Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute

Geldend van 04-12-1996 t/m heden

Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute

De Minister van Verkeer en Waterstaat,

Besluit:

Hoofdstuk I. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. De Minister:

De Minister van Verkeer en Waterstaat;

b. NS Railinfrabeheer:

NS Railinfrabeheer B.V., gevestigd te Utrecht;

c. De projectmanager:

De projectmanager Betuweroute van NS Railinfrabeheer B.V. die in eerste aanleg namens de Minister beslist op een ingekomen verzoek om schadevergoeding;

d. De commissie:

de adviescommissie als bedoeld in artikel 5;

e. Verzoek:

een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 3

f. Verzoeker:

de belanghebbende die een verzoek als bedoeld in artikel 3 indient;

g. Tracébesluit:

het uitvoeringsbesluit Betuweroute als bedoeld in artikel 24 van de Tracéwet;

h. Betuweroute:

het project als bedoeld in artikel 3 van de bepalingen behorend bij het tracébesluit Betuweroute.

i. Het Zevenaarproject:

de planologische maatregelen die voortvloeien uit de door de Minister goedgekeurde planbeschrijving met betrekking tot het tracé Zevenaar - grens Duitsland (km 109.230 - 111.031));

j. Het Havenspoorlijnproject:

de planologische maatregelen die voortvloeien uit de door de Minister goedgekeurde planbeschrijving met betrekking tot de havenspoorlijn die loopt vanaf de Noordzee tot aan de Waalhaven in Rotterdam (km 406.0 - 442.4);

Artikel 2. Het recht op schadevergoeding

  • 1 De Minister, kent op verzoek van degene die schade lijdt, of zal lijden, als gevolg van:

    • a. het onherroepelijke Tracébesluit Betuweroute;

    • b. een onherroepelijk besluit ingevolge of in samenhang met het Tracébesluit waarop deze regeling door de Minister in een later stadium van toepassing is verklaard;

    • c. het Zevenaarproject;

    • d. het Havenspoorlijnproject;

      alsmede uit sub a tot en met d voortvloeiende besluiten van bestuursorganen en rechtmatige uitvoeringshandelingen;

    een vergoeding naar billijkheid toe, voorzover de schade redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de verzoeker behoort te blijven en voorzover de vergoeding niet, of niet voldoende door aankoop, onteigening òf anderszins is verzekerd.

  • 2 De vergoeding wordt bepaald in geld. Nochtans kan de Minister de vergoeding toekennen in andere vorm dan betaling van een geldsom.

  • 3 Het recht op vergoeding van schade ontstaat niet eerder dan na het onherroepelijk worden van het Tracébesluit danwel het rechtens onaantastbaar zijn van het betreffende bestemmingsplan of een andere planologische maatregel als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, welke voortvloeit uit het Zevenaarproject of het Havenspoorlijnproject.

  • 4 De Minister beslist niet eerder op een ingekomen verzoek dan nadat het recht op schadevergoeding is ontstaan.

Hoofdstuk II. Procedurebepalingen

Artikel 3. Het verzoek om schadevergoeding

  • 1 Het verzoek om schadevergoeding wordt gericht aan de Minister en wordt zo spoedig als redelijk mogelijk is, doch niet eerder dan dat het Tracébesluit Betuweroute in werking is getreden terwijl zowel bij het Zevenaarproject als het Havenspoorlijnproject tevens sprake moet zijn van een door de Minister goedgekeurde planbeschrijving, schriftelijk ingediend bij NS Railinfrabeheer B.V., ter attentie van de Projectmanager Betuweroute, bureau POS per adres Postbus 2025, 3500 HA Utrecht.

  • 2 Het verzoek wordt ondertekend en bevat ten minste:

    • a. de naam en het adres van de verzoeker;

    • b. de dagtekening;

    • c. een aanduiding van het besluit en/of het handelen dat de schade naar het oordeel van verzoeker heeft veroorzaakt;

    • d. voorzover redelijkerwijs mogelijk een opgave van de aard en de omvang van de schade, alsmede een specificatie van het bedrag van de schade;

    • e. een omschrijving van de wijze waarop de schade naar het oordeel van verzoeker dient te worden vergoed en, zo een vergoeding in geld wordt gewenst, een opgave van het schadebedrag dat naar het oordeel van verzoeker vergoed dient te worden.

  • 3 De verzoeker verschaft voorts de gegevens en bescheiden die voor het nemen van de beslissing op zijn verzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 4 De projectmanager bevestigt de ontvangst van het verzoek zo spoedig mogelijk, doch ten minste binnen twee weken na de ontvangst ervan, en stelt de verzoeker in kennis van de te volgen procedure.

  • 5 Indien naar het oordeel van de projectmanager niet of onvoldoende is voldaan aan het bepaalde in het tweede en derde lid, stelt zij verzoeker in de gelegenheid het verzuim te herstellen binnen een termijn van acht weken na verzending van de brief waarin hem op het verzuim is gewezen.

Artikel 4. Vereenvoudigde behandeling van het verzoek

  • 1 De Minister volstaat met een vereenvoudigde behandeling van het verzoek indien het niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 3 is ingediend ofwel naar haar oordeel kennelijk ongegrond is.

  • 2 Het besluit van de Minister om het verzoek niet in behandeling te nemen, danwel wegens kennelijke ongegrondheid af te wijzen, wordt aan de verzoeker bij aangetekende brief medegedeeld

    • a. binnen acht weken na ontvangst van het verzoek, danwel

    • b. binnen vier weken na ontvangst van de ingevolge artikel 3, vijfde lid, ingezonden ontbrekende gegevens of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

  • 3 De Minister kan de in het vorige lid genoemde termijn eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen. De projectmanager stelt de verzoeker daarvan schriftelijk in kennis.

Artikel 5. De adviescommissie

  • 1 Indien geen toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid stelt de projectmanager een commissie in. De commissie heeft tot taak de Minister van advies te dienen over de op het verzoek te nemen beslissing.

  • 2 De commissie bestaat uit drie onafhankelijke deskundigen, die door de projectmanager worden benoemd.

    Uit de voltallige commissie wijst de projectmanager de voorzitter aan.

    In eenvoudige gevallen kan de projectmanager volstaan met de benoeming van één onafhankelijke deskundige.

  • 3 De commissie wordt ingesteld:

    • a. binnen acht weken na ontvangst van het verzoek, danwel

    • b. binnen vier weken na ontvangst van de ingevolge artikel 3, vijfde lid, ingezonden ontbrekende gegevens.

  • 4 De Minister kan de in het vorige lid genoemde termijn eenmaal met ten hoogste acht weken verlengen. De projectmanager stelt de verzoeker daarvan schriftelijk in kennis.

  • 5 De projectmanager stelt verzoeker in kennis van de benoemde commissie. De kennisgeving bevat de namen van de deskundigen, hun beroep en de plaats waar zij hun werkzaamheden plegen te verrichten. De verzoeker kan binnen twee weken na verzending van de kennisgeving schriftelijk bedenkingen uiten tegen de voorgenomen samenstelling, in welk geval de projectmanager eenmalig tot een andere benoeming zal overgaan.

Artikel 6. Het door de commissie te verrichten onderzoek

  • 1 De commissie dient de Minister van advies over de op het verzoek te nemen beslissing. Zij stelt daartoe een onderzoek in naar:

    • a. de vraag of de schade een gevolg is van een besluit of een uitvoeringshandeling als bedoeld in artikel 2, eerste lid;

    • b. de omvang van de schade;

    • c. de vraag of de schade redelijkerwijs niet, of niet geheel ten laste van de verzoeker behoort te blijven;

    • d. de vraag of vergoeding van de schade niet, of niet voldoende anderszins is verzekerd.

  • 2 De commissie brengt rapport uit over haar bevindingen, welke worden gemotiveerd. Zij adviseert de Minister over de hoogte van de uit te keren vergoeding en doet, indien daar aanleiding voor is, voorstellen voor maatregelen of voorzieningen waardoor de schade, anders dan door een vergoeding in geld, kan worden beperkt of ongedaan gemaakt.

Artikel 7. Bevoegdheden en verplichtingen

  • 1 De projectmanager stelt aan de commissie de gegevens ter beschikking die nodig zijn voor een goede vervulling van haar taak.

  • 2 De verzoeker verschaft de commissie de gegevens en bescheiden die voor de advisering nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Indien verzoeker van mening is dat de door hem verstrekte gegevens en bescheiden strikt vertrouwelijk zijn vanwege privé-, bedrijfs- en/of concurrentiebelang dan dient dit door verzoeker uitdrukkelijk te worden aangegeven.

  • 3 De commissie kan inlichtingen en adviezen inwinnen bij derden. Indien met het verstrekken van inlichtingen, of het verlenen van adviezen door derden kosten gemoeid zijn, oefent de commissie deze bevoegdheid eerst uit na instemming van de projectmanager.

  • 4 De commissie kan een plaatsopneming houden indien zij dit nodig acht.

Artikel 8. Procedure adviescommissie

  • 1 De commissie stelt verzoeker en de projectmanager in de gelegenheid tot het geven van een mondelinge toelichting.

  • 2 Meegebrachte deskundigen worden in de gelegenheid gesteld een toelichting te geven.

  • 3 Van de toelichtingen wordt een verslag opgemaakt. Het verslag wordt aan verzoeker en aan de projectmanager toegezonden.

  • 4 Alvorens de commissie haar definitieve advies opstelt, maakt zij een concept-advies op.

    Dit concept-advies wordt uiterlijk zes maanden, nadat de commissie is ingesteld, aan verzoeker en aan de projectmanager toegezonden.

    Indien niet binnen deze termijn een concept-advies opgemaakt kan worden, deelt de commissie verzoeker en de projectmanager gemotiveerd mee waarom deze termijn overschreden wordt. Zij geeft daarbij een termijn aan waarbinnen het concept-advies aan verzoeker en aan de projectmanager zal worden toegezonden. De verlenging van deze termijn bedraagt ten hoogste zes maanden.

  • 5 Verzoeker en de projectmanager maken eventuele bedenkingen tegen het concept-advies, uiterlijk vier weken na de datum van verzending daarvan, schriftelijk aan de commissie kenbaar.

  • 6 De commissie stelt haar advies vast binnen vier weken na het verstrijken van de in het vijfde lid genoemde termijn. Zij kan deze termijn, onder opgaaf van redenen, eenmaal met ten hoogste vier weken verlengen. Zij zendt het advies terstond toe aan de verzoeker en aan de projectmanager.

Artikel 9. Het besluit op het verzoek om schadevergoeding

  • 1 De Minister beslist binnen zes weken na ontvangst van het advies van de commissie op het verzoek om schadevergoeding, doch niet eerder dan nadat het recht op schadevergoeding is ontstaan. De motivering van het besluit wordt vermeld bij de bekendmaking van dat besluit. Ter motivering kan worden volstaan met een verwijzing naar het advies van de commissie. Indien de beslissing afwijkt van het advies wordt dit gemotiveerd.

  • 2 De bekendmaking van het besluit geschiedt door toezending of uitreiking aan verzoeker, uiterlijk zes weken na de beslissing van de Minister als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Bij de bekendmaking van het besluit wordt vermeld binnen welke termijn en bij welk orgaan bezwaar kan worden gemaakt.

  • 4 De Minister kan het besluit bedoeld in het eerste lid, onder opgaaf van redenen, eenmaal voor ten hoogste twaalf weken verdagen.

Hoofdstuk III. Bezwaar en beroep

Artikel 10

Het besluit ingevolge artikel 4 lid 2 danwel ingevolge artikel 9 lid 1 wordt beschouwd als een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 11

Op de besluiten zoals bedoeld in artikel 10 zijn de algemene regels voor bezwaar en beroep uit de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Hoofdstuk IV. Betaling

Artikel 12

  • 1 De projectmanager draagt binnen vier weken na het onherroepelijk besluit van de Minister zorg voor betaling van de te vergoeden schade. Wanneer daartoe aanleiding bestaat wordt het bedrag van de toegekende schadevergoeding verhoogd met de wettelijke rente.

  • 2 In het geval het besluit een vergoeding betreft in een andere vorm dan geld, dan wordt binnen een redelijke termijn na het onherroepelijk besluit van de Minister, zoals bedoeld in artikel 2 eerste lid, een aanvang gemaakt met de werkzaamheden zoals deze zijn vastgelegd in het besluit van de Minister.

Hoofdstuk V. Slotbepalingen

Artikel 13. Voorschot

  • 1 De verzoeker, die naar redelijke verwachting in aanmerking komt voor een vergoeding in geld als bedoeld in artikel 2, kan nadat hij zijn verzoek heeft ingediend de Minister verzoeken hem een voorschot te verlenen. Dit verzoek dient schriftelijk te worden ingediend bij NS Railinfrabeheer B.V., ter attentie van de projectmanager Betuweroute, bureau POS, per adres Postbus 2025, 3500 HA Utrecht. De Minister beslist op het verzoek, gehoord de commissie.

  • 2 Indien de Minister beslist tot het verlenen van een voorschot wordt daarmede geen aanspraak als bedoeld in artikel 2 erkend.

  • 3 Het voorschot kan uitsluitend worden verleend indien de verzoeker schriftelijk de verplichting aanvaardt tot gehele en onvoorwaardelijke terugbetaling van hetgeen ten onrechte als voorschot is uitbetaald. De projectmanager kan daarvoor zekerheidsstelling, bij voorbeeld in de vorm van een bankgarantie, verlangen.

  • 4 De Minister kan ambtshalve na het besluit als bedoeld in artikel 9 lid 1, hangende de bezwaar- en beroepsprocedure overgaan tot het toekennen van een voorschot, onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in lid 3.

Artikel 14. Hardheidsclausule

Indien bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven kan van het gestelde in artikel 2 eerste lid worden afgeweken.

Artikel 15. Werkingsduur

  • 1 Deze regeling wordt met de toelichting in de Staatscourant geplaatst.

  • 2 Deze regeling wordt van kracht met ingang van de dag waarop het Tracébesluit Betuweroute in werking treedt en deze eindigt na een verloop van 10 jaar, gerekend vanaf het moment waarop de Betuweroute als geheel in exploitatie is genomen.

Artikel 16. Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als: ’Regeling Nadeelcompensatie Betuweroute’.

’s-Gravenhage, 6 september 1996

De

Minister

van Verkeer en Waterstaat,

A. Jorritsma-Lebbink