Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen[Regeling vervallen per 01-01-2005.]

Geldend van 31-03-2004 t/m 31-12-2004

Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen

De Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Gelet op verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad van 30 juni 1992 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PbEG L 181) en de op grond van de artikelen 12 en 16 van deze verordening door de Commissie vastgestelde nadere bepalingen;

Gelet op verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem van bepaalde steunregelingen (PbEG L 355) en de door de Commissie op grond van artikel 12 van deze verordening vastgestelde nadere bepalingen;

Overwegende dat toepassing moet worden gegeven aan de hiervoor genoemde verordeningen en de ter uitvoering daarvan door de Commissie vastgestelde verordeningen;

Overwegende dat deze bepalingen rechtstreekse werking in de Nederlandse rechtssfeer hebben maar dat ten behoeve van de juiste uitvoering en nadere invulling van deze bepalingen regelgeving noodzakelijk is;

Overwegende dat als gevolg van vele wijzigingen in vorenbedoelde verordeningen een hercodificatie van de regelgeving wenselijk is;

Voorts gelet op de artikelen 15, 19, 27 en 28 van de Landbouwwet;

Besluit:

Paragraaf 1. Begripsbepalingen en algemene uitgangspunten [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 1 [Vervallen per 01-01-2005]

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. minister:

Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

b. LASER:

Dienst Landelijke service bij regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit

c. AID:

Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

d. productschap:

Hoofdproductschap Akkerbouw.

e. raadsverordening:

verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad van de Europese Unie van 17 mei 1999 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PbEG L 160)

f. verordening 3508/92:

verordening (EEG) nr.3508/92 van de Raad van 27 november 1992 tot instelling van een geïntegreerd beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PbEG L 355);

g. verordening 2419/2001:

verordening (EG) nr. 2419/2001 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 11 december 2001 houdende uitvoeringsbepalingen inzake het bij verordening (EEG) nr. 3508/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen ingestelde geïntegreerde beheers- en controlesysteem voor bepaalde communautaire steunregelingen (PbEG L 327)

h. verordening 2461/1999:

verordening (EG) nr. 2461/1999 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 november 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad wat het gebruik betreft van uit productie genomen grond voor de productie van grondstoffen voor de vervaardiging in de Gemeenschap, van niet specifiek voor voeding of vervoedering bestemde producten (PbEG L 299);.

i. verordening 2316/1999 :

verordening (EG) nr. 2316/1999 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 oktober 1999 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1251/1999 van de Raad tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen (PbEG L 280);.

j. verordening 1782/2003:

verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van de Europese Unie van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en houdende wijziging van de Verordeningen (EEG) nr. 2019/93, (EG) nr. 1452/2001, (EG) nr. 1453/2001, (EG) nr. 1454/2001, (EG) nr. 1868/94, (EG) nr. 1251/1999, (EG) nr. 1254/1999, (EG) nr. 1673/2000, (EEG) nr. 2358/71 en (EG) nr. 2529/2001 (PbEG L 270);

k. verordening 2237/2003:

verordening (EG) nr. 2237/2003 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 23 december 2003 houdende uitvoeringsbepalingen voor bepaalde steunregelingen die zijn ingesteld bij Titel IV van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PbEG L 339);

l. producent:

individuele landbouwondernemer die op zijn bedrijf voor eigen rekening en risico akkerland inzaait met akkerbouwgewassen dan wel ander bouwland beteelt met energiegewassen, eiwithoudende gewassen of zetmeelaardappelen of beplant heeft met notenbomen, met de bedoeling deze gewassen te oogsten;

m. bedrijf:

geheel van productie-eenheden dat door de producent wordt beheerd en dat zich bevindt op het Nederlandse grondgebied;

n. akkerland:
  • a. geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die op 31 december 1991 als blijvend grasland, voor meerjarige teelten, als bosgrond of voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was, en

  • b. grond die uiterlijk op 31 december 1991 overeenkomstig de Beschikking ter zake van het uit productie nemen van bouwland uit productie is geweest met uitzondering van grond die overeenkomstig artikel 4 is vervangen door andere gronden;.

o. perceel:

aaneengesloten oppervlakte die daadwerkelijk wordt benut voor de teelt van een akkerbouwgewas dan wel voor het uit productie nemen als bedoeld in de onderhavige regeling, welke is gelegen in één productieregio;

p. akkerbouwgewassen:

gewassen die worden genoemd in bijlage I van de raadsverordening;

q. verkoopseizoen:

tijdvak dat begint op 1 juli van een kalenderjaar en eindigt op 30 juni van het daarop volgende kalenderjaar;

r. productieregio I:

gebied dat is gelegen binnen de gemeentegrenzen welke op 1 mei 1991 golden voor de in bijlage 1 bij deze regeling genoemde gemeenten of gedeelten van gemeenten en de gebieden welke met een groene arcering zijn aangegeven op de kaarten in bijlage 4;

s. productieregio II:

gebied in Nederland dat niet behoort tot productieregio I;

t. basisareaal:

regionale basisareaal als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de raadsverordening;

u. inzamelaar:

inzamelaar als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, van verordening 2461/1999;.

v. eerste verwerker:

eerste verwerker als bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van verordening 2461/1999;

w. aanvraag oppervlakten:

aanvraag tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van verordening 3508/92.

Artikel 2 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Nederland heeft één nationaal basisareaal van 441.700 hectare, waarvan een apart basisareaal voor maïs 208.300 hectare beslaat.

  • 2 Op het in het eerste lid genoemde nationale basisareaal wordt in mindering gebracht het met maïs onderscheidenlijk overige akkerbouwgewassen ingezaaide areaal dat wordt gebruikt voor het verzoek om subsidie krachtens verordening (EG) nr. 1254/1999 van de Raad van de Europese Unie van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees (PbEG L 160).

  • 3 De gemiddelde graanopbrengst, bedoeld in artikel 3, eerste en vijfde lid, van de raadsverordening en de gemiddelde opbrengst van maïs, bedoeld in artikel 3, eerste, tweede en vijfde lid, van de raadsverordening wordt voor productieregio I vastgesteld op 6660 kg per hectare voor maïs en 7080 kg per hectare voor de overige akkerbouwgewassen, en voor productieregio II op 6660 kg per hectare voor maïs en 4920 kg per hectare voor de overige akkerbouwgewassen.

Paragraaf 2. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 3 [Vervallen per 01-01-2005]

Aan producenten van akkerbouwgewassen die een aanvraag oppervlakten indienen wordt door de minister jaarlijks ter zake van met akkerbouwgewassen ingezaaide oppervlakten of braakgelegde oppervlakten overeenkomstig de raadsverordening, verordening 3508/92, verordening 2419/2001, verordening 2316/1999, verordening 2461/1999, deze regeling en het overeenkomstig artikel 3 van de raadsverordening opgestelde regioplan, subsidie verstrekt.

Artikel 4 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Onder de voorwaarden, die voortvloeien uit de in artikel 3 genoemde verordeningen alsmede onder de bepalingen van deze regeling, komt de producent in aanmerking voor een subsidie voor percelen akkerland:

    • a. met elk een oppervlakte van tenminste 0,3 hectare;

    • b. die volledig worden ingezaaid met een akkerbouwgewas met inachtneming van de volgende minimum hoeveelheden ingezaaid zaad per hectare:

      koolzaad en raapzaad:

      4 kg;

      zonnebloempitten:

      3,5 kg;

      sojabonen:

      50 kg;

      eiwithoudende gewassen:

      70 kg

      maïs:

      15 kg;

      boekweit:

      25 kg;

      kanariezaad:

      20 kg;

      overige granen:

      50 kg;

      lijnzaad van ander vlas dan vezelvlas:

      30 kg;

      vezelvlas:

      70 kg;

      vezelhennep:

      25 kg;

      vezelhennep voor de productie van zaaizaad:

      8 kg;

      quinoa:

      3 kg;

      Eragrostis

      1 kg.
    • c. die door de producent worden onderhouden behalve in uitzonderlijke, door de minister als zodanig erkende omstandigheden en onder de door hem daarbij gestelde voorwaarden;

  • 2 Suikermaïs en vezelhennep worden uiterlijk op 15 juni voorafgaand aan het betrokken verkoopseizoen ingezaaid.

  • 3 De producent kan percelen akkerland als bedoeld in het eerste lid vervangen door andere gronden indien:

    • a. de perceelsindeling of de verkaveling van het bedrijf van overheidswege wordt gewijzigd of op grond van de Plantenziektenwet beperkingen worden gesteld aan het telen van akkerbouwgewassen op het bedrijf;

    • b. de oppervlakte van de vervangende gronden niet groter is dan die van de te vervangen percelen akkerland;

    • c. voor zover van toepassing, de eigenaar, beperkt gebruiksgerechtigde, verpachter dan wel pachter van de te vervangen percelen akkerland heeft ingestemd met het vervangen van deze percelen;

    • d. en voorafgaande aan het betrokken verkoopseizoen schriftelijk toestemming is verkregen van LASER. Een schriftelijke aanvraag daartoe kan in de periode die loopt van 15 oktober tot en met 1 december worden ingediend.

  • 4 Onverminderd het bepaalde in de aanhef van het eerste lid komt de producent in aanmerking voor een subsidie voor percelen bestemd voor de teelt van vezelvlas of vezelhennep en eventueel voor de verplichte braaklegging daarvan, voor zover voor deze percelen in het kader van verordening (EEG) nr. 1308/70 van de Raad van 29 juni 1970 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector vlas en hennep (PbEG 146) steun is toegekend gedurende ten minste één van de verkoopseizoenen 1998/1999 tot en met 2000/2001.

  • 5 In afwijking van het eerste en het vierde lid wordt geen subsidie verleend indien dit bedrag 50 euro of lager is.

Artikel 5 [Vervallen per 01-01-2005]

De subsidies worden berekend overeenkomstig artikel 7 van de raadsverordening. Bij de berekening van de subsidie voor oliehoudende zaden wordt de gemiddelde graanopbrengst van de betrokken productieregio als uitgangspunt genomen.

Paragraaf 3. Aanvraag oppervlakten [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 6 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Om voor een subsidie in aanmerking te komen dient de producent bij LASER een aanvraag oppervlakten in.

  • 2 Een aanvraag oppervlakten heeft betrekking op alle percelen die behoren tot het bedrijf van de producent .

Artikel 7 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Voor een aanvraag oppervlakten of mededeling in het kader van deze regeling maakt de producent gebruik van een door LASER vastgesteld formulier dat door de producent volledig en naar waarheid is ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

  • 2 Bij de indiening van een formulier, als bedoeld in het eerste lid, legt de producent alle bewijsstukken over ten aanzien waarvan zulks wordt verlangd ingevolge het betreffende formulier, dan wel ingevolge deze regeling.

  • 3 De producent is verplicht degene die belast is met de uitvoering van deze regeling op diens verzoek alle ter zake van die gegevens gewenste nadere inlichtingen terstond en naar waarheid te verstrekken.

  • 4 LASER is belast met de uitvoering van deze regeling waaronder begrepen het uitreiken van formulieren, alsmede met het wederom in ontvangst nemen van de formulieren met bijbehorende bescheiden.

Artikel 7a [Vervallen per 01-01-2005]

  • 2 De bewijsstukken die ingevolge deze regeling verlangd worden, overlegt de producent schriftelijk voor zover deze niet elektronisch overgelegd kunnen worden

Artikel 8 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De aanvraagperiode voor de aanvraag oppervlakten loopt van 1 april tot en met 15 mei.

  • 2 Indien de aanvraag oppervlakten na sluiting van de aanvraagperiode, bedoeld in het eerste lid, door LASER wordt ontvangen, wordt de subsidie waarop de producent recht zou hebben indien LASER de aanvraag oppervlakten tijdig zou hebben ontvangen, verlaagd overeenkomstig artikel 13 van verordening 2419/2001, behoudens overmacht of buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 13.

  • 3 Indien de aanvraag oppervlakten meer dan 25 kalenderdagen na sluiting van de aanvraagperiode, bedoeld in het eerste lid, door LASER wordt ontvangen, wordt de aanvraag afgewezen, behoudens overmacht of buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 13.

Artikel 9 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Na sluiting van de aanvraagperiode, doch uiterlijk op de datum die voor de inzaai of overeenkomstig de raadsverordening is vastgesteld, kan de aanvraag oppervlakten worden gewijzigd overeenkomstig artikel 8 van verordening 2419/2001.

  • 2 Indien de wijzigingen, bedoeld in het eerste lid, na de aldaar bedoelde datum door LASER worden ontvangen, wordt de subsidie die betrekking heeft op het daadwerkelijke gebruik van de betrokken percelen verlaagd met 1% per werkdag dat de wijzigingen te laat worden ingediend.

  • 3 In afwijking van het tweede lid, worden de wijzigingen, bedoeld in het eerste lid, die meer dan 25 kalenderdagen na sluiting van de aanvraagperiode door LASER worden ontvangen, niet meer geaccepteerd. Indien deze uiterste datum evenwel ligt voor of op de in het eerste lid bedoelde datum voor de inzaai, worden de wijzigingen die na de datum voor de inzaai worden ontvangen niet meer geaccepteerd.

  • 4 In afwijking van het eerste lid kan de aanvraag oppervlakten in geval van een door LASER erkende kennelijke fout na de in het eerste lid bedoelde datum worden verbeterd.

  • 5 De aanvraag oppervlakten kan te allen tijde geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken, echter indien LASER, de AID of het productschap de producent in kennis heeft gesteld van:

    • a. onregelmatigheden in zijn aanvraag oppervlakten, of

    • b. het voornemen bij hem een controle ter plaatse uit te voeren, waarbij vervolgens onregelmatigheden worden ontdekt, mogen de bij de onregelmatigheden betrokken gedeelten van de aanvraag niet worden ingetrokken.

  • 6 Van de wijziging bedoeld in het eerste lid, de verbetering bedoeld in het vierde lid en de intrekking bedoeld in het vijfde lid wordt LASER schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 9a [Vervallen per 01-01-2005]

Indien een bedrijf volledig wordt overgedragen nadat de aanvraag oppervlakten is ingediend en voordat aan alle voorwaarden voor de toekenning van subsidie is voldaan, kan aan de cessionaris de door de cedent aangevraagde subsidie worden toegekend indien:

  • a. LASER de schriftelijke melding door de cessionaris van de overdracht binnen een maand na de overdracht ontvangt,

  • b. de cessionaris LASER verzoekt om betaling van de door de cedent aangevraagde subsidie,

  • c. de cessionaris alle door LASER verlangde bewijsstukken overlegt, en

  • d. wordt voldaan aan alle voorwaarden voor de toekenning van de subsidie.

Paragraaf 4. Behandeling van de aanvraag opervlakten [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 10 [Vervallen per 20-01-2000]

Paragraaf 5. Administratieve bepalingen [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 11 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De producent houdt op zijn bedrijf een afschrift van een volledig en naar waarheid ingevulde boekhouding voor de gewassen beschikbaar overeenkomstig het door LASER vastgestelde formulier.

  • 2 Bij de boekhouding, bedoeld in het eerste lid, bewaart de producent alle door LASER voorgeschreven bewijsstukken.

Paragraaf 6. Sanctiebepalingen [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 11a [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De in artikel 32 tot en met 35 van verordening 2419/2001 bedoelde kortingen en uitsluitingen zijn niet van toepassing:

    • a. indien de producent LASER feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft, of

    • b. op die onderdelen van de aanvraag oppervlakten ten aanzien waarvan een producent, nadat hij heeft vastgesteld dat zijn aanvraag fouten bevat of niet langer juist is, LASER daarvan schriftelijk in kennis stelt, tenzij de producent door LASER, de AID of het productschap in kennis is gesteld van het voornemen bij hem een controle ter plaatse te verrichten of reeds over onregelmatigheden in de betrokken aanvraag is ingelicht.

Artikel 12 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Behoudens de gevallen waarin artikel 34, 34a of de kortingen en uitsluitingen, bedoeld in artikel 32 tot en met 35 van verordening 2419/2001 van toepassing zijn, vervalt het recht op een subsidie naar de mate van de ernst en omvang van de geconstateerde overtreding indien blijkt dat de producent een of meer bepalingen van de raadsverordening, van de in artikel 1 genoemde verordeningen of van deze regeling geheel of gedeeltelijk niet heeft nageleefd of indien bij zijn aanvraag tot subsidieverlening onjuiste gegevens zijn verstrekt.

  • 2 Indien het recht op een subsidie vervalt zoals bedoeld in het eerste lid, betaalt de producent het reeds ontvangen bedrag terug, vermeerderd met de rente vanaf het moment dat de producent in kennis is gesteld van de verplichting het betrokken bedrag terug te betalen.

  • 3 De rente, bedoeld in het tweede lid, is de wettelijke rente in Nederland geldende op de laatste dag van de kalendermaand waarin de subsidie is betaald.

  • 4 De subsidie vermeerderd met de rente betaalt de producent terug op eerste vordering van LASER, zonder dat ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst is vereist.

Paragraaf 7. Overmacht [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 13 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Indien de producent één of meer verplichtingen als bedoeld in de in artikel 1 genoemde verordeningen of van deze regeling niet kan nakomen wegens overmacht of buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 48 van verordening 2419/2001, ontvangt LASER binnen 10 werkdagen vanaf het tijdstip waarop dit voor de producent mogelijk is, hiervan schriftelijk bericht.

  • 2 De producent voegt bij de berichtgeving, bedoeld in het eerste lid, bewijsstukken bij ter ondersteuning van zijn beroep op overmacht of buitengewone omstandigheden als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 8. Oliehoudende zaden [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 14 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Het bij de inzaai van koolzaad of raapzaad gebruikte zaad moet behoren tot één van de in artikel 4, tweede lid, onderdelen a, c en d, van verordening 2316/1999, onderscheiden categorieën zaaizaad.

  • 2 Indien inzaai plaatsvindt met zaaizaad, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdeel c, van verordening 2316/1999, is de producent verplicht:

    • a. het betreffende perceel aan te melden voor keuring bij de stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen overeenkomstig het door deze stichting vastgestelde keuringsreglement;

    • b. een bewijs terzake van de aanmelding van het perceel bij zijn boekhouding, als bedoeld in artikel 11 te bewaren;

    • c. in voorkomend geval schriftelijke stukken waaruit de projectmatige opzet en het doel van het onderzoek of de proef blijken alsmede de resultaten daarvan, bij zijn boekhouding, bedoeld in artikel 11, te bewaren.

  • 3 Artikel 2 van de Beschikking controlevoorschriften inzake het gebruik of de bestemming van bepaalde landbouwprodukten 1979 is van overeenkomstige toepassing op de geteelde gewassen, zolang de voorgeschreven bestemming niet volledig is bereikt.

Paragraaf 9. Vezelvlas, vezelhennep en lijnzaad van ander vlas dan vezelvlas [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 15 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Bij de inzaai van vezelvlas en vezelhennep wordt zaad gebruikt als bedoeld in artikel 7 bis, eerste lid, onderdeel b, eerste volzin, van verordening 2316/1999. Voor vezelhennep geldt voorts dat het zaad gecertificeerd moet zijn overeenkomstig richtlijn 69/208/EEG.

  • 2 De producent dient uiterlijk op 15 september van het verkoopseizoen waarop de aanvraag oppervlakten betrekking heeft, bij LASER een kopie in van het contract of de verbintenis bedoeld in artikel 7 bis, eerste lid, onderdeel a, van verordening 2316/1999.

  • 3 De producent doet aangifte bij LASER terzake de met vezelvlas en vezelhennep bebouwde percelen.

  • 4 De aangifte, die deel uit maakt van de aanvraag oppervlakten, voldoet aan artikel 7bis, derde lid, van verordening 2316/1999.

  • 5 De teeltaangifte gaat vergezeld van de officiële etiketten van het gebruikte vezelvlaszaad en vezelhennepzaad bedoeld in artikel 7 bis, tweede lid, van verordening 2316/1999.

  • 6 In afwijking van het derde lid, gaat, indien op een perceel vezelvlas wordt geteeld voor de productie van zaaizaad, de teeltaangifte vergezeld van een kopie van de aanmelding van het betrokken perceel bij de stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen.

  • 7 Indien ten behoeve van de teelt van vezelvlas zaad is gebruikt dat niet is gecertificeerd overeenkomstig het bij of krachtens richtlijn 69/208/EEG bepaalde, gaat de teeltaangifte vergezeld van bewijsstukken waaruit blijkt dat het ingezaaide zaad voldoet aan het eerste lid.

  • 8 In afwijking van het vijfde tot en met het zevende lid, worden, indien de inzaai plaatsvindt na de sluiting van de aanvraagperiode, de aldaar bedoelde bewijsstukken uiterlijk op 30 juni van het verkoopseizoen waarop de aanvraag oppervlakten betrekking heeft bij LASER ingediend.

Artikel 15a [Vervallen per 01-01-2005]

Bij de inzaai van lijnzaad wordt zaad gebruikt van vlasrassen die worden beschouwd als andere rassen dan die welke hoofdzakelijk zijn bestemd voor de productie van vezels als bedoeld in artikel 15, eerste lid.

Paragraaf 10. Het uit productie nemen van akkerland [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 16 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Een producent neemt per productieregio een zodanige oppervlakte akkerland, die bestaat uit percelen van tenminste 20 meter breed met elk een oppervlakte van tenminste 0,3 hectare, uit productie dat de desbetreffende oppervlakte ten minste 5% uitmaakt van de oppervlakte die wordt gevormd door de som van:

    • a. de totale oppervlakte van de percelen in de desbetreffende productieregio ingezaaid met akkerbouwgewassen waarvoor de producent subsidie aanvraagt, en

    • b. de totale door de producent voor de desbetreffende productieregio op grond van deze regeling uit productie genomen oppervlakte aan percelen.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, is het de producent toegestaan om ook grond uit productie te nemen in de andere productieregio dan die waarin de akkerbouwgewassen worden ingezaaid mits de braak te leggen oppervlakte wordt aangepast om rekening te houden met de opbrengstverschillen tussen deze productieregio’s.

  • 3 Voor de uit productie genomen oppervlakte die groter is dan waartoe de producent ingevolge het eerste lid verplicht is, heeft de producent aanspraak op subsidie in het kader van deze regeling.

  • 4 In afwijking van het eerste lid geldt de verplichting tot het uit productie nemen van een oppervlakte niet voor een producent wiens aanvraag oppervlakten betrekking heeft op een kleinere oppervlakte dan die volgens de voor de desbetreffende productieregio of productieregio’s vastgestelde opbrengsten nodig is om 92 ton graan te produceren, tenzij

    • a. het bedrijf van de producent na 30 juni 1992 is gevormd door de splitsing van een bestaand bedrijf, en

    • b. de splitsing bedoeld in onderdeel a kennelijk voornamelijk tot doel heeft de verplichting bedoeld in het eerste lid te ontgaan.

  • 5 Een producent die overeenkomstig het vierde lid is vrijgesteld van de verplichting, bedoeld in het eerste lid, heeft voor de oppervlakte akkerland, die bestaat uit percelen van tenminste 20 meter breed met elk een oppervlakte van tenminste 0,3 hectare, die hij uit productie neemt recht op subsidie in het kader van deze regeling.

  • 6 In afwijking van de minimumbreedte genoemd in het eerste lid, is het de producent toegestaan percelen van ten minste 10 meter breed met elk een oppervlakte van ten minste 0,3 hectare, uit productie te nemen, indien zij grenzen aan nimmer opdrogende waterlopen of meren, onder de navolgende voorwaarden:

    • a. de percelen worden ingezaaid met een groenbemester overeenkomstig artikel 20, tweede lid;

    • b. op de betrokken percelen worden in de periode vanaf 15 januari tot en met 30 september:

      • -

        geen dierlijke of overige organische meststoffen gebruikt,

      • -

        geen fytofarmaceutische producten, herbiciden daaronder begrepen, gebruikt, behoudens voor de pleksgewijze bestrijding van onkruid die uit landbouwkundig oogpunt noodzakelijk is.

  • 7 Voor de uit productie genomen percelen, bedoeld in het eerste, derde, vijfde en zesde lid bedraagt de subsidie per hectare 63 euro vermenigvuldigd met de gemiddelde graanopbrengst gemeten in tonnen per hectare van de desbetreffende productieregio.

Artikel 17 [Vervallen per 01-01-2005]

De oppervlakte, bedoeld in artikel 16, wordt gedurende een aaneengesloten periode, die loopt van uiterlijk 15 januari tot tenminste 31 augustus daaropvolgend, niet gebruikt voor een vorm van landbouwproductie en evenmin voor andere landbouwdoeleinden of andere winstgevende bestemmingen die met akkerbouw onverenigbaar zijn.

Artikel 18 [Vervallen per 20-01-2000]

Artikel 19 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Percelen die zijn bebost in het kader van de Regeling stimulering bosuitbreiding op landbouwgronden uit hoofde van een aanvraag die na 28 juni 1995 is ingediend, kunnen worden gebruikt om aan de in artikel 16, eerste lid, bedoelde verplichting te voldoen.

  • 2 Voor percelen, bedoeld in het eerste lid, die tevens worden gebruikt voor de verplichting tot het uit productie nemen van een oppervlakte als bedoeld in artikel 16, eerste lid, heeft de producent geen aanspraak op subsidie, bedoeld in artikel 16, zevende lid.

Artikel 20 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 In afwijking van artikel 17 is het de producent vanaf 15 juli toegestaan de overeenkomstig artikel 16 uit productie genomen oppervlakte ten behoeve van de oogst van het daaropvolgende kalenderjaar in te zaaien met de in bijlage 3 bij deze regeling genoemde gewassen.

  • 2 In afwijking van artikel 17 mag de producent de overeenkomstig artikel 16 uit productie genomen oppervlakte inzaaien met een groenbemester onder de navolgende voorwaarden:

    • a. het betreft een groenbemester, genoemd in bijlage 2 bij de regeling, die uiterlijk op 31 mei wordt ingezaaid;

    • b. de groenbemester evenals het eventueel opgekomen onkruid wordt vóór 31 augustus niet van het perceel afgevoerd en wordt vanaf 31 augustus tot 15 januari niet van het bedrijf afgevoerd. De groenvoederproductie die onder meer door het inkuilen van de groenbemester in de periode tot 15 januari is ontstaan, mag niet van het bedrijf worden afgevoerd;.

    • c. de groenbemester is niet bestemd voor de productie van zaaizaad of pootgoed;

    • d. de groenbemester wordt niet vóór 31 augustus voor agrarische doeleinden gebruikt en geeft niet vóór 15 januari aanleiding tot een groenvoederproductie die bedoeld is om te worden gecommercialiseerd;

    • e. de groenbemester wordt niet vóór 31 augustus door enigerlei vorm van bewerking vernietigd.

  • 3 Op percelen welke niet zijn of worden ingezaaid met een groenbemester, mogen gedurende de in artikel 17 bedoelde periode geen dierlijke meststoffen of overige organische meststoffen worden gebruikt.

  • 4 Ter zake van de percelen bedoeld in het derde lid, verklaart de producent bij de in artikel 21 bedoelde aangifte dat hij geen groenbemester inzaait en dat hij op de betrokken percelen geen dierlijke meststoffen of overige organische meststoffen zal gebruiken gedurende de in artikel 17 bedoelde periode.

  • 5 Op percelen welke zijn of worden ingezaaid met een groenbemester, is het gebruik van dierlijke meststoffen of overige organische meststoffen onder de volgende aanvullende voorwaarden geoorloofd:

    • a. de producent verklaart bij de in artikel 21 bedoelde aangifte dat hij gebruik wil kunnen maken van de mogelijkheid om op de betrokken percelen dierlijke meststoffen of overige organische meststoffen te gebruiken.

    • b. de inzaai met groenbemesters geschiedt met gebruikmaking van een zodanige hoeveelheid zaaizaad en op zodanige wijze dat een volledige en gelijkmatige opkomst van het gewas op het gehele betrokken perceel gegarandeerd is.

    • c. in ieder geval in de periode van 15 juni tot en met 14 juli is het gewas zodanig ontwikkeld dat sprake is van een volledige en gelijkmatig bedekking van de betrokken percelen met een groenbemester.

  • 6 Het is verboden om op uit productie genomen percelen akkerland:

    • a. organische afvalstoffen te gebruiken;

    • b. dierlijke meststoffen te gebruiken indien zulks in strijd is met het bepaalde in het Besluit gebruik dierlijke meststoffen 1998;

    • c. fytofarmaceutische producten, daaronder begrepen herbiciden, te gebruiken, uitgezonderd de ingevolge de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 288) toegestane middelen;

    • d. overige organische meststoffen te gebruiken indien zulks in strijd is met het bepaalde in het Besluit kwaliteit en gebruik overige organische meststoffen.

Artikel 20a [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 In afwijking van artikel 17 en met inachtneming van artikel 19 van verordening 2316/1999 en artikel 20, tweede tot en met zesde lid, mag de overeenkomstig artikel 16 uit productie genomen oppervlakte worden gebruikt om, onder verstrekking van een door een overheidsinstantie verleende subsidie ter hoogte van de daadwerkelijke en redelijke kosten van de producent, een bijdrage te leveren aan de verbetering dan wel de instandhouding van natuurwaarden.

  • 2 De natuurwaarden, bedoeld in het eerste lid, hebben betrekking op zeldzame of sterk in aantal achteruitgaande diersoorten, plantensoorten en biotopen, waaronder:

    • a. bloembezoekende insekten;

    • b. zoogdieren, reptielen en amfibieën;

    • c. akkervogels en roofvogels;

    • d. akkerkruiden;

    • e. trekvogels.

Artikel 21 [Vervallen per 10-01-2002]

Artikel 21a [Vervallen per 01-01-2005]

  • 2 Ten bewijze dat de producent voor zijn gehele productie voldoet aan de voorschriften die zijn vastgesteld bij verordening (EEG) nr. 2092/91 gaat de aanvraag oppervlakten vergezeld van een bewijs van certificering door de Stichting SKAL te Zwolle.

Artikel 22 [Vervallen per 20-01-2000]

Paragraaf 11. Verbouw van niet voor menselijke of dierlijke voeding bestemde grondstoffen op uit productie genomen akkerland [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 23 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 In afwijking van artikel 17 mogen producenten overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk II van verordening 2461/1999 en de artikelen 24 tot en met 30, de overeenkomstig artikel 16 uit productie genomen oppervlakte gebruiken voor het verbouwen van de in bijlage I bij genoemde verordening genoemde grondstoffen.

  • 2 Geen subsidie als bedoeld in artikel 16, zevende lid, wordt verstrekt voor de overeenkomstig artikel 16 uit productie genomen percelen waarop de verbouw van aardperen, cichoreiwortels en suikerbieten plaatsvindt.

  • 3 De grondstoffen worden verbouwd specifiek met het oog op verwerking van de grondstoffen in de Europese Gemeenschap tot een of meer eindproducten welke zijn genoemd in bijlage III van verordening 2461/1999 en welke niet zijn bestemd voor menselijke of dierlijke voeding.

  • 4 Grondstoffen van GN-code 0701 90 10 mogen slechts worden verbouwd onder de navolgende voorwaarden:

    • a. de betrokken percelen zijn in de drie voorafgaande teeltseizoenen niet met aardappelen bebouwd geweest;

    • b. ten hoogste 25% van de totale oppervlakte akkerland van het bedrijf wordt gebruikt voor de teelt van aardappelen;

    • c. gedurende de vijf kalenderjaren, die volgen op de onderhavige aardappelteelt, blijft een grondontsmetting achterwege;

    • d. voor de onderhavige aardappelteelt worden slechts aardappelrassen gebruikt, waaraan blijkens de meest recente Beschrijvende Rassenlijst voor landbouwgewassen ten minste het cijfer 6 is toegekend voor de eigenschap ’resistentie tegen Phytophthora in het loof’;

    • e. voordat de onderhavige aardappelteelt aanvangt, wordt ieder daarvoor bestemd perceel door een door de minister aangewezen instelling onderzocht op aardappelmoeheid;

    • f. indien een perceel, dat voor de onderhavige aardappelteelt wordt gebruikt, blijkens het in onderdeel c bedoelde onderzoek niet vrij is van aardappelmoeheid, worden daarop slechts aardappelen geteeld van rassen, die door de in onderdeel c bedoelde instelling zijn aangewezen.

Artikel 24 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De verbouw van grondstoffen overeenkomstig artikel 23 vindt plaats op basis van een schriftelijke overeenkomst die door de producent is gesloten met een in een Lid-Staat van de Europese Unie gevestigde eerste verwerker of inzamelaar.

  • 2 De overeenkomst bevat:

    • a. de gegevens, genoemd in artikel 4, tweede lid, van verordening 2461/1999;.

    • b. de productieregio waarin de betrokken percelen zijn gelegen;

    • c. het kalenderjaar waarin de grondstoffen zullen worden geoogst;

    • d. de verplichting voor de producent de totale hoeveelheid van de in de overeenkomst omschreven en tevens door middel van de toepasselijke GN-code aangeduide grondstof, welke wordt geproduceerd op de percelen waarop de overeenkomst betrekking heeft, te leveren aan de eerste verwerker of inzamelaar;

    • e. de verplichting voor de eerste verwerker of inzamelaar de geleverde hoeveelheid grondstof volledig af te nemen en te verzekeren dat deze zal worden gebruikt voor de vervaardiging van één of meer van de in de overeenkomst omschreven en tevens door middel van de toepasselijke GN-code aangeduide eindproducten, als bedoeld in artikel 23, derde lid.

  • 3 In Nederland gevestigde eerste verwerkers of inzamelaars waarmee een overeenkomst wordt gesloten dienen door het productschap te zijn erkend.

  • 4 De erkenning wordt op aanvraag verleend en vindt eerst plaats nadat door de AID is vastgesteld dat de bedrijfsadministratie, de opslagruimten en, indien van toepassing, de productiewijze en -middelen voldoen aan de vereisten die daaraan moeten worden gesteld in verband met de controle op de bestemming die aan de grondstoffen moet worden gegeven.

  • 5 De producent bewaart een origineel exemplaar van de met de eerste verwerker of inzamelaar gesloten overeenkomst of een gewaarmerkte kopie daarvan bij zijn boekhouding, bedoeld in artikel 11, eerste lid.

Artikel 25 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De producent doet aangifte bij LASER ter zake van de met grondstoffen bebouwde percelen en legt daarbij tevens een origineel exemplaar van de met de eerste verwerker of inzamelaar gesloten overeenkomst over.

  • 3 De totale hoeveelheid grondstof die op de betrokken percelen is geproduceerd, wordt uiterlijk op 1 maart van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin zij wordt geoogst, geleverd aan de eerste verwerker of inzamelaar.

  • 4 Ten bewijze dat is voldaan aan het bepaalde in het derde lid, legt de producent uiterlijk op 1 maart van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de aanvraag oppervlakten, bedoeld in artikel 6, eerste lid, is ingediend, aan LASER een door de erkende eerste verwerker of diens gemachtigde of de inzamelaar of diens gemachtigde getekende verklaring van overname, alsmede fakturen en betalingsbewijzen met betrekking tot de geleverde grondstoffen over, tezamen met de aangifte, bedoeld in artikel 10, eerste lid, van verordening 2461/1999.

  • 5 De verklaring van overname, bedoeld in het vierde lid, wordt gesteld op een door LASER vastgesteld formulier dat door de erkende eerste verwerker of inzamelaar volledig en naar waarheid is ingevuld, ondertekend en gedagtekend.

  • 6 Voor grondstoffen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van verordening 2461/1999 bepaalt LASER vóór de oogst de representatieve opbrengsten aan de hand van de oogstgegevens van het bedrijf van de producent en stelt de producent hiervan in kennis.

Artikel 26 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De in Nederland gevestigde erkende eerste verwerker of inzamelaar die een overeenkomst als bedoeld in artikel 24 heeft gesloten met een producent wiens bedrijf zich in Nederland of in een andere Lid-Staat van de Europese Unie bevindt:

    • a. dient een origineel exemplaar van de overeenkomst of een gewaarmerkt kopie daarvan in bij het productschap binnen de termijnen, genoemd in artikel 13, eerste lid, van verordening 2461/1999 en verstrekt daarbij de nodige gegevens over de verwerkingsketen, bedoeld in artikel 13, tweede lid, van verordening 2461/1999;

    • b. stelt bij het productschap de volledige zekerheid, bedoeld in artikel 15, tweede lid, van verordening 2461/1999 binnen de in artikel 13, eerste lid, van genoemde verordening bedoelde termijn.

    • c. bewaart een origineel exemplaar van de overeenkomst of een gewaarmerkte kopie daarvan in zijn bedrijfsadministratie;

    • d. doet aan het productschap uiterlijk op 1 maart van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de grondstof wordt geoogst, opgave van de totale ontvangen hoeveelheid grondstof welke is geproduceerd op de percelen waarop de overeenkomst betrekking op heeft, onder vermelding van soort en ras, alsmede van de referentie van de overeenkomst en van de naam en het adres van de partij bij de overeenkomst die de grondstof heeft geleverd en van de plaats van levering.

  • 2 De in Nederland gevestigde eerste verwerker of inzamelaar verstrekt de in artikel 13, vierde lid, van verordening 2461/1999 bedoelde informatie binnen de daar genoemde termijnen aan het productschap, onder vermelding van de referentie van de overeenkomst.

  • 3 Indien de eerste verwerker niet zelf de grondstoffen verwerkt tot de eindproducten welke zijn genoemd in de overeenkomst met de in het eerste lid bedoelde producent, verplicht hij de afnemers van de grondstoffen of van de tussenproducten bij schriftelijke overeenkomst de grondstoffen tot deze eindproducten te verwerken of te doen verwerken dan wel een gelijk beding op te nemen in de met opvolgende afnemers te sluiten schriftelijke overeenkomsten, waarbij laatsten verplicht worden op hun beurt gelijke verplichtingen op te nemen in de door hen met afnemers te sluiten schriftelijke overeenkomsten.

  • 4 De artikelen 2 en 3 van de Beschikking controlevoorschriften inzake het gebruik op de bestemming van bepaalde landbouwprodukten 1979 is vanaf de aflevering van de grondstoffen aan de eerste verwerker of inzamelaar van toepassing op bedoelde grondstoffen en de daaruit geproduceerde tussenproducten, zolang nog geen sprake is van de eindproducten waarop de met de in het eerste lid bedoelde producent gesloten overeenkomst betrekking heeft, met dien verstande dat waar in genoemde artikelen sprake is van de Minister, respectievelijk LASER gelezen wordt: het productschap.

  • 5 De AID is belast met:

    • a. de afgifte van controle-exemplaren T 5, als bedoeld, in artikel 17 van verordening 2461/1999 bij verzending van de in genoemd artikellid bedoelde grondstoffen, tussenproducten of bijproducten naar andere Lid-Staten van de Europese Unie;

    • b. de behandeling en aftekening van controle-exemplaren T 5 die betrekking hebben op de grondstoffen en producten die van andere Lid-Staten naar Nederland zijn verzonden.

  • 6 De eerste verwerker kan de geleverde grondstoffen, tussenproducten of eindproducten en de inzamelaar kan de geleverde grondstoffen vervangen door equivalente producten van dezelfde onderverdeling van de gecombineerde nomenclatuur, van dezelfde handelskwaliteit en met dezelfde technische kenmerken mits hij het productschap hiervan vooraf in kennis stelt.

Artikel 27 [Vervallen per 01-01-2005]

De producent die gebruik maakt van de mogelijkheid van verbouw van niet voor menselijke of dierlijke voeding bestemde grondstoffen op uit productie genomen akkerland, heeft aanspraak op subsidie als bedoeld in artikel 16, zevende lid, indien is vastgesteld dat is voldaan aan artikel 12, eerste lid, van verordening 2461/1999, alsmede aan de bepalingen van deze regeling.

Artikel 28 [Vervallen per 01-01-2005]

De zekerheid, bedoeld in artikel 26, eerste lid, onderdeel b, wordt door het productschap vrijgegeven overeenkomstig artikel 15, vierde lid, van verordening 2461/1999.

Artikel 29 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Indien de overeenkomst, bedoeld in artikel 24, wordt gewijzigd of ontbonden nadat de producent een aanvraag oppervlakten heeft ingediend kan de producent slechts aanspraak maken op een subsidie indien de producent aan LASER respectievelijk de in Nederland gevestigde verwerker of inzamelaar aan het productschap, uiterlijk op de door de minister overeenkomstig artikel 8 vastgestelde datum voor ontvangst van de aanvraag oppervlakten, een origineel exemplaar dan wel een gewaarmerkt afschrift van de schriftelijke overeenkomst tussen de producent en de eerste verwerker of inzamelaar, waarbij de overeenkomst wordt gewijzigd of ontbonden, overlegt.

  • 2 Onverminderd het bepaalde in het eerste lid staat LASER toe dat de overeenkomst wordt gewijzigd of, voorzover dit gerechtvaardigd is, wordt ontbonden indien de producent haar hiervan vooraf in kennis stelt en bewijsmateriaal overlegt waaruit blijkt, dat hij wegens specifieke omstandigheden de in de overeenkomst vermelde grondstoffen niet of niet volledig kan leveren. Indien de wijziging van de overeenkomst tot een vermindering van de oppervlakte leidt waarvoor de subsidie is aangevraagd, of indien de overeenkomst wordt ontbonden brengt de producent om aanspraak op een subsidie te kunnen blijven maken de betrokken percelen in onbeteelde toestand en draagt hij er zorg voor dat de grondstoffen onder toezicht van de AID worden ondergewerkt of vernietigd.

  • 3 Na verkregen toestemming van LASER als bedoeld in het tweede lid, legt de producent een origineel exemplaar van de schriftelijke overeenkomst, dan wel een gewaarmerkt kopie daarvan binnen 20 werkdagen na haar sluiting over aan LASER en stelt hij LASER in kennis van de datum van de wijziging of ontbinding van de overeenkomst en de datum waarop de betrokken percelen in onbeteelde toestand worden gebracht en de grondstof wordt ondergewerkt of vernietigd. Laatstgenoemde datum is ten minste twee weken na deze kennisgeving gelegen.

Artikel 30 [Vervallen per 01-01-2005]

Door het productschap kunnen met inachtneming van verordening 2461/1999 nadere regelen worden gesteld die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de aan het productschap in de voorgaande bepalingen toegekende bevoegdheden.

Artikel 31 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 In afwijking van artikel 17 mogen producenten overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk III van verordening 2461/1999 en artikel 32, de overeenkomstig artikel 16 uit productie genomen oppervlakte gebruiken voor het verbouwen van de in bijlage II bij genoemde verordening genoemde grondstoffen.

  • 2 De grondstoffen worden verbouwd specifiek met het ook op de verwerking van de grondstoffen in de Europese Gemeenschap tot een of meer eindproducten welke zijn genoemd in bijlage III van verordening 2461/1999 en welke niet zijn bestemd voor menselijke of dierlijke voeding.

  • 3 In afwijking van artikel 17 behoeven de betrokken percelen akkerland niet vanaf 15 januari uit productie te worden genomen mits de bepalingen in verordening 2461/1999 en deze paragraaf in acht worden genomen.

Artikel 32 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De producent die overeenkomstig artikel 31 grondstoffen wil verbouwen met het oog om deze zelf te gebruiken dan wel te verkopen, verbindt zich er ten opzichte van de minister schriftelijk toe dat aan deze grondstoffen een bestemming conform bijlage III van verordening 2461/1999 wordt gegeven.

  • 2 De producent voegt de verbintenis, bedoeld in het eerste lid, bij zijn aanvraag oppervlakten in de verkoopseizoenen waarin de verbouw van de grondstoffen overeenkomstig artikel 31 plaatsvindt.

Paragraaf 11a. Noten, energiegewassen, eiwithoudende gewassen en zetmeelaardappelen [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 32a [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 32b [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Overeenkomstig de voorwaarden van verordening 1782/2003 en verordening 2237/2003 komt een producent slechts in aanmerking voor subsidie voor de teelt van noten als bedoeld in artikel 32a, indien een boomgaard als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van verordening 2237/2003:

    • a. een oppervlakte heeft van ten minste 0,3 hectare;

    • b. voldoet aan het minimum aantal bomen genoemd in artikel 19, derde lid, van verordening 2237/2003.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, aanhef, mag het aantal andere bomen in een boomgaard niet meer zijn dan 10% van het minimum aantal notenbomen per hectare genoemd in artikel 19, derde lid, van Verordening 2237/2003, behoudens ingeval het kastanjebomen betreft.

  • 3 Het subsidiebedrag voor de teelt van noten bedraagt € 241,50 per hectare.

Artikel 32c [Vervallen per 01-01-2005]

  • 2 Als bevoegde autoriteit waaronder de verwerkers van energiegewassen, bedoeld in Hoofdstuk 8 van verordening 2237/2003 ressorteren, wordt het productschap aangewezen. Het productschap kan met inachtneming van verordening 1782/2003 en 2237/2003 nadere regelen stellen die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de aan het productschap toegekende bevoegdheden.

  • 3 Uiterlijk binnen 14 dagen na ontvangst van de door de aanvrager geleverde grondstof doet de eerste verwerker van energiegewassen de kennisgeving, bedoeld in artikel 44, derde lid, van verordening 2237/2003.

Artikel 32d [Vervallen per 01-01-2005]

Overeenkomstig de voorwaarden van verordening 1782/2003 en verordening 2237/2003 komt een producent slechts in aanmerking voor subsidie voor eiwithoudende gewassen als bedoeld in artikel 32a, indien de hoeveelheid zaad per hectare ingezaaid met eiwithoudende gewassen ten minste 70 kg is.

Artikel 32e [Vervallen per 01-01-2005]

Overeenkomstig de voorwaarden van verordening 1782/2003 en verordening 2237/2003 komt een producent in aanmerking voor subsidie voor zetmeelaardappelen als bedoeld in artikel 32a.

Paragraaf 12. Eisen inzake milieubescherming [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 33 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 Op de percelen waarop blijkens de aanvraag oppervlakten maïs wordt geteeld en waarvoor op grond van deze regeling subsidie als bedoeld in artikel 4 wordt aangevraagd, is onkruidbestrijding met behulp van fytofarmaceutische producten niet toegestaan in de periode vanaf 1 april tot en met 15 juli.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is onkruidbestrijding met behulp van ingevolge de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 toegestane fytofarmaceutische producten toegestaan tot maximaal 1 kg werkzame stof per hectare, indien in de periode vanaf de inzaai tot en met 15 juli onkruidbestrijding tenminste één maal mechanisch wordt uitgevoerd op de betrokken percelen.

Artikel 34 [Vervallen per 01-01-2005]

De subsidie die betrekking heeft op de percelen, bedoeld in artikel 33, eerste lid, waarop in strijd met artikel 33 onkruidbestrijding met behulp van fytofarmaceutische producten heeft plaatsgevonden, wordt verminderd met 25%.

Artikel 34a [Vervallen per 01-01-2005]

De subsidie die betrekking heeft op de percelen die op een andere wijze uit productie worden genomen dan als bedoeld in de artikelen 20, eerste en tweede lid, 20a, 21a, 23 en 31, wordt verminderd met 25%.

Artikel 35 [Vervallen per 01-01-2005]

De subsidie voor granen wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 van de raadsverordening.

Artikel 36 [Vervallen per 01-01-2005]

Aan de vereenvoudigde regeling kan niet worden deelgenomen door een producent wiens bedrijf na 30 juni 1992 is gevormd door de splitsing van een bestaand bedrijf, indien deze splitsing kennelijk slechts tot doel heeft het ontgaan van de verplichting tot het uit productie nemen van percelen akkerland overeenkomstig het bepaalde in artikel 16, eerste lid, en artikel 22, eerste lid.

Paragraaf 13. Slotbepalingen en overgangsbepalingen [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 37 [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1 De Regeling steunverlening producenten akkerbouwgewassen wordt ingetrokken.

  • 2 De in het eerste lid genoemde regeling blijft evenwel van toepassing op aanvragen ingediend vóór de inwerkingtreding van de onderhavige regeling en waarop nog niet onherroepelijk is beslist.

  • 3 De uiterste datum voor het indienen van een aanvraag voor een compenserende betaling vermeld in de Regeling vaststelling indieningsperiode 1996 aanvraag oppervlakten producenten akkerbouwgewassen geldt als uiterste ontvangstdatum als bedoeld in artikel 8, eerste lid.

Artikel 38 [Vervallen per 01-01-2005]

Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 39 [Vervallen per 01-01-2005]

De regeling wordt aangehaald als: Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen.

’s-Gravenhage, 25 oktober 1996

De

Minister

van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

J.J. van Aartsen

Bijlage 1. Lijst van de gemeenten en gedeelten van gemeenten, bedoeld in artikel 1, onderdelen p en q [Vervallen per 01-01-2005]

  • Urk

  • Lelystad

  • Dronten

  • Almere

  • Zeewolde

  • Zuidhorn

  • De Marne

  • Eemsmond

  • Loppersum

  • Bedum

  • Ten Boer

  • Appingedam

  • Delfzijl

  • Reiderland

  • Menterwolde

  • Scheemda

  • Winschoten

  • Bellingwedde

  • Winsum

  • Groningen

  • Het Bildt

  • Ferwerderadeel

  • Franekeradeel

  • Harlingen

  • Kollumerland en Kruisland

  • Leeuwarderadeel

  • Menaldumadeel

  • Dongeradeel

  • Wonseradeel

  • Bolsward

  • Littenseradiel

  • Leeuwarden

  • Wymbritseradiel

  • Olst

  • Wijhe

  • Voorst

  • Brummen

  • Steenderen

  • Hummelo en Keppel

  • Doesburg

  • Angerlo

  • Westervoort

  • Duiven

  • Zevenaar

  • Didam

  • Wehl

  • Rijnwaarden

  • Ubbergen

  • Millingen aan de Rijn

  • Huissen

  • Bemmel

  • Gendt

  • Maurik

  • Buren

  • Neerijnen

  • Tiel

  • Lienden

  • Echteld

  • Kesteren

  • Dodewaard

  • Heteren

  • Valburg

  • Elst

  • Culemborg

  • Geldermalsen

  • Lingewaal

  • Brakel

  • Zaltbommel

  • Rossum

  • Ammerzoden

  • Kerkwijk

  • Hedel

  • Maasdriel

  • Heerewaarden

  • West Maas en Waal

  • Druten

  • Wijchen

  • Beuningen

  • Houten

  • Bunnik

  • Cothen

  • Langbroek

  • Wijk bij Duurstede

  • Anna-Paulowna

  • Niedorp

  • Wieringermeer

  • Haarlemmerliede en Spaarnewoud

  • Amsterdam

    de gemeente Amsterdam met uitzondering van het gebied dat is gelegen ten zuiden van het Noordzeekanaal én ten oosten van de Amstel.

  • Haarlemmermeer

  • Aalsmeer

  • Amstelveen

  • Uithoorn

  • Alkmaar

  • Schermer

  • Akersloot

  • Brederwiede

    uitsluitend het gebied dat tot 1973 behoorde tot de gemeenten Blokzijl, Vollenhove, Wanneperveen en Zwartsluis

  • Beemster

  • Wormerland

  • Purmerend

  • Edam-Volendam

  • Warmond

  • Rijneveld

  • Voorschoten

  • Leiden

  • Leiderdorp

  • Alphen aan de Rijn

  • Nieuwkoop

  • Zoeterwoude

  • Zoetermeer

  • Bleiswijk

  • Bergschenhoek

  • Moerhuizen

  • Waddinxveen

  • Brielle

  • Hellevoetsluis

  • Bernisse

  • Spijkenisse

  • Westvoorne

  • Rotterdam

  • Rozenburg

  • Albrandswaard

  • Barendrecht

  • Ridderkerk

  • Heerjansdam

  • Hendrik-Ido-Ambacht

  • Zwijndrecht

  • Oud-Beijerland

  • Binnenmaas

  • Korendijk

  • Cromstrijen

  • Strijen

  • ’s-Gravendeel

  • Dordrecht

  • Goedereede

  • Dirksland

  • Middelharnis

  • Oostflakkee

  • Alkemade

  • Jacobswoude

  • Ter Aar

  • Nieuwveen

  • Zierikzee

  • Brouwershaven

  • Bruinisse

  • Duiveland

  • Middenschouwen

  • Westerschouwen

  • Sint-Philipsland

  • Tholen

  • Wissenkerke

  • Kortgene

  • Westkapelle

  • Domburg

  • Middelburg

  • Vlissingen

  • Veere

  • Arnemuiden

  • Valkenisse

  • Mariekerke

  • Borssele

  • Goes

  • Kapelle

  • Reimerswaal

  • Sluis

  • Aardenburg

  • Oostburg

  • Sas van Gent

  • Terneuzen

  • Axel

  • Hontenisse

  • Hulst

  • Halsteren

  • Nieuw-Vossemeer

  • Steenbergen en Kruisland

  • Dinteloord en Prinsenland

  • Fijnaart en Heijningen

  • Willemstad

  • Standdaarbuiten

  • Klundert

  • Zevenbergen

  • Terheijden

  • Hooge- en Lage-Zwaluwe

  • Made en Drimmelen

  • Geertruidenberg

  • Raamsdonk

  • ’s-Gravenmoer

  • Waspik

  • Werkendam

  • Dussen c.a.

  • Sprang-Capelle

  • Waalwijk

  • Heusden

  • Vlijmen

  • Woudrichem

  • Aalburg

  • ’s-Hertogenbosch

  • Lith

  • Megen c.a.

  • Ravenstein

  • Bergen op Zoom

  • Woensdrecht

  • Ossendrecht

  • Putte

  • Huijbergen

  • Wouw

  • Roosendaal en Nispen

  • Oud- en Nieuw Gastel

  • Oudenbosch

  • Hoeven

  • Etten-Leur

  • Prinsenbeek

  • Teteringen

  • Oosterhout

  • Susteren

  • Born

  • Stein

  • Sittard

  • Beek

  • Geleen

  • Schinnen

  • Onderbanken

  • Brunssum

  • Meerssen

  • Valkenburg aan de Geul

  • Nuth

  • Voerendaal

  • Heerlen

  • Kerkrade

  • Landgraaf

  • Maastricht

  • Eijsden

  • Margraten

  • Gulpen

  • Wittem

  • Simpelveld

  • Vaals

  • Genemuiden

  • Hasselt

  • Kampen

  • IJsselham

    uitsluitend het gebied dat tot 1973 behoorde tot de gemeenten Blankenham, Blokzijl, Kuinre en Oldemarkt

  • IJsselmuiden

  • Zwartsluis

  • Zwolle

  • Den Haag

  • ’s-Gravenzande

  • De Lier

  • Monster

  • Naaldwijk

  • Wateringen

  • Harenkarspel

  • Heerhugowaard

  • Harmelen

  • Nieuwegein

  • Utrecht

  • Vleuten-de Meern

  • IJselstein

  • Bergen

  • Den Helder

  • Schoorl

  • Zijpe

  • Bennebroek

  • Bloemendaal

  • Haarlem

  • Heemstede

  • Velsen

  • Zandvoort

  • Wester-Koggenland

  • Groesbeek

  • Heumen

  • Nijmegen

  • Beverwijk

  • Castricum

  • Egmond

  • Heemskerk

  • Heiloo

  • Limmen

  • Niedorp

  • Noorder-Koggenland

  • Obdam

  • Opmeer

  • Schagen

  • Berkel en Rodenrijs

  • Capelle aan de IJssel

  • Delft

  • Leidschendam

  • Maasland

  • Maassluis

  • Moordrecht

  • Nieuwerkerk aan de IJssel

  • Nootdorp

  • Pijnacker

  • Rijswijk

  • Schiedam

  • Schipluiden

  • Vlaardingen

  • Voorburg

  • Andijk

  • Enkhuizen

  • Medemblik

  • Stede-Broec

  • Venhuizen

    de gemeente Venhuizen met uitzondering van het gedeelte dat tot 1979 behoorde tot de gemeente Blokker en met uitzondering van de gedeelten die tot 1970 behoorden tot de gemeenten Schellinkhout en Wijdenes

  • Wervershoof

  • Gorinchem

  • Leerdam

  • Vianen

  • Zederik

  • Graft-de Rijp

  • Landsmeer

  • Oostzaan

  • Uitgeest

  • Waterland

  • Zaanstad

  • Zeevang

  • De Ronde Venen

Bijlage 2. Lijst van groenbemesters als bedoeld in artikel 20, tweede lid [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1. Mengsels van grassen

  • 2. Phacelia

  • 3. Spurrie

  • 4. Vlinderbloemigen met uitzondering van bonen en erwten

  • 5. Kruisbloemigen m.u.v. koolzaad

  • 6. Afrikaantjes (Tagetes)

  • 7. Solanum sisymbriifolium

    Tevens zijn in mengsels van één of meer van bovenstaande gewassen toegestaan:

  • 8. Tweezaadlobbige cultuurgewassen in een dichtheid per gewas van ten hoogste 10% van de zaaizaadhoeveelheid die gebruikt wordt bij de gangbare teelt van het desbetreffende gewas

  • 9. Eenzaadlobbige cultuurgewassen met uitzondering van maïs, in een dichtheid van maximaal 7 kg per hectare zaaizaad per soort, met een maximum van 35 kg per hectare in totaal

  • 10. Akkerkruiden zoals aangemerkt in de Standaardlijst van de Nederlandse Flora (van der Meijden, 1990) met uitzondering van duist, grote windhalm, oot, melganzevoet, knolcyperus, hanepoot, kweek, kleefkruid, akkermunt, veenwortel, perzikkruid en klein kruiskruid.

Bijlage 3. Lijst van gewassen als bedoeld in artikel 20, eerste lid [Vervallen per 01-01-2005]

  • 1. Koolzaad

  • 2. Graszaad

  • 3. Luzerne

  • 4. Wintergerst