Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Splitsing van aandelen ‘Spin off’

Geldend van 12-10-1994 t/m heden

Splitsing van aandelen ‘Spin off’

1. Inleiding

Regelmatig ontvang ik verzoeken om de belastingheffing ter zake van splitsing van, in hoofdzaak Amerikaanse, aandelen alsmede ter zake van zogeheten ‘spin-off’s’ (afsplitsing van een of meer dochtervennootschappen) in afwijking van de wettelijke regeling achterwege te laten dan wel te verschuiven naar een in de toekomst gelegen tijdstip.

Mijn beleid ten aanzien van de splitsing van aandelen heb ik bij de aanschrijving van 12 december 1966, nr. B6/15767, gepubliceerd. Ik maak van deze gelegenheid gebruik mijn beleid ten aanzien van beide situaties in één aanschrijving kenbaar te maken.

2. Splitsing van aandelen

Een splitsing van aandelen (split-up) heeft veelal tot doel de aandelen beter verhandelbaar te maken. Een dergelijke splitsing kan zowel voor de rechtstreekse aandeelhouder als voor de houder van certificaten van aandelen fiscale gevolgen met zich brengen.

Een splitsing waarbij en aandeel van bij voorbeeld nominaal f 1.000 wordt gesplitst in twee aandelen van nominaal f 500 en er geen overboeking plaatsvindt van een reserve- naar een kapitaalrekening heeft geen fiscale gevolgen (echte split-up). Er vindt slechts een mutatie plaats binnen het nominale kapitaal van de vennootschap. Indien het hiervoor genoemde aandeel van nominaal f 1.000 wordt gesplitst in twee aandelen van nominaal f 750 kunnen er wel fiscale gevolgen zijn verbonden aan de splitsing (onechte split-up). Het nominaal aandelenkapitaal wordt vergroot met f 500. Indien dit bedrag afkomstig is van de agioreserve is er sprake van een agio-bonus. Een dergelijke agio-bonus is er niet belast, voor zover deze bonus ten last van de – als fiscaal gestort kapitaal erkende – agioreserve is geboekt. Indien deze f 500 afkomstig is uit de winstreserves of de lopende winst is er sprake van een winstbonus of stock-dividend en dient belastingheffing plaats te vinden op grond van artikel 29, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Wanneer er sprake is van zowel fiscaal erkend als niet erkend agio en er slechts één ongesplitste agioreserve wordt geadministreerd, zal bij een bonusuitkering ten laste van deze agioreserve een evenredige verdeling over beide vormen van agio worden aangenomen.

Het voorgaande geldt ook voor aandelen zonder nominale waarde. Een splitsing van een dergelijk aandeel heeft geen gevolgen, indien het aandeel wordt gesplitst in twee of meer aandelen zonder nominale waarde en tevens geen verschuiving van de winstreserves naar de kapitaalrekening plaatsvindt.

Wellicht ten overvloede merk ik op, dat de kwalificatie welke in het buitenland aan de verschillende onderdelen van het vermogen wordt gegeven, niet doorslaggevend is; de beoordeling dient naar Nederlands recht plaats te vinden.

Een afwijkende benadering voor aandeelhouders in buitenlandse vennootschappen acht ik niet gewenst. Dit zou immers leiden tot een ongelijke behandeling ten opzichte van aandeelhouders in binnenlandse vennootschappen zonder dat hier een redelijke grond voor is. Verzoeken om een dergelijke afwijkende benadering pleeg ik dan ook af te wijzen.

Het voorgaande geldt mutatis mutandis voor de houders van certificaten van aandelen.

3. Afsplitsing van dochtervennootschappen

Onder een ‘spin-off’ dient te worden verstaan de uitreiking van aandelen in één of meer dochtervennootschappen door de moedermaatschappij als dividend aan haar aandeelhouders. Te dezen is in beginsel sprake van een dividend in natura dat als zodanig integraal in de belastingheffing dient te worden betrokken. Immers de moedervennootschap zal deze uitkering doorgaans ten laste van de winstreserves of lopende winst boeken. Dit dividend wordt in de heffing betrokken naar de waarde in het economische verkeer, zijnde de waarde van de aandelen in de dochtervennootschap. Het vorenstaande lijdt uitzondering indien sprake is van een terugbetaling van kapitaal van de moedervennootschap en tevens voldaan is aan de eisen van artikel 29, tweede lid, van de Wet. Ingeval van een buitenlandse vennootschap zal hier veelal niet aan zijn voldaan.

Als bezwaar tegen een dergelijke heffing wordt doorgaans aangevoerd, dat de aandeelhouder door deze dividenduitkering niet meer in handen krijgt dan hij vóór de dividenduitkering reeds bezat. Dit is echter geen reden, net zo min als bij bonusaandelen, om de heffing van dividend- en inkomstenbelasting achterwege te laten. Door de uitkering ten last van de winstreserves van de moedervennootschap dreigt een deel van de inkomstenbelastingclaim over deze reserves verloren te gaan.

Een mogelijk gevolg van deze dividenduitkering kan zijn dat er in de toekomst dubbele heffing zal plaatsvinden, nl. over de winstreserves in de dochtervennootschap ten tijde van afsplitsing. Dit is een gevolg van de sfeerovergang van deze aandelen. De aandelen in de dochtervennootschap bevonden zich eerst in het ondernemingsvermogen (van de moedervennootschap) en kunnen nu zijn terechtgekomen in het privé-vermogen van een aandeelhouder-natuurlijk persoon. Het zich daadwerkelijk voordoen van deze dubbele heffing alsmede de hoogte daarvan is niet zeker. In de eerste plaats is van belang of deze aandelen zich in een verder verleden niet in de particuliere sfeer hebben bevonden. In een dergelijk geval heeft er al eerder en sfeerovergang plaatsgevonden waarbij een inkomstenbelastingclaim teniet kan zijn gegaan. In de tweede plaats is niet zeker of in de toekomst de aandelen niet wederom tot een ondernemingsvermogen gaan behoren (een nieuwe sfeerovergang), bij voorbeeld door verkoop aan een rechtspersoon.

Verzoeken om een afwijkende behandeling van ‘spin-off’s’ worden door mij afgewezen. Het maakt hierbij niet uit of de ‘spin-off’ van overheidswege wordt opgelegd. Ook de hiervoor genoemde mogelijke dubbele heffing is voor mij, mede gelet op onzekerheid ten aanzien van zowel de hoogte als het zich daadwerkelijk voordoen, geen aanleiding om een afwijkende behandeling toe te staan.

4. Kosten van verwerving

De kosten verbonden aan een (al dan niet belaste) splitsing van aandelen en certificaten van aandelen zijn voor de houder van deze aandelen aftrekbaar op grond van artikel 35 van de Wet. Hetzelfde geldt voor de kosten verbonden aan een spin-off.

Voor de belastingplichtige die de losse dividendbewijzen waarop de nieuwe aandelen beschikbaar worden gesteld, door koop of schenking heeft verkregen geldt het voorgaande niet. Voor deze belastingplichtige kan niet gesproken worden van kosten van vermogensbeheer. Evenmin zijn de kosten verbonden aan een spin-off aftrekbaar voor de belastingplichtige die het losse dividendbewijs waarop dit dividend wordt uitgekeerd heeft gekocht na betaalbaarstelling van het dividend dan wel het dividendbewijs geschonken heeft gekregen. Voor deze belastingplichtige is er immers geen sprake van belaste inkomsten.

5. Genietingstijdstip

De in deze aanschrijving genoemde inkomsten zijn belast op het tijdstip als bedoeld in artikel 33 van de Wet, zijnde het moment van betaalbaarstelling, het moment waarop de aandelen omgewisseld kunnen worden dan wel het moment van bijschrijving.

Voor certificaathouders geldt hierbij het volgende. In de arresten van 22 januari 1958, BNB 1958/86 en van 19 maart 1958, BNB 1958/185 is, met betrekking tot de daar aan de orde zijnde inkomsten, beslist dat de certificaathouders deze inkomsten op hetzelfde tijdstip genieten als de houders van de originele aandelen.

Op grond van deze arresten kan echter niet de conclusie worden getrokken, dat certificaathouders alle inkomsten uit certificaten – dus ook de normale jaarlijkse dividenden in contanten – in de zin van artikel 33 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 op hetzelfde tijdstip genieten als de houders van de originele aandelen.

In verband hiermede dienen de inspecteurs het standpunt in te nemen, dat het tijdstip van genieten voor de certificaathouders en de houders van de originele aandelen alleen samenvalt voor die inkomsten in natura, welke door het administratiekantoor naast of in plaats van de originele aandelen in administratie worden genomen. Voor dividenden, welke door het administratiekantoor worden doorbetaald en de inkomsten in natura, welke door het administratiekantoor worden verkocht en waarvan de verkoopopbrengst ter beschikking van de certificaathouders wordt gesteld, geldt het vorenstaande niet.

De aanschrijving van 12 december 1966, nr. B6/15767, heeft hiermee haar belang verloren en zal bij de eerstvolgende zuivering van het boekwerk worden verwijderd.