Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Aftrek van voorbelasting met betrekking tot in het buitenland verrichte prestaties[Regeling vervallen per 07-12-2011.]

Geldend van 22-01-1996 t/m 06-12-2011

Aftrek van voorbelasting met betrekking tot in het buitenland verrichte prestaties

De Directeur-Generaal Belastingdienst heeft namens de Staatssecretaris van Financiën het volgende besloten.

Naar aanleiding van vragen met betrekking tot de toepassing van artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de wet) ten aanzien van door hier te lande gevestigde c.q. woonachtige ondernemers verrichte prestaties welke op grond van het bepaalde in de artikelen 5 en 6 van de wet hier te lande niet belastbaar zijn, deel ik u het volgende mede.

Ingevolge het bepaalde in artikel 32 van de wet wordt de ondernemer die hier te lande woont of is gevestigd, geacht zijn leveringen en diensten hier te lande te verrichten, voor zover hij niet aan de hand van boeken, bescheiden of andere gegevensdragers het tegendeel aantoont. Deze bepaling is eveneens van toepassing op de ondernemer die hier te lande een vaste inrichting heeft, voor zover de leveringen en diensten vanuit die inrichting worden verricht.

In verband met de hier te lande te realiseren aftrek van voorbelasting dient, gelet op het gestelde in artikel 15 van de wet, te worden bepaald of, en zo ja in hoeverre, de goederen en diensten worden gebezigd voor prestaties als zijn bedoeld in artikel 11 van de wet, in welke gevallen, behoudens het bepaalde in artikel 15, lid 2, van de wet, aftrek van voorbelasting geheel of ten dele is uitgesloten.

Het kan voorkomen dat goederen en diensten worden betrokken die geheel of gedeeltelijk worden gebezigd ten behoeve van in het buitenland verrichte prestaties ten aanzien waarvan – indien de prestaties hier te lande zouden zijn verricht – op grond van de nationale bepalingen een keuze gemaakt had kunnen worden omtrent het al dan niet toepassen van een vrijstelling of een andere regeling waarbij heffing achterwege blijft en vooraftrek is uitgesloten. Het betreft hier met name de levering en verhuur van in het buitenland gelegen onroerende zaken.

Mede gelet op het door de Zesde BTW-Richtlijn gevolgde systeem met betrekking tot de aftrek van voorbelasting in situaties waarin door een ondernemer in het buitenland prestaties worden verricht, ontmoet het geen bezwaar dat aftrek van voorbelasting plaats heeft indien en voor zover de ondernemer onder meer aan de hand van boeken en bescheiden aannemelijk maakt dat sprake is van een situatie waarin, zo de desbetreffende prestaties hier te lande waren verricht, een keuze zou zijn gemaakt waarbij eveneens aftrek van voorbelasting zou zijn ontstaan.

Op grond van het vorenstaande kan bij verhuur van een in het buitenland gelegen onroerende zaak aanspraak worden gemaakt op aftrek van voorbelasting, indien en voor zover de verhuurder aannemelijk kan maken dat geopteerd zou zijn voor belaste verhuur als de verhuurde zaak in Nederland gelegen zou zijn. Het laatste kan naar mijn oordeel in het algemeen slechts aannemelijk worden geacht, als de verhuurde zaak niet als woning wordt gebruikt en:

  • a. (vervallen)

  • b. partijen gebruik hebben gemaakt van een in het desbetreffende land bestaande mogelijkheid, te opteren voor onderwerping van de verhuur aan een belasting over de toegevoegde waarde; deze situatie kan zich slechts voordoen ingeval in het desbetreffende land een keuzemogelijkheid bestaat, dus niet ingeval de verhuur verplicht aan de belasting onderworpen is;

    of

  • c. ten tijde van de aanvang van de verhuur aan de desbetreffende huurder redelijkerwijs – gelet op de aard van de verhuurde zaak en de aard van het gebruik dat er door de huurder van zou worden gemaakt – mag worden aangenomen, dat de huurder de in rekening gebrachte omzetbelasting volledig of nagenoeg volledig in aftrek zou kunnen brengen als de verhuur onderworpen geweest zou zijn aan heffing van Nederlandse omzetbelasting.

De aanschrijving van 3 maart 1987, nr. 287-1357 (BTW-192), heeft hiermee haar belang verloren en wordt derhalve ingetrokken.

Dit besluit dient ter vervanging van het besluit van 15 oktober 1994, nr. VB 94/3247.