Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling onderwerpen geschiedenis en staatsinrichting 1999 en stofomschrijving 1998 en 1999[Regeling vervallen per 31-12-2004.]

Geldend van 01-08-1997 t/m 30-12-2004

Regeling onderwerpen geschiedenis en staatsinrichting 1999 en stofomschrijving 1998 en 1999

De staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

Gelet op artikel 1 juncto bijlagen A en B van de Regeling examenprogramma geschiedenis en staatsinrichting v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-l.b.o., artikel 2 juncto bijlage 2 van de Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o. en artikel 2 juncto bijlage 2 van de Regeling examenprogramma's staatsexamens mavo;

Besluit:

Artikel 1. Onderwerpen geschiedenis en staatsinrichting centraal en schriftelijk examen vwo en havo 1999 [Vervallen per 31-12-2004]

De onderwerpen voor geschiedenis en staatsinrichting centraal onderscheidenlijk schriftelijk examen vwo en havo in 1999 zijn:

  • a. Europa en de Buitenwereld (1150-1350);

  • b. Een nieuwe eeuw, nieuwe verhoudingen? Nederland 1880-1919: Op het breukvlak van twee eeuwen.

Artikel 2. Onderwerpen geschiedenis en staatsinrichting centraal examen mavo en vbo en schriftelijk examen mavo 1999 [Vervallen per 31-12-2004]

De onderwerpen voor geschiedenis en staatsinrichting centraal examen mavo en vbo en schriftelijk examen mavo in 1999 zijn:

  • a. Europa en de Buitenwereld (1150-1350);

  • b. Een nieuwe eeuw, nieuwe verhoudingen? Nederland 1880-1919: Op het breukvlak van twee eeuwen.

Artikel 3. Stofomschrijving Europa en de Buitenwereld 1998 en 1999 [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1 De stofomschrijving voor het onderwerp, genoemd in artikel 1, onderdeel a, van deze regeling en in artikel 1, onderdeel b, van de Regeling onderwerpen examen geschiedenis en staatsinrichting 1998, is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling.

  • 2 De stofomschrijving voor het onderwerp, genoemd in artikel 2, onderdeel a, van deze regeling en in artikel 2, onderdeel b, van de Regeling onderwerpen examen geschiedenis en staatsinrichting 1998, is opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.

Artikel 4. Bekendmaking [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling zal met de toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 5. Inwerkingtreding [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 1997.

Artikel 6. Citeertitel [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling kan worden aangehaald als: Regeling onderwerpen geschiedenis en staatsinrichting 1999 en stofomschrijving 1998 en 1999.

De

staatssecretaris

van onderwijs, cultuur en wetenschappen

T. Netelenbos

Bijlage 1. Europa en de Buitenwereld (1150-1350) [Vervallen per 31-12-2004]

vwo en havo

Verantwoording [Vervallen per 31-12-2004]

Bij het bepalen van een houding tegenover andere culturen worden hedendaagse Europeanen be‹nvloed door een eurocentrisch wereldbeeld en door een culturele basishouding gekleurd door nationale voorkeuren. Toch beschouwen wij onze samenleving als een open samenleving. Daarmee bedoelen we dat er veel contacten bestaan tussen ons en andere landen en culturen, dat we voor invloeden vanuit deze landen en culturen ontvankelijk zijn en dat we ons beeld over deze landen en culturen bijstellen wanneer nieuwe informatie dit noodzakelijk maakt. Over de middeleeuwse Europese samenleving bestond lange tijd een tegenovergesteld beeld: sinds de Renaissance werden de "midden eeuwen" tussen klassieke oudheid en nieuwe tijd beschouwd als een gesloten samenleving met weinig feitelijk juiste kennis over en contacten met de haar omringende gebieden en culturen.

Bij zowel de opvatting omtrent de twintigste-eeuwse Europese samenleving als die omtrent de middeleeuwse kunnen vraagtekens worden geplaatst. In hoeverre staan twintigste-eeuwse (West-)Europeanen werkelijk open voor niet-westerse opvattingen en culturen, ook al zijn deze tegenwoordig in ruime mate binnen hun eigen landsgrenzen vertegenwoordigd? Speelt de neiging de eigen cultuur in vele opzichten als norm te hanteren niet nog steeds een belangrijke rol? Over de middeleeuwse Europese samenleving kunnen we ons afvragen of deze werkelijk zo gesloten was. Bleef de beeldvorming omtrent de buiten-Europese wereld inderdaad eeuwenlang grotendeels gebaseerd op legendarische en aan de fantasie ontsproten denkbeelden? En als men moeite had zijn beeld aan te passen op grond van nieuwe informatie, wat waren daarvoor dan de redenen?

Al lijkt het een typisch hedendaags probleem, beeldvorming en het overnemen dan wel afwijzen van verschijnselen uit andere culturen zijn van alle tijden. Presentatie van dit onderwerp in een andere historische context dan de twintigste eeuw draagt ertoe bij dat, door de grotere afstand in tijd, bepaalde processen duidelijker en herkenbaar worden.

Er is gekozen voor de periode van de 12e tot en met de 14e eeuw. De Europese samenleving vertoonde toen een nieuwe dynamiek en ontwikkelde een actieve belangstelling voor landen en volkeren in andere werelddelen. De verhouding tot de Arabische wereld kreeg in deze periode een bijzonder karakter doordat religieus-politieke tegenstellingen gestalte kregen in de vorm van Reconquista en kruistochten, maar Europa ook veel aan de Arabische wereld ontleende op het gebied van wetenschap en cultuur. De tijdelijke toegankelijkheid van Centraal- en Oost-Azië maakte een rechtstreeks contact met de Mongools-Chinese cultuur mogelijk. Al deze ontwikkelingen leidden ertoe dat aan de oude overgeleverde kennis vol traditionele, legendarische elementen nieuwe informatie op basis van waarneming werd toegevoegd.

Nieuwe kennis en goederen bereikten Europa langs vele wegen: over zee, en door Azië en Afrika vooral via duizenden kilometers karavaanwegen, waar met name de kameel het transportmiddel was. De intensiteit van de contacten bepaalt de tijdsafbakening van het onderwerp: vanaf ca. 1150 zien we een sterke toename, die in de voorafgaande halve eeuw was voorbereid. Rond 1250 had veel nieuwe informatie Europa bereikt, maar deze kennis was niet tot brede lagen van de bevolking doorgedrongen. Na 1300 namen de contacten af, in de jaren kort na 1350 in versneld tempo.

Gezien de aard van het onderwerp is gekozen voor een eurocentrische benadering. Uitgangspunt van het onderwerp is immers de wijze waarop kennis van de buiten-Europese wereld in het middeleeuwse Europa werd verkregen en verwerkt. Daarbij bestaat het toegankelijke bronnenmateriaal hoofdzakelijk uit teksten die de weerslag zijn van verkenningen van Europeanen in de buiten-Europese wereld. Beeldmateriaal, waaronder kaarten, ondersteunen de behandeling van dit onderwerp in belangrijke mate.

De hoofdvraag bevat twee elementen: de ontwikkeling van de contacten tussen Europeanen en niet-Europeanen en de invloed die deze contacten hadden op het beeld dat er over de buiten-Europese wereld bestond. Leerlingen moeten de ontwikkeling van de contacten kunnen verklaren. Hiertoe moeten zij inzicht verwerven in de mogelijkheden en onmogelijkheden van het reizen in deze periode, in sociale, economische en politieke achtergronden die het reizen bevorderden dan wel belemmerden en in de persoonlijke motieven van reizigers. Vaardigheden als inleving, het analyseren van oorzaken en gevolgen, continu‹teit en discontinu‹teit en standplaatsgebondenheid kunnen hierbij worden geoefend en getoetst.

Het tweede deel van de hoofdvraag gaat in op de ontwikkeling van de beeldvorming van Europeanen over de buitenwereld. Uitgangspunt hierbij zijn de kennis en beelden die hierover rond 1150 bestonden. Het is van belang dat leerlingen zich inleven in middeleeuwse denkpatronen, opvattingen en gebruiken. Uiteindelijk moeten leerlingen in staat zijn te beoordelen in hoeverre de intensievere contacten met de buitenwereld geleid hebben tot een uitbreiding van de kennis en een vernieuwde beeldvorming. De factoren die hierbij een rol speelden, moeten zij in bronnen kunnen herkennen. Het middeleeuwse bronnenmateriaal biedt veel ruimte om bij de interpretatie ervan feit en objeciviteit, betrouwbaarheid en standplaatsgebondenheid aan de orde te stellen.

Alle structuurbegrippen en vaardigheden zijn van toepassing op de gehele stof en niet meer gekoppeld aan bepaalde stofonderdelen (zie: Gele katern van 22 januari 1992, nr. 2). Historische termen en namen van personen die tot de voor het examen te kennen leerstof worden gerekend, zijn de eerste keer dat ze in de tekst voorkomen vet gedrukt. Cursief wordt gebruikt voor de aanduiding van titels van boeken en geschriften.

Hoofdvraag [Vervallen per 31-12-2004]

Waardoor was er een opbloei van de contacten tussen Europa en de buiten-Europese wereld en waarom bleven ondanks deze opbloei naast de nieuwe beelden over de buiten-Europese wereld bestaande beelden voortleven?

1. Europa omstreeks 1150 [Vervallen per 31-12-2004]

1.1. Wat zijn de voornaamste kenmerken van het Europa van omstreeks 1150?

Het begrip Europa kan in de Middeleeuwen op verschillende manieren worden ingevuld afhankelijk van de gekozen invalshoek: geografisch-staatkundig, godsdienstig, economisch of cultureel.

1.1.1. Geografisch

De geografische grenzen van Europa vielen in grote lijnen samen met de grenzen van het christendom. Een deel van de gebieden die tot Europa werden gerekend, had een gemeenschappelijke geschiedenis: zij hadden behoord tot het rijk van Karel de Grote. Breidde het christendom zich uit, dan werd Europa groter en omgekeerd. De buiten-Europese wereld bestond uit al die gebieden die bewoond werden door mensen met een ander geloof dan het Latijns-christelijke. Zelfs gebieden waar christenen woonden die de paus in Rome niet als leider erkenden, zoals het Byzantijnse Rijk, werden niet tot Europa gerekend. De gebieden die Europa vormden zijn niet te vergelijken met de nationale staten die wij nu kennen. In dit Europa speelde de belevingswereld van de meeste mensen zich voornamelijk af binnen de nauwe horizon van de eigen regio. Zij identificeerden zich met de plaats waar zij woonden of het graafschap waar zij zich thuis voelden en waar zij elkaar verstonden. Pas aan het eind van de aan de orde zijnde periode begonnen zich nationale staten te ontwikkelen.

1.1.2. Godsdienstig

De middeleeuwer gebruikte het woord Europa zelden anders dan als geografisch begrip. Voor de gemeenschap van mensen die de kern van Europa vormde, gebruikte men meestal het begrip christianitas (christenheid). Die gemeenschap werd extra sterk gevoeld indien er sprake was van tegenstellingen met "anderen", zoals de moslims. Zo voelde het Latijns-christelijke westen ook een tegenstelling ten opzichte van het Grieks-christelijke oosten.

Aan het eind van de 11de eeuw kwam de kruistochtgedachte op. Er werd een beroep gedaan op de christelijke wereld voor een gezamenlijk optreden naar buiten. De pausen, als leiders van de christelijk-Europese wereld, wierpen zich op als voortrekkers van de kruistochten. Ze probeerden daarmee zich door Europese koningen te laten erkennen als opperheer. Dit had effect in de buiten-Europese gebieden: in geschriften uit de Arabische en Aziatische wereld werd de paus meestal als wereldlijk leider van Europa genoemd. Het optreden van geestelijke orden in heel Europa versterkte ook het gevoel van verbondenheid.

Vele gelovigen gingen op bedevaart binnen Europa. Deze pelgrimstochten versterkten het gevoel van een christianitas. Zo betrok de bedevaart naar Santiago de Compostela het Iberisch schiereiland, waarvan het christelijk deel door de Reconquista steeds groter werd, sterker bij dit christelijke Europa.

1.1.3. Economisch

De agrarische maatschappij veranderde in de 12e eeuw in een agrarisch-verstedelijkte samenleving ten gevolge van een opleving in de economie, waarbij sterke regionale verschillen bleven bestaan. De bevolking groeide. Kooplieden dreven handel over steeds grotere afstanden binnen en buiten Europa. De steden kwamen op. Er ontstond een geldeconomie en de mobiliteit nam sterk toe, waardoor de inwoners van uiteenlopende delen van Europa met elkaar in contact kwamen.

Op de jaarmarkten van de Champagne ontmoetten handelaren uit het Middellandse-Zeegebied handelaren uit het Noordzeegebied en het Oostzeegebied. Hierdoor werden twee economische hoofdsystemen met elkaar verbonden. De verbindingen over de Alpen tussen Noord-Italië en het Donaugebied met Zuid-Duitsland herleefden.

1.1.4. Sociaal-cultureel

In sociaal opzicht was er sprake van grote verschillen tussen verschillende groepen in de samenleving. Er was een standensamenleving. Slechts een zeer klein deel van de bevolking kon het zich veroorloven niet voortdurend bezig te zijn met het vergaren van de primaire levensbehoeften. Ook binnen die groep konden maar weinig mensen lezen en schrijven. Dat leerden voornamelijk diegenen die een werkkring vonden binnen de kerkelijke instellingen. De grotere mobiliteit als gevolg van de economische opleving bevorderde ook intellectuele contacten. Deze ontwikkeling resulteerde in het ontstaan van universiteiten, die op hun beurt weer het reizen van geleerden en studenten stimuleerden.

2. Beeldvorming in Europa omstreeks 1150 over de buiten-Europese wereld [Vervallen per 31-12-2004]

2.1. Welke beelden hadden de inwoners van Europa omstreeks 1150 van de buiten-Europese wereld?

De middeleeuwers hadden geen eenduidig beeld van hoe de aarde er uit zag. Het gangbare wereldbeeld was dat van de aarde als platte schijf. Op kaarten werd dit verschillend weergegeven.

Uit de Oudheid was aan de middeleeuwse mens het beeld overgeleverd, dat het bewoonbare land van de aarde was verdeeld in drie continenten, Europa, Azië en Afrika. Zij werden door water van elkaar gescheiden en werden gezamenlijk door water omgeven. De hele Middeleeuwen door bleef dit besef gemeengoed. Europa en Afrika werden van elkaar gescheiden door de centrale zee, die als het ware midden in het land lag: de Middellandse Zee. Het water van de rivier de Nijl scheidde Afrika en Azië, hoewel men soms de Rode Zee als de grens beschouwde. Europa en Azië werden van elkaar gescheiden door het water van de Zwarte Zee en de rivier de Don, die daarin aan de noord-oostzijde uitstroomde. Dit ruime Europabeeld kwam dus heel dicht in de buurt van de hedendaagse geografische opvatting omtrent Europa.

Op de populaire OT-kaarten worden de drie continenten door een "T" van rivieren en zeeën van elkaar gescheiden. Boven de waterdwarsbalk ligt Azië met in de top in het oosten het aards paradijs. Onder de waterdwarsbalk liggen links in het noorden Europa en rechts in het zuiden Afrika. De staande waterbalk is de Middellandse Zee, die geheel in het westen uitmondt in de Atlantische Oceaan. De werelddelen worden omringd door water in de vorm van een "O". Het Heilige Land met Jeruzalem ligt in het midden. Deze kaarten hadden een symbolische functie. Daarnaast bestond het idee dat er - naast de drie bekende werelddelen - nog een vierde continent moest bestaan, waar de antipoden of tegenvoeters woonden. Dit continent was voor gewone stervelingen onbereikbaar wegens de grote hitte en de onafzienbare woestijnen rond de evenaar. Ook wist men "zeker" dat daar, en in delen van Afrika en Azië, allerlei andere fantasiewezens woonden. Doordat veel van deze wezens in populaire verhalen voorkwamen, waren deze ideeën wijd verbreid.

De meeste geletterden stelden zich de aarde voor als het bolvormig centrum van een eveneens bol- of eivormig heelal.

Omstreeks 1150 heeft het schijfidee waarschijnlijk nog overheerst, maar dankzij de nieuwe contacten tussen oost en west kwamen "nieuwe" geschriften uit de Oudheid ter beschikking die eveneens het bestaan van de ronde aarde beschreven. De echte doorbraak van dit beeld kwam echter na 1150.

Er bestonden ook fantasiebeelden van een fabelachtig rijk. Ergens in Azië zou een christelijk rijk bestaan waarover een priester-koning Jan heerste, die regeerde met een "scepter van smaragd".

Van de Arabische wereld bestonden twee soorten beelden: de Arabieren als vijanden van de christelijke wereld en de Arabieren als fascinerende leveranciers van luxe en kennis.

2.2. Op welke kennis waren die beelden gebaseerd?

De kennis in Europa omstreeks 1150 over de buiten-Europese wereld was een merkwaardige mengeling van soorten kennis, die we naar hun herkomst of overleveringswijze kunnen onderscheiden.

2.2.1. Kennis uit de Klassieke Oudheid en de Arabische wereld

Allereerst was kennis gebaseerd op overgeleverde "geleerde" kennis uit de Klassieke Oudheid, zoals van de astronoom Ptolemaeus. Van hem komt het beeld van de bolvormige aarde. Zijn werk was tot de 12e eeuw fragmentarisch overgeleverd. Heel lang kopieerden middeleeuwse auteurs klakkeloos de gezaghebbende geschriften, waardoor tegenstrijdige gegevens naast elkaar bleven voortbestaan. Rond 1150 was de vraagbaak bij uitstek de grote encyclopedie van Isidorus van Sevilla die omstreeks 600 was samengesteld. Daarin is zowel het beeld van de bolvormige aarde van Ptolemaeus als dat van de aarde als platte schijf te vinden.

Daarnaast was er kennis uit de Arabische geleerde kringen doorgesijpeld. Contacten met de Arabische cultuur in Sicilië en het Iberisch schiereiland hadden omstreeks 1000 geleid tot vertalingen van Arabische teksten over wiskunde en astronomie. Dit leidde tot de introductie van de algebra en allerlei rekentechnieken, ook op monetair gebied. Het was voornamelijk eenrichtingverkeer: Europa had de meer ontwikkelde Arabische wereld weinig te bieden.

2.2.2. Kennis uit reisverslagen

De schaarse reisverslagen uit de voorafgaande honderden jaren en de verhalen waarmee handelaren, schippers, pelgrims naar de heilige plaatsen in Palestina, gezanten en kruisvaarders van hun reizen thuiskwamen, bevatten veel informatie. Zeelieden wisten veel af van zeestromingen, kustlijnen, eilandengroepen in de oceaan, en de trek van vissen en vogels.

De paar handelaren die wisten door te dringen tot gebieden die verder oostelijk of zuidelijk lagen dan de kusten van Klein-Azië brachten vage informatie over afgedwaalde christenen "achter" de Arabieren: de nestorianen. Veel pelgrims trokken in het spoor van de kruisvaarders naar de nieuwbevrijde gebieden en vertelden thuis van hun belevenissen. Ten gevolge van de stichting van de kruisvaardersstaten na de Eerste Kruistocht (1096-1099) namen de contacten met Arabische handelaren toe. De kennis gebaseerd op overleveringen en eigen waarnemingen drong nauwelijks door tot gezaghebbende geschriften.

Omstreeks 1150 "wist" men van een "Priester Jan, patriarch van de Indiërs", die contact met Rome had gezocht en Jeruzalem wilde komen bevrijden. Er bestonden ook enkele reisverslagen uit voorafgaande eeuwen. Van de fantasieverhalen van de reizen van Sint Brandaan verscheen rond 1150 een vertaling in het Middelnederlands.

2.2.3. Kennis uit goederen

De kennis van de buiten-Europese wereld had ook een materieel aspect in de vorm van de buiten-Europese goederen die als gevolg van de kruistochten en de opleving van de Italiaanse handel Europa bereikten. Europeanen leerden met eigen ogen en mond de rijkdommen van het oosten kennen. Producten als zijde, specerijen en edelstenen kwamen sporadisch Europa binnen. Zij behoorden tot de luxe die slechts de adel (in wereld en kerk) zich kon permitteren. Vrijwel al het goud dat Europa importeerde kwam uit Noord-Afrika.

3. Opbloei van de contacten met de buiten-Europese wereld 1150-1350 [Vervallen per 31-12-2004]

3.1. Welke omstandigheden begunstigden de opbloei van de contacten?

Hierop zijn verschillende visies mogelijk.

Ontwikkelingen binnen Europa leidden tot toename van de interesse in de buiten-Europese wereld:

  • De economische groei in de 12e eeuw leidde tot een toename van de welvaart en daarmee van de behoefte aan luxegoederen van buiten Europa. Economische groei leidde ook tot het zoeken naar afzetgebieden voor Europese goederen buiten Europa. De opkomst van handel en scheepvaart, in het bijzonder vanuit de Italiaanse havensteden. Italiaanse kooplieden vestigden zich in de kruisvaardersstaten en hadden handelskantoren in steden als Jeruzalem, Damascus en Antiochië. Gedurende de hele 13e eeuw beheersten de Venetianen de handel met Byzantium waar kooplieden uit de hele Europese wereld handelskantoren vestigden. De opleving van de handel in het Oostzeegebied maakte dat de water- en landwegen via West- en Zuid-Rusland naar Azië een nieuw belang kregen.

  • De nieuwe machtsaanspraken van de kerk. Deze bleken uit een krachtiger leiderschap van de paus zowel intern als naar buiten. Dit leidde tot een militant optreden tegenover "vijanden" van de kerk wat tot gevolg had dat de grenzen van de christelijke wereld verlegd werden door de Kruistochten en de Reconquista.

  • Het streven van Europese wereldlijke heersers naar vergroting van hun macht buiten het "kleine" Europa van de 11e eeuw leidde tot het stichten van kruisvaardersstaten en de verovering van gebieden in het zuiden van het Iberisch schiereiland, Oost-Europa en Noord-Afrika. De Vierde Kruistocht eindigde op initiatief van Venetië met de verovering van Constantinopel. Nu was voor het eerst de Zwarte Zee vrij toegankelijk voor Europese handelaren die daardoor rechtstreeks aansluiting met en toegang tot de post- en karavaanwegen kregen. Italiaanse kooplieden vestigden zich op de Krim.

  • De bloei van kathedraalscholen en universiteiten vergrootte de behoefte aan wetenschappelijke kennis.

Europa reageerde voornamelijk op en profiteerde van de veranderde omstandigheden elders in de wereld:

  • Het uiteenvallen van de islamitische wereld en de maatregelen van de Saracenen tegen christenen lokten de kruistochten uit. De Iberische reconquista profiteerde van de verdeeldheid in het islamitische deel van het Iberisch schiereiland.

  • De politieke rust in het Mongoolse Rijk van de groot-khan tussen 1250 en 1300 - de Pax Mongolica - maakte een naar verhouding goed onderhouden en beveiligd wegennet mogelijk.

  • De ontwikkeling van islamitische rijken in Noord-Afrika stimuleerde de handel in goud. Goud was onder andere belangrijk voor het slaan van munten.

  • Berichten over christelijke heersers in Azië wakkerden de nieuwsgierigheid aan en wekten hoop op een bundeling van krachten tegen de islam.

3.2. Wie reisden er vanuit Europa naar de Arabische en Aziatische wereld?

Reizigers naar de Arabische en Aziatische wereld waren missionarissen, pelgrims, kruisvaarders, handelaren, diplomaten en wetenschappers. Mensen gingen vaak om meerdere redenen op reis.

Het is duidelijk dat vooral mannen reisden; vrouwen reisden slechts als zij hun man vergezelden. Alleen vrouwen die tot de elite hoorden of daarbij in dienst waren, of vrouwen die speciale taken in geestelijke orden hadden, reisden zelfstandig. Vrouwen uit lagere kringen gingen soms op bedevaart, maar slechts rijke, adellijke dames konden zich permitteren de verre reis naar Jeruzalem te maken.

3.3. Welke motieven hadden reizigers om deze reizen te ondernemen?

3.3.1. Godsdienstige motieven

  • Pelgrims en kruisvaarders gingen omwille van het geloof naar het Heilige Land. De pelgrims wilden de heilige plaatsen in Palestina bezoeken. De kruisvaarders wilden het Heilige Land bevrijden van de Saracenen om het vrij toegankelijk te maken voor christenen. Een voorbeeld van een kruisvaarder is de hoge edelman Godfried van Villehardouin, die de Vierde Kruistocht mede organiseerde. Een ander voorbeeld is de eenvoudige ridder Robert van Clari, die zich bij deze kruistocht aansloot. Beiden hebben daarover geschreven. De reizen van Jan van Mandeville zijn het meest bekende voorbeeld van een heel populair boek dat voor een deel de vorm van een pelgrimsverslag heeft, hoewel het niet zeker is dat hij de reizen echt zelf gemaakt heeft.

  • Geestelijke orden stuurden missionarissen om de buiten-Europese wereld te kerstenen. Zij stichtten missieposten, onder andere in Azië. Toen bleek dat de nestorianen in het Mongoolse Rijk nog talrijk waren, stimuleerde dit de pogingen van deze orden daar voet aan de grond te krijgen. Zij wilden de nestorianen hetzij bekeren hetzij met hen samenwerken tegen de islam.

    Een voorbeeld van zo'n missionaris is Willem van Rubroek, die in zijn reisverslag zijn religieuze discussies met nestorianen beschreef.

3.3.2. Economische motieven

  • Handelaren profiteerden bij uitstek van de onder 3.1 genoemde gunstige omstandigheden om hun handel uit te breiden. Een voorbeeld van een Venetiaanse koopmansfamilie die via Byzantium naar China reisde was de familie Polo. Marco Polo dicteerde later in een Genuese gevangenis zijn reisverhalen aan een medegevangene.

  • Kruisvaarders probeerden in het Heilige Land een nieuw bestaan op te bouwen of anderszins te profiteren van de veroveringen. Hiervan wordt melding gemaakt in Arabische en Europese kronieken.

3.3.3. Politieke motieven

  • Diplomaten werden door pausen en koningen uitgezonden naar het Mongoolse Rijk en naar het vermeende rijk van Priester Jan. Het Mongoolse eenheidsrijk breidde zich ook richting Europa uit. Na het eerste wapengekletter ontwikkelde zich een diplomatie met een deels religieuze inhoud. De Mongoolse khans werd gevraagd de christenen welgezind te zijn en samen te vechten tegen de vijanden van het christendom. De eerste die door de paus als gezant werd uitgezonden was Jan van Plano Carpini, in 1245. Na zijn terugkeer schreef hij "Geschiedenis der Mongolen".

  • Een geval apart was het "Rijk van Priester Jan". In de 12e eeuw werd in een "brief van Pape Jan" een aanbod gedaan voor samenwerking tussen zijn rijk en Europa. Het rijk van Priester Jan ging functioneren als de verhoopte medestander in de strijd tegen de islam. Nagenoeg iedere reiziger die zich verder dan Klein-Azië waagde verwachtte of hoopte iets van het rijk van deze mythische christelijke vorst te horen of te zien.

Reizigers, onder andere Marco Polo, waren allemaal naar dit rijk op zoek, maar ze kwamen er nooit. Alleen Willem van Rubroek had veel kritiek op alle geruchten.

3.3.4. Wetenschappelijke motieven

De meeste reizigers met een wetenschappelijke belangstelling waren geestelijken. Maar nieuwsgierigheid of wetenschappelijke belangstelling waren zelden het enige motief.

Een voorbeeld van iemand die vooral uit wetenschappelijke belangstelling reisde was de edelman en geestelijke Raymundus Lullus (omstreeks 1300). Hij stichtte een klooster dat een vertaalcentrum werd. Hij was een sterk voorstander van contacten met nestorianen en van pogingen om islamieten te bekeren.

Een ander voorbeeld van iemand die blijk gaf van een enorme nieuwsgierigheid naar de buiten-Europese wereld was Willem van Rubroek. Een voorbeeld van een niet-Europese reiziger die reisde om wetenschappelijke redenen was de Berber Ibn Batoeta. Hij reisde aanvankelijk uit religieuze motieven en voor zijn opleiding, maar hij bleef reizen uit nieuwsgierigheid en honger naar kennis. Hij reisde onder andere door Europa. Hij beschreef de reisroutes, landen en volken zeer uitvoerig. Daarbij had hij oog voor de ontberingen onderweg en andere problemen die reizigers tegenkwamen. Vooral zijn beschrijvingen van zijn reizen door de Sahara en Centraal-Afrika zijn uitzonderlijk.

4. Het reizen naar en door de Arabische en Aziatische wereld, 1150-1350 [Vervallen per 31-12-2004]

4.1. Hoe moeilijk kon reizen naar en door de Arabische en Aziatische wereld zijn?

4.1.1. Reizen in de Middeleeuwen in het algemeen

Een reis in de Middeleeuwen verliep anders dan tegenwoordig. Een gemiddelde dagreis over land van 30 kilometer was normaal, zeker omdat een deel van het gezelschap vrijwel altijd te voet reisde. Maar zelfs een geheel te paard reizend gezelschap legde zelden meer dan 60 kilometer per dag af. Over water, zee of rivier, was, als wind en stroom meezaten, een dagafstand van 150 kilometer een topprestatie. In het slechtste geval was ook hier 30 kilometer het maximum. De ontwikkeling van grotere, veiliger en snellere schepen in de periode van de 12de tot en met de 14de eeuw was een wezenlijke verbetering. Naast betere schepen maakten het kompas en hulpmiddelen om aan de hand van de sterren de positie te bepalen, het mogelijk om langere afstanden over open water af te leggen. Waar landwegen waterwegen kruisten, waren zelden bruggen aangelegd. Meestal moest de reiziger een doorwaadbare plaats of een pontveer benutten.

De (zee)wegen waren slecht en werden onveilig gemaakt door struikrovers en piraten. Het dragen van een herkenbaar pelgrimsteken of het dragen van het habijt van een geestelijke moest een reiziger vrijwaren voor beroving. Dit werkte lang niet altijd. Het dragen van kleding met het wapen van een vorst kon helpen, maar ook agressie uitlokken. Meestal moest een reiziger een geleidebrief van de machthebber hebben.

Grenzen waren nauwelijks herkenbaar, behalve waar ze samenvielen met een rivier, een kustlijn of een ander duidelijk markeringspunt. Wel waren er vaste controlepunten als stadspoorten en tolhuizen. Vooral het dichte netwerk van tollen kon het handelsverkeer zeer belemmeren. Wel werden vaak tegen betaling vrijstellingen verleend aan bepaalde groepen. Onderweg konden reizigers gebruik maken van kloosters en andere vormen van gastvrijheid. De groei van de steden maakte het de reizigers gemakkelijker. Tolbarrières konden het reizen bemoeilijken.

Binnen Europa spraken kooplieden vooral de volkstaal. Waarschijnlijk beheersten veel handelaren uit de ene (Romaanse) taalgroep redelijk een taal uit de andere (Germaanse) taalgroep of omgekeerd. De intellectuele en politieke elite binnen Europa sprak Latijn.

4.1.2. Reizen naar en door Arabië en Azië

Reizigers naar en door deze gebieden hadden te maken met de praktische belemmeringen. Voor sommigen vonden zij een oplossing.

  • De duur en de kosten van de reis. Marco Polo heeft er bijvoorbeeld drie en een half jaar over gedaan om in Noord-China te komen.

  • Taalverschillen. Bij de contacten met de Arabische wereld waren in het bijzonder inwoners van het Iberisch schiereiland en van het koninkrijk Sicilië en inwoners van de Kruisvaarderstaten belangrijke tussenpersonen. Italiaanse kooplieden die zich in plaatsen als Constantinopel en Damascus vestigden, en na 1204 in de Italiaanse vestigingen op de Krim, beheersten vaak een taal uit het "gastland". Voor reizen verder Azië in kon kennis van het Syrisch, de taal van het nestorianisme van belang zijn. Hoe verder men in Arabië of Azië doordrong, hoe groter de problemen werden. Reizigers maakten vaak gebruik van tolken uit de grensgebieden.

  • Het bepalen van de juiste route. De OT-kaarten waren daartoe grotendeels onbruikbaar: zij hadden vooral een symbolische functie. Men ging in plaats daarvan plaatsnamen in de volgorde van de route achter elkaar (met de route als verbindingslijn) plaatsen. Daarnaast probeerde men de plaatsen ook ruimtelijk te situeren: een belangrijke stap op weg naar wat de moderne cartografie kan worden genoemd. Reizigers maakten ook gebruik van kompas en astrolabium.

  • De infrastructuur. De ontwikkeling van een systeem van post- en karavaanwegen in Arabië en Azië en ontwikkeling van scheepvaartverbindingen over de Indische Oceaan vergrootten de reismogelijkheden. Van de laatste maakten echter vooral bewoners van de Arabisch-Aziatische wereld gebruik. Westerlingen werden zelden toegelaten.

  • Religieuze verschillen en politieke tegenstellingen. Het feit dat in Arabië de islam de heersende godsdienst was, leverde naast politiek-religieuze spanningen ook problemen op voor de directe handel langs de zuidelijke routes naar en door Azië. Voor de Arabieren was dit bij het verkennen van de niet-Europese wereld, vooral na ca. 1000, vaak een voordeel. Europese reizigers moesten om de eerste "doorlaatpost" te kunnen passeren een reisvergunning van de plaatselijke machthebbers zien te krijgen. Hierbij waren geschenken aan en machtigingen van autoriteiten onmisbaar.

4.2. Welke factoren bemoeilijkten het leggen van contact van Europese reizigers met Arabieren en Aziaten?

Naast de bovengenoemde praktische problemen werkten vooral de wederzijdse beeldvorming en verwachtingen belemmerend. Geloof en taal vormden een barrière. De Mongolen verwachtten van de Europeanen dat dezen zich "spontaan" kwamen onderwerpen en de groot-khan als leider van de wereld zouden erkennen. De paus van zijn kant verwachtte hetzelfde van de groot-khan. De Mongolen waren wel geïnteresseerd in het christendom, maar voelden niet voor de keuze voor één staatsgodsdienst. De Europeanen verwachtten dat de Mongolen bereid zouden zijn tot samenwerking tegen de islam en tot bekering tot het christendom.

In de Arabische wereld was er buiten directe confrontaties in de kruistochten sprake van grote tolerantie jegens christenen en joden. Islam, christendom en jodendom waren alle drie boekgodsdiensten. De meeste Arabische auteurs beschouwden de "Franken", zoals zij de Europeanen noemden, vooral als barbaren.

5. Gevolgen van de contacten [Vervallen per 31-12-2004]

5.1. Welke nieuwe kennis kwam uit de Arabische en Aziatische wereld naar Europa en waarop was deze kennis gebaseerd?

De nieuwe kennis was gebaseerd op vertalingen van wetenschappelijke geschriften, op waarnemingen en op nieuwe goederen.

5.1.1. Wetenschappelijke kennis

De volgende kennisgebieden werden door vertalingen van voornamelijk Arabische wetenschappelijke geschriften ontsloten:

  • Filosofie. Arabische wijsgeren hadden de beschikking over een veel groter deel van de klassieke filosofische teksten, zodat zij een voorsprong hadden op het Europese denken over aarde en kosmos. Zij hadden geen last van belemmeringen die de Latijns-christelijke kerk het denken oplegde.

  • Astronomie en geografie. De meeste klassieke auteurs waren alleen in een Arabische versie bewaard gebleven. Door de vertaling van deze Arabische geschriften werd de kennis van de Europeanen spectaculair vergroot. Bovendien hadden de Arabische reizigers, handelaren en geleerden er veel nieuwe kennis aan toegevoegd. De Arabische wereld vormde immers de schakel tussen Zuid-Oost-Azië, Afrika en Europa. Ook had iedere moslim waar ook ter wereld de verplichting minstens éénmaal de reis naar Mekka te maken. Arabische ontdekkingen die in Europa werden ge‹ntroduceerd waren het astrolabium en het kompas: wetenschappelijke uitvindingen die direct toegepast werden in de samenleving. Na 1150 brak het klassieke inzicht dat de aarde een bol was werkelijk door.

  • Algebra. De contacten met de Arabische wereld leidden tot de introductie van de Arabische cijfers met inbegrip van het getal nul. Zo werden allerlei ingewikkelde berekeningen mogelijk, die met de bestaande middeleeuwse rekentechnieken niet goed uitgevoerd konden worden.

  • Geneeskunde. In de medische wetenschap was de kennis van het gebruik van allerlei geneeskrachtige kruiden in de Arabische wereld veel verder ontwikkeld. De studie van de anatomie en de chirurgie waren de eerste medische specialismen. Dit had te maken met een grotere geneigdheid in de Arabische wereld tot het verrichten van wetenschappelijke experimenten. Ook bereikte de Europeanen via de Arabische wereld de beschrijving van ziektebeelden waarmee tot dan toe onbekende ziekten ge‹dentificeerd konden worden.

  • Alchemie. In de Arabische wereld was men doorgegaan met experimenteel onderzoek naar de alchemie, de scheikunde van de Griekse Oudheid. Men had daaraan allerlei kennis uit India en China toegevoegd. Grote Arabische medici als Avicenna (Ibn Sina) in het begin van de 11e eeuw en Averroës (Ibn Roesjd) in de 12e eeuw waren ook op het gebied van "al chimia" beroemd. Hun kennis bereikte vooral via het Iberisch schiereiland Europa, maar de alchemie hoorde niet tot de door de kerk bevorderde kernvakken van de middeleeuwse wetenschappen. Toch deed ook een geleerde geestelijke als Raymundus Lullus aan alchemie. In de Arabische wereld werden experimenten niet tegengehouden, hoewel bijvoorbeeld religieuze bezwaren tegen alcoholgebruik het verfijnen van destilleermethoden afremden.

5.1.2. Waarnemingen

De waarnemingen en reisverslagen van handelaren, kruisvaarders, pelgrims, missionarissen, diplomaten en zeelieden.

  • De praktijkkennis van de zeelieden bevestigde de theorie over de bolvorm van de aarde. Zij namen waar dat objecten wegzonken en opdoken achter de horizon.

  • Reisverslagen gaven rechtstreekse indrukken en beelden van reizigers in den vreemde. Het uiterlijk van de Aziaten leidde tot grote verwarring. Men verbaasde zich over de nomadische leefwijze van de Mongolen en tegelijkertijd over de verfijnde cultuur in de Chinese stedelijke samenleving. Er deden verhalen de ronde over enorme rijkdommen en over vreemde mens- en diersoorten. De reiziger beschreef wat hij zag met het eigen begrippenapparaat. Zo werd het uiterlijk van de Aziaten vergeleken met hondekoppen. De verhalen over de Arabische wereld van Klein-Azië, Noord-Afrika en het zuiden van het Iberisch schiereiland waren minder fabelachtig. Er sprak waardering uit voor de leefwijze aldaar en een redelijk inzicht in de islam. De reisverhalen over Zuid-Azië en Midden-Afrika, waar men nauwelijks kwam, bevatten meer fantastische elementen. Hieronder volgen drie voorbeelden van reisverslagen.

Willem van Rubroek, die in het midden van de twaalfde eeuw naar Karakoroem reisde, schreef zijn "Verslag van de reis naar het land der Tartaren" voor de Franse koning. Hij zag de Mongoolse samenleving als "een andere wereld" en hij maakte melding van Europeanen her en der in Azië: krijgsgevangenen, mijnbouwdeskundigen, vrouwen die met nestoriaanse Aziaten getrouwd zijn. Zo vermeldde hij de Parijse zilversmid Willem Boucher, die op de Balkan door de Mongolen gevangen was genomen, en daarna carriŠre had gemaakt als kunstenaar aan het hof van de groot-khan. Hij deed verslag van religieuze discussies en van zijn problemen met de tolken.

Beroemd werden de memoires van Marco Polo: "De beschrijving van de wereld". Hij werd de hoofdpersoon van zijn eigen reisverslag. Na zijn verblijf in China reisde hij langs de zeeroute om Indië, via Perzië naar Italië terug, waarbij hij veel problemen moest overwinnen. In zijn boek heeft Marco Polo ook allerlei gegevens over landen en verschijnselen van horen zeggen opgenomen; daarin zitten veel fantasie-elementen en geografisch is het weinig betrouwbaar. Het is geen reisgids. Andere beschrijvingen, bijvoorbeeld van het Chinese papiergeld, lijken nauwkeuriger. Recent is de discussie weer losgebarsten over de vraag of het hele verhaal wellicht verzonnen is, en handig samengesteld uit andere verhalen. In de "Reizen" van Jan van Mandeville is bijna alle in de voorafgaande twee eeuwen vergaarde kennis bijeengebracht. Het is zowel een bron van kennis als een voorbeeld van de verwerking van nieuwe kennis. Omstreden is of Mandeville zelf de reizen maakte die hij beschreef. Het eerste deel van zijn boek heeft de vorm van een pelgrimsverslag van een reis naar het Heilige Land. Dan volgt een stuk over zijn leven bij de sultan van Egypte. Na het stuk over Egypte en omstreken volgt het deel van het boek over "koninkrijken, landen en eilanden in de oostelijke delen van de wereld". Dat gedeelte lijkt helemaal samengesteld te zijn op basis van andere geschriften. Er zitten fantasierijke hoofdstukken in met beschrijvingen van wonderlijke landen en wezens, met inbegrip van het land van Priester Jan, maar ook nauwkeurige beschrijvingen van het plaatsbepalen met behulp van de sterren en metingen van de bolvorm van de aarde.

Er waren ook niet-Europese reizigers als Ibn Batoeta en Al Idrisi. Batoeta's kennis, vooral over streken waar Europeanen nauwelijks kwamen, bereikte langs indirecte weg Europa en raakte vermengd met andere, minder betrouwbare informatie. Al Idrisi bundelde omstreeks 1150 veel Arabische geografische kennis, die daardoor in één keer beschikbaar kwam.

5.1.3. Goederen

Nieuwe gewassen en producten uit Arabië en Azië bereikten Europa of kwamen nu in grotere hoeveelheden Europa binnen: rijst, rietsuiker, damast (uit Damascus), gaas (uit Gaza), papier, zuidvruchten, kristalglas (en de techniek om dit te maken), parels, zijde en specerijen.

5.2. In welke mate werd deze nieuwe kennis verspreid?

5.2.1. Goederen

Nieuwe goederen bereikten bepaalde groepen in de samenleving. Exclusieve Aziatische en Arabische producten vonden hun weg eerder naar huishoudens en keukens van de Europese elite en de vorstenhoven dan naar die van eenvoudige lieden. Ze bereikten eerder steden dan het platteland.

5.2.2. Kennis

Vanuit de vertaalcentra op Sicilië, het Iberisch schiereiland en Akko kwam de verspreiding van nieuwe kennis op gang. In Europa waren Genua, Venetië en Mallorca centra van scheepvaart en cartografie. Een voorbeeld hiervan is de Catalaanse Wereldatlas (ca. 1370, Mallorca), waarin joodse, Arabische en Europese kennis samenkwam.

Binnen Europa waren universiteiten centra van nieuwe wetenschappelijke kennis, hoewel de meeste praktische wetenschappen daar niet werden gedoceerd. De nieuwe kennis op het gebied van geografie, de medische wetenschap, algebra, filosofie en alchemie vinden we ook terug in een stroom van encyclopedische werken in het Latijn en/of de volkstaal. Zowel in volkstalige leerdichten en reisverhalen als in literaire geschriften werd kennis over de buiten-Europese wereld verwerkt. Voor de kennisname van de vele verhalen over de buiten-Europese wereld en de beschouwingen over aarde en kosmos was in eerste instantie van belang dat men kon lezen en in welke taal de tekst was geschreven. In het begin van de 13e eeuw werd bepaald dat iedere parochie een school kreeg waar onderwijs in de volkstaal werd gegeven.

Er bleven grote verschillen in alfabetiseringsniveau. Omstreeks 1350 kon maximaal een derde deel van de stedelijke bevolking en een zesde deel van de landelijke bevolking lezen. Nog steeds was het alfabetisme onder adel, geestelijkheid en kooplieden het meest verspreid. Naast het kunnen-lezen speelde de beschikbaarheid van teksten een rol. Voorlezen en voordragen door onder andere troubadours en minstreels bleven een belangrijke plaats innemen in de kennisoverdracht. Liederen wekten vooral interesse voor andere culturen op. In de muziek hadden oosterse tradities hun weerslag op de melodieën en instrumenten.

Toch drong de nieuwe geografische kennis nauwelijks tot de massa van de bevolking door. De meeste Europeanen bleven via de kerk kennismaken met een symbolisch beeld van de werkelijkheid.

6. Afname van de contacten [Vervallen per 31-12-2004]

6.1. Welke omstandigheden belemmerden na 1350 verdere toenadering tussen Europa en de Arabische en Aziatische wereld?

  • Kort na 1290 ging met de laatste kruisvaardersstaat het enig overgebleven Europese bolwerk in Klein-Azië verloren: de val van Akko in 1291 markeerde een ommekeer in de contacten tussen Europa en de Arabische en Aziatische wereld. Dit belemmerde de aansluiting bij de zuidelijke karavaanroutes. Deze routes leden ook onder de strijd van de Mongolen, vooral in Perzië.

  • Vlak voor 1350 bereikte de pest, de Zwarte Dood, vanuit Centraal-Azië Europa. Deze ziekte verspreidde zich via de handels- en oorlogsroutes over Europa, de Arabische wereld, Klein-Azië en Noord-Afrika en verstoorde de handelsbetrekkingen. Tezelfdertijd brak ook in China de pest uit, die daar gezien werd als een kwaad dat uit het westen kwam.

  • Het uiteenvallen in Centraal- en Zuid-Azië van het Groot-Mongoolse Rijk in zelfstandige khanaten, maakte een einde aan de Pax Mongolica. Dit belemmerde de handel tussen oost en west. Eén van die khanaten maakte West-Rusland aan zich schatplichtig. Zo raakte Rusland afgezonderd van Europa.

  • In China kwam vlak na 1350, na de overheersing van de Mongolen, een nieuwe keizerlijke dynastie aan de macht, die zich ook om binnenlands-politieke redenen voor contacten met het westen (Centraal-Azië en Europa) afsloot.

  • In Klein-Azië kwam het Osmaanse Rijk op. Dit rijk vormde een barrière tussen Europa en de rest van de Arabische wereld.

  • In 1350 kwam een eind aan de demografische groei van Europa. De Zwarte Dood en de Honderdjarige oorlog hielden Europa zodanig bezig dat de belangstelling voor de buitenwereld afnam. Na 1350 waren de contacten met Arabië en Azië sterk afgenomen. Europa keerde zich westwaarts.

7. Beeldvorming in Europa omstreeks 1350 over de buiten-Europese wereld [Vervallen per 31-12-2004]

7.1. In hoeverre leidde nieuwe kennis tot nieuwe beelden over de buiten-Europese wereld?

7.1.1. Geografische beelden

Geografische beelden betroffen zowel de aardrijkskunde van de bekende wereld als meer algemene beelden van de wereld en het heelal. De betere kennis van de aardrijkskunde en het landschap begon tussen 1300 en 1350 door te dringen in de cartografie. Anno 1350 waren er verschillende soorten kaarten in omloop. Kaarten gaven de wereld weer als ideaaltype, als symbool, of beoogden de juiste reisroutes en ligging van landen weer te geven. Kaarten hadden ook een soort functie als geschiedenisboek, waarbij belangrijke personen/gebeurtenissen uit de geschiedenis der (christelijke) mensheid werden samengebald op een kaart. In de kerk, waar men geen behoefte had aan een geografisch wereldbeeld, maar juist aan een symbolische weergave, waarbij Jeruzalem het middelpunt was, bleef een duidelijke voorkeur voor de OT-kaart bestaan. Het merendeel van de inwoners van Europa was voornamelijk vertrouwd met deze symbolische kaart, waarop de symbolische voorstelling het duidelijkst zichtbaar werd.

De Catalaanse Wereldatlas van ca. 1370 was een poging alle verzamelde kennis in beeld te brengen. In deze atlas staan plaatsen en hun namen, rivieren, bergketens, vlaggen en wapenschilden, economische activiteiten, zoals scheepvaart in typisch Arabische schepen en parelduikers vermeld.

Sinds de tweede helft van de 13de eeuw werden ook praktijkkaarten voor zeelieden, de zogenaamde portolaankaarten, gemaakt. Deze werden steeds gedetailleerder en trachtten fragmentarische nieuwe kennis met oude beelden te verzoenen en te combineren. De details die op deze kaarten stonden, moesten schippers in staat stellen op zee de kustlijn te herkennen en de juiste haven te vinden. Daardoor werden andere elementen summier weergegeven.

Het beeld van een ronde aarde was inmiddels doorgedrongen. De berekeningen leverden een aarde op met een omtrek die een vierde tot een vijfde deel kleiner was dan in werkelijkheid. Totdat Europeanen rondom Afrika de tropische zone passeerden, werd de Sahara als natuurlijk bewijs gezien voor het bestaan van een onbewoonbare, hete gordel op aarde, waarachter de tegenvoeters leefden. Op deze manier konden oude ideeën over de verdeling van de aarde in zones en continenten met de bolvorm worden verenigd.

De uiteenlopende functies van kaarten leidden ertoe dat verschillende soorten kaarten naast elkaar bleven bestaan en dat sommige kaarten feitelijke details en symbolische beelden met elkaar verenigden.

7.1.2. Beelden van vreemde landen en volken

Door reisverhalen, encyclopedieën, fictionele literatuur en liederen was op ruimere schaal dan ooit informatie over de buiten-Europese wereld beschikbaar. De bekende wereld was in twee eeuwen tijd groter geworden, terwijl de denkbeeldige grens waarachter allerlei fantasiewezens leefden nog steeds bestond. De middeleeuwse mensen hadden behoefte aan de aanvulling van de waargenomen wereld met fantasiebeelden die aansloten bij hun geloof in de onuitputtelijke wonderbaarlijkheid van de schepping.

In talloze reisverhalen en liederen vinden we het ideaalbeeld van het Rijk van Priester Jan terug. Een niet-Europese, niet blanke, maar wel christelijke samenleving die vooral in Azië werd gedacht, werd zelfs als beter dan de Europese afgeschilderd. Het besef van andere beschavingen "achter" de Arabische wereld en het besef van de Russische en Aziatische eindeloosheid werd door dit alles versterkt.

Het haast etnografische reisverslag van Willem van Rubroek bevat nauwelijks fantasie-elementen en spreekt twijfel uit over het bestaan van het mythische Rijk van Priester Jan. Zijn reisverslag kreeg geen ruime bekendheid.

In de dertiende eeuw groeide de kritiek in wetenschappelijke kring op de fantasieverhalen. Zo stelde de dertiende-eeuwse Hollandse schrijver Jacob van Maerlant vast dat in de "Reizen van Sint Brandaan" "leugens" stonden.

7.1.3. Beelden over de Moslims en de Mongolen

In de eerste helft van de 13de eeuw was er in Europa een levendig, cultureel en intelelctueel klimaat ontstaan waarin allerlei Arabische verworvenheden konden worden geabsorbeerd en toegepast. Het hof van Frederik II op Sicilië was een schitterend voorbeeld van de samensmelting van verschillende culturen. De kerk bleef het echter anders zien: daar groeide door de Arabische invloeden ook een nieuwe angst. Wie "samenleefde met de Saracenen" kon op een veroordeling rekenen. Keizer Frederik II werd in 1245 beschuldigd van heulen met de Saracenen om vervolgens als ketter te worden veroordeeld. Het kerkelijke besluit in 1215 om joden en Saracenen te verplichten een geel herkenningsteken op de kleding te dragen kan genomen zijn uit vrees voor identiteitsverlies. De angst werd ook gevoed door het feit dat Europeanen die de islam leerden kennen zich soms bekeerden.

De Mongoolse invallen in Europa en de daarbij uitgeoefende terreur veroorzaakten een angstbeeld. Omstreeks 1280 vergeleken de Engelsen Zeeuwse, Hollandse en Friese zeerovers met de Tartaren. Een Engelse wereldkroniek omstreeks 1250 beeldde de Mongolen als kannibalen uit. Dit beeld vinden we ook in reisverhalen.

7.2. Waarom bleef een geheel vernieuwde beeldvorming over de buiten-Europese wereld uit?

Om dit te kunnen verklaren, moeten de volgende met elkaar samenhangende factoren in aanmerking worden genomen:

  • De overheersende rol van de kerk in de middeleeuwse samenleving en haar invloed op het denken van de mensen.

  • De gewoonte af te gaan op de overgeleverde waarheden van de autoriteiten, die het moeilijk maakte nieuwe kennis die op waarnemingen of experimenten berustte voor waar te houden.

  • De mate van verspreiding van nieuwe kennis en nieuwe beelden hing samen met het ontwikkelingspeil van de bevolking. Reisverhalen, waarin de meeste fantasie-elementen voorkwamen, vonden de grootste aftrek. Ook waren de bronnen van mondelinge en schriftelijke kennisoverdracht nauwelijks te controleren.

  • De overtuiging van de inwoners van Europa dat de eigen godsdienst en kennis superieur waren stond een grote openheid voor andere culturen in de weg.

  • Na 1350 namen de contacten met Arabië en Azië sterk af en richtte Europa zich meer naar het westen.

Bijlage 2. Europa en de Buitenwereld 1150-1350 [Vervallen per 31-12-2004]

mavo en vbo

Verantwoording [Vervallen per 31-12-2004]

Bij het bepalen van een houding tegenover andere culturen worden hedendaagse Europeanen be‹nvloed door een eurocentrisch wereldbeeld en door een culturele basishouding gekleurd door nationale voorkeuren. Toch beschouwen wij onze samenleving als een open samenleving. Daarmee bedoelen we dat er veel contacten bestaan tussen ons en andere landen en culturen, dat we voor invloeden vanuit deze landen en culturen ontvankelijk zijn en dat we ons beeld over deze landen en culturen bijstellen wanneer nieuwe informatie dit noodzakelijk maakt. Over de middeleeuwse Europese samenleving bestond lange tijd een tegenovergesteld beeld: sinds de Renaissance werden de "midden eeuwen" tussen klassieke oudheid en nieuwe tijd beschouwd als een gesloten samenleving met weinig feitelijk juiste kennis over en contacten met de haar omringende gebieden en culturen.

Bij zowel de opvatting omtrent de twintigste-eeuwse Europese samenleving als die omtrent de middeleeuwse kunnen vraagtekens worden geplaatst. In hoeverre staan twintigste-eeuwse (West-)Europeanen werkelijk open voor niet-westerse opvattingen en culturen, ook al zijn deze tegenwoordig in ruime mate binnen hun eigen landsgrenzen vertegenwoordigd? Speelt de neiging de eigen cultuur in vele opzichten als norm te hanteren niet nog steeds een belangrijke rol? Over de middeleeuwse Europese samenleving kunnen we ons afvragen of deze werkelijk zo gesloten was. Bleef de beeldvorming omtrent de buiten-Europese wereld inderdaad eeuwenlang grotendeels gebaseerd op legendarische en aan de fantasie ontsproten denkbeelden? En als men moeite had zijn beeld aan te passen op grond van nieuwe informatie, wat waren daarvoor dan de redenen?

Al lijkt het een typisch hedendaags probleem, beeldvorming en het overnemen dan wel afwijzen van verschijnselen uit andere culturen zijn van alle tijden. Presentatie van dit onderwerp in een andere historische context dan de twintigste eeuw, draagt ertoe bij dat, door de grotere afstand in tijd, bepaalde processen duidelijker en herkenbaar worden.

Er is gekozen voor de periode van de 12e tot en met de 14e eeuw. De Europese samenleving vertoonde toen een nieuwe dynamiek en ontwikkelde een actieve belangstelling voor landen en volkeren in andere werelddelen. De verhouding tot de Arabische wereld kreeg in deze periode een bijzonder karakter doordat religieus-politieke tegenstellingen gestalte kregen in de vorm van Reconquista en kruistochten, maar Europa ook veel aan de Arabische wereld ontleende op het gebied van wetenschap en cultuur. De tijdelijke toegankelijkheid van Centraal- en Oost-Azië maakte een rechtstreeks contact met de Mongools-Chinese cultuur mogelijk. Al deze ontwikkelingen leidden ertoe dat aan de oude overgeleverde kennis vol traditionele, legendarische elementen nieuwe informatie op basis van waarneming werd toegevoegd.

Nieuwe kennis en goederen bereikten Europa langs vele wegen: over zee, en door Azië en Afrika vooral via duizenden kilometers karavaanwegen, waar met name de kameel het transportmiddel was. De intensiteit van de contacten bepaalt de tijdsafbakening van het onderwerp: vanaf ca. 1150 zien we een sterke toename, die in de voorafgaande halve eeuw was voorbereid. Rond 1250 had veel nieuwe informatie Europa bereikt, maar deze kennis was niet tot brede lagen van de bevolking doorgedrongen. Na 1300 namen de contacten af, in de jaren kort na 1350 in versneld tempo.

Gezien de aard van het onderwerp is ditmaal bewust gekozen voor een eurocentrische benadering. Uitgangspunt van het onderwerp is immers de wijze waarop kennis van de buiten-Europese wereld in het middeleeuwse Europa werd verkregen en verwerkt. Daarbij bestaat het toegankelijke bronnenmateriaal hoofdzakelijk uit teksten die de weerslag zijn van verkenningen van Europeanen in de buiten-Europese wereld. Beeldmateriaal, waaronder kaarten, ondersteunen de behandeling van dit onderwerp in belangrijke mate.

De hoofdvraag bevat twee elementen: de ontwikkeling van de contacten tussen Europeanen en niet-Europeanen en de invloed van deze contacten op de opvattingen die de inwoners van Europa hadden over de buiten-Europese wereld. Leerlingen moeten de ontwikkeling van de contacten kunnen verklaren. Hiertoe moeten zij inzicht verwerven in de mogelijkheden en onmogelijkheden van het reizen in deze periode, in sociale, economische en politieke achtergronden die het reizen bevorderden dan wel belemmerden. Vaardigheden als inleving, het analyseren van oorzaken en gevolgen, continu‹teit en discontinu‹teit en standplaatsgebondenheid kunnen hierbij worden geoefend en getoetst.

Leerlingen moeten ook inzicht verwerven in de persoonlijke motieven van reizigers. Er is voor gekozen aan een aantal reizigers, die als exemplarisch kunnen gelden, specifieke aandacht te besteden. Hun belevenissen worden gekoppeld aan enkele stofonderdelen. Zo komt bijvoorbeeld de Vierde Kruistocht aan de orde bij de behandeling van de twee kruisvaarders en wordt bij de behandeling van Marco Polo melding gemaakt van de opkomst van de Italiaanse handelssteden. Deze aanpak zorgt hopelijk niet alleen voor meer inlevingsmogelijkheden, maar biedt in principe ook ruimte om bepaalde stofonderdelen te herhalen.

Het tweede deel van de hoofdvraag gaat in op de resultaten van de contacten met de buiten-Europese wereld. In hoeverre hebben de Europeanen als gevolg van de toegenomen kennis hun opvattingen over de buiten-Europese wereld bijgesteld? Er wordt een vergelijking gemaakt tussen kennis van en opvattingen over de buiten-Europese wereld in 1150 en in 1350. Er kan zowel verandering als continu‹teit worden geconstateerd. De factoren die hierbij een rol speelden, moeten leerlingen kunnen herkennen. Het middeleeuwse bronnenmateriaal biedt veel ruimte om bij de interpretatie ervan feit en objectiviteit, betrouwbaarheid en standplaatsgebondenheid aan de orde te stellen. Het is daarbij van belang dat leerlingen zich inleven in middeleeuwse denkpatronen, opvattingen en gebruiken. Bij het opstellen van deze stofomschrijving is rekening gehouden met het nieuwe eindexamenprogramma voor vbo en mavo (zie: Gele katern van 21 december 1994, 31b). Alle in domein A genoemde vaardigheden komen in het onderwerp aan de orde, uitgezonderd vaardigheid "g": het hanteren van het begrip "politiek". In de uitwerking van het onderwerp ligt het accent op domein B (het sociaal-economische aspect) en domein D (het cultureel-mentale aspect). Historische termen en namen van personen en geschriften die gerekend worden tot de voor het examen te kennen leerstof zijn de eerste keer dat ze in de tekst voorkomen vetgedrukt. Cursief wordt gebruikt voor de aanduiding van titels van boeken en geschriften. Een boektitel die tot de leerstof wordt gerekend wordt de eerste keer zowel cursief als vet weergegeven.

Hoofdvraag [Vervallen per 31-12-2004]

Waardoor was er een opbloei van de contacten tussen Europa en de buiten-Europese wereld en waarom leidde dit niet tot een volledige vernieuwing van de opvattingen die de inwoners van Europa over de buiten-Europese wereld en haar bewoners hadden?

1. Europa en de buiten-Europese wereld omstreeks 1150 [Vervallen per 31-12-2004]

1.1. Waarom heeft de term "Europa" uitleg nodig?

Tegenwoordig duiden we met Europa niet steeds dezelfde landen of gebieden aan. Als we spreken over "het Europa van de 15", het "Eurovisie Songfestival" of het "Europese bekervoetbal" bedoelen we steeds een andere groep landen. Toch hebben veel Europeanen het gevoel dat ze iets gemeenschappelijks hebben, een Europese identiteit die door veel mensen van het Europese continent wordt gevoeld of herkend. Ook in de Middeleeuwen had men zo'n gevoel van saamhorigheid. Ook toen konden niet steeds dezelfde landen of gebieden tot "Europa" worden gerekend. Bovendien verschilden de "landen" die tezamen Europa vormden nog sterk van de nationale staten die wij nu kennen.

1.2. Welke gebieden werden omstreeks 1150 tot Europa gerekend en welke tot de buiten-Europese wereld?

Het middeleeuwse Europa, dat door de inwoners als samenhangend geheel werd ervaren, was veel kleiner dan het werelddeel in aardrijkskundige zin. Het belangrijkste bindende element was daarbij het christendom, zoals dat vanuit Rome werd voorgeschreven. Wie de paus niet als leider erkende stond letterlijk en figuurlijk buiten de Europese "gemeenschap". Daarom rekende men het Byzantijnse Rijk niet tot Europa.

In de loop van de 12de eeuw gingen steeds meer gebieden tot Europa behoren als gevolg van de kerstening van Scandinavië, IJsland, Polen en Hongarije en de Reconquista van het Iberisch schiereiland. Sinds de Eerste Kruistocht hoorde Palestina er bij. Ook elders in Klein-Azië werden kruisvaardersstaten gevestigd, die tot Europa moeten worden gerekend.

De buiten-Europese wereld omvatte alle gebieden buiten de Latijns-christelijke wereld, waarvan men zich bewust was dat zij bestonden en waar in het algemeen mensen leefden met een ander geloof dan het rooms-katholieke. Deze gebieden lagen volgens de middeleeuwers vooral in Azië en in de Arabische wereld. Naarmate Europa groeide werd de buiten-Europese wereld dus kleiner.

1.3. Wat zijn de voornaamste kenmerken van Europa omstreeks 1150 en in hoeverre gaven deze de inwoners het gevoel bij elkaar te horen?

Een deel van de gebieden die tot Europa werden gerekend, had een gemeenschappelijke geschiedenis: zij hadden behoord tot het rijk van Karel de Grote. Maar het was vooral door de godsdienst dat de inwoners van Europa het gevoel hadden te behoren tot een groter geheel, dat boven de eigen, kleine leefwereld stond. Men sprak meestal van "christianitas" (christenheid) in plaats van "Europa". Indien er sprake was van tegenstellingen met "anderen", zoals de moslims, werd deze bindende factor extra sterk gevoeld.

Aan het eind van de 11de eeuw kwam de kruistochtgedachte op. Er werd een beroep op de Latijns-christelijke wereld gedaan voor een gezamenlijk optreden naar buiten. Daarbij werd het begrip Europa niet gebruikt, maar legde men wel de nadruk op het bestaan van een christianitas als eenheid boven de vorstelijke gebieden waaruit Europa bestond. De pausen traden steeds meer op als leiders van de Europese wereld en werden voortrekkers van de kruistochten. Gelijktijdig gingen kloosterorden op Europees niveau opereren. Pelgrimstochten of bedevaarten naar Santiago de Compostela betrokken het Iberisch schiereiland sterker bij de rest van Europa.

Op sociaal-economisch terrein bestonden er veel minder overeenkomsten tussen de inwoners van Europa. De meeste inwoners voelden zich alleen betrokken bij de streek waarin zij woonden en waar men elkaar verstond. Men leefde van de landbouw en wisselde slechts op kleine schaal goederen uit. In de 12de eeuw veranderde dit toen de handel toenam en er steden ontstonden, eerst in Italië, later ook meer noordelijk, en er een geld-economie opkwam. Kooplieden overbrugden steeds grotere afstanden en ontmoetten elkaar geregeld op jaarmarkten. Hierdoor ontstond een meer samenhangend Europees economisch systeem.

In sociaal opzicht zien we een gelaagde samenleving. Tussen de standen bestond een groot onderscheid, maar dit kwam ook binnen de standen voor, bijvoorbeeld tussen hoge en lagere edelen, of tussen rijkere stedelingen, zoals voorname kooplieden, en het gewone volk. Alleen geestelijken en een beperkte groep edelen en bijvoorbeeld rijke kooplieden konden lezen en schrijven en alleen zij spraken soms een vreemde taal. Vanaf de 12de eeuw werden naast de vorstenhoven de steden steeds meer centra van kunsten en wetenschappen. Er ontstond een duidelijk Europees getinte cultuur, waarin het Latijn de voertaal was en waaraan de gehele Europese elite kon deelnemen.

2. Kennis in Europa over de buiten-Europese wereld omstreeks 1150 [Vervallen per 31-12-2004]

2.1. Welke geografische informatie was omstreeks 1150 over de buiten-Europese wereld beschikbaar?

Slechts een klein gedeelte van de kennis uit de Oudheid was bewaard gebleven en vastgelegd in de encyclopedie die de geleerde Isidorus van Sevilla omstreeks 600 had samengesteld en die eeuwenlang d‚ vraagbaak bij uitstek bleef, ook voor de geografie. Hieraan ontleenden de middeleeuwse inwoners van Europa de opvatting dat er drie werelddelen waren, Europa, Azië en Afrika, die door water van elkaar gescheiden waren en die gezamenlijk door water waren omgeven. Europa en Afrika werden van elkaar gescheiden door de centrale zee, die als het ware midden in het land lag: de Middellandse Zee. Het water van de rivier de Nijl scheidde Afrika van Azië, hoewel men soms de Rode Zee als die grens beschouwde. Europa en Azië werden van elkaar gescheiden door het water van de Zwarte Zee en de rivier de Don die daarin aan de noordoostelijke zijde uitstroomt. Op de populaire OT-kaarten worden de drie werelddelen van elkaar gescheiden door een "T", gevormd door rivieren en zeeën. Boven de waterdwarsbalk ligt Azië. Onder deze balk ligt links in het noorden Europa en rechts in het zuiden Afrika. De staande waterbalk is de Middellandse Zee, die geheel in het westen uitmondt in de Atlantische Oceaan. De werelddelen worden omringd door water dat een "O" vormt. Het Heilige Land met Jeruzalem ligt in het midden. Deze kaarten hadden een symbolische functie.

Het verhaal van De reis van Sint Brandaan, geschreven in de vorm van een reisverslag bestond al enkele eeuwen. Van dit reisverhaal verscheen rond 1150 een vertaling in het Middel-nederlands, die heel populair werd.

In kringen van zeelieden groeide een grote hoeveelheid ervaringskennis, kennis van zeestromingen, kustlijnen, eilanden-groepen in de oceaan, de trek van vissen en vogels. De verhalen waarmee handelaren en schippers thuiskwamen, gaven ook informatie over de geografie van de buiten-Europese wereld. Dit gold ook voor pelgrims.

In de encyclopedie van Isidorus kon men lezen dat de aarde rond was, maar ook kwam er de aarde als platte schijf in voor. Isidorus had een voorkeur voor de tweede opvatting en in 1150 overheerste het schijfidee dan ook.

2.2. Wat was omstreeks 1150 bekend over landen en volkeren in de buiten-Europese wereld?

Elementen uit de ervaringskennis van zeelieden en andere reizigers drongen wel door in de literatuur, maar steeds waren de werkelijkheid en het fantastische verstrengeld. Een verhaal als dat van Sint Brandaan is kenmerkend voor de denkwereld van de meeste middeleeuwers; fantasie was vermengd met allerlei elementen uit de overgeleverde kennis en ervaringsfeiten.

Vanouds leefde er een vaag besef van het bestaan van "afgedwaalde" christenen "achter" de Arabieren. Men wist dat er christenen bestonden met een afwijkende en verketterde geloofsleer, de nestorianen. Maar er waren ook berichten over een "brief" van een christelijke "priester-koning Jan uit Indië", die zou hebben voorgesteld met Europa samen te werken tegen de islam en die vanuit Azië Jeruzalem wilde komen bevrijden. Hoewel de hoop op steun van deze christenen niet werd vervuld en het mythische Rijk van Priester Jan nooit werd gevonden, bleef men rekening houden met het bestaan van een christelijke rijk "ergens" in het oosten.

Ook aan het geloof of aan de fantasie ontsproten denkbeelden werden voor kennis gehouden. In alle bespiegelingen over de wereld was de overtuiging dat zich ergens, waarschijnlijk in het oosten, het "aards paradijs" moest bevinden een vast element. Daarnaast was er de idee dat er nog een vierde continent moest bestaan, waar de tegenvoeters en allerlei andere fantasiewezens woonden. Men was ervan overtuigd, dat zulke wezens ook in delen van Azië en Afrika woonden.

2.3. Hoe konden inwoners van Europa omstreeks 1150 zonder te reizen elementen van de buiten-Europese cultuur ervaren?

De kennis van de buiten-Europese wereld had ook een materieel aspect. Door de opleving van de handel en door de kruistochten kwamen veel producten uit de Arabische wereld en Azië Europa binnen, maar hiervan konden alleen de adel, de hogere geestelijkheid en de rijke kooplieden profiteren. Tot de onderste lagen drongen muzikale invloeden gemakkelijker door. Ook maakte het optreden van kunstenmakers bij het volk indruk.

3. Het reizen naar de buiten-Europese wereld [Vervallen per 31-12-2004]

3.1. Uit welke maatschappelijke lagen waren de Europese reizigers afkomstig en waarom reisden zij naar de buiten-Europese wereld?

Personen die lange reizen ondernamen waren vaak afkomstig uit de hogere lagen van de samenleving. Handelaren, gezanten, missionarissen, geleerden en kunstenaars reisden vaak beroepshalve, studenten trokken van universiteit naar universiteit. Vooral mannen reisden, soms vergezeld door hun vrouw. Alleen vrouwen, die tot de elite behoorden of daarbij in dienst waren en vrouwen die in een kloosterorde met speciale taken waren belast, reisden zelfstandig.

De grote meerderheid van de bevolking reisde slechts als men was opgeroepen door zijn heer om de dienstplicht in het leger te vervullen. Een bijzondere vorm van dienstplicht was de kruistocht, maar iemand kon zich ook uit eigen beweging bij een kruisvaardersleger aansluiten. Vanaf de 12e eeuw gingen steeds meer mensen op bedevaart naar veraf gelegen bedevaartsoorden als Rome, Santiago de Compostela en Jeruzalem en naar andere heilige plaatsen in Palestina .

Soms vestigden Europeanen zich in de buiten-Europese wereld: kooplieden in een verre handelskolonie, missionarissen met een kleine kerk in Perzië of Noord-Afrika, kruisvaarders in Klein-Azië.

3.2. Welke praktische problemen konden reizigers tijdens hun reizen door Europa en door de buiten-Europese wereld ondervinden?

Reizen in de Middeleeuwen was moeilijk, met name over lange afstanden, omdat de wegen vaak slecht waren. Men reisde te voet, per rijdier, soms met een door een trekdier getrokken kar of slee, of per schip. Tijdens een dagreis over land legde men gemiddeld 30 kilometer af, zeker omdat een reisgezelschap vrijwel altijd voor een deel bestond uit personen die te voet reisden. Te paard legde men zelden meer dan 60 kilometer per dag af. Bij reizen over water, zee of rivier, was men afhankelijk van wind en stroom. Waar landwegen waterwegen kruisten, waren zelden bruggen aangelegd. Men moest meestal een doorwaadbare plaats of een pontveer benutten.

Struikrovers en piraten maakten land- en zeewegen onveilig. Het had voordelen duidelijk herkenbaar als geestelijke, pelgrim of in dienst van een vorst te reizen, maar dit werkte lang niet altijd. In sommige gebieden had de reiziger een geleidebrief van de plaatselijke machthebber nodig.

Het reizen over land werd eenvoudiger toen reizigers onderweg in toenemende mate in kloosters, kastelen of herbergen konden verblijven. Ook de groei van de steden in de 12e eeuw bevorderde in dit opzicht de mogelijkheden, onder andere omdat daar ten behoeve van pelgrims speciale gasthuizen werden ingericht. Voor reizen over zee was de ontwikkeling van grotere, veiliger en snellere schepen in de periode van de 12e t/m de 14e eeuw een wezenlijke verbetering. De toepassing van het kompas en het gebruik van hulpmiddelen om aan de hand van de sterren de positie te bepalen, waren ook belangrijke voorwaarden om over open water langere afstanden af te kunnen leggen.

De talenkennis van reizigers was buiten Europa niet altijd toereikend. In de Arabisch sprekende wereld maakte men vaak gebruik van Zuid-Europeanen en inwoners van de kruisvaardersstaten als tussenpersoon. Voor reizen in Azië had men tolken nodig die Syrisch, de taal van de nestorianen, kenden.

3.3. Langs welke routes reisde men naar de Arabische en de Aziatische wereld en welke informatie was er over deze routes beschikbaar?

Het eerste gedeelte van de route was enigszins afhankelijk van het vertrekpunt. Een inwoner van Vlaanderen legde op weg naar Palestina een langere weg over land af dan een inwoner van het koninkrijk Sicilië bijvoorbeeld. Het tweede deel van het traject bestond uit een route over land of een zeereis.

Voor het reizen door Afrika vormde de Sahara een enorme barrière. Noord-zuid verkeer was slechts mogelijk langs de West-Afrikaanse kust of via een combinatie van Nijl, Rode Zee en Indische Oceaan.

Voor de reizen door Azië was de toegang tot de Zwarte Zee van belang, omdat daar de post- en karavaanwegen begonnen die de reiziger via Zuid-Rusland tot in China en Mongolië voerden. Ook vanuit de kruisvaardersstaten kon men over land naar Azië reizen. Scheepvaartverbindingen over de Indische Oceaan maakten ook reizen naar China mogelijk. Een meer noordelijke route naar Azië volgde de water- en landwegen van Midden-Rusland.

In de scheepvaart en bij pelgrimstochten gebruikte men al vroeg routebeschrijvingen. Ook kooplieden beschikten over deze informatie. Landkaarten, zoals de genoemde OT-kaarten, waren minder bruikbaar; zij hadden vooral een symbolische functie en moesten het bestaande wereldbeeld bevestigen. Vaak zette men plaatsnamen in de volgorde van de route achter elkaar of onder elkaar met de route als verbindingslijn. Ook trachtte men wel de plaatsen ruimtelijk te situeren. Met de ontwikkeling van de cartografie verbeterde de informatievoorziening op dit punt.

3.4. Welke economische en politieke omstandigheden maakten succesvolle lange reizen mogelijk?

Europa bloeide economisch sterk op rond 1200. De Italiaanse handelssteden profiteerden als eerste van de gestegen vraag naar luxegoederen uit het oosten en goud uit Afrika. Italiaanse kooplieden vestigden zich in de kruisvaardersstaten en in handelskolonies in het oostelijke Middellandse-Zeegebied, later ook op de Krim. De Venetianen beheersten gedurende de gehele 13e eeuw de handel met Byzantium.

Voor de feitelijke reismogelijkheden was politieke stabiliteit in de regio waar men doorheen trok essentieel. Grote delen van de noordoostelijke Middellandse-Zeekust werden beheerst door Europeanen, evenals vanaf 1204 de toegang tot de Zwarte Zee. Dit vergemakkelijkte het reizen voor Europeanen in dit gebied. In Azië kwam in deze periode onder leiding van Dzjenghis Khan een Mongools eenheidsrijk tot stand, dat zich ook naar het westen uitbreidde. Nadat deze uitbreiding was gestaakt, kon het handelsverkeer naar Azië rond 1250 profiteren van de Pax Mongolica, de relatieve rust in het door de Mongolen overheerste gebied, en van een redelijk veilig en naar verhouding goed onderhouden wegennet.

3.5. Voorbeelden van personen die in de 12e t/m de 14e eeuw lange reizen ondernamen, hun motieven en problemen

Sommige reizigers hebben hun eigen belevenissen of die van anderen op schrift gesteld. In het navolgende worden enkele van deze reizigers als voorbeelden opgevoerd. Achtereenvolgens worden genoemd hun maatschappelijke positie, de motieven voor hun reis, de problemen die ze ondervonden, de aard van de contacten, de historische achtergrond waartegen de reis plaatsvond en het reisverslag dat zij hebben nagelaten.

Godfried van Villehardouin en Robert van Clari: kruisvaarders

Godfried was een hoge Franse edelman en een van de organisatoren van de kruistocht door middel waarvan hij aanzien en macht buiten Frankrijk wilde verwerven.

Robert was een eenvoudig ridder, die in het gevolg van een andere hoge Franse edelman aan deze Vierde Kruistocht deelnam. Vermoedelijk verwachtte hij ook zijn eigen positie erdoor te kunnen verbeteren.

De problemen tijdens de Vierde Kruistocht waren talrijk. De landroute was door het verval van het Byzantijnse Rijk gedeeltelijk onbruikbaar. Voor transport over zee was men afhankelijk van de Venetianen. Deze eisten, toen bleek dat de kruisvaarders de transportkosten niet konden betalen, dat het kruisvaardersleger Constantinopel en de nabij gelegen kuststroken veroverde in dienst van het Venetiaanse handelsbelang.

Venetië had als opkomende handelsmacht grote belangstelling voor het Zwarte-Zeegebied, en de daar achterliggende gebieden, die door de verovering van Constantinopel konden worden ontsloten. Na deze kruistocht werd Europa overspoeld met zaken die als buit waren meegenomen. Dankzij de toegang tot het Zwarte-Zeegebied kwam een stroom van oosterse artikelen naar het westen op gang. Godfried en Robert schreven elk een boek over hun belevenissen tijdens de Vierde Kruistocht. Omdat zij echter door hun onderscheiden posities toegang hadden tot heel verschillende informatie en Robert zijn boek veel later schreef dan Godfried, verschilt de inhoud sterk.

Willem van Rubroek: missionaris/onderzoeker/gezant

Willem was een monnik, waarschijnlijk afkomstig uit Rubroek in Frans-Vlaanderen, die al omstreeks 1250 als missionaris in Azië rondreisde. Naast zijn missiedrang had hij ook grote belangstelling voor de hem onbekende wereld. Willem ging officieel als missionaris, maar werd door de Mongolen ook als gezant beschouwd omdat hij een aanbevelingsbrief van de Franse koning bij zich had.

Willem vond vrijwel alle bekende problemen op zijn weg: de lange afstanden, problemen met de transportmiddelen, taalbarrières, het bij tijden barre klimaat, vijandige ontmoetingen. Hij merkte vreemde gewoontes op en was zeer geïnteresseerd in andere godsdienstige overtuigingen en gebruiken. Willem heeft het leven aan het hof van de Mongoolse leider, de groot-khan, en de Mongoolse samenleving intensief leren kennen. Hij heeft er ook Europeanen, mannen en vrouwen, die daar verbleven ontmoet. Ondanks de taalproblemen en zijn slechte tolk voerde hij zelfs religieuze discussies. Hiervoor werd het Syrisch, de taal van de nestorianen, gebruikt.

Andere geestelijken waren Willem al voorgegaan naar Mongolië, aangezien de paus al enige jaren probeerde betrekkingen aan te knopen met de Mongoolse leider, door middel van het sturen van gezanten. Velen van hen hadden hun doel, de groot-khan, echter niet bereikt vanwege alle praktische belemmeringen.

Willem heeft zijn observaties neergelegd in zijn Verslag van de reis naar het land der Tartaren en lijkt daarin te proberen een zo waarheidsgetrouw mogelijke beschrijving van de Mongoolse samenleving te geven. Het verslag bevat nauwelijks fantasie-elementen en geeft blijk van grote twijfels aan de mythe over het Rijk van Priester Jan. Het boek kreeg weinig verspreiding.

Marco Polo: koopman/gezant

Marco kwam uit een vooraanstaand Venetiaans koopmansgeslacht. De familie bezat een huis in de Venetiaanse kolonie op de Krim en de vader en oom van Marco hadden al eens via de Krim een reis gemaakt door Zuid-Rusland en China. Marco ging mee op hun tweede reis naar China die in 1271 begon en met onderbrekingen zo'n 24 jaar zou duren.

De Polo's wilden aanvankelijk vooral de commerciële mogelijkheden in het gebied verkennen, later kregen de contacten een meer diplomatiek karakter; de groot-khan stuurde hen als afgezanten weer terug en Marco vervulde later, volgens eigen zeggen, functies in dienst van de groot-khan. Geleidelijk kregen de reizen ook het karakter van een ontdekkingstocht.

Ook voor de Polo's waren de post- en karavaanwegen een noodzakelijke voorwaarde voor hun reizen evenals de rust in het gebied waardoorheen werd gereist. Een vrijgeleide van de heerser bleef echter onmisbaar. Tijdens de eerste reis hadden vader en oom Polo al enige kennis van het Mongools opgedaan. Gedurende hun volgende langdurige reizen deden de Polo's een schat aan ervaringen op, wat het reizen ook anderszins vergemakkelijkte. De contacten met de groot-khan waren niet zonder problemen; de Polo's hadden geen onbeperkte bewegingsvrijheid. De terugreis verliep uiterst moeizaam, wat samenhing met de onrustige politieke situatie in Perzië.

De reizen van de Polo's naar China, dat werd overheerst door de Mongolen, vonden plaats in een tijd waarin zowel de Italiaanse handelssteden als het Mongoolse Rijk onder Khubilai Khan een grote economische en culturele bloei doormaakten. Italiaanse kooplui waren op zoek naar oosterse handelswaar en ook de groot-khan beschikte over een uitgebreide koopvaardijvloot en was uit op intensivering van de contacten met Europa.

Drie jaar na zijn terugkeer in Venetië dicteerde Marco Polo zijn reiservaringen. Zijn boek, Beschrijving van de wereld, bevat nauwkeurige min of meer correcte beschrijvingen, maar ook gegevens over landen en verschijnselen die hij niet zelf heeft gezien. Door de fantasie-elementen en de geringe geografische betrouwbaarheid, kan het boek niet als "reisgids" gelden. Bovendien is vertekening als gevolg van de lange tijdsspanne tussen de eerste reiservaringen en de optekening ervan een reëel probleem. Het boek en dus ook de visie op de niet-Europese wereld die erin naar voren komt, raakte wijd verspreid.

Ibn Batoeta: pelgrim/bestuurder/onderzoeker

Ibn Batoeta stamde uit een Arabische familie van rechters in Tanger en kreeg zelf ook een juridische opleiding. Hij reisde in 1325 naar Mekka, als bedevaart en in kader van zijn studie. Maar in plaats van te studeren, maakte hij vanuit Mekka diverse reizen door de Arabische wereld en via de Krim naar India en China. Zijn studieuze en religieuze motieven maakten plaats voor nieuwsgierigheid en ontdekkingsdrang. Onderweg werkte hij soms als rechter of bestuurder. Nadat hij zich uiteindelijk gevestigd had in Fez, reisde hij nog door Noord-Afrika en het islamitische deel van het Iberisch schiereiland. Ibn Batoeta kon gebruik maken van de rijke geografische kennis van de Arabische kooplieden. Hij had regelmatig transportproblemen, maar als reiziger binnen de Zuid-Aziatische en Arabisch-Afrikaanse wereld het voordeel als islamiet in een islamitische omgeving te verkeren. Op zijn reizen naar India kon hij gebruik maken van de door de Arabieren beheerste zeeroutes over de Indische Oceaan, die voor Europeanen moeilijk toegankelijk waren. Hij bereisde Centraal- en Zuid-Azië in de laatste fase van een periode van relatieve rust.

Batoeta deed op zijn reizen een veelheid van contacten op met mensen van allerlei pluimage. Hij heeft in zijn reisverslag landen, volken en reisroutes uitgebreid beschreven evenals de ontberingen en andere problemen van het reizen. Ibn Batoeta dicteerde zijn reisverslag pas dertig jaar na aanvang van zijn omzwervingen. Ook hier bestaat dus het gevaar van vertekening, al maakt zijn boek als "reisgids" een meer betrouwbare indruk dan dat van Marco Polo.

Jan van Mandeville: pelgrim/gezant/onderzoeker

Over Mandevilles achtergrond is weinig bekend; waarschijnlijk was hij afkomstig uit Engeland of Frankrijk. Zijn reisverslag, dat rond 1325 begint, heeft aanvankelijk het karakter van een pelgrimstocht naar het Heilige Land. Later lijkt het meer op een ontdekkingsreis. Hij beschrijft ook in dienst van de sultan van Egypte te zijn geweest. Het voornaamste motief was nieuwsgierigheid. Mandeville schrijft weinig over zijn eigen reisproblemen, maar benadrukte in zijn boek wel het belang van bijvoorbeeld talenkennis en de post- en karavaanwegen. Hij beschrijft landen, de bestuurlijke organisatie, de talen die er worden gesproken, het leven aan het hof van de sultan. Anders dan Willem van Rubroek, is zijn beschrijving van andere godsdiensten nuchter, zonder vooroordelen. Het onderscheid tussen daadwerkelijke eigen observatie en informatie gebaseerd op geschriften van anderen is bij Mandeville niet goed te maken. In hoeverre Mandeville zelf de reizen maakte die hij beschreef, is omstreden.

Er was in het begin van de 14e eeuw een enorme drang tot het ondernemen van reizen naar het Heilige Land en daarmee een enorme vraag naar reisbeschrijvingen. Sinds Marco Polo reikte die interesse ook verder oostwaarts. Het boek, Reizen, van Mandeville speelde in op deze behoefte. Het boek bevat nauwkeurige beschrijvingen van plaatsbepalingen aan de hand van sterren en metingen van de bolvorm van de aarde, maar ook fantasievolle hoofdstukken met beschrijvingen van wonderlijke wezens en landen, met inbegrip van het "Rijk van Priester Jan". Zijn boek raakte kort na 1350 op grote schaal verbreid. Het werd in vele talen vertaald.

3.6. Welke ontwikkelingen leidden tot een afname van de contacten na 1300?

Rond 1300 veranderden de omstandigheden. Veel kruisvaardersstaten waren aan het einde van de 13e eeuw weer in Arabische handen gevallen en in 1291 ging met de val van Akko het laatste Europese bolwerk in Klein-Azië verloren. De strijd van de Mongolen in Perzië bracht schade toe aan de routes in dat gebied. Op de scheepvaartroutes over de Indische Oceaan werden Europese handelaars steeds minder toegelaten.

In deze periode kwam er een einde aan de onstuimige groei van de Europese economie. De Italiaanse handelscontacten met het Zwarte-Zeegebied namen af. De Zwarte Dood veroorzaakte een economische aardverschuiving. De ziekte brak uit in Centraal-Azië en bereikte via de karavaanroutes rond 1350 de Krim en vandaar Europa. Ook in de Arabische wereld sloeg de ziekte genadeloos toe, evenals in China. Hierdoor raakten in alle genoemde gebieden de handelsbetrekkingen volledig verstoord en werden totale economieën ontwricht.

Na de eerste chaos volgde overal een heroriëntatie. In Centraal- en Zuid-Azië viel het Mongoolse Rijk uiteen en kwam er een einde aan de Pax Mongolica. Nu wierpen de Mongolen belemmeringen op voor de handel tussen oost en west en raakte ook Rusland van Europa afgezonderd. In China kwam een nieuwe keizerlijke dynastie aan de macht, waardoor het land zich afsloot voor contacten met het westen. De uitbreiding van het Turkse rijk in Klein-Azië en op de Balkan belemmerde ook daar de contacten met het westen en leidde er bovendien toe dat Europa in het oosten weer een stuk kleiner werd.

4. Gevolgen van de contacten met de buiten-Europese wereld [Vervallen per 31-12-2004]

4.1. Welke nieuwe kennis en goederen kwamen uit de buiten-Europese wereld naar Europa?

De nieuwe kennis die Europa gedurende de 12e tot en met de 14e eeuw bereikte, bestond uit:

a. Overgeleverde "geleerde" kennis als gevolg van de vertaling van geschriften, die afkomstig waren uit andere culturen.

  • De toename van de contacten tussen de Arabische wereld en Europa leidde tot de vertaling van veel wetenschappelijke Arabische geschriften. Kennis uit de Oudheid was vaak alleen in een Arabische versie bewaard gebleven. Nadat er vertalingen waren gemaakt, was de kennis in Europa spectaculair vergroot. Dit betrof o.a. geografie en sterrenkunde. Men stelde zich op de hoogte van berekeningen over de omvang van de aarde, van kennis over de loop van rivieren en bergketens en van ideeën omtrent de vorm der werelddelen.

  • Ook werden werken vertaald over de andere wetenschappen. De kennismaking met de algebra leidde tot de introductie van door ons als "Arabische" cijfers aangeduide tekens in plaats van de "Romeinse" cijfers. Allerlei ingewikkelde berekeningen werden veel eenvoudiger uitvoerbaar.

  • In de Arabische wereld was de kennis van de werking van geneeskrachtige kruiden verder ontwikkeld, terwijl ook op het terrein van de chirurgie en de anatomie een grote voorsprong bestond. Dit had te maken met de grotere geneigheid in de Arabische wereld tot het verrichten van wetenschappelijke experimenten. Ook maakte de beschijving van ziektebeelden het mogelijk tot dan toe onbekende ziekten te herkennen.

b. Geografische kennis ontleend aan waarnemingen van zeelieden omtrent de ligging van landen en zeeën ten opzichte van elkaar. Hieraan hebben Arabische reizigers en geleerden ook veel bijgedragen. Zij konden met behulp van het astrolabium aan de hand van de sterren de koers uitzetten en zij kenden het kompas al veel eerder dan de Europeanen. Het inzicht omtrent de kogelvorm van de aarde drong werkelijk door in Europa.

c. Kennis over landen en volken, voor een deel uit eigen waarneming van handelaren, kruisvaarders, pelgrims, missionarissen en gezanten (zie 3.5). Voor een deel was deze kennis ook ontleend aan ontmoetingen met personen uit andere culturen die binnen de Europese samenleving actief waren, zoals gezanten, handelaren en artiesten.

d. Een enorme hoeveelheid nieuwe gewassen en producten bereikte Europa uit of via Arabië: rijst, rietsuiker, zijde, uit Damascus damast, gaas uit Ghaza, papier, zuidvruchten, specerijen, kristalglas, parels en edelstenen. Vrijwel al het goud dat Europa importeerde kwam uit Noord-Afrika en werd gebruikt voor munten. Doordat tienduizenden Europeanen tijdens de kruistochten met de Aziatisch-Arabische producten in aanraking kwamen leerden veel inwoners van Europa met eigen ogen en mond de rijkdommen van het oosten kennen.

4.2. Op welke wijzen werden de nieuwe kennis en ideeën binnen Europa verspreid?

De nieuwe, overgeleverde "geleerde" kennis verspreidde zich via vertalingen van Arabische geschriften in het Latijn.

Veel Europese reizigers hebben hun ervaringen op schrift gezet. Van de "Beschrijving van de wereld" van Marco Polo werden binnen korte tijd vele kopieën en vertalingen geschreven. Het prikkelde de fantasie en juist de meest absurde verhalen vonden gretig aftrek. Het gaf aanleiding zowel tot het verschijnen van meer en nauwkeurige reisverhalen, als tot beschrijvingen van gefantaseerde reizen. Zeer praktisch was een "Handleiding voor de koophandel", die niet alleen de routes naar China beschreef, maar ook een hoofdstuk opnam met "nuttige tips voor reizigers".

In de reisverslagen van Jan van Mandeville is bijna alle in de voorafgaande twee eeuwen vergaarde kennis bijeengebracht. Van zijn werk hebben waarschijnlijk vele duizenden kopieën gecirculeerd, in vrijwel alle Europese volkstalen. De populariteit van zijn werk droeg er op deze wijze toe bij, dat veel op zichzelf juiste, nieuwe gegevens een groot publiek bereikten, maar dat ditzelfde publiek gelijktijdig met karikaturale beelden en fantasieverhalen werd gevoed.

Fragmenten uit deze geschriften kregen bovendien meestal snel een plaats in de nieuwe golf van allerlei overzichtswerken.

De nieuwe inzichten begonnen na 1300 door te werken in de cartografie. Speciaal voor zeelieden werden praktijkkaarten gemaakt, de zogenoemde portolaankaarten. De details die op deze kaarten stonden moesten schippers in staat stellen op zee de kustlijn te herkennen en de juiste haven te vinden. Andere elementen werden op de kaarten nog slechts summier weergegeven. Maar behalve nieuwe inzichten bleef men ook oude opvattingen op deze kaarten afbeelden. Een ander voorbeeld van de verwerking van toegenomen geografische kennis is de Catalaanse Wereldatlas, een bundeling van alle op dat moment beschikbare geografische kennis in combinatie met kennis van landen en volkeren. Deze atlas kwam tot stand op Mallorca, dat een beroemd centrum van cartografie was, waar joodse, Arabische en Europese kennis samenkwam.

De nieuwe kennis verbreidde zich snel in kringen van de wetenschap. Men ging de herontdekte oude en de nieuwe theorieën over het geografisch wereldbeeld analyseren. Kort na 1200 zorgden wetenschappelijke en populaire teksten, zowel in het Latijn als in de volkstalen, voor de verspreiding van het inzicht omtrent de kogelvorm van de aarde. In het boek De Natuurkunde van het Geheelal wijst de schrijver erop, dat de zon in Gent niet op hetzelfde moment ondergaat als in Rome.

Verbeelding van deze kennis kwam ook tot uitdrukking in literaire geschriften, zoals romans en liederen. Allerlei elementen uit de niet-Europese wereld werden verbeeld in verhalen en liederen. In kruistochtliederen werden de Arabieren als wrede tegenstanders afgeschilderd, maar er waren ook verhalen waarin de verfijnde Arabische cultuur werd benadrukt. Liederen hadden een groot bereik, vooral als ze in de volkstaal waren geschreven, en konden evenals optredens van zwarte Afrikaanse kunstenmakers ook bij het gewone volk de interesse voor de buiten-Europese wereld stimuleren.

Voor de meeste inwoners van Europa waren vertellen en voorlezen de belangrijkste middelen van kennisoverdracht. Daarnaast speelden afbeeldingen een rol. Bijvoorbeeld de in de kerken opgehangen wereldkaarten kunnen letterlijk beeldbepalend zijn geweest.

4.3. Waarom kwamen de verschillende groepen inwoners niet in dezelfde mate in aanraking met de nieuwe goederen, kennis en ideeën?

Iedere vorm van kennis had zijn eigen reikwijdte in de samenleving. Exclusieve Aziatische of Arabische producten vonden hun weg eerder naar huishoudens en keukens van de Europese elite en de vorstenhoven dan naar die van eenvoudiger lieden. Ze bereikten eerder steden dan het platteland.

Voor de kennisneming van de geschriften was naast leesvaardigheid van belang in welke taal de tekst was geschreven. Het kerkelijke besluit om aan iedere parochiekerk een school te verbinden stimuleerde het onderwijs in de volkstaal in het begin van de 13de eeuw. Wel bleef het alfabetiseringsniveau zeer sterk verschillen tussen bewoners van steden en bewoners van het platteland, en eveneens tussen de verschillende bevolkingslagen.

5. Opvattingen over de buiten-Europese wereld en haar bewoners [Vervallen per 31-12-2004]

5.1. Welke opvattingen hadden de inwoners van Europa over de buiten-Europese wereld en haar bewoners rond 1350?

De vorm van de aarde

Het beeld van een bolvormige aarde was algemeen geaccepteerd rond 1350. Men had een omtrek uitgerekend die ongeveer een kwart kleiner was dan in werkelijkheid. In de Sahara zag men het natuurlijke bewijs voor het bestaan van een hete, onbewoonbare, gordel op aarde. Zolang Europeanen deze tropische zone niet gepasseerd waren, bleef het idee van de tegenvoeters die daarachter of daaronder leefden, bestaan. Op deze manier konden oude ideeën over de verdeling van de aarde in zones en continenten met de bolvorm worden verenigd.

De landen en volkeren in de buiten-Europese wereld

Door de toegenomen contacten was de kennis van de Arabische en de Aziatische wereld toegenomen. De opvattingen over deze buiten-Europese wereld liepen uiteen.

Aan de ene kant waren de inwoners van Europa vol bewondering voor de wereld die zij zagen of waarvan zij hoorden. Zij verbaasden zich over de hoogstaande en verfijnde cultuur van de Arabische wereld en konden de verhalen over de verre Aziatische wereld nauwelijks geloven. Men erkende de enorme bijdrage die de Arabische wereld aan de wetenschappen te leveren had.

Aan de andere kant bestond er een vijandbeeld van de moslims als de "bezetters van het Heilige Land". Juist door de toegenomen contacten ontstond bovendien een nieuwe angst voor een groeiende Arabische invloed. Europeanen, die een grotere kennis van de islam kregen, werden soms moslim. De vrees, dat de eigen christelijke identiteit bedreigd werd, kan het kerkelijke besluit van 1215 verklaren, waarbij joden en moslims verplicht werden een geel herkenningsteken op hun kleren te dragen. De paus moest ook niets hebben van het leven aan het hof van het koninkrijk Sicilië, dat bekend stond als een smeltkroes en overdrachtspunt van vele culturen. De koning werd zelfs als een vijand van de kerk veroordeeld.

Angst spreekt ook uit een bericht kort nadat de Mongolen in Centraal-Europa doordrongen. Toen in Utrecht een legertje opstandige boeren "s nachts tot voor de muren doordrong, sloeg men alarm omdat men dacht dat "die Tartaren comen waren...". Men was zich bewust van dreiging, maar toch verwachtte of hoopte iedere reiziger, die zich verder oostelijk of zuidelijk dan Klein-Azië waagde, iets van het Rijk van Priester Jan te zien. Op dit mythische rijk rekende men in de strijd tegen de islam en men stelde het zich voor als een aards paradijs, dus als beter dan de eigen, Europese, wereld. Behalve het ontzag voor en de begeerte naar de "schatten van het oosten" was er fascinatie maar ook minachting voor "gedrochten" van allerlei aard.

De dagelijkse ervaring in Europa

De producten, die op grote schaal in Europa doordrongen, maakten veel indruk. Algemeen waardeerde men de lekkere, zoete etenswaar, de prettig zittende of vallende stoffen en de mooie artikelen uit de Arabische wereld en uit Azië. Ook van de vele handige uitvindingen en toepassingen maakte men gebruik, zoals Arabische cijfers, astrolabium, kompas en in beperkte mate medische kennis. Naar verhouding konden omstreeks 1350 veel meer mensen dan in 1150 in eigen persoon hiermee kennismaken.

5.2. Waarom zorgde de toegenomen kennis niet voor een volledige vernieuwing van de opvattingen over de buiten-Europese wereld rond 1350?

Reisverhalen verspreidden veel nieuwe informatie, maar bevestigden tegelijkertijd vaak de bestaande ideeën over vreemde wezens die in verre oorden voorkwamen, omdat ze ook daar melding van maakten. De reisverhalen van Polo en Mandeville zijn hiervan voorbeelden. Zij werden erg populair. Rubroeks werk raakte veel minder bekend.

De kerk speelde een overheersende rol in de middeleeuwse samenleving en oefende invloed uit op het denken van de mensen, die voor hun informatie waren aangewezen op verschillende soorten ongeschreven bronnen. Op wereldkaarten die in de kerken hingen bijvoorbeeld, werden zowel feitelijk juiste gegevens als symbolische voorstellingen weergegeven. In de Middeleeuwen was de traditie om de reeds bestaande "kennis" als uitgangspunt te nemen en deze te kopiëren wijd verbreid. Tegenstrijdigheden liet men naast elkaar voortbestaan. Er bestond weinig neiging deze "oude kennis" aan nieuwe gegevens te toetsen.

Verstarring van het niet op de praktijk gerichte universitaire onderwijs belemmerde lang de toepassing van de nieuwe inzichten. Men had moeite met het overboord zetten van de oude waarheden, vooral als ze strijdig leken met gedachten die aan de Bijbel of de kerkelijke autoriteiten waren ontleend. Vanaf omstreeks 1150 waren de mogelijkheden om buiten Europa te reizen en zo contacten te hebben toegenomen. Voordat de nieuwe kennis kon doorsijpelen, braken de contacten echter af. Veel kennis drong niet meer door, verdween of werd naar de achtergrond verdrongen.

De bereidheid om nieuwe ideeën op te nemen hing samen met de economische en culturele opbloei in Europa die rond 1300 weer afnam. Wat overbleef was de overtuiging dat de eigen godsdienst en kennis superieur waren aan die van de buiten-Europese wereld. De geslotenheid van de Europese samenleving voor andere culturen nam weer toe.

3. Literatuurlijst [Vervallen per 31-12-2004]

  • J.L. Abu-Lughod, Before European Hegemony. The World System A.D. 1250-1350 (New York, Oxford, 1991)

  • C.F. Beckingham, Between Islam and Christendom: Travellers, Facts, Legends in the Middle Ages and the Renaissance (London, 1983)

  • Dick E.H. de Boer, "Achter de horizon. Middeleeuwse Europeanen en de wereld tot begin 15de eeuw", Spiegel Historiael 27 (1992) 490-99 + 505

  • Mary B. Campbell, The Witness and the Other World. Exotic European Travel Writing 400-1600 (Ithaca, London, 1988)

  • J.-P. Drège, Marco Polo en de zijderoute (Houten, 1992; bewerkt uit het Franse origineel Marco Polo et la Route de la Soie (Paris, 1989)

  • V.P. Goss (ed.), The meeting of two worlds. Cultural exchange between East and West during the period of the crusades (Kalamazoo, 1986)

  • R. Marshall, Opkomst en ondergang van het Mongoolse keizerrijk, van Djenghis Khan tot Koebilai Khan (Baarn, Utrecht, 1993)

  • W. Montgomery Wyatt, Voorbij Poitiers. Arabische invloeden op middeleeuws Europa (Amsterdam, 1992; oorspronkelijk Engels: The influence of Islam on medieval Europe (Edinburgh 1972, 1987)

  • J.R.S. Phillips, The Medieval Expansion of Europe (Oxford/New York, 1988)

  • En toch was ze rond ... middeleeuws mens- en wereldbeeld. Tentoonstellingscatalogus (Brussel, 1990)

  • R.E.V. Stuip, C. Vellekoop (ed.), Culturen in contact. Botsing en integratie in de middeleeuwen. Utrechtse Bijdragen tot de Mediëvistiek, 8 (Utrecht, 1988)

  • A. Verrycken, De middeleewuse wereldverkenning (Leuven, 1990)

  • W.P. Gerritsen, De clepsydra, een tunnel naar de antipoden, en de natuur in een middeleeuwse proeftuin. Een beschouwing over wereldbeeld en naturu in de Middeleeuwen (Utrecht, 1978)

  • J. van Herwaarden (ed.), Op weg naar Jacobus. Het boek, de legende en de gids voor de pelgrim naar Santiago de Compostela (Hilversum, 1992)

  • R. Hill (ed.), The Deeds of the Franks and other pilgrims in Jerusalem (Oxford, 1972)

  • A. Maalouf, "Rovers, Christenhonden, Vrouwenschenners", de kruistochten in Arabische kronieken (Utrecht/Antwerpen, 1986)

  • U. Devolder. R. Ostyn, P. Vandepitte, Het reisverhaal van Willem van Rubroek, de Vlaamse Marco Polo: 1253-1255 (Tielt, 1984)

  • H.A.R. Gibb (transl.), The travels of Ibn Battuta A.D. 1325-1354 3 vols. Hakluyt Society, 2nd series, nr. 90, 117, 141 (London, 1959-71)

  • P. Jackson, D. Morgan (transl.), The mission of Friar William of Rubruck. His journey to the court of the Great Khan M”ngke, 1253-1255. Hakluyt Society, 2nd series, nr. 173 (London 1990) NB. ter vervanging van de sterk verouderde editie door W.W. Rockhill in de Hakluyt Society, 2nd series, nr. 4 (London, 1900)

  • K. Jonkheere (vert.), Het boek van Marco Polo of de wonderen van een wereldreis (Brussel/Den Haag, 1977)

  • R. Latham (transl.), Marco Polo. The travels (Harmondsworth, 1958 (vele drukken))

  • C.W.R.D. Moseley (ed.), The travels of sir John Mandeville (Harmondsworth, 1983)

  • H. Yule (ed.), Cathay and the way thither. Being a collection of medieval notices of China. Hakluyt Society, 2nd series, nr. 33, 37 en 38 (London, 1913-1915)

  • H. Adema (bew.), Diederic van Asseneede. Floris ende Blancefloer: volledige vertaling (Leeuwarden, 1986)

  • L. Jongen (vert.), Walewein, de neef van koning Arthur. Vertaling van de Roman van Walewein en Keie, en de Roman van Moriaen (Amsterdam, 1992)

  • De reis van Sint Brandaan. Een reisverhaal uit de twaalfde eeuw. Vertaald door Willem Wilmink, ingeleid door W.P. Gerritsen (Amsterdam, 1994)