Start van deze paginaSkip navigatie, ga direct naar de Inhoud
  • Vorige

  • Volgende

Wet explosieven voor civiel gebruik

Geldend op 23-12-2013


  • Wet van 7 juli 1994, houdende vaststelling van de Wet explosieven voor civiel gebruik
  • Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

    Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

    Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk is uitvoering te geven aan richtlijn nr. 93/15/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 1993 betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (PbEG L 121);

    Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

  • Hoofdstuk I. Algemeen

  • Artikel 1

    In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a. Onze Minister: Onze Minister van Infrastructuur en Milieu;

    • b. korpschef: korpschef als bedoeld in artikel 27 van de Politiewet 2012;

    • c. richtlijn nr. 93/15/EEG: richtlijn nr. 93/15/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 5 april 1993 betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (PbEG L 121);

    • d. explosieven: alle stoffen en voorwerpen die in de "United Nations Recommendations on the transport of dangerous goods" - dat wil zeggen de door de Commissie van Deskundigen inzake het Vervoer van Gevaarlijke Stoffen van de Verenigde Naties vastgestelde aanbevelingen, zoals die door die organisatie zijn gepubliceerd en zoals die op de datum van aanneming van richtlijn nr. 93/15/EEG zijn gewijzigd (ST/SG/AC.10/1/REV.7; United Nations, New York, 1991) - als dusdanig worden omschreven en aldaar zijn ingedeeld in klasse 1;

    • e. in de handel brengen: voor de eerste keer, al dan niet tegen betaling, beschikbaar stellen van explosieven met het oogmerk om deze in een lid-staat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte op de markt te distribueren of te gebruiken;

    • f. veiligheid: voorkoming van ongevallen of, indien zulks onmogelijk is, beperken van de gevolgen daarvan;

    • g. beveiliging: voorkoming van het illegale gebruik van explosieven;

    • h. overbrenging: materiële verplaatsing van explosieven binnen de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is of andere gebieden waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is, met uitzondering van verplaatsingen die binnen dezelfde inrichting worden uitgevoerd;

    • i. onderneming uit de sector explosieven: elke natuurlijke of rechtspersoon die houder is van een erkenning als bedoeld in artikel 17;

    • j. ontstekingsmiddelen: middelen, bedoeld om explosieven tot ontsteking te brengen;

    • k. CE-markering: aanduiding, weergegeven in bijlage IV bij richtlijn nr. 93/15/EEG.

  • Artikel 2

    • 1. Deze wet is niet van toepassing op:

      • a. explosieven die bestemd zijn om te worden gebruikt door de krijgsmacht of de politie;

      • b. pyrotechnische artikelen, die zijn aangewezen:

        • 1°. in bijlage I bij richtlijn nr. 2004/57/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 23 april 2004 betreffende het identificeren van pyrotechnische voorwerpen en bepaalde munitie voor de doeleinden van richtlijn nr. 93/15/EEG van de Raad betreffende de harmonisatie van de bepalingen inzake het in de handel brengen van en de controle op explosieven voor civiel gebruik (PbEU L 127);

        • 2°. bij regeling van Onze Minister ingevolge bijlage II bij richtlijn nr. 2004/57/EG;

        • 3°. bij regeling van Onze Minister voor zover die artikelen zonder die aanwijzing als binnen het werkingsgebied van deze wet vallend zouden kunnen worden beschouwd, en.

      • c. munitie als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 4°, van de Wet wapens en munitie;

    • 3. Een wijziging van de in het eerste lid genoemde richtlijn met gevolgen voor de daarbij als zodanig aangewezen pyrotechnische artikelen gaat voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen gelden met ingang van de dag waarop aan de desbetreffende wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

  • Hoofdstuk II. In de handel brengen van explosieven

  • § 1. Algemeen

  • Artikel 3
    • 1. Het is verboden explosieven in de handel te brengen en, voor de onder d bedoelde markering, in strijd te handelen met het derde lid, een en ander voor wat betreft explosieven:

      • a. die niet voldoen aan de in bijlage I bij richtlijn nr. 93/15/EEG gestelde fundamentele veiligheidseisen;

      • b. die niet zijn voorzien van de CE-markering;

      • c. die niet overeenkomstig de procedures, bedoeld in artikel 7, eerste lid, op hun conformiteit zijn beoordeeld,en

      • d. die niet zijn gemarkeerd met een unieke identificatie als bedoeld in de bijlage van richtlijn 2008/43/EG van de Commissie van 4 april 2008 tot instelling van een systeem voor de identificatie en de traceerbaarheid van explosieven voor civiel gebruik overeenkomstig richtlijn 93/15/EEG van de Raad (PbEG L 94).

    • 2. Het is verboden op explosieven een andere aanduiding dan de CE-markering aan te brengen, die verwarring zou kunnen stichten met betrekking tot de betekenis en de grafische vormgeving van de CE-markering.

    • 3. Ondernemingen uit de sector explosieven die explosieven produceren, invoeren of ontstekers monteren, bevestigen of brengen de unieke identificatie op duurzame wijze en duidelijk leesbaar aan op de explosieven, onderdelen en elke kleinste verpakkingseenheid daarvan, en ontstekingsmiddelen.

    • 4. Onze Minister stelt, in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, nadere regels over de wijze waarop de unieke identificatie wordt aangebracht of bevestigd.

    • 5. Onze Minister stelt, in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, regels over het toewijzen van een productlocatiecode als element van de unieke identificatie en bepaalt in welke gevallen van het eerste lid, onder d, en derde lid kan worden afgeweken, mits de explosieven traceerbaar blijven.

  • Artikel 4

    Explosieven worden in elk geval vermoed aan de in artikel 3, eerste lid, onder a, bedoelde fundamentele veiligheidseisen te voldoen, indien zij in overeenstemming zijn met:

    • a. de ter uitvoering van artikel 4, eerste lid, van richtlijn nr. 93/15/EEG opgestelde geharmoniseerde normen, waarvan de referentienummers in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen zijn bekendgemaakt;

    • b. de normen die overeenkomstig de onder a bedoelde geharmoniseerde normen in Nederland zijn vastgesteld en waarvan de referentienummers door Onze Minister in de Staatscourant zijn bekendgemaakt, of

    • c. de normen die overeenkomstig de onder a bedoelde geharmoniseerde normen in een andere lid-staat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte zijn vastgesteld en waarvan de referentienummers in die lid-staat zijn bekendgemaakt.

  • § 2. Keuringsinstellingen

  • Artikel 5
    • 1. Onze Minister kan een of meer instellingen aanwijzen die bevoegd zijn tot het verrichten van onderzoek, controles en beoordelingen zoals omschreven in de in artikel 7, eerste lid, bedoelde procedures. Aan zodanige aanwijzing kunnen voorschriften worden verbonden.

    • 2. Voor een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid komen in aanmerking instellingen die tenminste voldoen aan de voorwaarden, genoemd in bijlage III bij richtlijn nr. 93/15/EEG.

    • 3. Onze Minister trekt een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid in elk geval in, indien de instelling:

      • a. niet langer voldoet aan de in het tweede lid bedoelde voorwaarden, of

      • b. niet voldoet aan de in het kader van de in artikel 7, eerste lid, bedoelde procedures op haar rustende verplichtingen.

  • Artikel 6

    Als instellingen die bevoegd zijn tot het verrichten van onderzoek, controles en beoordelingen, zoals omschreven in de in artikel 7, eerste lid, bedoelde procedures, worden mede aangemerkt instellingen die in het kader van richtlijn nr. 93/15/EEG door andere lid-staten van de Europese Unie of andere staten die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte zijn aangemeld en waarvan de namen door de Commissie van de Europese Gemeenschappen zijn gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

  • § 3. Typekeuring alsmede controle op explosieven en fabricageprocessen

  • Artikel 7
    • 1.De CE-markering mag uitsluitend op explosieven worden aangebracht, onderscheidenlijk:

      • a.

        • 1°. indien het desbetreffende type blijkens een verklaring van EG-typeonderzoek overeenkomstig de in bijlage II, module B, bij richtlijn nr. 93/15/EEG beschreven procedure is goedgekeurd;

        • 2°. zolang de vervaardiging van de desbetreffende explosieven geschiedt met inachtneming van, naar keuze van de fabrikant, een van de vier in bijlage II bij richtlijn nr. 93/15/EEG beschreven procedures onder de modules C tot en met F, en

        • 3°. zolang wordt voldaan aan de in het kader van de onder a en b bedoelde procedures op de fabrikant, diens in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is of andere gebieden waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is gevestigde gemachtigde dan wel de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van de desbetreffende explosieven, rustende verplichtingen;

      • b.

        • 1°. indien de betrokken explosieven blijkens een verklaring van overeenstemming overeenkomstig de in bijlage II, module G, bij richtlijn nr. 93/15/EEG beschreven procedure zijn goedgekeurd en zijn voorzien van het onder bijlage II, module G, punt 2, bedoelde identificatiesymbool;

        • 2°. zolang de vervaardiging van deze explosieven geschiedt met inachtneming van de onder module G beschreven procedure en

        • 3°. zolang door de fabrikant wordt voldaan aan de in het kader van module G op hem rustende verplichtingen.

    • 2.De CE-markering is zichtbaar, gemakkelijk leesbaar en onuitwisbaar op de explosieven aangebracht of, indien markering hierop niet mogelijk is, op overeenkomstige wijze op een op de explosieven bevestigde plaat, op een zodanige wijze dat deze plaat slechts eenmalig te gebruiken is. In geval geen van de in de eerste volzin bedoelde methoden bruikbaar is, dient de CE-markering op de wijze als bedoeld in de eerste volzin op de verpakking van de explosieven te worden aangebracht.

    • 3.Indien de in het eerste lid, onder a, 2°, bedoelde keuze is gemaakt voor:

      • a. module C, dient het onder bijlage II, module C, punt 1, bedoelde identificatiesymbool tijdens het fabricageproces te worden aangebracht;

      • b. module D of E, dient de CE-markering vergezeld te gaan van het onder bijlage II, module D, punt 1, onderscheidenlijk bijlage II, module E, punt 1, bedoelde identificatiesymbool, of

      • c. module F, wordt het onder bijlage II, module F, punt 4.2, bedoelde identificatiesymbool aangebracht.

    • 4.De CE-markering geeft tevens aan dat explosieven, die onder de reikwijdte van richtlijn nr. 93/15/EEG vallen, vermoed worden te voldoen aan andere mede van toepassing zijnde richtlijnen en de Nederlandse regelingen ter implementatie daarvan die ook voorzien in het aanbrengen van dit teken.

  • § 4. Explosieven met conformiteitsgebrek

  • Artikel 8
    • 1. Onverminderd artikel 31, is Onze Minister bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de voorschriften, bedoeld in artikel 7, eerste lid, jegens de fabrikant, diens in de gebieden waarop het Verdrag betreffende de Europese Unie van toepassing is of andere gebieden waarop de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van toepassing is gevestigde gemachtigde dan wel de persoon die verantwoordelijk is voor het in de handel brengen van de desbetreffende explosieven, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, 3°.

    • 2. Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort:

      • a. het geheel of gedeeltelijk stopzetten van het vervaardigen, in Nederland in de handel brengen of aan een ander ter beschikking stellen van de explosieven;

      • b. het vernietigen van de explosieven;

      • c. het in beslag nemen van de explosieven.

  • Artikel 9

    Onze Minister neemt eveneens maatregelen als bedoeld in artikel 8 met betrekking tot explosieven waarop de CE-markering is aangebracht en die overeenkomstig hun bestemming worden gebruikt, indien deze explosieven naar zijn oordeel de veiligheid in gevaar kunnen brengen.

  • Hoofdstuk III. Overbrenging van explosieven

  • § 1. Vergunning en toestemming

  • Artikel 10
    • 1.Het is verboden explosieven over te brengen, indien de desbetreffende overbrenging in Nederland eindigt zonder dat:

      • a. aan de verkrijger van deze explosieven daartoe vergunning is verleend, en

      • b. voor zover de explosieven afkomstig zijn uit een andere lidstaat van de Europese Unie, voor het deel van die overbrenging dat binnen Nederland plaatsvindt toestemming is verleend.

    • 2.Het is verboden explosieven over te brengen, indien de desbetreffende overbrenging in een ander land dan Nederland eindigt, zonder dat voor het deel van die overbrenging dat binnen Nederland plaatsvindt toestemming is verleend.

  • Artikel 11
    • 1.Een vergunning als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a dient te worden aangevraagd door de verkrijger van de over te brengen explosieven bij burgemeester en wethouders van de gemeente waarin de overbrenging eindigt. De aanvrager voegt bij zijn aanvrage de in artikel 9, zevende lid, eerste alinea, van richtlijn nr. 93/15/EEG bedoelde gegevens.

    • 2.Burgemeester en wethouders gaan aan de hand van de in het eerste lid bedoelde gegevens na of:

      • a. voor overbrengingen waarvoor vergunning wordt aangevraagd specifieke beveiligingseisen gelden of nodig zijn en

      • b. degene voor wie de explosieven bestemd zijn houder is van een erkenning als bedoeld in artikel 17.

    • 3.Indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders geen specifieke beveiligingseisen gelden:

      • a. wordt in de vergunning uitsluitend melding gemaakt van het besluit dat zij hebben genomen na de controle op de voorgenomen overbrengingen;

      • b. kan zonder voorafgaande kennisgeving aan hen met de onder a bedoelde overbrengingen worden aangevangen en

      • c. wordt de vergunning verleend voor een door hen daarbij te stellen termijn.

    • 4.Voor de overbrenging van explosieven die afkomstig zijn uit een andere lidstaat van de Europese Unie wordt, indien die overbrenging in Nederland eindigt, het als bijlage bij beschikking nr. 2004/388/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 april 2004 (PbEU L 120) opgenomen document als model gehanteerd voor zowel de vergunning als de toestemming.

    • 5.Een wijziging van de in het vierde lid genoemde beschikking met gevolgen voor het daarbij als bijlage opgenomen document gaat voor de toepassing van het vierde lid gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken beschikking uitvoering moet zijn gegeven, tenzij bij ministerieel besluit, dat in de Staatscourant wordt bekendgemaakt, een ander tijdstip wordt vastgesteld.

  • Artikel 12

    Indien naar het oordeel van burgemeester en wethouders met betrekking tot overbrenging bijzondere beveiligingseisen gelden of nodig zijn:

    • a. bevat een vergunning als bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder a, de in artikel 9, zevende lid, eerste alinea, van richtlijn nr. 93/15/EEG bedoelde gegevens en.

    • b. dient voordat wordt aangevangen met een overbrenging waarvoor vergunning is verleend, aan burgemeester en wethouders van die overbrenging kennisgeving te worden gedaan.

  • Artikel 13
    • 2. De artikelen 11, tweede en derde lid, en 12 zijn van toepassing, met dien verstande dat Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie in de plaats treedt van burgemeester en wethouders.

  • Artikel 14

    De houder van een in Nederland afgegeven vergunning of van een in een andere lid-staat van de Europese Unie of een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte afgegeven vergunning voor het overbrengen alsmede de houder van een afgegeven toestemming voor de overbrenging van explosieven die eindigt in een andere staat, zijn verplicht deze explosieven tot aan de plaats waar de overbrenging eindigt, onderscheidenlijk het verlaten van het grondgebied van Nederland, te doen vergezellen van de vergunning, onderscheidenlijk het bewijs van toestemming.

  • Artikel 15
    • 1.De toestemming, bedoeld in artikel 10, eerste lid, onder b, en tweede lid, dient te worden aangevraagd door de voor de overbrenging verantwoordelijke persoon. Deze voegt bij zijn aanvraag de in artikel 9, zevende lid, eerste alinea, van richtlijn nr. 93/15/EEG bedoelde gegevens. De toestemming wordt verleend door Onze Minister.

    • 2.Voor de overbrenging van explosieven binnen Nederland wordt, indien die overbrenging in een andere lidstaat van de Europese Unie eindigt, het als bijlage bij beschikking nr. 2004/388/EG van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 15 april 2004 (PbEU L 120) opgenomen document als model gehanteerd voor de toestemming.

    • 3.Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot het melden van de overbrenging van explosieven.

    • 4.De artikelen 11, tweede lid, onder a, en derde lid, en 12 zijn van overeenkomstige toepassing.

    • 5.Op een wijziging van de in het tweede lid genoemde beschikking is artikel 11, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.

  • § 2. Gegevensverstrekking

  • Artikel 16

    Degenen voor wie de explosieven bestemd zijn of ondernemingen uit de sector explosieven zenden op verzoek van burgemeester en wethouders van gemeenten waarin overbrengingen van explosieven eindigen onderscheidenlijk, indien het een overbrenging als bedoeld in artikel 13 betreft, op verzoek van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, de bevoegde autoriteit van de lid-staat van de Europese Unie of de andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte waar de overbrengingen aanvangen onderscheidenlijk de bevoegde autoriteit van de lid-staat over welk grondgebied de overbrenging plaatsvindt de te hunner beschikking staande relevante gegevens toe over de overbrengingen.

  • § 3. Erkenning

  • Artikel 17
    • 1.Het is verboden zonder erkenning explosieven te vervaardigen, op te slaan, te gebruiken, over te brengen of te verhandelen.

    • 2.De erkenning heeft een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaren en kan telkens met ten hoogste eenzelfde duur worden verlengd.

    • 3.De erkenning heeft uitsluitend betrekking op de daarbij genoemde explosieven of soorten van explosieven en een of meer op die explosieven betrekking hebbende handelingen, genoemd in het eerste lid.

  • Artikel 18
    • 1. Een erkenning als bedoeld in artikel 17 dient te worden aangevraagd bij de korpschef in de plaats waarde aanvrager is gevestigd.

    • 2. De korpschef is bevoegd tot het verlenen en intrekken van een erkenning, alsmede tot het verlengen van de geldigheidsduur daarvan.

    • 3. Met betrekking tot het eerste en tweede lid treedt Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie in de plaats van de korpschef voor zover het een erkenning betreft in het kader van activiteiten waarop de Mijnbouwwet van toepassing is.

  • Artikel 19
    • 1.Een erkenning als bedoeld in artikel 17 wordt verleend, indien:

      • a. de aanvrager de door Onze Minister vastgestelde gegevens heeft overgelegd;

      • b. de aanvrager of, indien deze een rechtspersoon is, degene die onmiddellijk leiding geeft aan het bedrijf, voldoet aan de door Onze Minister vastgestelde eisen met betrekking tot zedelijk gedrag;

      • c. er geen reden is om te vermoeden dat van de erkenning dan wel van explosieven misbruik zal worden gemaakt en

      • d. er geen reden is om te vermoeden dat aan de aanvrager of, indien deze een rechtspersoon is, degene die onmiddellijk leiding geeft aan het bedrijf, het onder zich hebben van explosieven niet kan worden toevertrouwd.

    • 2.Met het oog op de beveiliging kan Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers wie het mede aangaat, nadere regels stellen.

  • Artikel 20

    Een erkenning kan worden ingetrokken, indien:

    • a. niet wordt voldaan aan artikel 21;

    • b. blijkt dat aan de houder van een erkenning of, indien deze een rechtspersoon is, degene die onmiddellijk leiding geeft aan het bedrijf, het onder zich hebben van explosieven niet langer kan worden toevertrouwd, of

    • c. de houder van de erkenning gedurende ten minste een jaar de handelingen waarop de erkenning betrekking heeft, niet langer heeft verricht.

  • § 4. Registratie van explosieven

  • Artikel 21
    • 1.Ondernemingen uit de sector explosieven houden een doorlopend register van hun transacties in explosieven bij, onverlet de bij of krachtens andere wettelijk regelingen gestelde voorschriften.

    • 2.De registratie dient zodanig te zijn opgezet dat aan de hand daarvan te allen tijde:

      • a. de personen aan wie explosieven zijn overgedragen kunnen worden geïdentificeerd en

      • b. kan worden bepaald welke explosieven aan de onder a bedoelde personen zijn overgedragen.

    • 3.De in het eerste lid bedoelde ondernemingen of hun rechtsopvolgers bewaren de documenten die betrekking hebben op de in dat lid bedoelde geregistreerde transacties gedurende een periode van ten minste drie jaar, te rekenen vanaf het einde van het kalenderjaar waarin de desbetreffende transactie heeft plaatsgevonden, ongeacht of zij tijdens die periode hun activiteiten hebben beëindigd.

    • 4.De registratie dient voorts te voldoen aan de toepassingsvoorwaarden, bedoeld in artikel 14, tweede alinea, van richtlijn nr. 93/15/EEG.

    • 5.Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Minister wie het mede aangaat, bij ministeriële regeling nadere regels stellen met betrekking tot de opzet van de registratie en de te registreren gegevens.

  • Hoofdstuk IV. Bestuursrechtelijke handhaving

  • Artikel 22

    • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast:

    • 2. Van een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder b, wordt mededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.

  • Artikel 23 [Vervallen per 01-01-1998]

  • Artikel 24 [Vervallen per 01-01-1998]

  • Artikel 25 [Vervallen per 01-01-1998]

  • Artikel 26 [Vervallen per 01-01-1998]

  • Artikel 27 [Vervallen per 01-01-1998]

  • Artikel 28 [Vervallen per 01-01-1998]

  • Artikel 29 [Vervallen per 01-01-1998]

  • Artikel 30 [Vervallen per 01-01-1998]

  • Artikel 31

    In gevallen waarin geen ander bestuursorgaan bevoegd is, is Onze Minister bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.

  • Hoofdstuk V. Overige bepalingen

  • Artikel 32

    De afgifte van een goedkeuring, vergunning of erkenning kan afhankelijk worden gesteld van de betaling van een onkostenvergoeding overeenkomstig de door Onze Minister te stellen regels. De vergoeding komt toe aan onderscheidenlijk het Rijk, de betrokken gemeente en de betrokken regio, indien het in de eerste volzin bedoelde document door Onze Minister, burgemeester en wethouders of de korpschef wordt afgegeven.

  • Artikel 33

    Voor zover bij of krachtens deze wet wordt verwezen naar richtlijn nr. 93/15/EEG, naar een bijlage daarvan of naar de bijlage van richtlijn nr. 2008/43/EG, treedt voor de toepassing van de desbetreffende bepaling een wijziging van richtlijn nr. 93/15/EEG of van een bijlage daarvan of van de bijlage van richtlijn nr. 2008/43/EG in werking met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uiterlijk uitvoering moet zijn gegeven.

  • Artikel 33a

    • 1.Met het toezicht op de uitvoering en de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast de bij besluit van Onze Minister aangewezen ambtenaren.

    • 2.De artikelen 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing.

    • 3.Onze Minister kan bij ministeriële regeling bepalen dat bestuursorganen die met de uitvoering of de handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde zijn belast, daarbij aan te geven gegevens verstrekken aan de krachtens het eerste lid aangewezen ambtenaren. Bij de regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het tijdstip waarop, de frequentie waarmee en de vorm waarin de gegevens worden verstrekt. Tevens kan bij de regeling worden bepaald dat daarbij gestelde regels slechts gelden in daarbij aangegeven gevallen.

  • Hoofdstuk Va. Terroristisch misdrijf

  • Artikel 33b

    • 1.Het vervaardigen, opslaan, gebruiken, overbrengen, verkrijgen, ter beschikking stellen, voorhanden hebben of verhandelen van explosieven of andere ontplofbare stoffen met een terroristisch oogmerk als bedoeld in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht dan wel met het oogmerk om een terroristisch misdrijf als bedoeld in artikel 83 van dat wetboek voor te bereiden of gemakkelijk te maken, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.

    • 2.Het in het eerste lid strafbaar gestelde feit is een misdrijf.

  • Hoofdstuk VI. Overgangs- en slotbepalingen

  • Artikel 34

    [Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

  • Artikel 35

    [Bevat wijzigingen in andere regelgeving.]

  • Artikel 36

    Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden gesteld.

  • Artikel 37

    Deze wet wordt aangehaald als: Wet explosieven voor civiel gebruik.

  • Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

    Gegeven te 's-Gravenhage, 7 juli 1994

    Beatrix

    De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer,

    J. G. M. Alders

    Uitgegeven de achtentwintigste juli 1994

    De Minister van Justitie,

    A. Kosto