarmee een MJA is of zal worden afgesloten.

3. Ondersteunende activiteiten [Vervallen per 11-06-2005]

Dit programma-onderdeel is gericht op de ontwikkeling van energiediensten. Onder energiediensten wordt in dit kader verstaan: het vanuit de EDB’s aan industriële klanten leveren van andere energievormen dan gas en elektriciteit en het leveren van diensten die energie-efficiency bij deze klanten verhoogt.

De soorten projecten die in 1997 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- en kennisoverdrachtsprojecten en praktijkexperimenten die gericht zijn op:

  • -

    het opstellen van plannen die energielevering in de vorm van warmte, koude, mechanischvermogen of perslucht gedeeltelijk ter vervanging van gas- of elektriciteitslevering mogelijk maken;

  • -

    het ontwikkelen van vormen van dienstverlening die een energie-efficiency verbetering bij industriële klanten stimuleert.

Overige beoordelingsaspecten [Vervallen per 11-06-2005]

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

  • a. de slaagkans van het project;

  • b. de milieuverdienste van het project;

  • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

  • d. de nieuwheid en de oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd;

  • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

  • f. de bijdrage van het project aan de realisatie van de meerjarenafspraken;

  • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

  • h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken;

  • i. de mate waarin relevante kennisoverdracht mogelijk is.

Toelichting [Vervallen per 11-06-2005]

Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht zal het verlenen van een subsidie echter niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

  • -

    de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies;

  • -

    de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden.

ad d. Onder het nieuwheidscriterium wordt in onderhavig programma verstaan;

  • -

    het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;

  • -

    het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;

  • -

    (vergaande) procesintegratie.

Het betreft hier voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen.

Dit geldt met name bij ontwikkelings en demonstratieprojecten.

ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energieverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

ad f. Projecten worden mede beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in de betreffende MJA (indien aanwezig) en de behoefte in de betreffende sector aan de resultaten.

ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of product.

ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investeringen- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek.

ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van een installatie voor het bezoek van derden.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen:

  • -

    organisaties en bedrijven binnen bovengenoemde bedrijfstakken;

  • -

    energiedistributiebedrijven;

  • -

    overkoepelende branche-organisaties en individuele bedrijven;

  • -

    instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs;

  • -

    leveranciers en fabrikanten van productie-apparatuur of processen, alsmede van procesonderdelen;

  • -

    adviesbureaus.

B. Budget [Vervallen per 11-06-2005]

Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1997 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Lichte Industrie bedraagt f 4.300.000,-.

C. Aanvraagperiode [Vervallen per 11-06-2005]

Aanvragen met betrekking tot het programma Lichte Industrie moeten zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1997 tot en met 1 december 1997.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem B.V., postbus 8242, 3503 RE Utrecht, tel. 030-2393488

Bijlage 5 [Vervallen per 11-06-2005]

A. Nationaal programma marktimplementatie energie-opslag in aquifers 1997 (MEA) [Vervallen per 11-06-2005]

Het doel van het programma is het bereiken van energiebesparing door middel van de marktimplementatie van thermische energie-opslag in aquifers ten behoeve van koeling en verwarming in de utiliteitsbouw en koeling van industriële processen (als vervanging van de huidige grondwaterkoeling).

Het programma is ingedeeld in drie onderdelen.

Onderdeel 1 [Vervallen per 11-06-2005]

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn:

  • -

    haalbaarheidsprojecten gericht op de toepassing van energie-opslag bij gebouwklimaatbeheersing en proceskoeling.

De subsidie per haalbaarheidsproject zal maximaal 30% van de projectkosten bedragen.

Onderdeel 2 [Vervallen per 11-06-2005]

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen zijn:

  • -

    onderzoeksprojecten gericht op het meten van de werkelijk gerealiseerde energiebesparing en de optredende milieu-effecten.

Onderdeel 3 [Vervallen per 11-06-2005]

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen zijn:

  • -

    onderzoeksprojecten gericht op de evaluatie van de ervaringen bij exploitatie van reeds gerealiseerde projecten;

  • -

    praktijkexperimenten gericht op doelmatige aanpassingen bij reeds gerealiseerde projecten.

Overige beoordelingscriteria [Vervallen per 11-06-2005]

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

  • a. de slaagkans;

  • b. de milieuverdienste van het project;

  • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

  • d. de projectkosten in relatie tot het totaal beschikbare budget en de relevantie van het project met betrekking tot de realisatie van de doelstelling van het programma;

  • e. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

  • f. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.

Toelichting [Vervallen per 11-06-2005]

Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

Ad a. Bij de beoordeling van een aanvraag voor een haalbaarheidsproject zal met name bezien worden in hoeverre te verwachten valt dat een positief resultaat van de haalbaarheidsstudie leidt tot realisatie van het desbetreffend project.

Ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

  • -

    maatregelen die worden genomen ter beperking van emissies;

  • -

    mate van productie of beperking van reststoffen;

  • -

    verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere.

Ad e. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of product.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen: adviesbureaus en architectenbureaus, (toekomstige) eigenaren en exploitanten van utiliteitsgebouwen en industrieën en energiedistributiebedrijven.

B. Budget [Vervallen per 11-06-2005]

Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidie-toezeggingen op in 1997 ontvangen aanvragen voor subsidies met betrekking tot het Nationaal Programma Marktimplementatie Energie-opslag in Aquifers bedraagt f 500.000,-, met dien verstande dat voor onderdeel 2 maximaal f 100.000,- beschikbaar is en voor onderdeel 3 maximaal f 300.000,- beschikbaar is.

C. Aanvraagperiode [Vervallen per 11-06-2005]

Aanvragen met betrekking tot het Nationaal Programma Marktimplementatie Energie-opslag in Aquifers moeten zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1997 tot en met 31 oktober 1997.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem, postbus 8242, 3503 RE Utrecht, 030-2393493

Bijlage 6 [Vervallen per 11-06-2005]

A. Programma intersectorale nieuwe technologieën voor de industrie 1997 (MINT) [Vervallen per 11-06-2005]

Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat 19% efficiencyverbetering van het energiegebruik, exclusief grondstoffen, wordt bereikt in het jaar 2000 ten opzichte van 1989, conform de doelstelling van de Vervolgnota Energiebesparing. Voorts richt het programma zich op energie-efficiencyverbetering op de langere termijn.

In dit programma worden technologieën en methodieken gestimuleerd die breder toepasbaar zijn in meerdere sectoren of pas op langere termijn voor sectoren tot toepassing leiden. Hiertoe worden in beginsel projecten ondersteund die aantoonbaar zijn gericht op de hieronder genoemde aandachtsvelden en bovendien een optimale bijdrage leveren aan bovengenoemde doelstelling in relatie tot de benodigde subsidie of aanvullend zijn op reeds lopende activiteiten in genoemde aandachtsvelden.

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, praktijkexperimenten, demonstratieprojecten, marktintroduktieprojecten en kennisoverdrachtprojecten met betrekking tot nieuwe danwel vernieuwde technologieën gericht op:

  • -

    methodieken en hulpmiddelen ten behoeve van energie-inventarisaties en energie-beheer; methodieken en technieken met betrekking tot procesintegratie, lage-temperatuur warmteterugwinning, warmtepompen en koeltechnieken;

  • -

    elektriciteitsbesparing van elektrische apparaten en toepassing van vermogenselektronica; methoden en technieken voor procesbesturing inclusief mechatronica en sensortechnologie;

  • -

    decentrale aardgastoepassingen inclusief branders en toepassing van industriële isolatie; luchtverwarming in fabriekshallen en optimalisatie van temperatuur-stralers;

  • -

    nieuwe apparaten en systemen gericht op energiebesparing, zoals membraantechnologie, pompen/compressoren/ventilatoren;

  • -

    scholing ten behoeve van de industrie.

Overige beoordelingsaspecten [Vervallen per 11-06-2005]

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

  • a. de slaagkans van het project;

  • b. de milieuverdienste van het project;

  • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

  • d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject van de aanvrager of van anderen;

  • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

  • f. de nieuwheid van het project;

  • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

  • h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken;

  • i. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.

Toelichting [Vervallen per 11-06-2005]

Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

  • -

    de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies;

  • -

    de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden.

ad d. Van belang is dat projecten zoveel mogelijk aansluiten op reeds eerder door de aanvrager of door anderen gegenereerde kennis en dat voor wat betreft haalbaarheids- en ontwikkelingsprojecten doublures worden vermeden.

ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energieverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

ad f. Onder het nieuwheidscriterium wordt in dit programma verstaan:

  • -

    het toepassen van nieuwe danwel vernieuwde technologieën;

  • -

    het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën.

Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name voor ontwikkelingsprojecten.

ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of product.

ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek.

ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen:

  • -

    individuele bedrijven;

  • -

    instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs;

  • -

    leveranciers en fabrikanten van productie-apparatuur of processen, alsmede van procesonderdelen;

  • -

    adviesbureaus.

B. Budget [Vervallen per 11-06-2005]

Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1997 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Intersectorale Nieuwe Technologieën voor de Industrie bedraagt f 8.000.000,-.

C. Aanvraagperiode [Vervallen per 11-06-2005]

Aanvragen met betrekking tot het programma Intersectorale Nieuwe Technologieën voor de Industrie moeten zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1997 tot en met 1 december 1997.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem, postbus 8242, 3503 RE Utrecht, tel. 030-2393493

Bijlage 7 [Vervallen per 11-06-2005]

A. Programma overige industrie 1997 [Vervallen per 11-06-2005]

Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat 19% efficiencyverbetering van het energiegebruik, exclusief grondstoffen, wordt bereikt in het jaar 2000 ten opzichte van 1989, conform de doelstelling van de Vervolgnota Energiebesparing.

Om de doelstelling te bereiken, is voor de industrie een aantal instrumenten opgezet, met name meerjarenafspraken (MJA’s), het Besluit tenders industriële energiebesparing (TIEB), de Subsidieregeling energiebesparings- en milieu-adviezen (E&M) en het onderhavige programma, dat in het kader van het Besluit subsidies energieprogramma’s is gericht op de papier- en kartonindustrie, de textielindustrie, de grafische industrie, de basismetaalindustrie, de papierverwerkende industrie, de kunststofverwerkende industrie en de rubberverwerkende industrie. Via de meerjarenafspraken worden met de bedrijfssectoren afspraken gemaakt over de wijze waarop de betreffende bedrijfssectoren zullen bijdragen aan de bovengenoemde doelstelling.

Het programma beoogt in bovengenoemde bedrijfssectoren waarmee meerjarenafspraken zijn gemaakt of zullen worden gemaakt, de doelstellingen van die meerjarenafspraken te realiseren.

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- en kennisoverdrachtsprojecten die passen binnen:

  • -

    de meerjarenafspraak met de papier- en kartonindustrie;

  • -

    de meerjarenafspraak met de textielindustrie;

  • -

    het kader van de Milieubeleidsovereenkomst met de grafische industrie;

  • -

    de meerjarenafspraak met de ijzer- en staalproducerende industrie;

  • -

    de meerjarenafspraak met de non-ferro-industrie;

  • -

    de meerjarenafspraak met de rubberverwerkende industrie;

  • -

    de meerjarenafspraak met de kunststofverwerkende industrie.

Overige beoordelingsaspecten [Vervallen per 11-06-2005]

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

  • a. de slaagkans van het project;

  • b. de milieuverdienste van het project;

  • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

  • d. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd;

  • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

  • f. de bijdrage van het project aan de realisatie van de meerjarenafspraken;

  • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

  • h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken;

  • i. de mate waarin relevante kennisoverdracht mogelijk is.

Toelichting [Vervallen per 11-06-2005]

Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen, indien de technische en financieel/economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

  • -

    de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies;

  • -

    de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden.

ad d. Onder het nieuwheidscriterium wordt in onderhavig programma verstaan:

  • -

    het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;

  • -

    het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;

  • -

    (vergaande) procesintegratie.

Het betreft hier voor Nederland in meer of minder mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name bij ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten.

ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energieverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ).

ad f. Projecten worden mede beoordeeld op de bijdrage die ze leveren aan de realisering van de doelstelling van de meerjarenafspraak in de betreffende deelsector.

ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of product.

ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek.

ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen bedrijven behorende tot de papier- en kartonindustrie, de textielindustrie, de grafische industrie, de basismetaalindustrie, de papierverwerkende industrie, de kunststofverwerkende industrie en de rubberverwerkende industrie, waarmee meerjarenafspraken gemaakt zijn of zullen worden gemaakt, en voorts organisaties binnen deze bedrijfstakken of organisaties gericht op deze bedrijfstakken zoals:

  • -

    branche- en sectororganisaties;

  • -

    instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs;

  • -

    leveranciers en fabrikanten van productieapparatuur of processen, alsmede van procesonderdelen;

  • -

    adviesbureaus.

B. Budget [Vervallen per 11-06-2005]

Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1997 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Overige Industrie bedraagt f 4.115.000,-

C. Aanvraagperiode [Vervallen per 11-06-2005]

Aanvragen met betrekking tot het programma Overige Industrie moeten zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1997 tot en met 1 december 1997.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem, postbus 8242, 3503 RE Utrecht, tel. 030-2393493

Bijlage 8 [Vervallen per 11-06-2005]

A. Programma rationeel energiegebruik in verkeer en vervoer (REV) [Vervallen per 11-06-2005]

Het doel van het REV-programma is het leveren van een bijdrage aan het energiebesparingsbeleid van de overheid voor de sector Verkeer en Vervoer op het gebied van technologische ontwikkeling, innovatie, vervoerslogistiek en gedragsbeïnvloeding.

Het programma is ingedeeld in twee onderdelen:

1: Technologie ontwikkeling

1.A. Ontwikkeling van zuinige voertuigen [Vervallen per 11-06-2005]

Dit deel richt zich op het bevorderen van industrieel onderzoek en industriële ontwikkeling in Nederland met betrekking tot verhoging van de energie-efficiency van wegvoertuigen.

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor subsidie in aanmerking komen zijn onderzoek- of ontwikkelingsprojecten die mede gefinancierd worden door de industrie en die betrekking hebben op:

  • -

    verhoging van het energetisch rendement van Diesel- en Otto-motoren binnen de randvoorwaarden van de Europese emissie-eisen;

  • -

    ontwikkeling van systemen bestaande uit een vorm van continu variabele transmissie en regeling ter optimalisatie van het energetisch rendement van de gehele aandrijflijn;

  • -

    ontwikkeling van hybride aandrijfconcepten voor wegvoertuigen;

  • -

    voortzetting van reeds eerder in het kader van het REV-programma ondersteunde ontwikkeling van een vliegwielsysteem;

  • -

    haalbaarheidsonderzoeken en industriële onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten gericht op vermindering van het eigen gewicht van auto’s en vrachtwagens ter verhoging van de energie-efficiency.

1.B. Ontwikkelen van toepassingen van transportbrandstoffen [Vervallen per 11-06-2005]

Dit deel richt zich op verbreding van het pakket energiedragers in het wegtransport. Hiermee wordt beoogd een bijdrage te leveren aan diversificatie van motorbrandstoffen en vermindering van de milieubelasting in combinatie met een zo hoog mogelijke energetische efficiency.

De voornaamste projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen zijn:

  • -

    industrieel onderzoek en ontwikkeling met betrekking tot de toepassing van LPG met elektronische inspuit- en regeltechnieken, resulterend in praktijkproeven;

  • -

    industrieel onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van efficiënter gebruik van LPG in Otto- en Dieselmotoren voor bestelwagens en vrachtvoertuigen;

  • -

    verkennend onderzoek naar de mogelijkheden en effecten van toepassing van DME als brandstof in dieselmotoren, en van brandstoffen uit biomassa.

2: Efficiënt gebruik van transportmiddelen

2.A. Efficiënt goederenvervoer [Vervallen per 11-06-2005]

Dit deel richt zich op verbetering van de efficiency van het goederenvervoer. Belangrijke sturingselementen hierin zijn het aantal ritkilometers van het vervoer over de weg, de beladingsgraad en het energiegebruik per tonkilometer.

Projecten dienen een voorbeeldfunctie te vervullen. In aanmerking voor subsidie komen projecten die een verbeterde efficiency van het goederenvervoer tot rechtstreeks gevolg hebben, en projecten ter verbetering van ketenlogistiek (transportnetwerken) en logistieke dienstverlening.

2.B. Gedragsbeïnvloeding [Vervallen per 11-06-2005]

Dit deel is er op gericht om via een planmatige en resultaatgerichte aanpak automobilisten, beroepschauffeurs en vervoerondernemers te motiveren tot het energie- en milieubewust aanschaffen en gebruiken van personenauto’s, bestel- en vrachtwagens en bussen.

De voornaamste onderwerpen die in 1997 voor subsidie in aanmerking komen zijn projecten die betrekking hebben op:

  • -

    kennisoverdracht over Koop Zuinig, Rij Zuinig onderwerpen aan de doelgroepen door het aanvullen resp. uitbreiden van communicatie-activiteiten van intermediaire organisaties;

  • -

    praktijkexperimenten en demonstratieprojecten gericht op het toepassen van in het kader van KZRZ reeds ontwikkelde producten voor forenzen, zakelijke rijders en beroepschauffeurs;

  • -

    educatie, opleidingen en cursussen; dit betreft het integreren van Koop Zuinig, Rij Zuinig onderwerpen in geplande scholingsactiviteiten gericht op kennisoverdracht van het Koop Zuinig Rij Zuinig thema aan de personenautomobilist of beroepschauffeur.

2.C. Energie-efficiency in het railvervoer [Vervallen per 11-06-2005]

Dit deel richt zich op verbetering van de energie-efficiency van de tractie van railvoertuigen, geschikt voor zowel personenvervoer alsook voor goederenvervoer over rail. Het betreft hierbij, in het kader van een intentieverklaring, projecten die betrekking hebben op ontwikkeling van hulpmiddelen om energiezuiniger te rijden met treinen.

Overige beoordelingsaspecten [Vervallen per 11-06-2005]

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

  • a. de slaagkans van het project;

  • b. de milieuverdienste van het project;

  • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

  • d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen;

  • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de doelstelling van het programma;

  • f. de mate van betrokkenheid van de industrie of organisaties van eindgebruikers;

  • g. de relevantie voor technologische clusters in Nederland;

  • h. de nieuwheid van het project;

  • i. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

  • j. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.

Toelichting [Vervallen per 11-06-2005]

Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

ad a. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

ad b. Bij de beoordeling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met de reductie van het brandstofverbruik.

ad d. Van belang is dat projecten zoveel mogelijk aansluiten op reeds eerder door de aanvrager of door anderen gegenereerde kennis en dat voor wat betreft haalbaarheids- en ontwikkelingsprojecten doublures worden vermeden.

ad f. Bij de introductie van nieuwe technieken is het van belang dat er in een vroeg stadium betrokkenheid is van de industrie of organisaties van eindgebruikers. De voorkeur wordt dan ook gegeven aan projecten met een wezenlijke betrokkenheid van de industrie of organisaties van eindgebruikers, zowel inhoudelijk als financieel.

ad g. Bij de beoordeling gaat de voorkeur uit naar projecten die worden ondernomen door samenwerkingsverbanden van industrie, afnemers, onderzoekinstellingen en ontwikkelbedrijven.

ad h. Onder het nieuwheidscriterium wordt in dit programma verstaan:

  • -

    het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;

  • -

    het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën.

Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen.

ad i. Een project wordt mede beoordeeld op basis van de mate waarin het toepasbaar is in de markt, en de mate waarin herhalingspotentieel met betrekking tot de betreffende technologische toepassing aanwezig is.

ad j. Naast de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel, het organiseren van een workshop of het openstellen van een installatie voor bezoek van derden, wordt hierbij met name aandacht besteed aan de participatie van relevante partijen in het project.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen:

  • -

    fabrikanten van transportmiddelen,

  • -

    fabrikanten van componenten en deelsystemen voor transportmiddelen,

  • -

    organisaties op het gebied van verkeer en vervoer,

  • -

    vervoerbedrijven,

  • -

    instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs.

B. Budget [Vervallen per 11-06-2005]

Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1997 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Rationeel Gebruik van Energie in Verkeer en Vervoer bedraagt voor onderdeel 1 f 3.500.000,- en voor onderdeel 2 f 2.600.000,-.

C. Aanvraagperiode [Vervallen per 11-06-2005]

Aanvragen met betrekking tot het programma Rationeel Energiegebruik in Verkeer en Vervoer moeten zijn ontvangen in de periode 19 maart 1997 tot en met 1 december 1997. Aanvragen met betrekking tot onderdeel 2.C, Energie-efficiency in het railvervoer, moeten zijn ontvangen voor 20 december 1997.

Nadere informatie is te verkrijgen bij:

Novem, postbus 8242, 3503 RE Utrecht, tel. 030 - 2393493

Bijlage 9 [Vervallen per 11-06-2005]

A. Programma voedings- en genotmiddelenindustrie 1997 [Vervallen per 11-06-2005]

Het doel van het programma is het bevorderen van energiebesparing in de Nederlandse industrie, opdat in het jaar 2000 19% efficiencyverbetering van het energiegebruik, exclusief grondstoffen, wordt bereikt ten opzichte van 1989, conform de doelstelling van de Vervolgnota Energiebesparing.

Om de doelstelling te bereiken, is voor de industrie een aantal instrumenten opgezet, met name meerjarenafspraken (MJA’s), het Besluit tenders industriële energiebesparing (TIEB), de Subsidieregeling energiebesparings- en milieu-adviezen (E&M) en het onderhavige programma, dat in het kader van het Besluit subsidies energieprogramma’s is gericht op de voedings- en genotmiddelenindustrie.

Het programma beoogt in de bovengenoemde bedrijfssectoren, waarmee meerjarenafspraken zijn of zullen worden gemaakt, de doelstellingen van die meerjarenafspraken te realiseren.

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, onderzoeks-, ontwikkelings-, demonstratie-, marktintroductie- en kennisoverdrachtprojecten die gericht zijn op:

  • -

    beheersing en verbetering van de energiehuishouding in bedrijven, waaronder tevens projecten voor verbetering van productielogistiek, procesregelingen, procesintegratie, waterhuishouding en inzet van biogas zijn begrepen;

  • -

    verbetering van de opwekking en de toepassing van warmte, koude en elektriciteit bij industriële bedrijven;

  • -

    verbetering of vernieuwing van branche-specifieke procestechnologie van energie-intensieve processen, bijvoorbeeld voor het concentreren van processtromen (indampen, kristalliseren, membraanprocessen) en voor het conserveren van producten en/of processtromen (vriezen, koelen, drogen, bakken, steriliseren), en op de toepassing daarvan.

Overige beoordelingsaspecten [Vervallen per 11-06-2005]

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

  • a. de slaagkans van het project;

  • b. de milieuverdienste van het project;

  • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

  • d. de nieuwheid en oorspronkelijkheid van het project en de hoeveelheid relevante informatie die met het project aan de bestaande kennis wordt toegevoegd;

  • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

  • f. de bijdrage van het project aan de realisatie van een meerjarenafspraak;

  • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

  • h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken;

  • i. de mate waarin relevante kennisoverdracht mogelijk is.

Toelichting [Vervallen per 11-06-2005]

Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt, naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel-economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

ad b. Bij de bepaling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

  • -

    de mate waarin het project bijdraagt aan een verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies en reststoffenverwerking;

  • -

    de mate waarin wordt vermeden dat verschuivingseffecten van milieuproblemen van het ene milieucompartiment naar het andere optreden.

ad d. Onder het nieuwheidscriterium wordt in onderhavig programma verstaan:

  • -

    het toepassen van nieuwe dan wel vernieuwende technologieën;

  • -

    het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;

  • -

    (vergaande) procesintegratie.

Er dient sprake te zijn van voor Nederland in meer of mindere mate grensverleggende toepassingen. Dit geldt met name bij ontwikkelingsprojecten en demonstratieprojecten.

ad e. De projectkosten worden getoetst aan de energie- en milieuverdienste. Hiertoe worden beoordeeld de projectkosten in termen van kosten per hoeveelheid bespaarde primaire energiedragers (gulden/GJ). De milieuverdienste wordt kwalitatief beoordeeld.

ad f. Projecten worden mede beoordeeld aan de hand van de stand van zaken in de MJA en de behoefte in de betreffende deelsector aan de resultaten.

ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of product.

ad h. Er wordt belang gehecht aan technieken, apparaten en systemen die voor het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger zijn dan een referentietechniek.

ad i. Hierbij kan gedacht worden aan de bereidheid van de aanvrager tot het schrijven van een artikel voor een vakblad, het organiseren van een workshop of het openstellen van de installatie voor het bezoek van derden.

Aan het programma kunnen met name bijdragen bedrijven uit de sectoren in de voedings- en genotmiddelenindustrie waarmee meerjarenafspraken gemaakt zijn of zullen worden, organisaties binnen deze sectoren en voorts:

  • -

    instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs;

  • -

    leveranciers en fabrikanten van productie-apparatuur of processen, alsmede van procesonderdelen;

  • -

    adviesbureaus.

B. Budget [Vervallen per 11-06-2005]

Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1997 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Voedings- en Genotmiddelenindustrie bedraagt f 5.900.000,-.

C. Aanvraagperiode [Vervallen per 11-06-2005]

Aanvragen met betrekking tot het programma Voedings- en Genotmiddelenindustrie moeten zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1997 tot en met 1 december 1997.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem, postbus 17, 6130 AA Sittard, tel. 046-4202328

Bijlage 10 [Vervallen per 11-06-2005]

A. Lange termijn onderzoeksprogramma gebouwde omgeving (LTGO) 1997 [Vervallen per 11-06-2005]

Het doel van het programma is het op termijn bijdragen aan een betaalbare duurzame samenleving door integratie van energiebesparingsvoorzieningen en duurzame energievoorziening in de woning- en utiliteitsbouw.

Het programma is ingedeeld in drie onderdelen:

  • 1. Ontwikkeling van energiezuinige ontwerpen voor woonwijken en utiliteitsbouw, waarbij zowel sprake is van bouwkundige, bouwfysische als installatietechnische maatregelen om het fossiele energieverbruik te reduceren. Naast genoemde besparingsmaatregelen moet tevens aandacht worden besteed aan duurzame energievoorziening en energie-infrastructuur.

    De te ontwikkelen energiezuinige ontwerpen moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:

    • -

      De energieprestatie dient beduidend beter te zijn dan thans marktbest (dit is nu energieprestatie-coëfficiënt (epc) 1,4 voor kantorennieuwbouw en epc 1,2 voor woningennieuwbouw).

    • -

      De energieprestatie wordt gerealiseerd door optimale combinatie van besparingsmaatregelen en/of duurzame energievoorziening en/of efficiënte inzet van fossiele energie, in deze volgorde van belangrijkheid. Optimaal betekent hier zo laag mogelijke meerinvestering, met als resultaat concepten die trendsettend zijn voor de ontwikkelingen van de bouwmarkt op middellange termijn.

    • -

      Onder besparingsmaatregelen worden tevens maatregelen verstaan die betrekking hebben op energieverbruik voor apparatuur en verlichting.

    • -

      De te ontwikkelen energiezuinige concepten moeten betrekking hebben op projecten met een reëel uitzicht op het realiseren daarvan.

    De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor subsidie in aanmerking komen zijn:

    haalbaarheidsprojecten, bedoeld om de financiële en technische haalbaarheid van mogelijke energiezuinige ontwerpen aan te tonen, knelpunten te analyseren en oplossingsrichtingen aan te geven.

  • 2. Onderzoek- en ontwikkelingsprojecten gericht op het oplossen van technische en niet-technische knelpunten die de realisatie van energiezuinige ontwerpen, zoals omschreven in onderdeel 1, belemmeren. Het onderzoek- of ontwikkelingsproject moet een logisch en onmisbaar onderdeel zijn van een compleet (fictief) ontwerp, dat op middellange termijn leidt tot marktconforme oplossingen.

    De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor subsidie in aanmerking komen zijn: onderzoek- en ontwikkelingsprojecten die niet inpasbaar zijn in andere onderzoek- en ontwikkelingsprogramma’s.

  • 3. Praktijkexperimenten en demonstratieprojecten gericht op het opdoen van praktische ervaring, respectievelijk het aantonen van praktische werking van energiezuinige concepten zoals omschreven in onderdeel 1, dan wel gericht op essentiële componenten van deze energiezuinige concepten voorzover deze separaat te beproeven of te demonstreren zijn.

    De projecten moeten op termijn passen binnen de operationele doelstellingen van het programma. Voor nieuwbouw luidt deze: het realiseren van een energetisch neutrale stadswijk voor het jaar 2010, waarvan de realisatiekosten 10% boven een traditionele bouw op het moment van realiseren liggen, gericht op een substantiële vermindering van de energiebehoefte en inzet van duurzame energie. Voor renovatieprojecten geldt dat in het jaar 2010 met maximaal 30% extra realisatiekosten het fossiele brandstofverbruik minimaal 70% lager moet zijn.

Overige beoordelingsaspecten [Vervallen per 11-06-2005]

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstelling van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

  • a. de slaagkans;

  • b. de milieuverdienste van het project;

  • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

  • d. de projectkosten in relatie tot het totaal beschikbare budget en in relatie tot de bijdrage van het project aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

  • e. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de bestaande en toekomstige markt;

  • f. de mate waarin het project past in een aanwezig innovatietraject;

  • g. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.

Toelichting [Vervallen per 11-06-2005]

Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

Ad a. Projecten komen alleen voor subsidie in aanmerking als aannemelijk kan worden gemaakt dat de resultaten op een rendabele wijze zullen kunnen bijdragen aan de realisatie van een duurzame samenleving op termijn.

Ad b. Bij de beoordeling van de milieuverdienste wordt rekening gehouden met de milieu-effecten als gevolg van grondstofverbruik, fabricagemethoden, ontmanteling en afvalverwerking.

Ad e. Projecten worden mede beoordeeld op basis van inzicht in de mogelijkheden met betrekking tot de uiteindelijke marktimplementatie.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen adviesbureaus, (toekomstige) eigenaren en exploitanten van woningbouwcomplexen en utiliteitsgebouwen, fabrikanten, energiedistributiebedrijven en instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs.

Bij projectvoorstellen ingediend onder onderdeel 1 resp. 3 moeten bij voorkeur zoveel mogelijk resp. alle bij ontwerp en bouw betrokken partijen worden betrokken. Bij projectvoorstellen ingediend onder onderdeel 2 moet bij voorkeur sprake zijn van een samenwerkingsverband tussen onderzoeksinstellingen en fabrikanten.

B. Budget [Vervallen per 11-06-2005]

Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1997 ontvangen aanvragen voor subsidies met betrekking tot het Lange Termijn onderzoeksprogramma Gebouwde Omgeving (LTGO) bedraagt voor onderdeel 1 f 1.950.000,-, voor onderdeel 2 f 300.000,- en voor onderdeel 3 f 3.250.000,-.

C. Aanvraagperiode [Vervallen per 11-06-2005]

Aanvragen met betrekking tot het Lange Termijn onderzoeksprogramma Gebouwde Omgeving (LTGO) moeten zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1997 tot en met 19 december 1997.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem bv, postbus 8242, 3503 RE Utrecht, tel. 030-2393493

Bijlage 11 [Vervallen per 11-06-2005]

A. Programma nieuwe energieconversie-technologieën (NECT) 1997 [Vervallen per 11-06-2005]

Het doel van het NECT-programma is de ontwikkeling van nieuwe energieconversie-technologieën en -systemen voor decentrale toepassing te identificeren en te doen uitvoeren, die significant beter kunnen worden dan de concurrerende optie. Het betreft voornamelijk gasconversie-technologieën die op termijn nieuwe (stationaire) toepassingen kunnen genereren in de sectoren energievoorziening, gebouwde omgeving en industrie.

Het programma richt zich vooral op projecten op het gebied van onderzoek, haalbaarheid, technologie-ontwikkeling, praktijkexperimenten en demonstratie.

Het NECT-programma is ingedeeld in vier onderdelen:

1. Verkenningen [Vervallen per 11-06-2005]

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheidsprojecten gericht op het onderkennen en/of verduidelijken van mogelijk relevante nieuwe energieconversie-technologieën, nieuwe combinaties en systemen en het geven van de onderbouwing voor een beslissing tot het starten van een ontwikkeling.

2. Verbranding [Vervallen per 11-06-2005]

Dit onderdeel richt zich op het bereiken van hogere rendementen en zo mogelijk lagere emissies bij verbranding met betrekking tot verbeterde en/of nieuwe verbrandingstechnologieën. Het gaat daarbij vooral om gasconversie, zoals aardgas, biogas, laag-calorisch gas en waterstof. De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en daarop aansluitende praktijkexperimenten en tevens demonstratie-projecten gericht op:

  • -

    voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek en ontwikkeling en van praktijkexperimenten gericht op commercialisatie van de keramische schuimbranders;

  • -

    benutting van de mogelijkheden voor verbetering van de verbranding door voor- en/of nageschakelde gasbewerking gecombineerd met een (aangepaste) brander aansluitend bij lopende door Novem ondersteunde ontwikkelingen;

  • -

    voortzetting lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek naar modellering van stroming, verbranding en emissies bij keramische branders en van vlamstabilisatie;

  • -

    voortzetting van lopende ontwikkelingen van stralingsbranders voor toepassing in de apparaten die in het programma in onderzoek of ontwikkeling zijn, danwel een energiebesparing van apparaten bewerkstelligen;

  • -

    voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van de beheersing van de geluidsproductie door branders in apparaten;

  • -

    voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteunde ontwikkeling en toepassing van de vortex-brander.

3. Nieuwe Combinaties [Vervallen per 11-06-2005]

Dit onderdeel richt zich op het identificeren en ontwikkelen tot aan marktintroductie van nieuwe en verbeterde combinaties van energieconversie-systemen waardoor een hoger rendement en zo mogelijk lagere emissies bereikt kunnen worden.

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn ontwikkelingsprojecten en praktijkexperimenten gericht op:

  • -

    het uitwerken en toetsen van de bepalende randvoorwaarden voor nieuwe of verbeterde combinaties van bestaande technologieën, met name combinaties die aansluiten bij andere Novem-programma’s;

  • -

    het uitwerken, toetsen van nieuwe of verbeterde regelstrategieën voor deze combinaties;

  • -

    componenten voor optimalisatie van energieconversie-systemen die functioneren met een (variërend) mengsel van verschillende brandstoffen;

  • -

    kansrijke, nieuwe combinaties van conversietechnologieën, die uitzicht bieden op een hoger conversierendement met een goed perspectief op commerciële toepassing.

4. Warmte en/of Kracht [Vervallen per 11-06-2005]

Dit onderdeel richt zich op het verbeteren van rendement en milieukarakteristieken van conversie-technologieën die de gewenste, variabele warmte (koude) en/of kracht genereren. De twee belangrijkste technologieën zijn gasturbines en warmtepompen.

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor subsidie in aanmerking komen, zijn ontwikkelingsprojecten en praktijkexperimenten gericht op:

  • -

    voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van de Heron-turbine met name gericht op verbetering van de brander, verbreding van de brandstoftolerantie en het vaststellen van de prestatie in een praktijksituatie met name de variabele warmte-krachtverhouding;

  • -

    voortzetting van lopend, reeds eerder door Novem ondersteund onderzoek en ontwikkeling ten behoeve van de OPRA-turbine met name gericht op het vaststellen van de prestatie in een praktijksituatie met diverse brandstoffen en van verbeteringen door onder andere variabele warmte-krachtverhouding;

  • -

    voortzetting van de lopende ontwikkelingen en van verkenningen op het gebied van de warmtepompen, het betreft met name nieuwe stofparen voor de absorptiewarmtepomp en de hybride warmtepomp.

Overige beoordelingsaspecten [Vervallen per 11-06-2005]

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

  • a. de slaagkans van het project;

  • b. de energie- en milieuverdienste van het project;

  • c. de relevantie voor andere doelstellingen van het overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

  • d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject van de aanvrager of van anderen;

  • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

  • f. de nieuwheid van het project;

  • g. de mate van aansluiting op lopende reeds eerder door Novem gesteunde onderzoeken en ontwikkelingen op het gebied van Nieuwe Energieconversie-technologieën;

  • h. de inpasbaarheid van de voorgestelde combinaties in het lopende programma;

  • i. de mate van bijdrage aan de synergie van de activiteiten op het gebied van de energieconversie-technologieën in Nederland;

  • j. de mate van betrokkenheid van de Nederlandse industrie bij het project, met name met betrekking tot de invulling van het commercialiseringstraject;

  • k. de mate van betrokkenheid van de Nederlandse energiesector bij het project, met name praktijkexperimenten en demonstratie-projecten.

Toelichting [Vervallen per 11-06-2005]

Toelichting op bovengenoemde aspecten:

ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen de slaagkans van een project wordt naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager. Praktijkexperimenten en demonstratieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel/economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

ad b. Bij de bepaling van de energie- en milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

  • *

    de mate waarin CO2-emissie wordt vermeden;

  • *

    de mate waarin het project bijdraagt aan de verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies.

ad e. De projectkosten worden getoetst aan de doelstellingen van het programma in termen van brandstofbesparing en vermindering van schadelijke emissies.

ad f. Onder het nieuwheidscriterium wordt in dit programma verstaan:

  • *

    het toepassen van nieuwe danwel vernieuwende technologieën;

  • *

    het geven van nieuwe toepassingen aan bestaande technologieën;

  • *

    nieuwe combinaties van bestaande technologieën die tot een hoger rendement en zo mogelijk geringere emissie leiden.

ad j,k. Bij de beoordeling gaat de voorkeur uit naar projecten die worden ondernomen door samenwerkingsverbanden van industrie, afnemers, onderzoekinstellingen, bedrijven gespecialiseerd in de ontwikkeling van betreffende technieken en leveranciers van energiediensten. Er dient sprake te zijn van voor Nederland in voldoende mate grensverleggende toepassingen; dit geldt met name voor ontwikkelingsprojecten.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen instellingen voor onderzoek/ontwikkeling en wetenschappelijk onderwijs, industriële ontwikkelaars en fabrikanten van componenten, apparaten en systemen, advies- en ingenieursbureau’s en potentiële investeerders in en exploitanten van systemen voor energieproductie.

B. Budget [Vervallen per 11-06-2005]

Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1997 ontvangen aanvragen voor het programma Nieuwe Energieconversie-technologieën bedraagt f 6.600.000,-

C. Aanvraagperiode [Vervallen per 11-06-2005]

Aanvragen met betrekking tot het programma Nieuwe Energieconversie-technologieën moeten zijn ontvangen in de periode 19 maart 1997 tot en met 31 oktober 1997.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem, postbus 8242, 3503 RE Utrecht, tel. 030-2393493

Bijlage 12 [Vervallen per 11-06-2005]

A. Programma toepassing windenergie in Nederland-2 (TWIN-2) 1997 [Vervallen per 11-06-2005]

Het doel van het TWIN-2-programma is het bevorderen van de toepassing van windenergie. Met het programma wordt gestreefd naar de plaatsing van windturbines met een gezamenlijk vermogen van 80-120 MW per jaar, de verbetering van de prijs-prestatieverhouding met ca. 6% per jaar en de verbetering van de plaatsingsmogelijkheden van windturbines.

Het programma is ingedeeld in vier onderdelen:

1. Implementatie korte termijn [Vervallen per 11-06-2005]

Dit onderdeel is gericht op het scheppen van voorwaarden om de gewenste plaatsing van windturbines te kunnen realiseren.

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen zijn haalbaarheids-, demonstratie-, onderzoeks- of ontwikkelings- en kennisoverdrachtprojecten die gericht zijn op het wegnemen van bestuurlijke en planologische knelpunten, op het versterken van het maatschappelijke en lokale draagvlak en op het wegnemen van algemene knelpunten bij de ontwikkeling en realisatie van locaties en windparken. Het gaat daarbij ook om de ontwikkeling van nieuwe plaatsingsmogelijkheden door combinaties van windparken met andere ruimtelijke functies en het ontwikkelen van grootschalige projecten.

2. Implementatie lange termijn [Vervallen per 11-06-2005]

Dit onderdeel is gericht op het scheppen van voorwaarden om na het jaar 2000 de toepassing van windenergie verder te kunnen vergroten. De voornaamste soorten projecten die in 1997 in aanmerking komen zijn haalbaarheids-, demonstratie-, onderzoeks- of ontwikkelings-, en kennisoverdracht-projecten die gericht zijn op:

  • -

    aantonen van de haalbaarheid van (semi) offshore projecten;

  • -

    aantonen van de haalbaarheid van projecten op andere niet-traditionele (met name binnenlandse) locaties;

  • -

    integratie van windenergie in de elektrische infrastructuur.

3. Industriële ontwikkeling [Vervallen per 11-06-2005]

Dit onderdeel is gericht op het verbeteren van de prijs-prestatieverhouding en op verbetering van de plaatsbaarheid van windturbines.

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, demonstratie-, marktintroductie, en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten die gericht zijn op de ontwikkeling van windturbines en rotoren. Naast vervolgfasen van reeds door Novem ondersteunde ontwikkelingen staat de toepassing van innovatieve concepten centraal. Het gaat daarbij om de:

  • -

    verbetering van de prijs-prestatieverhouding;

  • -

    verbetering van de aansluiting op de marktvraag.

4. Techniekontwikkeling [Vervallen per 11-06-2005]

Dit onderdeel is gericht op het ontwikkelen en toepasbaar maken van technisch-wetenschappelijke kennis voor het verbeteren van de prijs-prestatieverhouding van Nederlandse windturbines. Het gaat met name om precompetitief onderzoek dat aansluit op onderwerpen die in het Nationaal R&D-plan Windenergie 1997 prioriteit krijgen.

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn haalbaarheids-, onderzoeks- of ontwikkelings-, en kennisoverdrachtprojecten die gericht zijn op:

  • -

    het ontwikkelen van nieuwe kennis;

  • -

    het toepasbaar maken van bestaande kennis;

  • -

    het ontwikkelen van kennis voor het ontwerp van multi-MW-windturbines en offshore toepassing.

Overige beoordelingsaspecten [Vervallen per 11-06-2005]

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

  • a. de slaagkans van het project;

  • b. de milieuverdienste van het project;

  • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

  • d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen;

  • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

  • f. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

  • g. de mate waarin samenwerking met anderen plaatsvindt;

  • h. de kostprijsverlaging van een voor het programma relevant product;

  • i. de nieuwheid van het project;

  • j. de mate waarin het project voorziet in kennisoverdracht van de te bereiken resultaten.

Toelichting [Vervallen per 11-06-2005]

Toelichting op bovengenoemde aspecten:

ad a. Indien de slaagkans van een project te gering wordt geacht, zal het verlenen van subsidie niet aan de orde zijn. Bij het vaststellen van de slaagkans van een project wordt rekening gehouden met de technische en financieel-economische haalbaarheid en factoren van planologische en bestuurlijke aard.

ad d. Industriële ontwikkelingsprojecten dienen deel uit te maken van een ontwikkelingsplan van de betreffende onderneming. Projecten gericht op de techniekontwikkeling worden getoetst aan de in het ontwikkelingsplan van de betreffende aanvrager aangegeven innovatietraject(en).

ad f. De verwachte projectresultaten zullen zoveel mogelijk vooraf getoetst worden aan de behoeften van de beoogde gebruikers.

ad g. Projecten ingediend en/of uit te voeren door samenwerkingsverbanden van partijen waarvoor het programma bestemd is, genieten voorkeur.

ad j. Bij projecten in het kader van de onderdelen 1, 3 en 4 moet kennisoverdracht deel uitmaken van het project.

Aan de doelstellingen van de programma-onderdelen implementatie korte en lange termijn kunnen met name bijdragen: gemeenten, provincies, projectontwikkelaars, energiebedrijven (organisaties van) windturbine-exploitanten, het Landelijk Bureau Windenergie en de Regionale Windenergie Overleggen. Voor het onderdeel industriële ontwikkeling is het programma gericht op in Nederland gevestigde ondernemingen in de windturbinesector met een substantieel aandeel in de markt en aantoonbaar uitzicht op uitbreiding hiervan. Het onderdeel techniekontwikkeling richt zich ook op deze ondernemingen, op ingenieurs- en adviesbureaus en instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs.

B. Budget [Vervallen per 11-06-2005]

Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1997 ontvangen aanvragen voor het programma Toepassing Windenergie in Nederland bedraagt voor het onderdeel implementatie korte termijn f 500.000,-, het onderdeel implementatie lange termijn f 800.000,- het onderdeel industriële ontwikkeling f 5.000.000,- en het onderdeel techniekontwikkeling f 2.500.000,-.

C. Aanvraagperiode [Vervallen per 11-06-2005]

Aanvragen met betrekking tot het programma Toepassing Windenergie in Nederland moeten zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1997 tot en met 31 oktober 1997.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem, Postbus 8242, 3503 RE Utrecht, tel. 030-2363444

en internet http./www/novem.nl.

Bijlage 13 [Vervallen per 11-06-2005]

A. Programma brandstofcellen 1997 [Vervallen per 11-06-2005]

Het doel van het programma is het bevorderen van de toepassing van de brandstofceltechnologie in Nederland door middel van onderzoek en ontwikkeling alsmede praktijkexperimenten.

De activiteiten dienen aan te sluiten bij en voort te bouwen op de belangrijkste verworvenheden van de in Nederland opgebouwde kennis en kunde bij de instituten en industrie. De activiteiten dienen er tevens toe te leiden dat een zodanig ontwikkelingsniveau in stand gehouden wordt dat Nederland kan participeren in internationale samenwerkingsorganisaties zoals EU en IEA. De participaties moeten zowel op het vlak van de ontwikkeling van brandstofcellen als van systemen plaats vinden.

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor subsidie in aanmerking komen, zijn onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en praktijkexperimenten gericht op:

  • 1. voortzetting van lopende, reeds eerder door Novem ondersteunde MCFC-ontwikkelingsprojecten die met name gericht zijn op aansluiting bij internationale samenwerkingsverbanden;

  • 2. voortzetting van onderzoek- en ontwikkelingsprojecten leidend tot een commercialiseerbare, bij lagere temperatuur werkende SOFC (tot ca. 700 °C) van het vlakke plaat concept. Verkenning en eventueel uitwerking van nieuwe SOFC-concepten;

  • 3. voortzetting van lopende, reeds eerder door Novem ondersteunde ontwikkelingen op het gebied van de SPFC ten behoeve van een technologische verkenning en van een mogelijke kostprijsreductie;

  • 4. het verkrijgen van voor Nederland nieuwe kennis van brandstofcelsystemen voor stationaire toepassingen, alsmede het analyseren en oplossen van knelpunten in de componenten van deze systemen.

Overige beoordelingsaspecten [Vervallen per 11-06-2005]

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma, wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

  • a. de slaagkans van het project;

  • b. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de doelstellingen van het programma;

  • c. de energie- en milieuverdienste van het project;

  • d. de relevantie voor andere doelstellingen van het overheidsbeleid;

  • e. de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

  • f. de mate van aansluiting op lopende reeds eerder door Novem gesteunde ontwikkelingen op het gebied van brandstofcellen en systemen;

  • g. de inpasbaarheid van voorgestelde praktijkexperimenten in het lopende programma;

  • h. de mate van bijdrage aan de synergie van de activiteiten op brandstofcelgebied in Nederland;

  • i. de mate van betrokkenheid van de Nederlandse industrie bij het project;

  • j. de mate van betrokkenheid van de Nederlandse energiesector bij het project.

Toelichting [Vervallen per 11-06-2005]

Toelichting op bovengenoemde aspecten:

ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans van het project op zichzelf te gering wordt geacht, zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project, wordt naast een inschatting van de technische en financieel/economische haalbaarheid tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische aard, alsmede met de financiële draagkracht van de aanvrager.

ad c. Bij de bepaling van de energie- en milieuverdienste wordt rekening gehouden met:

  • -

    de mate waarin CO2-emissie wordt vermeden;

  • -

    de mate waarin het project bijdraagt aan de verbetering van de huidige situatie op het gebied van emissies.

ad f. Van belang is dat projecten zoveel mogelijk aansluiten op reeds eerder door de aanvrager of door anderen gegenereerde kennis en dat voor wat betreft haalbaarheids- en ontwikkelingsprojecten doublures worden vermeden.

ad i. Bij de beoordeling gaat de voorkeur uit naar projecten die worden uitgevoerd door samenwerkingsverbanden van industrie, afnemers, onderzoekinstellingen en bedrijven gespecialiseerd in de ontwikkeling van betreffende technieken. Er dient sprake te zijn van voor Nederland in voldoende mate grensverleggende toepassingen; dit geldt met name voor ontwikkelingsprojecten.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen instellingen voor onderzoek/ontwikkeling en wetenschappelijk onderwijs, industriële ontwikkelaars en fabrikanten van componenten en systemen, advies- en ingenieursbureaus en potentiële investeerders in en exploitanten van brandstofcelsystemen voor energieproductie.

B. Budget [Vervallen per 11-06-2005]

Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1997 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Brandstofcellen bedraagt: f 7.700.000,-.

C. Aanvraagperiode [Vervallen per 11-06-2005]

Aanvragen met betrekking tot het programma Brandstofcellen moeten zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1997 tot en met 31 oktober 1997.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem, postbus 8242, 3503 RE Utrecht, tel.: 030-2393493

Bijlage 14 [Vervallen per 11-06-2005]

A. Nederlands onderzoek- & ontwikkelingsprogramma zonne-energie fotovoltaische omzetting (NOZ-PV) 1997 [Vervallen per 11-06-2005]

Doelstelling van het programma [Vervallen per 11-06-2005]

Het doel van het programma fotovoltaïsche zonne-energie is het realiseren van voorwaarden en het wegnemen van knelpunten voor de grootschalige inpassing van zonnecellen in de Nederlandse energievoorziening in de 21ste eeuw, met als belangrijkste voorwaarden c.q. knelpunten: daling van de kostprijs, een solide industrieel draagvlak, opschaling van de PV-technologie, een gezonde markt voor autonome PV-systemen in en buiten Nederland, een verbreed maatschappelijk draagvlak, en kennis van de actoren en factoren bij de toepassing van PV in de gebouwde omgeving.

Het programma is ingedeeld in vier onderdelen:

1. Zonnecellen [Vervallen per 11-06-2005]

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor subsidie in aanmerking komen, zijn gericht op:

  • -

    onderzoek en ontwikkeling van zonnecellen op basis van multi-kristallijn silicium gericht op rendementsverbetering en kostprijsreductie van industrieel te produceren zonnecellen;

  • -

    onderzoek aan zonnecellen op basis van concepten gericht op lage kosten op middellange termijn. Hieronder valt onderzoek aan zonnecellen op basis van amorf silicium, eventueel in combinatie met andere materialen, gericht op verbetering van het gestabiliseerde rendement en verbeterde productiemethoden; onderzoek aan organische zonnecellen; en onderzoek aan alternatieve dunne-film technologieën zoals dunne-film polykristallijn silicium en zonnecellen op basis van bucky balls;

  • -

    onderzoek naar concepten van zonnecellen die op lange termijn kunnen leiden tot zeer hoge rendementen of tot doorbraken op andere aspecten.

Bij universitaire onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten wordt de voorkeur gegeven aan projecten die mede door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen financieel worden ondersteund.

2. Componenten en netgekoppelde PV-systemen [Vervallen per 11-06-2005]

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen, zijn gericht op verbetering van de prijs/prestatie verhouding en de toepasbaarheid, en verhoging van de waarde en opbrengst van netgekoppelde PV-systemen in Nederland, en betreffen:

  • -

    ontwikkeling van industrieel te produceren PV-modules, PV-bouwelementen en van componenten ten behoeve van een betere inpasbaarheid van PV-panelen op schuine en platte daken en in gevels;

  • -

    onderzoek en ontwikkeling van industrieel te produceren omvormers ten behoeve van toepassingen in netgekoppelde PV-systemen;

  • -

    onderzoek en ontwikkeling van netgekoppelde PV-systemen en ontwerp van gebouwgeïntegreerde PV-systemen ten behoeve van praktijkexperimenten;

  • -

    haalbaarheidsstudies van andere netgekoppelde systemen dan die in de gebouwde omgeving.

3. Product/marktontwikkeling van autonome PV-systemen [Vervallen per 11-06-2005]

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een bijdrage in aanmerking komen zijn gericht op autonome toepassingen van PV met een groot marktpotentieel qua PV-vermogen en betreffen:

3a. Product/marktontwikkeling ten behoeve van de Nederlandse en de Europese markt [Vervallen per 11-06-2005]

  • -

    marktintroductie van uitontwikkelde PV-toepassingen in kansrijke marktsegmenten zoals openbare verlichting, elektrisch varen en/of waterbeheer;

  • -

    productontwikkeling, praktijkexperimenten en demonstratie in kansrijke marktsegmenten, met betrekking tot de integratie van PV-panelen in toepassingen en producten, zoals in gekromde oppervlakken;

  • -

    haalbaarheidsstudies ten behoeve van een betere positionering van het Nederlandse bedrijfsleven op de PV-markt in Europa.

3b. Product/marktontwikkeling ten behoeve van export naar zuidelijke landen [Vervallen per 11-06-2005]

  • -

    haalbaarheidsstudies ten behoeve van een betere positionering van het Nederlandse bedrijfsleven op de PV-markt in zuidelijke landen;

  • -

    (door)ontwikkeling van PV-systemen en PV-producten zoals solar home systems, zonnelantaarns en/of koelsystemen ter voorbereiding van de marktintroductie in zuidelijke landen. Projecten gericht op verbetering van de prijs/kwaliteitsverhouding en op marktprijsverlaging van PV-systemen die in Nederland geproduceerde zonnecellen omvatten, genieten de voorkeur.

4. Leerprogramma PV in de Gebouwde Omgeving [Vervallen per 11-06-2005]

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een bijdrage in aanmerking komen, zijn gericht op decentrale netgekoppelde toepassingen van PV in de gebouwde omgeving. Hieronder vallen:

4a. Innovatieve toepassing in de gebouwde omgeving [Vervallen per 11-06-2005]

  • -

    praktijkexperimenten met een technisch innovatief karakter, met PV geïntegreerd in de schil van een of enkele woningen of een gebouw;

  • -

    praktijkexperimenten en demonstratieprojecten met PV op daken of in/aan gevels van kantoor- en bedrijfsgebouwen;

  • -

    praktijkexperimenten met PV in andere gebouw-geïntegreerde toepassingen, zoals schaduwgevende bouwelementen en lichtstraten.

4b. Grootschalige PV-pilotprojecten op woningen [Vervallen per 11-06-2005]

  • -

    praktijkexperimenten met grote PV-systemen met name op de platte en schuine daken van tientallen tot enkele honderden woningen, waarin de architectonische en stedenbouwkundige vormgeving, en de beheeraspecten van het PV-systeem een punt van onderzoek is;

  • -

    praktijkexperimenten en demonstratieprojecten met kleine PV-systemen op woningen, waarvan de verlaging van de energieprestatie-coëfficiënt (EPC) minimaal 0,07 (volgens NEN 5128/B.3) is. Projecten waarbij de woningen voldoen aan het Specificatieblad S032 van het (Duurzaam Bouwen) Nationaal pakket Woningbouw en/of waarbij het PV-systeem uitbreidbaar is, verdienen de voorkeur.

In de PV-pilotprojecten dient speciale aandacht aan de bouwtechnische aspecten van de inpassing van PV in bouwconstructies en de technische kwaliteit van de systemen te worden gegeven.

Projecten waarin speciale aandacht aan elektriciteits- en overige energiebesparing wordt besteed, genieten de voorkeur.

Overige beoordelingsaspecten [Vervallen per 11-06-2005]

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

  • a. de slaagkans van het project;

  • b. het perspectief met betrekking tot de milieuverdienste van het project;

  • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

  • d. de mate waarin het project aansluit bij een aanwezig innovatietraject;

  • e. de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

  • f. het perspectief op economische haalbaarheid van de technologie op middellange en lange termijn;

  • g. het perspectief op de economische haalbaarheid op korte termijn en de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

  • h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken;

  • i. de nieuwheid van het project;

  • a. [Red: Abusievelijk wordt in deze lijst onderdeel "i" gevolgd door onderdeel "k".] de mate waarin samengewerkt wordt met andere (markt)partijen, bijvoorbeeld in technologie-clusters of in marktclusters;

  • b. de relevantie van het project voor marktpartijen;

  • c. de bijdrage aan (de opbouw van) relevante kennis, draagvlak en infrastructuur bij de doelgroepen van het NOZ-PV.

Toelichting [Vervallen per 11-06-2005]

Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

ad a. Projecten zullen veelal voor wat betreft de slaagkans een zeker risico met zich dragen. Indien de slaagkans te gering wordt geacht zal het verlenen van een subsidie niet aan de orde zijn.

ad d. Van belang is dat projecten zoveel mogelijk aansluiten op reeds eerder gegenereerde kennis en dat voor wat betreft onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten doublures worden vermeden.

Demonstratieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel/economische haalbaarheid voldoende is aangetoond.

ad g. Het perspectief op economische haalbaarheid van een bepaalde autonome PV-toepassing dient te worden aangetoond middels overlegging van bijvoorbeeld een business plan.

Aan de doelstelling van het programma kunnen met name bijdragen:

  • -

    instellingen voor onderzoek en universiteiten;

  • -

    industriële bedrijven, betrokken bij ontwikkeling en productie van zonnecellen, fotovoltaïsche systemen en componenten daarvan;

  • -

    bedrijven en instellingen betrokken bij de toepassing van PV-systemen;

  • -

    energiedistributiebedrijven, gemeenten en bouwsector.

B. Budget [Vervallen per 11-06-2005]

Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1997 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Nederlands Onderzoek- en ontwikkelingsprogramma Zonne-energie - Fotovoltaïsche omzetting bedraagt f 11,5 miljoen voor de onderdelen 1, 2 en 3 tezamen, met dien verstande dat voor onderdeel 3 maximaal f 2,0 miljoen beschikbaar is, en bedraagt f 15 miljoen voor onderdeel 4.

C. Aanvraagperiode [Vervallen per 11-06-2005]

Aanvragen met betrekking tot het programma Nederlands Onderzoek- en ontwikkelingsprogramma Zonne-energie - Fotovoltaïsche conversie 1997 moeten zijn ontvangen in de periode van 19 maart tot en met 30 september 1997.

Nadere informatie, waaronder een uitgebreide toelichting op het NOZ-PV 1997, is verkrijgbaar bij:

Novem, postbus 8242, 3503 RE Utrecht, tel. 030-2393493

Bijlage 15 [Vervallen per 11-06-2005]

A. Programma thermische zonne-energie 1997 [Vervallen per 11-06-2005]

Doel van het programma [Vervallen per 11-06-2005]

Het doel van het programma thermische zonne-energie is het leveren van een bijdrage aan de ontwikkeling van thermische zonne-energie-opties die op termijn een substantiële bijdrage leveren aan een duurzame energievoorziening. Het uitgangspunt is de doelstelling voor thermische zonne-energie van 5 PJ in 2007, die in de Derde Energienota en het Actieprogramma Duurzame Energie in Opmars is vastgelegd. De nadruk ligt hierbij op de toepassing van zonneboilers, waarvoor de doelstelling is dat er in 2010 in totaal 400.000 zijn geplaatst.

Het programma is ingedeeld in vier onderdelen:

1. Zonneboilers [Vervallen per 11-06-2005]

Met de bedrijven in de zonneboilerindustrie en een aantal andere bedrijven, organisaties en instellingen is een meerjarenafspraak getekend over de wijze waarop zij bijdragen aan de eerder genoemde doelstelling. In het programma kunnen in beginsel projecten worden ondersteund die aantoonbaar gericht zijn op deze doelstelling. Bedrijven in de zonneboilerindustrie die voor subsidie in aanmerking willen komen, dienen aan Novem een ondernemingsplan te overleggen waarin zij aangeven hoe ze de markt voor zonneboilers willen vergroten.

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor een subsidie in aanmerking komen zijn:

  • -

    haalbaarheidsprojecten en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten die een onderdeel vormen van de bovengenoemde ondernemingsplannen en gericht zijn op de verbetering van de prijs-prestatieverhouding van zonneboilers of de verbreding van de toepasbaarheid van zonneboilers;

  • -

    kennisoverdrachtsprojecten die gericht zijn op het vergroten van de markt voor zonneboilers. Projecten die gebaseerd zijn op een gezamenlijke aanpak door bedrijven uit de zonneboilerindustrie hebben de voorkeur;

  • -

    haalbaarheidsprojecten en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten gericht op de ontwikkeling en validering van (internationale) normen voor het testen en certificeren van zonneboilers;

  • -

    haalbaarheidsprojecten en projecten ter voorbereiding en realisatie van grootschalige inpassing van zonneboilers in de nieuwbouw van woningen, waarbij minimaal 250 woningen van een zonneboiler worden voorzien en waarin de knelpunten bij introductie een punt van onderzoek zijn.

2. Zonneboilers Tender bestaande bouw [Vervallen per 11-06-2005]

Dit onderdeel wordt uitgevoerd in de vorm van een oproep voor het indienen van projectvoorstellen (tender). De aanvragen die aan de wettelijke voorschriften voldoen en passen binnen dit onderdeel, worden door Novem beoordeeld en gerangschikt. De aanvragen worden gerangschikt aan de hand van hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstelling van dit programma-onderdeel. Artikel 9 van het Besluit subsidies energieprogramma’s is van toepassing.

Dit onderdeel richt zich op haalbaarheidsprojecten, marktintroductieprojecten en kennisoverdrachtprojecten met betrekking tot de realisatie van grootschalige projecten in de bestaande bouw waarbij minimaal 100 woningen met een zonneboiler worden voorzien en waarmee een bijdrage wordt geleverd aan de doelstelling van dit programma. Bij het project dient een adviseur betrokken te zijn met aantoonbare ervaring op het onderhavige gebied.

3. Overige toepassingen van actieve zonne-energie [Vervallen per 11-06-2005]

De voornaamste soorten projecten die voor subsidie in aanmerking komen, zijn:

  • -

    haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, marktintroductieprojecten en kennisoverdrachtprojecten gericht op het ontwikkelen van de markt voor grote warmtapwatersystemen;

  • -

    haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten, demonstratieprojecten en kennisoverdrachtprojecten gericht op de toepassing van zonne-energie voor het drogen van agrarische producten, de toepassing van zonne-energie voor zwembadverwarming en de toepassing van actieve zonne-energie in de recreatiesector. Hiervoor is slechts in beperkte mate ondersteuning mogelijk;

  • -

    haalbaarheidprojecten en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten die zich richten op toepassingen die op langere termijn een belangrijke bijdrage leveren aan de toepassing van thermische zonne-energie, met name door de toepassing van seizoensopslag;

  • -

    haalbaarheidsprojecten en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten gericht op de ontwikkeling en validering van (internationale) normen voor het testen en certificeren van thermische zonne-energie systemen voor het verwarmen van tapwater en thermische zonne-energie systemen voor ruimteverwarming.

4. Passieve zonne-energie [Vervallen per 11-06-2005]

De voornaamste soorten projecten die in 1997 voor subsidie in aanmerking komen, zijn:

  • -

    haalbaarheidsprojecten en onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten gericht op de ontwikkeling van producten voor de benutting van passieve zonne-energie;

  • -

    haalbaarheidsprojecten, onderzoeks- of ontwikkelingsprojecten en kennisoverdrachtsprojecten gericht op de stimulering van de toepassing van passieve zonne-energie.

Overige beoordelingsaspecten [Vervallen per 11-06-2005]

De mate waarin een project bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma wordt tevens bepaald door de volgende aspecten:

  • a. de slaagkans van het project;

  • b. de milieuverdienste van het project;

  • c. de relevantie voor andere doelstellingen van overheidsbeleid en de aansluiting op internationale ontwikkelingen;

  • d. de mate waarin een project aansluit bij een aanwezig innovatietraject, van de aanvrager of van anderen;

  • e. de gevraagde subsidie en de projectkosten in relatie tot de bijdrage aan de realisatie van de doelstellingen van het programma;

  • f. de nieuwheid van het project;

  • g. de toepassingsmogelijkheden van het projectresultaat in de markt;

  • h. de kostprijsverlaging van voor het programma relevante technieken;

  • i. de mate waarin samenwerking met anderen plaatsvindt;

  • j. de mate waarin relevante kennisoverdracht plaatsvindt.

Toelichting [Vervallen per 11-06-2005]

Toelichting op de bovengenoemde aspecten:

ad a. Voor het vaststellen van de slaagkans van een project wordt naast de technische en financieel/economische haalbaarheid, tevens rekening gehouden met factoren van organisatorische en bestuurlijke aard. Projecten van bedrijven in de zonneboilerindustrie zullen beoordeeld worden op basis van de door hen ingediende ondernemingsplannen.

ad g. Een project wordt mede beoordeeld op basis van inzicht in de markttoepassing of het herhalingspotentieel van het specifieke project of product.

ad h. Bij zonneboilersystemen wordt de prijs/prestatieverbetering zoals overeengekomen in genoemde meerjarenafspraak als criterium gehanteerd.

Bij andere thermische zonne-energie toepassingen wordt er belang aan gehecht dat het totaal van investerings- en exploitatiekosten substantieel gunstiger is dan bij de huidige technologie.

Aan de doelstellingen van onderdeel 2 kunnen met name bijdragen:

  • -

    energiebedrijven;

  • -

    gemeenten;

  • -

    woningbouwcorporaties;

  • -

    projectontwikkelaars

en samenwerkingsverbanden van bovengenoemde partijen.

Aan de overige onderdelen van het programma kunnen met name bijdragen bedrijven en instellingen die initiatieven wensen te nemen om thermische zonne-energiesystemen te ontwikkelen en/of toe te passen. Hierbij gaat het vooral om:

  • -

    fabrikanten of organisaties van fabrikanten;

  • -

    ingenieurs- en adviesbureaus;

  • -

    kennisinstituten;

  • -

    instellingen voor onderzoek en hoger of wetenschappelijk onderwijs;

  • -

    installateurs;

  • -

    beheerders van gebouwen en woningen;

  • -

    energiedistributiebedrijven;

  • -

    gemeenten en provincies.

B. Budget [Vervallen per 11-06-2005]

Het bedrag dat beschikbaar is voor het doen van subsidietoezeggingen op in 1997 ontvangen aanvragen met betrekking tot het programma Nationaal Onderzoeksprogramma Zonne-energie Thermische Conversie bedraagt f 4.070.000,-, met dien verstande dat voor onderdeel 2 maximaal f 470.000,- beschikbaar is.

C. Aanvraagperiode [Vervallen per 11-06-2005]

Aanvragen met betrekking tot onderdeel 2 (tender) moeten zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1997 tot en met 30 juni 1997. Aanvragen met betrekking tot de overige onderdelen moeten zijn ontvangen in de periode van 19 maart 1997 tot en met 31 oktober 1997.

Nadere informatie is verkrijgbaar bij:

Novem, Postbus 8242, 3503 RE, Utrecht, tel. 030-2393435