Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Behandeling van WOB-verzoeken door de eenheden van de Belastingdienst[Regeling vervallen per 09-03-2010 met terugwerkende kracht tot 01-01-2010.]

Geldend van 01-07-1994 t/m 01-01-2010

Behandeling van WOB-verzoeken door de eenheden van de Belastingdienst

1. Inleiding [Vervallen per 09-03-2010]

Op de behandeling van verzoeken om informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna Wob) zijn de Wob, de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb) en de uitvoeringsregelingen van die wetten van toepassing. Op bepaalde punten is in de Wob een speciale regeling getroffen die afwijkt van de Awb. De speciale regeling van de Wob gaat voor de algemene regeling van de Awb (bijv. de termijn, waarbinnen op Wob-verzoeken beslist moet worden, zie hieronder 8.1.2).

Het voorschrift Awb (boekwerk Belastingen Algemeen, 16.00.00) is niet van toepassing op de behandeling van Wob-verzoeken.

Het Voorschrift Informatieverstrekking is door de inwerkingtreding van deze mededeling niet meer van toepassing op de behandeling van Wob-verzoeken.

Ook indien het Wob-verzoek betrekking heeft op informatie vervat in een persoonsregistratie, is de Wob van toepassing.

In deze mededeling worden achtereenvolgens behandeld:

  • a. Wob-verzoeken

  • b. Bezwaarschriften

  • c. Beroep

  • d. Hoger beroep

  • e. Toepassing uitzonderingsgronden

Bij deze mededeling zijn modellen gevoegd van:

  • A. een afwijzende beschikking (i.v.m. hoofdstuk I),

  • B. een beschikking op een bezwaarschrift (i.v.m. hoofdstuk II),

  • C. een verweerschrift (i.v.m. hoofdstuk III),

  • D. een machtiging om namens het hoofd van de betrokken eenheid van de Belastingdienst voor de Rechtbank op te treden (i.v.m. hoofdstuk III).

2. Wob-verzoeken [Vervallen per 09-03-2010]

Een Wob-verzoek is een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid (art. 3, eerste lid Wob). Een Wob-verzoek is een aanvraag in de zin van art. 1, derde lid Awb.

2.1. Bevoegdheid tot behandeling van Wob-verzoeken [Vervallen per 09-03-2010]

Wob-verzoeken kunnen, ingevolge art. 3, eerste lid, Wob, worden ingediend bij een bestuursorgaan in de zin van art. 1a Wob, of bij een onder verantwoordelijkheid van een zodanig bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Met betrekking tot het Ministerie van Financiën en de Belastingdienst zijn bestuursorgaan in de zin van de Wob: de Minister dan wel Staatssecretaris (art. 1a, onder a, Wob), en de bestuursorganen die onder hun verantwoordelijkheid werkzaam zijn (art. 1a, onder c, Wob).

Op Wob-verzoeken die zijn gericht tot de Minister of Staatssecretaris dan wel tot een onder hun verantwoordelijkheid werkzame instelling, dienst of bedrijf, wordt beslist door of vanwege de Minister of Staatssecretaris. Hiermee is belast de daartoe per ministerie aangewezen gemachtigd ambtenaar, in het algemeen de Secretaris-Generaal. Bij het Ministerie van Financiën fungeert als vervanger van de Secretaris-Generaal in dienst hoedanigheid van gemachtigd ambtenaar de loco-Secretaris-Generaal, tevens hoofd van de Centrale Directie Wetgeving, Juridische en Bestuurlijke Zaken (hierna WJB; zie art. 3 en 6 van de regeling van 20 mei 1992, Stcrt. 1992, 99, van de Minister van Financiën, ter uitvoering van de Wet openbaarheid van Bestuur, vgl. boekwerk Informatieverstrekking, 3.00.01).

De behandeling van Wob-verzoeken om informatie die berust bij de Belastingdienst is door de Secretaris-Generaal gemandateerd aan de hoofden van de eenheden van de Belastingdienst onder toezicht van de hoofden van de Directies; zie art. 1, eerste lid, van de Regeling Wob-mandaat Belastingdienst van 21 december 1993 (Stcrt. 1993, 247, pagina 20, hierna Regeling Wob-mandaat, genoemd in het boekwerk Informatieverstrekking, mededeling 7; de regeling Wob-mandaat wordt tegelijk met deze mededeling in het boekwerk Informatieverstrekking geplaatst).

Belastingambtenaren aan wie bij de wet taken en bevoegdheden zijn toegekend, zijn bestuursorgaan in de zin van art. 1a, onder c Wob. Derhalve zijn de directeur, de inspecteur en de ontvanger bestuursorgaan voor de toepassing van de Wob. Krachtens artikel 15 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst (Regeling van 14 juni 1994, nr. WDB94-129, Stcrt. 1994, 114) is het hoofd van de directie directeur in de zin van de AWR, de Invorderingswet en de Wet inzake de douane, en krachtens art. 19 van de Uitvoeringsregeling Belastingdienst is het hoofd van de eenheid inspecteur dan wel ontvanger in de zin van genoemde wetten.

Wob-verzoeken om informatie die berust onder de Belastingdienst, dienen te worden behandeld overeenkomstig de Regeling Wob-mandaat, ongeacht tot wie zij zijn gericht.

In art. 1, tweede lid, van de Regeling Wob-mandaat is de behandeling van een aantal Wob-verzoeken aan het Ministerie van Financiën (hierna het Ministerie) voorbehouden. Deze verzoeken dienen volgens art. 1, vierde lid, van de Regeling Wob-mandaat zo spoedig mogelijk te worden doorgezonden naar het Ministerie, Directie Algemene Fiscale Zaken (hierna AFZ).

Het betreft:

  • a. Wob-verzoeken waarvan duidelijk is of redelijkerwijs kan worden vermoed dat inwilliging of weigering daarvan belangrijke politieke of maatschappelijke gevolgen kan hebben;

  • b. Wob-verzoeken die een nieuwe, principiële beslissing vereisen inzake de interpretatie of toepassing van de Wob;

  • c. Wob-verzoeken die op alle of vrijwel alle Directies van de Belastingdienst betrekking hebben;

  • d. Wob-verzoeken van gecompliceerde aard of met problematische juridische aspecten; hieronder vallen ook Wob-verzoeken die geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op informatie die is vervat in stukken die zijn gerubriceerd volgens de Aanwijzingen voor de beveiliging van staatsgeheimen en vitale onderdelen bij de Rijksdienst, op grond van de Wet bescherming staatsgeheimen 1951.

Verder is in mededeling 7 van het boekwerk Informatieverstrekking betreffende de deconcentratie van de behandeling van Wob-verzoeken bepaald dat Wob-verzoeken met centrale publiciteitswaarde eveneens door het Ministerie worden behandeld. Verzoeken met centrale publiciteitswaarde dienen derhalve aan de directie AFZ van het Ministerie te worden overgedragen.

2.2. Beslissing en termijn [Vervallen per 09-03-2010]

Op Wob-verzoeken dient zo spoedig mogelijk te worden beslist, doch uiterlijk binnen twee weken na de dag waarop het verzoek is ontvangen. De beslissing kan voor ten hoogste twee weken worden verdaagd. Van de verdaging wordt voor de afloop van de eerste termijn van twee weken schriftelijk gemotiveerd mededeling gedaan aan de verzoeker.

Het betreft hier een speciale regeling in art. 6 Wob die voorrang heeft op de algemene regeling in art. 4:13–14 Awb.

Wèl geldt ook bij Wob-verzoeken de bepaling van art. 4:15 Awb dat de termijn waarbinnen op het verzoek moet worden beslist wordt opgeschort met ingang van de dag waarop de verzoeker ingevolge art. 4:5 Awb is uitgenodigd het verzoek aan te vullen (zie hieronder 8.2.3), tot de dag dat dit is gebeurd of de daarvoor gestelde termijn is verstreken.

2.3. Formele beoordeling [Vervallen per 09-03-2010]

Indien het verzoek betrekking heeft op gegevens in documenten die berusten bij een ander bestuursorgaan dan dat waarbij het verzoek is ingediend, wordt de verzoeker zo nodig naar dat orgaan verwezen. Is het verzoek schriftelijk gedaan, dan wordt het doorgezonden onder mededeling van de doorzending aan de verzoeker.

Degene die een Wob-verzoek namens een ander indient met betrekking tot gegevens over die ander zal een machtiging moeten overleggen om te voorkomen dat die gegevens niet aan hem kunnen worden verstrekt omdat hij derde is (zie hieronder 8.6.3 en 8.6.9).

Het Wob-verzoek moet voldoen aan de vereisten van art. 4:1–6 Awb en art. 3 Wob. Daarbij hoeft de verzoeker niet aan te tonen dat hij belang heeft bij de gevraagde informatie. Het belang van openbaarmaking wordt in het algemeen als een objectief belang beschouwd. De zwaarte van dit belang kan van geval tot geval verschillen, hetgeen relevant is bij het inroepen van de relatieve uitzonderingsgronden van art. 10, tweede lid, Wob (zie hieronder 8.6.5–8.6.10). Het belang van verzoeker wordt dan betrokken in de afweging van de met geheimhouding gemoeide belangen en het belang van openbaarmaking. Dit zal met name het geval kunnen zijn met betrekking tot de uitzonderingsgrond van art. 10, tweede lid, onder g, Wob, betreffende het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Het Wob-verzoek mag uitsluitend informatie betreffen die reeds in bestaande documenten is vervat; de Belastingdienst hoeft de gevraagde informatie niet voor de verzoeker te vergaren.

Bovendien moet het verzoek betrekking hebben op een bestuurlijke aangelegenheid, d.w.z. een aangelegenheid op het gebied van het openbaar bestuur in al zijn facetten. Hieronder valt bijv. niet een verzoek om informatie van wetenschappelijke of privaatrechtelijke aard, behalve voor zover daaraan aspecten van overheidsbeleid verbonden zijn.

De verzoeker moet de gevraagde informatie duidelijk aangeven: de desbetreffende bestuurlijke aangelegenheid moet voldoende gespecificeerd zijn. Een verzoek om alle gegevens op een bepaald gebied, bijv. alle agenda's dan wel notulen van de vergaderingen van een bepaalde commissie, of alle gegevens over een bepaald algemeen onderwerp, is niet voldoende gespecificeerd. Wel is bijvoorbeeld voldoende een verzoek om verstrekking van alle gegevens over een duidelijk omschreven project of beleidskwestie.

De aard of hoeveelheid van de gevraagde informatie mag in het algemeen geen beletsel vormen om aan het verzoek te voldoen. Met een en ander kan echter rekening worden gehouden bij het bepalen van de vorm van de te verstrekken informatie (art. 7 Wob) en bij het in rekening brengen van kosten (volgens het Besluit tarieven openbaarheid van bestuur van 5 februari 1993, Stb. 112), vgl. boekwerk Informatieverstrekking, 3.00.02).

Volgens art. 4:5 Awb moet de verzoeker in bepaalde daar omschreven gevallen gedurende een bepaalde periode in de gelegenheid worden gesteld het verzoek aan te vullen indien het niet aan de wettelijke vereisten voldoet. De Belastingdienst geeft de verzoeker ten minste een termijn van twee weken voor de aanvulling van het verzoek. De aanvulling van het verzoek dient binnen drie weken bij de Belastingdienst te zijn binnengekomen (vergelijk het Voorschrift Awb, boekwerk Belastingen Algemeen nr. 16.00.00, onder 6.6).

Volgens art. 4:6 Awb is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt ingediend, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan zonder toepassing te geven aan art. 4:5 Awb het verzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere beschikking (art. 4:6, tweede lid Awb).

2.4. Beschikking het verzoek niet te behandelen [Vervallen per 09-03-2010]

Een besluit om het verzoek niet te behandelen omdat het niet aan de wettelijke vereisten voldoet dient aan de verzoeker te worden bekendgemaakt binnen vier weken nadat het verzoek is aangevuld (doch de ontvangen gegevens onvoldoende zijn) of nadat de daarvoor vastgestelde termijn ongebruikt is verstreken (art. 4:5, vierde lid, Awb).

Ook dit is uiteraard een beschikking die aan de daarvoor gestelde vereisten moet voldoen, met name die van motivering, bekendmaking en vermelding van de mogelijkheid tegen de beschikking een bezwaarschrift in te dienen (art. 4:16 e.v., 3:40 e.v. en 3:45 Awb).

2.5. Wijze van behandeling: voorbereiding [Vervallen per 09-03-2010]

De art. 4:7–12 Awb regelen de voorbereiding van een beschikking.

Daarbij is o.a. bepaald dat alvorens tot afwijzing van het verzoek wordt overgegaan de indiener in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, naar keuze schriftelijk of mondeling, indien de afwijzing zou steunen op gegevens over de verzoeker en die gegevens afwijken van de door de verzoeker zelf verstrekte gegevens. Van deze raadpleging van de verzoeker kan in bepaalde gevallen worden afgezien, o.a. ingeval van spoed of als hij al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan (art. 4:6 Awb, zie hierboven 3 aan het slot).

2.6. Materiële beoordeling [Vervallen per 09-03-2010]

Indien het verzoek formeel aan de vereisten voldoet, moet materieel worden bezien of het kan worden ingewilligd. Daartoe moet worden nagegaan of een of meer van de uitzonderingsgronden en beperkingen van de art. 10 resp. 11 Wob, dan wel een of meer speciale wettelijke geheimhoudingsbepalingen, bijv. art. 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), art. 67 van de Invorderingswet dan wel art. 220 van de Wet inzake de douane, zich daartegen verzetten. Zie verder ook hieronder 8.5.5.

2.7. Beschikking [Vervallen per 09-03-2010]

Op Wob-verzoeken wordt beslist met een schriftelijke, voor zover nodig gemotiveerde beschikking (zie bijlage A bijvoorbeeld), en wel binnen de hierboven sub I.2 bedoelde termijn. Motivering zal in het algemeen niet nodig zijn indien het Wob-verzoek zonder meer kan worden ingewilligd.

De door art. 4:7–20 Awb aan de beschikking gestelde eisen spelen uiteraard vooral een rol bij een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking. In zo'n beschikking dient duidelijk te worden aangegeven voor welke gedeelten van de gevraagde informatie, en om welke redenen, een beroep wordt gedaan op wettelijke weigerings- of uitzonderingsgronden (zie hieronder 8.5.), waarbij uitdrukkelijk dient te blijken van een bewuste afweging van het belang van openbaarmaking en de met geheimhouding gemoeide belangen, en van het resultaat van die afweging (8.5.10).

Tevens dient de beschikking te vermelden dat de verzoeker daartegen binnen zes weken bezwaar kan maken bij het hoofd van de eenheid van de Belastingdienst waarvan de beschikking afkomstig is (art. 3:45 en art. 6:7 Awb).

2.8. Bekendmaking van de beschikking [Vervallen per 09-03-2010]

Een besluit, dus ook een beschikking, treedt volgens art. 3:40 Awb niet in werking voordat het is bekendgemaakt. Bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Bij Wob-verzoeken zal dit de verzoeker zijn.

2.9. Berekening van kosten [Vervallen per 09-03-2010]

Op grond van art. 12 van de Wob is een besluit genomen betreffende het in rekening brengen van vergoedingen voor het ingevolge een verzoek om informatie vervaardigen van kopieën van documenten en uittreksels of samenvattingen van de inhoud daarvan. Dit Besluit houdende tarieven voor het verstrekken van kopieën, uittreksels, en samenvattingen op verzoek op grond van de Wob is van 5 februari 1993 (Stb. 112), in het boekwerk Informatieverstrekking opgenomen onder nummer 3.00.02).

De Belastingdienst brengt overeenkomstig het besluit en de daarbij gegeven toelichting kosten in rekening ter zake van het op verzoek verstrekken van informatie op grond van de Wob.

3. Bezwaarschriften [Vervallen per 09-03-2010]

De bezwaarschriftprocedure dient om door heroverweging van de eerste (primaire) beschikking tot een zo zorgvuldig mogelijke besluitvorming te komen, het geschil zoveel mogelijk tussen bestuurder en bestuurde tot een oplossing te doen komen, en de rechter niet meer te belasten dan nodig is. Aanvulling van de uitzonderingsgronden waarop een beroep wordt gedaan is alleen in de bezwaarschriftfase nog mogelijk, niet in de beroepsprocedure. Volgens art. 7:1 Awb dient een beroepsprocedure in het algemeen te worden voorafgegaan door een bezwaarprocedure. Een beroep tegen een beschikking op een Wob-verzoek op grond van art. 8:1 e.v. Awb dient dus te worden voorafgegaan door een bezwaar. De procedure wordt beheerst door de art. 7:2–15 Awb.

3.1. Beslissing en termijn [Vervallen per 09-03-2010]

Art. 6:14 Awb stelt een ontvangstbevestiging van het bezwaarschrift verplicht. Art. 6:15 Awb regelt de eventuele noodzakelijke doorzending van een bezwaar- of beroepschrift aan het bevoegde orgaan.

De beslissing op het bezwaar dient binnen zes weken te worden genomen. De termijn wordt opgeschort gedurende de periode dat de indiener in de gelegenheid is gesteld een verzuim als bedoeld in art. 6:6 Awb (zie hieronder 3) te herstellen, tot dat verzuim is hersteld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken. Voorts kan de termijn waarbinnen op het bezwaar moet worden beslist voor ten hoogste vier weken worden verdaagd. Van de verdaging wordt schriftelijk en gemotiveerd mededeling gedaan. Verder uitstel is mogelijk voor zover de indiener van het bezwaarschrift daarmee instemt en andere belanghebbenden daardoor niet in hun belangen kunnen worden geschaad of daarmee instemmen (Art. 7:10 Awb.).

Volgens art. 2, tweede lid, van de Regeling Wob-mandaat Belastingdienst is voor de beslissing op een bezwaarschrift de goedkeuring vereist van de Directie, waaronder de betrokken eenheid ressorteert. Doel hiervan is door inschakeling van een tweede instantie een objectieve heroverweging en eenheid van beleid te bevorderen. Dat vereiste van goedkeuring is in die bepaling niet gesteld voor de beslissing op een bezwaarschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit, omdat in dat geval het hoofd van de eenheid nog niet eerder heeft beslist en er dus minder behoefte bestaat aan die extra waarborg (‘fictieve weigering’; art. 6:12 en 6:20 Awb, zie hieronder 7).

3.2. Formele beoordeling [Vervallen per 09-03-2010]

Hiervoor gelden de art. 6:4–24 Awb.

De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is in het algemeen zes weken (art. 6:7 Awb). Op grond van art. 6:11 Awb is mogelijk dat overschrijding van de termijn verschoonbaar is, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat verzoeker met het maken van bezwaar in verzuim is geweest (art. 6:11 Awb).

Voor de indiening van een bezwaarschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit is geen bepaalde termijn voorgeschreven. Het bezwaarschrift kan echter niet-ontvankelijk worden verklaard indien het onredelijk laat is ingediend (art. 6:12 Awb). Het bezwaarschrift is onredelijk laat ingediend, indien verzoeker niet binnen zes weken nadat hem bekend was of kon zijn dat bezwaar kon worden gemaakt, het bezwaarschrift heeft ingediend.

3.3. Niet-ontvankelijk verklaring van het bezwaarschrift [Vervallen per 09-03-2010]

Indien niet is voldaan aan een wettelijk vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaarschrift en de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn, kan het bezwaarschrift niet-ontvankelijk worden verklaard (art. 6:6 Awb).

Ook dit is uiteraard een beschikking die aan de daarvoor gestelde vereisten moet voldoen, met name die van motivering, bekendmaking en vermelding daarbij van de mogelijkheid tegen de beschikking beroep in te stellen (art. 4:16 e.v., 3:40 e.v. en 3:45 Awb). Volgens art. 6:3 Awb zijn bezwaar en beroep in het algemeen niet mogelijk met betrekking tot beslissingen inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit.

3.4. Wijze van behandeling; het horen van belanghebbenden [Vervallen per 09-03-2010]

De indiener van het verzoek dient in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord (art. 7:2 Awb). Dit horen dient te geschieden door één ambtenaar die niet bij de voorbereiding van de eerste beslissing betrokken is geweest, of door verscheidene ambtenaren waarvan de meerderheid, waaronder degene die het horen leidt, niet bij de voorbereiding van de eerste beschikking betrokken is geweest (zie art. 7:5, eerste lid, onder a resp. b, Awb). Het horen gebeurt door de eenheid aan welke het verzoek is gericht.

Het horen kan achterwege blijven, indien het voor een zorgvuldige heroverweging en besluitvorming niet nodig is. Volgens art. 7:3 Awb is dat het geval, indien:

  • a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is;

  • b. het bezwaar kennelijk ongegrond is;

  • c. de belanghebbende(n) heeft (hebben) verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord;

  • d. aan het bezwaar volledig wordt tegemoetgekomen en andere belanghebbenden door het niet-horen niet in hun belangen kunnen worden geschaad.

Van het horen wordt een verslag gemaakt dat (uiterlijk) aan belanghebbende wordt toegezonden met de beslissing op het bezwaar.

3.5. Materiële beoordeling [Vervallen per 09-03-2010]

Hiervoor geldt in principe hetzelfde als hetgeen met betrekking tot de beschikking onder I.6 is opgemerkt, met dien verstande dat bijzondere aandacht dient te worden besteed aan hetgeen in het bezwaarschrift en tijdens het horen door belanghebbende naar voren is gebracht.

3.6. Beschikking op het bezwaarschrift [Vervallen per 09-03-2010]

De beschikking op het bezwaarschrift dient aan dezelfde eisen te voldoen als de beschikking, waartegen het bezwaar is gericht (vergelijk bijlage B).

Daarbij dient tevens op de in het bezwaarschrift en de tijdens het horen door belanghebbende(n) naar voren gebrachte gezichtspunten te worden ingegaan. Ook de motivering dient mede daarop te zijn afgestemd.

Aan het slot van de beschikking dient te worden vermeld dat binnen zes weken beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank binnen het rechtsgebied waarin de indiener van het beroepschrift zijn woonplaats heeft (art. 6:7, 6:23, 8:1 en 7 Awb). Indien de indiener van het beroepschrift geen woonplaats in Nederland heeft, is de rechtbank binnen het rechtsgebied waarin het bestuursorgaan zijn zetel heeft bevoegd. Voor door de Belastingdienst of het Ministerie behandelde verzoeken is dat dus de rechtbank in Den Haag.

3.7. Beschikking op bezwaarschrift tegen de schriftelijke weigering een besluit te nemen of tegen het niet tijdig nemen van een besluit [Vervallen per 09-03-2010]

Deze beschikking kan in het algemeen op dezelfde wijze worden voorbereid en opgesteld als de ‘gewone’ beschikking op bezwaarschrift (art. 6:2 Awb).

Voor de beslissing op het bezwaarschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit (art. 6:12 en 6:20 Awb) is echter geen goedkeuring van de Directie nodig (zie hierboven 1).

3.8. Bekendmaking van de beschikking op het bezwaarschrift [Vervallen per 09-03-2010]

Hiervoor geldt hetzelfde als voor de beschikking, waartegen bezwaar is gemaakt (zie hierboven I.8).

4. Beroep [Vervallen per 09-03-2010]

Beroep bij de rechtbank is mogelijk op grond van art. 8:1, eerste lid, van de Awb (art. 15 van de Wob is met de invoering van de Awb komen te vervallen). De termijn voor het indienen van een beroepschrift is zes weken (art. 6:7 Awb).

Met betrekking tot de bevoegdheid van de rechtbank wordt verwezen naar hoofdstuk II, punt 6 hierboven. Indien het beroepschrift is ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of een onbevoegde administratieve rechter, moet het beroepschrift, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, worden doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender (art. 6:15, eerste lid Awb).

Binnen vier weken na de dag van verzending van het beroepschrift aan de Belastingdienst moet deze de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank zenden en een verweerschrift indienen. De rechtbank kan deze termijn verlengen (art. 8:42 Awb).

De tekst van een verweerschrift dient ingevolge art. 2, tweede lid, van de Regeling Wob-mandaat te zijn goedgekeurd door het hoofd van de Directie, waaronder de betrokken eenheid ressorteert.

In het verweerschrift kunnen de uitzonderingsgronden waarop een beroep wordt gedaan niet meer worden aangevuld. In het verweerschrift dient te worden ingegaan op de door appellant in zijn beroepschrift naar voren gebrachte gezichtspunten, en dient de beschikking waartegen het beroep is ingesteld waar nodig te worden toegelicht en verdedigd (zie bijlage C). Bij toezending van geheimgehouden stukken dient de rechtbank uitdrukkelijk om geheimhouding te worden verzocht (art. 8:29 Awb).

Art. 8:43 Awb geeft de mogelijkheid van repliek en dupliek.

De rechtbank stelt daarvoor termijnen.

Indien het hoofd van de eenheid niet zelf bij de mondelinge behandeling optreedt zal degene die hem vertegenwoordigt over een machtiging moeten beschikken. Deze machtiging kan in het algemeen of voor een bepaald geval worden verleend (bijlage D is een model voor een algemene machtiging).

Indien het beroep gegrond wordt verklaard kan de rechtbank de Belastingdienst veroordelen tot vergoeding van schade, die een verzoeker lijdt ten gevolge het vernietigde besluit (art. 8:73 Awb). De rechtbank kan ook een veroordeling in de kosten van het beroep uitspreken (zie de art. 8:75 Awb). De administratieve verwerking hiervan verloopt zoals bij veroordelingen in de kosten door de rechter in een fiscale procedure.

Bij de mondelinge behandeling is het nuttig aan rechter en aan verzoeker een pleitnotitie te overhandigen waarin het standpunt van verweerder nog eens kort, duidelijk en overzichtelijk is samengevat.

Gewezen zij nog op de mogelijkheid van versnelde en vereenvoudigde behandeling (art. 8:52–53 resp. 8:54–55 Awb) en van voorlopige voorziening en onmiddellijke uitspraak (art. 8:81–87 Awb). Aan het vragen van een voorlopige voorziening zijn dezelfde kosten verbonden als aan het instellen van een bodemprocedure. Er is dus geen halvering of vermindering wanneer de bodemprocedure en de voorlopige voorziening tegelijkertijd worden ingesteld c.q. aangevraagd. Indien de Belastingdienst zijn beschikking intrekt (en dus ‘ongelijk bekent’), wordt het griffierecht gerestitueerd. Restitutie van griffierecht vindt niet plaats bij intrekking van een beroepschrift.

Van uitspraken van de rechtbank dient zo spoedig mogelijk een afschrift te worden gezonden aan de Directie WJB; art. 2, derde lid, Regeling Wob-mandaat.

De Directie WJB stelt eventueel hoger beroep in tegen de uitspraak, en verzorgt de verdediging tegen een eventueel hoger beroep. De termijn voor het instellen van hoger beroep is zes weken (art. 6:7 en 6:24 Awb). Deze termijn begint te lopen op de dag na die waarop de schriftelijke uitspraak door toezending aan belanghebbende is bekendgemaakt (art. 6:8, eerste lid, 6:24 en 8:79 Awb).

Tevens overlegt de Directie WJB met de betrokken eenheid over de gevolgen van een uitspraak waarbij een beschikking van die eenheid is vernietigd.

5. Hoger beroep [Vervallen per 09-03-2010]

Deze procedure vindt plaats voor de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie art. 37 van de Wet op de Raad van State), en wordt door het Ministerie behandeld (zie art. 1, derde lid van de Regeling Wob-mandaat).

Daarvoor is van belang dat eventuele verdere ter zake binnenkomende stukken zo spoedig mogelijk worden doorgezonden aan de Directie WJB.

6. Toepassing uitzonderingsgronden [Vervallen per 09-03-2010]

Bij onderstaande bespreking van de uitzonderingsgronden is mede rekening gehouden met de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in fiscale Wob-procedures.

6.1. Zorgvuldigheid en motivering [Vervallen per 09-03-2010]

(art. 3:2 en 4:16 Awb)

In het algemeen geldt voor geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikkingen, die dus op een of meer uitzonderingsgronden worden gebaseerd, dat een zorgvuldige behandeling van het Wob-verzoek meebrengt dat de behandelaar van het verzoek kennis neemt van de gevraagde informatie alvorens te beslissen.

Tevens dient erop te worden toegezien dat de geheimgehouden stukken niet worden vernietigd voordat vaststaat dat deze niet meer benodigd kunnen zijn in een (Wob-)procedure dan wel ter voldoening aan een (eventuele toekomstige) rechterlijke uitspraak.

6.2. Schonen van documenten niet in strijd met de Wob [Vervallen per 09-03-2010]

Het geheimhouden van gedeelten van, bijvoorbeeld, een controlerapport, is in het kader van de toepassing van de Wob toegestaan, indien de desbetreffende passages of bijlagen op grond van de uitzonderingsgronden van art. 10, tweede lid, respectievelijk beperkingen van art. 11 van de Wob niet worden verstrekt.

Dat het rapport daardoor op bepaalde plaatsen minder goed leesbaar en begrijpelijk wordt, is onvermijdelijk; die handelwijze, waarbij in het rapport is aangegeven waar en op grond van welke wettelijke bepalingen een passage is weggelaten, is juist in overeenstemming met de strekking van de Wob om zoveel mogelijk openbaarheid te betrachten.

6.3. Fiscale geheimhoudingsplicht [Vervallen per 09-03-2010]

(art. 67, eerste lid, AWR, 67, eerste lid van de Invorderingswet en art. 220, eerste lid van de Wet inzake de douane)

De geheimhoudingsplicht van art. 67, eerste lid, Awr, 67, eerste lid Inv. en art. 220, eerste lid WD geldt wat betreft gegevens over de persoon en de zaken van een belastingplichtige, niet tegenover de belastingplichtige zelf maar alleen tegenover derden.

De bestuurder of gewezen bestuurder van een vennootschap wordt ten opzichte van die vennootschap niet als derde aangemerkt voor de periode dat hij bestuurder is dan wel geweest is. Dit betekent dat de – gewezen – bestuurder recht heeft op informatie betreffende de vennootschap over bedoelde periode. Dit geldt alleen voor een bestuurder, niet bijv. voor een commissaris of (groot-)aandeelhouder.

Een eventueel beroep op een speciale geheimhoudingsbepaling als art. 67, eerste lid, Awr, art. 67, eerste lid Inv dan wel art. 220 WD dient altijd mede te worden gemotiveerd met uitzonderingsgronden van de Wob (met name art. 10, tweede lid, onder e en/of g).

Bovendien moet bij een dergelijk beroep altijd worden gemotiveerd waarom geen ontheffing kan worden verleend op grond van het tweede lid van de desbetreffende bepaling. Deze motivering bestaat uit de belangenafweging als bedoeld in art. 10, tweede lid, Wob. Ontheffing wordt slechts bij hoge uitzondering verleend. De bevoegdheid daartoe berust, wat Wob-verzoeken betreft, niet uitsluitend bij de Staatssecretaris zelf of namens hem bij de Directeur AFZ van het Ministerie, doch kan zelfstandig door de hoofden van de eenheden worden uitgeoefend.

Voor uitzonderingsgronden van art. 10, eerste lid, Wob, waaronder de hiernavolgende, geldt dat de desbetreffende met geheimhouding gemoeide belangen niet behoeven te worden afgewogen tegen het belang van openbaarmaking.

6.4. Bedrijfs- en fabricagegegevens die vertrouwelijk aan de overheid zijn medegedeeld [Vervallen per 09-03-2010]

(art. 10, eerste lid, onder c, Wob)

Van zulke gegevens is slechts sprake indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het produktieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de produkten of de kring van afnemers en leveranciers.

Voor de hieronder besproken uitzonderingsgronden van art. 10, tweede lid, Wob geldt dat de desbetreffende met geheimhouding gemoeide belangen wel moeten worden afgewogen tegenover het belang van openbaarmaking.

6.5. Betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties [Vervallen per 09-03-2010]

(art. 10, tweede lid, onder a, Wob)

Deze uitzonderingsgrond zal in het algemeen niet door de eenheden behoeven te worden toegepast omdat daarvoor in aanmerking komende gevallen behoren tot de in art. 1, tweede lid, van de Regeling Wob-mandaat Belastingdienst bedoelde categorieën van Wob-verzoeken die door het Ministerie (of de FIOD) behandeld blijven worden (omdat er veelal een samenhang zal zijn met de Wet op de internationale bijstandverlening bij de heffing van belastingen).

6.6. Economische of financiële belangen van de Staat [Vervallen per 09-03-2010]

(art. 10, tweede lid, onder b, Wob)

Deze uitzonderingsgrond is zeer ruim en wordt veelal verbonden aan andere eventueel van toepassing zijnde uitzonderingsgronden van art. 10, tweede lid, Wob, waaronder met name die onder c en d (zie hieronder 8.5.7 resp. 8.5.8).

6.7. Opsporing en vervolging van strafbare feiten [Vervallen per 09-03-2010]

(art. 10, tweede lid, onder c, Wob)

Deze uitzonderingsgrond spreekt voor zichzelf.

Aan deze uitzonderingsgrond kan vaak die van art. 10, tweede lid, onder b, inzake economische of financiële belangen van de Staat, worden verbonden.

6.8. Controlestrategie [Vervallen per 09-03-2010]

(art. 10, tweede lid, onder d, Wob)

Fraudebestrijding of adequate uitvoering van inspectie, controle en toezicht ter bevordering van de naleving van de belastingplicht, zijn niet alleen gediend met het geheimhouden van controlestrategieën in het algemeen, maar ook met het verhullen van de in een bepaald geval toegepaste controlestrategie en de wijze waarop in dat geval die toepassing heeft plaatsgevonden.

Ook aan deze uitzonderingsgrond kan vaak die van art. 10, tweede lid, onder b, inzake economische of financiële belangen van de Staat, worden verbonden.

6.9. Persoonlijke levenssfeer en onevenredige bevoordeling of benadeling [Vervallen per 09-03-2010]

(art. 10, tweede lid, onder e en g, Wob)

Deze beide uitzonderingsgronden, die veelal moeten of kunnen worden verbonden aan een beroep op de fiscale geheimhoudingsplicht (art. 67 AWR), kunnen gecombineerd worden ingeroepen indien het niet zeker is of het belang van de persoonlijke levenssfeer in het geding is of alleen het meer zakelijke belang van bescherming van derden in het algemeen.

De uitzonderingsgrond van art. 10, tweede lid, onder e, Wob geldt, anders dan die onder g, niet voor rechtspersonen; deze genieten geen privacybescherming. Overigens geldt art. 67 AWR wel ten aanzien van rechtspersonen.

Bij de uitzonderingsgrond van art. 10, tweede lid, onder g, Wob, gaat het om de belangen van bij de aangelegenheid betrokkenen, waaronder het belang van de Staat inzake fiscale aangelegenheden. In laatstbedoeld geval kan het juist zijn tevens de uitzonderingsgrond van art. 10, tweede lid, onder c, Wob, in te roepen, betreffende de economische of financiële belangen van de staat, bijv. het belang van bestrijding van belastingfraude.

Indien het bij de uitzonderingsgrond van art. 10, tweede lid, onder g, Wob om derden gaat, kan met een beroep op deze uitzonderingsgrond een ruimer belang zijn beoogd dan de individuele belangen van die derden, nl. het algemenere belang dat over derden geen informatie wordt verstrekt. Ook al zou in een bepaald geval mogen worden aangenomen dat de desbetreffende personen geen bezwaar hebben tegen openbaarmaking, dan kan er toch reden zijn voor bescherming van dat ruimere belang. Dit zal per geval moeten worden beoordeeld.

Tegen gedragingen of besluiten van een Inspecteur kan worden opgekomen onder verwijzing naar diens officiële hoedanigheid. Daartoe is het niet noodzakelijk te beschikken over privé-gegevens, zoals namen en adressen, van die Inspecteur dan wel van andere ambtenaren die betrokken zijn geweest bij de voorbereiding van zijn besluiten. Ter zake is een beroep mogelijk op de uitzonderingsgronden van art. 10, tweede lid, onder e en g Wob.

6.10. Eerste kennisneming door geadresseerde [Vervallen per 09-03-2010]

(art. 10, tweede lid, onder f, Wob)

Het belang dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de gevraagde informatie (bijv. een brief), kan onder omstandigheden zwaarder wegen dan het belang van openbaarmaking.

Voor de hieronder besproken beperking van art. 11 geldt dat het desbetreffende met geheimhouding gemoeide belang niet behoeft te worden afgewogen tegenover het belang van openbaarmaking.

6.11. Persoonlijke beleidsopvattingen [Vervallen per 09-03-2010]

(art. 11, eerste lid, Wob)

Een controlerapport kan worden beschouwd als een document, opgesteld ten behoeve van intern beraad, zodat in zo'n rapport sprake kan zijn van persoonlijke beleidsopvattingen (uiteraard voorzover in zo'n rapport voorkomende conclusies, standpunten of voorstellen ook overigens als persoonlijke beleidsopvattingen kunnen worden beschouwd).

Persoonlijke beleidsopvattingen zijn alleen opvattingen van beleidsmatige aard, bijv. ‘Daarom ben ik van mening dat het belastbaar inkomen hoger moet worden gesteld dan in de aangifte is gedaan’. Kwalificaties en meningen, bijv. zinnen als ‘deze belastingplichtige maakt op mij een onbetrouwbare indruk’ of ‘betrokkene maakt goede sier met zijn zwarte geld’ zijn op zichzelf geen persoonlijke beleidsopvattingen.

Ook bepaalde cijferopstellingen kunnen als persoonlijke beleidsopvattingen worden beschouwd indien zij niet van puur feitelijke aard zijn maar een bepaalde beleidsvisie tot uitdrukking brengen.

Voor een beroep op persoonlijke beleidsopvattingen is niet relevant in hoeverre die opvattingen juist zijn. Dit laatste staat ook niet aan de administratieve (Wob-)rechter ter beoordeling.

Bijlage 1. Model van een (afwijzende) beschikking [Vervallen per 09-03-2010]

Model van een (afwijzende) beschikking:

In Uw brief van ..., Uw kenmerk/ref. ..., hebt U op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) verzocht om overlegging/inzage van ...

(Is inmiddels nog sprake geweest van – pogingen tot – overleg over het verzoek, bijv. ter aanvulling van gegevens, dan kan dat hier worden vermeld).

De door U gevraagde informatie kan ik U niet verstrekken./ Hierbij doe ik U de gevraagde informatie toekomen/deel ik U mede dat U, na schriftelijke/telefonische afspraak met ..., van de gevraagde informatie inzage kunt nemen/ met uitzondering van ...

Voor het niet verstrekken daarvan beroep ik mij op de uitzonderingsgronden van art. 67, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr), en van art. 10, eerste lid, onder ... en ..., en tweede lid, onder ... en ..., van de Wob, alsmede met het oog op de beperking van art. 11, eerste lid, van de Wob.

De desbetreffende wettelijke bepalingen heb ik bij de weggelaten gedeelten van de U hierbij toegezonden stukken aangegeven (bijv. bij een RAD- of controlerapport).

Waar ik mij beroep op art. 67, eerste lid, van de Awr, betreft het de fiscale geheimhoudingsplicht tegenover derden. Ik ben van mening dat het in dit geval niet juist zou zijn gebruik te maken van de mij bij het tweede lid van die bepaling toegekende bevoegdheid ontheffing van die geheimhoudingsplicht te verlenen, mede gezien de toepasselijkheid in dit geval van de uitzonderingsgronden van art. 10, tweede lid, onder e en g, van de Wob, betreffende het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer resp. het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. Ik ben van mening dat in dit geval het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen die met geheimhouding gemoeide belangen.

Waar ik mij beroep op .., betreft het ... enz.

(Bij relatieve uitzonderingsgronden blijk geven van de afweging van het belang van openbaarmaking en de desbetreffende met geheimhouding gemoeide belangen. Wordt op verscheidene relatieve uitzonderingsgronden een beroep gedaan, dan kan die afweging gecombineerd geschieden.)

Tegen deze beschikking kunt U binnen zes weken een bezwaarschrift indienen bij de Staatssecretaris van Financiën, ter attentie van het hoofd van deze eenheid van de Belastingdienst, aan het adres van deze eenheid als in bovenstaand briefhoofd vermeld.

De Staatssecretaris van Financiën,

namens deze,

Het hoofd van de Belastingdienst ..../.....,

Bijlage 2. Model van een beschikking op een bezwaarschrift [Vervallen per 09-03-2010]

Model van een beschikking op een bezwaarschrift:

In Uw brief van ..., Uw kenmerk/ref. ..., hebt U bezwaar gemaakt tegen mijn beschikking van ..., kenmerk ..., op Uw verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) van ..., Uw kenmerk/ref. ..., om overlegging/inzage van ...

Op ... heb ik U ter zake gehoord. Een verslag daarvan doe ik U hierbij toekomen./Desgevraagd hebt U verklaard geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid in dezen gehoord te worden.

(Indien het bezwaarschrift gericht was tegen de schriftelijke weigering een besluit te nemen of tegen het niet tijdig nemen van een besluit, dient daarop uiteraard te worden ingegaan.)

Hetgeen U in Uw bezwaarschrift (eventueel: en tijdens het horen) naar voren hebt gebracht heeft mij wel/geen aanleiding gegeven mijn beschikking te herzien.

(Eventueel: Ingesloten doe ik U alsnog toekomen ...)

De – volgende – door U gevraagde informatie kan ik U ook bij nader inzien niet verstrekken: ... Daarvoor beroep ik mij op (zie verder model beschikking).

Indien u het niet eens bent met deze beschikking, kunt U tegen de beschikking beroep instellen. Dit beroep moet worden ingesteld binnen zes weken na de dagtekening van de beschikking bij de rechtbank van het rechtsgebied, waarin U woont. Indien U niet in Nederland woont, dient U het beroep in te stellen bij de rechtbank van het rechtsgebied waarin het bestuursorgaan is gevestigd. In dit geval is dat de rechtbank te 's-Gravenhage.

De Staatssecretaris van Financiën,

namens deze,

Het hoofd van de Belastingdienst ..../.....,

Bijlage 3. Model van een verweerschrift [Vervallen per 09-03-2010]

Model van een verweerschrift:

Aan de rechtbank te ...

Ingevolge Uw verzoek van ..., Uw kenmerk/ref...., doe ik U hierbij mijn verweerschrift toekomen, alsmede de op de zaak betrekking hebbende stukken.

Wat betreft de stukken waarvan ik de openbaarmaking aan appellant heb geweigerd met een beroep op uitzonderingsgronden van de Wet openbaarheid van bestuur, verzoek ik U, met een beroep op art. 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht, om geheimhouding.

Het geschil tussen appellant en mij om het al dan niet openbaar maken van die stukken vormt immers juist het onderwerp van de onderhavige procedure. De desbetreffende stukken heb ik voorzien van de aanduiding ‘GEHEIM’.

De Staatssecretaris van Financiën,

namens deze,

Het hoofd van de Belastingdienst ...../....,

Verweerschrift

1.

Onderwerp van geschil

 

...

2.

Voorgeschiedenis

 

...

3.

Standpunt van appellant

 

(Weergave van de kernpunten.)

4.

Standpunt van verweerder

 

(Weerlegging op punten.)

5.

Conclusie

Verweerder is op grond van het bovenstaande van mening dat zijn beschikking niet in strijd is met de Wet openbaarheid van bestuur of met de Algemene wet bestuursrecht, dan wel met ..., en dat het beroep van appellant derhalve niet-ontvankelijk verklaard dan wel verworpen dient te worden.

Bijlage 4. Model van een machtiging om namens het hoofd van de betrokken eenheid voor de rechtbank op te treden [Vervallen per 09-03-2010]

Model van een machtiging om namens het hoofd van de betrokken eenheid voor de rechtbank op te treden:

../../199.

Aan de rechtbank te ......

Het Hoofd van de Belastingdienst ...../......, daartoe gemandateerd bij de Regeling Wob-mandaat Belastingdienst van 21 december 1993, Stcrt. 1993, 247, machtigt ......................... namens hem op te treden bij de behandeling door uw rechtbank van procedures inzake de Wet openbaarheid van bestuur, een en ander met het recht van substitutie.

Het hoofd van de Belastingdienst ......./.......,