Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling geluidproduktie sportmotoren

Geldend van 01-05-1996 t/m heden

Regeling geluidproduktie sportmotoren

De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

Gelet op artikel 4 van het Besluit geluidproduktie sportmotoren;

Besluit:

Artikel 1

  • 1 Het geluiddrukniveau van een sportmotor mag bij de meting de grenswaarde die is aangeven in de onderstaande tabel niet overschrijden:

    Sportmotor bedoeld voor gebruik tijdens: Toelaatbaar geluiddrukniveau:

    behendigheidswedstrijden (trial)

    94 dB(A)

       

    crosswedstrijden

    98 dB(A)

       

    wegraces:

     

    – sportproduktiemotor

    102 dB(A)

    – andere categorieën

    105 dB(A)

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde geluiddrukniveau wordt gemeten overeenkomstig de voorschriften die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage.

Artikel 2

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag waarop het Besluit geluidproduktie sportmotoren in werking treedt.

Artikel 3

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling geluidproduktie sportmotoren.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 28 maart 1996

De

Minister

van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

M. de Boer

Bijlage

1. Meetapparatuur

1.1. Specificatie

Voor de geluidmeting wordt gebruik gemaakt van een meetinstrument dat voldoet aan de voorschriften voor type 1 als omschreven in de IEC-publikatie 651.

1.2. Meterinstelling

Het meetinstrument is tijdens de meting zodanig ingesteld, dat de integratie overeenkomt met die van RMS-slow, ’S’, volgens de IEC-publikatie bedoeld in 1.1.

1.3. Metercontrole

Voor elke meting wordt de geluidsniveaumeter volgens de aanwijzingen van de fabrikant gecontroleerd en afgesteld met behulp van een geschikte geluidsbron.

2. Meetomstandigheden

2.1. Algemeen

Tijdens de meting mag het A-gewogen geluiddrukniveau van andere geluidbronnen dan die van de sportmotor, waaronder het geluidsniveau van de wind, binnen een straal van 5 meter van de sportmotor niet hoger zijn dan 90 dB(A). Het in de vorige volzin bedoelde geluidsniveau wordt gecontroleerd door de vaststelling van het achtergrondgeluidsniveau voor en na de meting.

De bij de meting gebruikte microfoon mag worden voorzien van een geschikte windkap, mits rekening wordt gehouden met de invloed daarvan op de gevoeligheid en de richtkarakteristieken van de microfoon.

2.2. Meting aan de sportmotor

De meting geschiedt in een omgeving zonder storende reflecties. Aan deze eis wordt geacht te zijn voldaan wanneer zich binnen een straal van twee meter van de microfoon geen voor de meting niet-noodzakelijke personen of voorwerpen bevinden.

De sportmotor is geplaatst op een bodem die uit hard materiaal bestaat, zoals beton, asfalt of tegels.

Indien de sportmotor is uitgerust met meer dan een uitlaat geschiedt de meting aan elke uitlaat.

3. Toestand van de sportmotor

De sportmotor bevindt zich bij de meting in normale bedrijfsklare toestand.

De motor van de sportmotor bevindt zich bij de meting in normale bedrijfsklare toestand.

Indien de sportmotor is uitgerust met een versnellingsbak die niet is voorzien van een vrije stand, wordt de sportmotor opgesteld op een standaard.

4. Meetmethode en meetresultaten

De meting geschiedt overeenkomstig de volgende voorschriften.

4.1.

Het toerental van de aandrijfmotor wordt geleidelijk verhoogd tot het voorgeschreven toerental is bereikt. De meting wordt verricht wanneer dit toerental is bereikt. Het voorgeschreven toerental bedraagt afhankelijk van de cilinderinhoud van de motor:

  • a. bij een cilinderinhoud kleiner dan of gelijk aan 125 cm3: 7000 toeren per minuut (tpm);

  • b. bij een cilinderinhoud groter dan 125 cm3 en kleiner dan of gelijk aan 250 cm3: 5000 tpm;

  • c. bij een cilinderinhoud groter dan 250 cm3 en kleiner dan of gelijk aan 500 cm3: 4500 tpm;

  • d. bij een cilinderinhoud groter dan 500 cm3: 4000 tpm.

4.2.

De microfoon wordt gericht naar de opening van de uitlaat, op 50 cm afstand van het hart van de uitmonding van de uitlaat, in een vlak met een hoek van 45° gemeten van de hartlijn van de uitmonding van de uitlaat, op dezelfde hoogte boven de grond als de uitlaatopening.

4.3.

Als meetwaarde wordt beschouwd de hoogst afgelezen waarde verminderd met 1 dB teneinde rekening te houden met afwijkingen van de meetapparatuur.