KruimelpadGeldend op 30-07-2010
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Op de voordracht van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 13 september 1994, nr. MJZ 13994065, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Gelet op artikel 28, vierde lid, van de Wet bodembescherming;
De Raad van State gehoord (advies van 10 november 1994, nr. W08.94.0569);
Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 23 november 1994, nr. MJZ 23n94001, Centrale Directie Juridische Zaken, Afdeling Wetgeving;
Hebben goedgevonden en verstaan:
1. De melding van degene die voornemens is de bodem te saneren dan wel handelingen te verrichten ten gevolge waarvan de verontreiniging van de bodem wordt verminderd of verplaatst, kan achterwege blijven:
a. indien bij het bevoegde gezag:
1°. een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is ingediend;
2°. een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 1.3 van de Wet milieubeheer is ingediend;
3°. een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is ingediend, waarbij op grond van de gemeentelijke bouwverordening, bedoeld in artikel 8 van die wet, de overlegging van een onderzoeksrapport inzake de gesteldheid van de bodem is vereist;
4°. een melding als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer of een melding als bedoeld in artikel 8.41 op grond van een in artikel 8.40 van die wet bedoelde algemene maatregel van bestuur, is gedaan, en
5°. het bevoegde gezag naar aanleiding van de resultaten van een bodemonderzoek, voorgeschreven bij of krachtens een onder 1° tot en met 6° genoemde wettelijke regeling, heeft vastgesteld, dat er geen sprake is van een geval van ernstige verontreiniging;
b. Indien het bevoegde gezag naar aanleiding van een melding als bedoeld in artikel 42 van het Besluit bodemkwaliteit heeft vastgesteld dat geen sprake is van een ernstig geval van verontreiniging.
c. indien het verspreiden van onderhoudsspecie klasse 1 of 2 op land met inachtneming van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen en de daarop gebaseerde ministeriële regeling geschiedt.
2. Het eerste lid, aanhef en onderdeel a, is niet van toepassing indien de in dat lid, aanhef en onderdeel a, onder 7°, bedoelde resultaten van het bodemonderzoek niet meer representatief zijn om te kunnen beoordelen of de bodem ernstig verontreinigd is. Hiervan is in ieder geval sprake indien er vijf jaren zijn verstreken na voltooiing van het bodemonderzoek.
3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, onder 3° juncto 7°, kan de melding tevens achterwege blijven indien bij de in de bouwverordening op grond van artikel 8 van de Woningwet aangewezen gevallen geen bodemonderzoek is vereist.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag waarop artikel 28 van de Wet bodembescherming in werking treedt.
Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.
Beatrix
De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,
Margaretha de Boer
De Minister van Justitie,
W. Sorgdrager