Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995

Geraadpleegd op 29-04-2024.
Geldend van 01-01-2002 t/m 31-12-2002

Besluit van 20 februari 1995, houdende regels ter uitvoering van de Rijksoctrooiwet 1995

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 3 oktober 1994, nr. 94068512 WJA/W;

Gelet op de artikelen 5, eerste lid, onder b, 17, tweede lid, 19, derde en vierde lid, 20, tweede lid, 23, derde lid, 24, vierde en vijfde lid, 25, tweede lid, 32, derde lid, 37, derde lid, 38, tweede lid, 52, eerste, zesde en zevende lid, 56, tweede lid, 57, tweede lid, 58, vijfde lid, 61, 64, tweede lid, 84, derde lid, 92, 95 en 110 van de Rijksoctrooiwet 1995;

De Raad van State van het Koninkrijk gehoord (advies van 12 december 1994, nr. W10.94.0609/K);

De bepalingen van het Statuut voor het Koninkrijk in acht genomen zijnde;

Gezien het nader rapport van de voornoemde Staatssecretaris van 6 februari 1995, nr. 94092803 WJA/W;

Hebben goedgevonden en verstaan:

Hoofdstuk 2. Uitvoeringsbepalingen met betrekking tot aanvragen om octrooi en octrooien

§ 1. Het octrooiregister

Artikel 3

De inschrijving van aanvragen om octrooi geschiedt door vermelding in het octrooiregister van:

  • a. de datum van de indiening en het volgnummer van de aanvrage, alsmede, indien het betreft een afzonderlijke aanvrage als in artikel 28, eerste lid, van de wet bedoeld, de datum van indiening en het volgnummer van de oorspronkelijke aanvrage en voorts, in voorkomend geval, het feit dat het een omgezette aanvrage als bedoeld in artikel 47 van de wet betreft;

  • b. de naam en de woonplaats van de aanvrager, alsmede, indien een gemachtigde is gesteld, de naam van deze gemachtigde;

  • c. de naam en woonplaats van degene, die de uitvinding heeft gedaan, tenzij deze schriftelijk heeft verklaard geen prijs te stellen op vermelding als uitvinder;

  • d. de korte aanduiding van de uitvinding en de aanduiding van de klasse, waarin de aanvrage is ingedeeld overeenkomstig de internationale classificatie van octrooien, bedoeld in de op 24 maart 1971 tot stand gekomen Overeenkomst van Straatsburg betreffende de internationale classificatie van octrooien (Trb. 1972, 81);

  • e. de volledige tekst van het uittreksel, behorende bij de octrooiaanvrage;

  • f. indien toepassing is gegeven aan artikel 25, tweede lid, van de wet: de instelling waarbij, het nummer waaronder en de datum waarop de cultuur van het desbetreffende micro-organisme is gedeponeerd;

  • g. het beroep op een recht van voorrang als in artikel 9 van de wet bedoeld, met vermelding van de datum en het nummer van de aanvrage, waarop de aanvrager dit beroep doet steunen, en het land waarin of de organisatie waarbij deze aanvrage werd ingediend.

Artikel 4

  • 1 In het octrooiregister worden voorts ingeschreven:

    • a. aan het bureau aangeboden stukken waarvan ingevolge de wet ambtshalve of op verzoek inschrijving in het octrooiregister moet geschieden;

    • b. aan het bureau aangeboden stukken, niet zijnde stukken als onder a bedoeld, waarin sprake is van rechten of verplichtingen van een octrooiaanvrager, een octrooihouder of een derde, betrekking hebbende op een aanvrage om octrooi of een octrooi;

    • c. aan het bureau aangeboden stukken, waaruit blijkt van de naamswijziging van een rechthebbende met betrekking tot een aanvrage om octrooi of een octrooi.

  • 2 De inschrijving geschiedt door vermelding van de aard en het onderwerp van het stuk, alsmede de datum van indiening van het stuk.

Artikel 5

  • 1 In het octrooiregister wordt aantekening gedaan van:

    • a. feiten, waarvan ingevolge de wet ambtshalve aantekening moet geschieden;

    • b. de indiening van andere dan de in artikel 4 bedoelde stukken, alsmede andere dan de onder a bedoelde feiten, waarvan de aantekening naar het oordeel van het bureau nodig is voor een duidelijk overzicht van al hetgeen geschiedt ten aanzien van aanvragen om octrooi en octrooien.

  • 2 De aantekening geschiedt door vermelding van de aard en de datum van het feit alsmede, indien het de aantekening van de indiening van een stuk betreft, van de aard van dat stuk.

§ 2. De krachtens de Rijksoctrooiwet 1995 verschuldigde bedragen

Artikel 6

  • 1 Het bedrag dat krachtens artikel 23, derde lid, van de wet bij de indiening van een verzoekschrift tot herstel in de vorige toestand moet worden betaald is € 161.

  • 2 Het bedrag, dat krachtens artikel 24, vijfde lid, van de wet bij de indiening van een aanvrage om octrooi moet zijn betaald, is € 90.

  • 3 Het bedrag dat krachtens de artikelen 32, derde lid, en 37, derde lid, van de wet, bij de indiening van een in die artikelen bedoeld verzoekschrift moet worden betaald is, indien het betreft:

    een verzoekschrift tot het instellen van een onderzoek naar de stand van de techniek, niet zijnde een nieuwheidsonderzoek van internationaal type: € 340;

    een verzoekschrift tot het doen onderwerpen van een aanvrage aan een nieuwheidsonderzoek van internationaal type: € 794.

  • 4 De in het derde lid genoemde bedragen worden terugbetaald, indien binnen een termijn van drie maanden na de indiening van het verzoekschrift het resultaat wordt overgelegd van een reeds eerder door het Europees Octrooibureau of het bureau op een overeenkomstige octrooiaanvrage ingesteld overeenkomstig onderzoek naar de stand van de techniek.

  • 5 De in het derde lid genoemde bedragen behoeven niet te worden betaald voor een verzoekschrift tot het instellen van een onderzoek naar de stand van de techniek, indien bij het verzoekschrift het resultaat wordt overgelegd van een reeds eerder door het Europees Octrooibureau of het bureau op een overeenkomstige octrooiaanvrage ingesteld overeenkomstig onderzoek naar de stand van techniek.

  • 6 Het bedrag dat krachtens artikel 52, eerste, zesde en zevende lid, van de wet moet worden betaald ter zake van de indiening van de vertaling in het Nederlands van een Europees octrooischrift of, indien het Europees octrooi in oppositie is gewijzigd, van een nieuw Europees octrooischrift, onderscheidenlijk van een verbeterde vertaling van een Europees octrooischrift of een nieuw Europees octrooischrift, is € 25.

  • 7 Het bedrag dat krachtens artikel 61, eerste en tweede lid, van de wet ter zake van een octrooi onderscheidenlijk een Europees octrooi elk jaar moet worden betaald, is:

    de eerste maal

    € 222

    de tweede maal

    € 256

    de derde maal

    € 292

    de vierde maal

    € 324

    de vijfde maal

    € 358

    de zesde maal

    € 406

    de zevende maal

    € 451

    de achtste maal

    € 496

    de negende maal

    € 533

    de tiende maal

    € 567

    de elfde maal

    € 601

    de twaalfde maal

    € 648

    de dertiende maal

    € 739

    de veertiende maal

    € 787

    de vijftiende maal

    € 821

    de zestiende maal

    € 855

    de zeventiende maal

    € 903

    de achttiende en volgende malen

    € 937.

  • 8 De verhoging welke krachtens artikel 61, derde lid, van de wet verschuldigd is bij betaling na de vervaldag is gelijk aan 50 procent van het overeenkomstig het zevende lid voor dat jaar te betalen bedrag.

  • 9 De vergoeding die krachtens artikel 84, derde lid, van de wet voor het in dat artikel bedoelde advies verschuldigd is, bedraagt € 340.

Artikel 7

  • 1 De bedragen die krachtens artikel 17, tweede lid, van de wet voor de werkzaamheden van het bureau als ontvangend bureau in de zin van artikel 2, onder (XV) van het Samenwerkingsverdrag moeten worden betaald, zijn:

    • a. de toezendingstaks, bedoeld in Regel 14.1 van het bij het Samenwerkingsverdrag behorende Reglement: € 50;

    • b. de taks, bedoeld in Regel 20.9 van het onder a bedoelde Reglement: € 9 voor elk gewaarmerkt afschrift.

  • 2 De internationale taks en de taks voor het nieuwheidsonderzoek, bedoeld in Regel 15 onderscheidenlijk Regel 16 van het in het eerste lid, onder a, bedoelde Reglement moeten aan het bureau worden betaald in euro.

  • 3 De in het eerste lid, onder a, vastgestelde toezendingstaks moet binnen een maand na de datum van ontvangst van de aanvrage zijn betaald aan het bureau.

Artikel 8

  • 2 Het bedrag dat krachtens artikel 56, tweede lid, of 64, tweede lid , van de wet is verschuldigd voor de inschrijving van de titel van een licentie onderscheidenlijk de akte, houdende overdracht of andere overgang van een octrooi of van het recht voortvloeiende uit een aanvrage om octrooi, is € 27 voor ieder octrooi en iedere aanvrage waarop de betreffende akte betrekking heeft.

  • 3 Voor de inschrijving van een stuk, waaruit blijkt van de naamswijziging van een rechthebbende met betrekking tot een aanvrage om octrooi of een octrooi, is een bedrag van € 11 per octrooi en per aanvrage verschuldigd. Betreft de naamswijziging meer dan vijf octrooien of aanvragen om octrooi, dan is voor ieder volgend octrooi en iedere volgende octrooiaanvrage een bedrag van € 5 verschuldigd.

  • 4 Voor de inschrijving van andere dan in de vorige leden bedoelde stukken, welke ter inschrijving worden aangeboden, is € 27 per stuk verschuldigd met dien verstande, dat indien een stuk betrekking heeft op meer dan één octrooi of aanvrage om octrooi, even zovele malen dit bedrag is verschuldigd.

§ 3. Algemene bepalingen omtrent stukken betreffende een aanvrage om octrooi of een octrooi

Artikel 9

  • 1 Bij betalingen wordt uitdrukkelijk en volledig het doel van de betaling schriftelijk vermeld, met splitsing, indien dit nodig is, van het totale bedrag.

  • 2 De ondertekeningen van stukken worden, indien dit door het bureau geëist wordt, gelegaliseerd.

§ 4. Voorschriften voor een aanvrage om octrooi, de bijbehorende beschrijving en tekeningen en het bijbehorende uittreksel

Artikel 10

  • 1 Een aanvrage om octrooi wordt ingediend in tweevoud en vermeldt naast hetgeen in artikel 24, eerste lid, onder a en b, van de wet is voorgeschreven:

    • a. indien een gemachtigde is gesteld: diens naam, woonplaats en adres;

    • b. indien het een afzonderlijke aanvrage als bedoeld in artikel 28 van de wet betreft: de datum van indiening en het volgnummer van de oorspronkelijke aanvrage.

  • 2 De korte aanduiding, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder d, van de wet, mag geen fantasienaam bevatten. Indien de bij de aanvrage behorende beschrijving aan het slot conclusies van verschillende categorieën bevat moet dit duidelijk uit de korte aanduiding blijken.

  • 3 De aanvrage bevat een opsomming van de bijlagen met vermelding van de aard van ieder stuk.

  • 4 Indien de aanvrage door meer dan één persoon is ingediend, wordt een voor de aanvragers gemeenschappelijk domicilie vermeld. Voorts wordt aangegeven, indien geen gemachtigde is gesteld, door welke aanvrager zij gemeenschappelijk vertegenwoordigd worden.

Artikel 11

De bij een aanvrage om octrooi behorende beschrijving moet aan de volgende voorschriften voldoen:

  • a. de beschrijving wordt in drievoud ingediend en is gesteld op één zijde van één of meer bladen buigzaam, sterk, wit, glad, niet-glanzend en duurzaam papier van het formaat A4 (29,7 * 21 cm);

  • b. de beschrijving is met een donkere onuitwisbare inkt getypt of gedrukt, dit zodanig dat zij in een onbeperkt aantal exemplaren rechtstreeks kan worden gereproduceerd door middel van fotografie, elektrostatische werkwijzen, foto-offset en microfilm; de bladen zijn ongekreukt, ongescheurd en niet gevouwen;

  • c. in getypte of gedrukte tekst wordt 1½ regelafstand gebruikt; de gehele tekst is weergegeven in letters waarvan de hoofdletters ten minste 0,21 cm hoog zijn;

  • d. grafische symbolen en tekens, en chemische of wiskundige formules zijn nauwkeurig weergegeven en mogen zo nodig met de hand worden geschreven of getekend;

  • e. aan het hoofd van de beschrijving is de korte aanduiding, bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder d, van de wet, vermeld;

  • f. conclusies als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onder e, van de wet beginnen op een nieuw blad en zijn doorlopend genummerd;

  • g. elke vijfde regel van elk blad van de beschrijving is genummerd, waarbij de nummers worden aangebracht in de rechterhelft van de linkermarge;

  • h. de bladen van de beschrijving zijn doorlopend genummerd in Arabische cijfers; de nummers van de bladen zijn geplaatst boven aan de bladzijden in het midden;

  • i. de bladen van de beschrijving hebben rondom onbeschreven randen van ten minste de volgende afmetingen:

    bovenmarge 2 cm; rechtermarge 2 cm; linkermarge 2,5 cm; benedenmarge 2 cm.

  • j. de beschrijving geeft aan welke uitkomst op het gebied van de nijverheid met de uitvinding wordt beoogd, met afbakening van het nieuwe ten opzichte van de stand van de techniek;

  • k. de tot de beschrijving behorende conclusies wijzen datgene wat nieuw is en waarvoor het uitsluitend recht verlangd wordt, nauwkeurig aan;

  • l. de beschrijving en de conclusies, behorende bij een afzonderlijke aanvrage als in artikel 28 van de wet bedoeld, moeten kunnen worden begrepen zonder raadpleging van de oorspronkelijke aanvrage;

  • m. de beschrijving is nauwkeurig en juist gesteld, zo kort mogelijk en zonder nutteloze herhalingen, vrij van raderingen en veranderingen en van boven elkaar geschreven en tussengeschreven woorden;

  • n. maten en gewichten zijn in de beschrijving aangegeven volgens het metrieke stelsel, temperaturen in graden Celsius, scheikundige elementen, verbindingen en grootheden, alsook natuurkundige en technische grootheden op een wijze als in de internationale praktijk is aanvaard;

  • o. de beschrijving bevat geen andere figuren dan natuurwetenschappelijke, wiskundige of technische formules en tekens;

  • p. de onder o genoemde figuren worden, indien zij bij het drukken te veel ruimte in beslag zouden nemen of andere moeilijkheden zouden opleveren, afzonderlijk als tekening overgelegd;

  • q. indien de aanvrage betrekking heeft op een nucleotide- of aminozuur-sequentie:

    • i). bevat de beschrijving van de uitvinding een sequentie-opsomming die voldoet aan de door de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom opgestelde standaarden;

    • ii). wordt de aanvrage, indien daarvoor een nieuwheidsonderzoek wordt verlangd, vergezeld van een elektronische gegevensdrager die de onder i) bedoelde sequentie-opsomming bevat in een machine-leesbare vorm die voldoet aan de door het Europees Octrooibureau vastgestelde criteria.

Artikel 12

De bij een aanvrage om octrooi behorende tekeningen moeten aan de volgende vormvoorschriften voldoen:

  • a. zij worden ingediend in drievoud en zijn gesteld op één zijde van één of meer bladen buigzaam, sterk, wit, glad, niet-glanzend en duurzaam papier van het formaat A4 (29,7 * 21 cm);

  • b. zij zijn in al hun onderdelen uitgevoerd in krachtige en gelijkmatig getrokken duurzame lijnen van een enkele donkere kleur, dit zodanig dat zij in een onbeperkt aantal exemplaren rechtstreeks kunnen worden gereproduceerd door middel van fotografie, elektrostatische werkwijzen, foto-offset en microfilm; de bladen zijn ongekreukt, ongescheurd en niet gevouwen;

  • c. de bladen van de tekeningen hebben rondom onbeschreven randen van ten minste de volgende afmetingen:

    bovenmarge 2 cm; rechtermarge 2 cm; linkermarge 2,5 cm; benedenmarge 2 cm;

  • d. de afzonderlijke figuren zijn duidelijk van elkaar gescheiden en doorlopend genummerd;

  • e. de tekeningen zijn duidelijk en bevatten niet meer dan voor een juist begrip van de uitvinding nodig is;

  • f. dwarsdoorsneden zijn voorzien van schuine arceringen, zonder dat hierdoor het duidelijk onderscheiden van verwijzingstekens en lijnen wordt verhinderd;

  • g. bij het bepalen van de schaal van de tekeningen wordt rekening gehouden met de graad van ingewikkeldheid van de figuren; de schaal is voldoende indien bij een fotografische reproduktie op twee derde van de grootte de bijzonderheden van de tekening zonder moeite gezien kunnen worden;

  • h. verwijzingstekens ter aanduiding van de figuren of onderdelen van figuren worden alleen gebruikt voor zover een goed begrip van de beschrijving dit vereist; zij komen overeen met de verwijzingstekens die in de beschrijving voorkomen; dezelfde onderdelen in verschillende figuren worden aangegeven met dezelfde verwijzingstekens;

  • i. ingeval in de beschrijving varianten van de uitvinding worden beschreven, wordt in de met deze varianten overeenkomende figuren gebruik gemaakt van een systeem, waarbij dezelfde kenmerken in verschillende figuren worden aangeduid door samenhangende verwijzingscijfers, zodat bij voorbeeld algemeen kenmerk "15" in varianten wordt aangeduid met "115", "215" enz.;

  • j. een verwijzingsteken wordt niet voor verschillende onderdelen gebezigd, ook niet in verschillende figuren; bijvoeging van accenten of cijfers bij de verwijzingstekens wordt zoveel mogelijk vermeden;

  • k. de tekeningen bevatten geen verklarende tekst met uitzondering van aanduidingen als water, stoom, II-II (voor een doorsnede), open, dicht en, wat elektrische blokschema's of fabricageschema's betreft, de aanduidingen nodig voor een goed begrip daarvan; deze aanduidingen zijn in de Nederlandse taal gesteld.

Artikel 13

Het bij een aanvrage om octrooi behorende uittreksel moet aan de volgende vereisten voldoen:

  • a. het wordt in tweevoud ingediend en is met een donkere, onuitwisbare inkt getypt of gedrukt op duurzaam wit papier van het formaat A4 (29,7 * 21 cm);

  • b. het is in de Nederlandse taal gesteld en bevat ten minste 50 en ten hoogste 250 woorden dan wel ten hoogste 150, indien het uittreksel een figuur bevat;

  • c. het bevat in principe slechts één figuur die op een afzonderlijk blad A4 wordt ingediend.

Artikel 14

Een aanvrage om octrooi en de daarbij behorende beschrijving zijn bij voorkeur ingericht overeenkomstig door het bureau daarvoor vastgestelde standaardformulieren.

§ 5. Voorschriften voor andere dan in paragraaf 4 bedoelde stukken betreffende een aanvrage om octrooi of een octrooi

Artikel 15

  • 1 Aan het bureau aangeboden stukken betreffende een aanvrage om octrooi of een octrooi, niet zijnde stukken als bedoeld in paragraaf 4, worden in tweevoud ingediend en zijn voorzien van een opschrift, dat de naam en de woonplaats van de aanvrager dan wel de octrooihouder en het volgnummer van de aanvrage of het octrooi bevat.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde stukken zijn duidelijk leesbaar en, behoudens de in artikel 9, zesde lid, van de wet bedoelde stukken, in de Nederlandse taal gesteld of van een desverlangd gewaarmerkte Nederlandse vertaling voorzien. Het bureau is bevoegd op verzoek al dan niet tijdelijk ontheffing te verlenen van het voorschrift betreffende een Nederlandse vertaling.

  • 3 Binnen vier maanden na de indiening van de octrooiaanvrage legt de aanvrager aan het bureau het in artikel 5, eerste lid, onder b, van de wet bedoelde bewijsstuk over dat tijdens de tentoonstelling is afgegeven door de autoriteit, belast met de bescherming van de industriële eigendom op de tentoonstelling, en waaruit blijkt dat de uitvinding inderdaad is tentoongesteld. Deze verklaring vermeldt tevens de datum waarop de tentoonstelling is geopend en eventueel de datum waarop de uitvinding voor het eerst is geopenbaard, indien deze twee data niet samenvallen. Bij deze verklaring worden stukken overgelegd die een nauwkeurige omschrijving geven van de uitvinding en die als authentiek zijn gewaarmerkt door de autoriteit, bedoeld in de eerste volzin.

Artikel 16

De in de wet bedoelde verzoekschriften worden door de indiener of diens gemachtigde ondertekend en vermelden:

  • a. de naam, de voornamen en de woonplaats - of, indien het een rechtspersoon betreft, de naam en de woonplaats - van de inzender, alsmede, indien geen gemachtigde is gesteld, zijn adres;

  • b. indien een gemachtigde is gesteld, diens naam, woonplaats en adres.

§ 6. Voorschriften inzake octrooiaanvragen en octrooien betreffende micro-organismen

Artikel 17

  • 1 In gevallen als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de wet moet de beschrijving van de uitvinding:

    • a. de van belang zijnde gegevens ten aanzien van de kenmerken van het micro-organisme bevatten waarover de aanvrager beschikt;

    • b. de instelling waarbij, het nummer waaronder en de datum waarop de cultuur van het micro-organisme is gedeponeerd vermelden.

  • 2 Bij de aanvrage worden overgelegd:

    • a. een verklaring, inhoudende dat de aanvrager onherroepelijk toestemming verleent tot het overeenkomstig artikel 21 verstrekken van monsters van de door hem gedeponeerde cultuur van het micro-organisme;

    • b. een afschrift van het door de instelling, waarbij de cultuur van het micro-organisme is gedeponeerd, afgegeven ontvangstbewijs;

    • c. een afschrift van de in artikel 19 bedoelde verklaring.

  • 3 Het in het eerste lid, onder b, bedoelde nummer en het in het tweede lid, onder b, bedoelde afschrift kunnen ook worden verstrekt binnen een termijn van een maand na het indienen van de aanvrage.

Artikel 18

  • 1 Het depot van culturen van micro-organismen overeenkomstig artikel 25, tweede lid, van de wet kan geschieden bij:

    • a. een instelling die, in overeenstemming met artikel 7 van het Verdrag inzake de internationale erkenning van het depot van micro-organismen ten dienste van de octrooiverlening (Trb. 1978, 90), de status van internationaal depositaris bezit of

    • b. een door het bureau aangewezen instelling.

  • 2 Voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, onder b, is vereist dat de desbetreffende instelling in staat en bereid is:

    • a. culturen van micro-organismen onder afgifte van een ontvangstbewijs in bewaring te nemen en, onder het treffen van de nodige maatregelen voor het behoud van hun eigenschappen en de veiligheid, in overeenstemming met artikel 20, eerste lid, op te slaan;

    • b. in overeenstemming met artikel 21 monsters te verstrekken van gedeponeerde culturen van micro-organismen;

    • c. onverminderd het onder a en b bepaalde, gedeponeerde culturen van micro-organismen beschikbaar te houden en beschikbaar te stellen door daarvan monsters te verstrekken, gedurende een tijdvak van ten minste vijf jaar na het tijdstip waarop het laatste verzoek om verstrekking van een monster van de desbetreffende cultuur door de instelling werd ontvangen, en in ieder geval gedurende een tijdvak van ten minste 30 jaar na de datum van depot.

  • 3 Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, onder b, kan worden gedaan voor alle of voor bepaalde soorten van culturen van micro-organismen.

  • 4 Het bureau trekt een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid, onder b, in, indien de desbetreffende instelling niet meer voldoet aan het tweede lid.

  • 5 Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt met een door het bureau aangewezen instelling gelijkgesteld een door de Octrooiraad aangewezen instelling.

Artikel 19

Bij een overeenkomstig artikel 25, tweede lid, van de wet verricht depot wordt een schriftelijke verklaring van de bewaargever gevoegd, inhoudende:

  • a. een uiteenzetting omtrent de omstandigheden alsmede de eigenschappen van het micro-organisme die van belang zijn voor het kweken, de opslag, de hantering en de levensvatbaarheid van het micro-organisme;

  • b. een aanduiding van de methode waarmee de aanwezigheid van het micro-organisme kan worden vastgesteld;

  • c. een identificatieaanduiding en, zo mogelijk, de wetenschappelijke beschrijving en de voorgestelde taxonomische aanduiding van het micro-organisme.

Artikel 20

  • 1 De cultuur van een micro-organisme, die is gedeponeerd overeenkomstig artikel 25, tweede lid, van de wet, dient vanaf de dag van indiening van de desbetreffende aanvrage om octrooi beschikbaar te zijn voor het verstrekken van monsters overeenkomstig artikel 21, tot de datum waarop vaststaat dat op die aanvrage geen octrooi verleend wordt, dan wel tot de datum waarop het op die aanvrage verleende octrooi zijn kracht verliest.

  • 2 Indien de cultuur van een micro-organisme ophoudt beschikbaar te zijn bij de instelling waarbij de cultuur is opgeslagen, omdat het micro-organisme niet meer levensvatbaar is of de instelling om andere redenen niet in staat is monsters van die cultuur af te geven en de cultuur niet is overgedragen aan een andere instelling als bedoeld in artikel 18, eerste lid, waarbij zij toegankelijk blijft, wordt zij niettemin aangemerkt als beschikbaar te zijn gebleven, indien, binnen een termijn van drie maanden na de datum waarop de instelling of het bureau het niet meer beschikbaar zijn van de cultuur ter kennis heeft gebracht van de bewaargever daarvan, een nieuw depot van een cultuur van het desbetreffende micro-organisme wordt verricht en een afschrift van het door de betrokken instelling afgegeven ontvangstbewijs van het nieuwe depot, met aanduiding van het nummer van de octrooiaanvrage of van het octrooi, aan het bureau is toegezonden.

  • 3 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing, indien de instelling waarbij de cultuur is opgeslagen de uitoefening van haar functies ten aanzien van gedeponeerde culturen van micro-organismen heeft gestaakt of niet meer voldoet aan de omschrijving in artikel 18, eerste lid, met dien verstande dat de in het tweede lid bedoelde termijn van drie maanden begint op de datum waarop dat feit is vermeld in het in artikel 27, eerste lid, bedoelde blad.

  • 4 Ieder nieuw depot als bedoeld in het tweede lid gaat vergezeld van een door de bewaargever ondertekende verklaring dat de opnieuw gedeponeerde cultuur van het micro-organisme gelijk is aan de oorspronkelijk gedeponeerde.

  • 5 Indien zich een feit als bedoeld in het derde lid voordoet, doet het bureau hiervan zo spoedig mogelijk mededeling in het in artikel 27, eerste lid, bedoelde blad.

Artikel 21

  • 1 Een ieder die op grond van artikel 21 van de wet het recht heeft tot kennisneming van de in dat artikel bedoelde stukken met betrekking tot een aanvrage om octrooi of een octrooi, kan verzoeken om afgifte van een monster van een overeenkomstig artikel 25, tweede lid, van de wet gedeponeerde cultuur van een micro-organisme waarop een aanvrage of een octrooi betrekking heeft.

  • 2 Het verzoek wordt gericht aan het bureau door middel van een door het bureau vastgesteld formulier. Het verzoek gaat vergezeld van een schriftelijke verklaring van de verzoeker, dat hij zich er jegens de aanvrager of de houder van het octrooi toe verplicht de gedeponeerde cultuur of een daarvan afgeleide cultuur, tot de datum waarop vaststaat dat op de octrooiaanvrage geen octrooi wordt verleend dan wel, indien octrooi is verleend, zolang dit van kracht is:

    • a. niet aan derden ter beschikking te stellen;

    • b. alleen voor proefnemingen te gebruiken, tenzij de verzoeker de cultuur gebruikt als houder van een overeenkomstig artikel 57 of 60 van de wet ontstane licentie, dan wel als gerechtigde ingevolge artikel 59 van de wet.

  • 3 De aanvrager om octrooi kan, tot de datum waarop de aanvrage overeenkomstig artikel 31 van de wet in het octrooiregister wordt ingeschreven, het bureau op een daartoe door het bureau vastgesteld formulier mededelen dat tot de datum waarop octrooi wordt verleend of tot de datum, waarop vaststaat dat op de octrooiaanvrage geen octrooi wordt verleend, de afgifte overeenkomstig het eerste lid van monsters van de door hem gedeponeerde cultuur van een micro-organisme, alleen kan geschieden aan een door de verzoeker aangewezen deskundige. De in het tweede lid, tweede volzin, bedoelde verklaring wordt in dat geval door de desbetreffende deskundige medeondertekend.

  • 4 Als deskundige kan worden aangewezen:

    • a. iedere natuurlijke persoon ten aanzien van wie de verzoeker bij de indiening van het verzoek aantoont dat de aanvrager van het octrooi heeft ingestemd met zijn aanwijzing;

    • b. iedere natuurlijke persoon die door de Directeur van het bureau als deskundige is erkend.

  • 5 Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder afgeleide cultuur verstaan iedere cultuur die nog die kenmerken van de gedeponeerde cultuur bezit welke essentieel zijn voor de toepassing van de uitvinding. De verplichtingen, bedoeld in het tweede lid, vormen geen beletsel voor het deponeren van een afgeleide cultuur, noodzakelijk voor de octrooiverleningsprocedure.

  • 6 Het bureau zendt het verzoek aan de instelling. Daarbij vermeldt het bureau of een octrooiaanvrage, die een vermelding bevat van het depot van het micro-organisme, is ingediend en of de verzoeker recht heeft op de afgifte van een monster van dat micro-organisme. Gelijktijdig met toezending van het verzoek aan de instelling zendt het bureau een afschrift van het verzoek aan de aanvrager of de houder van het octrooi.

Artikel 22

Indien het depot, bedoeld in de artikelen 18, eerste lid, en 20, tweede lid, is geschied overeenkomstig het in artikel 18, eerste lid, onder a, bedoelde verdrag, zijn in geval van strijdigheid van de bepalingen van deze paragraaf met dat verdrag, de bepalingen van dat verdrag doorslaggevend.

§ 7. Europese octrooien

Artikel 23

  • 1 De termijn, waarbinnen krachtens artikel 52, eerste lid, van de wet na verlening van een Europees octrooi een vertaling in het Nederlands van de tekst waarin het Europees Octrooibureau voorstelt dat octrooi te verlenen moet zijn ingediend, is drie maanden vanaf de dag, waarop overeenkomstig artikel 97, vierde lid, van het Europees Octrooiverdrag de vermelding van de verlening is gepubliceerd.

  • 2 De termijn, waarbinnen een vertaling van de tekst van een nieuw octrooischrift, indien in het Europees octrooi tijdens de oppositieprocedure wijziging is gekomen, moet zijn ingediend, is drie maanden vanaf de dag, waarop overeenkomstig artikel 103, van het Europees Octrooiverdrag de vermelding van de beslissing ten aanzien van de oppositie is gepubliceerd.

  • 4 De artikelen 11 en 12 zijn van overeenkomstige toepassing op de in artikel 52 van de wet bedoelde vertalingen van Europese octrooischriften en nieuwe Europese octrooischriften en op de verbeterde vertalingen daarvan. Op elke bladzijde van deze vertalingen wordt het publikatienummer van de Europese octrooiaanvrage, die tot verlening van het Europees octrooi geleid heeft, vermeld.

  • 5 De waarmerking van de vertaling geschiedt in de vorm van een verklaring, dat de vertaling naar beste weten van de octrooigemachtigde volledig en getrouw is. Deze verklaring dient door de betrokken octrooigemachtigde te zijn ondertekend.

§ 8. Octrooibewijs

Artikel 24

  • 1 Het bureau verstrekt aan de octrooihouder een bewijs dat, naast de verklaring dat octrooi is verleend, bevat:

    • a. de naam, de voornamen en de woonplaats - of, indien het een rechtspersoon betreft, de naam en de woonplaats - van de octrooihouder;

    • b. de korte aanduiding van de uitvinding;

    • c. de dagtekening van het octrooi en het nummer, waaronder van de verlening daarvan aantekening in het octrooiregister is gedaan;

    • d. het volgnummer en de datum van indiening van de aanvrage, alsmede, indien het betreft een octrooi, verleend ingevolge een afzonderlijke aanvrage als in artikel 28 van de wet bedoeld, de vorenbedoelde gegevens van de oorspronkelijke aanvrage;

    • e. de vermelding van het recht van voorrang;

    • f. de datum, waarop de termijn, bedoeld in artikel 33, vijfde lid, of artikel 36, vijfde lid, van de wet eindigt.

  • 2 Het octrooibewijs wordt door de directeur van het bureau ondertekend.

§ 9. Diensten van het bureau

Artikel 25

  • 1 De uitgifte van een octrooischrift krachtens artikel 33, vierde lid, en artikel 36, tweede lid, van de wet geschiedt met vermelding van de datum van de inschrijving van de aanvrage om octrooi in het octrooiregister, van de dagtekening van het octrooi en het nummer waaronder van de verlening daarvan aantekening in het octrooiregister is gedaan, van de termijn gedurende welke het octrooi van kracht blijft alsmede van de in artikel 3 van dit besluit bedoelde gegevens en, in voorkomend geval, van het resultaat van het onderzoek naar de stand van de techniek.

  • 2 Aan het bureau voor de industriële eigendom in de Nederlandse Antillen wordt zo spoedig mogelijk een exemplaar van de in het eerste lid bedoelde stukken toegezonden.

Artikel 26

  • 1 Aan een ieder wordt op daartoe strekkend verzoek als bedoeld in artikel 19, vierde lid, van de wet, waarbij wordt aangegeven op welke aanvrage om octrooi of welk octrooi en welke stukken dat verzoek betrekking heeft,:

    • a. uit het octrooiregister schriftelijk inlichtingen verstrekt tegen betaling van een bedrag van € 3 indien de inlichtingen op één aanvrage om octrooi of octrooi betrekking hebben, vermeerderd met een bedrag van € 2 voor iedere volgende aanvrage om octrooi of octrooi, waarover de inlichtingen gevraagd worden;

    • b. uit het octrooiregister gewaarmerkte uittreksels verstrekt tegen betaling van een bedrag van € 9 voor iedere aanvrage om octrooi of octrooi, waarop het verlangde uittreksel betrekking heeft;

    • c. afschriften van in het octrooiregister ingeschreven stukken verstrekt tegen betaling van een door het bureau voor elk voor verstrekking in aanmerking komend afschrift te bepalen en in het in artikel 27, derde lid, genoemde Bijblad bekend te maken bedrag van ten hoogste € 1 per bladzijde.

  • 2 Op verzoek worden aan daarop rechthebbenden bewijzen van het recht van voorrang, berustend op een in Nederland ingediende aanvrage om octrooi, verstrekt tegen betaling van een bedrag van € 9 per bewijs.

§ 10. Het blad "De Industriële Eigendom"

Artikel 27

  • 2 Het bureau draagt zorg voor de samenstelling van het blad en stelt de prijs ervan vast, welke in het blad wordt bekendgemaakt.

  • 3 In het blad "De Industriële Eigendom" of het daarbij behorende "Bijblad" worden, behalve de in de wet en dit besluit voorgeschreven bekendmakingen, gegevens bekendgemaakt ten aanzien van stukken waarvan een ieder gerechtigd is kennis te nemen en waarvan bekendmaking naar het oordeel van het bureau nodig is voor een duidelijk overzicht van al hetgeen geschiedt ten aanzien van aanvragen om octrooien en octrooien, daaronder begrepen Europese octrooien.

  • 4 Het bureau doet in het blad "De Industriële Eigendom" of het daarbij behorende "Bijblad" voorts die gegevens vermelden welke naar zijn oordeel met het oog op een zo doeltreffend mogelijke voorlichting aan het publiek omtrent onderwerpen betreffende de octrooiverlening daarvoor in aanmerking komen.

Hoofdstuk 3. Staten als bedoeld in artikel 57, tweede lid, van de wet

Artikel 28

Staten als bedoeld in artikel 57, tweede lid, van de wet zijn:

  • a. de lid-staten van de Europese Unie,

  • b. een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, of

  • c. een andere staat die is aangesloten bij het Verdrag tot oprichting van de Wereld Handelsorganisatie, indien in deze staat een inrichting van nijverheid als bedoeld in artikel 57, tweede lid, eerste volzin van de wet, in werking is en in het Koninkrijk een voldoende aanbod van het geoctrooieerde, dan wel door middel van de geoctrooieerde werkwijze vervaardigde, voortbrengsel is verzekerd.

Hoofdstuk 4. Aanvragen, ingediend bij het bureau voor de industriële eigendom in de Nederlandse Antillen

Artikel 29

Aanvragen om octrooi, ingediend bij het bureau voor de industriële eigendom in de Nederlandse Antillen, worden na ontvangst bij het bureau in Nederland ingeschreven in het octrooiregister met inachtneming van het in artikel 31 van de wet bepaalde.

Hoofdstuk 5. Uitvoeringsbepalingen met betrekking tot certificaten en aanvragen om certificaten

Artikel 30

Het bedrag dat bij het indienen van de aanvrage om een certificaat moet worden betaald, is € 544.

Artikel 31

Het bedrag dat elk jaar moet worden betaald voor de instandhouding van een certificaat is gelijk aan het bedrag dat volgens artikel 6, zevende lid, voor het basisoctrooi betaald zou moeten worden indien dit octrooi nog van kracht zou zijn. Artikel 6, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 32

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Artikel 33

Dit besluit wordt aangehaald als: Uitvoeringsbesluit Rijksoctrooiwet 1995.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad en in het Publicatieblad van de Nederlandse Antillen zal worden geplaatst.

's-Gravenhage, 20 februari 1995

Beatrix

De Staatssecretaris van Economische Zaken,

A. van Dok-van Weele

Uitgegeven de zevende maart 1995

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Naar boven