Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.[Regeling vervallen per 31-12-2004.]

Geldend van 01-08-1996 t/m 30-12-2004

Vaststelling van de examenprogramma's algemene eindexamenvakken eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C

De staatssecretaris van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

Gelet op artikel 7 van het Eindexamenbesluit v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-v.b.o.;

Gezien het advies van de Onderwijsraad (advies van 8 juli 1994, nr. OR 94000361/S);

Besluit:

Artikel 1. Examenprogramma's v.b.o. en m.a.v.o. [Vervallen per 31-12-2004]

De examenprogramma's Nederlandse taal, geschiedenis en staatsinrichting, aardrijkskunde, wiskunde, natuurkunde, scheikunde, biologie, economie, muziek, tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) dan wel handvaardigheid, handvaardigheid II (textiele werkvormen) dan wel handvaardigheid, maatschappijleer en het examenprogramma Franse taal, Duitse taal, Engelse taal en Spaanse taal, alle eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C, worden vastgesteld zoals onderscheidenlijk is aangegeven in de bijlagen 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13 en 14 bij deze regeling.

Artikel 2. Examenstof [Vervallen per 31-12-2004]

Bij ministeriële regeling kan de examenstof, opgenomen in de examenprogramma's, bedoeld in artikel 1, nader worden omschreven.

Artikel 3. Vervallen oude programma's [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1 De onderstaande examenprogramma's eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C, vervallen:

    • a. Nederlandse taal vastgesteld bij de regeling van 12 november 1986, DGVO-13910 (Stcrt. 1987, 82),

    • b. aardrijkskunde, vastgesteld bij de regeling van 29 juli 1987, DGVO-14.549,

    • c. natuurkunde, vastgesteld bij de regeling van 25 maart 1987, DGVO-14.136 (Stcrt. 91),

    • d. scheikunde, vastgesteld in bijlage I bij de Regeling examenprogramma's scheikunde m.a.v.o. en l.b.o. van 30 juni 1991, VO/AVV/VO-I-91037512 (Uitleg OenW-Regelingen 1991, 18a),

    • e. biologie, vastgesteld bij de regeling van 6 juni 1988, DGVO-15629 (Uitleg 1988, 18),

    • f. handelskennis, opgenomen in de bijlage bij de regeling van 26 oktober 1970, AVO 441542 (Stcrt. 229),

    • g. het examenprogramma Franse taal, Duitse taal, Engelse taal en Spaanse taal, vastgesteld bij de regeling van 12 november 1986, DGVO-13880 (Stcrt. 1987, 82),

    • h. het examenprogramma wiskunde, opgenomen in de bijlage bij de regeling van 26 oktober 1970, AVO 441542 (Stcrt. 229).

  • 2 De onderstaande examenprogramma's zijn niet van toepassing op de eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C., m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C:

    • a. geschiedenis en staatsinrichting, vastgesteld als bijlage A bij de Regeling examenprogramma geschiedenis en staatsinrichting v.w.o.-h.a.v.o.-m.a.v.o.-l.b.o. van 6 januari 1992, VO/AVV/HOB/VO2-91110473 (Uitleg OenW-Regelingen 1992, 2), en

    • b. maatschappijleer, vastgesteld bij de Regeling examenprogramma's maatschappijleer van 6 april 1991, VO/AVV/VO/2-91008280 (Uitleg OenW-Regelingen 1991, 12).

  • 3 De onderstaande examenprogramma's zijn niet van toepassing op de eindexamens m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C:

    muziek, tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid), handvaardigheid II (textiele werkvormen), alle opgenomen in de bijlage bij de regeling van 26 oktober 1970, AVO 441542 (Stcrt. 229).

Artikel 4. Overgangsrecht [Vervallen per 31-12-2004]

  • 1 Aan scholen voor v.b.o. en m.a.v.o. kan aan kandidaten die in het schooljaar 1995-1996 of eerder zijn afgewezen, in het schooljaar 1996-1997 voor de vakken aardrijkskunde en wiskunde de mogelijkheid worden geboden eindexamen af te leggen volgens de examenprogramma's aardrijkskunde en wiskunde, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, respectievelijk onderdeel h, zoals die golden op 31 juli 1996.

  • 2 Aan scholen voor v.a.v.o. die opleiden voor het diploma mavo, kan aan kandidaten in het schooljaar 1996-1997 voor de vakken aardrijkskunde en wiskunde de mogelijkheid worden geboden eindexamen af te leggen volgens de examenprogramma's aardrijkskunde en wiskunde, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, respectievelijk onderdeel h, zoals deze golden op 31 juli 1996.

  • 3 Aan scholen voor v.b.o. en m.a.v.o. kan aan kandidaten van scholen voor v.s.o. in het schooljaar 1996-1997 voor de vakken aardrijkskunde en wiskunde de mogelijkheid worden geboden eindexamen af te leggen volgens de examenprogramma's aardrijkskunde en wiskunde, genoemd in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, respectievelijk onderdeel h, zoals deze golden op 31 juli 1996.

Artikel 5. Bekendmaking [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling zal met de toelichting in Uitleg OCenW-Regelingen worden geplaatst. Van deze plaatsing zal mededeling worden gedaan in de Staatscourant.

Artikel 6. Inwerkingtreding [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 1996.

Artikel 7. Citeertitel [Vervallen per 31-12-2004]

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling examenprogramma's algemene eindexamenvakken v.b.o. en m.a.v.o.

De

staatssecretaris

van onderwijs, cultuur en wetenschappen,

T. Netelenbos

Bijlage 1 [Vervallen per 31-12-2004]

Examenprogramma NEDERLANDSE TAAL eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C

Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in twee zittingen, één voor leesvaardigheid (niet-fictionele teksten) en één voor schrijfvaardigheid, die elk twee uur duren.

2. Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op:

  • a. Leesvaardigheid: niet-fictionele teksten (eindtermen 1 tot en met 10).

    De eindtermen worden getoetst aan de hand van vragen en opdrachten bij een aantal teksten.

  • b. Schrijfvaardigheid (eindtermen 27 tot en met 32).

    De eindtermen worden getoetst aan de hand van

    • een aantal functionele schrijfopdrachten, of

    • een schrijfopdracht uit ten minste zes zakelijke onderwerpen waaruit de kandidaat kan kiezen, of

    • (alleen als de school daarvoor kiest) een schrijfopdracht gericht schrijven volgens de richtlijnen zoals opgenomen in de bijlage.

Het cijfer voor het centraal examen is het rekenkundig gemiddelde van het cijfer voor leesvaardigheid en dat voor schrijfvaardigheid.

3. Het schoolonderzoek

Het schoolonderzoek omvat afzonderlijke toetsing van:

  • a. Leesvaardigheid: fictionele teksten (eindtermen 11 tot en met 17).

    De toetsing geschiedt in elk geval aan de hand van een aantal door de kandidaat gelezen fictionele teksten, ter keuze van de school in de vorm van een leesdossier.

  • b. Spreekvaardigheid/luistervaardigheid (eindtermen 25 en 26).

  • c. Luistervaardigheid/kijken (eindtermen 18 tot en met 24), waarbij de school een keuze maakt uit de volgende mogelijkheden:

    • toetsing van de eindtermen voor de combinatie van luisteren/kijken,

    • toetsing van de eindtermen voor luisteren afzonderlijk.

  • d. Kennis over taal en taalverschijnselen (eindtermen 33 tot en met 35).

  • e. (Alleen indien de school daarvoor kiest): Schrijfvaardigheid (eindtermen 27 tot en met 32). De eindtermen worden getoetst aan de hand van een schrijfopdracht verhalend opstel.

Bij het schoolonderzoek worden de algemene vaardigheden, zoals vermeld in de examenstof, op een door de school te bepalen wijze betrokken.

Aanwijzingen C en D

Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen.

Het onderscheid tussen beide examens berust op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten.

Bedoeld onderscheid wordt enerzijds bepaald door het taalmateriaal bij lees- en luistervaardigheid (woordenschat, grammaticale complexiteit, abstractieniveau van teksten), anderzijds door de kwaliteit van de uitvoering bij spreek- en schrijfvaardigheid (grotere gepastheid en formele correctheid).

Examenstof

De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen.

1. Vaardigheden

De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen:

De kandidaat kan

  • 1. bij het verwerven en verstrekken van informatie gebruik maken van de volgende bronnen en informatiesystemen: vraaggesprekken, audiovisuele media, schriftelijke informatiebronnen en geautomatiseerde gegevensbestanden;

  • 2. voor het verwerken van informatie zelf een – al dan niet geautomatiseerd – gegevensbestand opzetten;

  • 3. bij het schrijfproces tekstverwerkingsprogrammatuur gebruiken.

2. Eindtermen Domein A.: Lezen Subdomein: Niet-fictionele teksten

De kandidaat kan

  • 1 het communicatieve doel van tekstsoorten bepalen;

  • 2 beeld en opmaak van een tekst gebruiken voor het eigen leesdoel en de functie van beeld en opmaak herkennen;

    (Beeld en opmaak: titel, tussenkopjes, illustraties, lettertypes, tekst- en alinea-indeling.)
  • 3 leesstrategieën hanteren, afhankelijk van het eigen leesdoel;

    (Studeren, informatie opzoeken, een globale indruk vormen.)
  • 4 op eenvoudig niveau verschillende tekstrelaties herkennen;

    (Relaties: oorzaak-gevolg, doel-middel, tegenstelling, opsomming, argument-conclusie-mening, algemene uitspraak-voorbeeld, voorwaarde.)
  • 5 de hoofdgedachte van een tekst bepalen;

  • 6 de opbouw van een tekst beschrijven door de hoofdgedachte van de verschillende tekstdelen te geven en de functie van de delen te benoemen;

  • 7 het schrijfdoel van de auteur bepalen;

    (Informatie verstrekken, ergens van overtuigen, tot handelen aanzetten, amuseren, gevoelens uitdrukken.)
  • 8 talige middelen noemen die een auteur hanteert om zijn of haar doel te bereiken;

    (Talige middelen: figuurlijk taalgebruik, clichés, persuasieve en suggestieve elementen, feiten en meningen.)
  • 9 van een eenvoudige, korte tekst een globale samenvatting geven, waarin ten minste het onderwerp en de hoofdgedachte van de tekst verwoord zijn;

  • 10 een oordeel geven over de tekst.

    Het betreft bij de eindtermen 1 tot en met 10 teksten als:
    • korte en lange instructieteksten,

    • reclameteksten,

    • artikelen uit kranten en tijdschriften,

    • (waarbij het thema aansluit bij de intellectuele en emotionele ontwikkeling van de kandidaat).
    Subdomein: Fictionele teksten

    De kandidaat kan

  • 11 soorten fictionele teksten herkennen;

    (Gedicht, kort verhaal, roman, stripverhaal, toneelstuk, cabaret, dagboek, televisieserie, film.)
  • 12 aangeven wat de waarde van de tekst is voor zichzelf en voor anderen;

  • 13 het denken en handelen van de personages in de tekst beschrijven;

  • 14 de beschreven situatie onder woorden brengen;

  • 15 de relatie tussen tekst en werkelijkheid toelichten;

  • 16 kenmerken van fictie in een tekst herkennen;

    (Kenmerken: tijdsverloop, perspectief, spanningsopbouw, thema.)
  • 17 talige middelen herkennen die een auteur hanteert.

    (Talige middelen: figuurlijk taalgebruik, clichés, persuasieve en suggestieve elementen, feiten en meningen.) Domein B.: Luisteren/kijken

    De kandidaat kan

  • 18 bepalen of intensief dan wel globaal luisteren voor het eigen luisterdoel noodzakelijk is;

    (Informatie verwerven, een mening vormen, tot handelen overgaan.

    Het betreft hierbij teksten zoals nieuwsbericht, documentaire, reclameboodschap, instructietekst, discussie, toespraak, speelfilm.)
  • 19 een mondelinge instructie uitvoeren;

  • 20 van een radio- en/of televisieprogramma het doel van de makers bepalen;

    (Informatie geven, ergens van overtuigen, tot handelen aanzetten, amuseren, emoties uitdrukken.)
  • 21 van een radio- en/of televisieprogramma de gebruikte middelen herkennen waarmee de boodschap wordt overgebracht;

    (Middelen:
    • woord, beeld en geluid en de samenhang daartussen;
    • subjectief taalgebruik;
    • de keuze, volgorde en lengte van de behandelde onderwerpen.)
  • 22 van een radio- en/of televisieprogramma een globale samenvatting geven of de belangrijkste elementen ervan navertellen;

  • 23 een oordeel geven over een radio- en/of televisieprogramma;

  • 24 herkennen op welke wijze in gesproken taal en/of beeldtaal gevoelens, bedoelingen en onderlinge relaties tussen personen uitgedrukt worden.

    Domein C.: Spreken/luisteren

    De kandidaat kan

  • 25 zich in communicatieve situaties mondeling uitdrukken en adequaat reageren op het mondeling taalgebruik van anderen;

    (Het betreft hierbij communicatieve situaties die vorm kunnen krijgen in een rollenspel:
    • - monoloog voor bekend en onbekend publiek (bijvoorbeeld een persoonlijke belevenis navertellen, een situatie beschrijven, een uitleg geven, een standpunt verdedigen, een boek of film bespreken, een toespraak houden);
    • - dialoog: telefoongesprek, interview, sollicitatiegesprek;
    • - polyloog: klasse-, groeps- of kringgesprek met als doel een standpunt te bepalen, een plan te ontwerpen, of een onderhandelingsresultaat te boeken. Spreek-/luisterdoelen: informatie verstrekken of krijgen, een mening geven of vragen, anderen ergens van overtuigen, anderen aanzetten tot handelen.)
  • 26 in genoemde communicatieve situaties het spreekdoel van anderen bepalen en de reacties van anderen juist interpreteren.

    Domein D.: Schrijven

    De kandidaat kan

  • 27 het eigen schrijfdoel in teksten tot uitdrukking brengen;

    (Informatie geven en vragen, tot handelen aanzetten, mening geven, persoonlijke gevoelens uitdrukken, amuseren. Het betreft hierbij teksten als: ingezonden stuk, artikel, advertentie, formulier, verhaal, enquête, formele en informele brieven.)
  • 28 een tekstsoort kiezen die aansluit bij het eigen schrijfdoel;

  • 29 het eigen schrijfdoel en taalgebruik richten op verschillende soorten lezerspubliek;

    (Taalgebruik: woordkeuze, toon, zinsbouw.

    Lezerspubliek: directe omgeving, officiële instanties, toekomstige werkgevers.)
  • 30 conventies hanteren bij tekst- en alinea-opbouw, tekstsoorten, spelling en interpunctie en uiterlijke verzorging;

    (Tekstconventies: adressering, datering, aanhef, ondertekening, inleiding, afsluiting, alinea-indeling.) (Spelling en interpunctie: toepassen van regels voor spelling van werkwoordsvormen, meervoudsuitgangen, tussenletters, hoofdletters en leestekens.)
  • 31 op basis van reacties en suggesties van anderen een eigen tekst herschrijven;

  • 32 gevoelens, bedoelingen en onderlinge relaties tussen personen uitdrukken.

    Domein E.: Kennis over taal en taalverschijnselen

    De kandidaat kan

  • 33 het onderscheid weergeven tussen dialecten, groepstalen en het Nederlands als standaardtaal;

  • 34 achtergronden van verschillen in gesproken taal, het ontstaan van taalverschillen en het in stand blijven en veranderen ervan, toelichten;

  • 35 de maatschappelijke rol die de media spelen in de communicatie toelichten.

Bijlage 2 [Vervallen per 31-12-2004]

Examenprogramma GESCHIEDENIS EN STAATSINRICHTING eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C

Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling
  • a. Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt.

  • b. Voor centraal examen en schoolonderzoek samen geldt dat in een tijdcyclus van drie jaar

    • ten minste één onderwerp is gewijd aan ontwikkelingen, vraagstukken of gebeur-tenissen uit prehistorie, oudheid, middeleeuwen en/of nieuwe geschiedenis, die, hoewel in tijd verder verwijderd van de actuele samenleving dan het jaar 1870, voor onze tijd van belang zijn;

    • ten minste één onderwerp gewijd is aan historische achtergronden van actuele, na 1870 manifeste ontwikkelingen, vraagstukken of gebeurtenissen;

    • ten minste één onderwerp betrekking heeft op mondiale gebeurtenissen.

2. Het centraal examen
  • a. Het centraal examen heeft betrekking op twee onderwerpen.

  • b. In elk examenjaar heeft een van de twee onderwerpen betrekking op Nederland en/of zijn (voormalige) koloniën/rijksdelen.

  • c. De onderwerpen zijn gerelateerd aan historische themavelden en aan themavelden voor staatsinrichting; de lijst van themavelden is als bijlage bij dit examenprogramma gevoegd.

  • d. De algemene vaardigheden, de specifieke vaardigheden en structuurbegrippen in domein A en de eindtermen in de overige domeinen, alsmede de voor alle eindtermen opgenomen algemene aanwijzingen vormen het kader waarbinnen onderwerpen nader worden bepaald en in een stofomschrijving worden uitgewerkt.

  • e. De uitwerking van de onderwerpen heeft betrekking op de plaatsing in tijd en ruimte, op de afbakening van de omvang en op de formulering en geleding van de vraagstelling. Daarbij is op evenwichtige wijze aandacht besteed aan het sociaal-economische, bestuurlijk-politieke, cultureel-mentale aspect en staatsinrichting en de relaties daartussen, met dien verstande dat niet elk aspect bij elk onderwerp aan de orde hoeft te komen.

  • f. De minister draagt zorg voor de vaststelling van de onderwerpen en de daarbij behorende stofomschrijving.

  • g. De onderwerpen worden ten minste twee jaar voor de aanvang van het schooljaar waarin ze worden geëxamineerd, door de minister bekendgemaakt.

3. Het schoolonderzoek
  • a. Het schoolonderzoek heeft betrekking op ten minste drie onderwerpen.

  • b. Deze onderwerpen worden door de school zelf bepaald en omschreven.

  • c. Deze onderwerpen maken geen deel uit van het centraal examen.

  • d. Deze onderwerpen zijn ontleend aan twee of meer domeinen met toepassing van vaardigheden en structuurbegrippen zoals genoemd in domein A.

  • e. Eén van deze onderwerpen krijgt gestalte door zelfstandige bestudering of zelfstandig onderzoek en is niet voor alle kandidaten hetzelfde.

  • f. Als staatsinrichting in een examenjaar geen deel uitmaakt van het centraal examen heeft een van de onderwerpen van het schoolonderzoek geheel of gedeeltelijk betrekking op de staatsinrichting van Nederland.

Aanwijzingen C en D

Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen.

Het onderscheid tussen beide examens berust op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten. In de stofomschrijving van de onderwerpen voor het centraal examen kunnen nadere aanwijzingen worden gegeven.

Examenstof

De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen.

1. Vaardigheden

De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen:

De kandidaat kan

  • 1. de structuurbegrippen hanteren, zoals nader gespecificeerd in domein A;

  • 2. activiteiten uitvoeren zoals die binnen een eenvoudig onderzoek voorkomen:

    • uit bronnen een probleemstelling formuleren,

    • gegevens verzamelen door eigen waarneming of door het raadplegen van bronnen, en informatiebronnen (waaronder massamedia) kritisch beoordelen,

    • gegevens ordenen en overzichtelijk weergeven, waar nodig in tabellen, diagrammen, schema's en kaarten,

    • conclusies trekken uit gegevens,

    • de resultaten van eigen onderzoek presenteren.

  • 3. vanuit verworven inzicht in historische en hedendaagse maatschappelijke verschijnselen, ontwikkelingen en vraagstukken daarover een beargumenteerd standpunt weergeven.

2. Eindtermen Domein A.: Vaardigheden in relatie tot stuctuurbegrippen

De kandidaat kan

  • 1

    • 1. de volgende structuurbegrippen en specifieke vaardigheden toepassen bij de domeinen B tot en met E:

      • a. de begrippen bron en vraagstelling hanteren;

        • verschillende soorten (historische) bronnen van elkaar onderscheiden,

        • vragen aan bronnen stellen met het oog op een onderzoek van beperkte omvang,

        • bronnen verzamelen voor de beantwoording van een vraagstelling,

        • de waarde van een bron of een deel ervan vaststellen voor de beantwoording van een vraagstelling, daarbij rekening houdend met de betrouwbaarheid van de bron,

      • b. de begrippen feit en objectiviteit hanteren;

        • (historische) bronnen, feiten van meningen onderscheiden en vooroordelen en/of stereo-typen onderkennen,

        • aangeven waardoor een zo objectief mogelijke weergave van het verleden belemmerd kan worden,

      • c. de begrippen oorzaken en gevolgen hanteren;

        • verduidelijken dat (historische) gebeurtenissen, verschijnselen en processen vaak meer oorzaken hebben,

        • verduidelijken dat de ene oorzaak belangrijker is dan de andere,

        • bedoelde en onbedoelde gevolgen van elkaar onderscheiden,

        • directe gevolgen onderscheiden van later optredende gevolgen,

      • d. de begrippen verandering, continuïteit en discontinuïteit hanteren;

        • in de loop van de gebeurtenissen in een bepaalde tijd ontwikkelingen aanwijzen,

        • zowel het incidentele als het algemene en vaak voorkomende in de geschiedenis onderscheiden,

        • factoren die ten grondslag liggen aan verandering van het bestaande, alsmede de reacties daarop herkennen,

        • zich realiseren dat elke tijd beïnvloed wordt door het verleden,

      • e. de begrippen inleving en standplaatsgebondenheid hanteren;

        • zich verplaatsen in mensen en hun beweeg-redenen in het verleden,

        • de standplaatsgebondenheid bij zichzelf en bij mensen in het verleden en in andere situaties herkennen,

      • f. het begrip interpretatie hanteren;

        • herkennen dat er meer dan een interpretatie van het verleden mogelijk is,

        • verbanden leggen tussen verzamelde gegevens,

        • een hoeveelheid gegevens in een interpretatie verwerken in bijvoorbeeld een werkstuk of een tentoonstelling,

        • eigen interpretaties en die van anderen koppelen aan een bron, vraagstelling en standplaatsgebondenheid,

      • g. het begrip politiek hanteren.

        • aangeven wat een staat is en hoe het Nederlandse staatsbestel ontstaan is,

        • in het proces van politieke beleids- en besluitvorming op verschillende niveaus (gemeentelijk, provinciaal, nationaal en Europees) de positie en mogelijke invloed van betrokken actoren aangeven,

        • toelichten waarom in de wisselwerking tussen beleid en samenleving vaak compromissen nodig zijn en dat diverse factoren een ideaal functioneren van het staatsbestel in de weg staan,

        • de volgende stadia in het proces van beleids- en besluitvorming herkennen:
          • -

            invloed vanuit de samenleving,

          • -

            omzetting in overheidsbeleid,

          • -

            effecten van overheidsbeleid op de samenleving,

          • -

            voortgezette invloed vanuit de samenleving.

    Domein B tot en met D

    Voor de eindtermen in de volgende domeinen geldt – naast het kunnen hanteren van de genoemde structuurbegrippen en specifieke vaardigheden – dat:

    • ze van toepassing zijn op verschillende tijdvakken in de geschiedenis;

    • de kandidaat bij de toelichting van de eindterm kenmerkende voorbeelden kan geven en daarbij een standpunt kan verwoorden;

    • de kandidaat het verband tussen factoren uit verschillende domeinen kan aangeven.

    Domein B.: Sociaal-economisch aspect

    De kandidaat kan

  • 2 met gebruikmaking van de factoren arbeid en arbeidsverdeling, kapitaal, techniek, natuur en milieu:

    pre-agrarische, agrarische, agrarisch-stedelijke en industriële samenlevingstypen herkennen en van elkaar onderscheiden en aan de hand van die factoren ontwikkelingen in die samenlevingstypen analyseren;

  • 3 met gebruikmaking van de factoren sekse, afkomst, herkomst, bezit, inkomen, opleiding, beroep, stand en klasse:

    sociale en economische verhoudingen beschrijven en de positie van individuen en/of groepen in de samenleving analyseren aan de hand van die factoren en de relatie tussen die factoren;

  • 4 de invloed van technologische ontwikkelingen op de sociale en economische verhoudingen duidelijk maken en de wisselwerking toelichten;

  • 5 emancipatieprocessen herkennen, analyseren en kenmerkende achtergronden daarvan toelichten;

  • 6 rol- en relatiepatronen noemen en ontwikkelingen binnen deze patronen toelichten;

  • 7 demografische ontwikkelingen noemen en de relatie met sociale en economische ontwikkelingen toelichten;

  • 8 processen van economische groei, stagnatie en inkrimping onderscheiden en toelichten;

  • 9 economische (afhankelijkheids) verhoudingen tussen personen, groepen, gebieden en staten herkennen, beschrijven en veranderingen daarin toelichten.

    Domein C.: Bestuurlijk-politiek aspect

    De kandidaat kan

  • 10 factoren herkennen en noemen die een rol spelen bij het ontstaan van staten;

  • 11 sociaal-economische, technologische, religieuze, culturele en etnische factoren in de bestuurlijkpolitieke ontwikkeling van staten herkennen, analyseren en toelichten welke rol ze daarin spelen;

  • 12 de rol van personen, standen en klassen, maatschappelijke groepen, bewegingen en/of organisaties in politieke machtsverhoudingen herkennen, analyseren en toelichten;

  • 13 verschuivingen in politieke machtsverhoudingen noemen en verklaren;

  • 14 achtergronden beschrijven van conflicten op regionale, nationale, continentale en/of mondiale schaal en toelichten welke rol personen, groepen, of (verbonden) staten hierin spelen;

  • 15 gevolgen van conflicten voor de burgerbevolking noemen en verklaren;

  • 16 vormen van internationale samenwerking noemen en toelichten;

  • 17 ontwikkelingen in de politiek van een staat of een wereldmacht beschrijven en toelichten;

  • 18 verschuivingen in internationale machtsverhoudingen tussen staten of grotere regio's herkennen, analyseren en toelichten en de gevolgen daarvanvoor het dagelijks leven in die staten en regio's beschrijven.

    Domein D.: Cultureel-mentaal aspect

    De kandidaat kan

  • 19 kenmerken van wereld- en levensbeschouwingen en religies noemen, de aard ervan beschrijven en de rol en invloed ervan op de samenleving toelichten;

  • 20 gewoonten en gebruiken, normen, waarden en opvattingen van sociale groepen herkennen als kenmerkend voor bepaalde groepen en het belang van deze groepen voor maatschappelijke ontwikkelingen toelichten;

  • 21 wijzen van beïnvloeding door personen en groepen herkennen, beschrijven en de eigen betrokkenheid daarbij toelichten;

  • 22 eigen gewoonten, normen, waarden en opvattingen vergelijken met die van vroegere en hedendaagse sociale groepen;

  • 23 toelichten dat waarden en normen niet absoluut zijn en beïnvloed worden, en veranderingen in gewoonten en gebruiken, normen, waarden en opvattingen in een samenleving herkennen, analyseren en toelichten;

  • 24 uitgangspunten van politieke stromingen noemen en toelichten en het belang van deze stromingen voor ontwikkelingen, personen en groepen in een samenleving duidelijk maken;

  • 25 toelichten dat in elke periode kunstuitingen een directe relatie hebben met hoe mensen de bestaande situatie beleven en voorbeelden van kunstuitingen plaatsen in de tijd;

  • 26 de invloed van de wetenschap op de materiële en immateriële cultuur herkennen, analyseren en de betekenis van ontwikkelingen die daarvan een gevolg zijn, voor mens en milieu toelichten.

    Domein E.: Staatsinrichting

    De kandidaat kan

  • 27 onderdelen van het staatsbestel en de werking ervan beschrijven en verklaren vanuit de wordingsgeschiedenis van het Nederlandse staatsbestel;

  • 28 bestuurlijke organen op gemeentelijk, provinciaal (regionaal), nationaal en Europees niveau noemen en toelichten hoe zij ontstaan zijn, worden samengesteld, wat hun taken zijn en hoe zij functioneren;

  • 29 voorbeelden geven van beleids- en besluitvorming en beleidsuitvoering op gemeentelijk, provinciaal, nationaal en Europees niveau;

  • 30 de wisselwerking tussen de bestuurlijke organen onderling en met de Nederlandse samenleving herkennen, analyseren en toelichten;

  • 31 toelichten welke rol in deze wisselwerking wordt gespeeld door politieke partijen, maatschappelijke organisaties, belangengroepen en media;

  • 32 organisatie en functie van de rechtelijke macht beschrijven en de betekenis en mogelijkheden ervan voor de inwoners toelichten.

Bijlage

Lijst van themavelden

I. Historische themavelden:
  • 1. De Nederlandse Opstand.

  • 2. De Gouden Eeuw in de Lage Landen.

  • 3. De wording van de industriële samenleving in Nederland.

  • 4. Verzuiling en ontzuiling in Nederland.

  • 5. Ontwikkelingen in de leef- en denkwereld van de Middeleeuwse samenleving.

  • 6. De wortels van de westerse cultuur.

  • 7. De Tweede Wereldoorlog.

  • 8. Identiteit en invloed van de Islam.

  • 9. Ontwikkelingen in het Europese statensysteem.

  • 10. Een wereldmacht: traditie en verandering.

  • 11. De veranderende positie van de vrouw.

  • 12. De ontwikkelingen naar een multi-culturele samenleving.

  • 13. De wording van een nationale staat in de niet-westerse wereld.

  • 14. Revoluties en vrijheidsoorlogen.

  • 15. Internationale betrekkingen en blokvorming.

II. Themavelden betreffende de staatsinrichting:
  • 1. De wording en het functioneren van de verzorgingsstaat.

  • 2. Partijvorming binnen het Nederlandse parlementaire stelsel.

  • 3. De betekenis van het proces van de (vrouwen)emancipatie voor het Nederlandse politieke systeem.

  • 4. De betekenis van gemeente en provincie binnen het Nederlandse politieke systeem, o.a. processen van centralisatie en decentralisatie.

  • 5. Parlementaire democratie versus dictatuur.

  • 6. De ontwikkeling van de internationale rechtsorde.

Bijlage 3 [Vervallen per 31-12-2004]

Examenprogramma AARDRIJKSKUNDE eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C

Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt.

2. Het centraal examen
  • a. Het centraal examen heeft betrekking op twee onderwerpen.

  • b. De twee onderwerpen hebben betrekking op twee der domeinen ‘Nederland’, ‘Europa’ en ‘De wereld’ en zijn van regionale en/of thematische aard.

  • c. De minister draagt zorg voor de jaarlijkse vaststelling van de onderwerpen en voor de daarbij behorende stofomschrijving op basis van de bij dat onderwerp betrokken vaardigheden en eindtermen.

  • d. De twee onderwerpen worden ten minste twee jaar voor de aanvang van het schooljaar, waarin die onderwerpen worden geë xamineerd, door de minister bekendgemaakt.

Bij het centraal examen worden de vaardigheden betrokken.

3. Het schoolonderzoek
  • a. Het schoolonderzoek heeft betrekking op ten minste drie onderwerpen. Deze door de school zelf bepaalde en omschreven onderwerpen maken niet tevens deel uit van het centraal examen.

  • b. Eén van deze onderwerpen heeft geheel of gedeeltelijk betrekking op het domein ‘De eigen omgeving’, de andere twee hebben betrekking op twee andere domeinen.

  • c. Eén van de onderwerpen krijgt gestalte door zelfstandige bestudering of zelfstandig onderzoek en is niet voor alle kandidaten hetzelfde.

Bij het schoolonderzoek worden de vaardigheden betrokken.

Aanwijzing C en D

Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen.

Het onderscheid tussen beide examens berust op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten. In de stofomschrijving van de onderwerpen voor het centraal examen kunnen nadere aanwijzingen worden gegeven.

Examenstof

De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen.

1. Vaardigheden

De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen:

De kandidaat kan

  • 1. aangeven wat typerend is voor het vak aardrijkskunde en dit toepassen bij het bestuderen van maatschappelijke vraagstukken, zodat een beargumenteerd standpunt mogelijk is over deze vraagstukken;

    • (De ongelijke verdeling van maatschappelijke en natuurlijke verschijnselen over de aardbol;
    • de verplaatsing en stromingen als gevolg van deze ongelijke verdeling;
    • het bestaan van grenzen en grensoverschrijdende activiteiten.)
  • 2. verschillende soorten kaarten en een atlas gebruiken:

    • aan de hand van kaart(en) informatie identificeren, analyseren en interpreteren;

    • in een gegeven situatie de juiste kaart selecteren;

    • met behulp van kaarten zelf gegevens presenteren;

  • 3. activiteiten uitvoeren zoals die binnen een eenvoudig onderzoek voorkomen:

    • uit bronnen een probleemstelling formuleren;

    • gegevens verzamelen door eigen waarneming of door het raadplegen van bronnen, en informatiebronnen (waaronder massamedia) kritisch beoordelen;

    • gegevens ordenen en overzichtelijk weergeven, waar nodig in tabellen, diagrammen, schema's en kaarten;

    • conclusies trekken uit gegevens;

    • de resultaten van eigen onderzoek presenteren.

2. Eindtermen Domein A.: De eigen omgeving

De kandidaat kan

  • 1 de typerende sociaal-geografische en/of fysisch-geografische kenmerken van de eigen omgeving inventariseren;

    (De selectie van kenmerken is afhankelijk van de situering van de school. Afhankelijk van de eigen omgeving gaat het om:
    • de structuur van het landschap;
    • woonomstandigheden, bronnen van levensonderhoud, recreatievormen en voorzieningen, waaronder verkeersvoorzieningen;
    • geleding in deelgebieden;
    • ligging, plaats en positie van het eigen leefgebied in de provincie en in Nederland;
    • samenhang tussen inrichting en levensomstandigheden.)
  • 2 aan de hand van voorbeelden uitleggen welke invloed veranderingen in bevolking, werkgelegenheid en transport kunnen hebben op de inrichting van het eigen dagelijkse leefgebied;

    (Afhankelijk van de eigen omgeving gaat het om:
    • woonomstandigheden;
    • economische activiteiten;
    • verkeersvoorzieningen en de bereikbaarheid van centra in de omgeving;
    • recreatiemogelijkheden.)
  • 3 gegevens verzamelen over de herinrichting van (een deel van) de dagelijkse leefomgeving en de argumentatie voor een mening geven over de verandering van de kwaliteit voor het wonen, de economische activiteiten en de recreatieve mogelijkheden.

    (Afhankelijk van de eigen omgeving gaat het om:
    • door de overheid of private sector geïnitieerde activiteiten;
    • door bewoners zelf bedachte activiteiten.)
    Domein B.: Nederland

    De kandidaat kan

  • 4 aangeven wat de typerende sociaal-geografische en fysisch-geografische kenmerken van een gegeven landschap zijn en dit landschap aan de hand van de kenmerken op kaart en foto lokaliseren;

    (Fysisch-geografische gegevens, bevolkingsgegevens, economische activiteiten.)
  • 5 kenmerken van een landschap beschrijven en verklaren op basis van waarneembare gegevens en gegevens uit andere bronnen;

  • 6 de huidige en verwachte problemen bij de waterbeheersing en de drinkwatervoorziening in hoog en laag Nederland beschrijven en verklaren;

    (Waterbeheersing gerelateerd aan de grondwaterstand, grondsoort en hoogteligging; gebruik van grond- en oppervlaktewater voor drinkwatervoorziening.)
  • 7 verschillen noemen tussen grote, middelgrote en kleine steden, wat betreft bevolking en econo-mische functies;

  • 8 vijf grote stedelijke gebieden binnen Nederland lokaliseren en hun typerende kenmerken noemen;

  • 9 het toegroeien naar een multiculturele samenleving beschrijven en verklaren;

    (Aandeel, herkomst en spreiding van minderheden; ruimtelijke segregatie van minderheden.)
  • 10 de belangrijkste verkeers- en vervoersnetwerken binnen Nederland beschrijven en in verband brengen met hun ligging;

    (De ligging van stedelijke gebieden gerelateerd aan economische activiteiten.)
  • 11 milieu- en verkeersvraagstukken in de drukke punten van de verkeers- en vervoersnetwerken beschrijven;

    (Mobiliteit, bereikbaarheid, leefbaarheid.)
  • 12 een inventarisatie maken van voor- en nadelen van de toegenomen mobiliteit voor wonen, werken en recreëren voor verschillende belanghebbende partijen;

    (Bereikbaarheid, leefbaarheid.)
  • 13 het verband uitleggen tussen de groeps-/partijbelangen en opvattingen en de gekozen oplossingen voor mobiliteitsproblemen, en een argumentatie geven voor een standpunt over deze oplossingen.

    Domein C.: Europa

    De kandidaat kan

  • 14 deelgebieden van Europa lokaliseren en hun sociaal-geografische en fysisch-geografische kenmerken beschrijven en verklaren, voor zover deze kenmerken typerend zijn voor en afwijken van andere deelgebieden;

    (Hoogte en reliëf, klimaat en vegetatie, natuurlijke hulp- en energiebronnen; bevolkingsaantallen, bevolkingsconcentraties en ontwikkelingen daarin; economische activiteiten en welvaart; politieke organisatie; culturele aspecten.)
  • 15 ontwikkelingen in de Europese Unie beschrijven met behulp van sociaal-geografische kenmerken en gevolgen van de ontwikkelingen voor Nederland aangeven;

    (Lidstaten en geassocieerde landen; binnen- en buitengrenzen; centrale plaatsen met politieke en economische betekenis; belangrijkste verkeers- en vervoersnetwerken; integratie en schaalvergroting; ongelijke welvaart en ontwikkeling in verband met de ligging; verandering in de ligging van economische zwaartepunten.)
  • 16 relaties leggen tussen de toename van de welvaart, de voorzieningen in de vakantiegebieden en de bereikbaarheid van verschillende vakantiebestemmingen voor het massatoerisme alsmede de geschiktheid van andere gebieden bepalen voor meer individuele vakantievormen;

  • 17 bedreigingen van het milieu in Europa noemen en het verband met de economische activiteiten en de ontwikkeling van het massatoerisme toelichten;

  • 18 het grensoverschrijdend karakter toelichten van milieuvraagstukken in Europa en argumentatie geven voor een standpunt over de rol van Nederland bij deze problematiek.

    (De Noordzee en de Rijn; zure regen; de rol van Nederland als producent en ontvanger van verontreiniging.) Domein D.: De wereld

    De kandidaat kan

  • 19 typerende kenmerken van fysisch-geografische en sociaal-geografische zones op een kaart lokaliseren, beschrijven en verklaren;

    (Klimaatgebieden; cultuurgebieden.)
  • 20 typen van onderontwikkelde landen beschrijven aan de hand van typerende kenmerken;

    (BNP per hoofd; gebruik commerciële energie; bevolkingsgroei; analfabetisme; kindersterfte.)
  • 21 verschillende samenhangende interne en externe factoren noemen die het voortduren van de onderontwikkeling bevorderen en die de asymmetrie van internationale economische en sociaal-culturele relaties in het Noord-Zuid vraagstuk in stand houden;

    (Fysische, demografische, culturele, economische en politieke factoren.)
  • 22 de samenhang van het milieu op mondiaal niveau beschrijven; aangeven hoe menselijke ingrepen dat milieu bedreigen en mogelijke gevolgen voor Nederland noemen;

    (Het broeikaseffect en klimaatveranderingen; ontbossing; woestijnvorming.)
  • 23 het verband tussen het armoedevraagstuk, de welvaart in de rijke landen en de mondiale milieuproblematiek uitleggen;

  • 24 een argumentatie geven voor een standpunt over de inspanningen van derde-wereldlanden en welvaartslanden om de problematiek van onderontwikkeling en de mondiale milieu-pro-blematiek om te buigen naar een situatie van duurzame ontwikkeling.

Bijlage 4 [Vervallen per 31-12-2004]

Examenprogramma WISKUNDE eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C

Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt.

2. Het centraal examen
  • a. Het centraal examen heeft betrekking op de onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen met uitzondering van:

    • de vaardigheid 5 en de eindtermen 33, 58, en 62 voor zover de kandidaat daadwerkelijk een computer moet gebruiken;

    • de eindtermen 48 en 57 voor zover de kandidaat concreet materiaal of zelfgemaakt gereedschap moet gebruiken;

    • de eindterm 60, voor zover de kandidaat statistische gegevens moet verzamelen.

    De eindtermen worden zoveel mogelijk in onderlinge samenhang getoetst.

  • b. De vragen en opdrachten worden zoveel mogelijk in een herkenbare en inleefbare context gepresenteerd.

3. Het schoolonderzoek

Het schoolonderzoek heeft betrekking op de gehele examenstof. Het schoolonderzoek wordt zo ingericht dat:

  • in elk geval ten minste één opgave of opdracht betrekking heeft op het functioneel gebruik van de computer (vaardigheid 5);

  • zo mogelijk ten minste één opgave of opdracht in het bijzonder betrekking heeft op geïntregreerde wiskundige activiteiten (vaardigheid 7);

  • zo mogelijk naast de traditionele schriftelijke en mondelinge toetsvormen ten minste één opgave of opdracht betrekking heeft op een of meer andere vormen van toetsing, bijvoorbeeld werkstukken, projecten (daaraan kan door meer kandidaten worden gewerkt, mits daarbij individuele beoordeling mogelijk is);

  • de vragen en opdrachten zoveel mogelijk worden gepresenteerd in een herkenbare en inleefbare context; binnen deze context worden open vragen gesteld in combinatie met vragen die een eenduidig antwoord vereisen;

  • de aard van de gekozen contexten zoveel mogelijk wordt afgestemd op de specifieke opleiding die de kandidaat volgt of op andere situaties uit de leefwereld van de kandidaat.

Aanwijzingen C en D

Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen, zij het dat voor C de volgende (onderdelen van) eindtermen zijn uitgezonderd:

domein nr. eindtermen of onderdelen die niet gelden voor C

A. 19 Horizontale verschuiving.

24 In een formule een expressie vervangen door een variabele, en omgekeerd.

28 Exponentiële verbanden herkennen en gebruiken:

  • een formule van de vorm y = bg herkennen;

  • een bijbehorende grafiek tekenen en interpreteren;

  • de parameters g en b herkennen als groeifactor, respectievelijk beginwaarde;

  • de begrippen verdubbelingstijd en halveringstijd herkennen en gebruiken.

29 Voorzover n > 3.

32 De begrippen periode en amplitude herkennen.

B. 38 Vermenigvuldigen met en delen door machten van 10.

41 Berekeningen uitvoeren met een groeifactor of -percentage.

C. 55 Bij redeneren, tekenen en berekenen gebruik maken van goniometrische verhoudingen sinus en cosinus.

56 Verklaren dat een figuur niet te tekenen is wegens onvoldoende of strijdige gegevens.

D. 60 Statistische gegevens verzamelen en weergeven met behulp van een box-plot.

69 Combinatorisch tellen van mogelijkheden en complexe boomdiagrammen.

Het onderscheid tussen beide examens berust voor het overige op verschillen in examenopgaven en -opdrachten.

Het verschil tussen C en D komt bovendien tot uiting in:

  • a. Verschillen in context.

    In het C-examen zullen contexten direct herkenbaar moeten zijn waarbij de kandidaten zich kunnen inleven in de probleemstelling. Opdrachten voor het schoolonderzoek kunnen in dit verband bijvoorbeeld aansluiten bij de specifieke gerichtheid op een beroep. In het D-examen wordt van de kandidaat een wat ruimer inlevingsvermogen verwacht. In het D-examen zullen opgaven in strikt wiskundige context veel minder voorkomen dan andere opgaven.

  • b. Verschillen in de manier waarop het mathematiseren van contexten plaatsvindt.

    In vergelijking met het C-examen zal de kandidaat in het D-examen vaker zelfstandig moeten kiezen:

    • welke gegevens uit de context op een bepaald moment relevant zijn;

    • welke variabelen ingevoerd worden bij het mathematiseren van het probleem;

    • welke formule(s) opgesteld worden bij het mathematiseren van het probleem;

    • welke voorstellingsvorm of welk model geschikt is voor het oplossen van het probleem;

    • welke schaalverdeling bij een te tekenen grafiek genomen wordt;

    • in welke orde van grootte het antwoord gegeven wordt;

    • welke maateenheid gebruikt wordt.

      Voor het C-examen zullen dergelijke keuzen niet gemaakt hoeven te worden of zal de opgave duidelijke instructies of aanwijzingen voor de te maken keuze bevatten.

  • c. Verschillen in hulp.

    De verschillen in vraagstelling in het C- en D-examen zullen ook tot uitdrukking moeten komen in de hulp die kandidaten in het C-examen krijgen:

    • eenvoudiger teksten en meer hulpvragen;

    • opdeling van de probleemstelling in kleinere stappen.

  • d. Verschillen in wiskundige abstractie.

    In het C-examen zijn de namen van variabelen gewoonlijk weergegeven in volledige woorden (bijvoorbeeld onkosten = 1,35 × uurkosten + voorrijkosten), in afkortingen (bijvoorbeeld kap = beginkap × 1,07jr) of in enkele letters die een directe relatie met het gegeven probleem laten zien (bijvoorbeeld V = l × b × h). Bij het D-examen zal het vaker dan bij het C-examen voorkomen dat een enkele letter als variabele wordt gebruikt.

  • e. Verschillen in de manier waarop wiskundige resultaten worden geïnterpreteerd in de gegeven context.

    In het D-examen wordt een meer kritische interpretatie verwacht, bijvoorbeeld:

    • opmerken dat een resultaat niet voor alle waarden van de invoervariabele geldig hoeft te zijn;

    • het omzetten van een vorm naar een andere kan in het D-examen vaker worden getoetst dan in het C-examen;

    • in het C-examen zullen conclusies voornamelijk gebaseerd zijn op het resultaat van een berekening of het verloop van een grafiek, terwijl in het D-examen ook conclusies gevraagd worden op basis van de structuur van een formule of grafiek.

  • f. Verschillen in de manier waarop kandidaten met wiskundige begrippen omgaan.

    Bijvoorbeeld:

    • in het C-examen moeten kandidaten de wetenschappelijke notatie op een zakrekenmachine kunnen aflezen, terwijl in het D-examen de kandidaten ook moeten kunnen rekenen met die notatie en daarbij vermenigvuldigen met en delen door machten van 10;

    • in het C-examen moeten kandidaten bij het vergelijken van twee verbanden gewoonlijk conclusies trekken op basis van berekeningen of de vorm van een grafiek, terwijl in het D-examen de kandidaten dat ook moeten kunnen op basis van de structuur van formules en bijbehorende redeneringen;

    • in het C-examen krijgen kandidaten bij veranderingen in een voorstellingsvorm te maken met verticale verschuivingen van een grafiek, verticale vermenigvuldiging van een grafiek en slechts met terughoudendheid met andere veranderingen van grafieken, terwijl in het D-examen kandidaten ook te maken kunnen krijgen met horizontale vermenigvuldiging van een grafiek en met een eenvoudige horizontale verschuiving.

  • g. Verschillen in redeneerwijze.

    In het C-examen wordt bij het redeneren over een situatie of bij het aantonen van een relatie uitgegaan van een klein aantal denkstappen. In het D-examen worden ook langere ketens van denkstappen gevraagd en wordt van de kandidaten vaker een kritisch oordeel over een situatie gevraagd.

Examenstof

De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen.

1. Vaardigheden

De volgende vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen:

De kandidaat kan

  • 1. problemen oplossen waarin verbanden tussen variabelen een rol spelen:

    • daarbij tabellen, grafieken en formules hanteren;

    • zich bedienen van enige standaardtechnieken;

  • 2. efficiënt rekenen en cijfermatige gegevens kritisch beoordelen:

    • schatten en rekenen met gangbare maten en grootheden;

    • op een verstandige manier de rekenmachine gebruiken;

  • 3. voorstellingen maken, onderzoeken en interpreteren van objecten en hun plaats in de ruimte:

    • redeneren over en tekenen van meetkundige figuren;

    • afmetingen meten, schatten en berekenen;

    • hierbij instrumenten en apparaten hanteren;

  • 4. informatie verzamelen, weergeven en analyseren met behulp van grafische voorstellingen:

    • statistische representatievormen en een graaf hanteren;

    • op basis van de verwerkte informatie ver-wachtingen uitspreken en conclusies trekken;

  • 5. bij het oplossen van problemen de computer functioneel gebruiken;

  • 6. een relatie leggen tussen wiskundige kennis en vaardigheden en de beroepspraktijk;

  • 7. alle hierboven genoemde vaardigheden geïntegreerd gebruiken om problemen in allerlei situaties op te lossen:

    • daarbij ten minste basisalgoritmen uitvoeren en standaardmethodieken hanteren;

    • adequate wiskundetaal als communicatiemiddel gebruiken;

    • zich bedienen van adequate onderzoeks- en redeneerstrategieën.

2. Eindtermen Domein A.: Algebraïsche verbanden: tabellen, grafieken, formules, verwoording Subdomein: tabellen

De kandidaat kan

  • 1 in een situatie de relevante variabelen vaststellen en daarmee een bij de situatie passende tabel opstellen;

    (Variabelen mogen uit meer letters bestaan.)
  • 2 regelmatigheden van een tabel vaststellen en beschrijven met woorden, grafieken en formules;

    (Hieronder vallen ook formules in de vorm van een woordformule of vuistregel.)
  • 3 het globale verloop van een verband uit een bijbehorende tabel beschrijven;

  • 4 de aanwezigheid van maxima en minima vaststellen en die dan nader bepalen of benaderen;

  • 5 twee verbanden met behulp van de bijbehorende tabellen vergelijken en bepalen of benaderen waar de variabelen een gelijke waarde hebben;

  • 6 uit een tabel conclusies trekken over de bijbehorende situatie.

    Subdomein: grafieken

    De kandidaat kan

  • 7 uit een gegeven situatie ten behoeve van het tekenen en analyseren van een globale grafiek of een grafiek in detail:

    • vaststellen welke variabelen met elkaar in verband staan;
    • vaststellen voor welke waarden van de variabelen het bij de gegeven situatie zinvol is over een verband te spreken;
    • vaststellen wat de orde van grootte van de eenheden op de assen is;
    • vaststellen of er sprake is van een constant, stijgend, dalend of periodiek verband;
    • vaststellen of er sprake is van een standaardverband op grond van de globale vorm daarvan;
    • vaststellen op welke intervallen er sprake is van constant zijn, stijgen, dalen en of er maxima of minima zijn;
    • vaststellen hoe de ligging van de te tekenen grafiek ten opzichte van een andere grafiek is;
  • 8 een grafiek in detail tekenen en analyseren;

    (In het bijzonder hierbij:
    • een passende schaalverdeling kiezen;
    • coördinaten van punten berekenen of benaderen;
    • coördinaten van toppen en dalen berekenen of benaderen;
    • coördinaten van snijpunten met een roosterlijn of met een andere grafiek berekenen of benaderen;
    • berekenen of bepalen welke intervallen de grafiek boven of onder een bepaalde roosterlijn of andere grafiek ligt.)
  • 9 vaststellen hoe een verandering in de situatie doorwerkt in de grafiek, gewoonlijk in samenhang met tabel en/of formule;

  • 10 uit een grafiek conclusies trekken over de bijbehorende situatie.

    Subdomein: formules

    De kandidaat kan

  • 11 in een gegeven situatie vaststellen welke variabelen met elkaar in verband staan en een formule opstellen die dat verband vastlegt;

    (Variabelen mogen uit meer letters bestaan. Hieronder vallen ook formules in de vorm van een woordformule of vuistregel.)
  • 12 bij een verandering van een variabele het effect aangeven op de andere;

    (In het bijzonder:
    • effecten als constant zijn, toenemen, afnemen;
    • bij twee variabelen waarvan de som, het verschil, het produkt of het quotiënt constant is;
    • in het geval dat een van de twee variabelen afhankelijk is van de andere.)
  • 13 bij twee functionele verbanden aangeven, eventueel in benadering, waar functiewaarden gelijk zijn en op welke intervallen de ene groter is dan de andere;

    (In het bijzonder:
    • op basis van de structuur van de formules;
    • met behulp van een tabel;
    • door aflezen uit de grafiek;
    • door inklemmen of redeneren in de gegeven situatie.)
  • 14 vaststellen hoe een verandering in de situatie doorwerkt in de formule;

  • 15 uit een formule conclusies trekken over de bijbehorende situatie.

    Subdomein: verbanden leggen tussen de vormen tabel, grafiek, formule en verwoording

    De kandidaat kan

  • 16 bij twee verschillende vormen vaststellen of en in hoeverre zij eenzelfde verband beschrijven;

  • 17 een vorm vervangen door een andere die hetzelfde verband beschrijft;

  • 18 terminologie bij een vorm vervangen door overeenkomstige terminologie bij een andere vorm;

  • 19 vaststellen in welk opzicht een verandering in een vorm invloed heeft op een andere vorm;

    (In het bijzonder:
    • verschuiving van een grafiek;
    • vermenigvuldigen van een grafiek in verticale richting;
    • wijzigingen van a en b in de formule y = ax + b.)
  • 20 vaststellen of en in hoeverre het in de gegeven situatie zinvol is het domein van een van de variabelen uit te breiden en het effect van die uitbreiding verwerken in de gebruikte vormen;

  • 21 bij twee functionele verbanden hun som en hun verschil beschrijven met een of meer vormen, als dat in de gegeven situatie zinvol is;

  • 22 bij een functioneel verband het inverse verband beschrijven met een of meer vormen, als dat in de gegeven situatie zinvol is.

    (Dit geldt alleen als het gegeven verband als een keten van rekenacties te beschrijven is.) Subdomein: rekenen met formules

    De kandidaat kan

  • 23 een formule vervangen door een gelijkwaardige;

  • 24 in een formule of vuistregel:

    • een variabele vervangen door een getal;

    • een variabele vervangen door een expressie;

    • een expressie vervangen door een variabele;

  • 25 een schakeling van elementaire rekenacties omzetten in een formule en omgekeerd.

    (Dit betreft zowel ketens van rekenacties als parallelle rekenacties.) Subdomein: bepaalde verbanden kennen, herkennen en gebruiken

    De kandidaat kan

  • 26 lineaire verbanden herkennen en gebruiken;

    (In het bijzonder:
    • een formule van de vorm y = ax + b herkennen en opstellen;
    • een bijbehorende grafiek tekenen en interpreteren;
    • de parameters a en b herkennen als steilheid, respectievelijk verticale verschuiving.)
  • 27 verbanden van de vorm y = a en x = a herkennen en gebruiken;

  • 28 exponentiële verbanden herkennen en gebruiken;

    (In het bijzonder:
    • een formule van de vorm y = bg t herkennen;
    • een bijbehorende grafiek tekenen en interpreteren;
    • de parameters g en b herkennen als groeifactor, respectievelijk beginwaarde;
    • de begrippen verdubbelingstijd en halveringstijd herkennen en gebruiken.)
  • 29 machtsverbanden herkennen en gebruiken;

    (In het bijzonder:
    • verbanden van de vorm y = ax n en de som- en verschilverbanden hiervan herkennen;
    • een grafiek van de vorm y = ax n + b tekenen.)
  • 30

    verbanden van de vorm y =

    a

    herkennen en gebruiken en hun grafieken tekenen en interpreteren;

    x

  • 31 wortelverbanden herkennen en gebruiken;

    (In het bijzonder:
    • een formule van de vorm y = v x herkennen;
    • een bijbehorende grafiek tekenen en interpreteren.)
  • 32 periodieke verbanden herkennen en gebruiken;

    (In het bijzonder:
    • bijbehorende grafieken tekenen en interpreteren;
    • de begrippen periode en amplitude herkennen en hun waarde aflezen of benaderen uit tabellen of grafieken.)
  • 33 bij de hierboven aangegeven eindtermen een rekenmachine of computer gebruiken.

    Domein B.: Rekenen, meten en schatten Subdomein: handig rekenen in alledaagse situaties

    De kandidaat kan

  • 34 schattingen maken over de uitkomst van een berekening;

    (Ook uitspraken doen over de orde van grootte en de nauwkeurigheid.)
  • 35 tijdens en na afloop van een berekening bepalen of het gewenst is getallen af te ronden in overeenstemming met de gegeven situatie;

  • 36 bij het oplossen van problemen enkelvoudige en eenvoudige samengestelde grootheden herkennen en gebruiken;

    (In het bijzonder:

    · lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht, tijd, temperatuur, geld, snelheid en grootheden die als dichtheid zijn te interpreteren.)

  • 37 bij berekeningen een bij de situatie passend rekenmodel gebruiken;

    (Bijvoorbeeld: verhoudingstabel, dubbele getallenlijn.)
  • 38 bij het rekenen en vermelden van resultaten gebruik maken van:

    • de wetenschappelijke notatie;

    • de begrippen miljoen en miljard.

    • gangbare voorvoegsels, waaronder milli-, centi- en kilo-;

      (Deze notaties, begrippen en voorvoegsels herkennen, interpreteren en gebruiken bij vermenigvuldigen met, en delen door machten van 10.)
    Subdomein: een rekenmachine gebruiken

    De kandidaat kan

  • 39 met de rekenmachine optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen en gebruik maken van de functietoetsen voor omgekeerde, kwadraat, wortel en van de +/-toets;

  • 40 met de rekenmachine breuken, procenten, machten en wortels benaderen als decimale getallen;

  • 41 berekeningen met een groeifactor of – percentage uitvoeren.

    Subdomein: beheersen van basisvaardigheden

    De kandidaat kan

  • 42 optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen van eenvoudige breuken, enkelvoudige en samengestelde;

  • 43 verhoudingen vergelijken en omzetten in gewone of decimale breuken, procenten en andere verhoudingen;

  • 44 rekenen met gangbare maten voor lengte, oppervlakte, inhoud, gewicht, tijd, temperatuur en geld;

  • 45 optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen van negatieve getallen.

    Domein C.: Meetkunde Subdomein: maken en interpreteren van voorstellingen van objecten en van hun plaats in de ruimte

    De kandidaat kan

  • 46 ruimtelijke situaties in tekeningen weergeven, zonodig op schaal;

    (Onder meer gebruik maken van kijklijnen, aanzichten, uitslagen, doorsneden, centrale en parallelprojecties, plattegronden, kaarten en hoogtelijnkaarten.)
  • 47 ruimtelijke situaties weergeven met taal of getallen;

    (In het bijzonder:
    • beschrijving in woorden;
    • door middel van benoemen van figuren, waaronder: driehoek, parallellogram, vierkant, rechthoek, ruit, cirkel, kubus, balk, prisma, piramide, cilinder, kegel, bol en andere duidelijk herkenbare terminologie (bijvoorbeeld veelhoek, regelmatige vijfhoek, vierziidige piramide);
    • met coördinaten, twee- en driedimensionaal;
    • met behulp van richting, afstand, hoek, draaiing.)
  • 48 ruimtelijke situaties al dan niet op schaal ruimtelijk weergeven met concreet materiaal;

  • 49 uit de hierboven genoemde voorstellingen en beschrijvingen conclusies trekken over objecten en hun plaats in de ruimte.

    Subdomein: schatten, meten en berekenen

    De kandidaat kan

  • 50 schattingen en metingen uitvoeren van hoeken, draaiingen, lengten, oppervlakten en inhouden van objecten in de ruimte;

  • 51 grootte van hoeken en afstanden in twee- en driedimensionale figuren berekenen;

  • 52 oppervlakte van driehoek, parallellogram en figuren die daaruit zijn samengesteld berekenen;

  • 53 omtrek en oppervlakte van een cirkel berekenen en daarbij formules voor omtrek en oppervlakte (die de kandidaat kent) gebruiken;

  • 54 inhouden van prisma, piramide, kegel en cilinder berekenen en daarbij de formules inhoud = grondvlak × hoogte en inhoud = 1/3 × grondvlak × hoogte (die de kandidaat kent) gebruiken.

    Subdomein: redeneren en tekenen

    De kandidaat kan

  • 55 bij redeneren, tekenen en berekenen gebruik maken van de meetkundige begrippen en eigenschappen;

    (In het bijzonder:
    • evenwijdigheid, gelijke verhoudingen (vergroten en verkleinen), symmetrie (lijn- en draaisymmetrie), draaiing, en andere vormen van regelmaat;
    • eigenschappen van hoeken in driehoeken en in figuren met evenwijdige lijnen;
    • de stelling van Pythagoras;
    • de goniometrische verhoudingen tangens, sinus en cosinus.)
  • 56 vlakke figuren tekenen of aangeven waarom bij onvoldoende of strijdige gegevens een bepaalde figuur niet getekend kan worden.

    Subdomein: instrumenten en apparaten gebruiken

    De kandidaat kan

  • 57 bij berekenen, redeneren en tekenen gebruik maken van instrumenten en apparaten;

    (In het bijzonder:
    • liniaal met schaalverdeling;
    • gradenboog;
    • rechthoekige driehoek;
    • passer;
    • zelfgemaakt gereedschap.)
  • 58 bij berekenen en redeneren gebruik maken van een computerprogramma;

  • 59 bij berekenen gebruik maken van een rekenmachine.

    Domein D.: Informatieverwerking, statistiek en kans Subdomein: statistische gegevens verzamelen, ordenen en weergeven

    De kandidaat kan

  • 60 statistische gegevens verzamelen en weergeven;

    (In het bijzonder:

    · met behulp van tabel, staaf-, cirkel-, lijn-, steelbladdiagram en box-plot.)

  • 61 statistische gegevens samenvatten met behulp van de centrummaten: gemiddelde, modus en mediaan;

  • 62 hierbij een rekenmachine of computer gebruiken.

    Subdomein: analyseren en interpreteren van tabellen, grafische voorstellingen en centrummaten

    De kandidaat kan

  • 63 conclusies trekken uit een situatie;

  • 64 verwachtingen uitspreken over toekomstige situaties met behulp van een zinvolle extrapolatie of intuïtief kansbegrip;

  • 65 uitspraken doen over mogelijkheden en beperkingen van de beschikbare statistische hulpmiddelen in de gegeven situatie.

    Subdomein: analyseren en interpreteren van een graaf

    De kandidaat kan

  • 66 een gegeven situatie, beschreven door tekst, tabel of kaart, door een passende graaf weergeven;

  • 67 bij een graaf een tabel opstellen;

  • 68 conclusies trekken uit een situatie;

  • 69 verwachtingen uitspreken over toekomstige situaties;

    (Redenerend vanuit een model of door combinatorisch tellen van mogelijkheden. Hierbij zonodig gebruik maken van een boomdiagram of intuïtief kansbegrip.)
  • 70 uitspraken doen over mogelijkheden en beperkingen van de graaf als model van de gegeven situatie.

Bijlage 5 [Vervallen per 31-12-2004]

Examenprogramma NATUURKUNDE eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C

Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt.

2. Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op de onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen (met inachtneming van de daarbij aangegeven uitsluitingen tot een nader te bepalen datum) met uitzondering van de eindterm van het domein A Practicum (eindterm 1) voor zover die betrekking heeft op het daadwerkelijk uitvoeren van het practicum en de daarmee verbonden vaardigheid 2. Eveneens uitgezonderd is vaardigheid 5 voor zover die betrekking heeft op het daadwerkelijk werken met de computer. Bij het centraal examen kunnen dus wel vragen worden gesteld en opdrachten gegeven naar aanleiding van beschreven practicum- en computeractiviteiten. De vragen en opdrachten in het centraal examen worden zoveel mogelijk in een herkenbare en inleefbare context gepresenteerd.

3. Het schoolonderzoek

Het schoolonderzoek heeft betrekking op de onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen (met inachtneming van de daarbij aangegeven uitsluitingen tot een nader te bepalen datum). De eindterm van het domein A Practicum (eindterm 1) en de daarmee verbonden vaardigheid 2 kunnen geheel of ten dele vervallen. In dat geval omvat het schoolonderzoek ter vervanging in elk geval een andere activiteit waarin de actieve en praktische zelfwerkzaamheid van de kandidaat op de voorgrond staat en waarbij zoveel als mogelijk wordt voldaan aan de eindterm 1 en vaardigheid 2 (bij voorbeeld: zelfstandige bestudering van een speciaal onderwerp, het maken van een werkstuk, studiebezoek met rapportage daarvan).

De vragen en opdrachten in het schoolonderzoek worden zoveel mogelijk in een herkenbare en inleefbare context gepresenteerd.

Aanwijzingen C en D

Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen, zij het dat voor C de eindtermen 34, 53, 68, 69, 70, 71, 72, 74 en 78 zijn uitgezonderd.

Het onderscheid tussen beide examens berust voorts op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten.

Examenstof

De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen.

De met een * aangegeven eindtermen zijn tot een nader te bepalen datum uitgesloten van het examen.

1. Vaardigheden

De volgende vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen:

De kandidaat kan

  • 1. verbanden leggen tussen natuurkundige begrippen, regels en wetten;

  • 2. eenvoudige natuurkundige experimenten voorbereiden en uitvoeren zoals aangegeven in domein A;

  • 3. natuurwetenschappelijke vaktaal hanteren (algemeen voorkomende natuurwetenschappelijke grootheden; eenheden en relaties); natuurkundige berekeningen uitvoeren met bekende grootheden en relaties, en daarbij de juiste symbolen en eenheden hanteren;

  • 4. informatiebronnen kiezen, uit beschikbare gegevens informatie selecteren en toepassen, en daarbij onderscheid maken tussen feiten en meningen;

  • 5. de computer gebruiken bij het verzamelen of verwerken van gegevens of het inzichtelijk maken van processen;

  • 6. een relatie leggen tussen natuurkundige kennis en vaardigheden en de praktijk van verschillende beroepen;

  • 7. praktische toepassingen en maatschappelijke effecten benoemen van natuurkundige kennis en vaardigheden in verschillende maatschappelijke situaties;

  • 8. in keuzesituaties:

    • relevante natuurkundige en maatschappelijke informatie verzamelen;

    • natuurkundige argumenten voor en tegen verschillende standpunten noemen;

    • argumentatie voor een mening geven.

2. Eindtermen Domein A.: Practicum

De kandidaat kan

  • 1 eenvoudige experimenten voorbereiden en uitvoeren:

    • a. proeven ontwerpen om een eenvoudige probleemstelling te onderzoeken;

      (Zoals de bepaling van: spanning, stroom en weerstand; verband tussen magnetisme en elektrische stroom; snelheid, afstand en versnelling; de valversnelling; krachten; het drijfvermogen; geluids-sterkte; frequentie; stol-/smelt- en kookpunt; warmtegeleiding en isolatie; soortelijke warmte; warmtecapaciteit; het rendement; het spiegelbeeld; voorwerps-, beeld- en brandpuntsafstand; volume, massa en dichtheid [zie ook eindtermen 10, 11, 12, 13, 34, 37, 41, 45, 59, 63 en 64]).
    • b. voorspellingen doen over de uitkomst van een proef;

    • c. practicummaterialen hanteren;

      (Zoals brander, driepoot, gaasje, elektrische kookplaat, elektrische dompelaar, warmtemeter, erlenmeyer, maatcilinder, bekerglas, reageerbuis, reageerbuisknijper, statief, thermometer, barometer, manometer, pipet en hevel, stemvork, toongenerator, oscilloscoop, geluidssterktemeter, balans, massadoos, krachtmeter, liniaal, bimetaal, stopwatch (tijdklok), tijdtikker, luchtkussenbaan, vaste katrol, (dikke) glasplaat, vlakke spiegel, lenzen, optische bank, accu, batterij, zonnecel, metaaldraad, koolweerstand, gloeilamp, L.D.R.- en N.T.C.-weerstand, schuifweerstand, potentiometer, stroom en spanningsmeter, kWh-meter, kompas, div. magneten, elektromagneet, relais, luidspreker en microfoon.)
    • d. bij het uitvoeren van proeven efficiënt en veilig gebruik maken van practicummaterialen;

      (Door o.a.:
      • schoon materiaal gebruiken;
      • veiligheidsbril dragen;
      • juist gebruik brander, gaasje en driepoot;
      • correct verwarmen;
      • zorgvuldig omgaan met afval.)
    • e. enkele technieken uitvoeren;

      (Zoals verwarmen; wegen; meten; schatten.)
    • f. proeven uitvoeren volgens een gegeven voorschrift;

      (Zoals elektrische schema's; tekeningen; beschrijvingen.)
    • g. relevante waarnemingen doen;

      (Over onder andere:
      • spanning, stroom en weerstand;
      • snelheid, afstand en versnelling;
      • geluidssterkte, frequentie;
      • fase-overgangen;
      • warmte-uitwisseling;
      • voorwerps-, beeld en brandpuntsafstand.)
    • h. experimentele gegevens ordenen, overzichtelijk weergeven en er conclusies uit trekken (waar mogelijk per computer);

      (Zoals in diagrammen; schema's; tabellen; tekeningen [ook van een opstelling]; waarnemingen.)
    • i. mondeling of schriftelijk verslag doen van zelf uitgevoerde experimenten;

    • j. resultaten van zelf uitgevoerde proeven toelichten en/of verklaren.

    Domein B.: Stoffen en materialen in huis Subdomein: gebruik van materialen

    De kandidaat kan

  • 2 een verband leggen tussen soorten materialen, hun eigenschappen en praktische toepassingen;

    (Dichtheid; warmtegeleiding; fasen en fase-verandering.)
  • 3 uitleggen hoe door materiaalkeuze rekening kan worden gehouden met effecten voor het milieu;

    (Zuinig met grondstoffen; afvalverwerking; recycling.)
  • 4 uitleggen wanneer een voorwerp zinkt, zweeft of drijft.

    (Dichtheid; wet van Archimedes.) Domein C: Elektrische energie in huis Subdomein: schakelingen

    De kandidaat kan

  • 5 in elektrische schakelingen de componenten naar aard en functie onderscheiden;

    (Het schakelen van elektrische stromen in huis [huisinstallatie], elektrisch circuit van voertuigen [bijv. auto, fiets]).
  • 6 eigenschappen van elektrische stromen verklaren m.b.t. richting, sterkte, warmteontwikkeling, chemische werking en magnetische werking;

  • 7 het principe van een gesloten stroomkring toepassen in serie- en parallelschakelingen;

  • 8 uitleggen hoe een stroomkring beveiligd kan worden en op welk principe de beveiliging berust;

    (Smeltveiligheid; aardlekschakelaar; randaarde; elektrische [‘dubbele’] isolatie; zwakstroomvoorzieningen.)
  • 9 onderscheid maken tussen geleiders en isolatoren en deze begrippen toepassen;

    (Vrije elektronen.)
  • 10 schema's maken en gebruiken bij het bouwen van schakelingen en bij het oplossen van probleemstellingen;

    (Spanningsbron; metaaldraad; koolweerstand; gloeilamp; N.T.C; L.D.R; spanningsmeter; stroommeter; schakelaar.)
  • 11 (I, U)-diagrammen maken en interpreteren;

  • 12 in serie- en parallelschakelingen een relatie leggen tussen spanning en stroom, zowel kwantitatief als kwalitatief.

    (Weerstand afhankelijk van lengte, doorsnede, soort stof en temperatuur; wet van Ohm; vervangingsweerstand; variabele weerstand; potentiometer; stroomvertakking; spanningsdeling.) Subdomein: energiegebruik

    De kandidaat kan

  • 13 de factoren noemen waarvan het energiegebruik in huis afhangt; het totale energiegebruik van elektrische apparaten alsmede de energiekosten berekenen;

    (Vermogen; kWh-meter)
  • 14 beschrijven hoe elektrische energie wordt opgewekt in een (fiets)dynamo;

    (Magnetisme [noordpool, zuidpool, magnetisch veld]; spoel; weekijzer; inductie; wisselspanning.)
  • 15 de werking van een transformator uitleggen en kunnen toepassen in apparaten en bij elektriciteitstransport;

    (Verband tussen spanning en stroom; spoel; weekijzer; inductie.)
  • 16 een beargumenteerde keuze maken uit gelijksoortige elektrische apparaten ten aanzien van energiegebruik, veiligheid en milieu-effecten;

    (Vermogen; spaarlampen; recycling.) Domein D.: Verwarmen en verbranden Subdomein: processen

    De kandidaat kan

  • 17 het verband tussen temperatuur en tijd en temperatuur en warmte verklaren;

    (Thermometer; gasbrander; elektrische kookplaat; elektrische dompelaar.)
  • 18 uitleggen hoe de verspreiding van warmte van verwarmingstoestellen plaatsvindt.

    (Geleiding, stroming en straling; kachel, c.v., radiatoren, vloer- en heteluchtverwarming; verbrandingswarmte.) Subdomein: maatregelen en effecten

    De kandidaat kan

  • 19 de werking van warmte-isolerende maatregelen verklaren;

    (Stilstaande lucht; thermosfles).

  • 20 bij warmte-uitwisseling de energiebalans toepassen, zowel kwantitatief als kwalitatief;

    (Wet van behoud van energie; soortelijke warmte; warmtecapaciteit; smelt- en stollingswarmte; verdampings- en condensatiewarmte; warmtemeter).

  • 21 toelichten dat de ene energievorm omgezet kan worden in een andere energievorm;

    (Wet van behoud van energie; bewegings-, zwaarte-, warmte-, elektrische-, chemische-, stralings-, kernenergie; rendement.)
  • 22 de milieu- en gezondheidseffecten noemen die kunnen optreden als gevolg van overvloedig energiegebruik.

    Subdomein: energiebronnen

    De kandidaat kan

  • 23 beschrijven op welke wijze elektrische energie op grote schaal wordt opgewekt en gedistribueerd;

  • 24 voor- en nadelen noemen van het gebruik van verschillende energiebronnen.

    (Aardgas, steenkool, aardolie, kernenergie, windenergie, waterkracht, aardwarmte, getijdenenergie en biogas).

    Domein E.: Licht en beeld Subdomein: licht zien

    De kandidaat kan

  • 25 beschrijven hoe licht door een vlakke spiegel wordt teruggekaatst;

    (Wetten van terugkaatsing; virtueel beeld.)
  • 26 beschrijven hoe bij het zien, lichtbundels van een directe of indirecte lichtbron in het oog vallen;

    (Rechtlijnigheid van licht; evenwijdige-, convergerende- en divergente lichtbundels; schaduwvorming.)
  • 27 de zichtbare kleuren van het licht noemen;

    (Rood, oranje, geel, groen, blauw, violet.)
  • 28 toelichten dat licht een vorm van straling is en vormen van straling noemen waarvoor het oog niet gevoelig is;

    (Ultraviolet en infrarood.)
  • 29 beschrijven welke optische verschijnselen optreden als licht door een doorschijnend voorwerp valt;

    (Kleurschifting, breking, dikke glasplaat, lens en prisma.)
  • 30 beschrijven welke optische verschijnselen optreden als licht op een gekleurd voorwerp valt.

    (Spiegelende en diffusie terugkaatsing; absorptie.) Subdomein: beeldvorming

    De kandidaat kan

  • 31 beschrijven op welke wijze beeldvorming plaats-vindt bij een positieve lens;

    (Fototoestel, dia-, overheadprojector; loep.)
  • 32 uitgaande van een reëel voorwerp bij een bolle lens het beeld construeren door gebruik te maken van de constructiestralen;

  • 33 de divergerende werking van een negatieve lens uitleggen;

  • 34 berekeningen maken met meetresultaten uit een optische opstelling over voorwerps-, beeld-, brandpuntsafstand en vergroting;

    (Optische bank; lenzenformule; vergrotingsformule.)
  • 35 verband leggen tussen brandpuntsafstand en convergerende werking;

  • 36 beeldvorming toepassen bij het menselijk oog.

    (Bijziendheid, verziendheid; accommodatie.) Domein F.: Geluid horen en maken Subdomein: spraak en muziek

    De kandidaat kan

  • 37 de waarneming, het transport en de produktie van geluid met behulp van natuurkundige begrippen uitleggen en toelichten met behulp van proefopstellingen;

    (Geluidsbronnen; frequentie; trillingstijd; toonhoogte; amplitude; stemvork; muziekinstrumenten [slag, snaar, blaas]; toongenerator; oscilloscoop.)
  • 38 de verandering van de toonhoogte van een snaarinstrument in verband brengen met de lengte en de spanning van de snaar;

  • 39 uitleggen dat geluid zich uitbreidt door een tussenstof van de bron naar de ontvanger met een specifieke geluidssneldheid; hierbij voorbeelden en toepassingen noemen en berekeningen uitvoeren;

    (Geluidssnelheid; echo en echolood.)
  • 40 gegevens interpreteren over het frequentiebereik van het menselijk gehoor en opname- en weergavekarakteristieken van geluidsapparatuur.

    (Trommelvlies; gehoordrempel; pijngrens.) Subdomein: geluidshinder

    De kandidaat kan

  • 41 geluidssterkte meten en bronnen van geluidshinder aangeven;

    (Amplitude; geluidsstrektemeter.)
  • 42 de mogelijke gezondheidsschade in verband brengen met de geluidssterkte en de afstand en suggesties doen voor maatregelen tegen geluidshinder;

    (Geluidswal, geluidsscherm en gehoorbeschermers.) Subdomein: opnemen en weergeven van geluid

    De kandidaat kan

  • 43 kennis over elektriciteit en magnetisme toepassen om uit te leggen hoe van een elektrisch signaal een geluidssignaal kan worden gemaakt en omgekeerd;

    (Elektromagneet; luidspreker; microfoon.) Domein G.: Krachten en veiligheid Subdomein: soorten en eigenschappen

    De kandidaat kan

  • 44 verschillende soorten krachten onderscheiden en hiervan de uitwerking en toepassing beschrijven;

    (Spierkracht, veerkracht, zwaartekracht, wrijvingskracht, magnetische kracht, elektrische kracht; grootte en richting; veerunster.)
  • 45 *. het principe van een vaste katrol verklaren en toepassen;

  • 46 een kracht weergeven als een vector en hiermee krachten samenstellen en ontbinden;

    (Reactie-, normaal- en spankracht.)
  • 47 *. de relatie tussen kracht en oppervlakte gebruiken om de druk te berekenen;

    (Schaats, zaag, schaar, sneeuwschoen, rupsband, fundering, etc.)
  • 48 *. het begrip vloeistofdruk verklaren en toepassen;

    (Wet van Pascal; hydraulische remmen; hefwerktuigen; persen.)
  • 49 *. toepassingen van hefbomen (in evenwicht) noemen en het nut verklaren;

    (Momentenwet.)
  • 50 *. de begrippen arbeid en vermogen toepassen bij werktuigen;

    (Formules voor arbeid en vermogen; potentiële energie.)
  • 51 *. de ligging van het massamiddelpunt bij een homogene balk en staaf bepalen en weten dat in dat punt de zwaartekracht aangrijpt.

    Subdomein: verkeer en veiligheid

    De kandidaat kan

  • 52 berekeningen maken over de snelheid en de afgelegde weg van rijdende voertuigen;

    (Eenparige rechtlijnige beweging; formules voor snelheid en afgelegde weg.)
  • 53 berekeningen maken bij een eenparige cirkelbeweging;

    (Omtreksnelheid; toerental; overbrengingen.)
  • 54 de relatie tussen massa en versnelling gebruiken om de kracht te berekenen;

  • 55 de krachten noemen die een rol spelen bij een rijdend voertuig;

    (Aandrijfkracht; lucht- en rolweerstand.)
  • 56 de factoren noemen die een rol spelen bij het versnellen en in verband hiermee berekeningen maken met de afgelegde weg, versnelling, tijd en de snelheidstoename;

    (Formules voor snelheid en afgelegde weg; kinetische energie; gemiddelde snelheid.)
  • 57 de factoren noemen die een rol spelen bij het vertragen en in verband hiermee berekeningen maken met de remweg, remtijdvertraging, reactietijd en snelheidsafname;

    (Formules voor snelheid en afgelegde weg; kinetische energie; gemiddelde snelheid.)
  • 58 de factoren noemen die een rol spelen bij een vrije val en in verband hiermee berekeningen maken met de valhoogte, valtijd en de snelheid;

    (Formules voor snelheid en valhoogte; wet van behoud van energie; potentiële energie; kinetische energie.)
  • 59 (s, t)- en (v, t)-diagrammen maken en interpreteren;

  • 60 het traagheidsbeginsel toepassen bij een rechtlijnige beweging met constante snelheid en verschijnselen van traagheid verklaren die zich bij snelheidsverandering voordoen;

  • 61 bij botsen beschrijven hoe de optredende effecten kunnen worden beïnvloed;

    (Veiligheidsgordel; veiligheidshelm; kreukelzone; hoofdsteun.)
  • 62 beschrijven welke effecten de rij-omstandigheden hebben op de veiligheid, zowel kwantitatief als kwalitatief.

    (Reactietijd, rijsnelheid, staat van de banden en het wegdek.) Domein H.: Het weer Subdomein: temperatuur en luchtdruk

    De kandidaat kan

  • 63 de temperatuur meten en de werking van een thermometer verklaren;

    (Vloeistofthermometer; bimetaalthermometer; absolute temperatuur; relatie tussen de schalen van Celsius en Kelvin.)
  • 64 luchtdruk meten en de luchtdruk in verband brengen met de hoogte;

    (Druk, luchtdruk, gasdruk, onderdruk, overdruk, absolute druk; barometer, manometer.) Subdomein: verschijnselen in de vrije natuur

    De kandidaat kan

  • 65 *. het ontstaan van wolken en neerslag beschrijven met behulp van fasen en fase-overgangen;

    (Regen, hagel, sneeuw, ijs, rijp, condens, luchtdruk-[verschil], dauwpunt.)
  • 66 *. het verschijnsel bliksem verklaren uit een elektrisch spanningsverschil tussen de aarde en de onderkant van wolken of tussen wolken onderling en uit de stroomsterkte (ontlading) door de lucht;

  • 67 *. maatschappelijke aspecten en aspecten van veiligheid en gezondheid noemen in verband met weersverschijnselen, lucht- en bodemverontreiniging en luchtvochtigheid.

    Domein I.: Straling en stralingsbescherming Subdomein: straling

    De kandidaat kan

  • 68 bronnen van ioniserende straling noemen en soorten ioniserende straling onderscheiden.

    (Atoom, kern, proton, neutron, elektron, isotoop; alpha-, bèta- en gamma-straling.) Subdomein: radio-actief verval

    De kandidaat kan

  • 69 radio-actief verval beschrijven als het veranderen van atoomkernen.

    (Stabiele en instabiele kernen; halveringstijd; activiteit.) Subdomein: toepassing in de gezondheidszorg

    De kandidaat kan

  • 70 toelichten welke rol straling speelt bij tracers, röntgenfotografie en bestraling;

  • 71 de werking uitleggen van maatregelen tegen ongewenste blootstelling aan straling en tegen het opnemen van radio-actieve stoffen;

    (Absorptie van straling; dracht; doordringend vermogen.)
  • 72 maatregelen noemen om nadelige effecten van het gebruik van straling en radio-actieve stoffen voor mens en milieu te beperken.

    (Opslag afval) Domein J.: Bouw van materie Subdomein: gassen

    De kandidaat kan

  • 73 *. in eenvoudige gevallen de wet van Boyle toepassen;

  • 74 *. in eenvoudige gevallen de algemene gaswet toepassen.

    Subdomein: atomen

    De kandidaat kan

  • 75 de bouw van een atoom beschrijven in termen van atoomkernen, elektronen;

    (Protonen; neutronen; stabiele en instabiele atoomkernen; isotopen.)
  • 76 de positieve of negatieve lading van een voorwerp beschrijven in termen van een tekort of overschot aan elektronen;

    (Elektroscoop; neutraal lichaam.)
  • 77 de stroomgeleiding in metalen interpreteren als een transport van elektronen.

    (Vrije elektronen.)
  • 78 de werking van ioniserende straling in verband brengen met de vorming van ionen;

    Subdomein: moleculen

    De kandidaat kan

  • 79 *. macroscopische verschijnselen uiteenzetten in termen van moleculen;

    (Cohesie en adhesie; fasen en fase-verandering; uitzetten.)
  • 80 *. uitleggen waarvan de snelheid van verdampen afhangt (kwalitatief).

    (Oppervlakte, temperatuur en dampafvoer.)

Bijlage 6 [Vervallen per 31-12-2004]

Examenprogramma SCHEIKUNDE

eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C

Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt.

2. Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op de onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen met uitzondering van het domein A Practicum (eindterm 1) voor zover die betrekking heeft op het daadwerkelijk uitvoeren van het practicum, en de daarmee verbonden vaardigheid 2. Eveneens uitgezonderd is vaardigheid 5 voor zover die betrekking heeft op het daadwerkelijk werken met de computer. Bij het centraal examen kunnen dus wel vragen worden gesteld en opdrachten gegeven naar aanleiding van beschreven practicum- en computeractiviteiten.

De vragen en opdrachten in het centraal examen worden zoveel mogelijk in een herkenbare en inleefbare context gepresenteerd.

3. Het schoolonderzoek

Het schoolonderzoek heeft betrekking op de onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen. De vragen en opdrachten in het schoolonderzoek worden zoveel mogelijk in een herkenbare en inleefbare context gepresenteerd.

Aanwijzingen C en D

Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen, zij het dat voor C de eindtermen 30, 33, 43, 55, 59, 60, 62, 64, 65, 73, 74, 75, 76, 77, 78, 79, 87, 88, 90, 91, 92 en 93 zijn uitgezonderd. Bovendien zijn van de hierna volgende eindtermen de daarachter vermelde gedeelten van de specificaties niet voor C van toepassing:

domein

nr. eindterm/specificatie

D. Bouw van de materie

28 isotopen; gemiddelde atoommassa

E. Stoffen: soorten, bouw, formules

44 formule stof →

hoeveelheid stof waarin een bepaalde hoeveelheid van een atoomsoort voorkomt massapercentage van een

atoomsoort →

hoeveelheid stof waarin een bepaalde hoeveelheid van een atoomsoort voorkomt (bijvoorbeeld hoeveel erts nodig is om een bepaalde hoeveelheid metaal te verkrijgen)

52 in verbinding met andere deeltjes: O⁲¯

Het onderscheid tussen beide examens berust voorts op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten.

Examenstof

De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen.

1. Vaardigheden

De volgende vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen:

De kandidaat kan

  • 1. verbanden leggen tussen scheikundige begrippen, regels en wetten;

  • 2. eenvoudige experimenten voorbereiden en uitvoeren, zoals aangegeven is in domein A;

  • 3. natuurwetenschappelijke vaktaal hanteren:

    • algemeen voorkomende natuurwetenschappelijke grootheden, eenheden en relaties hanteren;
    • stoffen en reacties beschrijven met scheikundige nomenclatuur en formuletaal;
    • scheikundige rekenmethodes toepassen bij stoffen en reacties.
  • 4. informatiebronnen kiezen en uit beschikbare gegevens informatie selecteren en toepassen en daarbij onderscheid maken tussen feiten en meningen;

  • 5. de computer gebruiken bij het verzamelen of verwerken van gegevens of het inzichtelijk maken van processen;

  • 6. een relatie leggen tussen scheikundige kennis en vaardigheden en de praktijk van verschillende beroepen;

  • 7. praktische toepassingen en maatschappelijke effecten benoemen van scheikundige kennis en vaardigheden, in verschillende maatschappelijke situaties;

  • 8. in keuzesituaties:

    • relevante scheikundige en maatschappelijke informatie verzamelen;
    • verschillende gedragsmogelijkheden noemen;
    • argumenten voor eigen mening geven.
2. Eindtermen Domein A.: Practicum

De kandidaat kan

  • 1 eenvoudige experimenten voorbereiden en uitvoeren:

    • a. experimenten ontwerpen om een eenvoudige probleemstelling te onderzoeken;

      • mengsels scheiden door middel van filtreren, indampen en adsorberen
      • (verschil in) elektrische geleiding kwalitatief nagaan
      • al dan niet oplosbaar zijn nagaan
      • aanwezigheid van CO2, H2O en O2 nagaan
      • (verschil in) zuurgraad nagaan
      • aanwezigheid van bepaalde ionen met behulp van een oplosbaarheidstabel nagaan
    • b. voorspellingen doen over de uitkomst van een proef;

    • c. practicummaterialen hanteren;

      • bekerglas, brander, driepoot, druppelpipet, erlenmeyer, gaasje, horlogeglas, injectiespuit, kolf, kroesje, kroezentang, maatcylinder, reageerbuis, reageerbuisknijper, spatel, spuitfles, statief, thermometer, trechter
    • d. bij het uitvoeren van experimenten efficiënt en veilig gebruik maken van practicummaterialen en chemicaliën;

      • schoon materiaal gebruiken
      • juiste hoeveelheden gebruiken
      • veiligheidsbril dragen
      • juist gebruik brander
      • correct verwarmen
      • reageerbuis niet op een ander richten
      • bij schenken etiket op flessen naar boven
      • stoppen op flessen doen
      • voorzichtig schudden van vloeistof
      • afnemen gemorste chemicaliën
      • zorgvuldig omgaan met afval
    • e. enkele technieken uitvoeren;

      • adsorptie met norit
      • elekrolyseren
      • filtreren
      • gas boven water opvangen
      • indampen
      • nagaan of een oplossing stroom geleidt
      • oplossen
      • pH bepalen met universeelindicatorpapier
      • titreren
      • verwarmen
      • wegen
      • mengen, o.a. met behulp van een emulgator
    • f. enkele aantoningsreacties uitvoeren;

      • CO2 met kalkwater
      • H2O met wit kopersulfaat
      • O2 met een gloeiende houtspaander
      • aanwezigheid van zuren en basen met lakmoes, fenolftaleïen en universeelindicatorpapier
      • mogelijke aanwezigheid van bepaalde ionen met behulp van gegevens uit een oplosbaarheidstabel
    • g. experimenten en bepalingen uitvoeren volgens een gegeven voorschrift;

    • h. relevante waarnemingen doen;

      • emulsie en suspensie
      • fase-overgangen
      • gasontwikkeling
      • geur
      • kleur en kleurverandering
      • neerslag (ontstaan en verdwijnen)
      • oplossen
      • stroomgeleiding
      • warmte-effect
    • i. experimentele gegevens ordenen, overzichtelijk weergeven en er conclusies uit trekken;

      • diagrammen, schema's, tabellen, tekeningen (ook van een opstelling), waarnemingen
    • j. mondeling of schriftelijk verslag doen van zelf uitgevoerde experimenten en resultaten van zelf uitgevoerde experimenten toelichten en/of verklaren.

    Domein B.: Stoffen, in en om het huis Subdomein: water

    De kandidaat kan

  • 2 schriftelijk of mondeling weergeven wat het verschil is tussen hard en zacht water, nadelen van het gebruik van hard water noemen en manieren noemen om water te ontharden;

    • verschil: hoeveelheid aanwezige Ca²+ en/of Mg²+ ionen
    • nadelen: ketelsteen, kalkaanslag, kalkzeep (ontkalking van apparaten)
    • manieren om te ontharden: koken, neerslagreactie uitvoeren, ionenwisselaar toevoegen
  • 3 de betekenis en functie van het gebruik van water als oplosmiddel, als spoelmiddel en als middel bij de bereiding van voedsel beschrijven.

    • oplosbaarheid van krijt, suiker, keukenzout, olie, vet, alcohol, zuurstof, ammoniak en waterstof
    • spoelmiddel bij gebruik van zeep en wasmiddelen
    Subdomein: reinigingsmiddelen en andere stoffen

    De kandidaat kan

  • 4 zeggen dat zeep en wasmiddelen vetachtige stoffen oplossen;

    • wasactieve deeltjes, hydrofiele kop, hydrofobe staart
  • 5 zure en basische reinigingsmiddelen noemen;

    • zuur: azijn, mierezuur, zoutzuur, ontkalkingsmiddelen
    • basisch: soda, loog, ammonia, bleekwater, gootsteenontstopper
  • 6 een aantal oplosmiddelen en hun toepassing noemen;

    • alcohol: cosmetica
    • aceton: nagellak
    • wasbenzine: vet
  • 7 voorbeelden en kenmerken van kosmetische produkten (met reinigende werking) noemen en beschrijven hoe zo'n kosmetisch produkt kan worden bereid.

    • (reinigings)crème of -melk: emulsie van water in olie of olie in water
    • tandpasta: slijpmiddel (bijvoorbeeld krijt)
    • zeep
    Subdomein: metalen

    De kandidaat kan

  • 8 eigenschappen van metalen noemen, het verschil tussen edele en onedele metalen beschrijven en van een aantal metalen zeggen of ze edel of onedel zijn;

    • glanzend uiterlijk, geleiding van warmte en elektriciteit, vervormbaarheid
    • corrosie, etsen, roesten
    • edel: goud, zilver, platina
    • onedel: natrium en calcium (reactie met water), aluminium, ijzer, zink, lood, magnesium, chroom
  • 9 uitleggen waarom bij bepaalde onedele metalen nauwelijks corrosie optreedt en zeggen dat aantasting van (andere) metalen kan worden tegengaan door het metaal ergens mee te bedekken;

    • oxidehuidje
    • verf, vet, glas (email), teer, ander metaal (verchromen, blik, gegalvaniseerd ijzer)
  • 10 zeggen wat een legering is en van een aantal voorbeelden van legeringen de samenstellende bestanddelen noemen;

    • brons: tin en koper
    • amalgaam: kwik en ander metaal
    • messing: koper en zink
    • soldeer: lood en tin
  • 11 toepassingen noemen van een aantal metalen en legeringen;

    • aluminium: vliegtuigbouw, kozijnen, huishoudelijke artikelen
    • ijzer: velerlei, waaronder staal
    • koper: waterleidingbuis, elektriciteitsdraad
    • lood: verzwaring, accu's, daklood
    • magnesium: vliegtuigbouw
    • nikkel: munten
    • zink: dakgoot
    • goud: sieraden
    • brons: beelden, munten, kerkklokken
    • zilveramalgaam: tandvulling
    • messing: siervoorwerpen, muziekinstrumenten
  • 12 zeggen wat ‘zware’ metalen zijn en van enige zware metalen (lood, kwik), zeggen dat ze als zodanig of in verbindingen giftig zijn.

    Subdomein: kunststoffen

    De kandidaat kan

  • 13 zeggen dat polymeren stoffen zijn met zeer grote molekulen, die gevormd worden door aaneenschakeling van een groot aantal kleine molekulen;

    • macromolekulen
    • plastics
    • monomeren
    • thermoplasten en thermoharders (gedrag bij verwarmen, structuur)
  • 14 voordelen noemen van het toepassen van polymeren op allerlei terreinen.

    • gunstige prijs
    • eenvoudige manier van verwerken (vorm, kleur)
    • grote variatie in mogelijke eigenschappen (geen aantasting door chemicaliën, isolerende werking, variatie in hardheid, elastisch gedrag, buigzaamheid, sterkte, doorzichtigheid)
    Subdomein: milieu en veiligheid bij de omgang met stoffen

    De kandidaat kan

  • 15 zeggen welke gevaren het gebruik van bepaalde stoffen met zich meebrengt, hoe deze gevaren kunnen worden aangegeven en hoe deze gevaren zijn tegen te gaan;

    • agressiviteit van bleekwater, gootsteenontstopper en accuzuur
    • aantasting van huid en slijmvliezen door zuren en basen
    • brandbaarheid van aardgas, benzine en spiritus
    • giftigheid van huishoudchemicaliën
    • pictogrammen (licht ontvlambaar, giftig, schadelijk en/of prikkelend, bijtend, explosief)
    • dragen beschermingsmiddelen (bril, handschoenen) bij omgaan met zuren en basen
    • spoelen met water bij aantasting van huid of slijmvliezen door zuren en basen
  • 16 beschrijven wat de gevolgen zijn voor het milieu van lozing en verwerking van (afval)stoffen en een aantal manieren noemen om verantwoord met afval om te gaan;

    • lozing van zure stoffen: zure regen, pH en levensprocessen in grond, water en lucht (zie 72)
    • ontzurende werking van kalk in grond, aantasting kalksteen
    • thermische verontreiniging van water
    • gescheiden inzamelen van glas, batterijen, verfresten, afgewerkte olie, overtollige geneesmiddelen
  • 17 beschrijven wat de gevolgen voor het milieu en de gezondheid zijn van de verbranding van brandstoffen en uitleggen dat deze gevolgen ook elders en in de toekomst merkbaar zijn.

    • SO2: luchtverontreiniging, zure regen
    • NO en NO2: zure regen
    • CO2: broeikaseffect
    Domein C.: Produktie van stoffen Subdomein: drinkwater

    De kandidaat kan

  • 18 verschillen en overeenkomsten tussen drinkwater, zeewater, regenwater, oppervlaktewater en grondwater noemen;

  • 19 toelichten waarom bij drinkwaterbereiding water gezuiverd moet worden, welke methoden daarbij gebruikt worden en wat de functie van elke zuiveringsmethode is.

    Subdomein: metalen

    De kandidaat kan

  • 20 zeggen dat de meeste metalen bereid worden uit verbindingen die in de natuur voorkomen;

    • erts
  • 21 enkele bereidingsprocessen van metalen beschrijven.

    • reactie van het oxide met koolstof of koolstofmono-oxide (koper, ijzer in hoogovens)
    • elektrolyse (onedele metalen)
    Subdomein: aardolieprodukten

    De kandidaat kan

  • 22 zeggen dat aardolie in raffinaderijen bewerkt wordt tot allerlei soorten brandstoffen en andere produkten;

    • samenstelling aardolie (koolwaterstoffen, zwavelverbindingen)
    • ontzwavelen van brandstoffen uit aardolie
    • fracties, kooktrajecten
    • verband kooktraject en molekuulgrootte
    • kraken van aardolie (onverzadigde verbindingen)
    • brandstoffen: LPG, benzine, petroleum, dieselolie, stookolie
    • andere produkten: plastics, kaarsen, smeerolie, asfalt
  • 23 zeggen dat onverzadigde verbindingen kunnen polymeriseren tot kunststoffen.

    Subdomein: andere stoffen

    De kandidaat kan

  • 24 zeggen dat koolstofdioxide en water door planten onder invloed van licht kunnen worden omgezet in (of reageren tot) glucose en zuurstof;

    • fotosynthese
  • 25 zeggen dat wijn en bier kunnen worden verkregen door omzetting van glucose in alcohol en koolstofdioxide.

    • vergisting
    Domein D.: Bouw van de materie

    De kandidaat kan

  • 26 zeggen dat stoffen uit molekulen, atomen of ionen zijn opgebouwd;

  • 27 zeggen dat molekulen zijn opgebouwd uit atomen;

    • molekulen trekken elkaar aan
    • molekulen gaan sneller bewegen hij hogere temperatuur
  • 28 de bouw van een atoom beschrijven met behulp van protonen, neutronen, elektronen en hun plaats in dat atoom;

    • notatie van een elektron: e
    • kern
    • elektronenwolk
    • atoomnummer
    • massa en lading van een neutron, proton en elektron
    • element is atoomsoort
    • kernlading
    • atoommassa
    • isotopen
    • gemiddelde atoommassa
  • 29 zeggen dat er ongeveer 100 atoomsoorten zijn en de symbolen en namen geven van een aantal atoomsoorten;

    • Ag, Al, Ba, Br, C, Ca, Cd, Cl, Cr, Cu, F, Fe, H, He, Hg, I, K, Mg, N, Na, Ne, O, P, Pb, S, Si, Sn, Zn
  • 30 zeggen hoe in het Periodiek Systeem de atoomsoorten gerangschikt zijn;

    • periode
    • groep
    • namen groep 17 en 18
    • valentie atoomsoorten groep 1, 2, 16 en 17
  • 31 zeggen dat bij het opnemen van elektronen negatieve, en bij het afstaan van elektronen positieve ionen ontstaan;

  • 32 de notaties en namen van een aantal ionen geven;

    • Ag+, Al³+, Ba²+, Ca²+, Cu²+, Fe³+, Fe²+, H+, K+, Na+, NH4+, Mg²+, Pb²+, Sn²+, Zn²+, Br¯, CO32-¯, Cl¯, F¯, I¯, O2¯, OH¯, NO3¯, PO4³¯, S²¯, SO4²¯
  • 33 het verband aangeven tussen de kernlading, het aantal elektronen en de ionlading;

  • 34 met behulp van molekulen, atomen en ionen een aantal begrippen en processen beschrijven.

    • toestand van een stof (s, l, g, aq)
    • zuivere stof
    • mengsel
    • scheiden van mengsels
    • molekuulmassa
    • niet ontleedbare stof
    • ontleedbare stof (verbinding)
    • chemische reacties
    • atoombinding
    • structuurformule (aantal atoombindingen bij C, H, F, Cl, Br en I)
    • ionbinding
    • zouten
    • elektrische geleiding
    • oplossen van zouten in water
    Domein E.: Stoffen: soorten, bouw en formules Subdomein: algemeen

    De kandidaat kan

  • 35 zeggen wat de meest voorkomende atoomsoorten zijn;

    • op aarde als niet ontleedbare stof: Au, C, N, 0, edelgassen
    • aardkorst: Si en 0; kern van de aarde: Fe en Ni; lucht: N en O; levende wezens: Ca, C, H, O en N; zon: H en He
  • 36 groepen van niet ontleedbare stoffen met overeenkomstige eigenschappen noemen;

    • metalen, edelgassen, halogenen
  • 37 eigenschappen noemen van enkele niet ontleedbare stoffen;

    • chloor: scherpe geur, giftig
    • fosfor, koolstof, waterstof en zwavel: brandbaar
  • 38 betekenis en toepassingen noemen van enkele niet ontleedbare stoffen;

    • zuurstof: verbranding, ademhaling
    • helium: luchtballon
    • zwavel: lucifers
    • argon: gloeilamp
    • neon: reclameverlichting
    • koolstof: brandstof (steenkool, cokes); potloden (grafiet); boorkoppen (diamant)
    • silicium: transistors, chips
  • 39 van enkele atoomsoorten belangrijke verbindingen noemen.

    • fosfor: fosfaten
    • stikstof: eiwitten, kunstmest, ammonia
    • zwavel: zwavelzuur, luchtvervuiling door SO2
    • chloor: keukenzout, bleekwater
    • koolstof: koolwaterstoffen
    • fluor: fluoridetabletjes
    Subdomein: stoffen en formules

    De kandidaat kan

  • 40 zeggen wat de formule van een moleculaire stof aangeeft en de aanduidingen mono, di, tri en tetra gebruiken bij de naamgeving en het opstellen van formules;

    • molekuulformule
  • 41 de molekuulformule van een aantal stoffen geven;

    water, waterstofperoxide, ammoniak, koolstofmono-oxide, koolstofdioxide, zwaveldioxide, zwaveltrioxide, zuurstof, waterstof, halogenen, soda, keukenzout, alcohol, glucose (naast elders genoemde stoffen)
  • 42 de naam geven van een zout dat bestaat uit een combinatie van bekende ionen, en de formule van een zout geven als de notatie van de ionen die er in voorkomen bekend of gegeven is;

    • bekende ionen: zie 32
    • aanduiding I, II, III en IV
  • 43 aan de hand van een gegeven formule van een zout en de valentie van één van de ionsoorten de lading van het andere ion afleiden;

  • 44 de hoeveelheid van een atoomsoort in een stof berekenen.

    • formule stof →
      • - massaverhouding tussen atoomsoorten
      • - massapercentage van een atoomsoort
      • - hoeveelheid van een atoomsoort in een bepaalde hoeveelheid stof
      • - hoeveelheid stof waarin een bepaalde hoeveelheid van een atoomsoort voorkomt
    • massapercentage van een atoomsoort →
      • - hoeveelheid van een atoomsoort in een bepaalde hoeveelheid stof (bijvoorbeeld metaalgehalte in een erts)
      • - hoeveelheid stof waarin een bepaalde hoeveelheid van een atoomsoort voorkomt (bijvoorbeeld hoeveel erts nodig is om een bepaalde hoeveelheid metaal te verkrijgen)
    Subdomein: zuivere stoffen en mengsels

    De kandidaat kan

  • 45 eigenschappen noemen waaraan een stof herkend kan worden;

    • fase bij normale druk en temperatuur
    • kleur
    • geur
    • oplosbaarheid in water
    • kookpunt
    • smeltpunt
    • elektrische geleiding
  • 46 van de in dit programma genoemde stoffen de fase bij normale temperatuur en druk en/of de geur en/of de kleur noemen;

    • fase niet van H2O2, SO3, HNO3, H3PO4, HAc, H2CO3, alkenen, halogeenalkanen
    • geur: zwaveldioxide, chloor
    • kleur: broomwater, fenolftaleïen, lakmoes, oplossingen van koperzouten
  • 47 verschillen noemen tussen een zuivere stof en een mengsel;

    • stol- en smeltdiagrammen
    • zuivere stof: kookpunt, smeltpunt, niet te scheiden
    • mengsel: kooktraject, smelttraject, residu na indampen of filtreren, het troebel zijn
  • 48 van een aantal stoffen zeggen of het zuivere stoffen of mengsels zijn en van de mengsels de samenstelling aangeven;

    • zuiver: suiker, keukenzout, gedestilleerd water
    • mengsel: leidingwater, melk, limonade, frisdranken, wijn, bier, jenever, spiritus, azijn, ammonia, kosmetische produkten en lucht
  • 49 soorten mengsels noemen en beschrijven;

    • suspensie, emulsie, schuim, rook, nevel
    • oplossing: verzadigd-onverzadigd; verdund-geconcentreerd; oplosbaarheid afhankelijk van temperatuur (hogere temperatuur: meer vaste stof, minder gas)
  • 50 een aantal scheidingsmethoden noemen, van elke methode zeggen waarop deze berust en van elke methode een of meer toepassingen noemen.

    • filtreren (filter, filtraat, residu)
    • indampen (residu)
    • destilleren (destillaat, residu)
    • extraheren
    • adsorberen (actieve kool)
    • toepassingen: bereiding van gedestilleerd water en van sterk alcoholische dranken, destillatie van aardolie, zetten van thee/koffie, bouillon trekken, zoutwinning, gasmasker, circulatiekap
    Subdomein: zure en basische stoffen

    De kandidaat kan

  • 51 zeggen dat zure stoffen (opgelost in water) H+ ionen kunnen afstaan en basische stoffen (opgelost in water) H+ ionen kunnen opnemen;

  • 52 de naam en formule van een aantal zure en basische stoffen geven;

    • HNO3, HCI, H2SO4, H3PO4, H2CO3, HAc en NH3 en in verbinding met andere deeltjes OH¯ en CO3²¯
    • in verbinding met andere deeltjes: O²¯
  • 53 van een zure stof met bekende formule (zie 52) met een vergelijking de volledige splitsing in ionen weergeven en uit een gegeven formule van een zure stof de formule van het negatieve ion afleiden;

    • geen trapsgewijze ionisatie
    • zuurrestion
  • 54 de naam van een aantal zure en basische oplossingen en de formules van de deeltjes die daarin voorkomen, geven en enkele eigenschappen van zure en basische oplossingen noemen;

    • zoutzuur
    • kalkwater, natronloog, ammonia
    • zure oplossingen: stroomgeleiding, vorming waterstof aan negatieve elektrode, etsende werking
    • basische oplossingen: stroomgeleiding en ontvettende werking
  • 55 het verschil tussen zwakke en sterke zuren uitleggen en van een aantal zure stoffen zeggen of het zwakke of sterke zuren zijn;

    • HNO3, HCI, H2SO4, H2CO3 en HAc
  • 56 een aantal indicatoren noemen en beschrijven hoe met behulp van een indicator kan worden nagegaan of een oplossing zuur, basisch of neutraal is;

    • rodekoolsap
    • universeelindicatorpapier
    • oplossing van lakmoes: in zure oplossing rood, in basische oplossing blauw
    • oplossing van fenolftaleïen: in zure oplossing kleurloos, in basische oplossing paarsrood
  • 57 de pH-schaal gebruiken om de mate van zuur of basisch zijn van een oplossing uit te drukken en het kwalitatief verband aangeven tussen de concentratie van H+ c.q. OH¯ ionen en de pH van een waterige oplossing.

    Subdomein: koolstofverbindingen

    De kandidaat kan

  • 58 molekulen van koolstofverbindingen beschrijven en in molekuulformule en structuurformule weergeven;

    • vertakte en onvertakte ketens
    • verzadigde en onverzadigde verbindingen
  • 59 van stoffen zeggen of ze isomeren van elkaar zijn als de structuurformules van die stoffen gegeven zijn;

  • 60 bij een gegeven structuurformule de structuurformule van een of meer isomeren geven;

    • alkanen, alkenen, halogeenalkanen tot maximaal 6 koolstofatomen in de hoofdketen
  • 61 de algemene formule van de alkanen geven, van een gegeven formule zeggen of deze van een alkaan is, en naam en formules van enige alkanen geven;

    • naam → molekuul- en structuurformule
    • structuurformule → naam en molekuulformule
    • molekuulformule → mogelijke structuurformules en bijbehorende namen
    • maximaal 6 koolstofatomen in hoofdketen; niet meer dan twee methylgroepen; geen ethylgroep
  • 62 naam en formules van enige halogeenalkanen geven;

    • naam → molekuul- en structuurformule
    • structuurformule → naam en molekuulformule
    • molekuulformule → mogelijke structuurformules en bijbehorende namen (maximaal 6 koolstofatomen in de hoofdketen; één of twee halogeenatomen; geen halogeenatomen in een zijketen)
  • 63 de algemene formule van de alkenen geven, van een gegeven formule zeggen of deze van een alkeen kan zijn, en naam en formules van enige alkenen geven;

    • dubbele binding
    • van etheen en propeen
      • - naam → molekuul- en structuurformule
      • - structuurformule → naam en molekuulformule
      • - molekuulformule → structuurformule en naam
  • 64 enige reacties van alkenen beschrijven;

    • openspringen van dubbele binding
    • polymerisatie
    • reactie met broom, chloor en waterstof (geen substitutie; koolstofverbindingen in molekuulformules en structuurformules)
  • 65 bij een gegeven monomeer een stukje polymeer tekenen en de bijbehorende naam geven.

    • monomeer: etheen, propeen, chlooretheen
    • ten minste drie eenheden
    Domein F.: Reacties Subdomein: algemeen

    De kandidaat kan

  • 66 chemische reacties beschrijven als processen waarbij een of meer stoffen verdwijnen en één of meer stoffen ontstaan;

    • beginstoffen
    • reactieprodukten
  • 67 een proces herkennen als chemische reactie;

    • voorbeelden uit het dagelijks leven (verschillende manieren van voedselbereiding, roesten van ijzer, verbrandingen)
  • 68 zeggen dat de totale massa van stoffen die bij een reactie betrokken zijn, niet verandert;

    • elementbehoud
    • lading voor pijl = lading na pijl
    • massabehoud (reacties in open en afgesloten vaten; ontwijken van gas uit reactiemengsel; reacties op een balans)
  • 69 de massa van één van de stoffen die bij een reactie betrokken zijn, berekenen als de massa's van de andere stoffen gegeven zijn;

  • 70 van een reactie waarvan beginstoffen en reactieprodukten gegeven zijn, de reactievergelijking opschrijven;

  • 71 van een reactie waarvan de beginstoffen en de reactieprodukten gekend moeten worden de reactievergelijking opschrijven;

  • 72 de factoren noemen die invloed hebben op de snelheid van een reactie en zeggen hoe de invloed van die factoren is.

    • temperatuur
    • verdelingsgraad
    • concentratie
    • katalysator [enzymen]
    • pH: conserveren in zure oplossingen; enzymreacties; pH van grond en invloed op plantengroei
    Subdomein: rekenen aan reacties

    De kandidaat kan

  • 73 zeggen dat stoffen in vaste massaverhoudingen bij een reactie betrokken zijn;

    • overmaat (ook in verband met verspilling van grondstoffen die niet in de goede verhoudingen zijn gemengd)
  • 74 een diagram tekenen op basis van een serie meetgegevens van stoffen die bij een reactie betrokken zijn of op basis van de massaverhouding waarin deze stoffen bij die reactie betrokken zijn;

    • gegevens kunnen betrekking hebben op hoeveelheden beginstoffen, reactieprodukten, overmaat van één van de stoffen, massaverandering reactievat met inhoud
  • 75 uit een diagram de massaverhouding afleiden waarin twee stoffen bij een reactie betrokken zijn;

  • 76 op basis van een gegeven reactievergelijking de massaverhouding waarin de stoffen bij een reactie betrokken zijn, berekenen;

  • 77 op basis van een gegeven massaverhouding of reactievergelijking uit de massa van één van de bij die reactie betrokken stoffen de massa's van de overige betrokken stoffen berekenen;

  • 78 op basis van een gegeven massaverhouding of reactievergelijking en de massa's van twee beginstoffen berekenen welke van deze stoffen in overmaat aanwezig is;

  • 79 de massa's van stoffen die bij een reactie betrokken zijn, omrekenen naar volume of omgekeerd als de massa van een bepaald volume van die stoffen gegeven is;

  • 80 uitkomsten van berekeningen geven met een nauwkeurigheid die overeenkomt met de nauwkeurigheid van de meetgegevens.

    • uitkomst optellen en aftrekken: in niet meer decimalen dan het gegeven met het kleinste aantal decimalen (bijvoorbeeld: 100 + 5,3 = 105)
    • uitkomst vermenigvuldigen en delen: in niet meer cijfers dan het gegeven met het kleinste aantal cijfers (bijvoorbeeld: 1,40 × 1,70 = 2,38; 1,4 × 1,70 = 2,4)
    Subdomein: soorten reacties

    De kandidaat kan

  • 81 zeggen wat ontledingsreacties zijn, uit gegevens over de beginstoffen en reactieprodukten afleiden of een proces een ontledingsreactie is, en zeggen dat ontledingsreacties kunnen plaatsvinden onder invloed van warmte, elektrische stroom en licht;

    • thermolyse
    • elektrolyse
    • fotolyse
  • 82 zeggen wat verbrandingsreacties zijn en welke verschijnselen zich bij deze reacties kunnen voordoen;

    • vlam
    • vonk
    • rook
    • warmte-ontwikkeling
  • 83 het proces van verbranden van brandstoffen beschrijven en het belang van voldoende luchttoevoer toelichten;

    • brandstoffen: steenkool, cokes, koolwaterstoffen
    • onvolledige verbranding: als reactieprodukten (o.a.) koolstof en koolstofmono-oxide
  • 84 voorwaarden voor verbranding noemen en toelichten dat het blussen of voorkomen van branden berust op de beïnvloeding van deze voorwaarden;

    • ontbrandingstemperatuur
    • gasexplosie, stofexplosie
    • blussen met water, zand en koolstofdioxide
    • brandgangen in een bos
  • 85 zeggen wat neerslagreacties zijn;

  • 86 met behulp van een gegeven oplosbaarheidstabel nagaan of een neerslag ontstaat bij het mengen van twee zoutoplossingen;

  • 87 met behulp van een gegeven oplosbaarheidstabel zeggen hoe een slecht oplosbaar zout gemaakt kan worden of hoe een gegeven ionsoort uit een oplossing verwijderd kan worden;

  • 88 met behulp van een gegeven oplosbaarheidstabel en waarnemingen uit een experiment uitspraken doen over de mogelijke aanwezigheid van ionen in een oplossing;

  • 89 de naam en formule geven van de stoffen die, eventueel na indampen van het reactiemengsel, ontstaan bij reacties tussen de onder 52 genoemde zure en basische stoffen of oplossingen daarvan;

  • 90 zeggen wat titreren is en hoe een titratie wordt uitgevoerd;

    • eindpunt
    • kleuromslag indicator
  • 91 uit het resultaat van een titratie het zuur- of basegehalte van een oplossing berekenen aan de hand van een ijkgegeven;

  • 92 van een gegeven reactie zeggen of er elektronenoverdracht plaatsvindt en welke stoffen of deeltjes daarbij elektronen afstaan dan wel opnemen;

    • vorming van halogenen of metalen uit verbindingen
    • reacties van een metaal met zuurstof, halogenen, zwavel, zoutzuur of zwavelzuur
    • toepassingen voor stroomlevering (loodaccu, batterij)
  • 93 een elektrolysereactie beschrijven, een schematische tekening van een elektrolyse-opstelling maken en industriële toepassingen van elektrolysereacties noemen;

    • alleen met onaantastbare elektroden en enkelvoudige ionen
    • galvaniseren, verzilveren, verkoperen, bereiden van onedele metalen en halogenen

Bijlage 7 [Vervallen per 31-12-2004]

Examenprogramma BIOLOGIE

eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C

Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt.

2. Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op de onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen met uitzondering van de eindterm van het domein A Practicum (eindterm 1) en de daarmee verbonden vaardigheid 2 voor zover die betrekking hebben op het daadwerkelijk uitvoeren van het practicum.

Eveneens uitgezonderd is vaardigheid 5 voor zover die betrekking heeft op het daadwerkelijk werken met de computer. Bij het centraal examen kunnen dus wel vragen worden gesteld en opdrachten gegeven naar aanleiding van beschreven practicumen computeractiviteiten.

Uitgezonderd van het centraal examen zijn verder de volgende eindtermen: 39, 67, de eindtermen van het domein G Gedrag (69 tot en met 75).

De vragen en opdrachten in het centraal examen worden zoveel mogelijk in een herkenbare en inleefbare context gepresenteerd.

3. Het schoolonderzoek

Het schoolonderzoek heeft betrekking op de onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen.

De vragen en opdrachten in het schoolonderzoek worden zoveel mogelijk in een herkenbare en inleefbare context gepresenteerd.

De toetsing van het domein A Practicum heeft betrekking op ten minste twee der onderdelen a, b, c, d en e van eindterm 1.

Aanwijzingen C en D

Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen.

Het onderscheid tussen beide examens berust op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten.

Examenstof

De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen.

1. Vaardigheden

De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen:

De kandidaat kan

  • 1. verbanden leggen tussen biologische verschijnselen en biologische begrippen, regels en wetten;

  • 2. eenvoudig biologisch onderzoek voorbereiden en uitvoeren, zoals aangegeven is in domein A;

  • 3. natuurwetenschappelijke vaktaal hanteren: algemeen voorkomende natuurwetenschappelijke grootheden, eenheden en relaties hanteren;

  • 4. informatiebronnen kiezen en uit beschikbare gegevens informatie selecteren en toepassen en daarbij onderscheid maken tussen feiten en meningen;

  • 5. de computer gebruiken bij het verzamelen of verwerken van gegevens of het inzichtelijk maken van processen;

  • 6. een relatie leggen tussen biologische kennis en vaardigheden en de praktijk van verschillende beroepen;

  • 7. praktische toepassingen en maatschappelijke effecten benoemen van biologische kennis en vaardigheden, in verschillende maatschappelijke situaties;

  • 8. in keuzesituaties:

    • relevante biologische en maatschappelijke informatie verzamelen;

    • verschillende gedragsmogelijkheden noemen;

    • argumentatie voor een mening geven.

2. Eindtermen Domein A.: Practicum

De kandidaat kan

  • 1 eenvoudig onderzoek dan wel een andere activiteit waarin de actieve en praktische zelfwerkzaamheid van de kandidaat op de voorgrond staat voorbereiden en uitvoeren:

    • a. een onderzoek in een biologisch schoolpracticum;

    • b. een gedragsonderzoek;

    • c. een onderzoek in een veldpracticum;

    • d. de verwerking van gegevens naar aanleiding van een bezoek aan een instelling waar biologische processen een belangrijke rol spelen;

    • e. een zelfstandige studie van een zelf gekozen biologisch onderwerp, waarbij voor elk gekozen onderdeel geldt dat de kandidaat:

      • waarnemingen doet en vastlegt;

      • gegevens kan ordenen en overzichtelijk kan weergeven met behulp van bijvoorbeeld tekeningen, tabellen, diagrammen en/of schema's, zo mogelijk met gebruik van de computer, en

      • daaruit conclusies kan trekken;

      • mondeling of schriftelijk verslag doet, bijvoorbeeld in de vorm van een werkstuk, spreekbeurt, tentoonstelling, of met een computersimulatie van een biologisch proces;

      • resultaten kan toelichten en/of verklaren;

    ad a

    experimenten voorbereiden en uitvoeren volgens een gegeven volledig of onvolledig voorschrift om eenvoudige probleemstellingen te onderzoeken,

    (Zoals: het aantonen van zetmeel en koolstofdioxide; het aantonen van verschillen tussen plantaardige en dierlijke cellen; het nagaan van de invloed van a-biotische factoren op de groei van erwteplantjes; het verrichten van onderzoek naar de levenscyclus van een bepaalde soort.)

    en daarbij

    • voorspellingen doen over de uitkomst van een experiment;

    • practicummaterialen hanteren;

      (Zoals: microscoop, loep of zelfgemaakte preparaten.)
    • verantwoord omgaan met organismen en efficiënt en veilig gebruik maken van materialen en instrumenten;

    • enkele technieken uitvoeren;

      (Zoals: het bepalen van lengte, volume, temperatuur en massa en het toepassen van een voedingsmiddelentabel.)
    • experimenten uitvoeren volgens een gegeven voorschrift;

    ad b

    bij een onderzoeksopdracht valt te denken aan onderzoeken naar bijvoorbeeld kenmerken van gedrag van:

    • organismen in de natuur;
    • dieren in een dierentuin;

    ad c

    bij een veldopdracht valt te denken aan:

    • het ordenen van planten en/of dieren in de directe omgeving op basis van goed waarneembare kenmerken;
    • het determineren van organismen tot op het niveau van families of tot op het niveau van goed onderscheidbare hoofdafdelingen;
    • het onderzoeken van kenmerken van (delen van) organismen, biotopen of ecosystemen;

    ad d

    bij de verwerking van gegevens naar aanleiding van een bezoek aan een instelling valt te denken aan zaken als:

    • de werking van een rioolzuiveringsinstallatie;
    • effecten van voorlichting op het gebied van de gezondheidszorg (voorlichtingsbureau);

    ad e

    bij een zelfstandige studie van een zelf gekozen biologisch onderwerp gaat het om het verzamelen en bewerken van biologische informatie uit verschillende bronnen;

    (Additief leerlinggericht materiaal; interviews; museumbezoek.) Domein B.: De mens en zijn gezondheid Subdomein: Het lichaam als geheel

    De kandidaat kan

  • 2 toelichten dat het lichaam als geheel functioneert;

    (Samenwerking tussen samenstellende delen; evenwicht tussen opbouw en afbraak van de stoffen waaruit het lichaam is opgebouwd.)
  • 3 toelichten dat het functioneren van (delen van) het lichaam samenhangt met de manier waarop met het lichaam wordt omgegaan;

    (Belang van gezonde voeding; belang van ontspanning; belang van voldoende beweging voor het bewegingsapparaat, de ademhaling en het bloedvatenstelsel; gevolgen van stress en overbelasting op hart en bloedvaten en infectieziekten; gevolgen van roken en drinken van alcohol).

  • 4 de rol van hormonen, van zenuwcellen, van zintuigen en de manier waarop zij met elkaar samenwerken bij het instandhouden van het lichaam, beschrijven;

  • 5 overeenkomsten en verschillen tussen de mens en andere organismen noemen en in relatie brengen met de levenswijze.

    Subdomein: Stevigheid en beweging

    De kandidaat kan

  • 6 bij zichzelf, bij anderen en bij afbeeldingen of modellen: delen die van belang zijn voor de stevigheid en beweging benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking beschrijven;

    (Botten, spieren, aanhechtingsplaatsen, gewrichten en verbindingen.)
  • 7 beschrijven wat er gebeurt bij overbelasting van het bewegingsapparaat.

    Subdomein: Voeding, stofwisseling en uitscheiding

    De kandidaat kan

  • 8 bij zichzelf, bij anderen en bij afbeeldingen of modellen: de delen waaruit het verteringsstelsel is opgebouwd en de delen die met dit stelsel samenwerken, benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking beschrijven;

  • 9 de functie(s) van het verteringsstelsel beschrijven;

  • 10 de functie(s) van voeding en voedingsstoffen voor het lichaam beschrijven en de relatie met voedingsadviezen toelichten;

  • 11 de relatie tussen de stofwisselingsprocessen in het lichaam en de verschillen in samenstelling tussen ingeademde en uitgeademde lucht toelichten;

  • 12 de relatie tussen voedselopname, energieverbruik en lichaamsopbouw in verschillende stadia van de levensloop toelichten;

  • 13 voorbeelden noemen van de invloed die reclame, massamedia en cultuur hebben op de voedselkeuze van mensen;

  • 14 aan de hand van voorbeelden uitleggen wat er kan gebeuren bij overbelasting van het lichaam met (schadelijke) stoffen;

    (Alcohol, medicijnen, drugs, tabak en voedseladditieven.)
  • 15 bij zichzelf, bij anderen en bij afbeeldingen of modellen: de organen die samenwerken bij het transport, omzetten en verwijderen van afvalstoffen benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking ervan beschrijven.

    Subdomein: Ademhaling en bloedsomloop

    De kandidaat kan

  • 16 bij zichzelf, bij anderen en bij afbeeldingen of modellen: lymfevaten, het hart en bloedvaten benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking beschrijven;

  • 17 van het bloed, de lymfe en de weefselvloeistof van de mens de samenstellende delen benoemen en de functie(s) van de delen beschrijven;

  • 18 verschillende bloedgroepen (incl. rhesusfactor) en de gevolgen van het met elkaar in aanraking komen van bloed van verschillende bloedgroepen noemen;

  • 19 een aantal voorbeelden van bloedziekten en infectieziekten die via bloed verspreid worden, noemen en de gevolgen van de ziekten voor het lichaam beschrijven;

    (Hepatitis, AIDS, leukemie)
  • 20 aan de hand van voorbeelden de mogelijke gevolgen van overbelasting door overmatige inspanning en overmatige stress uitleggen;

    (Hartinfarct, vermindering van de afweer met als gevolg infectieziekten, hartritmestoornissen, hartvergroting.)
  • 21 bij zichzelf, bij anderen en bij afbeeldingen of modellen: de delen van het ademhalingsstelsel benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking beschrijven.

    Subdomein: Regeling, afstemming en bescherming

    De kandidaat kan

  • 22 bij zichzelf, bij anderen en bij afbeeldingen of modellen: de delen van de zintuigen benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking beschrijven;

    (Ogen, oren, zintuigen in de huid.)
  • 23 toelichten dat prikkeling van zintuigcellen kan leiden tot bewuste gewaarwording;

    (Drempelwaarde, adequate prikkel, ontstaan impulsen, bewuste gewaarwording, gewenning, motivatie.)
  • 24 bij zichzelf, bij anderen en bij afbeeldingen of modellen: de delen van het zenuwstelsel benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking beschrijven;

  • 25 beschrijven wat de functies zijn van reflexen en op welke manier reflexen verlopen;

    (Terugtrek-strekreflex, kniepeesreflex, pupilreflex.)
  • 26 het principe van de werking van hormonen beschrijven;

  • 27 bij zichzelf, bij anderen en bij afbeeldingen of modellen: de hormoonklieren benoemen en aanwijzen;

  • 28 invloed van de hypofyse op de werking van andere hormoonklieren beschrijven;

  • 29 toelichten hoe hormonen invloed hebben op het handhaven van een constante bloedsuikerspiegel;

    (Invloed van glucagon, insuline en adrenaline.)
  • 30 het verband tussen werking van hormonen en het ontstaan van secundaire geslachtskenmerken beschrijven;

  • 31 bij zichzelf, bij anderen, bij afbeeldingen of modellen: de samenstellende delen van de huid en onderhuidsbindweefsel benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking beschrijven;

  • 32 de rol van de huid en het onderhuidsbindweefsel bij de temperatuur- en vochtregulatie en bij de bescherming tegen infecties en mechanische beschadigingen toelichten.

    Subdomein: Voortplanting

    De kandidaat kan

  • 33 bij afbeeldingen of modellen de samenstellende delen van de voortplantingsorganen benoemen, aanwijzen en de functie(s) en de werking beschrijven;

  • 34 het verloop van de menstruatiecyclus beschrijven;

  • 35 de ontwikkeling van bevruchte eicel tot foetus en de geboorte beschrijven;

  • 36 toelichten dat de beide ouders erfelijke informatie via eicel en spermacel/zaadcel overdragen aan hun kinderen;

  • 37 beschrijven dat bij een gewone celdeling het aantal chromosomen constant blijft en bij een reductiedeling halveert;

  • 38 toelichten dat geslachtschromosomen invloed hebben op het tot stand komen van het geslacht.

    Domein C.: Planten, dieren, schimmels en bacteriën Subdomein: Eenheid en verscheidenheid

    De kandidaat kan

  • 39 de Nederlandse naam noemen van plante- en diersoorten die veel in Nederland voorkomen en enkele omstandigheden beschrijven waaronder elk van die soorten gewoonlijk leeft.

    Subdomein: Cellen, weefsels en organen

    De kandidaat kan

  • 40 de delen waaruit een cel is opgebouwd en de delen waardoor een cel kan zijn omgeven, benoemen en in afbeeldingen of modellen aanwijzen en van deze delen de bouw en de functie(s) beschrijven;

  • 41 de verschillen in bouw tussen bacteriën, schimmels, planten en dieren beschrijven;

  • 42 kenmerken van losse cellen zonder verband, weefsels en organen noemen;

  • 43 toelichten dat zuurstof in cellen wordt opgenomen en koolstofdioxide wordt afgegeven.

    Subdomein: Gaswisseling bij dieren

    De kandidaat kan

  • 44 beschrijven welke functies longen, kieuwen en tracheeën hebben bij de ademhaling en diergroepen noemen waarbij deze organen voorkomen.

    Subdomein: Aanpassing bij dieren en planten

    De kandidaat kan

  • 45 enkele kenmerken van de lichaamsbouw van dieren, de wijze van voeden, de aard van het voedsel en de wijze van voortbewegen met elkaar en met kenmerken van de leefomgeving in verband brengen en toelichten;

  • 46 aan de hand van voorbeelden uitleggen hoe planten en dieren zijn aangepast aan de biotoop en welke rol ze in die biotoop vervullen.

    (Klimplanten, voorjaarsbloeiers, rozetvormende planten, waterplanten met drijvende bladeren; bloembezoekende insekten; vorm van de poten in relatie tot de kenmerken van de bodem bij zoogdieren en vogels.) Subdomein: Zaadplanten

    De kandidaat kan

  • 47 de delen waaruit zaadplanten zijn opgebouwd tekenen, benoemen en aanwijzen en van deze delen de bouw en de functie(s) beschrijven;

  • 48 van enkele typen weefsels in planten de bouw en de functie(s) beschrijven;

  • 49 verschillende stadia in de levenscyclus van zaadplanten met geslachtelijke voortplanting noemen en de functie(s) beschrijven.

    Subdomein: Energievastlegging

    De kandidaat kan

  • 50 beschrijven dat planten met hun bladgroen glucose en zuurstof maken, waarbij lichtenergie wordt vastgelegd, welke stoffen daarbij worden verbruikt en hoe planten deze stoffen opnemen;

  • 51 planten noemen die energierijke stoffen maken uit onder andere glucose en de plaats noemen waar ze energierijke stoffen opslaan.

    Subdomein: Rol van micro-organismen

    De kandidaat kan

  • 52 aan de hand van enkele voorbeelden beschrijven wat de rol is van bacteriën en schimmels als reducent;

  • 53 aan de hand van enkele voorbeelden beschrijven wat de rol is van bacteriën en schimmels als ziekteverwekker;

  • 54 toelichten welke rol bacteriën en schimmels spelen bij de bereiding van melkprodukten en alcoholische dranken;

  • 55 toelichten hoe voedselbederf onder invloed van schimmels en bacteriën kan worden tegengegaan door de mens.

    Domein D.: Levensgemeenschappen Subdomein: Afhankelijkheid

    De kandidaat kan

  • 56 toelichten welke relaties er zijn tussen bacteriën, schimmels, planten en dieren bij de energiestromen in een ecosysteem;

  • 57 toelichten welke rol koolstof- en stikstofkringlopen spelen bij de opname van zouten en energierijke stoffen;

  • 58 toelichten dat bij plante- en diersoorten die een voedselketen en een piramide van biomassa vormen, producenten en consumenten zijn te onderscheiden;

  • 59 toelichten dat populaties in een ecosysteem afhankelijk zijn van verschillende biotische en abiotische factoren en onder invloed van deze factoren kunnen veranderen.

    Domein E.: Mensen in hun omgeving Subdomein: Afhankelijkheid

    De kandidaat kan

  • 60 toelichten dat de mens voor voedsel, water, lucht, grondstoffen, energie en recreatie van ecosystemen afhankelijk is.

    Subdomein: Landbouw

    De kandidaat kan

  • 61 toelichten dat een grotere voedselproduktie ontstaat door planten en dieren optimaal voedingsstoffen te geven, door de gewassen te beschermen, door de bodem te bewerken en door veredeling;

  • 62 principes, werkwijzen en effecten van verschillende landbouwmethoden beschrijven en maatregelen noemen die kunnen worden getroffen om een duurzame relatie tussen mens en milieu te waarborgen;

  • 63 aan de hand van voorbeelden uitleggen hoe biotechnologie invloed heeft op de manier waarop voedingsstoffen worden verkregen en bewerkt.

    Subdomein: Milieuvervuiling en natuurbeheer

    De kandidaat kan

  • 64 de belangrijkste oorzaken noemen en effecten beschrijven van de aantasting van natuur en milieu door overbevolking, door bepaalde vormen van afval, door het gebruik van bestrijdingsmiddelen, door verkeer en door energiegebruik;

  • 65 maatregelen tegen aantasting van het milieu en ter bescherming van natuur en landschap noemen en effecten daarvan toelichten.

    Domein F.: Erfelijkheid bij organismen

    De kandidaat kan

  • 66 bij monohybride kruisingen conclusies trekken uit gegevens over het genotype en fenotype van ouders en/of hun directe nakomelingen;

  • 67 toelichten dat mutaties en selectie kunnen leiden tot het ontstaan van nieuwe rassen en soorten in de loop van de tijd;

  • 68 toelichten dat onder andere bepaalde stoffen en straling invloed kunnen hebben op de frequentie waarmee mutaties ontstaan.

    Domein G.: Gedrag Subdomein: Mechanismen

    De kandidaat kan

  • 69 toelichten dat gedrag bestaat uit een reeks samenhangende handelingen;

  • 70 bij concrete voorbeelden uitleggen dat het gedrag afhankelijk is van prikkels en motiverende factoren.

    Subdomein: Sociaal gedrag

    De kandidaat kan

  • 71 toelichten dat sociaal gedrag met rolpatronen bij dieren en de mens voorkomt en dat het gedrag meestal niet door een enkele oorzaak wordt bewerkstelligd;

  • 72 toelichten dat bij gedrag van de mens normen en waarden een rol spelen;

  • 73 aan de hand van voorbeelden typen van sociaal gedrag beschrijven;

  • 74 verschillende vormen van seksueel gedrag bij mensen en verschillende opvattingen daarover noemen;

  • 75 de meest voorkomende seksueel overdraagbare aandoeningen en hun verschijningsvormen noemen en toelichten hoe de overdracht van deze aandoeningen is te voorkomen.

Bijlage 8 [Vervallen per 31-12-2004]

Examenprogramma ECONOMIE

Eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C

Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt.

2. Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op de onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen in de drie domeinen.

3. Het schoolonderzoek
  • a. Het schoolonderzoek heeft eveneens betrekking op de vaardigheden en de eindtermen in de drie domeinen.

  • b. Eén onderdeel van het schoolonderzoek dient gestalte te krijgen door zelfstandige bestudering of zelfstandig onderzoek van een economisch gericht onderwerp, door de kandidaat te kiezen uit een van de domeinen. Het onderwerp is niet voor alle kandidaten hetzelfde.

Aanwijzingen C en D

Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen.

Het onderscheid tussen beide berust op verschillen in teksten en in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten.

Examenstof

De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen.

1. Vaardigheden

De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen:

De kandidaat kan
  • 1. bij maatschappelijke verschijnselen, ontwikkelingen en vraagstukken de economische benaderingswijze en begrippen herkennen en toepassen;

  • 2. economische berekeningen maken met behulp van eenvoudige rekenkundige en statistische bewerkingen;

  • 3. activiteiten uitvoeren zoals die binnen een eenvoudig onderzoek voorkomen:

    • uit bronnen een probleemstelling formuleren;

    • gegevens verzamelen door eigen waarneming of door het raadplegen van bronnen, en informatiebronnen (waaronder massamedia) kritisch beoordelen;

    • gegevens ordenen en overzichtelijk weergeven, waar nodig in tabellen, diagrammen, schema's en kaarten;

    • conclusies trekken uit gegevens;

    • de resultaten van eigen onderzoek presenteren;

  • 4. het verband aangeven tussen relevante economische kennis en vaardigheden en de praktijk van verschillende beroepen;

  • 5. met behulp van de economische benaderingswijze een beargumenteerd standpunt formuleren over gegeven economisch-maatschappelijke vraagstukken.

2. Eindtermen Domein A.: De kandidaat als consument Subdomein: kopen

De kandidaat kan

  • 1 toelichten dat kopen en verkopen door ver doorgevoerde arbeidsverdeling een belangrijke rol spelen bij het voorzien in behoeften;

  • 2 het verschil in marktpositie tussen koper en verkoper beschrijven en daarbij jongeren als belangrijke doelgroep betrekken;

  • 3 factoren die van invloed zijn op (veranderingen in) kopers- en verkopersgedrag noemen en voorbeelden geven van wettelijke regels ter bescherming van de positie van de koper;

  • 4 de rol van geld in onze economische samenleving uitleggen en zowel in eigen land als in het buitenland verschillende vormen van betalen noemen;

  • 5 aan de hand van verzamelde of verstrekte consumenteninformatie, gegeven een aantal criteria, een voorgenomen koopbeslissing beoordelen;

  • 6 een koopbeslissing nemen en daarbij rekening houden met de gevolgen van die koopbeslissing voor zichzelf en voor anderen.

    Subdomein: budgetteren

    De kandidaat kan

  • 7 een gezinsbudgetplan opstellen als hulpmiddel bij het verkrijgen van inzicht in de financiële gezinssituatie en daarbij de eigen invloed beschrijven op beslissingen over de omvang en samenstelling van de uitgaven;

  • 8 uit een gezinsbudgetplan conclusies trekken over de financiële situatie van het gezin;

  • 9 de noodzaak van een goede financiële administratie toelichten.

    Subdomein: Sparen en lenen

    De kandidaat kan

  • 10 motieven voor sparen en lenen noemen, de rol van de financiële instellingen daarbij beschrijven en voorbeelden geven van gevolgen van sparen en lenen;

  • 11 aan de hand van verstrekte of verzamelde gegevens de meest gunstige spaarvorm en leningsvorm vaststellen;

  • 12 de maatschappelijke betekenis en wenselijkheid van lenen en sparen toelichten.

    Subdomein: verzekeren

    De kandidaat kan

  • 13 het belang van verzekeren in het economisch leven toelichten, waarbij rekening gehouden wordt met verzekeringsmotieven, het verschil tussen sociale en particuliere verzekeringen,

    het afwegen van risico tegenover premie, de (ongelijke) positie van verzekerde en verzekeringsmaatschappijen;

  • 14 voorbeelden geven van sociale en particuliere verzekeringen en eenvoudige berekeningen uitvoeren met betrekking tot premie en uitkering;

  • 15 de noodzaak van het verzekeren voor hemzelf afwegen.

    Subdomein: wonen

    De kandidaat kan

  • 16 de voordelen en nadelen noemen van de diverse vormen van huisvesting;

  • 17 verschillende mogelijkheden noemen voor het verkrijgen van huisvesting en de belangrijkste praktische en juridische kenmerken toelichten van een huur- en koopovereenkomst;

  • 18 aan de hand van verstrekte of verzamelde gegevens en rekening houdend met gegeven criteria, beoordelen of woonruimte gehuurd, dan wel gekocht zal worden.

    Domein B: De kandidaat in relatie tot de produktie Subdomein: produceren

    De kandidaat kan

  • 19 de plaats van produceren, zowel in ruime als in enge zin, in de maatschappelijke behoeftenvoorziening toelichten en daarbij produktiefactoren betrekken;

  • 20 beschrijven hoe het produktieproces in bedrijven in een aantal fasen kan worden verdeeld, waarbij telkens waardetoevoeging plaatsvindt;

  • 21 het verband verklaren tussen de begrippen kosten, opbrengsten, winst en verlies, zowel in maatschappelijke of ruime zin als in enge zin en eenvoudige berekeningen in dit verband maken met behulp van verstrekte of verzamelde gegevens;

  • 22 een beschrijving geven van een aantal aspecten in verband met de interne organisatie in bedrijven in verband met produktie, medezeggenschap, juridische vorm.

    Subdomein: verkopen en administreren

    De kandidaat kan

  • 23 de mogelijkheden beschrijven die de verkoper heeft om de omzet te vergroten;

  • 24 aan de hand van verstrekte of verzamelde gegevens de balans en de verlies- en winstrekening van een bedrijf en de staat van baten en lasten van een vereniging opstellen;

  • 25 aan de hand van opeenvolgende staten van baten en lasten en verlies- en winstrekeningen (balansen) conclusies trekken over het te voeren financiële beleid;

  • 26 de noodzaak van een goede administratie bij bedrijven en verenigingen toelichten.

    Subdomein: arbeid

    De kandidaat kan

  • 27 de samenhang verduidelijken tussen de begrippen arbeidsverdeling, arbeidsproduktiviteit en welvaart en in dit verband arbeidsverdeling in en buiten het gezin, tussen bedrijven en tussen landen onderscheiden;

  • 28 toelichten dat de produktie zowel in de formele als de informele sector tot stand komt met behulp van zowel betaalde als onbetaalde arbeid;

  • 29 de omvang en de samenstelling van de Nederlandse bevolking en beroepsbevolking aangeven;

  • 30 het principe van de werking van de arbeidsmarkt verduidelijken;

  • 31 in relatie tot verschillende arbeidssituaties en typen functies het verband beschrijven tussen scholing en de positie van mensen op de arbeidsmarkt;

  • 32 beschrijven hoe een individuele en collectieve arbeidsovereenkomst tot stand komt en de belangrijkste onderdelen van een dergelijke overeenkomst noemen;

  • 33 de maatschappelijke betekenis van betaalde en onbetaalde arbeid door mannen en vrouwen en verschillende opvattingen daarover toelichten.

    Domein C.: De kandidaat als burger Subdomein: overheid/collectieve sector

    De kandidaat kan

  • 34 de plaats en functies van de collectieve sector in onze (economische) samenleving beschrijven en uitleggen dat de taken van de collectieve sector mede bepaald worden door de complexi-teit van de samenleving, de omvang van de welvaart en de doelstellingen van economische politiek;

  • 35 aangeven dat de collectieve sector bestaat uit de overheid en sociale zekerheid en met behulp van concrete voorbeelden toelichten dat de taken van de collectieve sector in wetten vastliggen;

  • 36 concrete voorbeelden geven van overheidsontvangsten en overheidsuitgaven en met de omvang hiervan het belang van de overheidssector ten opzichte van de particuliere sector verduidelijken;

  • 37 de belangrijkste kenmerken van het socialezekerheidsstelsel beschrijven;

  • 38 de belangrijkste belastingwetten noemen en aan de hand van verstrekte of verzamelde gegevens eenvoudige berekeningen uitvoeren van loon- en inkomstenbelasting en BTW;

  • 39 het nut en de noodzaak van wetgeving en collectieve voorzieningen en verschillende opvattingen daarover toelichten.

    Subdomein: inkomensverdeling

    De kandidaat kan

  • 40 oorzaken van inkomensverschillen noemen en verklaren dat welvaartsvergelijkingen op basis van inkomensverschillen een beperkte betekenis hebben;

  • 41 instrumenten noemen die de overheid heeft om inkomensverschillen te verkleinen en de werking van die instrumenten toelichten.

    Subdomein: werkloosheid

    De kandidaat kan

  • 42 de werkloosheid onderscheiden in soorten, groepen en omvang en vergelijken met die in andere landen;

  • 43 oorzaken van verschillende soorten werkloosheid en mogelijkheden tot bestrijding noemen;

  • 44 persoonlijke, maatschappelijke en economische gevolgen van werkloosheid beschrijven en de sociale uitkeringen in verband met werkloosheid noemen;

  • 45 verschillende opvattingen over de economische, maatschappelijke en sociale gevolgen van werkloosheid en over maatregelen ter bestrijding van werkloosheid toelichten.

    Subdomein: inflatie

    De kandidaat kan

  • 46 oorzaken en gevolgen van de waardevermindering van het geld noemen en verduidelijken;

  • 47 maatregelen toelichten die de overheid kan nemen bij het bestrijden van inflatie;

  • 48 aan de hand van verstrekte of verzamelde gegevens de samenhang tussen de begrippen nominaal (nationaal) inkomen, prijscompensatie en reëel (nationaal) inkomen toelichten.

    Subdomein: wereldhandel

    De kandidaat kan

  • 49 het belang van het buitenland, met name andere landen van de Europese Unie voor de Nederlandse economie toelichten met behulp van gegevens van de Nederlandse betalingsbalans en daarbij de voordelen van internationale arbeidsverdeling noemen;

  • 50 van de Europese Unie de belangrijkste kenmerken noemen en haar rol ten opzichte van Oost-Europa en in de wereldhandel verduidelijken;

  • 51 oorzaken en gevolgen van een tekort of overschot op handels- en/of dienstenbalans noemen en de mogelijkheden beschrijven om een dergelijk tekort of overschot te voorkomen of te bestrijden.

    Subdomein: internationale economische orde

    De kandidaat kan

  • 52 oorzaken en economische, maatschappelijke en sociale gevolgen van welvaartsverschillen tussen rijke en arme landen met elkaar in verband brengen en toelichten;

  • 53 kenmerken van verschillende economische orden noemen;

  • 54 maatregelen noemen om onderontwikkeling te verminderen en de rol van de overheid en van individuele personen daarbij verduidelijken;

  • 55 verschillende opvattingen over welvaartsverschillen tussen landen en over de mogelijkheden om die verschillen te verkleinen toelichten.

    Subdomein: milieu

    De kandidaat kan

  • 56 de samenhang tussen consumptie, produktie en het milieu verduidelijken;

  • 57 met concrete voorbeelden oorzaken en gevolgen van milieuschade toelichten;

  • 58 concrete maatregelen noemen om milieuschade te voorkomen en te bestrijden, en hierbij de rol van de overheid en van individuele personen verduidelijken;

  • 59 verschillende opvattingen over gevolgen van milieuschade en over de mogelijkheden om milieuschade te voorkomen en te bestrijden toelichten.

Bijlage 9 [Vervallen per 31-12-2004]

Examenprogramma MUZIEK

eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C

Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt.

2. Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op de eindtermen 7 tot en met 11 en omvat vragen en opdrachten bij auditief en visueel aangeboden muziekteksten en/of muzikale fragmenten.

3. Het schoolonderzoek

Het schoolonderzoek heeft betrekking op alle vaardigheden en eindtermen, met dien verstande dat de bij het centraal examen betrokken eindtermen niet behoeven te worden getoetst.

Aanwijzingen C en D

Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen. Het onderscheid tussen beide examens berust op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten, waarbij rekening gehouden wordt met verschillen in cognitieve verwerking.

Examenstof

De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen.

1. Vaardigheden

De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen:

De kandidaat kan

  • 1. een eigen standpunt over beluisterde muziek verwoorden met behulp van vakspecifieke begrippen;

  • 2. alleen en in samenwerking met anderen problemen oplossen bij het spelen en zingen en/of het ontwerpen van muziek;

  • 3. met anderen samenwerken bij het spelen en zingen en/of het ontwerpen van muziek.

2. Eindtermen Domein A.: Musiceren Subdomein: zingen

De kandidaat kan

  • 1 een repertoire van één- en/of meerstemmige vocale muziek correct en met expressie uitvoeren;

    (Correct: in tempo, in de maat, ritmisch, zuiver, met dynamiek, met frasering, met articulatie.

    Het betreft vocale muziek die gevarieerd is naar:
    • opbouw
    • expressie
    • soorten, genres, stijlen: volksmuziek, lichte muziek, popmuziek, jazz, kunstmuziek
    • cultuur (westerse en niet-westerse muziek)
    • historie
    • functies)
  • 2 het uitgevoerde repertoire in een historische, culturele en/of sociale context plaatsen.

    Subdomein: spelen

    De kandidaat kan

  • 3 individueel en in groepsverband een repertoire van één-en/of meerstemmige speelstukken en – voor zover er sprake is van genoteerde muziek – in overeenstemming met deze notatie uitvoeren;

    (Het betreft een speelrepertoire dat gevarieerd is naar:
    • opbouw
    • expressie
    • soorten, genres, stijlen: volksmuziek, lichte muziek, popmuziek, jazz, kunstmuziek
    • cultuur (westerse en niet-westerse muziek)
    • historie
    • functies)

    (Het betreft de volgende aspecten van de notatie:

    Ritme: veel voorkomende ritmische figuren, notenwaarden: hele tot en met zestiende noot en rust, verlenging van een noot met een punt achter de noot tot en met achtste noot, verbindingsboog, triool, fermate.

    Maat: twee- en driedelige maatsoort, ook in combinatie (2/4, 3/4, 4/4, 3/8, 6/8) en opmaat.

    Tempo: tempi in categorieën: langzaam, rustig en snel: largo, adagio, andante, moderato, allegro, presto; tempowijzigingen: accelerando, ritenuto, a tempo.

    Toonhoogte: in de G-sleutel met kruis, mol, herstellingsteken (maximaal drie voortekens).

    Dynamiek: dynamische aanwijzingen: fortissimo (ff), forte (f), mezzo-piano (mp), piano (p), pianissimo (pp), tekens voor crescendo, decrescendo, terrassendynamiek, overgangsdynamiek.

    Uitvoeringspraktijk: uitvoeren van articulatietechnieken bijv: pizzicato, legato, staccato.)

    het speelrepertoire in een historische, culturele en/of sociale context plaatsen.

  • 4 het speelrepertoire in een historische, culturele en/of sociale context plaatsen.

    Subdomein: ontwerpen

    De kandidaat kan

  • 5 met gebruik van formeel-muzikale aspecten en associaties een gegeven muziekfragment vervolgen, aanvullen of variëren, met instrumenten en/of de stem;

    (Variëren: op het tempo, de maatsoort, het ritme, de melodie, de instrumentatie, de samenklank, de uitvoeringspraktijk.

    Het betreft hier de volgende formeel-muzikale aspecten: Klankeigenschappen: duur, hoogte, sterkte, kleur.

    Systemen: tempo, maat/metrum, ritme, klankkleur, toonhoogte, dynamiek, samenklank.

    Vormprincipes: contrast, herhaling, variatie, ontwikkeling. Vormen/structuren.)
  • 6 vanuit een (buiten)muzikaal gegeven een muziekstuk ontwerpen gebruik makend van instrumenten en/of de stem, waarbij voornoemde formeel-muzikale aspecten en associaties als inhoudselementen dienen om de relatie vorm te geven tussen de betekenissen van het (buiten)muzikaal gegeven en het eigen muzikaal ontwerp.

    Domein B.: Beluisteren Subdomein: noteren

    De kandidaat kan

  • 7 formeel-muzikale aspecten noteren:

    • in grafische symbolen

    • in muziekschrift

    • in taal

    (Het betreft hier de volgende formeel-muzikale aspecten:

    Ritme: toonduur, verbindingsboog, beat en afterbeat.

    Maat: opmaat, twee- en driedelige maatsoort.

    Tempo: tempi in categorieën: langzaam, rustig en snel; largo, adagio, andante, allegro, presto; tempowijzigingen: accelerando, ritenuto, a tempo.

    Toonhoogte: globaal toonhoogteverloop in richting en afstand.

    Dynamiek: het dynamisch verloop: fortissimo (ff), forte (f), mezzo-forte (mf), mezzo-piano (mp), piano (p), pianissimo (pp), crescen-do, decrescendo, terrassendynamiek, overgangsdynamiek.

    Samenklank: homofonie en polyfonie, unisono-moment, tegenstem, tegenmelodie, twee- en driestemmig.

    Uitvoeringspraktijk: pizzicato, legato, staccato.

    Klankkleur: zangstemmen, stemgebruik, instrumenten, koor en orkest.

    Vormprincipes: contrast, herhaling, variatie, ontwikkeling.

    Vorm en structuur: motief, muzikale zinnen, voor- en nazin, thema, break, refrein, rondovorm, canon, voorspel (intro), naspel, tussenspel en bridge.)
  • 8 een muzieknotatie volgen.

    (Het betreft hier muzieknotatie met de volgende kenmerken:

    Ritme: notenwaarden en rusten (hele tot en met zestiende noot), verlenging van de noot met een punt achter de noot, verbindingsboog, triool.

    Melodie: G-sleutel met voortekens (maximaal drie): kruis, mol, herstellingsteken.) Subdomein: verwoorden

    De kandidaat kan

  • 9 van beluisterde muziek formeel-muzikale aspecten benoemen;

    (Het betreft de volgende formeel-muzikale aspecten:

    Ritme: afwisseling van geluid en stilte; toonduur, verbindingsboog, beat en afterbeat.

    Maat: opmaat, twee- en driedelige maatsoort.

    Tempo: tempi in categorieën: langzaam, rustig en snel; largo, adagio, andante, allegro, presto; tempowijzigingen: accelerando, ritenuto, a tempo.

    Toonhoogte: globaal toonhoogteverloop in richting en afstand.

    Dynamiek: het dynamisch verloop: fortissimo (ff), forte (f), mezzo-forte (mf), mezzo-piano (mp), piano (p), pianissimo (pp), crescendo, decrescendo, terrassendynamiek, overgangs-dynamiek.

    Samenklank: homofonie en polyfonie, unisono-moment, tegenstem, tegenmelodie, twee- en driestemmig.

    Uitvoeringspraktijk: pizzicato, legato, staccato.

    Klankkleur: zangstemmen, stemgebruik, instrumenten, koren en orkesten.

    Vormprincipes: contrast, herhaling, variatie, ontwikkeling.

    Vorm en structuur: motief, muzikale zinnen, voor- en nazin, thema, break, liedvorm, refrein, rondovorm, canon, voorspel (intro), naspel, tussenspel en bridge.)
  • 10 van beluisterde muziek betekenissen noemen door te verwijzen naar de bij 9 genoemde formeel-muzikale aspecten en/of associaties met een buitenmuzikaal gegeven;

  • 11 de relatie toelichten tussen beluisterde muziek en een bepaalde situatie door te verwijzen naar de bij 9 genoemde formeel-muzikale aspecten en de bij 10 bedoelde betekenissen;

  • 12 de historische, culturele en/of sociale context van een beluisterd muziekstuk toelichten, onderbouwd met argumenten die verwijzen naar formeel-muzikale aspecten, betekenissen en functies van het muziekstuk;

  • 13 de eigen ervaring met en mening over beluisterde muziek onderbouwen met argumenten die verwijzen naar formeelmuzikale aspecten, betekenissen en functies van het muziekstuk.

Bijlage 10 [Vervallen per 31-12-2004]

Examenprogramma TEKENEN

eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o-C

Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt.

2. Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op de vaardigheden 3 en 4 en op de eindtermen 19 tot en met 23 en omvat vragen en opdrachten betreffende beeldend werk uit de periode van 1800 tot heden.

Het beeldmateriaal bestaat uit:

  • een voor de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen) gemeenschappelijk deel

  • een vakspecifiek deel.

3. Het schoolonderzoek

Het schoolonderzoek heeft betrekking op alle vaardigheden en de eindtermen 1 tot en met 18.

Aanwijzingen C en D

Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen. Het onderscheid tussen beide examens berust op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten.

Examenstof

De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen.

1. Vaardigheden

De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen:

De kandidaat kan
  • 1. problemen oplossen bij het ontwerpen en maken van beeldend werk;

  • 2. een aantal basistechnieken van het vak hanteren;

  • 3. met behulp van vakspecifieke begrippen reflecteren op beeldend werk;

  • 4. met behulp van vakspecifieke begrippen een beargumenteerd standpunt formuleren over beeldend werk.

2. Eindtermen Domein A.: Beeldende problemen de kandidaat kan hiervoor twee-dimensionale beeldende oplossingen vinden met toepassing van de werkwijzen: naar de waarneming, naar de voorstelling, gericht op toepassing De kandidaat kan
  • 1 relevante kenmerken van wat waargenomen wordt zichtbaar maken in eigen werk;

  • 2 naar aanleiding van een gegeven ervaringen, gevoelens, ideeën en/of meningen zichtbaar maken in eigen werk;

  • 3 beeldend werk maken dat voldoet aan praktische gebruikseisen, waarbij tevens rekening wordt gehouden met één of meer eisen ten aanzien van:

    • het communicatieve aspect: informatie, verwijzing, instructie, verklaring;

    • het wervend aspect: bereik van de doelgroep;

    • het decoratieve aspect.

    Domein B.: Beeldende middelen de kandidaat kent deze middelen en kan daarvan enkele toepassen Subdomein: beeldende aspecten

    De kandidaat kan

  • 4 beeldende aspecten toepassen;

  • 5 beeldende aspecten zo toepassen dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van eigen beeldend werk.

    Subdomein: technieken

    De kandidaat kan

  • 6 teken- en schildertechnieken en grafische technieken toepassen;

  • 7 materialen, technieken en gereedschappen zo toepassen dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van eigen beeldend werk.

    Subdomein: voorstellingsaspecten

    De kandidaat kan

  • 8 algemene conventies en symbolen zo toepassen dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van eigen beeldend werk.

    Domein C.: Werkproces de kandidaat kan op een doelgerichte wijze beeldend werk maken De kandidaat kan
  • 9 kenmerken van wat waargenomen wordt verkennen en ordenen door middel van schetsen;

  • 10 mogelijkheden van de beeldende middelen onderzoeken, waarbij zowel volgens instructie als experimenterend te werk gegaan kan worden;

  • 11 de resultaten van verkennen en onderzoek selecteren en toepassen in het eigen eindwerkstuk;

  • 12 het ontstaansproces van het eigen beeldend werk in woord en/of beeld illustreren;

  • 13 uit het eigen beeldend werk op basis van vooraf gestelde criteria een selectie maken en deze op een verzorgde wijze presenteren;

  • 14 bij de beoordeling van eigen beeldend werk vooraf gestelde criteria toepassen;

  • 15 de keuzes beargumenteren die in eigen beeldend werk gemaakt zijn in relatie tot vooraf gestelde criteria;

    Domein D.: Beschouwen de kandidaat kan op een gestructureerde wijze beelden beschouwen Subdomein: eigen beeldend werk

    De kandidaat kan

  • 16 verbanden tussen inhoud en vorm in eigen beeldend werk benoemen of illustreren;

  • 17 verbanden tussen functie en vorm in eigen beeldend werk benoemen of illustreren;

  • 18 overeenkomsten en verschillen tussen eigen beeldend werk en dat van anderen herkennen, benoemen of illustreren, en verklaren.

    Subdomein: beeldend werk van anderen

    De kandidaat kan

  • 19 beeldende middelen herkennen en relevante kenmerken ervan benoemen;

  • 20 in woord en beeld illustreren dat waarneming en beeldend werk worden beïnvloed door stemming, voorkeur, vooroordeel en oefening;

  • 21 een oordeel over de functionaliteit van een beeld beargumenteren;

  • 22 stijlen herkennen en dateren en relevante kenmerken ervan benoemen;

  • 23 inhoud, functie en vorm van door kunstenaars en vormgevers gemaakt beeldend werk in verband brengen met:

    • de gebruikte middelen,

    • de plaats en tijd van ontstaan,

    • aspecten van de culturele context.

Bijlage 11 [Vervallen per 31-12-2004]

Examenprogramma HANDVAARDIGHEID I (HANDENARBEID) eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o-C

Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt.

2. Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op de vaardigheden 3 en 4 en op de eindtermen 19 tot en met 23 en omvat vragen en opdrachten betreffende beeldend werk uit de periode van 1800 tot heden.

Het beeldmateriaal bestaat uit:

  • een voor de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen) gemeenschappelijk deel

  • een vakspecifiek deel.

3. Het schoolonderzoek

Het schoolonderzoek omvat alle vaardigheden en de eindtermen 1 tot en met 18.

Aanwijzingen C en D

Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen. Het onderscheid tussen beide examens berust op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten.

Examenstof

De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen.

1. Vaardigheden

De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen:

De kandidaat kan

  • 1. problemen oplossen bij het ontwerpen en maken van beeldend werk;

  • 2. een aantal basistechnieken van het vak hanteren;

  • 3. met behulp van vakspecifieke begrippen reflecteren op beeldend werk;

  • 4. met behulp van vakspecifieke begrippen een beargumenteerd standpunt formuleren over beeldend werk.

2. Eindtermen Domein A.: Beeldende problemen de kandidaat kan hiervoor twee- en driedimensionele beeldende oplossingen vinden met toepassing van de werkwijzen: naar de waarneming, naar de voorstelling, gericht op toepassing

De kandidaat kan

  • 1 relevante kenmerken van wat waargenomen wordt, zichtbaar maken in eigen werk;

  • 2 naar aanleiding van een gegeven ervaringen, gevoelens, ideeën en/of meningen zichtbaar maken in eigen werk;

  • 3 beeldend werk maken dat voldoet aan praktische gebruikseisen, waarbij tevens rekening wordt gehouden met één of meer eisen ten aanzien van:

    • het communicatieve aspect: informatie, verwijzing, instructie, verklaring;

    • het wervend aspect: bereik van de doelgroep;

    • het decoratieve aspect.

    Domein B.: Beeldende middelen de kandidaat kent deze middelen en kan daarvan enkele toepassen Subdomein: beeldende aspecten

    De kandidaat kan

  • 4 beeldende aspecten toepassen;

  • 5 beeldende aspecten zo toepassen dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van eigen beeldend werk.

    Subdomein: technieken

    De kandidaat kan

  • 6 modelleer-, verspanende en constructietechnieken toepassen;

  • 7 materialen, technieken en gereedschappen zo toepassen dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van eigen beeldend werk.

    Subdomein: voorstellingsaspecten

    De kandidaat kan

  • 8 algemene conventies en symbolen zo toepassen dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van eigen beeldend werk.

    Domein C.: Werkproces de kandidaat kan op een doelgerichte wijze beeldend werk maken

    De kandidaat kan

  • 9 kenmerken van wat waargenomen wordt verkennen en ordenen door middel van schetsen;

  • 10 mogelijkheden van de beeldende middelen onderzoeken, waarbij zowel volgens instructie als experimenterend te werk gegaan kan worden;

  • 11 de resultaten van verkennen en onderzoek selecteren en toepassen in het eigen eindwerkstuk;

  • 12 het ontstaansproces van het eigen beeldend werk in woord en/of beeld illustreren;

  • 13 uit het eigen beeldend werk op basis van vooraf gestelde criteria een selectie maken en deze op een verzorgde wijze presenteren;

  • 14 bij de beoordeling van eigen beeldend werk vooraf gestelde criteria toepassen;

  • 15 de keuzes beargumenteren die in eigen beeldend werk gemaakt zijn in relatie tot vooraf gestelde criteria.

    Domein D.: Beschouwen de kandidaat kan op een gestructureerde wijze beelden beschouwen Subdomein: eigen beeldend werk

    De kandidaat kan

  • 16 verbanden tussen inhoud en vorm in eigen beeldend werk benoemen of illustreren;

  • 17 verbanden tussen functie en vorm in eigen beeldend werk benoemen of illustreren;

  • 18 overeenkomsten en verschillen tussen eigen beeldend werk en dat van anderen herkennen, benoemen of illustreren, en verklaren.

    Subdomein: beeldend werk van anderen

    De kandidaat kan

  • 19 beeldende middelen herkennen en relevante kenmerken ervan benoemen;

  • 20 in woord en beeld illustreren dat waarneming en beeldend werk worden beïnvloed door stemming, voorkeur, vooroordeel en oefening;

  • 21 een oordeel over de functionaliteit van een beeld beargumenteren;

  • 22 stijlen herkennen en dateren en relevante kenmerken ervan benoemen;

  • 23 inhoud, functie en vorm van door kunstenaars en vormgevers gemaakt beeldend werk in verband brengen met:

    • de gebruikte middelen;

    • de plaats en tijd van ontstaan;

    • aspecten van de culturele context.

Bijlage 12 [Vervallen per 31-12-2004]

Examenprogramma HANDVAARDIGHEID II (TEXTIELE WERKVORMEN)

eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C

Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt.

2. Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op de vaardigheden 3 en 4 en op de eindtermen 19 tot en met 23 en omvat vragen en opdrachten betreffende beeldend werk uit de periode van 1800 tot heden.

Het beeldmateriaal bestaat uit:

  • een voor de vakken tekenen, handvaardigheid I (handenarbeid) en handvaardigheid II (textiele werkvormen) gemeenschappelijk deel

  • een vakspecifiek deel.

3. Het schoolonderzoek

Het schoolonderzoek omvat alle vaardigheden en de eindtermen 1 tot en met 18.

Aanwijzingen C en D

Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen. Het onderscheid tussen beide examens berust op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten.

Examenstof

De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen.

1. Vaardigheden

De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen:

De kandidaat kan

  • 1. problemen oplossen bij het ontwerpen en maken van beeldend werk;

  • 2. een aantal basistechnieken van het vak hanteren;

  • 3. met behulp van vakspecifieke begrippen reflecteren op beeldend werk;

  • 4. met behulp van vakspecifieke begrippen een beargumenteerd standpunt formuleren over beeldend werk.

2. Eindtermen Domein A.: Beeldende problemen de kandidaat kan hiervoor twee- en driedimensionale beeldende oplossingen vinden met toepassing van de werkwijzen: naar de waarneming, naar de voorstelling, gericht op toepassing

De kandidaat kan

  • 1 relevante kenmerken van wat waargenomen wordt, zichtbaar maken in eigen werk;

  • 2 naar aanleiding van een gegeven ervaringen, gevoelens, ideeën en/of meningen zichtbaar maken in eigen werk;

  • 3 beeldend werk maken dat voldoet aan praktische gebruikseisen, waarbij tevens rekening wordt gehouden met één of meer eisen ten aanzien van:

    • het communicatieve aspect: informatie, verwijzing, instructie, verklaring;

    • het wervend aspect: bereik van de doelgroep;

    • het decoratieve aspect.

    Domein B.: Beeldende middelen de kandidaat kent deze middelen en kan daarvan enkele toepassen Subdomein: beeldende aspecten

    De kandidaat kan

  • 4 beeldende aspecten toepassen;

  • 5 beeldende aspecten zo toepassen dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van eigen beeldend werk.

    Subdomein: technieken

    De kandidaat kan

  • 6 textiele technieken toepassen waarmee stoffen ontstaan, bewerkt en verwerkt worden;

  • 7 materialen, technieken en gereedschappen zo toepassen dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van eigen beeldend werk.

    Subdomein: voorstellingsaspecten

    De kandidaat kan

  • 8 algemene conventies en symbolen zo toepassen dat ze een bijdrage leveren aan de zeggingskracht van eigen beeldend werk.

    Domein C.: Werkproces de kandidaat kan op een doelgerichte wijze beeldend werk maken

    De kandidaat kan

  • 9 kenmerken van wat waargenomen wordt verkennen en ordenen door middel van schetsen;

  • 10 mogelijkheden van de beeldende middelen onderzoeken, waarbij zowel volgens instructie als experimenterend te werk gegaan kan worden;

  • 11 de resultaten van verkennen en onderzoek selecteren en toepassen in het eigen eindwerkstuk;

  • 12 het ontstaansproces van het eigen beeldend werk in woord en/of beeld illustreren;

  • 13 uit het eigen beeldend werk op basis van vooraf gestelde criteria een selectie maken en deze op een verzorgde wijze presenteren;

  • 14 bij de beoordeling van eigen beeldend werk vooraf gestelde criteria toepassen;

  • 15 de keuzes beargumenteren die in eigen beeldend werk gemaakt zijn in relatie tot vooraf gestelde criteria.

    Domein D.: Beschouwen de kandidaat kan op een gestructureerde wijze beelden beschouwen Subdomein: eigen beeldend werk

    De kandidaat kan

  • 16 verbanden tussen inhoud en vorm in eigen beeldend werk benoemen of illustreren;

  • 17 verbanden tussen functie en vorm in eigen beeldend werk benoemen of illustreren;

  • 18 overeenkomsten en verschillen tussen eigen beeldend werk en dat van anderen herkennen, benoemen of illustreren, en verklaren.

    Subdomein: beeldend werk van anderen

    De kandidaat kan

  • 19 beeldende middelen herkennen en relevante kenmerken ervan benoemen;

  • 20 in woord en beeld illustreren dat waarneming en beeldend werk worden beïnvloed door stemming, voorkeur, vooroordeel en oefening;

  • 21 een oordeel over de functionaliteit van een beeld beargumenteren;

  • 22 stijlen herkennen en dateren en relevante kenmerken ervan benoemen;

  • 23 inhoud, functie en vorm van door kunstenaars en vormgevers gemaakt beeldend werk in verband brengen met:

    • de gebruikte middelen;

    • de plaats en tijd van ontstaan;

    • aspecten van de culturele context.

Bijlage 13 [Vervallen per 31-12-2004]

Examenprogramma MAATSCHAPPIJLEER eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C

Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt.

2. Het centraal examen
  • a. Het centraal examen heeft betrekking op het domein Politiek en beleid en op twee andere – periodiek wisselende – domeinen.

  • b. De periodiek wisselende domeinen worden ten minste twee jaar voor de aanvang van het schooljaar, waarin ze worden geëxamineerd, door de minister bekendgemaakt.

Bij het centraal examen worden de vaardigheden betrokken.

3. Het schoolonderzoek

Het schoolonderzoek bestaat uit twee onderdelen, te weten

  • a. een domein dat niet in het centraal examen is opgenomen;

  • b. een sociaal en/of politiek probleem of verschijnsel binnen één of meer der domeinen. Dit onderdeel dient – geheel of gedeeltelijk – door de kandidaat zelfstandig te zijn bestudeerd in de vorm van literatuurstudie of onderzocht in de vorm van een interview, enquête of een andere vorm van onderzoek.

Bij het schoolonderzoek worden de vaardigheden betrokken.

Aanwijzingen C en D

Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen, met dien verstande dat voor het centraal examen door de minister nadere aanwijzingen kunnen worden gegeven. Die aanwijzingen kunnen inhouden dat aangegeven vaardigheden en eindtermen worden uitgesloten van het C-examen.

Het onderscheid tussen beide examens berust voorts op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten.

Examenstof

De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen.

1. Vaardigheden

De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen:

De kandidaat kan

  • 1. omgaan met de centrale begrippen en kenmerkende benaderingswijze van het vak;

    De centrale begrippen zijn als zodanig aangegeven in de eindtermen; de kenmerkende benaderingswijze wordt gevormd door vier invalshoeken: 1. de politiek-juridische invalshoek:
    • - de rol van de overheid en van rechtsregels bij een sociaal en politiek probleem of verschijnsel (beleid, wetgeving);
    • - belangen en machtsverhoudingen (positie van belangengroepen, invloed van maatschappelijke groeperingen op het beleid);
    2. de sociaal-economische invalshoek:
    • - de relatie van een sociaal en politiek probleem of verschijnsel met de sociaal-economische structuur van de samenleving;

    3. de sociaal-culturele invalshoek:

    • - de relatie van een sociaal en politiek probleem of verschijnsel met de culturele context (verschillende waarden, normen, leefgewoonten);
    • -

      opvattingen van maatschappelijke groeperingen (standpunten van politieke partijen en belangengroepen in relatie tot ideologische stromingen);

    4. de veranderings- en vergelijkende invalshoek:

    • -

      sociale en politieke problemen of verschijnselen in het perspectief van sociale veranderingen en in vergelijking met andere samenlevingen;

  • 2. zelfstandig informatie verwerven over sociale en politieke problemen; deze verwerken en toepassen met behulp van de centrale begrippen en de kenmerkende benaderingswijze van het vak;

  • 3. activiteiten uitvoeren zoals die binnen een eenvoudig onderzoek voorkomen:

    • uit bronnen een probleemstelling formuleren;

    • gegevens verzamelen door eigen waarneming of door het raadplegen van bronnen, en informatiebronnen (waaronder massamedia) kritisch beoordelen;

    • gegevens ordenen en overzichtelijk weergeven, waar nodig in tabellen, diagrammen, schema's en kaarten;

    • conclusies trekken uit gegevens;

    • de resultaten van eigen onderzoek presenteren;

  • 4. een beargumenteerd standpunt over gegeven maatschappelijke vraagstukken formuleren met behulp van de centrale begrippen en de kenmerkende benaderingswijze van het vak.

2. Eindtermen

Domein A.: Politiek en beleid Subdomein: politieke structuren en processen

De kandidaat kan

  • 1 kenmerken van de parlementaire democratie herkennen en beschrijven;

  • 2 een aantal fasen in het totstandkomen van politieke beslissingen herkennen en beschrijven;

    (Met gebruikmaking van de begrippen: burgers, belangengroepen, de media, regering, parlement, politieke partijen en ambtenaren, beleid en wetgeving, politiek, democratie, rechtsstaat, macht.)
  • 3 de rol en invloed van regering, parlement en ambtenaren in een parlementaire democratie beschrijven;

  • 4 uitleggen wat het begrip democratie betekent;

  • 5 de rol en invloed van politieke partijen en belangen- of pressiegroepen in het politieke besluitvormingsproces beschrijven;

  • 6 knelpunten onderscheiden in het functioneren van het politieke besluitvormingsproces en voorbeelden geven van voorstellen tot verbetering;

  • 7 een eigen mening verwoorden over de mate waarin burgers in ons land invloed kunnen uitoefenen op de politieke besluitvorming.

    Subdomein: politieke stromingen

    De kandidaat kan

  • 8 maatschappijvisies onderscheiden die een rol spelen in het denken over de politiek;

  • 9 toelichten welke politieke stromingen en partijen verwant zijn met die maatschappijvisies;

    (Met gebruikmaking van de begrippen: liberalisme, christendemocratie, sociaal-democratie, communisme, rechtsextremisme/fascisme, ecologische visie, links/rechts, progressief en conservatief.) Domein B.: Arbeid en samenleving Subdomein: verzorgingsstaat

    De kandidaat kan

  • 10 uitleggen wat wordt bedoeld met een verzorgingsstaat en door welke factoren deze onder druk is komen te staan;

  • 11 opvattingen weergeven van grote maatschappelijke en politieke stromingen over de rol die de overheid zou moeten spelen op het terrein van arbeid en de daarmee samenhangende sociale en economische verhoudingen;

    (Met gebruikmaking van de begrippen: (democratisch) socialisme, christen-democratie, liberalisme, ecologische visie, verzorgingsstaat.)
  • 12 regels noemen of opzoeken waarmee de burgers te maken hebben bij het verschijnsel arbeid;

  • 13 terreinen van mens en werk onderscheiden waarop de overheid actief is en deze terreinen in verband brengen met artikelen uit de grondwet.

    Subdomein: arbeidsverdeling

    De kandidaat kan

  • 14 de huidige industriële samenleving typeren op basis van:

    • mate van arbeidsverdeling,

    • stand van de technologie,

    • structuur van de samenleving;

    (Met gebruikmaking van de begrippen: sociale ongelijkheid, sociaal milieu, arbeidsverdeling.)
  • 15 de positie van jongeren, vrouwen en etnische minderheden op de arbeidsmarkt typeren.

    Subdomein: arbeidsverhoudingen

    De kandidaat kan

  • 16 uitleggen wat met arbeidsverhoudingen wordt bedoeld;

  • 17 belangen van werkgevers- en werknemers-organisaties herkennen en aangeven welke middelen deze hebben om voor hun belangen op te komen;

    (Met gebruikmaking van de begrippen: vakbonden, vakcentrales, arbeidsverhoudingen, belangen (organisaties).) Subdomein: arbeidsethos

    De kandidaat kan

  • 18 functies noemen die arbeid voor mensen kan hebben;

    (Met gebruikmaking van het begrip arbeidsethos.)
  • 19 factoren noemen die van invloed zijn op de (maatschappelijke) waardering van verschillende soorten werk;

  • 20 in de actuele discussie over het arbeidsethos verschillende opvattingen onderscheiden;

  • 21 toelichten waarom het hebben van werk belangrijk wordt gevonden voor individu en samenleving.

    Domein C.: Massamedia Subdomein: massacommunicatie

    De kandidaat kan

  • 22 het begrip massamedia omschrijven en verschillende soorten massamedia herkennen;

    (Met gebruikmaking van het begrip (massa)communicatie.)
  • 23 functies van massamedia noemen en in voorbeelden herkennen;

  • 24 toelichten dat massamedia een belangrijke betekenis hebben voor:

    • cultuuroverdracht,

    • democratische besluitvorming,

    • vrijetijdsbesteding.

    Subdomein: mediabeleid

    De kandidaat kan

  • 25 toelichten welk beleid de overheid in ons land voert op het gebied van de massamedia;

    (Met gebruikmaking van het begrip pluriformiteit.)
  • 26 politieke visies op het mediabeleid herkennen.

    Subdomein: commercialisering

    De kandidaat kan

  • 27 een verband leggen tussen massamedia en commercie;

  • 28 bij de media in onze samenleving de betekenis van persconcentratie en monopolievorming herkennen.

    Subdomein: selectie

    De kandidaat kan

  • 29 kanttekeningen plaatsen bij het nieuwsaanbod uit en over de derde wereld;

  • 30 toelichten dat:

    • de inhoud en vorm van een dagblad en

    • de samenstelling, inhoud en vorm van televisieprogramma's het resultaat zijn van selectieprocessen.

      (Met gebruikmaking van de begrippen: selectieve waarneming, referentiekader.)
    Subdomein: cultuuroverdracht

    De kandidaat kan

  • 31 met voorbeelden verduidelijken dat media een rol vervullen bij de overdracht van waarden, normen, cultuur, vooroordelen en stereotypen;

    (Met gebruikmaking van de begrippen: selectieve waarneming, referentiekader.)
  • 32 toelichten wat de rol is van de massamedia in de beeldvorming over maatschappelijke verschijnselen;

    (Met gebruikmaking van de begrippen: waarden, normen, vooroordelen, stereotypen, socialisatie.)
  • 33 opvattingen over de invloed van media noemen en in voorbeelden herkennen.

    Subdomein: pluriformiteit

    De kandidaat kan

  • 34 toelichten wat wordt bedoeld met de pluriformiteit van de massamedia;

    (Met gebruikmaking van de begrippen: pluriformiteit, verzuiling, ontzuiling.)
  • 35 toelichten wat de betekenis van verzuiling en ontzuiling is voor de media;

  • 36 de op Nederland gerichte omroeporganisaties met elkaar vergelijken;

  • 37 verschillende landelijke dagbladen met elkaar vergelijken aan de hand van hun politieke en/of levensbeschouwelijke achtergrond of kleur.

    Domein D.: De multi-culturele samenleving Subdomein: ontstaan

    De kandidaat kan

  • 38 uitleggen wat wordt bedoeld met een multiculturele samenleving;

    (Met gebruikmaking van de begrippen: migratie, allochtonen, autochtonen, etnische/culturele minderheden.)
  • 39 van de grootste groepen allochtonen in Nederland de motieven noemen die meestal een rol hebben gespeeld bij hun migratie naar Nederland;

  • 40 sociale en politieke problemen herkennen die samenhangen met het multiculturele karakter van onze samenleving.

    Subdomein: minderhedenbeleid

    De kandidaat kan

  • 41 opvattingen en belangen herkennen die een rol spelen in de discussie over het overheidsbeleid voor allochtonen.

    (Met gebruikmaking van de begrippen: minderheden, integratie.) Subdomein: sociale positie van allochtonen

    De kandidaat kan

  • 42 toelichten dat onderwijs en arbeid van grote invloed zijn op de positie van groepen in onze samenleving;

    (Met gebruikmaking van het begrip sociale positie.)
  • 43 de positie van allochtonen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt schetsen en belemmeringen en mogelijkheden noemen voor een verbetering van die positie.

    Subdomein: cultuurverschillen

    De kandidaat kan

  • 44 overeenkomsten en verschillen in cultuur binnen het autochtone en allochtone deel van de Nederlandse samenleving noemen;

    (Met gebruikmaking van de begrippen: cultuur, subcultuur, socialisatie.)
  • 45 voorbeelden noemen en herkennen van cultuurverschillen en -overeenkomsten van de belangrijkste allochtone groepen in Nederland voor verschillende aspecten van het dagelijks leven;

  • 46 met voorbeelden duidelijk maken dat waarden, normen en gewoonten van autochtonen en allochtonen kunnen veranderen als deze groepen met elkaar in aanraking komen.

    Subdomein: beeldvorming

    De kandidaat kan

  • 47 toelichten dat ons oordeel over anderen beïnvloed wordt door de eigen culturele achtergrond;

    (Met gebruikmaking van de begrippen: vooroordelen, stereotypen, discriminatie, racisme.)
  • 48 verduidelijken welke rol vooroordelen spelen bij de beeldvorming over andere culturen;

  • 49 discriminatie en racisme herkennen en factoren noemen die het ontstaan van deze verschijnselen in de hand werken.

    Domein E.: Rechtsstaat en criminaliteit Subdomein: rechtsstaat

    De kandidaat kan

  • 50 Nederland als een rechtsstaat typeren;

  • 51 toelichten wat de betekenis van regels is voor het samenleven van mensen.

    (Met gebruikmaking van de begrippen: rechtsstaat, grondrechten, machtenscheiding.) Subdomein: beleid en criminaliteit

    De kandidaat kan

  • 52 de aard en omvang van criminaliteit als sociaal en politiek probleem schetsen;

  • 53 typeren op welke wijze de overheid betrokken is bij het voorkomen, signaleren en bestrijden van criminaliteit;

  • 54 beschrijven waar in ons land is vastgelegd wat strafbaar gedrag is.

    Subdomein: strafrecht

    De kandidaat kan

  • 55 de uitgangspunten van het Nederlandse strafrecht herkennen en beschrijven;

    (Met gebruikmaking van de begrippen: rechtsregels/wetgeving, justitie, rechtspraak.)
  • 56 verschillende vormen van strafbaar gedrag onderscheiden, verschillende soorten straffen noemen en een mening geven over het nut van bepaalde straffen;

  • 57 bepalingen uit het strafrecht noemen die betrekking hebben op jongeren;

  • 58 taken van de officier van justitie en van de politie onderscheiden;

  • 59 beschrijven hoe de strafrechtspraak is georganiseerd, wat de rechten van een verdachte zijn en hoe een rechtszitting verloopt.

    Subdomein: criminaliteit en samenleving

    De kandidaat kan

  • 60 maatschappelijke organisaties noemen die betrokken zijn bij criminaliteit en rechtspraak en beschrijven welke belangen daarbij een rol spelen;

  • 61 de visies van politieke partijen op de aanpak van criminaliteit herkennen;

    (Met gebruikmaking van de begrippen: sociaal milieu, sociale controle, (sub)cultuur.)
  • 62 beschrijven welke gevolgen criminaliteit heeft voor burger en samenleving, en hoe burgers en bedrijven proberen om criminaliteit te voorkomen;

  • 63 voorbeelden geven van het feit dat criminaliteit een tijd- en plaatsgebonden begrip is;

  • 64 beschrijven wat de rol is van de massamedia in de beeldvorming over criminaliteit in de samenleving;

  • 65 verschillende visies op het ontstaan van criminaliteit toepassen bij het geven van verklaringen over het ontstaan of de toename ervan, en daarbij ook een mening geven over de gewenste aanpak.

    (Met gebruikmaking van de begrippen: relatie met sociale categorieën, grote en kleine criminaliteit.)

Bijlage 14 [Vervallen per 31-12-2004]

Examenprogramma FRANSE TAAL, DUITSE TAAL, ENGELSE TAAL EN SPAANSE TAAL

eindexamens v.b.o.-D, v.b.o.-C, m.a.v.o.-D en m.a.v.o.-C

Centraal examen en schoolonderzoek 1. Indeling

Het eindexamen bestaat uit het centraal examen en het schoolonderzoek. Het centraal examen wordt afgenomen in een zitting die twee uur duurt.

2. Het centraal examen

Het centraal examen heeft betrekking op leesvaardigheid: intensief lezen (eindtermen 1 tot en met 7) waarbij voor zover terzake de vaardigheden 1 tot en met 4 worden betrokken. De eindtermen worden getoetst aan de hand van vragen en opdrachten bij een aantal teksten.

3. Het schoolonderzoek

Het schoolonderzoek omvat afzonderlijke toetsing van:

  • a. Leesvaardigheid: extensief lezen (eindterm 8).

    De toetsing geschiedt in elk geval aan de hand van een aantal door de kandidaat gelezen fictionele en niet-fictionele teksten, ter keuze van de school in de vorm van een leesdossier.

  • b. Luistervaardigheid (eindtermen 9 tot en met 13).

  • c. Gespreksvaardigheid (eindtermen 14 tot en met 22).

  • d. Schrijfvaardigheid (eindtermen 23 tot en met 31). De eindtermen worden getoetst aan de hand van een aantal in het Nederlands gestelde functionele opdrachten betreffende het schrijven van een brief/brieven. In de opdrachten wordt de context duidelijk gemaakt. Bij het schrijven van de brief/brieven heeft de kandidaat een woordenboek tot zijn beschikking.

    Bij a tot en met d worden de vaardigheden 1 tot en met 4 betrokken.

Aanwijzingen C en D

Het examen C en D omvat alle onder Examenstof omschreven vaardigheden en eindtermen.

Het onderscheid tussen beide examens berust op verschillen in vraagstelling in de examenopgaven en -opdrachten.

Bedoeld onderscheid wordt enerzijds bepaald door het taalmateriaal bij lees- en luistervaardigheid (woordenschat, grammaticale complexiteit, abstractieniveau van teksten), anderzijds door de kwaliteit van de uitvoering bij spreek- en schrijfvaardigheid (grotere gepastheid en formele correctheid).

Examenstof

De examenstof is omschreven in vaardigheden en eindtermen.

1. Vaardigheden

De volgende algemene vaardigheden worden getoetst in relatie met de eindtermen:

De kandidaat kan

  • 1. strategieën hanteren die op het bereiken van verschillende lees-, luister-, spreek- en schrijfdoelen zijn afgestemd;

  • 2. compenserende strategieën hanteren, wanneer de eigen taalkennis tekort schiet;

  • 3. bij het verwerven en presenteren van informatie gebruik maken van bronnen en informatiesystemen, zoals vraaggesprekken, artikelen uit kranten en tijdschriften en naslagwerken (waaronder woordenboeken);

  • 4. kennis van land en volk toepassen bij het herkennen van cultuuruitingen die specifiek zijn voor het betreffende taalgebied.

2. Eindtermen Domein A: Lezen Subdomein: Intensief lezen

De kandidaat kan

  • 1 bepalen welke relevante informatie een tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte;

  • 2 de hoofdzaken en de belangrijkste details van teksten aangeven;

  • 3 gegevens uit een of meer teksten met elkaar vergelijken en conclusies trekken op basis van essentiële informatie in die tekst(en);

  • 4 verbanden herkennen tussen onderdelen van een tekst;

  • 5 het gebruik van speciale stijlmiddelen herkennen;

    (Overdrijvingen, grappen.)
  • 6 conclusies trekken over:

    • het schrijfdoel, de opvattingen en gevoelens van de auteur;

    • het publiek waarvoor de tekst bedoeld is;

  • 7 gebruik maken van compenserende strategieën.

    (Het afleiden van de woordbetekenis uit de context.) Subdomein: Extensief lezen

    De kandidaat kan

  • 8 langere fictionele en niet-fictionele, informatieve teksten van uiteenlopende omvang en aard lezen.

    Het betreft bij de eindtermen 1 tot en met 8:
    • - artikelen uit kranten en tijdschriften;
    • - verhalend proza;
    • -

      functionele teksten, zoals folders, gebruiksaanwijzingen, reisgidsen, formulieren, advertenties, berichten of korte mededelingen en correspondentie.

    Kenmerken van de teksten:

    • -

      zijn representatief voor authentiek schriftelijk materiaal;

    • -

      passen bij het ontwikkelingsniveau van de kandidaten en zijn geschreven voor een breed publiek;

    • -

      sluiten qua onderwerp aan bij de belangstelling van de kandidaten en het eigentijdse maatschappelijke gebeuren;

    • -

      houden rekening met voorkennis;

    • -

      hebben een eenvoudige opbouw;

    • -

      kunnen enige kennis vereisen van landen en culturen waarin de vreemde taal als moedertaal geldt.

    Domein B.: Luisteren

    De kandidaat kan

  • 9 bepalen welke relevante informatie een gesproken tekst bevat, gegeven een bepaalde informatiebehoefte;

  • 10 waarschuwingen en beleefdheidsfrasen begrijpen;

  • 11 de hoofdzaken en de belangrijkste details van gesproken tekst onderscheiden en begrijpen;

  • 12 op basis van het gehoorde anticiperen op het meest waarschijnlijke vervolg van een gesprek;

  • 13 gebruik maken van compenserende strategieën.

    (Het afleiden van informatie uit de context en de luistersituatie.)

    Het betreft bij de eindtermen 9 tot en met 13:

    • -

      interviews, reportages, monologen, dialogen en discussies; nieuws- en weerberichten, reclameboodschappen, verkeersinformaties en programma-aankondigingen; aanwijzingen en instructies en de meest voorkomende bekendmakingen via geluidssystemen op stations, vliegvelden en dergelijke.

    Domein C.: Gesprekken voeren

    De kandidaat kan

  • 14 informatie uitwisselen;

  • 15 standpunten uitwisselen;

  • 16 anderen aanzetten tot handelen;

  • 17 instemmen of weigeren;

  • 18 persoonlijke gevoelens uiten en ernaar vragen;

  • 19 in taal uitgedrukte sociale omgangsvormen juist interpreteren en zelf gebruiken;

  • 20 een gesprek beginnen, sturen en eindigen;

  • 21 strategieën toepassen om tekorten in taalkennis te compenseren;

    (Het gebruiken van omschrijvingen, het parafraseren)
  • 22 misverstanden gebaseerd op culturele verschillen tot een minimum beperken of oplossen.

    Het betreft bij de eindtermen 14 tot en met 22 gesprekken zoals gewone ‘face to face’ gesprekken en telefonische gesprekken in alledaagse situaties.

    Kenmerken van de gesprekken:

    • -

      ze passen qua onderwerp bij het ontwikkelingsniveau van de kandidaten en sluiten aan bij persoonlijk leven, school, studie en beroep, informele sociale contacten en vrije tijd;

    • -

      de kandidaat gebruikt woorden en uitdrukkingen met een neutrale gebruikswaarde, die zowel in formele als informele situaties passen.

    Bij het beoordelen spelen de volgende factoren een rol:

    • -

      gepastheid in de situatie;

    • -

      correctheid wat betreft uitdrukkingsvorm, woordgebruik, uitspraak, grammatica.

    Domein D.: Schrijven

    De kandidaat kan

  • 23 informatie geven en vragen;

  • 24 meningen geven en ernaar vragen;

  • 25 verzoeken doen;

  • 26 bedanken;

  • 27 reageren;

  • 28 gevoelens uiten en ernaar vragen;

  • 29 correcte schriftelijke sociale omgangsvormen hanteren;

  • 30 omgaan met een woordenboek;

  • 31 strategieën toepassen om tekorten in taalkennis te compenseren.

    (Het gebruiken van omschrijvingen, het parafraseren)

    Het betreft bij de eindtermen 23 tot en met 31:

    • een eenvoudige informele en formele brief over

    • persoonlijke omstandigheden;

    • onderwijs en toekomstplannen;

    • vrije tijd en ontspanning;

    • reizen;

    • vakantie;

    • gezondheid en welzijn;

    • het weer;

    • diensten (bijv. VVV).

    Bij het beoordelen spelen de volgende factoren een rol:

    • -

      volledigheid en duidelijkheid;

    • -

      correctheid wat betreft uitdrukkingsvorm, woordgebruik, grammatica, spelling.