Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling stimulering grensoverschrijdende samenwerking hoger onderwijs 1997-2000[Regeling vervallen per 31-12-2004.]

Geldend van 01-06-1997 t/m 30-12-2004

Regeling stimulering grensoverschrijdende samenwerking hoger onderwijs 1997-2000

De minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

Overwegende, dat het van belang is te komen tot meer samenhang tussen de instellingen voor hoger onderwijs in het gehele gebied van de grenslanden: Bremen, Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen, Vlaanderen en Nederland, uiteindelijk uitmondend in een open onderwijsruimte op Europees niveau;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepaling [Vervallen per 31-12-2004]

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • de minister:

    de minister van onderwijs, cultuur en wetenschappen;

  • instelling:

    een universiteit of hogeschool als bedoeld in artikel 1.8 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek met uitzondering van de Open Universiteit;

  • grenslanden:

    Bremen, Nedersaksen, Noordrijn-Westfalen, Vlaanderen en Nederland.

Artikel 2. Doelomschrijving [Vervallen per 31-12-2004]

De subsidie wordt verstrekt voor meerjarige samenwerkingsprogramma's van substantiële omvang voor onderwijs in de initiële fase en, voor zover onderdeel uitmakend van samenwerkingsprogramma's substantiële omvang en bij voorkeur openstaand voor studenten uit de laatste jaren van de initiële fase, wordt ook subsidie verstrekt aan het onderwijs in de post-initiële fase voor onderwijs aan aio's, oio's en andere (beurs-) promovendi, die ten doel hebben:

  • a. Het tot stand brengen en versterken van structurele, bestuurlijke samenwerking tussen op geringe geografische afstand van elkaar liggende instellingen aan weerszijden van de grens, opdat het bestaande onderwijspotentieel zo goed mogelijk benut wordt, onder meer door het opzetten van gemeenschappelijke curricula en het laten ontstaan van transnationale verbanden van onderwijs.

  • b. Het door bestuurlijke samenwerking tot stand brengen van een extra kwaliteit - een meerwaarde - in het onderwijs, die tot uitdrukking komt in beter opgeleide studenten, die meer dan tot nu toegerust zijn voor de arbeidsmarkt in dit gebied, omdat zij met verschillende culturen hebben leren omgaan en meerdere talen spreken.

Artikel 3. Doelgroep [Vervallen per 31-12-2004]

De subsidie wordt verstrekt aan instellingen.

Artikel 4. Te ondersteunen activiteiten [Vervallen per 31-12-2004]

Tot de te ondersteunen activiteiten van een samenwerkingsprogramma worden in ieder geval gerekend:

  • a. activiteiten die leiden tot het realiseren van een structurele, bestuurlijke samenwerking tussen instellingsbesturen van samenwerkende instellingen, eventueel uitgebreid met andere relevante maatschappelijke instituties;

  • b. activiteiten die leiden tot grensoverschrijdende onderwijskundige samenwerking zoals:

    • activiteiten inzake de ontwikkeling van studieprogramma's,

    • het creëren van een organisatorisch kader waarbinnen mobiliteit kan plaatsvinden,

    • gemeenschappelijke ontwikkeling van ge‹ntegreerde taalcursussen,

    • bijscholing van docenten,

    • roulatie van gastdocenten,

    • gezamenlijke onderwijsmodules, en

    • gezamenlijke opleidingen.

Artikel 5. Subsidiebedrag [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1 De subsidie voor alle instellingen bedraagt in 1997 vierenhalf miljoen gulden, en voor 1998, 1999 en 2000 telken jare acht miljoen gulden voor bestuurlijke en onderwijskundige samenwerking in de initiële fase. Voor 1998, 1999 en 2000 is additioneel telken jare achthonderdduizend gulden subsidie voor alle instellingen beschikbaar voor onderwijs aan aio's, oio's en andere (beurs)promovendi in de post-initiële fase.

  • 2 De minister stelt de subsidie vast voor een meerjarig samenwerkingsprogramma als geheel.

  • 3 De minister bepaalt de termijnen waarin de subsidie betaalbaar wordt gesteld.

Artikel 6. Begrotingsvoorbehoud [Vervallen per 31-12-2004]

De verlening van de subsidie geschiedt onder voorbehoud van goedkeuring van de beschikbare middelen door de wetgever.

Artikel 7. Aanvraag [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1 Van 1 juni tot 1 augustus 1997 kunnen aanvragen worden ingediend voor ondersteuning aan activiteiten voor de periode 1998 tot en met 2000.

  • 2 De aanvragen worden in volgorde van binnenkomst in behandeling genomen.

  • 3 De aanvraag omvat: een meerjarig programmavoorstel, waarin de elementen als bedoeld in de artikelen 2, 4 en 9 zijn vastgelegd.

  • 4 De aanvraag kan betrekking hebben op een of meer van de in artikel 5, eerste lid, genoemde jaren.

  • 5 De minister draagt er zorg voor dat de tijdig ingediende aanvragen zo spoedig mogelijk voor advies worden voorgelegd aan de door hem aan te wijzen externe deskundigen en aan zijn collega grenslandenministers.

Artikel 8. Procedure beslissing [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1 De minister deelt uiterlijk 15 november voorafgaande aan het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft, zijn beslissing mee aan de aanvrager.

  • 2 De minister betrekt bij zijn beslissing als bedoeld in het eerste lid:

    • a. de adviezen van door de hem ingeschakelde onafhankelijk adviseurs, en

    • b. het oordeel van zijn collega grenslandenministers.

  • 3 De adviseurs als bedoeld in het tweede lid onderdeel a, baseren hun adviezen uitsluitend op de toetsingsgronden als genoemd in artikel 9.

Artikel 9. Toetsingsgronden [Vervallen per 31-12-2004]

Voor toewijzing van subsidie voor het samenwerkingsprogramma gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:

  • 1. Het programmavoorstel dient vergezeld te gaan van duidelijk bepaalde doelstellingen, die consistent zijn met de doelstellingen van het samenwerkingsprogramma en de verwachte resultaten op middellange termijn, en herbergt in zich een goede kans om deze doelstellingen binnen een redelijke termijn te bereiken.

  • 2. Er dient bestuurlijke en onderwijskundige samenwerking te worden nagestreefd op terreinen die in grote mate complementair zijn aan bestaande (EU-)programma's voor internationalisering. Er wordt bij voorkeur voortgebouwd op reeds bestaande contacten tussen instellingen. Er worden nieuwe samenwerkingsrelaties aangegaan met de bedoeling een duurzame relatie op te bouwen. De comparatieve voordelen van grenslandensamenwerking worden optimaal benut, waarbij de geografische afstand tussen de samenwerkende instellingen voor de Nederlandse overheid een belangrijk criterium is. Het programma is van substantiële omvang, onder meer blijkend uit de meerjarige programmaduur en leidt tot structurele bestuurlijke en onderwijskundige samenwerking. Aanvragen voor ondersteuning van onderwijs aan aio's, oio's en andere (beurs)promovendi worden uitsluitend in behandeling genomen indien zij onderdeel uitmaken van genoemd programma van substantiële omvang, en bij voorkeur ook open staan voor studenten uit de laatste jaren van de initiële fase.

  • 3. Het programmavoorstel geeft bij de voorgestelde activiteiten aan wat de meerwaarde hiervan is voor de eigen instelling en de regio en hoe hiervan een uitstraling kan uitgaan naar andere maatschappelijke sectoren in de grensregio.

  • 4. Het programmavoorstel betreft ten minste de samenwerking met een instelling aan de andere zijde van de grens, waarmee een nieuwe, bestuurlijke samenwerkingsovereenkomst wordt gesloten of is gesloten, waarbij het college van bestuur van de Nederlandse instelling aanspreekpunt is voor de minister, onder meer blijkend uit voorgelegde bewijsstukken van institutionele steun van de deelnemende instellingen. Ook dienen bewijsstukken te worden overgelegd, waaruit blijkt dat het projectvoorstel ten minste gesteund wordt vanuit de overheid van de buitenlandse partnerinstelling.

  • 5. De activiteiten die in het kader van de samenwerking worden voorgesteld blijven binnen de nationale wet- en regelgeving, waarbij overigens wel kan worden aangegeven welke eventuele wettelijke hindernissen er zijn, en mogelijke oplossingsrichtingen kunnen worden aangedragen.

  • 6. Het programmavoorstel bezit innoverend potentieel voor leerplanontwikkeling, verspreiding van informatie en productie van leermaterialen of de bijscholing van docenten, waardoor er vanuit het samenwerkingsprogramma een zodanige stimulerende werking uitgaat dat meerdere samenwerkingsprogramma's kunnen ontstaan.

  • 7. Het programmavoorstel dient gebaseerd te zijn op een heldere planning en te beschikken over een degelijke organisatiestructuur, waarbij van belang is dat:

    • a. sprake is van co-financiering vanuit de participerende Nederlandse en buitenlandse instelling(en);

    • b. de meerkosten van het opstarten of intensiveren, daarin begrepen de aanloopkosten van de samenwerking expliciet worden gemaakt;

    • c. slechts in zeer bescheiden mate infrastructurele investeringen worden ondersteund, en dan alleen die op het gebied van informatie- en communicatietechnologie;

    • d. alleen het creëren van een organisatorisch kader waarbinnen mobiliteit van studenten en docenten kan plaatsvinden, wordt ondersteund, tenzij het gaat om het op gang brengen van de mobiliteit, waarvoor een bescheiden ondersteuning wordt geboden;

    • e. sprake is van een onderbouwde planning en begroting, zowel betreffende vereiste menselijke en als financiële middelen, waarbij een uitsplitsing wordt gemaakt naar de financieringsbronnen van het gehele programma, inclusief de bijdrage van de buitenlandse partner en overheid;

    • f. sprake is van een centrale programma-administratie voor het hele samenwerkingsprogramma, op zodanige wijze dat nagegaan kan worden welke samenwerkingsactiviteiten er gefinancierd zijn;

    • g. sprake is van organisatorische samenhang tussen de uitvoerende faculteiten binnen de instelling en gelijkgerichtheid in de aanpak en de programma-administratie.

Artikel 10 [Vervallen per 31-12-2004]

De minister wijst de aanvraag in ieder geval af, indien niet voldoende wordt voldaan aan de bepalingen van deze regeling, of indien de adviezen van de externe deskundigen of van de collega grenslandenministers daartoe aanleiding geven.

Artikel 11. Doel van de besteding [Vervallen per 31-12-2004]

De subsidie wordt uitsluitend besteed aan activiteiten als bedoeld in artikel 4.

Artikel 12. Verslag en verantwoording [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1 Gedurende de looptijd van ieder samenwerkingsprogramma legt de desbetreffende instelling jaarlijks voor 1 maart van het begrotingsjaar, waarin de subsidie is verstrekt, verantwoording af over de inzet van de verstrekte subsidie. Deze verantwoording dient ook te worden opgenomen bij het verslag, bedoeld in artikel 2.9 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

  • 2 Na afloop van ieder samenwerkingsprogramma legt de instelling verantwoording af over de inzet van het totaal van de verstrekte subsidie. Deze verantwoording dient te worden opgenomen bij het verslag, bedoeld in artikel 2.9 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

  • 3 De in het eerste en tweede lid bedoelde verantwoording wordt ingericht op de wijze zoals door de minister bij zijn besluit tot het verstrekken van de subsidie zal worden voorgeschreven. De wijze van verantwoording dient zodanig te zijn dat kan worden beoordeeld of het bereikte resultaat in overeenstemming is met de bij de aanvragen gestelde doelstellingen.

Artikel 13. Sanctiebepaling [Vervallen per 31-12-2004]

Indien blijkt dat de subsidie niet dan wel niet geheel is besteed overeenkomstig het bepaalde in artikel 11, kan de minister het desbetreffende deel van de subsidie terugvorderen.

Artikel 14. Bekendmaking [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling zal met toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 15. Inwerkingtredings- en overgangsbepaling [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1 Deze regeling treedt in werking met ingang van de derde dag na datum van uitgifte van Uitleg OCenW-Regelingen en werkt terug tot en met 30 oktober 1996.

  • 2 In afwijking van artikel 7 dienen aanvragen voor het kalenderjaar 1997 uiterlijk 27 november 1996 bij de minister te zijn ingeleverd.

  • 3 In afwijking van artikel 8 deelt de minister uiterlijk 8 februari 1997 zijn beslissing op de aanvraag als bedoeld in het voorgaande lid aan de aanvrager mee.

Artikel 16. Citeertitel [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling stimulering grensoverschrijdende samenwerking hoger onderwijs 1997-2000.

dr. ir. J.M.M. Ritzen