Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Rijnvaartpolitiereglement 1995

Geldend van 01-12-2015 t/m heden

Besluit van 15 september 1994, houdende het van kracht zijn voor de Rijn in Nederland van het Reglement van politie voor de Rijnvaart

I. Bepalingen van toepassing op de gehele Rijn

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1.01. Betekenis van enige uitdrukkingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

  • a. schip: een binnenschip met inbegrip van een klein schip en een veerpont, zomede een drijvend werktuig en een zeeschip;

  • b. motorschip: een schip dat gebruik maakt van zijn eigen mechanische middelen tot voortbeweging, met uitzondering van een schip waarvan de motor slechts wordt gebruikt voor het zich verplaatsen over een kleine afstand (bijvoorbeeld in havens of op laad- en losplaatsen) of ter verbetering van zijn bestuurbaarheid wanneer het wordt gesleept of geduwd;

  • c. samenstel: een sleep, een duwstel of een gekoppeld samenstel;

  • d. sleep: een samenstel van één of meer schepen, drijvende inrichtingen of drijvende voorwerpen, dat door één of meer motorschepen wordt gesleept; deze laatsten maken deel uit van het samenstel;

  • e. duwstel: een hecht samenstel van schepen, waarvan er ten minste één is geplaatst vóór het motorschip, dat dient voor het voortbewegen van het samenstel, dan wel vóór de beide motorschepen, die dienen voor het voortbewegen van het samenstel, en die worden aangeduid als "duwboot" of "duwboten". Hieronder wordt ook verstaan een duwstel dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd schip waarvan de koppelingen een beheerst knikken mogelijk maken;

  • f. duwbak: een schip dat is gebouwd of in het bijzonder geschikt is om te worden geduwd;

  • g. zeeschipbak: een duwbak die is gebouwd om aan boord van een zeeschip te kunnen worden vervoerd en om de binnenwateren te bevaren;

  • h. gekoppeld samenstel: een samenstel van langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, waarvan er geen is geplaatst vóór het motorschip dat dient voor het voortbewegen van het samenstel;

  • i. drijvend werktuig: een drijvend bouwsel, met mechanische werktuigen, dat is bestemd om op vaarwegen of in havens te worden gebruikt, zoals een baggermolen, een elevator, een bok, een kraan;

  • j. drijvende inrichting: een drijvend bouwsel dat vanwege zijn bestemming in de regel niet wordt verplaatst, zoals een badinrichting, een dok, een steiger, een botenhuis;

  • k. drijvend voorwerp: een vlot, alsmede een ander voorwerp of samenstel van voorwerpen, dat geschikt is gemaakt om te varen en dat geen schip of drijvende inrichting is;

  • l. veerpont: een schip dat een veerdienst onderhoudt, waarbij de vaarweg wordt overgestoken, en dat door de bevoegde autoriteit als veerpont wordt aangemerkt;

  • m. Klein schip: een schip waarvan de maximale lengte van de romp, zonder het roer en de boegspriet, minder is dan 20 m met uitzondering van:

    • een schip dat andere dan kleine schepen mag slepen, mag duwen of langszijde vastgemaakt mag medevoeren;

    • een schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren;

    • een veerpont;

    • een duwbak;

  • n. zeilschip: een schip dat uitsluitend onder zeil vaart. Een schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd zijn mechanische middelen tot voortbeweging gebruikt is een motorschip;

  • o. stilliggend schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting: een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting dat direct of indirect hetzij ten anker, hetzij aan de oever gemeerd ligt;

  • p. varend schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting: een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting dat noch direct of indirect ten anker of gemeerd ligt noch is vastgevaren;

  • q. op radar varend schip: een schip dat gebruik maakt van radar voor het varen bij slecht zicht;

  • r. des nachts: de tijd tussen zonsondergang en zonsopgang;

  • s. des daags: de tijd tussen zonsopgang en zonsondergang;

  • t. wit licht, rood licht, groen licht, geel licht en blauw licht: een licht waarvan de kleur voldoet aan de eisen van tabel 2 van de Europese norm EN 14744 : 2005;

  • u. krachtig licht, helder licht en gewoon licht: een licht waarvan de sterkte voldoet aan de eisen van tabel 1 van de Europese norm EN 14744 : 2005;

  • v. flikkerlicht, snel flikkerlicht: een periodelicht waarvan het aantal regelmatige lichtverschijningen als flikkerlicht voldoet aan de eisen van regel 1 en als snel licht aan de eisen van regel 2 of regel 3 van tabel 3 van de Europese norm EN 14744 : 2005;

  • w. korte stoot: een geluidssein, durende ongeveer 1 seconde; lange stoot: een geluidssein, durende ongeveer 4 seconden en waarbij de tijdruimte tussen de opeenvolgende stoten ongeveer 1 seconde bedraagt;

  • x. reeks zeer korte stoten: een reeks van ten minste 6 stoten, elk durende ongeveer 1/4 seconde en waarbij de tijdruimte tussen de opeenvolgende stoten ongeveer 1/4 seconde bedraagt;

  • y. linker- en rechteroever: de zijden van de vaarweg gezien in de richting van de bron naar de monding;

  • z. stroomopwaarts: de richting naar de bronnen van de Rijn, met inbegrip van die riviergedeelten waar de stroomrichting met het getij verandert;

  • aa. ADN: het in de bijlage bij het Europees Verdrag inzake het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over binnenwateren opgenomen Reglement (ADN);

  • ab. snel schip: een motorschip, met uitzondering van een klein schip, dat met een snelheid van meer dan 40 km per uur ten opzichte van het water kan varen (bijvoorbeeld een draagvleugelboot, een luchtkussenvaartuig of een motorschip met meervoudige romp), terwijl dit in het certificaat van onderzoek is aangetekend.

Artikel 1.02. Schipper

  • 1 Een schip alsmede een drijvend voorwerp moeten zijn gesteld onder het gezag van een persoon die daartoe de vereiste bekwaamheid bezit. Deze persoon wordt hierna aangeduid als «schipper». De schipper wordt geacht deze bekwaamheid te hebben, indien hij houder is van:

    voor het soort schip dat hij voert. Bij als gelijkwaardig erkende bevoegdheidsbewijzen moet hij bovendien het volgens het Patentreglement Rijn vereiste bewijs voor riviergedeelten bezitten.

  • 2 Een samenstel moet eveneens onder het gezag van een schipper zijn gesteld, die de daartoe vereiste bekwaamheid bezit.

    De schipper van het motorschip dat hoofdzakelijk voor het voortbewegen zorgt is de schipper van het samenstel.

    Wanneer meer dan één schip hoofdzakelijk voor het voortbewegen dient, moet de schipper van het samenstel tijdig worden aangewezen.

    Indien een duwstel door twee duwboten naast elkaar wordt voortbewogen, is de schipper van de duwboot aan stuurboord de schipper van het samenstel.

  • 3 Schepen van een duwstel, met uitzondering van de duwboot, behoeven geen schipper te hebben, maar zij zijn gesteld onder het gezag van de schipper van de duwboot. Wanneer zich in een gekoppeld samenstel een duwbak bevindt, kan de schipper van dit samenstel tegelijkertijd de functie van schipper van de duwbak vervullen.

  • 4 Tijdens de vaart moet de schipper aan boord zijn; de schipper van een drijvend werktuig moet tevens aan boord zijn wanneer het werktuig in bedrijf is.

  • 5 De schipper is verantwoordelijk voor de naleving van dit reglement, onverminderd de verantwoordelijkheid van derden.

    De schipper van een samenstel is verantwoordelijk voor de naleving van dit reglement, voor zover de bepalingen daarvan op samenstellen van toepassing zijn.

    De schipper van een schip dat gesleept wordt moet de bevelen van de schipper van de sleep opvolgen. Hij moet evenwel, ook wanneer zulke bevelen niet worden gegeven, alle maatregelen nemen die voor het op juiste wijze voeren van zijn schip door de omstandigheden worden geboden. Dezelfde voorschriften gelden voor de schipper van een schip van een gekoppeld samenstel, voor zover hij geen schipper van het samenstel is.

  • 6 Indien voor een stilliggend schip of drijvend voorwerp een persoon op grond van artikel 7.08 met de bewaking of het toezicht is belast, treedt deze persoon op als schipper.

  • 7 De schipper mag in zijn functioneren niet worden belemmerd door oververmoeidheid of de gevolgen van het gebruik van alcohol, van medicijnen of van drugs, dan wel door enige andere oorzaak.

    Indien hij een alcoholconcentratie in het bloed heeft van 0,5 promille of meer, dan wel hij een hoeveelheid alcohol in zijn lichaam heeft die een zodanige alcoholconcentratie in het bloed dan wel een daarmee overeenkomende alcoholconcentratie in de uitgeademde lucht oplevert, is het de schipper verboden het schip te voeren.

Artikel 1.03. Verplichtingen van de bemanning en van andere personen aan boord

  • 1 Een lid van de bemanning van een schip moet de aanwijzingen opvolgen, die hem door de schipper van het schip binnen de grenzen van diens verantwoordelijkheid worden gegeven. Hij moet medewerken aan de naleving van dit reglement.

  • 2 Ieder ander die zich aan boord van een schip bevindt moet de aanwijzingen opvolgen, die hem door de schipper in het belang van de veiligheid van de scheepvaart of van de goede orde aan boord worden gegeven.

  • 3 Een lid van de bemanning en ieder ander persoon die zich aan boord bevindt en die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van het schip bepaalt, is eveneens verantwoordelijk voor de naleving van dit reglement.

  • 4 De dienstdoende leden van de minimumbemanning in de zin van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn, en andere personen aan boord die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van het schip bepalen, mogen in hun functioneren niet worden belemmerd door oververmoeidheid of de gevolgen van het gebruik van alcohol, medicijnen of drugs, dan wel door enige andere oorzaak.

    Indien zij een alcoholconcentratie in het bloed hebben van 0,5 promille of meer, dan wel een hoeveelheid alcohol in het lichaam hebben die een dienovereenkomstige alcoholconcentratie in het bloed dan wel een daarmee overeenkomende alcoholconcentratie in uitgeademde lucht oplevert, is het deze personen verboden de koers en de snelheid van het schip te bepalen.

Artikel 1.04. Algemene plicht tot waakzaamheid

De schipper moet, ook bij ontbreken van uitdrukkelijke voorschriften in dit reglement, alle voorzorgsmaatregelen nemen die door de algemene plicht tot waakzaamheid en door goede zeemanschap worden gevorderd, teneinde met name te voorkomen dat:

  • a. het leven van personen in gevaar wordt gebracht;

  • b. schade wordt veroorzaakt aan andere schepen of aan drijvende voorwerpen, aan oevers of aan werken en inrichtingen van welke aard ook die zich in de vaarweg of op de oevers daarvan bevinden;

  • c. hinder voor de scheepvaart ontstaat;

  • d. het milieu in ernstige mate kan worden beïnvloed.

Artikel 1.05. Gedrag onder bijzondere omstandigheden

De schipper moet bij dreigend gevaar alle maatregelen nemen die de omstandigheden vorderen, zelfs indien deze ertoe zouden nopen af te wijken van dit reglement.

Artikel 1.06. Gebruik van de vaarweg

Onverminderd de artikelen 8.08, 9.02, tiende lid, 10.01, 10.02, 11.01, 11.02, 11.03, 11.04 en 11.05 moeten de lengte, de breedte, de hoogte boven water, de diepgang en de snelheid van een schip of een samenstel verenigbaar zijn met de karakteristiek en de afmetingen van de vaarweg en van de kunstwerken.

Artikel 1.07. Eisen met betrekking tot de belading, het uitzicht en het ten hoogste toegelaten aantal passagiers

  • 1 Een schip mag niet zodanig zijn beladen dat het inzinkt tot over het vlak door de onderkant der inzinkingsmerken.

  • 2 Tijdens de vaart mag de lading het directe of indirecte uitzicht niet meer beperken dan tot 350 m vóór de boeg.

  • 3 De wijze van de belading mag de stabiliteit van het schip en de hechtheid van de romp niet in gevaar brengen.

  • 4 De stabiliteit van schepen die containers vervoeren moet te allen tijde zijn gewaarborgd. De schipper moet aantonen dat vóór het begin van het laden en het lossen alsmede vóór vertrek een stabiliteitscontrole is uitgevoerd.

    De stabiliteitscontrole kan handmatig of met behulp van een beladingscomputer worden verricht. Het resultaat van de stabiliteitscontrole en het actuele stuwplan moeten aan boord worden bewaard en te allen tijde geraadpleegd kunnen worden.

    De schepen moeten bovendien de stabiliteitsbescheiden overeenkomstig artikel 22.01 van het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn aan boord bewaren.

    Een stabiliteitscontrole is niet vereist bij schepen die containers vervoeren, indien het schip in de breedte:

    • a. ten hoogste drie rijen containers kan laden en vanaf de laadruimbodem in slechts één laag containers is geladen, of

    • b. vier of meer rijen containers kan laden en uitsluitend met containers in ten hoogste twee lagen vanaf de laadruimbodem is geladen.

  • 5 Een schip dat is bestemd voor het vervoer van passagiers mag niet meer passagiers aan boord hebben dan door de bevoegde autoriteit is toegestaan. Onverminderd de eerste volzin mogen zich aan boord van een snel schip niet meer personen bevinden dan er zitplaatsen beschikbaar zijn.

Artikel 1.08. Bouw, uitrusting en bemanning van een schip

  • 1 Een schip moet zodanig zijn gebouwd en uitgerust, dat de veiligheid van de opvarenden en die van de scheepvaart zijn verzekerd en dat aan dit reglement kan worden voldaan.

  • 2 Ieder schip moet een bemanning hebben, voldoende in aantal en geschiktheid om de veiligheid van de opvarenden en die van de scheepvaart te verzekeren.

  • 3 Aan deze voorwaarden wordt geacht te zijn voldaan wanneer het schip krachtens het Reglement Onderzoek Schepen op de Rijn van een certificaat of van een volgens dit reglement als gelijkwaardig erkend certificaat is voorzien, en de bouw en de uitrusting overeenstemmen met de in dat certificaat vermelde gegevens en wanneer de bemanning en de bedrijfsuitoefening in overeenstemming zijn met de voorschriften van het Reglement betreffende het Scheepvaartpersoneel op de Rijn.

  • 4 Onverminderd het derde lid, moeten de in onderdeel 44 van het certificaat van onderzoek vermelde individuele reddingsmiddelen voor passagiers geschikt zijn, qua aantal en verdeling per type overeenkomen met het aantal aan boord zijnde volwassenen en kinderen en aan boord beschikbaar zijn, waarbij voor kinderen met een lichaamsgewicht tot en met 30 kg of maximaal 6 jaar oud uitsluitend harde zwemvesten als bedoeld in artikel 10.05, tweede lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn zijn toegestaan.

Artikel 1.09. Bediening van het roer

  • 1 Tijdens de vaart moet het roer worden bediend door ten minste één daartoe bekwaam persoon die de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt.

  • 2 De voorwaarde aangaande de leeftijd geldt niet voor kleine schepen zonder motor.

  • 3 Teneinde te verzekeren dat het schip op de juiste wijze wordt gevoerd moet de roerganger in staat zijn alle in de stuurhut binnenkomende of van daar uitgaande inlichtingen en aanwijzingen te vernemen en te geven. In het bijzonder moet hij in de gelegenheid zijn geluidsseinen te horen en moet hij naar alle zijden een voldoende vrij uitzicht hebben.

  • 4 Indien bijzondere omstandigheden dit vorderen, moet een uitkijk of luisterpost die de roerganger inlicht aanwezig zijn.

  • 5 Op ieder snel schip moet tijdens de vaart het roer worden bediend door een persoon die houder is van een Rijnpatent of een vaarbevoegdheidsbewijs dat volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn als gelijkwaardig erkend of toegelaten is en vereist is voor het te bevaren riviergedeelte, alsmede een radargetuigschrift dat is afgegeven of als gelijkwaardig erkend volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn.

    Een tweede persoon die eveneens houder is van de twee bovengenoemde bewijzen, moet zich in de stuurhut bevinden, behalve tijdens het aanleggen en afvaren, in de sluizen of in de voorhavens van de sluizen.

Artikel 1.10. Scheepsbescheiden en andere documenten aan boord

  • 1 Aan boord van een schip moeten de volgende bescheiden en andere documenten, voor zover deze door de daartoe gestelde bijzondere bepalingen voorgeschreven worden, aanwezig zijn:

    • a. het certificaat van onderzoek voor het schip of het document dat hiervoor in de plaats treedt, of een krachtens het Reglement onderzoek schepen op de Rijn als gelijkwaardig erkend certificaat;

    • b. een Rijnpatent of een volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn als gelijkwaardig erkend of toegelaten vaarbevoegdheidsbewijs voor het te bevaren riviergedeelte, en voor de overige leden van de bemanning het naar behoren bijgehouden dienstboekje of een volgens dit reglement afgegeven groot patent of als gelijkwaardig erkend vaarbevoegdheidsbewijs; bij de als gelijkwaardig erkende vaarbevoegdheidsbewijzen moet de schipper bovendien voor bepaalde riviergedeelten het volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn vereiste bewijs voor riviergedeelten bezitten;

    • c. het naar behoren bijgehouden vaartijdenboek met inbegrip van de verklaring overeenkomstig bijlage A4 van het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn of een kopie van de bladzijde met de aantekeningen van de vaar- en rusttijden uit het vaartijdenboek van het schip waarop de laatste reis van het bemanningslid heeft plaatsgevonden;

    • d. de verklaring inzake de afgifte van het vaartijdenboek;

    • e. de verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart;

    • f. de meetbrief van het schip;

    • g. de verklaring betreffende de inbouw en het functioneren van de tachograaf, alsmede de voorgeschreven registratiebladen van de tachograaf;

    • h. een radargetuigschrift dat is afgegeven of als gelijkwaardig erkend volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn; dit document hoeft niet aan boord te zijn, indien de patentkaart de vermelding «radar» bevat of een ander volgens dit reglement toegelaten vaarbevoegdheidsbewijs de overeenkomstige vermelding bevat. Indien de Centrale Commissie voor de Rijnvaart het vaarbevoegdheidsbewijs en het radargetuigschrift van een staat als gelijkwaardig heeft erkend, is het radargetuigschrift niet vereist, wanneer het vaarbevoegdheidsbewijs een overeenkomstige vermelding bevat;

    • i. de volgens artikel 7.06, eerste lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn vereiste verklaring betreffende de inbouw en het functioneren van de radarinstallatie en de bochtaanwijzer;

    • k. het marifoon bedieningscertificaat, bedoeld in de bijlage 5 van de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart;

    • l. de vergunning of vergunningen voor het gebruik van de frequentieruimte of het registratiebewijs voor het gebruik van de frequentieruimte;

    • m. het Handboek voor de marifonie in de binnenvaart, algemeen deel en regionaal deel Rijn/Moezel;

    • n. het behoorlijk bijgehouden olie-afgifteboekje;

    • o. de bescheiden betreffende de stoomketels en andere onder druk staande vaten;

    • p. de verklaring betreffende de installaties voor vloeibaar gemaakte gassen;

    • q. de bescheiden betreffende elektrische installaties;

    • r. de keuringsbewijzen betreffende draagbare blustoestellen en vast ingebouwde brandblusinstallaties;

    • s. het keuringsbewijs betreffende de kranen;

    • t. de bescheiden vereist door het ADN, nrs. 8.1.2.1, 8.1.2.2 en 8.1.2.3;

    • u. bij containervervoer de door de Commissie van Deskundigen gekeurde stabiliteitsgegevens van het schip, met inbegrip van het stuwplan of de ladinglijst voor de onderhavige beladingstoestand en het resultaat van de stabiliteitsberekening voor de onderhavige, of een vergelijkbare vorige, dan wel een standaard beladingstoestand. De toegepaste berekeningsmethode moet daarbij opgegeven worden;

    • v. de verklaring betreffende de duur en de geografische begrenzing van de bouwwerkzaamheden, waar een schip bestemd voor bouwwerkzaamheden mag worden gebruikt;

    • w. op het riviergedeelte tussen Basel en Mannheim voor schepen met een lengte van meer dan 110 m het bewijs bedoeld in artikel 22a.05, tweede lid, onderdeel b, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn;

    • x. de overeenkomstig artikel 8a.02, derde lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn vereiste kopieën van het certificaat van typegoedkeuring en van het proces-verbaal van de motorkenmerken van iedere motor;

    • y. de verklaring voor de volgens artikel 10.02, tweede lid, onderdeel a, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn voorgeschreven stalen trossen;

    • z. de verklaring betreffende de inbouw en het functioneren van het Inland AIS-apparaat;

    • aa. de verklaringen die volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn voor het veiligheidspersoneel aan boord van passagiersschepen zijn voorgeschreven;

    • ab. de bunkerverklaring als bedoeld in Bijlage 2, Deel A, artikel 3.04, eerste lid, van het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (CDNI), met inbegrip van de kwitanties van de vergoedingstransacties van het SPE-CDNI over een periode van ten minste twaalf maanden. Indien de laatste afname van gasolie meer dan twaalf maanden geleden heeft plaatsgevonden, dient ten minste de laatste bunkerverklaring aan boord aanwezig te zijn;

    • ac. de bij artikel 15.07, tweede lid, voorgeschreven losverklaring.

  • 2 De aanwezigheid van de in het eerste lid, onderdelen a, e en f, bedoelde bescheiden is evenwel niet vereist aan boord van duwbakken waarop een metalen plaat is aangebracht met een opschrift overeenkomstig het volgende model:

    UNIEK EUROPEES SCHEEPSIDENTIFICATIENUMMER:.......... – R

    CERTIFICAAT VAN ONDERZOEK

    • NUMMER:.................

    • COMMISSIE VAN DESKUNDIGEN:.....................

    • GELDIG TOT:........................

    waarbij uit een hoofdletter R, aangebracht achter het uniek Europees scheepsidentificatienummer, blijkt dat er een verklaring inzake het behoren tot de Rijnvaart is afgegeven.

    Indien de duwbak over een officieel scheepsnummer beschikt, moet dat begrip en het officiële scheepsnummer op de metalen plaat worden aangebracht.

    De gevraagde gegevens moeten, in goed leesbare letters met een hoogte van ten minste 6 mm, ingehakt of ingeslagen zijn.

    De metalen plaat moet een hoogte van ten minste 60 mm en een lengte van ten minste 120 mm hebben. Zij moet op het achterschip aan stuurboordzijde op een goed zichtbare plaats zijn bevestigd.

    De overeenstemming tussen de gegevens op de plaat, met uitzondering van de letter R, met die in het certificaat van onderzoek van de duwbak moet worden bevestigd door een Commissie van Deskundigen door middel van het aanbrengen op de plaat van een stempel.

    De in het eerste lid, onderdelen a, e en f, genoemde bescheiden moeten worden bewaard door de eigenaar van de duwbak.

    De aanwezigheid van de in het eerste lid, onderdeel x, bedoelde bescheiden is evenwel niet vereist, wanneer op de metalen plaat tevens het nummer van de typegoedkeuring, bedoeld in Bijlage J, deel I, onderdeel 1.1.3, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn wordt vermeld.

  • 3 Op schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden, bedoeld in het Reglement onderzoek schepen op de Rijn, waar een stuurhut of een woning ontbreekt, is de aanwezigheid van de in het eerste lid, onder a, e en f, bedoelde bescheiden niet vereist. Deze bescheiden moeten echter in ieder geval steeds in de nabijheid van de bouwwerkzaamheden voor handen zijn. Op schepen bestemd voor bouwwerkzaamheden moet een door de bevoegde autoriteit afgegeven verklaring betreffende de duur en de geografische begrenzing van de bouwwerkzaamheden, waar het schip mag worden gebruikt, aanwezig zijn.

  • 4 De bescheiden en andere documenten als bedoeld in het eerste lid moeten op verzoek van de ambtenaren van de bevoegde autoriteit worden overhandigd.

Artikel 1.11. Rijnvaartpolitiereglement 1995 aan boord

Aan boord van een schip, met uitzondering van een klein schip en een duwbak, moet een bijgewerkt exemplaar van dit reglement, met inbegrip van de op grond van artikel 1.22, derde lid, uitgevaardigde voorschriften, aanwezig zijn. Een exemplaar dat via een elektronisch middel op ieder moment geraadpleegd kan worden, is eveneens toegestaan.

Artikel 1.12. Gevaren verbonden aan het zich aan boord bevinden van voorwerpen; verlies van voorwerpen; hindernissen

  • 1 Een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting mag geen voorwerpen hebben uitsteken die zouden kunnen leiden tot één van de in artikel 1.04 bedoelde ongewenste omstandigheden.

  • 2 Indien de ankers zijn gelicht, mogen zij niet onder de bodem of kiel van het schip uitsteken.

  • 3 De schipper van een schip of een drijvend voorwerp dat een voorwerp verliest waardoor een belemmering van of een gevaar voor de scheepvaart kan ontstaan, moet daarvan onverwijld kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit en daarbij zo nauwkeurig mogelijk de plaats aangeven waar het voorwerp is verloren. Zo mogelijk moet hij bovendien deze plaats met een kenteken aanduiden.

  • 4 De schipper van een schip dat een hindernis in de vaarweg aantreft, moet daarvan onverwijld kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit en daarbij zo nauwkeurig mogelijk de plaats aangeven waar de hindernis is aangetroffen.

Artikel 1.13. Bescherming van verkeerstekens

  • 1 Een schip mag verkeerstekens (boeien, drijvers, bakens, waarschuwingsvlotten met verkeerstekens, enz.) niet gebruiken om daaraan te meren of daaraan te verhalen, niet beschadigen en niet ongeschikt voor hun bestemming maken.

  • 2 Indien een schip of een drijvend voorwerp een verkeersteken heeft verplaatst of een inrichting heeft beschadigd, die deel uitmaakt van het stelsel van verkeerstekens van de vaarweg, moet de schipper daarvan onverwijld kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit.

  • 3 In het algemeen genomen heeft de schipper de verplichting het in het ongerede of beschadigd zijn van verkeerstekens (het niet functioneren van een licht, de verplaatsing van een boei, de vernieling van een verkeersteken) onverwijld ter kennis van de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit te brengen.

Artikel 1.14. Beschadiging van kunstwerken

Indien een schip of een drijvend voorwerp een kunstwerk (sluis, brug, krib, enz.) heeft beschadigd, moet de schipper daarvan onverwijld kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit.

Artikel 1.15. Verbod tot het te water doen geraken van voorwerpen of vloeistoffen

  • 1 Het is verboden vaste voorwerpen of vloeistoffen die hinder of gevaar voor de scheepvaart of voor andere gebruikers van de vaarweg kunnen veroorzaken te water te doen geraken.

  • 2 Indien zodanige voorwerpen of vloeistoffen te water geraken of dreigen te geraken, moet de schipper onverwijld daarvan kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit en daarbij zo nauwkeurig mogelijk de aard van deze voorwerpen of vloeistoffen en de plaats waar zij te water zijn geraakt of dreigen te geraken aangeven.

Artikel 1.16. Redding en bijstand

  • 1 Bij een ongeval dat de opvarenden van een schip in gevaar brengt moet de schipper alle hem ten dienste staande middelen tot hun redding aanwenden.

  • 2 De schipper van een schip dat zich in de nabijheid bevindt van een schip of drijvend voorwerp dat door een ongeval is getroffen, waarbij personen gevaar lopen of waardoor het vaarwater dreigt te worden versperd, is verplicht, voor zover dit met de veiligheid van zijn schip is te verenigen, onverwijld bijstand te verlenen.

Artikel 1.17. Vastgevaren of gezonken schepen; aangifte van ongevallen

  • 1 De schipper van een schip of een drijvend voorwerp dat is vastgevaren of gezonken moet zo spoedig mogelijk daarvan kennis geven aan de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit. De schipper of een ander lid der bemanning moet aan boord of in de nabijheid van de plaats van het ongeval blijven zolang de bevoegde autoriteit hem niet heeft toegestaan zich te verwijderen.

  • 2 Tenzij dit klaarblijkelijk niet nodig is, moet de schipper, onverminderd artikel 3.25, zo spoedig mogelijk naderende schepen of drijvende voorwerpen laten waarschuwen op daarvoor geschikte plaatsen en op zodanige afstand van de plaats van het ongeval, dat deze schepen of drijvende voorwerpen tijdig de nodige maatregelen kunnen nemen.

  • 3 Indien op de wachtplaats van een sluis of in een sluis een ongeval is geschied moet de schipper onmiddellijk de dienstdoende sluismeester daarvan in kennis stellen.

Artikel 1.18. Verplichting tot vrijmaking van het vaarwater

  • 1 Indien een schip of een drijvend voorwerp dat is vastgevaren of gezonken, dan wel een door een schip of een drijvend voorwerp verloren voorwerp, het vaarwater geheel of gedeeltelijk verspert of dreigt te versperren, moet de schipper de nodige maatregelen nemen om het vaarwater zo spoedig mogelijk vrij te maken.

  • 2 Een overeenkomstige verplichting geldt voor de schipper wiens schip of drijvend voorwerp dreigt te zinken of onmanoeuvreerbaar wordt.

  • 3 De verplichting schepen of drijvende voorwerpen die zijn vastgevaren of gezonken, dan wel voorwerpen die zijn verloren, uit de rivier te verwijderen wordt geregeld door de nationale wetgeving.

  • 4 De bevoegde autoriteit kan onmiddellijk tot opruiming overgaan, wanneer hij van oordeel is, dat dit niet kan worden uitgesteld.

Artikel 1.19. Verkeersaanwijzingen

Een schipper is verplicht aan een verkeersaanwijzing gevolg te geven die hem door de ambtenaren van de bevoegde autoriteit ter verzekering van de veiligheid en de goede orde van de scheepvaart wordt gegeven. Dit geldt ook in geval van een grensoverschrijdende achtervolging.

Artikel 1.20. Toezicht

De schipper moet de ambtenaren van de bevoegde autoriteit de nodige medewerking verlenen, in het bijzonder het onmiddellijk aan boord komen van hen vergemakkelijken, teneinde hen in staat te stellen zich er van te vergewissen dat de bepalingen van dit reglement worden nageleefd.

Artikel 1.21. Bijzondere transporten; amfibievoertuigen

  • 1 Als een bijzonder transport wordt beschouwd het verplaatsen op de vaarweg:

    • a. van een schip of een samenstel dat niet voldoet aan de artikelen 1.06 en 1.08, eerste lid;

    • b. van een drijvende inrichting;

    • c. van een drijvend voorwerp, tenzij het verplaatsen daarvan klaarblijkelijk geen hinder of gevaar voor de scheepvaart en geen schade aan de kunstwerken kan veroorzaken.

    Een dergelijk transport is slechts toegestaan met een bijzondere vergunning die is afgegeven door de bevoegde autoriteit van het gedeelte van de vaarweg waarop zal worden gevaren. Deze autoriteit zal voor ieder bijzonder transport de voorwaarden vaststellen waaraan dit transport moet voldoen. Voor ieder bijzonder transport moet een schipper worden aangewezen, waarbij met artikel 1.02 rekening dient te worden gehouden.

  • 2 Een amfibievoertuig wordt voor de toepassing van dit reglement beschouwd als een klein schip.

Artikel 1.22. Voorschriften van tijdelijke aard

  • 1 De schipper moet de voorschriften van tijdelijke aard naleven die in bijzondere gevallen met het oog op de veiligheid en de goede orde van de scheepvaart door de bevoegde autoriteit worden vastgesteld en die door middel van een bekendmaking zijn afgekondigd.

  • 2 Deze voorschriften kunnen met name verband houden met werken die in de vaarweg worden uitgevoerd, met militaire oefeningen, met openbare evenementen in de zin van artikel 1.23 of met de gesteldheid van de vaarweg. Krachtens deze voorschriften kan op bepaalde gedeelten, waar bijzondere voorzorgsmaatregelen worden vereist en die door tonnen, bakens of andere tekens of door het opstellen van waarschuwingsposten zijn aangeduid, het varen des nachts of het varen met schepen met te grote diepgang worden verboden.

  • 3 Het eerste lid betreft eveneens de voorschriften die kunnen worden vastgesteld, wanneer het nodig blijkt maatregelen van orde voor de scheepvaart te nemen in afwachting van een wijziging van dit reglement of bij wijze van proef. Deze voorschriften hebben een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaren. Zij treden in alle Oeverstaten op hetzelfde tijdstip in werking en worden onder dezelfde voorwaarden buiten werking gesteld.

Artikel 1.23. Toestemming voor evenementen

Voor het houden van sportevenementen, festiviteiten te water en andere evenementen, die de veiligheid en de vlotte afwikkeling van het scheepvaartverkeer in gevaar kunnen brengen, is toestemming van de bevoegde autoriteit vereist.

Artikel 1.24. Toepasselijkheid in havens en op laad- en losplaatsen

Dit reglement is eveneens van toepassing op wateroppervlakten die deel uit maken van havens en van laad- en losplaatsen, onverminderd de bijzondere voorschriften voor de scheepvaart die voor deze havens en laad- en losplaatsen zijn vastgesteld in verband met de plaatselijke omstandigheden en de eisen van het laden en het lossen.

Artikel 1.25. Voorschriften, toestemmingen en vergunningen

Voorschriften, toestemmingen en vergunningen kunnen door de bevoegde autoriteiten van voorwaarden en voorbehouden worden voorzien.

Hoofdstuk 2. Kentekens en diepgangsschalen van schepen; meting

Artikel 2.01. Kentekens van schepen, met uitzondering van kleine schepen en zeeschepen

  • 1 Bij een schip, met uitzondering van een klein schip en een zeeschip, moeten op de romp of op duurzaam bevestigde borden of platen de volgende kentekens worden aangebracht:

    • a. de naam die ook een kenspreuk kan zijn.

      De naam moet aan beide zijden van het schip en tevens, met uitzondering van een duwbak, van achteren zichtbaar worden aangebracht. Indien bij een gekoppeld samenstel of bij een duwstel één van de naamsaanduidingen van het schip dat voor de voortbeweging dient geheel of gedeeltelijk aan het zicht wordt onttrokken, moet zij worden herhaald op borden die zodanig zijn geplaatst, dat zij goed zichtbaar zijn in de richtingen waarin deze naamsaanduiding aan het gezicht is onttrokken. Bij ontbreken van de naam van het schip moet worden aangegeven hetzij de naam van de instelling waaraan het schip toebehoort (of de gebruikelijke afkorting daarvan), al dan niet gevolgd door een nummer, hetzij het nummer van teboekstelling dat, ter aanduiding van het land waarin de thuishaven of de plaats van teboekstelling is gelegen, wordt gevolgd door de letter of lettercombinatie vermeld in de bijlage 1;

    • b. de thuishaven of de plaats van teboekstelling.

      De naam van de thuishaven of de plaats van teboekstelling moet worden aangebracht hetzij aan beide zijden van het schip hetzij aan de achterzijde en moet worden gevolgd door de letter of lettercombinatie die het land aanduidt, waarin deze thuishaven of deze plaats van teboekstelling is gelegen;

    • c. het uniek Europees scheepsidentificatienummer, dat uit acht Arabische cijfers bestaat, waarbij de eerste drie cijfers het land en de instelling, die dat uniek Europees scheepsidentificatienummer hebben toegekend, aanduiden. Dit kenteken behoeft slechts te worden gevoerd door schepen waaraan een uniek Europees scheepsidentificatienummer is toegekend;

    • d. het officiële scheepsnummer, dat uit zeven Arabische cijfers bestaat, eventueel gevolgd door een kleine letter, waarbij de eerste twee cijfers het land en de instelling die het officiële scheepsnummer hebben toegekend, aanduiden. Dit kenteken behoeft slechts te worden gevoerd door schepen waaraan het officiële scheepsnummer is toegekend, dat nog niet in een uniek Europees scheepsidentificatienummer is omgezet.

      Het uniek Europees scheepsidentificatienummer en het officiële scheepsnummer worden aangebracht op de wijze, voorgeschreven onder a.

  • 2 Bovendien moet op een schip, met uitzondering van een klein schip en een zeeschip, zijn aangegeven:

    • a. indien het is bestemd voor het vervoer van goederen, het laadvermogen in tonnen. Deze aanduiding moet zijn aangebracht aan beide zijden van het schip, op de romp dan wel op duurzaam bevestigde borden of platen;

    • b. indien het is bestemd voor het vervoer van passagiers, het ten hoogste toegelaten aantal passagiers. Deze aanduiding moet zijn aangebracht op een goed waarneembare plaats aan boord.

  • 3 Bovenvermelde kentekens moeten zijn aangebracht in Latijnse letters en Arabische cijfers. Zij moeten goed leesbaar en onuitwisbaar zijn. De hoogte van de tekens moet voor de naam, het uniek Europees identificatienummer en het officiële scheepsnummer ten minste 20 cm en voor de overige aanduidingen ten minste 15 cm bedragen.

    De breedte van de tekens en de stamdikte moeten in goede verhouding tot de hoogte staan. De tekens moeten in lichte kleur op donkere ondergrond of in donkere kleur op lichte ondergrond worden aangebracht.

Artikel 2.02. Kentekens van kleine schepen

  • 1 Op een klein schip moet een officiëel kenteken worden aangebracht. Dit kenteken moet een hoogte hebben van ten minste 10 cm en het moet vooraan aan beide zijden van het schip zijn aangebracht, in lichte kleur op donkere ondergrond of in donkere kleur op lichte ondergrond.

  • 2 Aan kleine schepen kan bij bijzondere voorschriften van de bevoegde autoriteit vrijstelling worden verleend van het kenteken bedoeld in het eerste lid. In dit geval moeten op deze kleine schepen de volgende kentekens worden aangebracht:

    • a. de naam of de kenspreuk.

      De naam moet worden aangebracht aan de buitenzijde van het schip in goed leesbare en onuitwisbare Latijnse letters. Bij het ontbreken van de naam of de kenspreuk van het schip moet worden aangegeven de naam van de instelling, waaraan het schip toebehoort of de gebruikelijke afkorting daarvan, al dan niet gevolgd door een nummer. De tekens moeten in lichte kleur op donkere ondergrond of in donkere kleur op lichte ondergrond worden aangebracht;

    • b. de naam en de woonplaats van de eigenaar.

      De naam en de woonplaats moeten op een goed waarneembare plaats aan de binnen- of buitenzijde van het schip worden aangebracht.

  • 3 Op een bijboot van een schip behoeft echter, aan de binnen- of buitenzijde, slechts een zodanig kenteken te zijn aangebracht dat daaruit kan worden opgemaakt wie de eigenaar is.

Artikel 2.03. Meting

Een binnenschip dat is bestemd voor het vervoer van goederen, met uitzondering van een klein schip, moet zijn gemeten.

Artikel 2.04. Inzinkingsmerken en diepgangsschalen

  • 1 Een schip, met uitzondering van een klein schip, moet zijn voorzien van merken die het vlak van de grootste inzinking aangeven. Bij een zeeschip treedt de zomerzoetwateruitwatering in de plaats van het inzinkingsmerk. In het Reglement onderzoek schepen op de Rijn is aangegeven op welke wijze de grootste inzinking wordt vastgesteld en de inzinkingsmerken worden aangebracht.

  • 2 Een schip waarvan de diepgang 1 m kan bereiken, met uitzondering van een klein schip, moet van diepgangsschalen zijn voorzien. In het Reglement onderzoek schepen op de Rijn is aangegeven op welke wijze zij worden aangebracht.

Artikel 2.05. Kentekens van ankers

  • 1 Een scheepsanker moet van onuitwisbare kentekens zijn voorzien, die ten minste moeten bestaan uit hetzij het nummer van het certificaat van onderzoek van het schip waartoe het behoort en de letters van de Commissie van Deskundigen die dat certificaat heeft afgegeven, hetzij de naam en de woonplaats van de eigenaar van het schip. Indien een anker wordt gebruikt op een ander schip van dezelfde eigenaar, kunnen de oorspronkelijke kentekens worden gehandhaafd.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op de ankers van zeeschepen, van kleine schepen en van schepen die slechts bij uitzondering de Rijn bevaren.

Hoofdstuk 3. Optische tekens van schepen

I. Algemene bepalingen

Artikel 3.01. Begripsbepalingen en toepassing ( Bijlage 3: schets 1)

  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a. toplicht: een wit krachtig licht dat schijnt over een boog van de horizon van 225° en wel aan elke zijde van het schip van recht vooruit tot 22°30' achterlijker dan dwars en dat slechts over deze boog zichtbaar is;

    • b. boordlichten: een groen helder licht aan stuurboordszijde en een rood helder licht aan bakboordszijde, die elk schijnen over een boog van de horizon van 112°30' achterlijker dan dwars en die slechts over deze boog zichtbaar zijn;

    • c. heklicht: een wit helder of gewoon licht, dat schijnt over een boog van de horizon van 135° en wel aan elke zijde van het schip over 67°30' van recht achteruit en dat slechts over deze boog zichtbaar is;

    • d. rondom schijnend licht: een licht dat schijnt over een boog van 360°.

  • 2 Wanneer het zicht dit vereist, moeten de voor des nachts voorgeschreven lichten ook des daags worden gevoerd.

  • 3 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt:

    • a. een duwstel, waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer dan 110 m respectievelijk 12 m bedragen, beschouwd als een alleenvarend motorschip van dezelfde afmetingen, en

    • b. een gekoppeld samenstel, waarvan de grootste lengte meer dan 140 m bedraagt, beschouwd als een duwstel van dezelfde lengte.

  • 4 Een schetsmatige weergave van de bij dit hoofdstuk voorgeschreven tekens is opgenomen in bijlage 3 van dit reglement.

Artikel 3.02. Lichten en navigatielantaarns

  • 1 Voor zover niet anders wordt bepaald, moeten de bij dit reglement voorgeschreven lichten naar alle zijden uitstralen en ononderbroken licht van gelijkmatige sterkte geven.

  • 2 Een schip mag slechts de navigatielantaarns gebruiken,

    • a. waarvan de lantaarnhuizen en toebehoren het keurmerk dragen, voorgeschreven in de richtlijn nr. 96/98/EG van de Raad van 20 december 1996, inzake uitrusting van zeeschepen (PbEG L 46), zoals gewijzigd door richtlijn nr. 2008/67/EG van de Commissie van 30 juni 2008 (PbEU L 171), en

    • b. waarvan de lichten voor wat betreft hun horizontale uitstraling, kleur en sterkte in overeenstemming zijn met dit reglement.

    Navigatielantaarns, waarvan de lantaarnhuizen, toebehoren en lichtbronnen voldoen aan de eisen van het op 30 november 2009 geldende Rijnvaartpolitiereglement of van richtlijn nr. 2006/87/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 12 december 2006 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen en tot intrekking van richtlijn nr. 82/714 van de Raad, kunnen nog steeds worden gebruikt.

  • 3 De lichten van stilliggende schepen die niet zijn uitgerust met een motor behoeven niet aan het gestelde in het tweede lid te voldoen. Bij goed zicht en tegen een donkere achtergrond dient de zichtbaarheid daarvan echter ongeveer 1000 m te bedragen.

Artikel 3.03. Vlaggen, borden en wimpels

  • 1 Voor zover niet anders wordt bepaald, moeten de bij dit reglement voorgeschreven vlaggen en borden rechthoekig zijn.

  • 2 De kleuren van de vlaggen, borden en wimpels mogen niet verbleekt of vervuild zijn.

  • 3 De afmetingen moeten zodanig zijn dat een goede zichtbaarheid wordt verzekerd. Aan deze voorwaarde wordt in ieder geval geacht te zijn voldaan:

    • -. bij vlaggen en borden, indien de lengte en de breedte elk ten minste 1 m bedragen;

    • -. bij wimpels, indien de lengte tenminste 1 m en de breedte aan één zijde tenminste 0,50 m bedraagt.

Artikel 3.04. Cylinders, bollen, kegels en ruiten

  • 1 De bij dit reglement voorgeschreven cylinders, bollen, kegels en ruiten kunnen worden vervangen door voorwerpen die op een afstand dezelfde vorm vertonen.

  • 2 De kleuren mogen niet verbleekt of vervuild zijn.

  • 3 De afmetingen moeten ten minste als volgt zijn:

    • a. voor cylinders: een hoogte van 80 cm en een middellijn van 50 cm;

    • b. voor bollen: een middellijn van 60 cm;

    • c. voor kegels: een hoogte van 60 cm en een middellijn van het grondvlak van 60 cm;

    • d. voor ruiten: een hoogte van 80 cm en een middellijn van 50 cm.

  • 4 In afwijking van het derde lid mogen voor kleine schepen voorwerpen van geringere afmetingen worden gebruikt, die in verhouding staan tot de grootte van het kleine schip. De afmetingen moeten echter in ieder geval zodanig zijn dat een goede zichtbaarheid wordt verzekerd.

Artikel 3.05. Verboden of bij uitzondering toegelaten tekens

  • 1 Het is verboden andere tekens te voeren of te tonen dan die welke in dit reglement worden vermeld dan wel deze tekens te voeren of te tonen onder andere omstandigheden dan die waarvoor zij in dit reglement zijn voorzien of worden toegelaten.

  • 2 Voor het wisselen van berichten tussen schepen onderling of tussen een schip en de wal is echter het gebruik van andere tekens toegestaan, mits deze niet kunnen leiden tot verwarring met de in dit reglement vermelde tekens.

Artikel 3.06

(vervallen)

Artikel 3.07. Verboden verlichting, zoeklichten, vlaggen, borden, wimpels enz.

  • 1 Het is verboden verlichting of zoeklichten, alsmede vlaggen, borden, wimpels of andere voorwerpen, op zodanige wijze te gebruiken, dat zij verward kunnen worden met de in dit reglement vermelde tekens dan wel de waarneembaarheid of de herkenning daarvan kunnen bemoeilijken.

  • 2 Het is verboden verlichting of zoeklichten op zodanige wijze te gebruiken, dat zij, door verblinding, gevaar of hinder voor de scheepvaart of voor het verkeer te land kunnen veroorzaken.

II. Nacht- en dagtekens

II.A. Tekens tijdens het varen

Artikel 3.08. Tekens van alleenvarende motorschepen (Bijlage 3: schetsen 2, 3 en 64)

  • 1 Een alleenvarend motorschip moet des nachts voeren:

    • a. een toplicht, dat moet worden gevoerd op het voorschip op een hoogte van ten minste 5 m boven het vlak door de inzinkingsmerken. Deze hoogte mag worden verminderd tot 4 m indien de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt;

    • b. boordlichten, die zich op gelijke hoogte en in één lijn loodrecht op de lengte-as van het schip moeten bevinden. Zij moeten ten minste 1 m lager dan het toplicht en ten minste 1 m daarachter worden gevoerd en moeten naar de binnenzijde van het schip zodanig zijn afgeschermd, dat het groene licht niet van bakboordszijde en het rode licht niet van stuurboordszijde kan worden gezien;

    • c. een heklicht op het achterschip.

  • 2 Een alleenvarend motorschip met een lengte van meer dan 110 m moet des nachts bovendien op het achterschip een tweede toplicht voeren op een grotere hoogte dan het toplicht op het voorschip.

  • 3 Een snel schip moet tijdens de vaart, zowel des nachts als des daags, behalve de overige tekens voorgeschreven bij dit reglement, voeren: twee gele krachtige snelle flikkerlichten. Deze flikkerlichten moeten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en zo hoog worden gevoerd dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.

  • 4 Dit artikel is niet van toepassing op kleine schepen en op veerponten. Voor kleine schepen geldt artikel 3.13 en voor veerponten artikel 3.16.

Artikel 3.09. Tekens van varende slepen ( Bijlage 3: schetsen 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10)

  • 1 Het motorschip aan de kop van een varende sleep moet voeren:

    • - des nachts:

      • a. behalve het toplicht en de boordlichten, voorgeschreven bij artikel 3.08, eerste lid onder a en b, een tweede toplicht, ongeveer 1 m onder het eerste toplicht en voor zover mogelijk ten minste 1 m hoger dan de boordlichten;

      • b. in plaats van het heklicht, bedoeld in artikel 3.08, eerste lid onder c, een geel heklicht aangebracht op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat het goed zichtbaar is voor de gesleepte lengte achter het schip.

    • - des daags:

      een gele cylinder, die aan de bovenzijde en aan de benedenzijde is voorzien van twee banden, zwart en wit, de witte banden aan de uiteinden van de cylinder, en die is aangebracht in verticale stand op het voorschip op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.

  • 2 Indien een varende sleep aan de kop verscheidene motorschepen bevat die naast elkaar varen, al dan niet langszijde van elkaar vastgemaakt, moet elk van deze schepen voeren:

    • - des nachts:

      een derde toplicht, ongeveer 2 m onder het eerste toplicht, maar, voor zover mogelijk, ten minste 1 m hoger dan de boordlichten;

    • - des daags;

      de cylinder als bedoeld in het eerste lid.

    Hetzelfde geldt voor elk van de motorschepen die tezamen een schip, een drijvende inrichting of een drijvend voorwerp verplaatsen.

  • 3 Een schip van een sleep dat volgt achter het motorschip of de motorschepen, bedoeld in het eerste en tweede lid, moet voeren:

    • - des nachts:

      een wit helder rondom schijnend licht, op een hoogte van ten minste 5 m boven het vlak door de inzinkingsmerken. Deze hoogte mag worden verminderd tot 4 m indien de lengte van het schip niet meer dan 40 m bedraagt;

    • - des daags:

      een gele bol, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.

      Indien echter:

      • a. een lengte in een sleep langer is dan 110 m, moet deze lengte des nachts twee van deze lichten voeren, waarvan één voorop en één achterop;

      • b. een lengte in een sleep is samengesteld uit meer dan twee langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, moeten alleen de schepen aan de buitenzijden dit licht of deze lichten dan wel deze bol voeren.

De lichten en de bollen van de gesleepte schepen moeten, voor zover mogelijk, op gelijke hoogte boven het wateroppervlak worden gevoerd.

  • 4 Het schip of de schepen die de laatste lengte van een varende sleep vormen moeten des nachts voeren:

    • a. het licht, voorgeschreven bij het derde lid, of het toplicht voorgeschreven bij artikel 3.08, eerste lid onder a;

    • b. het heklicht, voorgeschreven bij artikel 3.08, eerste lid onder c. Indien echter de laatste lengte van een sleep is samengesteld uit meer dan twee langszijde van elkaar vastgemaakte schepen, moeten alleen de schepen aan de buitenzijden dit heklicht voeren.

  • 5 Op de reden behoeven slepen, die slechts uit een motorschip en één gesleepte lengte bestaan, de bij dit artikel voorgeschreven dagtekens niet te voeren.

  • 6 Dit artikel geldt noch voor kleine schepen die uitsluitend kleine schepen slepen, noch voor gesleepte kleine schepen; voor deze kleine schepen geldt artikel 3.13, tweede en derde lid.

Artikel 3.10. Tekens van varende duwstellen ( Bijlage 3: schetsen 11, 12, 13 en 14)

  • 1 Een varend duwstel moet des nachts voeren:

    • a.

      • i. drie toplichten op het voorschip van het voorste schip of van het meest links geplaatste der voorste schepen, in de vorm van een gelijkzijdige driehoek met een horizontale basis in een vlak loodrecht op de lengte-as van het duwstel, het bovenste toplicht op een hoogte van ten minste 5 m boven het vlak door de inzinkingsmerken en de beide onderste toplichten ongeveer 1,25 m uit elkaar en ongeveer 1,10 m onder het bovenste toplicht;

      • ii. een toplicht op het voorste schip van elk ander schip dat van voren over de volle breedte zichtbaar is, voor zover mogelijk 3 m lager dan het bovenste toplicht bedoeld onder i.

      De masten waaraan deze toplichten worden gevoerd moeten zijn geplaatst in de lengte-as van het schip waarop zij zich bevinden;

    • b. boordlichten op het breedste gedeelte van het duwstel, zo dicht mogelijk bij de duwboot, ten hoogste 1 m binnen de zijkanten van het duwstel en ten minste 2 m boven het wateroppervlak;

    • c.

      • i. drie heklichten op het achterschip van de duwboot, in een horizontale lijn loodrecht op de lengte-as, telkens ongeveer 1,25 m uit elkaar en op een zodanige hoogte dat zij niet door één van de andere schepen van het duwstel aan het gezicht kunnen worden onttrokken;

      • ii. een heklicht op het achterschip van elk ander schip dat van achteren over de volle breedte zichtbaar is. Indien echter behalve de duwboot meer dan twee schepen van achteren zichtbaar zijn, moet dit heklicht alleen door de schepen aan de buitenzijden worden gevoerd.

  • 2 Een duwstel dat door twee duwboten naast elkaar wordt voortbewogen moet des nachts de heklichten bedoeld in het eerste lid, onder c.i, voeren op de duwboot aan stuurboord. De andere duwboot moet des nachts het heklicht bedoeld in het eerste lid, onder c.ii, voeren.

  • 3 Het eerste lid is eveneens van toepassing op duwstellen die des nachts worden gesleept. De heklichten bedoeld in het eerste lid, onder c.i, dienen echter geel in plaats van wit te zijn.

  • 4 Indien een duwstel des daags wordt gesleept, moet de duwboot voeren:

    een gele bol, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.

Artikel 3.11. Tekens van varende gekoppelde samenstellen ( Bijlage 3: schetsen 15, 16)

  • 1 Een varend gekoppeld samenstel moet des nachts voeren:

    • a. een toplicht op elk schip zoals voorgeschreven bij artikel 3.08, eerste lid onder a. Echter op een schip dat geen motorschip is mag in plaats van het toplicht worden gevoerd een licht zoals voorgeschreven bij artikel 3.09, derde lid, op een geschikte plaats en niet hoger dan het toplicht van het motorschip of de motorschepen;

    • b. boordlichten aan de buitenzijden van het samenstel en voor zover mogelijk op onderling dezelfde hoogte en ten minste 1 m lager dan het laagste licht bedoeld onder a. Deze lichten moeten voor het overige voldoen aan artikel 3.08, eerste lid onder b;

    • c. een heklicht op het achterschip van elk schip.

  • 2 Dit artikel is niet van toepassing op kleine schepen die slechts langszijde daarvan vastgemaakte kleine schepen voortbewegen of langszijde van een ander schip vastgemaakt worden voortbewogen. De voorschriften van toepassing op deze kleine schepen zijn vermeld in artikel 3.13, tweede en derde lid.

Artikel 3.12. Tekens van varende zeilschepen ( Bijlage 3: schets 17)

  • 1 Een varend zeilschip moet des nachts voeren:

Artikel 3.13. Tekens van varende kleine schepen ( Bijlage 3: schetsen 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26)

  • 1 Een alleenvarend klein motorschip moet des nachts voeren:

    hetzij

    • a. een toplicht, op dezelfde hoogte als de boordlichten en tenminste 1 m vóór deze lichten. Dit licht moet een helder licht zijn;

    • b. boordlichten. Deze lichten mogen gewone lichten zijn. Zij moeten zich op gelijke hoogte en in één lijn loodrecht op de lengte-as van het schip bevinden en moeten naar de binnenzijde van het schip zodanig zijn afgeschermd dat het groene licht niet van bakboordszijde en het rode licht niet van stuurboordszijde kan worden gezien;

    • c. een heklicht;

      hetzij

    • d. het toplicht, voorgeschreven onder a. Dit licht moet echter ten minste 1 m hoger dan de boordlichten worden gevoerd;

    • e. de boordlichten, voorgeschreven onder b. Deze lichten mogen echter onmiddellijk naast elkaar of in één lantaarn verenigd in de lengte-as van het schip aan of nabij de boeg worden gevoerd;

    • f. een heklicht. Dit licht behoeft niet te worden gevoerd indien, in plaats van het onder d bedoelde toplicht, een wit helder rondom schijnend licht wordt gevoerd.

  • 2 Een klein schip dat slechts kleine schepen sleept, dan wel slechts langszijde daarvan vastgemaakte kleine schepen voortbeweegt, moet des nachts de bij het eerste lid voorgeschreven lichten voeren.

  • 3 Een klein schip dat wordt gesleept, dan wel langszijde van een ander schip vastgemaakt wordt voortbewogen, moet des nachts een wit gewoon rondom schijnend licht voeren. Dit lid is niet van toepassing op de bijboten van schepen.

  • 4 Een alleenvarend klein zeilschip moet des nachts:

    hetzij de boordlichten voorgeschreven bij het eerste lid, onder b of e, en een heklicht voeren;

    hetzij deze boordlichten en het heklicht, verenigd in één lantaarn aan de top van de mast voeren;

    hetzij een wit gewoon rondom schijnend licht voeren, en bovendien bij het naderen van andere schepen een tweede wit gewoon licht tonen.

  • 5 Een alleenvarend klein schip dat niet door middel van een motor of door middel van zeilen wordt voortbewogen moet des nachts een wit gewoon rondom schijnend licht voeren. Bijboten van schepen die in deze omstandigheden verkeren behoeven echter slechts bij het naderen van andere schepen dit licht te tonen.

  • 6 Een klein schip dat onder zeil vaart en tegelijkertijd door middel van een motor wordt voortbewogen moet des daags voeren:

    een zwarte kegel met de punt naar beneden, zo hoog mogelijk, en op een plaats waar hij het best kan worden gezien.

Artikel 3.14. Bijkomende tekens van varende schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren ( Bijlage 3: schetsen 27a, 27b, 28a, 28b, 29, 30, 31, 32)

  • 1 Een varend schip dat bepaalde brandbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, moet, behalve de overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement, overeenkomstig ADN nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, voeren:

    • -. des nachts:

      een blauw licht;

    • -. des daags:

      een blauwe kegel met de punt naar beneden.

    Dit teken moet op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte worden gevoerd dat het van alle zijden zichtbaar is. In plaats van het dagteken kan ook één blauwe kegel op het voor- en één op het achterschip op een hoogte van ten minste 3 m boven het vlak door de inzinkingsmerken worden gevoerd.

  • 2 Een varend schip dat bepaalde voor de gezondheid schadelijke stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, moet, behalve de overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement, overeenkomstig ADN nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, voeren:

    • -. des nachts:

      twee blauwe lichten;

    • -. des daags:

      twee blauwe kegels met de punt naar beneden.

    Deze tekens moeten in een verticale lijn, met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte worden gevoerd, dat zij van alle zijden zichtbaar zijn. In plaats van de twee blauwe kegels kunnen ook telkens twee blauwe kegels op het voor- en op het achterschip worden gevoerd, waarvan de onderste op een hoogte van ten minste 3 m boven het vlak door de inzinkingsmerken is aangebracht.

  • 3 Een varend schip dat bepaalde ontplofbare stoffen vervoert, bedoeld in het ADN, moet, behalve de overige tekens die worden voorgeschreven bij dit reglement, overeenkomstig ADN nr. 7.1.5.0 of nr. 7.2.5.0, voeren:

    • -. des nachts:

      drie blauwe lichten;

    • -. des daags:

      drie blauwe kegels met de punt naar beneden.

    Deze tekens moeten in een verticale lijn, met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte worden gevoerd dat zij van alle zijden zichtbaar zijn.

  • 4 Indien een duwstel of gekoppeld samenstel één of meer schepen bevat bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, moet het schip dat dient voor het voortbewegen van het duwstel of gekoppeld samenstel de tekens, voorgeschreven in het eerste, tweede of derde lid, voeren.

  • 5 Een duwstel, dat door twee duwboten naast elkaar wordt voortbewogen, moet de tekens bedoeld in het vierde lid op de duwboot aan stuurboord voeren.

  • 6 Een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat verschillende gevaarlijke stoffen vervoert, bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, moet de tekens voeren voorgeschreven voor de gevaarlijke stof, die het grootste aantal blauwe lichten of kegels vereist.

  • 7 Een schip, dat geen tekens als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, moet voeren maar in het bezit is van een certificaat van goedkeuring, bedoeld in het ADN, nr. 8.1.8, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip als bedoeld in het eerste lid, mag, indien het gelijktijdig geschut wil worden met een schip dat de tekens bedoeld in het eerste lid moet voeren, bij nadering van een sluis, de tekens bedoeld in het eerste lid voeren.

  • 8 De sterkte van de in dit artikel voorgeschreven blauwe lichten dient ten minste gelijk te zijn aan die van blauwe gewone lichten.

Artikel 3.15. Teken van varende schepen die meer dan 12 passagiers mogen vervoeren en waarvan de maximale lengte van de romp minder is dan 20 m ( Bijlage 3: schets 33)

Een varend schip dat meer dan 12 passagiers mag vervoeren en waarvan de maximale lengte van de romp minder is dan 20 m moet des daags voeren:

een gele ruit, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat hij van alle zijden zichtbaar is.

Artikel 3.16. Tekens van varende veerponten ( Bijlage 3: schetsen 34, 35, 36)

  • 1 Een varende niet-vrijvarende veerpont moet des nachts voeren:

    • a. een wit helder rondom schijnend licht op een hoogte van ten minste 5 m boven het vlak door de inzinkingsmerken. Deze hoogte mag echter worden verminderd, indien de lengte van de veerpont 15 m niet overschrijdt;

    • b. een groen helder rondom schijnend licht ongeveer 1 m boven het onder a bedoelde licht.

  • 2 De het meest bovenstrooms gelegen ankerschuit of drijver van een varende veerpont aan een langskabel moet des nachts zijn voorzien van een wit helder rondom schijnend licht, ten minste 3 m boven het wateroppervlak.

  • 3 Een varende vrijvarende veerpont moet des nachts voeren:

Artikel 3.17. Bijkomend teken van varende schepen die recht van voorrang hebben ( Bijlage 3: schets 37)

Een schip waaraan de bevoegde autoriteit het recht van voorrang heeft verleend voor de doorvaart op plaatsen waar de volgorde van doorvaren is geregeld moet, behalve de overige tekens voorgeschreven bij dit reglement, des daags voeren:

een rode wimpel op het voorschip op een voldoende hoogte om goed zichtbaar te zijn.

Artikel 3.18. Bijkomende tekens van varende schepen die onmanoeuvreerbaar zijn ( Bijlage 3: schets 38)

Een varend schip dat onmanoeuvreerbaar is moet, behalve de overige tekens voorgeschreven bij dit reglement, zo nodig:

  • -. des nachts:

    een rood licht tonen waarmee heen en weer wordt gezwaaid;

  • -. des daags:

    een rode vlag tonen waarmee heen en weer wordt gezwaaid,

    of het bij dit reglement voorgeschreven geluidssein geven, dan wel zowel het een als het ander tegelijkertijd verrichten.

De vlag mag worden vervangen door een bord van dezelfde kleur.

Artikel 3.19. Tekens van varende drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen ( Bijlage 3: schets 39)

Onverminderd de bijzondere voorwaarden die ingevolge artikel 1.21 kunnen worden gesteld, moeten varende drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen des nachts voeren:

witte heldere rondom schijnende lichten, in voldoend aantal om hun omtrek aan te duiden.

II .B. Tekens tijdens het stilliggen

Artikel 3.20. Tekens van stilliggende schepen ( Bijlage 3: schetsen 40, 41)

  • 1 Een schip dat stilligt, met uitzondering van een klein schip of een schip vermeld in de artikelen 3.22 en 3.25, moet des nachts voeren:

    een wit gewoon rondom schijnend licht aan de zijde van het vaarwater op een hoogte van ten minste 3 m boven het vlak door de inzinkingsmerken.

    In plaats van dit licht mogen ook 2 witte gewone rondom schijnende lichten aan de zijde van het vaarwater op dezelfde hoogte, één op het voorschip en één op het achterschip, worden gevoerd.

  • 2 Een klein schip dat stilligt, met uitzondering van de bijboot van een schip, moet des nachts voeren:

    een wit gewoon rondom schijnend licht aan de zijde van het vaarwater.

  • 3 De in dit artikel bedoelde lichten behoeven niet gevoerd te worden:

    • a. indien het schip deel uitmaakt van een groep van schepen, waarvan verwacht mag worden dat hij niet voor het einde van de nacht uiteen zal gaan, en de schepen van deze groep aan de zijde van het vaarwater het bij het eerste lid voorgeschreven licht voeren;

    • b. indien het schip zich geheel tussen niet overstroomde kribben bevindt, dan wel achter een boven water uitstekende strekdam stilligt;

    • c. indien het schip aan de oever stilligt en vanaf die oever voldoende wordt verlicht.

  • 4 Indien schepen op een in het bijzonder voor hen bestemde ligplaats bij elkaar stilliggen kunnen in bijzondere gevallen bepaalde schepen daarvan door de bevoegde autoriteit van de verplichting tot het voeren van de in dit artikel voorgeschreven lichten worden vrijgesteld.

Artikel 3.21. Bijkomende tekens van stilliggende schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren ( Bijlage 3: schetsen 42, 43, 44)

Artikel 3.14 is eveneens van toepassing op het in dat artikel bedoelde schip, duwstel en gekoppeld samenstel, wanneer deze stilliggen.

Artikel 3.22. Tekens van op hun aanlegplaats stilliggende veerponten ( Bijlage 3: schets 45, 46)

  • 1 Een op zijn aanlegplaats stilliggende niet-vrijvarende veerpont moet des nachts de bij artikel 3.16, eerste lid, voorgeschreven lichten voeren.

    Bovendien moet de het meest bovenstrooms gelegen ankerschuit of drijver van een veerpont aan een langskabel des nachts het bij artikel 3.16, tweede lid, voorgeschreven licht voeren.

Artikel 3.23. Tekens van drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen bij het stilliggen (Bijlage 3: schets 47)

Onverminderd de bijzondere voorwaarden die overeenkomstig artikel 1.21 kunnen worden opgelegd, moeten drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen bij het stilliggen des nachts van alle zijden zichtbare witte gewone lichten voeren, in voldoende aantal om hun omtrekken van de zijde van het vaarwater herkenbaar te maken.

De in de eerste volzin voorgeschreven lichten hoeven niet te worden gevoerd, wanneer aan de voorwaarden van artikel 3.20, derde lid, onderdeel b of c, is voldaan.

Artikel 3.24. Tekens van bepaalde stilliggende vissersschepen en van hun netten of uitleggers ( Bijlage 3: schets 48)

Een vissersschip, met inbegrip van een klein schip, dat een net of een uitlegger in of in de nabijheid van het vaarwater heeft uitstaan en dat stilligt, moet des nachts voeren:

het bij artikel 3.20, eerste lid, voorgeschreven licht.

Bovendien moet het net of de uitlegger zijn aangeduid door:

  • -. des nachts:

    witte gewone rondom schijnende lichten, in voldoend aantal om de plaats daarvan aan te geven;

  • -. des daags:

    gele drijvers, in voldoend aantal om de plaats daarvan aan te geven.

Artikel 3.25. Tekens van in bedrijf zijnde drijvende werktuigen en van vastgevaren of gezonken schepen ( Bijlage 3: schetsen 49a, 49b, 50a, 50b, 51, 52)

  • 1 Een in bedrijf zijnd drijvend werktuig en een schip, dat in de rivier werken uitvoert dan wel peilingen of metingen verricht, moeten tijdens het stilliggen voeren:

    • a. aan de zijde waar de doorvaart vrij is:

      • - des nachts:

        twee groene heldere of gewone lichten;

      • - des daags:

        het aanwijzingsbord E.1 ( bijlage 7) of

        twee groene ruiten,

        in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m;

        en zo nodig:

    • b. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is:

      • - des nachts:

        een rood helder of gewoon licht,

        op dezelfde hoogte als het bovenste van de onder a voorgeschreven groene lichten en van dezelfde lichtsterkte als die lichten;

      • - des daags:

        het verbodsbord A.1 ( bijlage 7), op dezelfde hoogte als het onder a voorgeschreven bord,

        of

        een rode bol, op dezelfde hoogte als de bovenste van de onder a voorgeschreven ruiten;

        of, in het geval dat deze schepen tevens tegen hinderlijke waterbeweging beschermd moeten worden:

    • c. aan de zijde waar de doorvaart vrij is:

      • - des nachts:

        een rood helder of gewoon licht en een wit helder of gewoon licht, in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het rode licht boven;

      • - des daags:

        een vlag waarvan de bovenste helft rood en de onderste helft wit is, dan wel twee vlaggen boven elkaar, de bovenste rood en de onderste wit;

        en zo nodig:

    • d. aan de zijde waar de doorvaart niet vrij is:

      • - des nachts:

        een rood licht, op dezelfde hoogte als het onder c voorgeschreven rode licht en van dezelfde lichtsterkte als dit licht;

      • - des daags:

        een rode vlag, op dezelfde hoogte als de aan de andere zijde gevoerde roodwitte vlag of de rode vlag.

    Deze tekens moeten zijn aangebracht op een zodanige hoogte, dat zij van alle zijden zichtbaar zijn. De vlaggen mogen worden vervangen door borden van dezelfde kleur.

  • 2 Een vastgevaren of gezonken schip moet des nachts de bij het eerste lid, onder c en d, voorgeschreven tekens voeren. Indien een gezonken schip zodanig ligt dat daarop de tekens niet kunnen worden aangebracht, moeten deze op roeiboten, op boeien of op een andere doelmatige wijze zijn geplaatst.

  • 3 De bevoegde autoriteit kan ontheffing verlenen van de verplichting tot het voeren van de bij het eerste lid, onder a en b, voorgeschreven tekens.

Artikel 3.26. Bijkomende tekens van schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen waarvan de ankers een gevaar voor de scheepvaart kunnen vormen en van hun ankers ( Bijlage 3: schetsen 53, 54, 55)

  • 1 Een stilliggend schip waarvan een anker zodanig is uitgezet, dat het anker, de ankerkabel of ankerketting een gevaar voor de scheepvaart kan vormen, moet des nachts, behalve de overige lichten voorgeschreven bij dit reglement, voeren:

    een tweede wit gewoon rondom schijnend licht, ongeveer 1 m onder het bij artikel 3.20, eerste lid, voorgeschreven licht of, indien twee van deze lichten zijn aangebracht, onder het licht dat het meest nabij het uitstaande anker is aangebracht.

  • 2 Indien in de in artikel 3.23 bedoelde gevallen de ankers zodanig zijn uitgezet, dat zij een gevaar voor de scheepvaart kunnen vormen, moet het licht dat zich het meest nabij deze ankers bevindt worden vervangen door:

    twee witte gewone rondom schijnende lichten in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m.

  • 3 In de in het eerste en tweede lid bedoelde gevallen moet elk van de ankers worden aangeduid, zowel des nachts als des daags, door een gele drijver voorzien van een radarreflector.

  • 4 Indien het anker, de ankerkabel of ankerketting van een drijvend werktuig een gevaar voor de scheepvaart kan vormen, moet hij worden aangeduid door:

    • -. des nachts:

      een drijver met een radarreflector en een wit gewoon rondom schijnend licht;

    • -. des daags:

      een gele drijver voorzien van een radarreflector.

III. Bijzondere optische tekens

Artikel 3.27. Teken van schepen van toezichthoudende ambtenaren ( Bijlage 3: schets 56)

Een schip van toezichthoudende ambtenaren mag om zich kenbaar te maken zowel des nachts als des daags een blauw flikkerlicht tonen. Hetzelfde geldt voor een brandweerboot die hulp biedt of daartoe op weg is en voor een reddingsvaartuig bij een reddingsoperatie met toestemming van de bevoegde autoriteit.

Artikel 3.28. Bijkomend teken van varende schepen die werkzaamheden in de vaarweg uitvoeren ( Bijlage 3, schets 57)

Een varend schip dat in of nabij het vaarwater werkzaamheden, peilingen of metingen uitvoert mag, behalve de overige tekens voorgeschreven bij dit reglement, met toestemming van de bevoegde autoriteit, tonen:

een geel helder of gewoon rondom schijnend flikkerlicht.

Artikel 3.29. Bescherming tegen hinderlijke waterbeweging ( Bijlage 3: schets 58)

  • 1 Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting die varen of stilliggen en beschermd willen worden tegen hinderlijke waterbeweging veroorzaakt door het langsvaren van andere schepen of drijvende voorwerpen mogen, behalve de overige tekens voorgeschreven bij dit reglement, voeren:

    • -. des nachts:

      een rood helder of gewoon licht en een wit helder of gewoon licht, in een verticale lijn met een onderlinge afstand van ongeveer 1 m, het bovenste rood, op een zodanige plaats dat zij duidelijk zichtbaar zijn en niet met andere lichten kunnen worden verward;

    • -. des daags:

      een vlag waarvan de bovenste helft rood en de onderste helft wit is, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte, dat hij van alle zijden zichtbaar is. Deze vlag mag worden vervangen door twee boven elkaar geplaatste vlaggen waarvan de bovenste rood en de onderste wit is.

      De vlaggen mogen worden vervangen door borden van dezelfde kleur.

  • 2 Onverminderd artikel 3.25 hebben uitsluitend het recht de in het eerste lid bedoelde tekens te tonen:

    • a. schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen die zwaar zijn beschadigd of zijn betrokken bij bergingswerkzaamheden, alsmede schepen die niet in staat zijn te manoeuvreren;

    • b. schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen die zijn voorzien van een schriftelijke toestemming van de bevoegde autoriteit.

Artikel 3.30. Noodtekens ( Bijlage 3: schets 59)

  • 1 Een in nood verkerend schip, dat hulp wil inroepen, mag tonen:

    • -. des nachts:

      een licht waarmee in het rond wordt gezwaaid;

    • -. des daags:

      een rode vlag of ieder ander geschikt voorwerp waarmee in het rond wordt gezwaaid.

  • 2 Deze tekens vervangen de in artikel 4.04 vermelde geluidsseinen of vullen deze aan.

Artikel 3.31. Teken van het verbod van toegang aan boord ( Bijlage 3: schets 60)

  • 1 Indien op grond van wettelijke voorschriften de toegang aan boord voor onbevoegden is verboden, moet dit verbod worden aangeduid door: één of meer ronde witte symbolen met een rode rand en een rode diagonale balk en met, in zwart, de afbeelding van een afwerende hand. Deze symbolen moeten naar behoefte aan boord of bij de loopplank worden aangebracht. De doorsnede van deze symbolen moet ongeveer 0,60 m bedragen.

  • 2 Deze symbolen moeten zo nodig worden verlicht om des nachts duidelijk zichtbaar te zijn.

  • 3 De symbolen die overeenkomstig de op 30 november 2011 geldende versie van het Rijnvaartpolitiereglement waren voorgeschreven, mogen tot en met 30 november 2015 worden gebruikt.

Artikel 3.32. Teken van het verbod te roken, onbeschermd licht of vuur te gebruiken ( Bijlage 3: schets 61)

  • 1 Indien het op grond van wettelijke voorschriften aan boord is verboden:

    • a) te roken;

    • b) onbeschermd licht of vuur te gebruiken, moet dit verbod worden aangeduid door één of meer ronde witte symbolen met een rode rand en een rode diagonale balk en met de afbeelding van een brandende lucifer.

    Deze symbolen moeten naar behoefte aan boord of bij de loopplank worden aangebracht. De doorsnede van deze symbolen moet ongeveer 0,60 m bedragen.

  • 2 Deze symbolen moeten zo nodig worden verlicht om des nachts duidelijk zichtbaar te zijn.

  • 3 De symbolen die overeenkomstig de op 30 november 2011 geldende tekst van het Rijnvaartpolitiereglement 1995 waren voorgeschreven, mogen tot en met 30 november 2015 worden gebruikt.

Artikel 3.33. Teken van het verbod evenwijdig aan een schip ligplaats te nemen ( Bijlage 3: schets 62)

  • 1 Indien het op grond van wettelijke voorschriften of bijzondere voorschriften van de bevoegde autoriteit is verboden dichtbij een schip evenwijdig daaraan ligplaats te nemen, bij voorbeeld vanwege de aard van de lading, moet dit schip op het dek in de lengte-as voeren:

    een vierkant bord aan de onderzijde waarvan zich een driehoek bevindt.

    Het bord moet aan beide zijden wit zijn, met een rode rand, een rode diagonale balk en met, in zwart, de letter "P", en de driehoek moet aan beide zijden wit zijn met, in zwart, cijfers die de afstand in meters aangeven waarbinnen geen ligplaats mag worden genomen.

  • 2 Des nachts moet dit bord zodanig zijn verlicht, dat het aan beide zijden van het schip duidelijk zichtbaar is.

  • 3 Dit artikel is niet van toepassing op een schip, duwstel of een gekoppeld samenstel bedoeld in artikel 3.21.

Artikel 3.34. Bijkomende tekens van schepen die bij het duiken worden gebruikt (Bijlage 3: schets 65)

Een schip dat gebruikt wordt bij het duiken, voert, naast de door de andere bepalingen van dit reglement voorgeschreven tekens, als bijkomend teken:

een ten minste 1 m hoge van niet buigzaam materiaal vervaardigde replica van de seinvlag «A» van de Internationale Code voor tekens, op een geschikte plaats en op een zodanige hoogte dat het dag en nacht van alle zijden zichtbaar is.

Hoofdstuk 4. Geluidsseinen van schepen; marifoon; informatie- en navigatieapparatuur

I. Geluidsseinen ( Bijlage 6)

Artikel 4.01. Algemene bepalingen

  • 1 Indien in dit reglement andere geluidsseinen zijn voorzien dan klokslagen of reeksen klokslagen, moeten deze geluidsseinen worden gegeven:

    • a. aan boord van een motorschip, met uitzondering van een klein schip, door middel van een mechanisch werkende geluidsinstallatie die voldoende hoog is opgesteld en vrij staat naar voren en voor zover mogelijk ook naar achteren;

    • b. aan boord van een schip, niet zijnde een motorschip, en een klein schip, door middel van een geschikte geluidsinstallatie, scheepstoeter of hoorn.

  • 2 Een motorschip moet gelijktijdig met een geluidssein een geel helder rondom schijnend lichtsein tonen. Dit lid is niet van toepassing op een klein schip en geldt niet voor klokslagen.

  • 3 Bij een varend duwstel of gekoppeld samenstel mogen de geluidsseinen slechts worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het duwstel of het gekoppeld samenstel bevindt en, in het geval van een sleep, slechts door het motorschip aan de kop van de sleep.

  • 4 Een reeks klokslagen moet ongeveer vier seconden duren. In plaats daarvan mogen ook reeksen slagen van metaal op metaal worden gegeven.

Artikel 4.02. Geven van geluidsseinen

  • 1 Onverminderd de overige bepalingen van dit reglement moet een schip, niet zijnde een klein schip, zo nodig de geluidsseinen geven, vermeld in de bijlage 6.

Artikel 4.03. Verboden geluidsseinen

  • 1 Het is verboden andere geluidsseinen te geven dan die welke in dit reglement worden vermeld, dan wel deze geluidsseinen te geven onder andere omstandigheden dan die waarvoor zij in dit reglement zijn voorzien of worden toegelaten.

  • 2 Een schip mag voor het wisselen van berichten met andere schepen of met de wal gebruik maken van andere geluidsseinen, mits hierdoor geen verwarring kan ontstaan met de in dit reglement vermelde geluidsseinen.

Artikel 4.04. Noodseinen

  • 1 Indien een schip door middel van geluidsseinen hulp wil inroepen (schip in nood, man overboord, enz.) mag het reeksen klokslagen of herhaalde lange stoten laten horen.

  • 2 Deze seinen dienen ter vervanging of ter aanvulling van de in artikel 3.30 bedoelde optische tekens.

II. Marifoon

Artikel 4.05. Marifoon

  • 1 Iedere zich aan boord van een schip of van een drijvende inrichting bevindende marifooninstallatie moet in overeenstemming zijn met de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart en worden gebruikt overeenkomstig de voorschriften van deze regeling. Deze voorschriften worden vermeld in het Handboek voor de marifonie in de binnenvaart.

  • 2 Bij marifoonverbindingen tussen marifooninstallaties aan boord van schepen moet de taal van het land worden gebruikt waarin zich de marifooninstallatie bevindt waarmee het gesprek wordt aangevangen. Ingeval van communicatie problemen moet de Duitse taal worden gebruikt.

  • 3 De kanalen van de marifooninstallatie bestemd voor het openbaar verkeer, het schip–schip verkeer, de nautische informatie en het verkeer tussen schip en havenautoriteiten mogen slechts worden gebruikt voor mededelingen die zijn voorgeschreven of toegelaten in dit reglement, dan wel die krachtens de Regionale regeling betreffende de marifoondienst in de binnenvaart zijn toegelaten.

  • 4 Een motorschip, met uitzondering van een klein schip, mag slechts varen indien het is uitgerust met een marifooninstallatie geschikt voor de kanalen voor het schip - - schip verkeer, de nautische informatie en het verkeer tussen schip en havenautoriteiten die goed functioneert.

    Met deze marifooninstallatie moet gelijktijdig op twee kanalen kunnen worden uitgeluisterd.

  • 5 Een varend motorschip, met uitzondering van een klein schip, moet de marifooninstallatie op ontvangst hebben ingeschakeld op het voor het schip- schip verkeer aangewezen kanaal, tenzij in een bepaald geval bij uitzondering het uitluisteren op een ander kanaal verantwoord is, en moet op de voor het schip - - schip verkeer en voor de nautische informatie aangewezen kanalen de voor de veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke inlichtingen geven.

    Het moet de kanalen voor het schip - - schip verkeer en voor de nautische informatie gelijktijdig op ontvangst hebben ingeschakeld.

  • 6 Teken B.11 ( bijlage 7) geeft aan dat een schip gebruik moet maken van de marifoon overeenkomstig de voorschriften van de bevoegde autoriteit.

III. Informatie- en navigatieapparatuur

Artikel 4.06. Radar

  • 1 Een schip mag slechts gebruik maken van radar indien:

    Een klein schip moet bovendien zijn uitgerust met een marifooninstallatie voor het schip--schip verkeer, die goed functioneert.

  • 2 Voor een duwstel en voor een gekoppeld samenstel is het eerste lid slechts van toepassing op het schip aan boord waarvan zich de schipper van het duwstel of van het gekoppeld samenstel bevindt.

  • 3 Een varend snel schip moet gebruik maken van radar.

Artikel 4.07. Inland AIS en Inland ECDIS

  • 1 Een schip moet zijn uitgerust met een Inland AIS-apparaat als bedoeld in artikel 7.06, derde lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn. Het Inland AIS-apparaat moet goed functioneren. De eerste volzin geldt niet voor de volgende schepen:

    • a. schepen van duwstellen en gekoppelde samenstellen, met uitzondering van het schip dat hoofdzakelijk voor het voortbewegen zorgt;

    • b. kleine schepen, met uitzondering van:

      • 1°. schepen van de politie die met een radarapparaat zijn uitgerust; en

      • 2°. schepen, die van een certificaat overeenkomstig het Reglement Onderzoek schepen op de Rijn of een krachtens dit reglement als gelijkwaardig erkend certificaat zijn voorzien;

    • c. duwbakken zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging;

    • d. drijvende werktuigen zonder eigen mechanische middelen tot voortbeweging.

  • 2 Het Inland AIS-apparaat moet permanent ingeschakeld zijn en de ingevoerde gegevens moeten op ieder moment met de werkelijke gegevens van het schip of samenstel overeenkomen. De eerste volzin geldt niet:

    • a. indien de schepen zich in een overnachtingshaven als bedoeld in artikel 14.11, eerste lid, bevinden;

    • b. indien de bevoegde autoriteit een uitzondering voor vaarwateren die bouwkundig van de vaargeul zijn gescheiden, heeft toegestaan;

    • c. voor schepen van de politie, ingeval het verzenden van AIS-gegevens het uitvoeren van politieopdrachten in gevaar kan brengen.

    Schepen als bedoeld in het eerste lid, derde volzin, onderdeel a, moeten aan boord aanwezige Inland AIS-apparatuur uitschakelen, zolang deze schepen deel van het samenstel zijn.

  • 3 Schepen, die met een Inland AIS-apparaat moeten zijn uitgerust, uitgezonderd veerponten, dienen aanvullend te zijn uitgerust met een Inland ECDIS-apparaat in de informatiemodus of een daarmee vergelijkbaar visualiseringssysteem dat met het Inland AIS-apparaat moet zijn verbonden en dienen dit samen met een actuele elektronische binnenvaartkaart te gebruiken.

  • 4 Er moeten minstens de volgende gegevens overeenkomstig hoofdstuk 2 van de Standaard Tracking & Tracing van schepen in de binnenvaart worden gezonden:

    • a. User Identifier (Maritime Mobile Service Identity, MMSI);

    • b. naam van het schip;

    • c. scheeps- of samensteltype;

    • d. Uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI) of, voor zeeschepen voor zover geen ENI werd toegekend, het IMO-nummer;

    • e. lengte over alles van het schip of het samenstel met een nauwkeurigheid van 0,1 m;

    • f. breedte over alles van het schip of het samenstel met de nauwkeurigheid van 0,1 m;

    • g. positie (WGS 84);

    • h. snelheid over de grond;

    • i. koers over de grond;

    • j. tijd van de elektronische positiebepaling;

    • k. vaarstatus overeenkomstig bijlage 11;

    • l. referentiepunt voor de positie-informatie op het schip met de nauwkeurigheid van 1 m overeenkomstig bijlage 11.

  • 5 De schipper moet de volgende gegevens bij wijzigingen onmiddellijk actualiseren:

    • a. lengte over alles met de nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 11;

    • b. breedte over alles met de nauwkeurigheid van 0,1 m overeenkomstig bijlage 11;

    • c. samensteltype;

    • d. vaarstatus overeenkomstig bijlage 11;

    • e. referentiepunt voor de positie-informatie op het schip met de nauwkeurigheid van 1 m overeenkomstig bijlage 11.

  • 6 Een klein schip dat AIS gebruikt, mag uitsluitend een Inland AIS-apparaat als bedoeld in artikel 7.06, derde lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn, een krachtens de IMO-voorschriften typegoedgekeurd AIS-apparaat van klasse A of een AIS-apparaat van klasse B gebruiken. AIS-apparatuur van klasse B moet aan de dienovereenkomstige eisen van Aanbeveling ITU-R.M 1371, aan Richtlijn 1999/5/EG (R&TTE-richtlijn) en aan de internationale norm IEC 62287-1 of 2 (inclusief DSC kanaalmanagement) voldoen. Het AIS-apparaat moet goed functioneren en de in het AIS-apparaat ingevoerde gegevens moeten op ieder moment met de werkelijke gegevens van het schip of samenstel overeenkomen.

  • 7 Een klein schip waaraan geen uniek Europees scheepsidentificatienummer (ENI) is toegekend, hoeft de gegevens, bedoeld in het vierde lid, onderdeel d, niet over te dragen.

  • 8 Een klein schip dat AIS gebruikt, moet bovendien zijn uitgerust met een marifooninstallatie voor het schip-schip verkeer, die goed functioneert en voor ontvangst is ingeschakeld.

Hoofdstuk 5. Verkeerstekens van de vaarweg

Artikel 5.01. Verkeerstekens

  • 1 Bijlage 7 vermeldt welke verkeerstekens door de bevoegde autoriteiten in het belang van de veiligheid en goede orde van de scheepvaart kunnen worden aangebracht. Deze verkeerstekens bevatten een verbod, een gebod, een beperking, dan wel een aanbeveling of een inlichting. Bijlage 7 vermeldt eveneens de betekenis van die tekens.

  • 2 Onverminderd de overige bepalingen van dit reglement moet een schipper gevolg geven aan de voorschriften en rekening houden met de aanbevelingen of inlichtingen, aan hem kenbaar gemaakt door de in het eerste lid bedoelde verkeerstekens, die in de vaarweg of op de oevers daarvan zijn geplaatst.

Artikel 5.02. Verkeerstekens ter markering van de vaarweg

  • 1 Bijlage 8 vermeldt de verkeerstekens ter markering van de vaarweg die ten behoeve van de scheepvaart kunnen worden aangebracht. Bijlage 8 omschrijft eveneens onder welke omstandigheden de verschillende verkeerstekens ter markering van de vaarweg worden gebruikt.

  • 2 Bijlage 8 vermeldt eveneens welke verkeerstekens kunnen worden gebruikt ter markering van ondiepten van voorbijgaande aard en van obstakels.

Hoofdstuk 6. Vaarregels

I. Algemene bepalingen

Artikel 6.01. Snelle schepen

Een snel schip moet voor elk ander schip uitwijken.

Artikel 6.02. Gedrag tussen kleine schepen en andere schepen

  • 1 Een alleenvarend klein schip en een sleep of een gekoppeld samenstel dat uitsluitend uit kleine schepen bestaat is verplicht aan een ander schip met inbegrip van een snel schip de ruimte te laten, die dit nodig heeft om zijn koers te volgen en om te manoeuvreren.

Artikel 6.02a. Vaarregels voor kleine schepen onderling

  • 1 Een klein motorschip moet uitwijken voor een klein schip, niet zijnde een motorschip.

  • 2 Een klein door spierkracht voortbewogen schip moet uitwijken voor een klein zeilschip.

  • 3 Indien de koersen van twee kleine motorschepen elkaar kruisen, zó dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet:

    • a. indien zij recht of vrijwel recht tegen elkaar insturen, ieder van hen uitwijken naar stuurboord, om elkaar bakboord op bakboord voorbij te varen;

    • b. indien hun koersen elkaar kruisen, onverminderd de artikelen 6.13, 6.14 en 6.16, het kleine schip, dat het andere aan stuurboordszijde van zich heeft, uitwijken.

  • 4 Indien de koersen van twee kleine zeilschepen elkaar kruisen, zó, dat gevaar voor aanvaring bestaat, moet:

    • a. ingeval beide schepen over verschillende boeg liggen, het schip dat over stuurboordsboeg ligt uitwijken voor het schip dat over bakboordsboeg ligt;

    • b. ingeval beide schepen over dezelfde boeg liggen, het loefwaartse schip uitwijken voor het lijwaartse;

    • c. ingeval een schip dat over stuurboordsboeg ligt aan zijn loefzijde een schip ziet en niet met zekerheid kan bepalen of dat schip over stuurboords- dan wel over bakboordsboeg ligt, het daarvoor uitwijken.

    Een klein zeilschip moet een ander klein zeilschip aan loef voorbijlopen. Loef is aan de zijde tegenover het gezette grootzeil.

  • 5 Een klein schip mag niet zodanig het vaarwater opkruisen, dat het een klein schip, dat zijn stuurboordswal houdt, dwingt uit te wijken.

II. Ontmoeten en voorbijlopen

Artikel 6.03. Algemene beginselen

  • 1 Ontmoeten of voorbijlopen is slechts geoorloofd, indien het vaarwater voldoende ruimte biedt voor gelijktijdige doorvaart, de plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere schepen daarbij in aanmerking genomen.

  • 2 Bij een samenstel mogen de tekens dan wel de seinen, voorgeschreven bij de artikelen 3.17, 6.04 en 6.10, slechts worden getoond dan wel worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt, bij een sleep echter in ieder geval door het motorschip aan de kop van de sleep.

  • 3 Bij ontmoeten of voorbijlopen mogen de schepen waarvan de koers elk gevaar voor aanvaring uitsluit hun koers noch hun snelheid zodanig wijzigen, dat daaruit gevaar voor aanvaring kan ontstaan.

Artikel 6.04. Ontmoeten: Hoofdregels ( Bijlage 3: schets 63)

  • 1 Bij het ontmoeten moet een opvarend schip aan een afvarend schip een geschikte weg vrijlaten, de plaatselijke omstandigheden en de bewegingen van andere schepen daarbij in aanmerking genomen.

  • 2 Het opvarende schip dat daartoe aan bakboord voor het afvarende schip de weg vrijlaat toont geen teken.

  • 3 Het opvarende schip dat daartoe aan stuurboord voor het afvarende schip de weg vrijlaat moet tijdig aan stuurboord tonen:

    • a. des nachts: een wit helder flikkerlicht, eventueel in combinatie met een lichtblauw bord;

    • b. des daags: een lichtblauw bord in combinatie met een wit helder flikkerlicht.

    Het blauwe bord moet voorzien zijn van een witte rand met een breedte van ten minste 5 cm. Het raam- en stangenwerk, alsmede het lantaarnhuis van het flikkerlicht, moet donker van kleur zijn.

    Deze tekens moeten van voren en van achteren zichtbaar zijn en zij moeten worden getoond, totdat het voorbijvaren heeft plaats gehad. Het is verboden deze tekens langer te tonen, tenzij om eveneens aan een volgend afvarend schip aan te duiden dat het voor dit aan stuurboord de weg vrijlaat.

  • 4 Zodra te vrezen is, dat de bedoeling van het opvarende schip niet door het afvarende schip is begrepen, moet het opvarende schip geven:

    • -. "één korte stoot", indien het voorbijvaren bakboord op bakboord dient te geschieden, of

    • -. "twee korte stoten", indien het voorbijvaren stuurboord op stuurboord dient te geschieden.

  • 5 Onverminderd artikel 6.05 moet het afvarende schip de weg volgen die door het opvarende schip overeenkomstig bovenstaande bepalingen wordt aangewezen. Het afvarende schip moet de tekens, bedoeld in het derde lid, en de geluidsseinen, bedoeld in het vierde lid, die het opvarende schip toont, dan wel geeft, herhalen.

Artikel 6.05. Ontmoeten: Afwijking van de hoofdregels

  • 1 In afwijking van artikel 6.04 hebben de volgende schepen het recht te verlangen, dat de weg die een opvarend schip vrijlaat wordt gewijzigd indien de weg volgens artikel 6.04 hun niet past:

    • a. een afvarend passagiersschip, dat een geregelde dienst onderhoudt en waarvan het toegelaten maximum aantal passagiers niet minder dan 300 personen bedraagt, indien het wil aanleggen aan een ontschepingsplaats, gelegen aan de door het opvarende schip gehouden oever;

    • b. een afvarende sleep, die om te kunnen opdraaien een bepaalde oever wil houden.

      Zij mogen dit verlangen evenwel slechts kenbaar maken, indien zij zich er van hebben vergewist, dat daaraan zonder gevaar kan worden voldaan.

  • 2 In dit geval moet het afvarende schip tijdig de volgende seinen geven:

    • -. "één korte stoot", indien het wil, dat het voorbijvaren bakboord op bakboord plaatsvindt, of

    • -. "twee korte stoten", indien het wil, dat het voorbijvaren stuurboord op stuurboord plaatsvindt. Het moet dan bovendien de in artikel 6.04, derde lid, bedoelde tekens tonen.

  • 3 3. Het opvarende schip moet aan het verlangen van het afvarende schip voldoen en dit op de volgende wijze bevestigen:

    • -. indien het ontmoeten bakboord op bakboord dient te geschieden moet het "één korte stoot" geven en bovendien het tonen van de tekens, bedoeld in artikel 6.04, derde lid, staken, of

    • -. indien het ontmoeten stuurboord op stuurboord dient te geschieden, moet het "twee korte stoten" geven en bovendien de tekens, bedoeld in artikel 6.04, derde lid, tonen.

  • 4 Zodra te vrezen is, dat de bedoeling van het afvarende schip door het opvarende schip niet is begrepen, moet het afvarende schip de bij het tweede lid voorgeschreven geluidsseinen herhalen.

Artikel 6.06. Ontmoeten van snelle schepen en andere schepen en van snelle schepen onder elkaar

De artikelen 6.04 en 6.05 zijn niet van toepassing op het ontmoeten van een snel schip en een ander schip, noch op het ontmoeten van snelle schepen onderling. Snelle schepen moeten onderling echter via marifoon het voorbijvaren afspreken.

Artikel 6.07. Ontmoeten in een engte

  • 1 Om ontmoeten in vakken of op plaatsen waar het vaarwater daarvoor niet voldoende ruimte biedt (engten) zoveel mogelijk te vermijden, zijn de volgende regels van toepassing:

    • a. een schip moet een engte zonder onnodig oponthoud doorvaren, met dien verstande evenwel, dat voorbijlopen verboden is;

    • b. indien het uitzicht beperkt is, moet een schip, alvorens een engte binnen te varen, "één lange stoot" geven. Zo nodig, in het bijzonder wanneer de engte lang is, moet het dit sein tijdens het doorvaren herhalen;

    • c. wanneer een opvarend schip constateert, dat een afvarend schip op het punt staat een engte binnen te varen, moet het beneden de engte stilhouden, totdat het afvarende schip deze is doorgevaren;

    • d. wanneer een opvarend samenstel een engte reeds is binnengevaren, moet een afvarend schip zo mogelijk boven de engte stilhouden, totdat het opvarende samenstel deze is doorgevaren. Hetzelfde geldt voor een alleenvarend afvarend schip ten opzichte van een alleenvarend opvarend schip.

  • 2 Ingeval het ontmoeten in een engte onvermijdelijk is geworden, moet een schip alle mogelijke maatregelen nemen om het ontmoeten op een zodanige plaats en onder zodanige omstandigheden te doen plaatsvinden, dat het gevaar tot een minimum wordt beperkt.

Artikel 6.08. Verbod tot ontmoeten door tekens langs de vaarweg

  • 1 Bij het naderen van door het teken A.4 (bijlage 7) aangeduide vakken is het ontmoeten en voorbijlopen verboden. Dit verbod kan tot een schip of een samenstel van een bepaalde lengte of breedte worden beperkt. In dat geval worden de lengte of de breedte op een rechthoekig wit teken aangeduid, dat onder het teken A.4 is bevestigd. Voor het overige zijn de voorschriften van artikel 6.07, eerste lid, van overeenkomstige toepassing.

  • 2 Indien de bevoegde autoriteit op een bepaald vak, teneinde ontmoeten te voorkomen, de scheepvaart afwisselend slechts in één richting toelaat, wordt:

    • -. het verbod de vaart te vervolgen aangeduid door een algemeen verbodsteken A.1 ( bijlage 7);

    • -. de toestemming de vaart te vervolgen aangeduid door een algemeen aanwijzingsteken E.1 ( bijlage 7).

    Al naar gelang van de omstandigheden ter plaatse kan het teken dat het verbod tot doorvaren aanduidt worden aangekondigd door het teken B.8 ( bijlage 7), gebruikt als waarschuwingsteken.

Artikel 6.09. Voorbijlopen: Algemene bepalingen

  • 1 Een schip mag een ander schip slechts voorbijlopen nadat het zich er van heeft vergewist, dat dit zonder gevaar kan geschieden.

  • 2 Het schip dat wordt opgelopen moet het voorbijlopen, voor zover nodig en mogelijk, vergemakkelijken. Het moet snelheid verminderen, indien dit nodig is om het voorbijlopen zonder gevaar en in zo korte tijd te doen geschieden, dat de andere scheepvaart daardoor niet wordt gehinderd.

Artikel 6.10. Voorbijlopen: Gedrag en seinen der schepen

  • 1 De oploper mag de opgelopene aan bakboord of aan stuurboord voorbijlopen. Indien voorbijlopen mogelijk is, zonder dat de opgelopene zijn koers wijzigt, geeft de oploper geen geluidsseinen om de aandacht van de opgelopene te trekken.

  • 2 Indien het voorbijlopen niet kan geschieden zonder dat de opgelopene zijn koers wijzigt, dan wel is te vrezen dat de opgelopene de bedoeling van de oploper om voorbij te lopen niet heeft begrepen, en deswege gevaar voor aanvaring bestaat, moet de oploper geven:

    • a. "twee lange stoten gevolgd door twee korte stoten", zo hij aan bakboord van de opgelopene wil voorbijlopen;

    • b. "twee lange stoten gevolgd door één korte stoot", zo hij aan stuurboord van de opgelopene wil voorbijlopen.

  • 3 De opgelopene die gevolg kan geven aan het verlangen van de oploper, moet aan de door deze gewenste zijde voldoende ruimte laten door zo nodig naar de andere zijde uit te wijken.

  • 4 Indien het voorbijlopen niet aan de door de oploper gewenste zijde, maar wel aan de andere zijde kan geschieden, moet de opgelopene geven:

    • a. "één korte stoot", zo het voorbijlopen aan zijn bakboordszijde mogelijk is;

    • b. "twee korte stoten", zo het voorbijlopen aan zijn stuurboordszijde mogelijk is.

    De oploper die onder deze omstandigheden nog wil voorbijlopen moet geven:

    • -. "twee korte stoten", in het geval onder a, of

    • -. "één korte stoot", in het geval onder b.

    De opgelopene moet dan voldoende ruimte laten aan de zijde waar het voorbijlopen moet geschieden door zo nodig naar de andere zijde uit te wijken.

  • 5 Indien het voorbijlopen zonder gevaar niet mogelijk is, moet de opgelopene "vijf korte stoten" geven.

Artikel 6.11. Verbod tot voorbijlopen door tekens langs de vaarweg

Onverminderd artikel 6.08, eerste lid, is voorbijlopen verboden:

  • a. in een vak van de vaarweg aangeduid door het teken A.2 ( bijlage 7);

  • b. tussen samenstellen onderling, in een vak van de vaarweg aangeduid door het teken A.3 ( bijlage 7).

Het verbod geldt evenwel niet ingeval het een duwstel betreft, waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer dan 110 m respectievelijk 12 m bedragen.

III. Andere vaarregels

Artikel 6.12. Varen in vakken waar de te volgen weg wordt voorgeschreven

In een vak van de vaarweg aangeduid door één der tekens B.1, B.2a, B.2b, B.3a, B.3b, B.4a of B.4b ( bijlage 7) moet een schip de weg volgen die door dat teken wordt kenbaar gemaakt.

Artikel 6.13. Keren

  • 1 Een schip mag slechts keren nadat het zich er van heeft vergewist dat, het tweede en derde lid in aanmerking genomen, dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat andere schepen worden genoodzaakt hun koers of hun snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen.

  • 2 Indien daardoor een ander schip zou worden genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen, moet het schip dat wil keren dit tijdig tevoren aankondigen door het geven van:

    • a. "één lange stoot gevolgd door één korte stoot", zo het over stuurboord wil keren, of

    • b. "één lange stoot gevolgd door twee korte stoten", zo het over bakboord wil keren.

  • 3 Het andere schip moet dan, voorzover nodig en mogelijk, zijn koers of zijn snelheid wijzigen om het keren zonder gevaar te kunnen doen geschieden.

  • 4 In een vak van de vaarweg aangeduid door het teken A.8 ( bijlage 7) is keren verboden.

    Is daarentegen een vak aangeduid door het teken E.8 ( bijlage 7), dan wordt daarmede aan de schipper aanbevolen aldaar te keren, waarbij dit artikel in acht genomen moet worden.

Artikel 6.14. Gedrag bij vertrek

Artikel 6.13 is eveneens van toepassing op een schip, met uitzondering van een veerpont, dat zijn ankerplaats of zijn ligplaats verlaat zonder te keren. In plaats van de bij het tweede lid van dat artikel vermelde seinen moet dit schip evenwel geven:

  • -. "één korte stoot", zo het stuurboord uitgaat, of

  • -. "twee korte stoten", zo het bakboord uitgaat.

Artikel 6.15. Verbod zich in de tussenruimten tussen de lengten van een sleep te begeven

Een schip mag zich niet in de tussenruimten tussen de lengten van een sleep begeven.

Artikel 6.16. In- en uitvaren van havens en van nevenvaarwegen

  • 1 Een schip mag slechts een haven of een nevenvaarweg uitvaren en een hoofdvaarwater invaren of oversteken, dan wel een haven of een nevenvaarwater invaren, nadat het zich er van heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat andere schepen worden genoodzaakt hun koers of hun snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen.

    Een afvarend schip, dat is genoodzaakt op te draaien om een haven of een nevenvaarweg in te varen, moet voorrang verlenen aan een opvarend schip dat eveneens deze haven of deze nevenvaarweg wil invaren.

    Nevenvaarwegen kunnen worden aangeduid door één der tekens E.9 of E.10 ( bijlage 7).

  • 2 2. Indien door één der in het eerste lid bedoelde manoeuvres een ander schip zou of kan worden genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen, moet het schip, met uitzondering van een veerpont, zijn manoeuvre tijdig aankondigen door het geven van:

    • -. "drie lange stoten gevolgd door één korte stoot", zo het vóór het invaren dan wel na het uitvaren stuurboord uit zal gaan;

    • -. "drie lange stoten gevolgd door twee korte stoten", zo het vóór het invaren dan wel na het uitvaren bakboord uit zal gaan;

    • -. "drie lange stoten", zo het na het uitvaren de vaarweg zal oversteken. Vóór het eind van het oversteken moet het schip zo nodig geven:

    • -. "één lange stoot gevolgd door één korte stoot, zo het stuurboord uit wil gaan, of

    • -. "één lange stoot gevolgd door twee korte stoten", zo het bakboord uit wil gaan.

    Het andere schip moet dan zo nodig zijn koers of zijn snelheid wijzigen.

  • 3 Indien bij de uitmonding van een haven of van een nevenvaarweg één der tekens B.9a of B.9b ( bijlage 7) is geplaatst, mag een schip, dat de haven of de nevenvaarweg uitvaart, de hoofdvaarweg slechts opvaren of oversteken, indien een ander schip daardoor niet wordt genoodzaakt zijn koers of zijn snelheid te wijzigen.

  • 4 Een rood licht, teken A.1 ( bijlage 7), in combinatie met een witte pijl ( bijlage 7, afdeling II, onder 2.c), betekent dat het invaren van de haven of de nevenvaarweg, gelegen in de richting die door de punt van de pijl wordt aangeduid, verboden is.

Artikel 6.17. Op gelijke hoogte varen; verbod een schip te naderen

  • 1 Een schip mag slechts met een ander schip op gelijke hoogte varen, indien de beschikbare ruimte dit zonder hinder of gevaar voor de scheepvaart toelaat.

  • 2 Behalve bij voorbijlopen of ontmoeten, mag een schip niet varen binnen een afstand van 50 m van een schip of samenstel, dat de tekens voorgeschreven bij artikel 3.14, tweede of derde lid, voert.

  • 3 Onverminderd artikel 1.20 mag een schip niet langszijde komen van een varend schip of een varend drijvend voorwerp, daaraan vastmaken of zich in het kielzog daarvan laten meevoeren zonder uitdrukkelijke toestemming van de schipper daarvan.

  • 4 Een persoon die waterskiet, dan wel die watersport bedrijft zonder gebruik te maken van een schip, moet voldoende afstand houden van een varend schip of drijvend voorwerp dan wel van een drijvend werktuig in bedrijf.

Artikel 6.18. Verbod om ankers, kabels of kettingen te laten slepen

  • 1 Een schip mag niet een anker, een kabel of een ketting laten slepen.

  • 2 Dit verbod geldt niet voor een schip dat zich laat drijven met toestemming van de bevoegde autoriteit, of zich over een geringe afstand verplaatst op ligplaatsen en op laad- en losplaatsen, alsmede op de reden. Het verbod geldt echter wel voor een schip dat zich verplaatst in een vak van de vaarweg aangeduid overeenkomstig artikel 7.03, eerste lid onder b, door het teken A.6 ( bijlage 7).

Artikel 6.19. Zich laten drijven

  • 1 Een schip mag zich niet met de stroom laten meedrijven, behoudens toestemming van de bevoegde autoriteit.

  • 2 Dit verbod geldt niet voor een schip dat zich over een geringe afstand verplaatst op ligplaatsen en op laad- en losplaatsen, alsmede op de reden.

  • 3 Een schip dat afvaart met kop op stroom, en met vooruitwerkende middelen tot voortbeweging, wordt beschouwd als een opvarend schip en niet als een schip dat zich met de stroom laat meedrijven.

Artikel 6.20. Hinderlijke waterbeweging

  • 1 Een schip moet zijn snelheid zodanig regelen, dat hinderlijke waterbeweging waardoor schade aan een varend of stilliggend schip of drijvend voorwerp of aan een kunstwerk zou kunnen worden veroorzaakt wordt vermeden. Het moet tijdig zijn snelheid verminderen, echter niet beneden die, nodig voor het veilig sturen:

    • a. voor een havenmond;

    • b. in de nabijheid van een schip dat gemeerd is aan de oever of aan een ontschepingsplaats dan wel dat wordt geladen of gelost;

    • c. in de nabijheid van een schip dat op een gebruikelijke ligplaats stilligt;

    • d. in de nabijheid van een niet-vrijvarende veerpont;

    • e. in een vak van de vaarweg, aangeduid door het teken A.9 ( bijlage 7).

  • 2 Onverminderd artikel 1.04 geldt het eerste lid, tweede volzin, onder b en c, niet ten opzichte van een klein schip.

  • 3 Een schip moet bij het voorbijvaren van een schip, dat de tekens, voorgeschreven bij artikel 3.25, eerste lid onder c, voert en bij het voorbijvaren van schepen, drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen, die de tekens, voorgeschreven bij artikel 3.29, eerste lid, voeren, zijn snelheid verminderen, zoals bij het eerste lid is voorgeschreven. Het moet bovendien zo ver mogelijk daarvan verwijderd blijven.

Artikel 6.21. Samenstelling van samenstellen

  • 1 Een motorschip dat zorgt voor de voortbeweging van een samenstel moet een vermogen hebben dat voldoende is om de goede manoeuvreerbaarheid daarvan te verzekeren.

  • 2 Behalve bij werkzaamheden, of bij het bieden van hulp aan een in nood verkerend schip, mag een motorschip slechts worden gebruikt om te slepen, te duwen of voor de voortbeweging van een gekoppeld samenstel te dienen, voor zover zulks is vermeld in het certificaat van onderzoek.

    Het motorschip dat hoofdzakelijk voor het voortbewegen van een gekoppeld samenstel dient moet zich aan stuurboordszijde van dit samenstel bevinden. Wanneer echter één of meer duwbakken gekoppeld worden voortbewogen, mag één hiervan zich aan stuurboordszijde van het samenstel bevinden.

  • 3 Een passagiersschip dat passagiers aan boord heeft mag niet gekoppeld varen. Het mag niet slepen of zich laten slepen, behalve ingeval het verhalen van een beschadigd schip zulks noodzakelijk maakt.

Artikel 6.22. Stremming van de scheepvaart en buiten gebruik gestelde gedeelten

  • 1 Indien de bevoegde autoriteit door een algemeen teken A.1 ( bijlage 7) te kennen geeft dat de scheepvaart is gestremd, moet een schip vóór dit teken stilhouden.

  • 2 Op gedeelten van de vaarweg waar het teken:

    • a. A.1a (bijlage 7) is geplaatst, mag een schip met uitzondering van een klein schip zonder motor niet varen;

    • b. A.12 (bijlage 7) is geplaatst, mag een motorschip niet varen.

Artikel 6.22a. Voorbijvaren van drijvende werktuigen in bedrijf en van vastgevaren of gezonken schepen ( Bijlage 3: schets 50a, 50b, 52)

Het is verboden om een schip bedoeld in artikel 3.25 voorbij te varen aan de zijde waar het toont:

IV. veerponten

Artikel 6.23. Vaarregels voor veerponten

  • 1 Een veerpont mag de vaarweg slechts oversteken, nadat hij zich er van heeft vergewist dat dit zonder gevaar kan geschieden en zonder dat andere schepen worden genoodzaakt hun koers of hun snelheid plotseling en in sterke mate te wijzigen.

  • 2 Voorts moet een niet-vrijvarende veerpont de volgende bepalingen in acht nemen:

    • a. indien de veerpont buiten dienst is, moet hij ligplaats nemen op de door de bevoegde autoriteit toegewezen plaats. Ingeval geen ligplaats is toegewezen, moet hij zodanig ligplaats nemen, dat het vaarwater vrij blijft;

    • b. indien de langskabel van een veerpont het vaarwater kan versperren, mag de veerpont aan de zijde van het vaarwater, gelegen tegenover het punt van verankering van de kabel, slechts ligplaats nemen, zolang dit volstrekt noodzakelijk is voor het van boord gaan en het aan boord komen van passagiers. Gedurende deze tijd mag een naderend schip door het tijdig geven van "één lange stoot" het vrijmaken van het vaarwater verlangen;

    • c. de veerpont mag zich niet langer in het vaarwater bevinden dan voor het uitoefenen van de dienst nodig is.

V. Doorvaren van bruggen, stuwen en sluizen

Artikel 6.24. Doorvaren van bruggen en stuwen; algemene bepalingen

  • 1 De doorvaartopening van een brug of van een stuw, waar het vaarwater niet voldoende ruimte biedt voor de gelijktijdige doorvaart van twee schepen, is een engte zoals bedoeld in artikel 6.07.

  • 2 Indien bij de doorvaartopening van een brug of van een stuw wordt getoond:

    • a. het teken A.10 ( bijlage 7), mag een schip in deze doorvaartopening niet varen buiten de begrenzing, aangeduid door de twee borden die dit teken vormen;

    • b. het teken D.2 ( bijlage 7), wordt aanbevolen in deze opening uitsluitend te varen binnen de begrenzing, aangeduid door de twee borden die dit teken vormen.

Artikel 6.25. Doorvaren van vaste bruggen

  • 1 Een schip mag niet varen door de doorvaartopening van een vaste brug waarboven een algemeen verbodsteken A.1 ( bijlage 7) wordt getoond.

  • 2 Indien boven een doorvaartopening van een vaste brug wordt getoond:

    • a. het teken D.1a ( bijlage 7), of

    • b. het teken D.1b ( bijlage 7), wordt aanbevolen bij voorkeur van deze doorvaartopening gebruik te maken.

    Ingeval van het teken onder a is de doorvaart vrij uit beide richtingen, ingeval van het teken onder b is de doorvaart uit de tegenovergestelde richting verboden.

  • 3 Indien een doorvaartopening van een vaste brug is aangeduid overeenkomstig het tweede lid, mag de scheepvaart slechts op eigen risico gebruik maken van de niet door een teken aangeduide opening.

Artikel 6.26. Doorvaren van schipbruggen

Onverminderd de artikelen 6.07, 6.08 en 6.24 gelden voor het doorvaren van een schipbrug de volgende bepalingen:

  • a. een alleenvarend motorschip in afvaart, met uitzondering van een klein schip, mag een alleenvarend motorschip binnen een afstand van 1 km boven de schipbrug niet voorbijlopen. Alle andere schepen mogen elkaar binnen een afstand van 2 km boven de schipbrug niet voorbijlopen;

  • b. een schip mag bij het doorvaren van de schipbrug niet sneller varen dan voor een veilige besturing noodzakelijk is en het moet zoveel mogelijk het midden van de doorvaartopening houden;

  • c. een opvarend schip mag binnen een afstand van 100 m beneden de schipbrug niet stilhouden;

  • d. een schip mag geen ankers uitzetten, kettingen laten slepen, trossen laten vieren, aan de oever meren of door welke andere handeling ook schade veroorzaken aan de verankeringen van de schipbrug.

Artikel 6.27. Doorvaren van stuwen

  • 1 Een schip mag niet door een opening van een stuw varen, waarbij een algemeen teken A.1 ( bijlage 7) wordt getoond.

  • 2 Een schip mag slechts door een opening van een stuw varen indien aan de rechter- en linkerzijde van deze opening een algemeen aanwijzingsteken E.1 ( bijlage 7) wordt getoond.

Artikel 6.28. Doorvaren van sluizen

  • 1 Bij het naderen van een wachtplaats van een sluis moet een schip snelheid verminderen.

    Het moet ingeval het de sluis niet onmiddellijk mag of wil invaren en op de oever het teken B.5 ( bijlage 7) wordt getoond, vóór dit teken stilhouden.

  • 2 Op een wachtplaats van een sluis en in een sluis moet een schip, dat uitgerust is met een marifooninstallatie welke voorzien is van de kanalen voor de nautische informatie, uitluisteren op het kanaal van de sluis.

  • 3 Het schutten geschiedt in volgorde van aankomst op de wachtplaatsen.

    Een klein schip kan niet verlangen afzonderlijk te worden geschut. Het mag de sluis pas invaren op aanwijzing van het sluispersoneel. Een klein schip, dat tezamen met andere schepen wordt geschut, mag de sluis echter eerst invaren na deze andere schepen.

  • 4 Bij het naderen van een sluis, in het bijzonder op de wachtplaats, mag een schip een ander schip niet voorbijlopen.

  • 5 In een sluis moet een schip zijn ankers geheel voorhalen. Dezelfde verplichting geldt op een wachtplaats, voor zover de ankers niet worden gebruikt.

  • 6 Bij het invaren van een sluis moet een schip zoveel snelheid verminderen als nodig is om stoten tegen de sluisdeuren of de beschermingsinrichtingen dan wel tegen andere schepen of drijvende voorwerpen te vermijden.

  • 7 In een sluis:

    • a. moet een schip, indien stopstrepen op de sluismuren zijn aangebracht, binnen de daardoor aangegeven grenzen ligplaats nemen;

    • b. moet tijdens het vullen en het ledigen van de sluiskolk, totdat het uitvaren van de sluis wordt toegestaan, een schip zodanig zijn gemeerd en moet het zijn meerdraden zodanig vieren of doorhalen, dat het niet tegen de sluismuren, de sluisdeuren of de beschermingsinrichtingen dan wel andere schepen of drijvende voorwerpen kan stoten;

    • c. mag een schip slechts voorwerpen die, voor zover zij afneembaar zijn, niet kunnen zinken als wrijfhout gebruiken;

    • d. mogen een schip en een drijvend voorwerp geen water op het sluisterrein dan wel op andere schepen of drijvende voorwerpen storten of laten vloeien;

    • e. mag een schip, zodra het is gemeerd en totdat het uitvaren van de sluis wordt toegestaan, geen gebruik maken van zijn mechanische middelen tot voortbeweging;

    • f. moet een klein schip op enige afstand ligplaats nemen van een ander schip.

  • 8 Op de wachtplaats van een sluis en in een sluis moet een schip een zijwaartse afstand van ten minste 10 m in acht nemen ten opzichte van een schip of een samenstel dat het teken, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert. Deze verplichting geldt evenwel niet voor een schip of een samenstel dat eveneens dit teken voert, alsmede voor een schip bedoeld in artikel 3.14, zevende lid.

  • 10 Een schip of een samenstel dat het teken, bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, voert, wordt niet tegelijk met een passagiersschip geschut.

  • 11 Bij het naderen van een wachtplaats van een sluis, tijdens het schutten en bij het verlaten van de sluis moet een snel schip zijn snelheid zodanig verminderen, dat elke schade aan de sluis, aan andere schepen of drijvende werktuigen, alsmede elk gevaar voor personen aan boord van andere schepen of drijvende werktuigen dan wel aan de wal, ten gevolge van hinderlijke waterbeweging wordt vermeden.

  • 12 Het sluispersoneel kan, teneinde de veiligheid of de goede orde van de scheepvaart, dan wel het zonder oponthoud doorvaren van de sluis en het doelmatig gebruik daarvan te verzekeren, verkeersaanwijzingen geven waarbij dit artikel wordt aangevuld, dan wel daarvan wordt afgeweken.

    Een schip in de sluis en op de wachtplaats daarvan is verplicht aan deze verkeersaanwijzingen gevolg te geven.

Artikel 6.28a. In- en uitvaren van sluizen

  • 1 Het invaren van een sluis wordt zowel des nachts als des daags geregeld door tekens die aan één zijde of aan weerszijden van de invaartopening worden getoond. Deze tekens betekenen:

    • a. twee rode lichten boven elkaar:

      het invaren is verboden, de sluis wordt niet bediend;

    • b. één rood licht of twee rode lichten naast elkaar:

      het invaren is verboden, de sluis is gesloten;

    • c. het doven van één der twee naast elkaar getoonde rode lichten, dan wel een rood licht en een groen licht naast elkaar:

      het invaren is verboden, de sluis zal aanstonds worden geopend;

    • d. één groen licht of twee naast elkaar getoonde groene lichten:

      het invaren is toegestaan.

  • 2 Het uitvaren van een sluis wordt zowel des nachts als des daags geregeld door de volgende tekens:

    • a. één rood licht of twee rode lichten:

      het uitvaren is verboden;

    • b. één groen licht of twee groene lichten:

      het uitvaren is toegestaan.

  • 3 Het rode licht of de rode lichten, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden vervangen door het bord van teken A.1 ( bijlage 7).

    Het groene licht of de groene lichten, bedoeld in het eerste en tweede lid, kunnen worden vervangen door het bord van teken E.1 ( bijlage 7).

  • 4 Bij het ontbreken van lichten of andere tekens mag een schip een sluis slechts in- en uitvaren na een verkeersaanwijzing door het sluispersoneel.

Artikel 6.29. Schutting bij voorrang

In afwijking van artikel 6.28, derde lid, hebben recht op schutting bij voorrang:

  • a. schepen van de bevoegde autoriteit, alsmede brandweer-, politie- en douaneboten van de Oeverstaten, die in verband met spoedeisende redenen van dienstvervulling onderweg zijn;

  • b. schepen waaraan de bevoegde autoriteit dat recht uitdrukkelijk heeft verleend.

VI. Slecht zicht; gebruik van radar

Artikel 6.30. Alle varende schepen bij slecht zicht

  • 1 Bij slecht zicht moeten alle schepen gebruik maken van radar.

  • 2 Elk schip moet bij slecht zicht een snelheid aanhouden die is aangepast aan de mate van beperking van het zicht, aan de aanwezigheid en de bewegingen van andere schepen en aan de plaatselijke omstandigheden. Het moet aan de andere schepen de voor de veiligheid van de scheepvaart noodzakelijke inlichtingen geven.

  • 3 Een schip moet bij het gaan stilliggen bij slecht zicht de vaargeul zoveel mogelijk vrij maken.

  • 4 Een klein schip mag bij slecht zicht slechts varen indien het op kanaal 10 of op het daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen andere kanaal uitluistert.

  • 5 Een schip en een samenstel, die geen gebruik van radar kunnen maken, moeten bij slecht zicht onverwijld een ligplaats opzoeken.

Artikel 6.31. Stilliggende schepen

  • 1 Een schip dat in de vaargeul of in de nabijheid daarvan stilligt moet bij slecht zicht op de marifoon uitluisteren. Zodra het via de marifoon hoort dat andere schepen naderen dan wel zodra en zolang het van een naderend schip het geluidssein, voorgeschreven bij artikel 6.32, tweede lid, onder d, of artikel 6.33, onder b, hoort, moet het via de marifoon zijn positie opgeven.

  • 2 Een schip als bedoeld in het eerste lid, dat geen gebruik van marifoon kan maken moet, zodra en zolang het van een naderend schip het geluidssein, voorgeschreven bij artikel 6.32, tweede lid, onder d, of artikel 6.33, onder b, hoort, als mistsein «één reeks klokslagen» geven. Het schip moet dit sein herhalen met tussenpozen van ten hoogste één minuut.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op andere schepen van een duwstel dan de duwboot. Bij een gekoppeld samenstel zijn zij slechts op één schip van het samenstel van toepassing.

Artikel 6.32. Op radar varende schepen

  • 1 Een schip mag slechts op radar varen indien een persoon die houder is van een Rijnpatent of een vaarbevoegdheidsbewijs dat volgens het Reglement betreffende het scheepvaartpersoneel op de Rijn is afgegeven, toegelaten of als gelijkwaardig erkend en dit geldt voor het te bevaren riviergedeelte, alsmede van een radargetuigschrift dat is afgegeven of als gelijkwaardig erkend volgens dit reglement, en een tweede persoon die met deze wijze van varen voldoende op de hoogte is, zich voortdurend in de stuurhut bevinden. Indien in het certificaat van onderzoek is aangetekend dat het schip is uitgerust met een éénmansstuurstelling voor het varen op radar, behoeft de tweede persoon zich niet voortdurend in de stuurhut te bevinden.

  • 2 Bij het ontmoeten en het voorbijvaren moeten de volgende bepalingen in acht worden genomen:

    • a. een in opvaart op radar varend schip moet, zodra het op het scherm tegemoet komende schepen bemerkt dan wel het een vak van de vaarweg nadert waar zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet op het scherm te zien zijn, per marifoon aan die schepen zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven en met hen het voorbijvaren afspreken;

    • b. een in afvaart op radar varend schip echter dat op het scherm een schip bemerkt, waarvan de positie of het gedrag tot een gevaarlijke situatie zou kunnen leiden en dat zich via de marifoon niet heeft gemeld, moet via de marifoon dit schip op de gevaarlijke situatie wijzen en het voorbijvaren afspreken;

    • c. elk op radar varend schip dat via de marifoon wordt opgeroepen moet per marifoon antwoorden en zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven. Het moet dan met de tegemoet komende schepen het voorbijvaren afspreken; een klein schip mag evenwel slechts aangeven naar welke zijde het uitwijkt;

    • d. Wanneer met de van de andere kant komende schepen geen marifooncontact tot stand komt moet het op radar varend schip:

      • «één lange stoot» geven en dit sein zo dikwijls als nodig is herhalen, en

      • de snelheid verminderen en zo nodig stilhouden.

    Dit geldt eveneens voor elk op radar varend schip dat met een schip, dat in of in de nabijheid van de vaargeul stilligt, geen marifooncontact tot stand kan brengen.

  • 3 Het eerste en het tweede lid gelden ingeval van een duwstel en een gekoppeld samenstel alleen voor het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.

Artikel 6.33. Niet op radar varende schepen

Een schip en een samenstel, die geen gebruik van radar kunnen maken en die een ligplaats moeten opzoeken, moeten tijdens de vaart naar deze ligplaats de volgende bepalingen in acht nemen:

  • a. zij moeten zoveel mogelijk de zijde van de vaargeul aanhouden;

  • b. een alleenvarend schip en een schip aan boord waarvan zich de schipper van een samenstel bevindt, moeten als mistsein «één lange stoot» geven. Dit sein moet worden herhaald met tussenpozen van ten hoogste een minuut. Het moet voorop een uitkijk hebben, die zich of binnen gezichts- of gehoorsafstand van de schipper bevindt of een spreekverbinding met hem heeft. Bij een samenstel behoeft alleen het voorste schip een uitkijk te hebben;

  • c. zodra het schip via marifoon door een ander schip wordt aangeroepen, moet het per marifoon antwoorden en zijn categorie, zijn naam, zijn vaarrichting en zijn positie opgeven en aangeven dat het niet op radar vaart en op weg is naar een ligplaats. Het moet daarna met het andere schip het voorbijvaren afspreken;

  • d. zodra het schip het mistsein van een ander schip hoort, waarmee geen marifooncontact tot stand komt, moet het:

    • indien het zich in de nabijheid van een oever bevindt, deze oever aanhouden en daar, zo nodig, gaan stilliggen, totdat het voorbijvaren heeft plaatsgevonden;

    • indien het zich niet in de nabijheid van een oever bevindt, de vaargeul zoveel mogelijk en zo snel mogelijk vrijmaken.

Artikel 6.34. Bepalingen voor niet op radar varende schepen die het drietonige sein horen [Vervallen per 01-04-2006]

Hoofdstuk 7. Regels voor het ligplaats nemen

Artikel 7.01. Algemene beginselen voor het ligplaats nemen

  • 1 Onverminderd de overige bepalingen van dit reglement moeten een schip en een drijvend voorwerp hun ligplaats zo dicht bij de oever kiezen als hun diepgang en de plaatselijke omstandigheden veroorloven en in ieder geval zodanig, dat de scheepvaart niet wordt belemmerd.

  • 2 Waar de scheepvaart ten gevolge van de gesteldheid van het vaarwater minder dan 40 m uit de oever moet varen, mag slechts één rij schepen langs de oever ligplaats nemen.

  • 3 Onverminderd de door de bevoegde autoriteit opgelegde bijzondere voorwaarden, moeten drijvende inrichtingen een zodanige ligplaats innemen, dat het vaarwater vrij blijft voor de scheepvaart.

  • 4 Een schip, een samenstel en een drijvend voorwerp die stilliggen, zomede een drijvende inrichting, moeten zodanig zijn verankerd of gemeerd, dat zij door verandering van hun positie geen gevaar of hinder voor andere schepen kunnen vormen, waarbij met name rekening moet worden gehouden met wind en verandering van de waterstand, alsmede met zuiging en golfslag.

Artikel 7.02. Ligplaats nemen

  • 1 Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen geen ligplaats nemen:

    • a. op een gedeelte van de vaarweg waar bij algemene regeling het ligplaats nemen is verboden;

    • b. in een vak aangewezen door de bevoegde autoriteit;

    • c. in een vak aangeduid door het teken A.5 ( bijlage 7), waarbij het verbod van toepassing is aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht;

    • d. onder een brug of onder een hoogspanningslijn;

    • e. in een engte zoals bedoeld in artikel 6.07 en in de nabijheid daarvan, en in een vak waar als gevolg van het stilliggen een engte zou ontstaan en in de nabijheid daarvan;

    • f. waar in de vaarweg een andere vaarweg, daaronder begrepen een haven, uitmondt;

    • g. in het traject van een veerpont;

    • h. in de route van schepen die aan een aanlegplaats willen aanleggen of van daar vertrekken;

    • i. op plaatsen om te keren, aangeduid door het teken E.8 ( bijlage 7);

    • k. evenwijdig aan een schip dat het bord bedoeld in artikel 3.33 voert, binnen de afstand die op de witte driehoek van dit bord in meters is aangegeven;

    • l. in een door het teken A.5.1 (bijlage 7) aangeduid vak, waarvan de breedte op het teken in meters is aangegeven. De breedte is vanaf het teken te rekenen.

  • 2 Op een gedeelte van de vaarweg waar het ligplaats nemen is verboden ingevolge het eerste lid, onder a tot en met d, mogen schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen evenwel ligplaats nemen op de bijzondere ligplaatsen, aangeduid door één der tekens E.5 tot en met E.7 ( bijlage 7), met inachtneming van de artikelen 7.03 tot en met 7.06.

Artikel 7.03. Ankeren

  • 1 Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting, mogen niet ankeren:

    • a. op een gedeelte van de vaarweg waar bij algemene regeling ankeren is verboden;

    • b. in een vak aangeduid door het teken A.6 ( bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.

  • 2 Op een gedeelte van de vaarweg waar ankeren ingevolge het eerste lid, onder a, is verboden, mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting evenwel ankeren, in een vak aangeduid door het teken E.6 ( bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.

Artikel 7.04. Meren

  • 1 Een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting mogen niet aan de oever meren:

    • a. op een gedeelte van de vaarweg waar bij algemene regeling meren is verboden;

    • b. in een vak aangeduid door het teken A.7 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.

  • 2 Op een gedeelte van de vaarweg waar het meren aan de oever ingevolge het eerste lid, onder a, is verboden, mogen een schip, een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting evenwel meren in een vak aangeduid door één der tekens E.7 of E.7.1 (bijlage 7), aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.

  • 3 Het is verboden bij meren of verhalen gebruik te maken van bomen, relingen, palen, perceelsafscheidingen, zuilen, metalen ladders, leuningen enz.

Artikel 7.05. Ligplaatsen

  • 1 Op een ligplaats aangeduid door het teken E.5 ( bijlage 7) mogen een schip en een drijvend voorwerp slechts ligplaats nemen aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht.

  • 2 Op een ligplaats aangeduid door het teken E.5.1 ( bijlage 7) mogen een schip en een drijvend voorwerp slechts ligplaats nemen binnen de afstand te rekenen vanaf het teken die daarop in meters is aangegeven.

  • 3 Op een ligplaats aangeduid door het teken E.5.2 ( bijlage 7) mogen een schip en een drijvend voorwerp slechts ligplaats nemen tussen de beide afstanden, te rekenen vanaf het teken, die daarop in meters zijn aangegeven.

  • 4 Op een ligplaats aangeduid door het teken E.5.3 ( bijlage 7) mogen aan de zijde van de vaarweg waar het teken is aangebracht niet meer schepen en drijvende voorwerpen naast elkaar ligplaats nemen dan op het teken in Romeinse cijfers is aangegeven.

Artikel 7.06. Gereserveerde ligplaatsen

  • 1 Op een ligplaats aangeduid door één der tekens E.5.4 tot en met E.5.15 ( bijlage 7) mag slechts een schip ligplaats nemen dat behoort tot de categorie, waarop het teken van toepassing is.

  • 2 Op de ligplaatsen moeten de schepen, indien geen andere voorschriften zijn vastgesteld, langszijde van elkaar en zo dicht mogelijk bij de oever aan de zijde van de vaarweg, waar het teken is aangebracht, ligplaats nemen.

Artikel 7.07. Minimum afstanden bij vervoer van gevaarlijke stoffen tijdens het stilliggen

  • 1 Bij het ligplaats nemen moeten een schip, een duwstel en een gekoppeld samenstel ten opzichte van een ander schip, duwstel of gekoppeld samenstel de volgende minimum afstanden in acht nemen:

  • 2 De verplichting bedoeld in het eerste lid, onder a, geldt niet:

    • a. voor een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat eveneens dit teken voert;

    • b. voor een schip, duwstel of gekoppeld samenstel dat dit teken niet voert, maar dat voorzien is van een certificaat van goedkeuring bedoeld in het ADN, nr. 8.1.8, en dat voldoet aan de veiligheidsvoorschriften die gelden voor een schip bedoeld in artikel 3.14, eerste lid.

  • 3 De bevoegde autoriteit kan voor het ligplaats nemen in bijzondere gevallen uitzonderingen toestaan.

Artikel 7.08. Bewaking en toezicht

  • 1 Aan boord van een stilliggend schip dat een teken of tekens moet voeren, bedoeld in artikel 3.14, moet zich voortdurend een terzake kundige bewaker bevinden. De bevoegde autoriteit kan echter aan een schip, dat in een haven stilligt, van deze verplichting ontheffing verlenen.

  • 2 Aan boord van een stilliggend passagiersschip waarop passagiers aanwezig zijn, moet zich voortdurend een terzake kundige bewaker bevinden.

  • 3 Een ander stilliggend schip, alsmede een drijvend voorwerp en een drijvende inrichting die stilliggen, moeten zijn gesteld onder het toezicht van een persoon die zo nodig snel kan ingrijpen, tenzij het toezicht door de plaatselijke omstandigheden niet vereist wordt of de bevoegde autoriteit een uitzondering toestaat.

  • 4 Is er geen schipper dan is de eigenaar, de reder of andere exploitant voor de inzet van de bewaker dan wel voor het onder toezicht stellen van het schip verantwoordelijk.

Hoofdstuk 8. Aanvullende bepalingen

Artikel 8.01. Slepen van en door een duwstel

  • 1 Het is verboden een duwstel te slepen. Duwstellen mogen evenwel gesleept worden bij buitengewone plaatselijke omstandigheden, wanneer de scheepvaart daarvan geen hinder ondervindt.

  • 2 Een duwstel mag geen sleepdienst verrichten.

    Een duwstel mag echter wel sleepdienst verrichten:

    • - in opvaart, ingeval zijn grootste lengte en grootste breedte minder zijn dan 110 m respectievelijk 12 m,

    • - in afvaart, ingeval zijn grootste lengte en grootste breedte minder zijn dan 86 m respectievelijk 12 m, en wanneer dit bovendien is vermeld in het certificaat van onderzoek van de duwboot.

    Het samenstel, gevormd door een duwstel dat sleepdienst verricht, is een sleep zoals bedoeld in artikel 1.01, onder d; het duwstel is in dat geval gelijkgesteld met een motorschip aan de kop van een sleep.

Artikel 8.02. Duwstellen met andere schepen dan duwbakken

Een duwstel mag geen andere schepen dan duwbakken bevatten, tenzij in het certificaat van onderzoek van de duwboot en het schip dat wordt geduwd uitdrukkelijk anders is vermeld.

Artikel 8.03. Duwstellen met zeeschipbakken

  • 1 Een zeeschipbak mag slechts aan de kop van een duwstel worden geplaatst, indien:

    • a. het een zeeschipbak betreft die is voorzien van een kopbak, of

    • b. de zeeschipbak een ingericht voorschip heeft, of

    • c. de zeeschipbak naast een normale duwbak is gekoppeld en er een verschil is van tenminste 1 m tussen de wateroppervlakte en het laagste punt waarboven de zeeschipbak niet meer als waterdicht kan worden beschouwd.

  • 2 De kop van een duwstel als bedoeld in het eerste lid moet zijn voorzien van ankers die in overeenstemming zijn met het Reglement onderzoek schepen op de Rijn.

  • 3 De bevoegde autoriteit kan voor korte afstanden, op de gekanaliseerde Rijn, alsmede op het Grand Canal d’Alsace, voor duwstellen met een grootste lengte van 86 m met ten hoogste twee zeeschipbakken uitzonderingen toestaan.

Artikel 8.04. Verplaatsen van duwbakken buiten het verband van een duwstel

Het verplaatsen van een duwbak buiten het verband van een duwstel mag slechts geschieden:

  • a. langszijde vastgemaakt en gesleept voorzover dit is vermeld in het certificaat van onderzoek van de duwbak en van het schip dat voor de voortbeweging zorgt;

  • b. over korte afstanden bij het samenstellen of het ontbinden van een duwstel, overeenkomstig de door de bevoegde autoriteit gegeven voorschriften dan wel met haar toestemming.

Artikel 8.05. Koppelingen van duwstellen

  • 1 De koppelingen van een duwstel moeten de hechtheid daarvan verzekeren.

  • 2 Het koppelen en het ontkoppelen moeten op eenvoudige en gemakkelijke wijze kunnen geschieden.

  • 3 De spanning op de koppelingen moet gelijk worden gehouden door geschikte inrichtingen, bij voorkeur door speciale lieren.

  • 4 De koppelingen van een duwstel, waarvan de grootste breedte niet meer bedraagt dan 12 m en dat is samengesteld uit een duwend en een geduwd schip, voldoen aan het eerste lid indien deze bestaan uit een door een Commissie van Deskundigen goedgekeurd systeem dat een beheerst knikken van het duwstel mogelijk maakt.

Artikel 8.06. Telefoonverbinding aan boord van samenstellen

  • 1 Indien de lengte van een duwstel meer dan 110 m bedraagt, moet er een in twee richtingen werkende telefoonverbinding bestaan tussen de duwboot en de kop van het duwstel.

  • 2 Indien een duwstel door twee duwboten naast elkaar wordt voortbewogen, moet er een in twee richtingen werkende telefoonverbinding bestaan tussen de stuurhutten van de beide duwboten.

  • 3 Bij een gekoppeld samenstel bestaande uit twee motorschepen moet er een in twee richtingen werkende telefoonverbinding bestaan tussen de stuurhutten van de beide schepen.

  • 4 Bij een sleep moet er een telefoonverbinding bestaan tussen de stuurstellingen van alle schepen.

  • 5 Als telefoonverbinding mag het marifoonkanaal voor het schip - - schipverkeer niet worden gebruikt.

Artikel 8.07. Verplaatsing van personen aan boord van duwstellen

Personen aan boord van een duwstel moeten zich gemakkelijk en zonder gevaar kunnen verplaatsen. Bovendien moeten openingen die zouden kunnen ontstaan tussen de schepen van een duwstel zijn voorzien van geschikte beschermingsinrichtingen.

Artikel 8.08. Samenstellen van slepen

  • 1 De tussenruimte tussen het motorschip aan de kop van een sleep en de eerste gesleepte lengte mag niet meer dan 120 m bedragen. In een opvarende sleep die slechts één gesleepte lengte bevat, waarvan het laadvermogen meer dan 600 ton bedraagt, mag deze tussenruimte evenwel worden vergroot tot 200 m.

  • 2 De tussenruimte tussen twee gesleepte lengten mag niet meer bedragen dan 100 m.

  • 3 De tussenruimte tussen twee motorschepen aan de kop van een sleep mag niet meer bedragen dan 120 m.

Artikel 8.09. "Blijf weg"-sein

  • 1 Bij een gebeurtenis of een ongeval waardoor een vervoerde gevaarlijke stof zou kunnen vrijkomen moet, indien de bemanning niet in staat is de daaruit voor personen of voor de scheepvaart voortvloeiende gevaren op te heffen, het "blijf weg"-sein worden gegeven voor:

    Dit voorschrift geldt niet voor duwbakken en andere schepen niet zijnde motorschepen.

    Wanneer deze evenwel deel uitmaken van een samenstel, moet het "blijf weg"-sein worden gegeven door het schip aan boord waarvan zich de schipper van het samenstel bevindt.

  • 2 Het "blijf weg"-sein bestaat uit een geluids- en een lichtsein.

    Het geluidssein bestaat uit een gedurende ten minste 15 achtereenvolgende minuten voortdurend herhalen van "één korte stoot", gevolgd door "één lange stoot". Gelijktijdig met het geluidssein moet het lichtsein bedoeld in artikel 4.01, tweede lid, worden getoond.

    Het "blijf weg"-sein moet na ingeschakeld te zijn automatisch blijven functioneren. Het bedieningsmechanisme moet zodanig zijn uitgevoerd, dat het sein niet ongewild in werking kan treden.

  • 3 De schepen die het "blijf weg"-sein waarnemen moeten alle maatregelen nemen, die nuttig zijn om het dreigende gevaar te vermijden. In het bijzonder moeten zij:

    • a. indien zij in de richting van het gevaarsgebied varen, zich zo ver mogelijk hiervan verwijderd houden en zo nodig keren;

    • b. indien zij het gevaarsgebied reeds zijn gepasseerd, hun weg met een zo groot mogelijke snelheid vervolgen.

  • 4 Aan boord van de schepen, bedoeld in het derde lid, dient men onmiddellijk alle vensters alsmede alle openingen naar buiten te sluiten, alle niet afgeschermde lichten en vuren te doven, niet meer te roken, de hulpmotoren, waarvan het inwerking-zijn niet noodzakelijk is, af te zetten, en in het algemeen elke vorming van vonken te vermijden. Ingeval het schip ligplaats gaat nemen, moeten alle motoren en hulpmotoren, die dan nog in werking zijn, worden afgezet.

  • 5 Het vierde lid is eveneens van toepassing op schepen, die in de nabijheid van het gevaarsgebied stilliggen, wanneer zij het "blijf weg"-sein waarnemen. Zonodig moet men het schip verlaten.

  • 6 Bij het nemen van de in het derde tot en met het vijfde lid bedoelde maatregelen moet rekening worden gehouden met de stroom en de windrichting.

  • 7 De schepen moeten de maatregelen, bedoeld in het derde tot en met het zesde lid, eveneens nemen, wanneer het "blijf weg"-sein vanaf de oever wordt gegeven.

  • 8 De schippers van schepen die het "blijf weg"-sein waarnemen moeten daarvan voor zover mogelijk onverwijld kennis geven aan de dichtsbijzijnde bevoegde autoriteit.

Artikel 8.10. Veiligheid aan boord van schepen die meer dan 12 passagiers mogen vervoeren

Voor schepen die meer dan 12 passagiers mogen vervoeren en laten overnachten geldt:

  • a. Aan boord moet zich een veiligheidsrol bevinden, waarin de instructies voor de bemanning en het personeel staan ingeval van nood. Bovendien moeten gedragsregels voor de passagiers ingeval van lek raken, brand en het verlaten van het schip aanwezig zijn. De veiligheidsrol en de gedragsregels moeten op verscheidene zich daartoe lenende plaatsen worden opgehangen;

  • b. de bemanning en het personeel moeten op de hoogte zijn van de inhoud van de onder a genoemde veiligheidsrol en regelmatig over hun taken geïnstrueerd worden;

  • c. gedurende de aanwezigheid van passagiers aan boord moeten alle nooduitgangen volledig vrij van hindernissen zijn. De deuren en nooduitgangen van de vluchtwegen moeten van beide zijden gemakkelijk te openen zijn;

  • d. bij het begin van iedere vaartocht die langer duurt dan één dag moeten de passagiers veiligheidsinstructies krijgen;

  • e. zolang er zich passagiers aan boord bevinden moet des nachts ieder uur een ronde worden gelopen. Het lopen van deze ronde moet op een geschikte manier aantoonbaar zijn.

II. Bijzondere bepalingen van toepassing op bepaalde riviergedeelten

Hoofdstuk 9. Bijzondere vaarregels en bijzondere regels voor het ligplaats nemen

Artikel 9.01. Beperkingen van de scheepvaart in Basel

  • 1 Een schip mag een ander schip niet voorbijlopen tussen de Mittlere Rheinbrücke (km 166,53) en de Dreirosenbrücke (km 167,80) te Basel. Dit verbod geldt niet voor een klein schip of voor een schip dat daartoe van de bevoegde autoriteit toestemming heeft gekregen.

  • 2 Een motorschip, een sleep en een duwstel in de opvaart moeten tussen de Mittlere Rheinbrücke (km 166,53) en de Dreirosenbrücke (km 167,80) te Basel met een snelheid van tenminste 4 km/u ten opzichte van de oever kunnen varen.

  • 3 Alvorens Hafenbecken 1 (km 169,95) in te varen, moet een afvarend schip op stroom opdraaien en het mag eerst invaren wanneer het recht op stroom ligt en de havenmond kan overzien.

Artikel 9.02. Het Grand Canal d’Alsace en de gekanaliseerde Rijn

  • 1 Dit artikel geldt voor het gehele traject tussen km 173,55 (begin van het omleidingskanaal van het stuwcomplex Kembs) en km 335,70 (einde van het omleidingskanaal van het stuwcomplex Iffezheim), met inbegrip van het zijkanaal tussen km 173,55 en km 226,54 (einde van het omleidingskanaal van het stuwcomplex Vogelgrün) en de omleidingen van de gekanaliseerde Rijn te Marckolsheim, Rheinau, Gerstheim en Straatsburg.

  • 3 Een schip moet bij ontmoeten zo nodig zijn stuurboordswal houden om het voorbijvaren zonder gevaar bakboord op bakboord te kunnen doen geschieden.

  • 4 In afwijking van het tweede en derde lid mag een schip, dat zich in de onmiddellijke omgeving van de sluizen bevindt, verzoeken, dat het voorbijvaren overeenkomstig de artikelen 6.04 en 6.05 stuurboord op stuurboord zal plaatsvinden mits het zich er van heeft vergewist, dat daaraan zonder gevaar kan worden voldaan.

    Hetzelfde geldt bovendien voor kanaalspitsen (lengte: 38,50 m), al dan niet gesleept, in opvaart op de volgende riviergedeelten:

    • a. stuwpand Rheinau tussen km 244,00 en de sluizen te Marckolsheim;

    • b. stuwpand Marckolsheim tussen km 228,00 en de sluizen te Vogelgrün.

  • 5 Een schip mag op de Rijn boven- en benedenstrooms van een stuw de grenslijn niet overschrijden die op iedere oever is aangeduid door een algemeen verbodsteken A.1 ( bijlage 7).

  • 6 Een schip mag niet de toe- en afvoerkanalen van de elektrische centrales binnenvaren. Het begin en het einde van deze kanalen zijn aangeduid door een algemeen verbodsteken A.1 ( bijlage 7).

  • 7 Een schip mag slechts keren op de keerplaatsen, welke zijn gelegen stroomopwaarts van de bovenstroomse voorhavens van de sluizen, evenals in de benedenstroomse voorhavens daarvan en in het benedenstroomse toeleidingskanaal van de meest benede nstrooms gelegen sluizen.

    Deze beperking geldt niet voor kleine schepen.

  • 8 Een schip mag slechts ligplaats nemen en aanleggen op de wachtplaatsen van de sluizen en in het afvoerkanaal benedenstrooms van de laatste sluizen.

  • 9 Het verbod om te keren, ligplaats te nemen en aan te leggen, bedoeld in het zevende en achtste lid, geldt niet voor een schip dat:

    • a. moet laden of lossen op een daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen plaats;

    • b. om dwingende redenen van veiligheid verplicht is te gaan stilliggen.

  • 10 Een schip met een breedte van meer dan 11,45 m mag geen gebruik maken van de kleine sluizen van de sluiscomplexen te Ottmarsheim, Fessenheim, Vogelgrün, Rhinau, Gerstheim en Straatsburg.

  • 11 Op het Grand Canal d’Alsace en de gekanaliseerde Rijn tot km 294,00 mag de ten minste voorgeschreven hoogte van de lichten en dagtekens, bedoeld in de artikelen 3.08, 3.09, 3.10, 3.13, 3.14, 3.15 en 3.29 zoveel worden verminderd als nodig is om onder kunstwerken te kunnen doorvaren, waarbij alle maatregelen moeten worden genomen om te verzekeren, dat de verschillende lichten en dagtekens zichtbaar blijven.

Artikel 9.03. Voorbijvaren van de veerpont Seltz-Plittersdorf

Voor het voorbijvaren van de veerpont Seltz-Plittersdorf (km 340,35) is artikel 6.26 van toepassing.

Artikel 9.04. Ontmoeten: Afwijking van de hoofdregels

  • 1 Dit artikel geldt voor het ontmoeten:

    • a. op het riviergedeelte tussen de uitmonding van de Neckar (km 428,20) en Lorch (km 540,20);

    • b. op het riviergedeelte tussen Duisburg (km 769,00) en de Duits-Nederlandse grens (km 857,68).

  • 2 In afwijking van artikel 6.04 moeten een opvarend schip en een afvarend schip bij het ontmoeten zo ver stuurboord houden als nodig is om het voorbijvaren zonder gevaar bakboord op bakboord te kunnen doen geschieden.

  • 3 Een opvarend schip mag verlangen, dat het voorbijvaren overeenkomstig artikel 6.04 stuurboord op stuurboord plaatsvindt, wanneer het zich naar een nevenvaarweg, een haven, een laad- of losplaats, een steiger of een ligplaats aan de rechteroever wil begeven, of wanneer het van een aan de rechteroever gelegen laad- of losplaats, steiger of ligplaats wil vertrekken, of wanneer het een nevenvaarweg, of een haven gelegen aan de rechterzijde van de vaarweg wil uitvaren. Het mag dit verlangen evenwel slechts kenbaar maken nadat het zich heeft vergewist, dat daaraan zonder gevaar kan worden voldaan.

  • 4 In afvaart mag:

    • a. een passagiersschip dat een geregelde dienst onderhoudt en waarvan het toegelaten maximum aantal passagiers niet minder dan 300 personen bedraagt, wanneer het wil aanleggen aan een aanlegplaats die aan de linkeroever is gelegen,

    • b. een sleep die om te kunnen opdraaien de linkeroever wil houden,

    • c. een duwstel, indien het zich naar een laad- of los- of aanlegplaats of een ligplaats aan de linkeroever wil begeven, van een opvarend schip verlangen, dat het voorbijvaren stuurboord op stuurboord plaatsvindt. Zij mogen dit verlangen evenwel slechts kenbaar maken, indien zij zich er van hebben vergewist, dat daaraan zonder gevaar kan worden voldaan.

  • 5 Een afvarend schip, als bedoeld in het vierde lid, dat het voorbijvaren stuurboord op stuurboord wil doen geschieden, moet tijdig "twee korte stoten" geven en bovendien de in artikel 6.04, derde lid, bedoelde tekens tonen.

    Een opvarend schip moet aan het verlangen van het afvarende schip voldoen en dit bevestigen door het geven van "twee korte stoten" en het tonen van de in artikel 6.04, derde lid, bedoelde tekens.

    Zodra te vrezen is, dat de bedoeling van het afvarende schip door het opvarende schip niet is begrepen, moet het afvarende schip de in de eerste alinea van dit lid bedoelde geluidsseinen herhalen.

Artikel 9.05. Varen op gelijke hoogte door schepen en samenstellen

  • 1 Een samenstel, met uitzondering van een duwstel waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer bedragen dan 110 m, respectievelijk 12 m, mogen niet op gelijke hoogte varen met een ander samenstel:

    • a. tussen de sluizen bij Iffezheim (km 334,00) en Mannheim (km 412,35);

    • b. tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00);

  • 2 Een schip met een lengte van meer dan 110 m en een samenstel, met uitzondering van een duwstel waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer bedragen dan 110 m, respectievelijk 12 m, mogen niet op gelijke hoogte varen met een ander schip met een lengte van meer dan 110 m of met een ander samenstel tussen de uitmonding van het kanaal Wesel–Datteln (km 813,20) en de voormalige spoorbrug bij Wesel (km 815,28).

Artikel 9.06. Varen op de oude Rijnarmen tussen Mannheim en Mainz

  • 1 Een schip mag varen:

    • a. op de Lampertheimer Altrhein vanaf de monding tot Altrhein – km 4,75;

    • b. op de hoofdtak van de Stockstadt-Ehrfelder Altrhein vanaf de monding tot Altrhein – km 9,80.

  • 2 Een schip mag, ten opzichte van de oever gemeten, op de Lampertheimer Altrhein niet sneller varen dan 5 km per uur en op de Stockstadt-Ehrfelder Altrhein niet sneller dan 12 km per uur. Dit geldt niet voor kleine schepen zonder motor.

  • 3 Behalve voor kleine schepen geldt op de Lampertheimer Altrhein bovendien:

    • a. De lengte en de breedte van een schip of van een samenstel mogen ten hoogste 115 m respectievelijk 11,45 m bedragen. De bevoegde autoriteit kan andere afmetingen toestaan.

    • b. Op het gedeelte tussen Altrhein – km 0,70 en km 2,70 moet een schip zich op kanaal 10 melden, terwijl in de gedeelten waar ontmoeten niet voldoende ruimte biedt extra aandacht moet worden geschonken aan op tegengestelde koers varende kleine schepen.

Artikel 9.07. Beperkingen van de scheepvaart

  • 1 Iffezheim - Karlsruhe

    Tussen Iffezheim (km 334,00) en Karlsruhe (km 360,00), onafhankelijk van de waterstand, moeten een opvarend duwstel en een opvarend gekoppeld samenstel met een snelheid van ten minste 5 km/u ten opzichte van de oever kunnen varen.

  • 2 Geisenheim – Rhens

    Tussen Geisenheim (km 524,00) en Rhens (km 582,00) is het windsurfen verboden.

  • 3 Lorch – St. Goar

    • a. Tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00) moet een opvarend schip de linkeroever en een afvarend schip de rechteroever houden.

    • b. Een opvarend schip of een afvarend schip als bedoeld in artikel 9.04, vierde lid, mag onder de in artikel 9.04, derde of vierde lid, genoemde voorwaarden verlangen, dat het voorbijvaren stuurboord op stuurboord plaatsvindt. In dat geval moeten geluidsseinen worden gegeven en dagtekens worden getoond overeenkomstig artikel 9.04, vijfde lid. Artikel 6.05 is niet van toepassing.

    • c. Voor de schipper van een schip met een lengte van meer dan 110 m is de verplichting tot het geven van inlichtingen aan andere schepen als voorgeschreven voor des nachts in artikel 9.08, tweede lid, onder b en c, ook overdag van toepassing.

  • 4 Monding van de Moezel

    Tussen km 592,05 en km 593,55 moet een opvarend schip dat niet de Moezel wil invaren ten minste 80 m uit de linkeroever blijven.

  • 5 Duisburg-Ruhrort

    • a. Alvorens de havens van Hochfeld, de buitenhaven van Duisburg, de Parallelhaven van Duisburg, het havenkanaal van Ruhrort en de voorhaven van Ruhrort in te varen, moet een afvarend schip op stroom opdraaien. Het mag eerst invaren, wanneer het recht op stroom ligt en de havenmond kan overzien.

    • b. Tussen km 775,50 en km 785,50 is zeilen zonder vergunning overeenkomstig artikel 1.23 verboden.

  • 6 Wesel

    Alvorens het kanaal Wesel-Datteln in te varen moet een afvarend schip op stroom opdraaien. Het mag eerst invaren, wanneer het recht op stroom ligt en de kanaalmond kan overzien.

  • 7 Met uitzondering van het derde lid, onder b, en het vijfde lid, onder b, is dit artikel niet van toepassing op of ten aanzien van kleine schepen.

Artikel 9.08. Nachtvaart op het riviergedeelte Bingen-St. Goar

  • 1 Tussen Bingen (km 530,00) en St. Goar (km 556,00) mag des nachts een schip slechts varen indien het gebruik maakt van marifoon op kanaal 10 en moet een afvarend schip gebruikmaken van radar. De regeling door waarschuwingsposten als bedoeld in artikel 12.02 geschiedt gedurende vierentwintig uur.

  • 2 Indien de waarschuwingsregeling als bedoeld in artikel 12.02 echter des nachts buiten bedrijf is, moeten de daarvoor in aanmerking komende schepen als volgt handelen:

    • a. een opvarend schip moet zijn koers zodanig kiezen dat het bij het voorbijvaren van de Bankeck (van km 555,60 tot km 555,20) en van de Betteck (van km 553,60 tot km 553,30) geen afvarend schip kan ontmoeten. Indien het ontmoeten op andere wijze niet vermeden kan worden, moet het benedenstrooms van de Bankeck dan wel van de Betteck stilhouden totdat het afvarende schip de Bankeck dan wel de Betteck is voorbijgevaren.

    • b. Een opvarend schip moet bij het naderen van de Bankeck dan wel van de Betteck de afvarende schepen oproepen en hun verzoeken hun categorie, hun naam, hun positie en hun vaarrichting op te geven. Indien er zich geen afvarend schip meldt, mag het de Bankeck dan wel de Betteck niet voorbijvaren dan nadat het op kanaal 10 een lage toon met een tijdsduur van één seconde heeft ontvangen. Deze toon dient ter controle van het op juiste wijze functioneren van de marifoon op het riviergedeelte tussen Oberwesel en St. Goar.

    • c. Een afvarend schip moet bij het voorbijvaren van de Ochsenturm (km 550,57), van de bovenstroomse splitsingston bij de Geisenrücken (km 552,00) en van de Betteck (km 553,61) zijn categorie, zijn naam, zijn positie en zijn vaarrichting opgeven. Het moet dezelfde inlichtingen geven wanneer het daartoe door een opvarend schip wordt opgeroepen. Na iedere melding moet het opnieuw op de marifoon uitluisteren.

Artikel 9.09. Beperking van de scheepvaart tussen Bad Salzig (km 564,30) en Gorinchem (km 952,50)

  • 1 Tussen Bad Salzig (km 564,30) en Gorinchem (km 952,50) moeten duwstellen en gekoppelde samenstellen met een lengte van meer dan 186,50 m of een breedte van meer dan 22,90 m, zodra zij een riviervak naderen waarin zich schepen zouden kunnen bevinden die nog niet te zien zijn, op het door de bevoegde autoriteit aangewezen marifoonkanaal hun samenstelling en positie opgeven en deze gegevens zo dikwijls als nodig is herhalen.

  • 2 Afvarende duwstellen en gekoppelde samenstellen met een lengte van meer dan 186,50 m of een breedte van meer dan 22,90 m mogen opvarende duwstellen, gekoppelde samenstellen of schepen met een lengte van meer dan 110 m niet ontmoeten in de riviervakken tussen:

    km 575,50 en km 578,50 (Oberspay),

    km 606,50 en km 608,50 (Weissenthurm),

    km 635,00 en km 637,50 (Unkel),

    km 720,50 en km 723,00 (Benrath),

    km 740,00 en km 744,00 (Düsseldorf) en

    km 784,50 en km 786,50 (Baerl)

    In verband daarmede zijn op deze duwstellen en gekoppelde samenstellen de volgende bepalingen van toepassing:

    • a. bij het naderen van het betreffende riviervak moeten deze duwstellen en gekoppelde samenstellen zich regelmatig melden op marifoonkanaal 10;

    • b. een opvarend duwstel, gekoppeld samenstel of een schip met een lengte van meer dan 110 m moet, indien is te voorzien dat het een afvarend duwstel of gekoppeld samenstel zal ontmoeten, benedenstrooms van het betreffende riviervak stilhouden totdat de afvaart het vak is doorgevaren;

    • c. wanneer een opvarend duwstel, een opvarend gekoppeld samenstel of een opvarend schip met een lengte van meer dan 110 m het betreffende riviervak reeds is binnengevaren, moet een afvarend duwstel en een afvarend gekoppeld samenstel bovenstrooms van het vak stilhouden totdat de opvaart het vak is doorgevaren.

  • 3 Tussen het Spijksche Veer (km 857,40) en Gorinchem (km 952,50) mogen de in het eerste lid bedoelde duwstellen en gekoppelde samenstellen slechts met toestemming van de bevoegde autoriteit worden samengesteld of ontkoppeld.

Artikel 9.10. Optische tekens en vaarregels voor multifunctionele schepen van het Franse en Duitse leger

  • 1 Een varend multifunctioneel schip:

    • a. van het Franse leger tussen Basel (km 168,39) en Lauterburg (km 352,00), en

    • b. van het Duitse leger tussen de sluizen te Iffezheim (km 334,00) en het Spijksche Veer (km 857,40);

    moet des nachts de lichten, bedoeld in artikel 3.08, eerste lid, voeren en ongeveer 1 m boven het toplicht als bijkomend teken, dat ook overdag moet worden gevoerd: een geel gewoon of helder rondom schijnend flikkerlicht.

  • 2 Een schip als bedoeld in het eerste lid wordt als klein schip aangemerkt. De artikelen 6.02 en 6.02a, eerste en derde lid, zijn van toepassing.

Artikel 9.11. Varen bij slecht zicht benedenstrooms van het Spijksche Veer

Een schip dat bij slecht zicht benedenstrooms van het Spijksche Veer (km. 857,40) vaart, moet zoveel mogelijk zijn stuurboordswal houden. De artikelen 6.04 en 6.05 zijn niet van toepassing.

Artikel 9.12. Boven-Rijn en Waal

  • 1 Een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting mag tussen de Boven-Rijn en de Waal tussen km 857,77 en km 952,50, met inbegrip van de overnachtingshavens en aangrenzende wateroppervlakten voor zover dit rijkswateren zijn, geen ligplaats nemen. Op het grensgedeelte van km 857,77 tot km 865,50 geldt dit verbod voor het gedeelte tussen de rechteroever en de rivier-as.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is op de bovenstaande waterwegen, de aangrenzende wateroppervlakten en in de havens het ligplaats nemen op de daartoe aangeduide ligplaatsen toegestaan.

  • 3 In bijzondere gevallen kan de bevoegde autoriteit het ligplaats nemen ook op niet daartoe aangeduide plaatsen toestaan.

Artikel 9.13. Pannerdensch Kanaal, Neder-Rijn en Lek

  • 1 Een schip, een drijvend voorwerp of een drijvende inrichting mag tussen het Pannerdensch Kanaal, de Neder-Rijn en de Lek tussen km 867,46 en km 989,20, met inbegrip van de aangrenzende wateroppervlakten voor zover dit Rijkswateren zijn, geen ligplaats nemen.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is op de bovenstaande waterwegen, de aangrenzende wateroppervlakten en in de havens het ligplaats nemen op de daartoe aangeduide ligplaatsen toegestaan.

  • 3 In bijzondere gevallen kan de bevoegde autoriteit het ligplaats nemen ook op niet daartoe aangeduide plaatsen toestaan.

Hoofdstuk 10. Beperking van de scheepvaart bij hoogwater en laagwater

Artikel 10.01. Beperking van de scheepvaart bij hoogwater bovenstrooms van het Spijksche Veer

  • 1 Tussen de Mittlere Rheinbrücke te Basel (km 166,53) en de sluis te Kembs (km 179,10), alsmede tussen de sluizen bij Iffezheim (km 334,00) en het Spijksche Veer (km 857,40), gelden bij hoogwater, indien de waterstand zich tussen hoogwaterpeil I en II bevindt, voor de scheepvaart de volgende beperkingen:

    • a. een schip, met uitzondering van een klein schip niet zijnde een motorschip, moet in afvaart zoveel mogelijk het midden van de rivier en in opvaart zoveel mogelijk het middelste derde gedeelte van de breedte van de rivier houden; als breedte van de rivier geldt de afstand tussen de oeverlijnen. Tijdens het varen, met inbegrip van het voorbijlopen, mogen zich ten hoogste twee eenheden naast elkaar bevinden;

    • b. daar waar de plaatselijke omstandigheden het noodzakelijk maken dichter bij de oever te varen dan onder a is aangegeven moeten de in dat onderdeel bedoelde schepen desalniettemin zo ver mogelijk uit de oevers blijven en hun snelheid verminderen;

    • c. artikel 9.04 blijft van toepassing. Tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00) moet een opvarend schip in het middelste derde gedeelte van de rivier zó dicht de linkeroever aanhouden, dat het ontmoeten met een afvarend schip zonder gevaar bakboord op bakboord kan geschieden;

    • d. onverminderd artikel 6.20 mag een schip ten opzichte van de oever niet sneller varen dan 20 km per uur;

    • e. na het overschrijden van het hoogwaterpeil I mag een schip slechts op de betreffende riviervakken varen, indien het is uitgerust met een marifooninstallatie. De marifooninstallatie moet voor ontvangst zijn ingeschakeld op de voor de nautische informatie aangewezen kanalen. Dit geldt niet voor kleine schepen die door middel van spierkracht worden voortbewogen.

    • f. na het overschrijden van het hoogwaterpeil I is het verboden te varen met een snel schip.

  • 2 Een schip mag in het bij het derde lid genoemde vak niet varen, indien de waterstand het hoogwaterpeil II voor dat vak bereikt heeft of overschrijdt. Dit is niet van toepassing op het oversteken van de vaarweg.

  • 3 De in het eerste en tweede lid bedoelde hoogwaterpeilen die gelden voor de op- en afvaart en de bij dat peil genoemde vakken zijn:

    Traject Op- en afvaart Hoogwaterpeil
      I II

    Basel (km 166,53)

     

    Basel-Rheinhalle

     

    Basel – Sluizen Kembs

    7,00

    8,20

         

    Kembs (km 179,10) _____________________________________________________

         

    Sluizen te Iffezheim (km 334,00) __________________________________________

     

    Maxau

    Sluizen te Iffezheim-Germersheim

    6,20

    7,50

    Germersheim (km 384,00) _______________________________________________

     

    Speyer

    Germersheim-Mannheim/Rheinau

    6,20

    7,30

    Mannheim-Rheinau (km 412,00) __________________________________________

     

    Mannheim

    Mannheim/Rheinau-Mannheim/Sandhofen

    6,50

    7,60

    Mannheim-Sandhofen (km 431,50) _______________________________________

     

    Worms

    Mannheim/Sandhofen-Gernsheim

    4,40

    6,50

         

    Gernsheim (km 462,00) _________________________________________________

     

    Mainz

    Gernsheim-Eltville

    4,75

    6,30

    Eltville (km 511,00) _____________________________________________________

     

    Bingen

    Eltville-Lorch

    3,50

    4,90

    Lorch (km 540,00) ______________________________________________________

     

    Kaub

    Lorch-Salzig

    4,60

    6,40

    Salzig (km 566,00) ______________________________________________________

     

    Koblenz

    Salzig-Engers

    4,70

    6,50

    Engers (km 601,00) ____________________________________________________

     

    Andernach

    Engers-Bad Breisig

    5,50

    7,60

    Bad Breisig (km 624,00) _________________________________________________

     

    Oberwinter

     

    Bad Breisig-Mondorf

    4,90

    6,80

    Mondorf (km 660,00) ____________________________________________________

     

    Köln

     

    Mondorf-Dormagen

    6,20

    8,30

    Dormagen (km 716,00) __________________________________________________

     

    Düsseldorf

     

    Dormagen-Krefeld

    7,10

    8,80

    Krefeld (km 763,00) ____________________________________________________

     

    Duisburg-Ruhrort

    Krefeld-Orsoy

    9,30

    11,30

    Orsoy (km 794,00) ______________________________________________________

     

    Wesel

     

    Orsoy-Rees

    8,70

    10,60

    Rees (km 837,00) _______________________________________________________

     

    Emmerich

     

    Rees-Spijksche Veer

    7,00

    8,70

    Spijksche Veer (km 857,40) ______________________________________________

  • 4 De bevoegde autoriteiten kunnen tussen Basel en de sluizen te Kembs aan individuele schepen, indien deze bepaalde voorwaarden vervullen, de vaart op dit riviergedeelte tot aan een waterstand van 8,50 m aan de peilschaal te Basel-Rheinhalle toestaan, wanneer de waterstand reeds gedurende meer dan drie dagen boven het peil van 8,20 m heeft gelegen en de voorspellingen aangeven, dat de waterstand ook de volgende twee dagen nog boven dit peil zal liggen.

  • 5 Tussen de sluizen te Kembs van het Grand Canal d’Alsace en de sluizen te Iffezheim (km 334,00) wordt de scheepvaart bij hoogwater als volgt geregeld:

    • a. tussen de meest bovenstrooms gelegen voorhaven van de sluizen te Kembs en de meest bovenstrooms gelegen voorhaven van de sluizen te Vogelgrün gelden voor de scheepvaart geen beperkingen bij hoogwater. De bevoegde autoriteit kan echter, om concentraties van schepen in de voorhavens van de sluizen te Kembs en Vogelgrün te vermijden, de schepen over de voorhavens van de verschillende sluizen verdelen;

    • b. tussen de sluizen te Vogelgrün en de sluizen te Iffezheim:

      • worden de sluizen op een sluispand gestremd, wanneer op het benedenhoofd van de telkens bovenstrooms gelegen sluis het zichtbaar aangebrachte hoogwaterpeil II wordt bereikt of overschreden;

      • is de vaart voor kleine schepen op een sluispand verboden, wanneer op het benedenhoofd van de telkens bovenstrooms gelegen sluis het zichtbaar aangebrachte hoogwaterpeil II wordt bereikt of overschreden.

      Echter kan de bevoegde autoriteit aan individuele schepen en samenstellen voor het gedeelte vanaf benedenstrooms van de sluis te Vogelgrün tot benedenstrooms van de sluis te Straatsburg tot een maximale waterstand van 0,40 m boven het hoogwaterpeil II de vaart en het schutten toestaan, wanneer de waterstand reeds gedurende meer dan drie opeenvolgende dagen voornamelijk boven het hoogwaterpeil II heeft gelegen en de voorspellingen aangeven, dat de waterstand ook de volgende twee dagen nog boven dit hoogwaterpeil zal liggen;

    • c. op het riviervak tussen de zuidelijke voorhaven (km 291,30) en de noordelijke voorhaven (km 295,50) van de haven van Straatsburg wordt de scheepvaart, indien de hoogst bevaarbare waterstand wordt bereikt, als volgt gestremd:

      • -. voor de afvaart door middel van een bij km 291,30 aangebracht rood licht (teken A.1, bijlage 7);

      • -. voor de opvaart door middel van een bij km 294,50 aangebracht rood licht (teken A.1, bijlage 7).

Artikel 10.02. Beperking van de scheepvaart bij laagwater tussen Bingen en St. Goar

Tussen St. Goar en Bingen is het stroomopwaarts slepen van een half uur na zonsondergang tot een half uur voor zonsopgang verboden, zodra de waterstand aan de peilschaal te Kaub minder dan 1,00 m bedraagt. Dit verbod geldt echter niet voor een sleep die uit niet meer dan twee schepen bestaat of voor een gesleept duwstel.

Een sleep die uit niet meer dan twee schepen bestaat mag tussen Bingen (km 529,10) en Trechtinghausen (km 535,40) door nog een ander motorschip worden gesleept.

Hoofdstuk 11. Ten hoogste toegelaten afmetingen van schepen, duwstellen en andere samenstellen

Artikel 11.01. Ten hoogste toegelaten afmetingen van schepen

  • 1 De grootste lengte van een schip mag niet meer bedragen dan 135 m. De grootste lengte mag echter in de afvaart tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00) bij waterstanden aan de peilschaal te Kaub van minder dan 0,85 m en meer dan 4,60 m (hoogwaterpeil I) niet meer bedragen dan 110 m.

  • 2 Een schip, met uitzondering van een passagiersschip, met een lengte van meer dan 110 meter, kan alleen dan bovenstrooms van Mannheim varen, indien het aan de vereisten van artikel 22a.05, tweede lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn voldoet. Een passagiersschip met een lengte van meer dan 110 meter kan alleen dan bovenstrooms van Mannheim varen indien het aan de vereisten van artikel 22a.05, derde lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn voldoet. De door de bevoegde autoriteiten voor het te bevaren riviergedeelte tussen Basel en Mannheim reeds verleende vergunningen voor schepen met een lengte tussen 110 en 135 meter, die op 30 september 2001 geldig waren, blijven onder de voorwaarden die in verband met de veiligheid gesteld zijn op het betreffende riviergedeelte van kracht.

  • 3 De bevoegde autoriteit voor het riviergedeelte tussen Lorch (km 540,20) en St. Goar (km 556,00) kan bij waterstanden aan de peilschaal te Kaub van minder dan 0,85 m en van meer dan 4,60 m (hoogwaterpeil I) voor een schip met een lengte van meer dan 110 m in afvaart een vergunning verlenen. Zij stelt daarbij de voorwaarden die in verband met de veiligheid noodzakelijk zijn.

  • 4 Een schip met een lengte van meer dan 110 m mag slechts varen, wanneer het voldoet aan artikel 4.06, eerste lid.

  • 5 De breedte van een schip mag niet meer bedragen dan 22,80 m, en op het riviergedeelte tussen Pannerden (km 867,46) en het Lekkanaal (km 949,40) niet meer dan 15,00 m, behoudens vergunning van de bevoegde autoriteit voor het te bevaren riviergedeelte.

Artikel 11.02. Ten hoogste toegelaten afmetingen van duwstellen

  • 1 Een duwstel mag de hierna genoemde afmetingen niet overschrijden:

    Nr.

    Traject

    Lengte in m

    Breedte in m

    I

    Basel (km 166,64) – sluizen te Iffezheim (km 334,00) zowel in op- als in afvaart

       
     

    a. sluizen te Kembs:

       
     

    grote sluis .......................................................

    180

    22,90

     

    kleine sluis .......................................................

    95

    22,90

           
     

    b. sluizen te Ottmarsheim, Fessenheim, Vogelgrün,

       
     

    Marckolsheim en Rheinau:

       
     

    grote sluis .......................................................

    183*

    22,80

     

    kleine sluis .......................................................

    183*

    11,45

           
     

    c. sluizen te Gerstheim en Straatsburg:

       
     

    grote sluis .......................................................

    185

    22,90

     

    kleine sluis .......................................................

    185

    11,45

           
     

    d. sluizen te Gambsheim en Iffezheim .................

    270

    22,90

    II

    Sluizen te Iffezheim (km 334,00) – Karlsruhe (km 359,80) zowel in op- als in afvaart ......................

    186,50

    22,90

    III

    Karlsruhe (km 359,80) – Lorch (km 540,20)

       
     

    a. zowel in op- als in afvaart ...............................

    186,50

    22,90

     

    b. in afvaart bovendien ......................................

    153

    34,35***

    IV

    Lorch (km 540,20) – St. Goar (km 556,00)

       
     

    a. in opvaart ....................................................

    186,50

    22,90

     

    b. in afvaart .....................................................

    110***

    22,90

    V

    St. Goar (km 556,00) – Gorinchem (km 952,50)

       
     

    a. zowel in op- als in afvaart ...............................

    186,50

    22,90

     

    b. in afvaart bovendien ......................................

    153

    34,35***

    VI

    Pannerdensch Kanaal (km 867,46) – Lekkanaal (km 949,40)

       
     

    zowel in op- als afvaart ......................................

    110**

    17,70

    VII

    Lekkanaal (km 949,40) – Krimpen (km 989,20)

       
     

    zowel in de op- als de afvaart hetzij .....................

    116,50

    22,90

     

    hetzij ..............................................................

    140

    17,70

     

    dan wel met een kopbesturing van voldoende

       
     

    vermogen ........................................................

    186,50

    12,00**

     

    * De bevoegde autoriteit kan een lengte tot 185 m toelaten. In dat geval is art. 6.28, zevende lid onder a en e, niet van toepassing.

       
     

    ** De bevoegde autoriteit kan duwstellen met grotere afmetingen toelaten.

       
     

    *** De langszij van de duwboot gekoppelde duwbakken mogen niet geladen zijn.

       
  • 2 2. De bevoegde autoriteit van het te bevaren gedeelte kan bij wijze van proef en voor een beperkte tijdsduur duwstellen toelaten met grotere afmetingen dan die welke in de tabel van het eerste lid zijn vastgesteld.

  • 3 Benedenstrooms van de sluizen te Iffezheim tot Gorinchem mag de lengte van een duwstel met ten hoogste 6,50 m worden vergroot en mag de breedte van de duwboot op 15 m worden gebracht, mits

    • - de duwboot niet langer is dan 40 m,

    • - de lengte van het duwstel, dat zich vóór de duwboot bevindt, niet langer is dan 153 m.

  • 4 Een duwstel mag niet breder zijn dan 22,90 m op de navolgende gedeelten:

    • a. op het gedeelte Karlsruhe (km 359,80) - Lorch (km 540,00) en St. Goar (km 556,00) - Rolandswerth (km 641,80), indien de waterstand aan de peilschaal te Kaub minder bedraagt dan 1,20 m;

    • b. op het gedeelte Rolandswerth (km 641,80) - Spijksche Veer (km 857,40), indien de waterstand aan de peilschaal te Ruhrort minder bedraagt dan 2,10 m;

    • c. in de afvaart op het gedeelte Spijksche Veer (km 857,40) - Gorinchem (km 952,50), indien de waterstand aan de peilschaal te Lobith minder bedraagt dan 9,50 m.

    De bevoegde autoriteit kan de vaart bij lagere waterstanden toelaten.

Artikel 11.03. Ten hoogste toegelaten afmetingen van duwstellen onder bepaalde voorwaarden

  • 1 In afwijking van artikel 11.02 zijn voor een duwstel op het riviergedeelte tussen Bad Salzig (km 564,30) en Gorinchem (km 952,50) de hierna genoemde afmetingen

    Samenstelling

    Grootste afmeting

     

    Lengte in m

    Breedte in m

    Brede formatie

    193

    34,35

    Lange formatie

    269,50

    22,90

    onder de volgende voorwaarden toegelaten:

    • a. De in dit lid genoemde ten hoogste toegelaten afmetingen moeten zijn vermeld in het certificaat van onderzoek van de duwboot.

    • b. De duwboot mag niet langer zijn dan 40 m.

    • c. Het duwstel mag niet meer dan zes duwbakken en geen zeeschipbakken bevatten.

    • d. In afvaart mag slechts in brede formatie worden gevaren. Daarbij dienen de volgende voorwaarden in acht te worden genomen:

      • -. ten minste twee aan de kop van het duwstel geplaatste duwbakken moeten zijn uitgerust met een vanuit de stuurhut van de duwboot bedienbare passieve kopbesturing. De koproeren van ieder van deze duwbakken moeten een effectieve oppervlakte van ten minste 2 m2 hebben. De bevoegde autoriteit kan kopbesturingen met een overeenkomstig effect toelaten;

      • -. ten hoogste vier duwbakken mogen een diepgang van 1,50 m of meer hebben.

  • 2 Ter aanvulling op het eerste lid moet op het riviergedeelte Bad Salzig (km 564,30) - Spijkse Veer (km 857,40) het volgende in acht worden genomen:

    • a. De vaart mag slechts worden aangevangen bij een waterstand aan de peilschaal te Ruhrort tussen 2,75 m en 6,00 m. De bevoegde autoriteit kan de vaart bij andere waterstanden toelaten.

    • b. Er mag niet worden gevaren op riviervakken waar de waterstand het hoogwaterpeil I heeft bereikt.

    • c. In afvaart in brede formatie mag ook zonder koproeren worden gevaren indien ten minste twee en ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 1,50 m of meer hebben.

  • 3 Ter aanvulling op het eerste lid moet op het riviergedeelte Spijksche Veer (km 857,40) - Gorinchem (km 952,50) het volgende in acht worden genomen:

    • a. De vaart mag slechts worden aangevangen bij een waterstand aan de pelschaal te Lobith tussen 9,50 m en 13,50 m. De bevoegde autoriteit kan de vaart bij andere waterstanden toelaten.

    • b. Het maximale vermogen van de duwboot mag niet groter zijn dan 4500 kW.

    • c. In opvaart mag slechts in lange formatie worden gevaren.

    • d. In lange formatie moeten ten minste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer hebben. De bevoegde autoriteit kan andere samenstellingen en een geringere diepgang toelaten.

    • e. In afvaart in brede formatie mag ook zonder koproeren worden gevaren indien ten minste twee en ten hoogste vier duwbakken een diepgang van 2,50 m of meer hebben en ten minste twee daarvan in de as van het duwstel zijn geplaatst.

    • f. Gevaarlijke stoffen, voor het vervoer waarvan een certificaat van goedkeuring als bedoeld in het ADNR vereist is, mogen niet worden vervoerd.

Artikel 11.04. Ten hoogste toegelaten afmetingen van duwstellen op de kruising van de Lek en het Amsterdam-Rijnkanaal bij Wijk bij Duurstede

In afwijking van artikel 11.02, eerste lid, bedragen de ten hoogste toegelaten afmetingen van duwstellen varend op het Amsterdam-Rijnkanaal die de Lek bij Wijk bij Duurstede oversteken 200 m (lengte) en 23,00 m (breedte). De bevoegde autoriteit kan grotere afmetingen toelaten.

Artikel 11.05. Ten hoogste toegelaten afmetingen van andere samenstellen

De afmetingen van een hecht samenstel van schepen dat geen duwstel is mag de ten hoogste toegelaten afmetingen van een duwstel voorgeschreven bij artikel 11.02, eerste en tweede lid, niet overschrijden.

Hoofdstuk 12. Riviergedeelten waar een meldplicht geldt dan wel waar de scheepvaart door waarschuwingsposten wordt geregeld

Artikel 12.01. Meldplicht

  • 1 De schipper van een schip als bedoeld in het ADN, van een tankschip, van een schip met een lengte van meer dan 110 m, van een samenstel, van een zeeschip of van een bijzonder transport als bedoeld in artikel 1.21 moet zich, alvorens de in het vijfde lid bedoelde riviergedeelten binnen te varen, melden op het aangegeven marifoonkanaal met opgave van de volgende gegevens:

    • a. soort schip;

    • b. naam van het schip;

    • c. positie, vaarrichting;

    • d. officieel scheepsnummer, IMO-nummer voor zeeschepen;

    • e. laadvermogen;

    • f. lengte en breedte van het schip;

    • g. soort, lengte en breedte van het samenstel;

    • h. diepgang, indien de bevoegde autoriteit hierom vraagt;

    • i. route;

    • j. haven waar is geladen;

    • k. haven waar wordt gelost;

    • l. bij gevaarlijke stoffen overeenkomstig het ADN:

      de VN-nummers of de stofnummers,

      de officiële benaming voor het vervoer, voorzover van toepassing aangevuld met de technische omschrijving,

      de klasse, de klassificeringscode en eventueel de verpakkingsgroep,

      de totale hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen, waarop deze gegevens betrekking hebben;

      bij andere stoffen: de soort lading (naam en hoeveelheid van stoffen);

    • m. 0, 1, 2, 3 blauwe lichten/kegels;

    • n. aantal personen aan boord.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde gegevens, met uitzondering van die genoemd onder c en h, mogen ook vanaf een andere plaats of door een andere persoon tijdig schriftelijk of telefonisch, dan wel, indien mogelijk, via elektronische weg, aan de bevoegde autoriteit worden medegedeeld. In ieder geval moet de schipper het tijdstip van in- en uitvaren met zijn schip of samenstel van het meldplichtig riviergedeelte melden.

  • 3 Indien het schip zijn reis in een der in het vijfde lid genoemde riviergedeelten gedurende meer dan twee uren onderbreekt, moet de schipper het begin en het einde van deze onderbreking melden.

  • 4 Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens tijdens het bevaren van het meldplichtige riviergedeelte worden gewijzigd, moet dit aan de bevoegde autoriteit onmiddellijk worden medegedeeld.

  • 5 Op de riviergedeelten:

    • a. van Basel (Mittlere Rheinbrücke, km 166,64) tot Lauterburg (km 352,00),

    • b. van Lauterburg (km 352,00) tot Gorinchem (km 952,50), en

    • c. van Pannerden (km 876,50) tot Krimpen aan de Lek (989,20),

    die worden aangeduid door het teken B.11 met het onderbord «Meldplicht», geldt de in het eerste lid bedoelde meldplicht onder de volgende voorwaarden:

    • Op het gedeelte bedoeld onder a behoeven zich slechts samenstellen als bedoeld in het ADNR te melden.

    • Op het gedeelte bedoeld onder b moeten behalve samenstellen als bedoeld in het ADNR slechts samenstellen met een lengte van meer dan 140 m en een breedte van meer dan 15 m en op het gedeelte bedoeld onder c slechts samenstellen met een lengte van meer dan 110 m of een breedte van meer dan 12 m worden gemeld.

    • Op de gedeelten bedoeld onder b en c moeten de gegevens genoemd in het eerste lid, onder a, b en d, eveneens worden verstrekt bij het passeren van de overige verkeersposten, districtscentrales en sluizen, evenals aan de met het teken B.11 aangeduide meldpunten.

  • 6 De bevoegde autoriteit kan voor bunkerschepen een andere meldplicht vaststellen.

Artikel 12.02. Waarschuwingsposten in het riviergedeelte Oberwesel-St. Goar

  • 1 In het riviergedeelte Oberwesel-St. Goar zijn de volgende waarschuwingsposten opgesteld:

    Post A:

    km 550,57, linkeroever,

    bij de Ochsenturm te Oberwesel;

    Post B:

    km 552,80, linkeroever,

    bij de Kammereck;

    Post C:

    km 553,61, linkeroever,

    bij de Betteck;

    Post D:

    km 554,34, linkeroever,

    tegenover de Loreley;

    Post E:

    km 555,43, linkeroever,

    bij Die Bank.

  • 2 De nadering van afvaart, met uitzondering van kleine schepen, wordt aan de opvaart aangekondigd door de waarschuwingsposten C, D en E. Op de betreffende gedeelten toont elke waarschuwingspost zijn tekens aan de opvaart, op boven elkaar geplaatste borden als volgt:

    Bord

    Nr. van het gedeelte

    Begin en einde van het gedeelte

    Post C

         

    boven

    1

    km 550,57

    km 551,30

    midden

    2

    km 551,30

    km 552,11

    onder

    3

    km 552,11

    km 554,34

           

    Post D

         

    boven

    1

    km 550,57

    km 551,30

    midden

    2

    km 551,30

    km 552,11

    onder

    3

    km 552,11

    km 554,34

           

    Post E

         

    boven

    3

    km 552,11

    km 554,34

    onder

    4

    km 554,34

    km 555,43

  • 3 De door de waarschuwingsposten gegeven tekens hebben voor de betreffende gedeelten de volgende betekenis:

    • a. drie witte lichtstrepen in de vorm van een driehoek (fig. 1):

      Op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één samenstel met een lengte van meer dan 110 m.

      Bijlage 98859.png
    • b. twee witte lichtstrepen in de vorm van een dak (fig. 2):

      Op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één samenstel met een lengte van niet meer dan 110 m, of één schip met een lengte van meer dan 110 m.

      Bijlage 98861.png
    • c. een naar rechts neigende witte lichtstreep (fig. 3):

      Op het gedeelte bevindt zich afvarend ten minste één alleenvarend schip met een lengte van niet meer dan 110 m.

      Bijlage 98863.png
    • d. een horizontale witte lichtstreep (fig. 4):

      Op het gedeelte bevindt zich geen afvaart.

      Bijlage 98865.png
  • 4 De waarschuwingsposten kunnen bovendien de volgende tekens geven:

    • a. op post A een alleen voor de afvaart zichtbaar wit licht:

      Aan de afvaart wordt aangeduid, dat de opvaart is gewaarschuwd.

    • b. op post B een alleen voor de afvaart zichtbaar wit licht:

      Een opvarend gekoppeld samenstel of een duwstel, waarvan de lengte meer dan 110 m bedraagt, vaart om de Betteck heen.

  • 5 Een schip, met uitzondering van een klein schip, dat binnen het riviergedeelte, dat met waarschuwingsposten geregeld wordt keert en weer terug vaart, moet dit per marifoon (kanaal 18) meedelen aan de districtscentrale Oberwesel.

  • 6 Wanneer de afvaart moet stilhouden, wordt zulks door twee, slechts voor haar zichtbare, rode lichten boven elkaar op de posten A of B aangeduid.

    Wanneer de opvaart moet stilhouden, wordt zulks door twee, slechts voor haar zichtbare, rode lichten boven elkaar op de posten D of E aangeduid.

Hoofdstuk 13. Bijzondere voorschriften met betrekking tot de vaart met kanaalspitsen op het riviergedeelte Basel tot de sluizen te Iffezheim

Artikel 13.01. Toepassingsgebied

  • 1 Dit hoofdstuk is van toepassing op schepen die afmetingen hebben van niet meer dan 38,50 m lengte en 5,05 m breedte en die gewoonlijk het Rijn-Rhônekanaal bevaren.

  • 2 Dit hoofdstuk is van toepassing op de in het eerste lid bedoelde schepen tussen Basel (Mittlere Rheinbrücke, km 166,53) en de meest benedenstrooms gelegen voorhaven van de sluizen te Iffezheim (km 335,92).

Artikel 13.02. Kentekens van schepen

De bij artikel 2.01 voorgeschreven kentekens kunnen worden vervangen door die welke zijn voorgeschreven of toegestaan op het Rijn-Rhônekanaal.

Artikel 13.03. Inzinkingsmerken

  • 1 De bij artikel 2.04, eerste lid, voorgeschreven inzinkingsmerken kunnen worden vervangen door ten minste één ijkmerk of ijkplaat aan elke zijde van het schip, aangebracht ingevolge de geldende Internationale overeenkomst betreffende de meting van binnenschepen.

  • 2 In afwijking van artikel 1.07, eerste lid, mag de inzinking van een schip niet dieper zijn dan:

    • a. tot de onderkant van de inzinkingsmerken dan wel van de ijkmerken of de ijkplaten;

    • b. tot het horizontale vlak, liggende 30 cm beneden het laagste punt waarboven het schip niet meer waterdicht is;

    • c. tot de bovenkant van het gangboord op zijn laagste punt.

Artikel 13.04. Diepgangsschalen

Artikel 2.04, tweede lid, is niet van toepassing.

Artikel 13.05. Kentekens van ankers

Artikel 2.05, eerste lid, is niet van toepassing.

Artikel 13.06. Samenstelling van samenstellen

De in artikel 6.21, tweede lid, bedoelde aantekening in het certificaat van onderzoek kan worden vervangen door een getuigschrift, afgegeven door de bevoegde autoriteit.

Hoofdstuk 14. Voorschriften betreffende de reden op de Rijn

Artikel 14.01. Algemene bepalingen

  • 1 De begrenzing van de reden wordt op de betreffende oever aangeduid door het teken C.4 ( bijlage 7) voorzien van een rechthoekig onderbord met de letter "R". Eventueel kan het teken worden voorzien van een wit driehoekig bord waarop in zwarte cijfers de lengte van de rede staat aangegeven.

  • 2 Op de reden mag een schip slechts ligplaats nemen:

    • a. op de overeenkomstig artikel 7.06 aangeduide gereserveerde ligplaatsen;

    • b. voor laad- of loswerkzaamheden op de daartoe bestemde plaatsen. De toegang naar deze plaatsen moet indien nodig worden vrijgehouden.

  • 3 Een schip, waarvoor niet in een door tekens aangeduide ligplaats is voorzien, mag slechts dan op de rede ligplaats nemen, wanneer hem door de bevoegde autoriteit een plaats is aangewezen.

  • 4 Op de reden mogen de schepen in ten hoogste drie rijen langszijde van elkaar ligplaats nemen, tenzij bij de bijzondere bepalingen voor afzonderlijke reden dit aantal wordt beperkt of op grond van artikel 7.05, tweede, derde of vierde lid, een afwijkende regeling wordt vastgesteld.

Artikel 14.02. Basel

  • 1 De rede strekt zich voor Basel uit aan de rechteroever van km 167,82 tot km 169,99.

  • 2 Voor schepen, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd aan de rechteroever:

    • a. ligplaats «Uferplatz – GMS 1 en 2» van km 167,88 (onder Dreirosenbrücke) tot km 168,09;

    • b. ligplaats «Rheinquai-Wiesemündung» van km 169,19 tot km 169,33;

    • c. ligplaats «Rheinquai-Dreiländereck» van km 169,61 tot km 169,72. Deze ligplaats mag worden gebruikt van 1 november tot 15 maart; buiten deze periode slechts op aanwijzing van de havenmeester.

  • 3 Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd aan de rechteroever: ligplaats «Oberer Klybeckquai – TMS 1 en 2» van km 168,09 tot km 168,33.

  • 4 Schepen die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede of derde lid te voeren, mogen slechts ligplaats nemen met toestemming van de Zwitserse Rijnhavens. De ligplaatsen worden van geval tot geval door de havenmeester aangewezen.

  • 5 De op borden op de oever aangeduide breedten der ligplaatsen gelden slechts bij waterstanden aan de peilschaal van Basel-Rheinhalle van minder dan 7 m.

Artikel 14.03. Mannheim-Ludwigshafen

  • 1 De rede strekt zich voor Mannheim uit aan de rechteroever van km 412,35 tot km 417,15 en van km 423,50 tot km 431,80 en voor Ludwigshafen aan de linkeroever van km 419,77 tot 424,83 en van km 425,50 tot km 431,90.

  • 2 Voor schepen, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd:

    • a. ligplaatsen aan de rechteroever:

      • i. voor Mannheim-Rheinau,

        van km 413,40 tot km 414,25,

        van km 414,56 tot km 414,90,

        van km 415,50 tot km 416,75;

      • ii. voor Mannheim,

        van km 423,50 tot km 424,00,

        van km 425,36 tot km 427,00,

        van km 428,72 tot km 429,60,

        van km 429,80 tot km 430,30;

    • b. ligplaats aan de linkeroever voor Ludwigshafen van km 425,50 tot km 426,20.

  • 3 Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, zijn gereserveerd:

    • a. ligplaatsen aan de rechteroever:

      van km 413,10 tot km 413,40,

      van km 430,30 tot km 431,10;

    • b. ligplaats aan de linkeroever van km 421,60 tot km 422,00.

  • 4 Voor schepen die bij BASF A.G. willen laden of lossen, dan wel aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd:

    ligplaats aan de linkeroever van km 426,20 tot km 431,47.

Artikel 14.04. Mainz

  • 1 De rede strekt zich voor Mainz uit aan de linkeroever van km 494,60 tot km 497,76 en aan de rechteroever van km 496,90 tot km 497,80.

  • 2 Voor schepen, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd:

    • a. ligplaats aan de linkeroever:

      van km 496,80 tot km 497,76;

    • b. ligplaats aan de rechteroever:

      van km 496,90 tot km 497,33 (voor de Maaraue), uitsluitend voor schepen die de Main willen invaren.

  • 3 Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, zijn gereserveerd:

    • a. ligplaats aan de linkeroever:

      van km 494,60 tot km 494,90;

    • b. ligplaats aan de rechteroever:

      van km 497,48 tot km 497,80.

Artikel 14.05. Bingen

  • 1 De rede strekt zich voor Bingen uit aan de linkeroever van km 524,20 tot km 528,50.

  • 2 Voor schepen, met uitzondering van duwvaart, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd de ligplaatsen:

    van km 524,90 tot km 525,60,

    van km 527,55 tot km 527,97 en

    van km 528,20 tot km 528,50.

  • 3 Voor de duwvaart, die niet verplicht is een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd de ligplaats:

van km 526,20 tot km 526,60, langs de havendam in het vaarwater van Kempten.

  • 4 Voor schepen, met uitzondering van duwvaart, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren is gereserveerd de ligplaats:

van km 526,90 tot km 527,30, langs de havendam in het vaarwater van Kempten.

  • 5 Voor de duwvaart, die verplicht is de tekens bedoeld in artikel 3.14 , eerste lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:

    van km 526,70 tot km 526,90, langs de havendam in het vaarwater van Kempten.

6. Voor schepen, die verplicht zijn de tekens, bedoeld in artikel 3.14, tweede en derde lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:

van km 524,20 tot km 524,70, langs de Ilmenaue.

Artikel 14.06. Bad Salzig

  • 1 De rede strekt zich voor Bad Salzig uit aan de linkeroever van km 564,00 tot km 567,60.

  • 2 Voor schepen, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd de ligplaats:

    van km 564,00 tot km 565,70.

  • 3 Voor schepen, met uitzondering van duwvaart, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:

    van km 566,20 tot km 566,70.

  • 4 Voor de duwvaart, die verplicht is de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:

    van km 566,70 tot km 567,00.

  • 6 In afwijking van artikel 10.01, tweede lid, mag een schip varen binnen de begrenzing van de rede zolang het hoogwaterpeil II slechts aan één van de peilschalen te Kaub of te Koblenz wordt overschreden.

Artikel 14.07. Koblenz

  • 1 De rede strekt zich voor Koblenz uit aan de rechteroever van km 592,15 tot km 593,65.

  • 2 Voor schepen, met uitzondering van duwvaart, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd de ligplaats:

    van km 592,15 tot km 592,80.

  • 3 Voor de duwvaart, die niet verplicht is een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd de ligplaats:

    van km 592,80 tot km 593,40.

  • 4 Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:

    van km 593,40 tot km 593,65.

Artikel 14.08. Andernach

  • 1 De rede strekt zich voor Andernach uit aan de linkeroever van km 611,95 tot km 612,80 en van km 613,80 tot km 614,00.

  • 2 Voor schepen die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd de ligplaats:

    van km 611,95 tot km 612,80.

    Schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, mogen evenwel lossen aan de overslaginrichting voor motorbrandstoffen van de firma E. Doetsch bij km 612,40.

  • 3 Voor de laadinrichting bij km 612,52 (transportband) mogen slechts twee schepen langszijde van elkaar ligplaats nemen.

  • 4 Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, is gereserveerd de ligplaats:

    van km 613,80 tot km 614,00.

Artikel 14.09. Wesseling

  • 1 De rede strekt zich voor Wesseling uit aan de linkeroever van km 668,90 tot km 672,80 voor Köln-Godorf.

  • 2 Voor schepen die niet verplicht zijn een teken als bedoeld in artikel 3.14 te voeren en die te Wesseling of te Köln-Godorf willen laden of lossen, dan wel die aldaar hebben geladen of gelost, zijn gereserveerd de ligplaatsen:

    van km 669,65 tot km 670,10,

    van km 670,34 tot km 670,45,

    van km 670,60 tot km 670,75,

    van km 670,85 tot km 671,00.

  • 3 Voor schepen die niet verplicht zijn een teken als bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren en die te Wesseling of te Köln-Godorf willen laden of lossen, dan wel die aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd de ligplaats:

    van km. 671,00 tot km 671,35.

  • 4 Voor schepen die niet verplicht zijn een teken als bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, te voeren en die te Wesseling of te Köln-Godorf willen laden of lossen, dan wel die aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd de ligplaats:

    van km 671,65 tot km 671,80.

  • 5 Voor schepen die niet verplicht zijn een teken als bedoeld in artikel 3.14 te voeren en voor schepen die verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, en die te Wesseling of te Köln-Godorf willen laden of lossen, dan wel die aldaar hebben geladen of gelost, zijn gereserveerd de ligplaatsen:

    Aires de stationnement,

    van km 668,80 tot km 669,20,

    van km 672,30 tot km 672,80.

Artikel 14.10. Duisburg-Ruhrort

  • 1 De rede strekt zich uit voor Duisburg-Ruhrort van km 769,30 tot km 794,55.

  • 2 Voor schepen, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, is gereserveerd:

    ligplaats "Alsum":

    van km 788,70 tot km 789,99, uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de havens van Schwelgern, Walsum-Süd en Walsum-Nord.

  • 3 Voor schepen, met uitzondering van duwvaart, die niet verplicht zijn een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd:

    • a. aan de linkeroever:

      • i. ligplaats "Friemersheim",

        van km 770,70 tot km 772,30;

      • ii. ligplaats "Rheinhausen",

        van km 773,85 tot km 774,15, uitsluitend voor lege schepen die verkeer onderhouden met de haven van Rheinhausen;

      • iii. ligplaats "Hochemmerich",

        van km 775,60 tot km 777,60, uitsluitend voor geladen schepen;

      • iv. ligplaatsen "Homberg",

        van km 778,10 tot km 778,30,

        van km 778,40 tot km 778,65,

        van km 778,65 tot km 780,00, en

        van km 780,00 tot km 780,45, uitsluitend voor lege schepen en voor schepen die aldaar gerepareerd moeten worden;

      • v. ligplaats "Homberger Ort",

        van km 781,75 tot km 782,50;

      • vi. ligplaatsen "Orsoy",

        van km 792,85 tot km 793,20, uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de Rijnhaven van Orsoy en de havens van Schwelgern, Walsum-Nord en Walsum-Süd,

        van km 793,80 tot km 793,90, uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de Rijnhaven van Orsoy;

    • b. aan de rechteroever:

      • i. ligplaats "Rheinlust",

        van km 770,70 tot km 771,60, uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de haven van Mannesmann, de havens van Hochfeld en de haven van Rheinhausen;

      • ii. ligplaats "Hochfelder Längskribbe",

        van km 773,30 tot km 774,00, uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de havens van Hochfeld en de haven van Rheinhausen;

      • iii. ligplaats "Schreckling",

        van km 778,50 tot km 779,60, uitsluitend voor lege schepen;

      • iv. ligplaatsen "Luftball",

        van km 781,34 tot km 781,54, uitsluitend voor motorschepen die slechts voor korte tijd ligplaats nemen en niet op lading wachten,

        van km 781,54 tot km 783,40, uitsluitend voor lege schepen;

      • v. ligplaats "Unterhalb der Baerler Brücke",

        van km 787,00 tot km 787,50;

      • vi. ligplaats "Walsum",

        van km 790,58 tot km 791,00.

  • 4 Voor schepen die bij de ligplaats «Hochfeld» willen laden of lossen, dan wel aldaar hebben geladen of gelost, is gereserveerd:

    aan de rechteroever, de ligplaats

    van km 774,70 tot km 776,50.

  • 5 Voor schepen, met uitzondering van duwvaart, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, zijn gereserveerd:aan de rechteroever:

    • a. ligplaatsen «Rheinlust»,

      van km 771,60 tot km 771,90, uitsluitend voor lege schepen,

      van km 772,40 tot km 772,90, uitsluitend voor geladen schepen;

    • b. ligplaats «Baerler Brücke»,

      van km 785,35 tot km 786,20.

      Voor het overslaan mogen de schepen slechts gebruik maken van de ligplaats «Baerler Brücke».

  • 6 Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede lid, te voeren, is gereserveerd:

    aan de linkeroever:

    ligplaats «Friemersheim»,

    van km 769,80 tot km 770,00.

  • 7 Voor schepen, die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, derde lid, te voeren, is gereserveerd:

    aan de linkeroever:

    ligplaats «Friemersheim»,

    van km 769,40 tot km 769,70.

  • 8 Voor de duwvaart, die niet verplicht is een teken bedoeld in artikel 3.14 te voeren, zijn gereserveerd:

    • a. aan de linkeroever:

      • i. ligplaatsen «Friemersheim»,

        van km 770,10 tot km 770,70, en

        van km 772,70 tot km 773,20;

      • ii. ligplaats «Homberger Ort»,

        van km 782,50 tot km 784,00;

      • iii. ligplaatsen «Orsoy»,

        van km 788,90 tot km 792,05,

        van km 794,30 tot km 794,55, uitsluitend voor schepen die verkeer onderhouden met de Rijnhaven van Orsoy;

    • b. aan de rechteroever:

      • i. ligplaats «Schreckling»,

        van km 777,80 tot km 778,30;

      • ii. ligplaats «Unterhalb der Baerler Brücke»,

        van km 787,50 tot km 788,00.

  • 9 Voor de duwvaart, die verplicht is de tekens bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, te voeren, zijn gereserveerd:

    • a. aan de linkeroever:

      ligplaats «Friemersheim»,

      van km 772,30 tot km 772,70;

    • b. aan de rechteroever:

      ligplaats «Unterhalb der Baerler Brücke»,

      van km 786,20 tot km 786,60.

Artikel 14.11. Overnachtingshavens Boven-Rijn en Waal

  • 1 In de overnachtingshavens te Lobith (km 863,40), IJzendoorn (km 907,80) en Haaften (km 936,00), is het zonder toestemming van de bevoegde autoriteit, verboden:

    • a. schepen te laden of te lossen;

    • b. goederen of andere voorwerpen op de oever of op een aanlegsteiger te plaatsen;

    • c. tanks te ontgassen;

    • d. passagiers aan boord te nemen of aan de wal te zetten;

    • e. met drijvende voorwerpen of drijvende inrichtingen in te varen;

    • f. in te varen met schepen die verplicht zijn de tekens bedoeld in artikel 3.14, tweede en derde lid, te voeren;

    • g. langer dan drie opeenvolgende dagen ligplaats te nemen;

    • h. nadat de onder g genoemde periode is verstreken, binnen twaalf uren opnieuw ligplaats te nemen;

    • i. met het achterschip naar de wal ligplaats te nemen;

    • j. met samenstellen langer dan 135 m aan de aanlegsteigers af te meren.

  • 2 De schipper moet zowel het innemen van de ligplaats in de overnachtingshaven als het vertrek daaruit onmiddellijk melden aan de verkeerspost Nijmegen (Lobith) en Tiel (IJzendoorn en Haaften).

  • 3 De bevoegde autoriteit kan de schipper aanwijzingen geven waarbij dit artikel wordt aangevuld, dan wel daarvan wordt afgeweken.

Artikel 14.12. Lobith [Vervallen per 01-04-2009]

Artikel 14.13. IJzendoorn en Haaften [Vervallen per 01-04-2009]

III. Milieubepalingen

Hoofdstuk 15. Bescherming van het water tegen verontreiniging en verwijdering van scheepsafvalstoffen

Artikel 15.01. Begripsbepalingen en toepassing

  • 1 De begripsbepalingen van artikel 1 van het Verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart (CDNI) en van de artikelen 5.01 en 8.01 van bijlage 2 zijn van toepassing op dit hoofdstuk.

  • 2 De toepassingsmodaliteiten van de bepalingen van dit hoofdstuk zijn in het CDNI geregeld.

Artikel 15.02. Algemene plicht tot waakzaamheid

De schipper, de overige bemanning en andere personen aan boord moeten de door de omstandigheden vereiste waakzaamheid betonen om verontreiniging van de vaarweg te vermijden, de hoeveelheid afvalstoffen en afvalwater die aan boord ontstaan zo veel mogelijk te beperken en vermenging van verschillende afvalsoorten zo veel mogelijk te voorkomen.

Artikel 15.03. Verbod te lozen of te water te doen geraken

  • 1 Het is verboden vanaf schepen afgewerkte olie, bilgewater, afgewerkt vet en overige oliehoudende afvalstoffen dan wel slops, huisvuil, zuiveringsslib, overig klein chemisch afval, delen van de lading alsmede afval van de lading te lozen of te water te doen geraken.

  • 2 Uitzonderingen op dit verbod zijn slechts toegelaten overeenkomstig het CDNI.

  • 3 Indien afval of afvalwater als bedoeld in het eerste lid per ongeluk vrijkomt of dreigt vrij te komen, moet de schipper, onverminderd de bepalingen van het CDNI, onverwijld de dichtstbijzijnde bevoegde autoriteit waarschuwen. Daarbij moet hij de plaats van het voorval alsmede de hoeveelheid en de aard van de stof zo nauwkeurig mogelijk aangeven.

Artikel 15.04. Inzamelen en behandelen aan boord

  • 1 De schipper moet er voor zorgen dat de in artikel 15.03, eerste lid, genoemde afvalstoffen, met uitzondering van delen van de lading, alsmede afval van de lading, aan boord gescheiden in de daarvoor bestemde verzamelreservoirs en het bilgewater in de bilge van de machinekamer wordt verzameld. De verzamelreservoirs moeten aan boord zó opgeslagen worden dat daaruit lekkende stoffen gemakkelijk en tijdig opgemerkt en het lekken gestopt kan worden.

  • 2 Het is verboden:

    • a. los aan dek staande verzamelreservoirs te gebruiken voor de opslag van afgewerkte olie;

    • b. afvalstoffen aan boord te verbranden;

    • c. reinigingsmiddelen die olie of vet oplossen dan wel emulgerend zijn in de bilge van de machinekamer te doen geraken. Van dit verbod zijn uitgezonderd reinigingsmiddelen die verwerking van het bilgewater door een inrichting voor het ontvangen van afval niet bemoeilijken.

Artikel 15.05. Olie-afgifteboekje, afgifte aan inrichtingen voor het ontvangen van afval

  • 1 Elk gemotoriseerd schip, indien het gasolie gebruikt, moet een geldig olie-afgifteboekje aan boord hebben, dat door de bevoegde autoriteit volgens het model van bijlage 10 wordt verstrekt. Dit afgifteboekje moet aan boord worden bewaard. Na het verkrijgen van een nieuw olie-afgifteboekje moet het voorgaande boekje gedurende tenminste zes maanden na de laatste daarin vermelde datum van afgifte aan boord worden bewaard.

  • 2 Olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval, slops en overig klein chemisch afval moeten met regelmatige, van de staat en van het gebruik van het schip afhankelijke, tussenpozen bij de door de bevoegde autoriteiten toegelaten inrichtingen voor het ontvangen van afval tegen ontvangstbewijs worden afgegeven. Het bewijs bestaat uit een aantekening door de ontvangstinrichting in het olie-afgifteboekje.

  • 3 Een schip dat op grond van voorschriften die gelden buiten de Rijn andere bescheiden over de afgifte van afvalstoffen aan boord heeft, moet in deze andere bescheiden een bewijs van de afgifte van afvalstoffen buiten de Rijn kunnen leveren. Als een dergelijk bewijs geldt ook het oliejournaal op basis van het Verdrag ter voorkoming van verontreiniging van de zee door schepen (MARPOL-verdrag).

  • 4 Huisvuil en zuiveringsslib moeten bij de daarvoor bestemde inzamelplaatsen worden afgegeven.

Artikel 15.06. Plicht tot waakzaamheid tijdens het bunkeren

  • 1 De schipper moet bij het bunkeren van brandstof en smeerstoffen ervoor zorgen dat:

    • a. de hoeveelheid die wordt gebunkerd binnen de afleesbare standen van de peilinrichting blijft;

    • b. ingeval van afzonderlijk vullen van de tanks de afsluiters in de verbindingsleidingen tussen tanks gesloten zijn;

    • c. het bunkeren onder toezicht geschiedt; en,

    • d. een inrichting overeenkomstig artikel 8.05, tiende lid, van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn wordt gebruikt.

  • 2 De schipper moet er voorts voor zorgen, dat de personen van het bunkerstation en van het schip die voor het bunkeren verantwoordelijk zijn, voordat zij met het bunkeren beginnen, de volgende punten zijn overeengekomen:

    • a. het verzekerd zijn van het goede functioneren van het systeem, bedoeld in artikel 8.05, elfde lid van het Reglement onderzoek schepen op de Rijn alsmede het aanwezig zijn van een spreekverbinding tussen het schip en het bunkerstation;

    • b. de te bunkeren hoeveelheid per tank en de vulsnelheid, vooral met het oog op mogelijke problemen met het ontluchten van de tank;

    • c. de volgorde waarin de tanks worden gevuld;

    • d. de snelheid van het schip, wanneer varend wordt gebunkerd.

  • 3 De schipper van een bunkerboot mag met het bunkeren pas beginnen wanneer de overeenstemming over de punten bedoeld in het tweede lid is vastgesteld.

Artikel 15.07. Verzameling, afgifte en inname van afval van de lading

  • 1 Bij het nalossen alsmede bij de afgifte en inname van afval van de lading, dient de schipper de bepalingen van deel B van de Uitvoeringsregeling van het CDNI na te komen.

  • 2 Ieder schip dat op de Rijn is gelost, moet voor elk lossen een geldige losverklaring aan boord hebben overeenkomstig het in Aanhangsel IV van Bijlage 2 van het CDNI opgenomen model. Behoudens de in het CDNI vermelde uitzonderingen, dient de verklaring ten minste zes maanden na afgifte aan boord te worden bewaard.

Artikel 15.08. Behandelen van de buitenkant van schepen

Het is verboden de scheepshuid te oliën of met middelen, die niet in het water mogen komen, te reinigen.

Bijlage 1. Letter of lettercombinatie ter onderscheiding van het land waar de thuishaven of de plaats van teboekstelling van een schip is gelegen

(indicatieve lijst)

A

:

OOSTENRIJK

B

:

BELGIË

BG

:

BULGARIJE

BIH

:

BOSNIË-HERZEGOVINA

BY

:

WIT-RUSLAND

CH

:

ZWITSERLAND

CZ

:

TSJECHISCHE REPUBLIEK

D

:

DUITSLAND

F

:

FRANKRIJK

FI

:

FINLAND

HR

:

CROATIË

HU

:

HONGARIJE

I

:

ITALIË

L

:

LUXEMBURG

LT

:

LITOUWEN

MD

:

REPUBLIEK MOLDOVA

MLT

:

MALTA

N

:

NEDERLAND

NO

:

NOORWEGEN

P

:

PORTUGAL

PL

:

POLEN

R

:

ROEMENIË

RUS

:

RUSSISCHE FEDERATIE

SE

:

ZWEDEN

SI

:

SLOVENIË

SRB

:

SERVIË

SK

:

SLOWAKIJE

UA

:

OEKRAÏNE

Bijlage 2

(niet overgenomen)

Bijlage 3. Optische tekens van schepen

I. Algemeen

1. De in deze bijlage opgenomen schetsen hebben slechts een verduidelijkend karakter. Men dient zich te houden aan de tekst van het reglement die uitsluitend rechtsgeldigheid bezit.

2. Een duwstel, waarvan de grootste lengte en de grootste breedte niet meer dan 110 m respectievelijk 12 m bedraagt, wordt beschouwd als een alleen varend motorschip van dezelfde lengte.

3. Verklaringen:

Bijlage 15407.png

vast licht dat rondom schijnend is

Bijlage 15408.png

vast licht dat schijnt over een beperkte boog van de horizon

Bijlage 15409.png

flikkerlicht

Bijlage 15410.png

vlag of bord

Bijlage 15411.png

bol

Bijlage 15412.png

cilinder

Bijlage 15413.png

kegel

Bijlage 15414.png

ruit

Een voor de waarnemer niet zichtbaar licht is met een punt in het midden aangeduid.

De schetsen op zwarte ondergrond stellen de lichten voor.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53084.png

1

 

Artikel 3.01 Begripsbepalingen en toepassing

Lid 1: De sektoren waarover het toplicht, de boordlichten en het heklicht zichtbaar zijn.

Bijlage 53087.png

2

 

Artikel 3.08 Alleenvarende motorschepen

Lid 1: Lengte tot 110 m.

Bijlage 53088.png

3

 

Artikel 3.08 Alleenvarende motorschepen

Lid 2: Lengte meer dan 110 m.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53090.png

4

Bijlage 53092.png

Artikel 3.09 Varende Slepen

Lid 1: Motorschip aan de kop van een varende sleep.

Bijlage 53094.png

5

Bijlage 53097.png

Artikel 3.09 Varende Slepen

Lid 2: Sleep aan de kop waarvan verscheidene motorschepen naast elkaar varen.

Bijlage 53096.png

6

Bijlage 53098.png

Artikel 3.09 Slepen

Lid 3: Gesleepte schepen.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53099.png

7

Bijlage 53100.png

Artikel 3.09 slepen

Lid 3 onder a: Lengte in een sleep langer dan 110 m.

Bijlage 53102.png

8

Bijlage 53104.png

Artikel 3.09 slepen

Lid 3 onder b: Lengte in een sleep bestaande uit meer dan twee langszijde van elkaar vastgemaakte schepen.

Bijlage 53105.png

9

Bijlage 53106.png

Artikel 3.09 slepen

Lid 4: Schip als laatste lengte van een sleep.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53107.png

10

Bijlage 53108.png

Artikel 3.09 Slepen

Lid 4: Meerdere schepen als laatste lengte van een sleep.

Bijlage 53109.png

11

 

Artikel 3.10 Duwstellen

Lid 1: Duwstel

Bijlage 53110.png

12

 

Artikel 3.10 Duwstellen

Lid 1 onder c: behalve de duwboot twee of meer andere schepen van achteren over de volle breedte inzetbaar.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53111.png

13

 

Artikel 3.10 Duwstellen

Lid 2: Twee duwboten

Bijlage 53112.png

14

Bijlage 53113.png

Artikel 3.10 Duwstellen

Leden 3 en 4: Gesleept duwstel.

Bijlage 53114.png

15

 

Artikel 3.11 Gekoppelde samenstellen

Lid 1: Twee motorschepen

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53115.png

16

 

Artikel 3.11 Gekoppelde samenstellen

Lid 1: Een motorschip en een schip dat geen motorschip is.

Bijlage 53116.png

17

 

Artikel 3.12 Zeilschepen

Bijlage 53117.png

18

 

Artikel 3.13 Kleine schepen

Lid 1 onder a, b en c: Klein motorschip.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53118.png

19

 

Artikel 3.13 Kleine schepen

Lid 1 onder d, e, en f: Klein motorschip met de boordlichten onmiddellijk naast elkaar of in één lantaarn verenigd.

Bijlage 53119.png

20

 

Artikel 3.13 Kleine schepen

Lid 1 onder f: klein motorschip met een rondom schijnend licht.

Bijlage 53120.png

21

 

Artikel 3.13 Kleine schepen

Lid 3: Gesleept of langszijde vastgemaakt voorbewogen klein schip.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53121.png

22

 

Artikel 3.13 Kleine schepen

Lid 4: Klein zeilschip.

Bijlage 53122.png

23

 

Artikel 3.13 Kleine schepen

Lid 4: Klein zeilschip waarbij de boordlichten en het heklicht in één lantaarn aan de top van de mast verenigd zijn.

Bijlage 53123.png

24

 

Artikel 3.13 Kleine schepen

Lid 4: Klein zeilschip met een rondom schijnend licht dat tevens bij het naderen van een ander schip een tweede licht toont.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53124.png

25

 

Artikel 3.13 Kleine schepen

Lid 5: Klein schip dat noch door middel van een motor noch door middel van zeilen wordt voortbewogen.

Bijlage 53126.png

26

Bijlage 53127.png

Artikel 3.13 Kleine schepen

Leden 1 en 6: Klein schip dat gelijktijdig door middel van zeilen en door een motor wordt voortbewogen.

Bijlage 53128.png

27a

Bijlage 53130.png

Artikel 3.14 Schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren

Lid 1: Bepaalde brandbare stoffen, bedoeld in het ADN

Lichten

Schets

Dagtekens

 

27b

Bijlage 53132.png

Artikel 3.14 Schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren

Lid 1: Bepaalde brandbare stoffen, bedoeld in het ADN

Bijlage 53135.png

28a

Bijlage 53133.png

Artikel 3.14 Schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren

Lid 2: Bepaalde voor de gezondheid schadelijke stoffen, bedoeld in het ADN

 

28b

Bijlage 53136.png

Artikel 3.14 Schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren

Lid 2: Bepaalde voor de gezondheid schadelijke stoffen, bedoeld in het ADN

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53137.png

29

Bijlage 53138.png

Artikel 3.14 Schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren

Lid 3: Bepaalde ontplofbare stoffen, bedoeld in het ADN

Bijlage 53139.png

30

Bijlage 53140.png

Artikel 3.14 Schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren

Lid 4: Duwstel.

Bijlage 53141.png

31

Bijlage 53142.png

Artikel 3.14 Schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren

Lid 4: Gekoppeld samenstel.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53143.png

32

Bijlage 53144.png

Artikel 3.14 Schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren

Lid 5: Duwstel met 2 duwboten.

 

33

Bijlage 53145.png

Artikel 3.15 Schepen die meer dan 12 passagiers mogen vervoeren en warvan de maximale lengte van de romp minder dan 20 m is

Bijlage 53146.png

34

 

Artikel 3.16 Veerponten

Lid 1: Niet-vrijvarende veerpont.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53147.png

35

 

Artikel 3.16 Veerponten

Lid 2: Meest bovenstrooms gelegen ankerschuit of drijver van een veerpont aan een langskabel.

Bijlage 53148.png

36

 

Artikel 3.16 Veerponten

Lid 3: Vrijvarende veerpont.

 

37

Bijlage 53149.png

Artikel 3.17 Schepen die recht van voorrang hebben

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53150.png

38

Bijlage 53151.png

Artikel 3.18 Onmanoeuvreerbare schepen

Bijlage 53152.png

39

 

Artikel 3.19 Drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen

Bijlage 53153.png

40

 

Artikel 3.20 Stilligende schepen

Lid 1: Schip met uitzondering van een klein schip, een veerpont en een drijvend werktuig in bedrijf.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53154.png

41

 

Artikel 3.20 Stilliggende schepen

Lid 2: Klein schip met uitzondering van een bijboot.

Bijlage 53155.png

42

Bijlage 53156.png

Artikel 3.21 Stilliggende schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren

Bijlage 53157.png

43

Bijlage 53158.png

Artikel 3.21 Stilliggende schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren:

Duwstellen.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53159.png

44

Bijlage 53160.png

Artikel 3.21 Stilliggende schepen die bepaalde gevaarlijke stoffen vervoeren:

Gekoppeld samenstel.

Bijlage 53161.png

45

 

Artikel 3.22 Op hun aanlegplaats stilliggende veerponten

Lid 1: Niet-vrijvarende veerpont.

Bijlage 53162.png

46

 

Artikel 3.22 Op hun aanlegplaats stilliggende veerponten

Lid 2: Vrijvarende veerpont.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53163.png

47

 

Artikel 3.23 Drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen

Bijlage 53164.png

48

Bijlage 53165.png

Artikel 3.24 Visserschepen met netten of uitleggers

Bijlage 53166.png

49a

Bijlage 53167.png

Lichten

Schets

Dagtekens

 

49b

Bijlage 53168.png

Artikel 3.25 Drijvende werktuigen in bedrijf en vastgevaren of gezonken schepen

Lid 1 onder a: doorvaart aan beide zijden vrij.

Bijlage 53169.png

50a

Bijlage 53170.png
 

50b

Bijlage 53171.png

Artikel 3.25 Drijvende werktuigen in bedrijf en vastgevaren of gezonken schepen

Lid 1 onder a en b: doorvaart aan één zijde vrij.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53172.png

51

Bijlage 53173.png

Artikel 3.25 Drijvende werktuigen in bedrijf en vastgevaren of gezonken schepen

Lid 1 onder c: bescherming tegen hinderlijke waterbeweging; doorvaart aan beide zijden vrij.

Bijlage 53174.png

52

Bijlage 53175.png

Artikel 3.25 Drijvende werktuigen in bedrijf en vastgevaren of gezonken schepen

Lid 2: Vastgevaren of gezonken schepen; doorvaart aan één zijde vrij.

Bijlage 53176.png

53

Bijlage 53177.png

Artikel 3.26 Schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen waarvan de ankers een gevaar voor de scheepvaart kunnen vormen

Lid 1 en 3: Schip met anker.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53178.png

54

Bijlage 53179.png

Artikel 3.26 Schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen waarvan de ankers een gevaar voor de scheepvaart kunnen vormen

Leden 2 en 3: Drijvend voorwerp of drijvende inrichting met ankers.

Bijlage 53180.png

55

Bijlage 53181.png

Artikel 3.26 Schepen, drijvende voorwerpen en drijvende inrichtingen waarvan de ankers een gevaar voor de scheepvaart kunnen vormen

Lid 4: Anker van een drijvend werktuig.

Bijlage 53182.png

56

Bijlage 53183.png

Artikel 3.27 Schepen van toezichthoudende ambtenaren.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53184.png

57

Bijlage 53185.png

Artikel 3.28 Schepen die werkzaamheden in de vaarweg uitvoeren.

Bijlage 53186.png

58

Bijlage 53187.png

Artikel 3.29 Bescherming tegen hinderlijke waterbeweging.

Bijlage 53188.png

59

Bijlage 53189.png

Artikel 3.30 Noodtekens.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 249472.png
Bijlage 249473.png
Bijlage 53194.png

62

Bijlage 53195.png

Artikel 3.33 Verbod evenwijdig aan een schip ligplaats te nemen.

Lichten

Schets

Dagtekens

Bijlage 53196.png

63

Bijlage 53197.png

Artikel 6.04 Ontmoeten

Lid 3: Ontmoeten stuurboord op stuurboord.

Bijlage 98868.png

64

Bijlage 98870.png

Artikel 3.08 Alleenvarende motorschepen

Lid 3: Snel schip

Bijlage 252625.png

Bijlage 4

(Niet overgenomen)

Bijlage 5

(Niet overgenomen)

Bijlage 6. Geluidsseinen

Opmerking vooraf:

Met uitzondering van klokslagen en van reeksen van klokslagen en van het sein, bestaande uit drie zonder onderbreking op elkaar volgende tonen van verschillende toonhoogte, worden de geluidsseinen gevormd door het geven van één of meer opeenvolgende stoten met de volgende kenmerken:

  • - korte stoot: stoot, durende ongeveer één seconde;

  • - lange stoot: stoot, durende ongeveer vier seconden.

De tijdruimte tussen twee opeenvolgende stoten bedraagt ongeveer één seconde.

Het sein "een reeks zeer korte stoten" wordt evenwel gevormd door een reeks van ten minste zes stoten, elk durende een kwart seconde, waarbij de tijdruimte tussen opeenvolgende stoten ongeveer een kwart seconde bedraagt.

Een reeks klokslagen moet ongeveer vier seconden duren. In plaats daarvan kunnen ook reeksen slagen van metaal op metaal worden gegeven.

Bijlage 15415.png
Bijlage 218037.png

Bijlage 7. Verkeerstekens van de vaarweg

Opmerking vooraf:

1. De tekens vermeld in afdeling I kunnen worden aangevuld of verduidelijkt zoals aangegeven in afdel