Overheid.nl| Zoekpagina

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Naar zoeken

Regeling keuring en handel dierlijke producten[Regeling vervallen per 01-01-2006.]

Geldend van 17-12-2005 t/m 31-12-2005

Regeling keuring en handel dierlijke producten

De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij,

Gelet op richtlijn nr. 88/657/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 december 1988 tot vaststelling van de eisen voor de productie en het handelsverkeer in gehakt, vlees in stukken van minder dan 100 gram en vleesbereidingen en tot wijziging van de Richtlijnen 64/433/EEG, 71/118/EEG en 72/462/EEG (PbEG L 395), richtlijn nr. 89/662/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PbEG L 395), richtlijn nr. 90/675/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 10 december 1990 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht (PbEG L 373), richtlijn nr. 91/494/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1991 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intra-communautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van vers vlees van pluimvee (PbEG L 268), richtlijn nr. 91/495/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 november 1991 inzake gezondheidsvoorschriften en veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van konijnevlees en vlees van gekweekt wild (PbEG L 268), richtlijn nr. 92/45/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 juni 1992 betreffende de gezondheidsvoorschriften en veterinairrechtelijke voorschriften voor het doden van vrij wild en het in de handel brengen van vlees van vrij wild (PbEG L 268), richtlijn nr. 92/116/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 tot wijziging en bijwerking van Richtlijn 71/118/EEG inzake gezondheidsvoorschriften op het gebied van het handelsverkeer in vers vlees van pluimvee (PbEG 1993, L 62), richtlijn nr. 92/118/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van producten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van Richtlijn 89/662/EEG, en, wat ziekteverwekkers betreft, van Richtlijn 90/425/EEG (PbEG 1993, L 62) en richtlijn nr. 93/121/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 december 1993 houdende wijziging van Richtlijn 91/494/EEG tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van vers vlees van pluimvee (PbEG L 340);

Gelet op de artikelen 10, 11, eerste lid, onderdeel b, 13, tweede lid, 81, tweede tot en met vierde lid, 105 en 107 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, de artikelen 19, 26, 27 en 28 van de Landbouwwet, artikel 2, onderdeel b, van het Besluit uitvoer dieren en producten van dierlijke oorsprong en de artikelen 2, 4, 5 en 6 van het Besluit inzake het in de handel brengen van dieren en producten en de toepassing van maatregelen met betrekking tot in Nederland gebrachte dieren en producten;

Gezien het advies van de Raad voor dierenaangelegenheden, het productschap voor Pluimvee en Eieren, het Bedrijfschap voor de Pluimveehandel- en industrie en de Vereniging van de Nederlandse Pluimveeverwerkende Industrie;

Besluit:

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen [Vervallen per 01-01-2006]

Afdeling 1. Begripsbepalingen (artikel 1.1) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 1.1 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder:

    richtlijn 64/433/EEG:

    richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1964 betreffende de gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van vers vlees (PbEG 1991, L 268);

    richtlijn 71/118/EEG:

    richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 februari 1971 inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van de productie en het in de handel brengen van vers vlees van pluimvee (PbEG 1993, L 62);

    richtlijn 72/461/EEG:

    richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1972 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees (PbEG L 302);

    richtlijn 72/462/EEG:

    richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 december 1992 inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen, varkens, schapen en geiten, van vers vlees of van vleesproducten uit derde landen (PbEG L 302);

    richtlijn 77/96/EG:

    richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 21 december 1976 inzake het opsporen van trichinen bij de invoer van vers vlees van varkens, huisdieren, uit derde landen (PbEG 1977, L 26);

    richtlijn 77/99/EEG:

    richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1976 betreffende de gezondheidsvraagstukken op het gebied van de productie en het in de handel brengen van vleesproducten en bepaalde andere producten van dierlijke oorsprong (PbEG 1992, L 57);

    richtlijn 80/215/EEG:

    richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 22 januari 1980 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vleesproducten (PbEG L 47);

    richtlijn 89/662/EEG:

    richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (PbEG L 395);

    richtlijn 90/539/EEG:

    richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 31 september 1990 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (PbEG L 303);

    richtlijn 91/494/EEG:

    richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 26 juni 1991 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van vers vlees van pluimvee (PbEG L 268);

    richtlijn 91/495/EEG:

    richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 november 1990 inzake gezondheidsvoorschriften en veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van konijnevlees en vlees van gekweekt wild (PbEG L 268);

    richtlijn 92/45/EEG:

    richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 juni 1992 betreffende de gezondheidsvoorschriften en veterinairrechtelijke voorschriften voor het doden van vrij wild en het in de handel brengen van vlees van vrij wild (PbEG L 268);

    richtlijn 92/118/EEG:

    richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 december 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke en de gezondheidsvoorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van producten waarvoor ten aanzien van deze voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving geldt als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van Richtlijn 89/662/EEG, en wat ziekteverwekkers betreft, van Richtlijn 90/425/EEG (PbEG 1993, L 62);

    richtlijn 93/43/EEG:

    richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 inzake levensmiddelenhygiëne (PbEG L 175);

    richtlijn 94/65/EG:

    richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 14 december 1994 tot vaststelling van voorschriften voor de productie en het in de handel brengen van gehakt vlees en vleesbereidingen (PbEG L 368);

    Richtlijn 96/22/EG:

    richtlijn (EG) nr. 96/22 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 29 april 1996 betreffende het gebruik, in de veehouderij van bepaalde stoffen met thyreostatische werking, alsmede van ß-agonisten en tot intrekking van de Richtlijnen 81/602/EEG, 88/146/EEG en 88/299/EEG (PbEG L 125);

    richtlijn 97/78/EG:

    richtlijn nr. 97/78/EG van de Raad van de Europese Unie van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (PbEG 1998, L 24);

    richtlijn 91/67/EEG:

    richtlijn nr. 91/67/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het in de handel brengen van aquicultuurdieren en aquicultuurproducten (PbEG L 46);

    richtlijn 2002/99/EG:

    richtlijn nr. 2002/99/EG van de Raad van de Europese Unie van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (PbEG L 18);

    verordening 999/2001/EG:

    verordening van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001, houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën;

    verordening 1774/2002/EG:

    verordening (EG) van het Europees Parlement en de Raad van 3 oktober 2002 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten (PBEG L 273);

    verordening 812/2003/EG:

    verordening (EG) van de Commissie van 12 mei 2003 inzake overgangsmaatregelen krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de invoer en doorvoer van bepaalde producten uit derde landen (PbEG L 117);

    verordening 1829/2003:

    verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PbEU L 268);

    verordening 1830/2003:

    verordening (EG) nr. 1830/2003 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 betreffende de traceerbaarheid van genetisch gemodificeerde organismen en de traceerbaarheid van met genetisch gemodificeerde organismen geproduceerde levensmiddelen en diervoeders en tot wijziging van Richtlijn 2001/18/EG (PbEU L 268);

    verordening 136/2004/EG:

    verordening (EG) nr. 136/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 januari 2004 tot vaststelling van procedures voor de veterinaire controles in de grensinspectieposten van de Gemeenschap bij het binnenbrengen van producten uit derde landen (PbEU L 21);

    verordening 745/2004/EG:

    verordening (EG) nr. 745/2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 16 april 2004 tot vaststelling van maatregelen betreffende de invoer van producten van dierlijke oorsprong voor persoonlijke consumptie (PbEU L 122);

    verordening 780/2004/EG:

    verordening (EG) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 26 april 2004 betreffende overgangsmaatregelen krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de invoer en doorvoer van bepaalde producten uit bepaalde derde landen (PbEU L123);

    beschikking 2003/329/EG:

    beschikking van de Commissie van 12 mei 2003 inzake overgangsmaatregelen krachtens Verordening (EG) nr. 1774/2002 wat betreft de warmtebehandeling van mest (PbEG L 117);

    beschikking 79/542/EEG:

    beschikking (EG) nr. 79/542 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1976 tot vaststelling van een lijst van derde landen of delen van derde landen, alsmede tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften, gezondheidsvoorschriften en voorschriften inzake de veterinaire certificering voor de invoer in de Gemeenschap van levende dieren en vers vlees daarvan (PbEU 2004, L 73);

    beschikking 93/402/EEG:

    beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 10 juni 1993 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften en veterinaire certificering voor de invoer van vers vlees uit landen van Zuid-Amerika (PbEG L 179);

    beschikking 94/85/EG:

    beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 16 februari 1994 tot vaststelling van een lijst van derde landen waaruit de Lid-Staten de invoer van vers vlees van pluimvee toestaan (PbEG L 44);

    beschikking 94/86/EG:

    beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 16 februari 1994 tot vaststelling van de voorlopige lijst van derde landen waaruit de Lid-Staten de invoer van vlees van vrij wild toestaan (PbEG L 44);

    beschikking 94/984/EG:

    beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 20 december 1994 tot vaststelling van de diergezondheidsvoorschriften en de voorschriften inzake veterinaire certificaten voor de invoer van vers vlees van pluimvee uit derde landen (PbEG L 378);

    beschikking 95/408/EG:

    Beschikking van de Raad van de Europese Unie van 22 juni 1995 tot vaststelling van voorschriften voor het opstellen voor een overgangsperiode van voorlopige lijsten van inrichtingen in derde landen waaruit de lid-staten bepaalde producten van dierlijke oorsprong, visserijproducten en levende tweekleppige weekdieren mogen invoeren (PbEG L 243);

    beschikking 96/659/EG:

    beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 november 1996 inzake beschermende maatregelen in verband met Krim-Kongo hemorragische koorts in Zuid-Afrika en Azië (PbEG L 302);

    beschikking 97/217/EG:

    beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 28 februari 1997 tot vaststelling van groepen van derde landen die kunnen voldoen aan de eisen inzake veterinaire certificering voor de invoer van vlees van vrij wild, vlees van gekweekt wild en konijnenvlees uit derde landen (PbEG L 88);

    beschikking 97/296/EG:

    beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 22 april 1997 tot vaststelling van de lijst van derde landen waaruit invoer van visserijproducten voor menselijke consumptie is toegestaan (PbEG L 122);

    2000/571/EG:

    beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 8 september 2000 tot vaststelling van de methoden voor de veterinaire controles van producten uit derde landen die bestemd zijn voor een vrije zone, een vrij entrepot, een douane-entrepot of een handelaar die levert aan grensoverschrijdende zeevervoermiddelen (PbEG L 240);

    beschikking 2000/572/EG:

    beschikking (EG) nr. 2000/572 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 8 september 2000 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften, gezondheidsvoorschriften en voorschriften inzake de veterinaire certificering voor de invoer in de Gemeenschap van vleesbereidingen uit derde landen (PbEG L 240);

    beschikking 2000/585/EG:

    beschikking (EG) nr. 2000/585 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 september 2000 houdende vaststelling van een lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer toestaan van konijnenvlees en van bepaalde soorten vlees van vrij en van gekweekt wild, en houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften, gezondheidsvoorschriften en voorschriften inzake de veterinaire certificering voor die invoer (PbEU 2004, L 73);

    beschikking 2000/609/EG:

    beschikking (EG) nr. 2000/609 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 2000 (PbEG L 258) tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften, gezondheidsvoorschriften en voorschriften inzake veterinaire certificering voor de invoer van vlees van gekweekte loopvogels en tot wijziging van Beschikking 94/85/EG tot vaststelling van een lijst van derde landen waaruit de lidstaten de invoer van vers vlees van pluimvee toestaan;

    beschikking 2001/471/EG:

    beschikking 2001/471/EG van de Europese Commissie van 8 juni 2001 tot vaststelling van voorschriften voor het regelmatig doen controleren van de algemene hygiëne door de exploitanten in inrichtingen overeenkomstig richtlijn 64/433/EEG betreffende de gezondheidsvoorschriften voor de productie en het in de handel brengen van vers vlees en richtlijn 71/118/EEG inzake gezondheidsvraagstukken op het gebied van de productie en het in de handel brengen van vers vlees van pluimvee (PbEG L 165);

    beschikking 2003/812/EG:

    beschikking (EG) nr. 2003/812 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 17 november 2003 tot vaststelling van lijsten van derde landen waaruit de lidstaten de invoer van bepaalde producten voor menselijke consumptie als bedoeld in Richtlijn 92/118/EEG van de Raad toestaan (PbEU L 305);

    beschikking 2004/280/EG:

    Beschikking (EG) nr. 2004/280 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 19 maart 2004 tot vaststelling van overgangsmaatregelen voor het in de handel brengen van bepaalde producten van dierlijke oorsprong, verkregen in Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië en Slowakije (PbEU L 87);

    Overeenkomst:

    Overeenkomst van 17 december 1996 tussen de Europese Gemeenschap en Nieuw-Zeeland inzake sanitaire maatregelen voor de handel in levende dieren en dierlijke producten (PbEG 1997, L 57).

    minister:

    Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

    VWA:

    de Voedsel en Waren Autoriteit, ingesteld bij besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 8 juli 2002 (Stcrt. 127);

    werkelijke kosten:

    de kosten die betrekking hebben op de administratiekosten, de loonkosten en de sociale premies van de met de onderzoeken en keuringen belaste personen van de RVV als mede de kosten van laboratoriumonderzoek;

    keuringsdierenarts:

    dierenarts verbonden aan de VWA;

    assistent:

    door de minister aangewezen keurmeester;

    ambtenaar:

    ambtenaar, bedoeld in artikel 114, eerste of tweede lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

    officiële dierenarts:

    door de bevoegde centrale autoriteit van het land van verzending aangewezen dierenarts;

    inspectiepost:

    op Nederlands grondgebied gelegen inspectiepost aan de grens die voldoet aan de bij of krachtens artikel 6 van richtlijn 97/78/EEG gestelde voorschriften en uit dien hoofde overeenkomstig dat artikel is aangewezen en erkend voor de controle van bepaalde soorten producten;

    douane-entrepot:

    opslagruimte als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 (PbEG L 302);

    vrij entrepot:

    opslagruimte als bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 (PbEG L 302);

    ruimte voor tijdelijke opslag:

    opslagruimte als bedoeld in artikel 185 van de Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2 juli 1993 (PbEG L 253);

    lid-staat:

    lid-staat: lid-staat van de Europese Unie, niet zijnde Nederland;

    derde land:

    land, niet zijnde Nederland en niet zijnde een lid-staat;

    pluimvee:

    kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden en ganzen, alsmede gekweekt vederwild;

    vers vlees van pluimvee:

    alle voor menselijke consumptie geschikte delen van pluimvee, ook vacuüm of in gecontroleerde atmosfeer verpakt, niet zijnde gehakt vlees en niet zijnde vleesbereidingen, die, buiten de koudebehandeling, geen behandeling ter bevordering van de houdbaarheid hebben ondergaan;

    vrij wild:

    bejaagde niet-gedomesticeerde landzoogdieren, met inbegrip van niet-gedomesticeerde zoogdieren die in een gesloten gebied leven met eenzelfde vrijheid als vrij wild, en niet-gedomesticeerde vogels, niet zijnde vogels die in gevangenschap worden gekweekt of gehouden;

    grof vrij wild:

    niet-gedomesticeerde zoogdieren van de familie der hoefdieren;

    klein vrij wild:

    niet-gedomesticeerde zoogdieren van de familie der Leporidae en bejaagde niet-gedomesticeerde vogels, niet-zijnde vogels of Leporidae die in gevangenschap worden gekweekt of gehouden;

    vrij vederwild:

    niet-gedomesticeerde vogels, niet zijnde vogels die in gevangenschap worden gekweekt of gehouden;

    gehele stukken vrij wild:

    gehele stukken niet-onthuid gedood grof wild of gehele stukken niet-ontvederd of niet-ontheid en al dan niet ontweid gedood klein vrij wild;

    vlees van vrij wild:

    alle voor menselijke consumptie geschikte delen van vrij wild, niet zijnde gehakt vlees en vleesbereidingen en niet zijnde slachtafvallen van vrij vederwild, eenhoevig wild, wilde Leporidae en niet-gedomesticeerde landzoogdieren, niet zijnde hoefdieren;

    gekweekt vederwild:

    kwartels, duiven, fazanten, patrijzen en loopvogels (Ratites) en andere niet-gedomesticeerde vogels die in gevangenschap worden gekweekt of gehouden;

    vlees van gekweekt vederwild:

    alle voor menselijke consumptie geschikte delen van gekweekt vederwild, niet zijnde gehakt vlees en niet zijnde vleesbereidingen;

    gehakt vlees:

    vlees als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 64/433/EEG, 71/118/EEG of 92/45/EEG, dan wel vlees dat voldoet aan artikel 3, 6 of 8 van richtlijn 91/495/EEG, dat in kleine stukken is gehakt of door een hakmolen is gehaald en waaraan ten hoogste 1% zout is toegevoegd;

    vleesproducten:

    producten als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, aanhef, van richtlijn 77/99/EEG, niet zijnde vlees, onderscheidenlijk producten als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, onder i en ii, van die richtlijn;

    vleesbereidingen:

    vlees als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 64/433/EEG, 71/118/EEG of 92/45/EEG, dan wel vlees dat voldoet aan artikel 3, 6 of 8 van richtlijn 91/495/EEG, waaraan levensmiddelen, kruiderijen of additieven zijn toegevoegd of dat een behandeling heeft ondergaan in een mate die niet volstaat om de inwendige celstructuur van het vlees te veranderen en aldus de kenmerken van vers vlees te doen verdwijnen;

    • -

      een andere behandeling heeft ondergaan dan de behandeling, bedoeld in artikel 2, onderdelen a en f, van richtlijn 77/99/EEG;

    • -

      bereid is door toevoeging van levensmiddelen, kruiden of additieven, of

    • -

      onderworpen is aan een combinatie van de vorenbedoelde procédés, welke bereiding van dien aard is dat de celstructuur van het vlees niet is aangetast en dat er geen beensplinters in het eindproduct aanwezig zijn;

    producten:
    • -

      vers vlees van pluimvee;

    • -

      vlees van vrij wild of gehele stukken vrij wild;

    • -

      gehakt vlees;

    • -

      vleesbereidingen;

    • -

      overige dierlijke producten;

    • -

      dierlijke bijproducten;

    • -

      producten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van verordening 745/2004/EG, voor zover door reizigers in de Europese Gemeenschap binnengebracht of aan particulieren in de Europese Gemeenschap toegezonden;

    partij:

    hoeveelheid producten van dezelfde aard waarvoor eenzelfde handelsdocument of certificaat zoals voorgeschreven in deze regeling geldt, die met hetzelfde vervoermiddel wordt vervoerd en die afkomstig is uit hetzelfde derde land of gedeelte van een derde land, dan wel, indien zij afkomstig is uit een lid-staat, uit dezelfde inrichting;

    in de handel brengen:

    bedrijfsmatig voorhanden of in voorraad hebben, slachten, be- of verwerken, ge- en verbruiken, vervoeren, aanvoeren, ontvangen, afleveren, te koop aanbieden, kopen of vervreemden, daaronder niet begrepen het brengen in Nederland en het anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen;

    importeur:

    elke natuurlijke of rechtspersoon die een partij met het oog op het brengen in Nederland bij een inspectiepost ten onderzoek aanbiedt, dan wel zijn gemachtigde;

    belanghebbende bij de lading:

    belanghebbende bij de lading als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van richtlijn 97/78/EG;

    handelaar:

    elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, zijnde de eerste ontvanger op Nederlands grondgebied van een partij afkomstig uit een lid-staat, dan wel zijn gemachtigde;

    overige dierlijke producten:

    producten van dierlijke oorsprong en handelsmonsters, niet zijnde dierlijke bijproducten, waarvoor geen specifieke communautaire veterinairrechtelijke en gezondheidsvoorschriften gelden als bedoeld in bijlage A, hoofdstuk I, van richtlijn 89/662/EEG, met uitzondering van:

    • a. beenderen of producten uit beenderen, met uitzondering van beendermeel, hoornen of producten uit hoorn, met uizondering van hoornmeel, dan wel hoeven of producten uit hoeven, met uizondering van meel van hoeven, bestemd voor menselijke voeding;

    • b. verwerkte dierlijke eiwitten, bestemd voor menselijke voeding;

    • c. producten, bedoeld in de hoofdstukken 9 en 11 van bijlage I van richtlijn 92/118/EEG en in hoofdstuk I van bijlage II van genoemde richtlijn, voor zover deze producten zijn bestemd voor menselijke voeding;

    • d. bereidingen van vlees van gekweekt wild of konijnevlees als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 91/495/EEG, of van vlees van vrij wild;

    • e. producten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van verordening 745/2004/EG, voor zover door reizigers in de Europese Gemeenschap binnengebracht of aan particulieren in de Europese Gemeenschap toegezonden;

    aquacultuurdieren:

    aquicultuurdieren als bedoeld in artikel 2, onderdeel 1, van richtlijn 91/67/EEG;

    aquacultuurproducten:

    aquicultuurproducten als bedoeld in artikel 2, onderdeel 2, van richtlijn 91/67/EEG;

    communautaire maatregel:

    verordening, richtlijn of beschikking als bedoeld in artikel 249 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;

    dierlijke bijproducten:

    producten als bedoeld in bijlage VII en VIII van verordening 1774/2002/EG of andere, niet in bijlage VIII van die verordening genoemde, technische producten die van categorie 3-materiaal als bedoeld in die verordening zijn afgeleid;

    handelsmonster:

    monster zonder handelswaarde dat genomen is in opdracht van de eigenaar van of de verantwoordelijke voor een inrichting, dat representatief is voor een bepaalde productie van overige dierlijke producten van die inrichting of dat een model vormt van een product van dierlijke oorsprong waarvan de productie wordt overwogen, en dat, voor het verdere onderzoek, een opgave behelst van het type product, de samensteling daarvan en de diersoort waarvan het is verkregen;

    ziekteverwekkers:

    iedere verzameling of kweek van organismen, of ieder afgeleid product, alleen dan wel in gerecombineerde vorm, van zo'n verzameling die of kweek van organsimen dat een ziekte kan veroorzaken bij enig levend wezen, met uitzondering van de mens, en ieder gewijzigd afgeleid product van die organismen dat drager of overbrenger kan zijn van een verwekker van dierziekten, of het weefsel, de celkweek, de afscheidingsproducten dan wel de uitwerpselen waarlangs of door middel waarvan een verwekker van dierziekten kan worden gedragen of overgebracht, met uitzondering van immunologische geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik, zoals toegelaten bij richtlijn nr. 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PbEG L 311);

    werkzaamheden:

    onderzoeken en keuringen;

    Dienst Regelingen:

    Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit;

  • 2 Onder brengen in Nederland wordt mede verstaan:

    • a. vervoer van producten van de plaats waar ze op Nederlands grondgebied worden gebracht naar enige plaats in Nederland;

    • b. vervoer van producten van enige plaats in Nederland als bedoeld in onderdeel a, naar het grondgebied van en bestemd voor een lid-staat of een derde land, of

    • c. vervoer van producten van de plaats waar ze op Nederlands grondgebied worden gebracht naar het grondgebied van en bestemd voor een lid-staat of een derde land,

    voor zover niet reeds vallend onder het brengen in Nederland als bedoeld in artikel 10 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

  • 3 Onder anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen wordt mede verstaan het vervoer van producten, niet zijnde vers vlees of van of met vers vlees vervaardigde vleesproducten, van enige plaats in Nederland naar het grondgebied van en bestemd voor een lid-staat of een derde land, voor zover niet reeds vallend onder het anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen als bedoeld in artikel 78 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.

  • 4 In de artikelen en bijlagen van richtlijnen waarnaar in deze regeling wordt verwezen, wordt onder officiële dierenarts voor zover deze werkzaam is in Nederland verstaan de keuringsdierenarts bedoeld in het eerste lid.

  • 5 Voor de toepassing van hoofdstuk 2 wordt onder ‘keuringsdierenarts’ mede verstaan degene die namens de keuringsdierenarts onder diens gezag en verantwoordelijkheid optreedt.

Afdeling 2:. Overige algemene bepalingen (artikel 1.2) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 1.2 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De minister kan van het bepaalde in deze regeling vrijstelling of ontheffing verlenen.

  • 2 Aan een vrijstelling of ontheffing kunnen voorschriften of voorwaarden worden verbonden. Zij kunnen onder beperkingen worden verleend. Zij kunnen te allen tijde worden ingetrokken.

Artikel 1.3 [Vervallen per 01-01-1996]

Hoofdstuk 2. Controlebepalingen [Vervallen per 01-01-2006]

Afdeling 1:. Verbodsbepalingen (artikel 2.1) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 2.1 [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 2.1a [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Het brengen in Nederland van producten van dierlijke oorsprong, die zijn bestemd voor menselijke consumptie, is verboden.

  • 2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien is voldaan aan hoofdstuk 3.

Afdeling 2:. Het anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van producten (artikelen 2.2 tot en met 2.7) [Vervallen per 01-01-2006]

§ 1:. Uitzondering van het verbod op het anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van producten (artikel 2.2) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 2.2 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, geldt niet indien het overige dierlijke producten betreft, anders dan die genoemd in artikel 11.2 die zijn bestemd voor een lid-staat of Noorwegen met inachtneming evenwel van artikel 2.6, en evenmin indien het handelsmonsters betreft die zijn bestemd voor een derde land, niet zijnde Noorwegen.

  • 2 Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, alsmede het verbod, bedoeld in artikel 68 van de Veewet, gelden niet, behalve indien het gehakt vlees van andere dieren dan runderen, varkens, schapen of geiten, vleesbereidingen van vlees van eenhoevigen, dan wel separatorvlees als bedoeld in artikel 4.1 betreft, ten aanzien van producten indien zij, voor zover zij zijn bestemd voor een lid-staat of Noorwegen, vergezeld gaan van het bewijsstuk, onderscheidenlijk de bewijsstukken en zijn voorzien van het merk, genoemd of bedoeld in:

    • a. artikel 4.2, indien het vers vlees van pluimvee betreft;

    • b. artikel 5.2, indien het vlees van vrij wild betreft, en, voor wat betreft de bewijsstukken, artikel 5.3, indien het gehele stukken vrij wild betreft;

    • c. artikel 9.2, eerste en derde lid, indien het gehakt vlees van runderen, varkens, schapen of geiten betreft;

    • d. artikel 10.2, eerste en derde lid, indien het vleesbereidingen betreft, met uitzondering van vleesbereidingen van vlees van eenhoevigen;

    • e. voor wat betreft de bewijsstukken, artikel 11.2, indien het in dat artikel genoemde overige dierlijke producten betreft.

  • 3 Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, geldt niet ten aanzien van producten indien zij, voor zover zij zijn bestemd voor een derde land, niet zijnde Noorwegen, zijn voorzien van het merk, genoemd of bedoeld in:

    • 1º. artikel 4.2, 4.9 of 4.10, indien het vers vlees van pluimvee betreft;

    • 2º. artikel 5.2 of 5.9, indien het vlees van vrij wild betreft;

    • 3º. de onderscheiden onderdelen van artikel 9.2, tweede lid, al naar het gehakt vlees als bedoeld in die onderscheiden onderdelen betreft;

    • 4º. de onderscheiden onderdelen van artikel 10.2, tweede lid, al naar gelang het vleesbereidingen als bedoeld in die onderdelen betreft;

  • 4 Van artikel 2 van het Besluit uitvoer dieren en producten van dierlijke oorsprong wordt vrijstelling verleend, voor wat betreft:

    • a. het voorzien zijn van gehele stukken vrij wild en overige dierlijke producten die zijn bestemd voor een lid-staat of een derde land, van een of meer merken;

    • b. het voorzien zijn van gehakt vlees of vleesbereidingen die zijn bestemd voor een derde land, van een of meer bewijsstukken en

    • c. het voorzien zijn van vers vlees van pluimvee van een of meer merken die zijn aangebracht op grond van een van Rijkswege ingesteld onderzoek, indien het vlees betreft dat is verkregen overeenkomstig en voldoet aan punt 49 van hoofdstuk VIII van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG.

  • 5 De bewijsstukken zijn volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend, terwijl de geldigheidsduur ervan niet is verstreken, en zijn, voor zover van toepassing, in overeenstemming met de regelgeving van de Europese Gemeenschap opgesteld en afgegeven.

  • 6 De in het tweede tot en met vijfde lid bedoelde bewijsstukken worden afgegeven door de minister.

  • 7 Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, geldt niet ten aanzien van dierlijke bijproducten mits de producten:

    • a. vergezeld gaan, voor zover van toepassing, van het in bijlage II, hoofdstuk III, van verordening 1774/2002/EG bedoelde handelsdocument of gezondheidscertificaat;

    • b. met betrekking tot die producten, voor zover van toepassing, is voldaan aan de artikelen 19, onderdelen a tot en met d, en 20, eerste lid, onderdelen a en b, en derde lid, onderdelen a tot en met c, van verordening 1774/2002/EG.

  • 9 Voor de toepassing van het zevende lid is de bevoegde autoriteit, bedoeld in bijlage VIII, hoofdstuk VIII, van verordening 1774/2002/EG de minister.

  • 10 Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, alsmede het verbod, bedoeld in artikel 68 van de Veewet, zijn niet van toepassing op het anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van producten die, met inachtneming evenwel van artikel 2.6;

    • a. in kleine hoeveelheden in de persoonlijke bagage van reizigers voor eigen gebruik worden vervoerd;

    • b. zonder enig handelskarakter in kleine zendingen aan particulieren worden toegestuurd;

    • c. zich als proviand voor personeel en passagiers bevinden in grensoverschrijdende vervoermiddelen.

Artikel 2.2a [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Van het verbod bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, wordt, met inachtneming van artikel 2.6, vrijstelling verleend voor het door een producent van dierlijke meststoffen anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van onverwerkte dierlijke mest om daar voor eigen gebruik te worden aangewend, mits:

    • a. de producent dan wel diens gemachtigde door middel van een formulier zoals opgenomen in bijlage F, deel I, van deze regeling, dat voor het desbetreffende kalenderjaar is gewaarmerkt door het Dienst Regelingen, tijdens het vervoer kan aantonen dat de grond in de lid-staat van bestemming is aan te merken als tot het bedrijf van herkomst van de mest behorende, in een grensgebied gelegen grond die door het bedrijf feitelijk wordt gebruikt voor de landbouwkundige exploitatie, en

    • b. de lid-staat van bestemming geen bezwaar heeft tegen het op zijn grondgebied brengen van de mest en is voldaan aan de voorschriften van die lid-staat, met dien verstande dat indien de mest is bestemd voor België, de mest tijdens het vervoer tevens vergezeld gaat van het formulier zoals opgenomen in bijlage F, deel II van deze regeling.

  • 2 Een formulier zoals opgenomen in bijlage F van deze regeling is jaarlijks te verkrijgen bij het Dienst Regelingen. Een formulier wordt gewaarmerkt indien de producent het formulier volledig en naar waarheid ingevuld en ondertekend heeft ingediend bij het Dienst Regelingen.

§ 2:. Nadere voorschriften voor het aanbrengen en afgeven van merken en bewijsstukken (artikelen 2.3 tot en met 2.7) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 2.3 [Vervallen per 01-01-2006]

De merken, bedoeld in artikel 2.2, worden slechts aangebracht en de bewijsstukken, bedoeld in artikel 2.2, worden slechts afgegeven, indien op grond van een van Rijkswege ingesteld onderzoek is gebleken dat wordt voldaan aan de artikelen 2.4, 2.5, 2.6 en 2.7, alsmede aan:

  • a. indien het vers vlees van pluimvee betreft:

  • b.

    • 1º. de artikelen 5.5 en 5.6, indien het, voor vlees van vrij wild, het merk bedoeld in artikel 5.2 betreft en, voor vlees van vrij wild en gehele stukken vrij wild, het bewijsstuk bedoeld in artikel 5.2 betreft;

    • 2º. de artikelen 5.5 en 5.6, voor zover de onderdelen daarvan niet uitsluitend betrekking hebben op vlees van vrij wild bestemd voor een lid-staat of Noorwegen, indien het het in artikel 5.7 bedoelde merk betreft;

  • c. indien het gehakt vlees betreft:

  • d. indien het vleesbereidingen betreft:

  • e. indien het overige dierlijke producten als genoemd in artikel 11.2 betreft, die zijn bestemd voor een lid-staat of Noorwegen, de artikelen 11.3 tot en met 11.5.

Artikel 2.4 [Vervallen per 01-01-2006]

Indien de producten naar meer dan één bestemming worden vervoerd gaat elke partij vergezeld van het bewijsstuk, onderscheidenlijk de bewijsstukken, bedoeld in artikel 2.2.

Artikel 2.5 [Vervallen per 01-01-2006]

Indien de partij bestemd is voor een derde land vindt het vervoer over Nederlands grondgebied plaats onder douanetoezicht.

Artikel 2.6 [Vervallen per 01-01-2006]

Op grond van de regelgeving van de Europese Gemeenschap of de Toezichthoudende Autoriteit van de Europese Vrijhandelsassociatie geldt geen verbod om de producten anders dan in doorvoer buiten Nederland te brengen of uit te voeren.

Artikel 2.7 [Vervallen per 01-01-2006]

Ten behoeve van het onderzoek of een merk als bedoeld in artikel 2.2 kan worden aangebracht, onderscheidenlijk een bewijsstuk als bedoeld in artikel 2.2 kan worden afgegeven, overlegt de aanvrager tijdig een daartoe bestemd, op de betrokken partij betrekking hebbend, aanvraagformulier aan de keuringsdierenarts die dit onderzoek verricht.

Afdeling 3:. Het brengen in Nederland van producten uit lid-staten (artikelen 2.8 tot en met 2.15) [Vervallen per 01-01-2006]

§ 1:. Uitzondering van het verbod op het brengen in Nederland van producten uit lid-staten (artikel 2.8) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 2.8 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, geldt niet ter zake van het brengen in Nederland van overige dierlijke producten, anders dan die genoemd in artikel 11.2, die zijn verzonden vanuit:

    • a. een lid-staat, dan wel

    • b. een derde land en via het grondgebied van een lid-staat in Nederland worden gebracht en zijn bestemd voor Nederland of een lid-staat, dan wel

    • c. een derde land en via het grondgebied van een lid-staat in Nederland worden gebracht en zijn bestemd voor een derde land voor zover het handelsmonsters betreft, mits, voor zover van toepassing, wordt voldaan aan het tweede lid, alsmede aan artikel 2.13.

  • 2 Handelsmonsters die zijn verzonden vanuit een derde land en via het grondgebied van een lid-staat of Noorwegen in Nederland worden gebracht en zijn bestemd voor een lid-staat of Noorwegen gaan, indien het land van bestemming voor het brengen op haar grondgebied van die handelsmonsters een vergunning als bedoeld in artikel 13, derde lid, van richtlijn 92/118/EEG voorschrijft, tijdens het vervoer vergezeld van de vergunning. Indien de vergunning is vereist, vindt het vervoer plaats onder douanetoezicht.

  • 3 Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, geldt, behalve indien het gehakt vlees van andere dieren dan runderen, varkens, schapen of geiten, vleesbereidingen van vlees van eenhoevigen, dan wel separatorvlees als bedoeld in artikel 4.1 betreft, niet ter zake van het brengen in Nederland van producten die zijn verzonden vanuit een lid-staat, mits wordt voldaan aan:

    • a. voor zover van toepassing, de artikelen 2.9 tot en met 2.14, 2.26, tweede lid en 2.27, en

    • b. indien de producten zijn bestemd voor Nederland, een lid-staat of Noorwegen:

      • 1º. afdeling 4 van hoofdstuk 4, indien het vers vlees van pluimvee betreft;

      • 2º. afdeling 4 van hoofdstuk 5, indien het vlees van vrij wild of gehele stukken vrij wild betreft;

      • 3º. afdeling 3 van hoofdstuk 11, indien het in artikel 11.2 genoemde overige dierlijke producten betreft, of.

    • c. indien de producten zijn bestemd voor Nederland of een lid-staat:

      • 1º. afdeling 4 van hoofdstuk 9, indien het gehakt vlees van runderen, varkens, schapen of geiten betreft;

      • 2º. afdeling 4 van hoofdstuk 10, indien het vleesbereidingen, met uitzondering van vleesbereidingen van vlees van eenhoevigen, betreft.

  • 4 Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid geldt, voor zover de producten afkomstig en verzonden zijn uit een lid-staat en bestemd zijn voor Nederland of een lid-staat, niet ten aanzien van dierlijke bijproducten, mits de producten:

    • a. vergezeld gaan, voor zover van toepassing, van het in bijlage II, hoofdstuk III, van verordening 1774/2002/EG bedoelde handelsdocument of gezondheidscertificaat;

    • b. met betrekking tot die producten, voor zover van toepassing, is voldaan aan de artikelen 19, onderdelen a tot en met d, en 20, eerste lid, onderdelen a en b, en derde lid, onderdelen a tot en met c, van verordening 1774/2002/EG of, indien het verwerkte mest of verwerkte producten uit mest betreft, artikel 1 van beschikking 2003/329/EG.

  • 5 Voor de toepassing van het vierde lid is de bevoegde autoriteit, bedoeld in bijlage VIII, hoofdstuk VIII, van verordening 1774/2002/EG de minister.

  • 6 Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, is niet van toepassing op het brengen in Nederland van producten die, met inachtneming evenwel van artikel 2.13:

    • a. in kleine hoeveelheden in de persoonlijke bagage van reizigers voor eigen gebruik worden vervoerd;

    • b. zonder enig handelskarakter in kleine zendingen aan particulieren worden toegestuurd;

    • c. zich als proviand voor personeel en passagiers bevinden in grensoverschrijdende vervoermiddelen.

Artikel 2.8a [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, geldt, behalve indien het gehakt vlees van andere dieren dan runderen, varkens, schapen of geiten, vleesbereidingen van vlees van eenhoevigen, dan wel separatorvlees als bedoeld in artikel 4.1 betreft, niet terzake van het brengen in Nederland van producten die zijn verzonden vanuit een derde land en via het grondgebied van een lid-staat in Nederland zijn gebracht, mits wordt voldaan aan, voorzover van toepassing, de artikelen 2.9 tot en met 2.14, 2.26, tweede lid, en 2.27 en mits:

    • a. indien de producten, niet zijnde niet in artikel 11.2 genoemde overige dierlijke producten, zijn bestemd voor Nederland of een lid-staat, de partij vergezeld gaat van een Gemeenschappelijk veterinair document van binnenkomst als bedoeld in verordening 136/2004/EG en van een gewaarmerkt afschrift als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van richtlijn 97/78/EG;

    • b. indien de producten bestemd zijn voor een derde land, de partij vergezeld gaat van:

      1e. het bij de partij behorende originele document, en

      2e. een document als bedoeld in onderdeel a waarin is aangegeven langs welke grensinspectiepost als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van richtlijn 97/78/EG de partij de Europese Gemeenschap verlaat.

Artikel 2.8b [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Van het verbod bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, wordt, met inachtneming van artikel 2.13, vrijstelling verleend voor het door een producent van dierlijke meststoffen in Nederland brengen van onverwerkte dierlijke mest om daar voor eigen gebruik te worden aangewend, mits de producent dan wel diens gemachtigde door middel van een door de bevoegde autoriteiten van het land van verzending verstrekt en gewaarmerkt formulier, dat tevens is gewaarmerkt door het Dienst Regelingen, tijdens het vervoer kan aantonen dat de grond in Nederland is aan te merken als tot het bedrijf van herkomst van de mest behorende, in een grensgebied gelegen grond die door het bedrijf feitelijk wordt gebruikt voor de landbouwkundige exploitatie.

  • 2 Een formulier als bedoeld in het tweede lid wordt door het Dienst Regelingen gewaarmerkt nadat het is gewaarmerkt door de autoriteiten van het land van verzending.

§ 2:. Nadere voorschriften voor het brengen in Nederland van producten uit lid-staten (artikelen 2.9 tot en met 2.14) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 2.9 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De partij gaat:

    • a. indien uit de certificaten of documenten, genoemd of bedoeld in afdeling 4 van de hoofdstukken 4, 5, 9 of 10 , afdeling 3 van hoofdstuk 11, bijlage II, hoofdstuk III, en bijlagen VII en VIII van verordening 1774/2002/EG of bijlage III van verordening 780/2004/EG blijkt dat zij is bestemd voor Nederland, tot en met de ontvangst door de handelaar;

    • b. indien uit de in onderdeel a bedoelde documenten, dan wel de documenten bedoeld in artikel 2.8a, eerste lid, onderdeel b, blijkt dat zij is bestemd voor een lid-staat of een derde land, tijdens het vervoer naar de plaats waar zij weer buiten Nederland wordt gebracht, vergezeld van desbetreffende documenten.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde certificaten en documenten zijn originelen, waarvan de geldigheidsduur niet is verstreken en zijn, voorzover van toepassing, in overeenstemming met de voor het desbetreffende product geldende regelgeving van de Europese Gemeenschap opgesteld en afgegeven, en volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend in de Nederlandse, Engelse, Franse of Duitse taal.

Artikel 2.10 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Indien de partij in Nederland wordt gebracht via een inspectiepost, worden de in artikel 2.9, eerste lid, bedoelde certificaten of documenten, alsmede de vergunning, bedoeld in artikel 2.8, tweede lid, desverlangd door de handelaar overgelegd aan de keuringsdierenarts.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien:

    • a. de partij rechtstreeks via een geregelde lijndienst vanuit een inspectiepost wordt vervoerd naar een andere op het grondgebied van de Europese Gemeenschap gelegen plaats;

    • b. de partij is verzonden vanuit een derde land en is bestemd voor een derde land.

Artikel 2.11 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De handelaar geeft van elke aanvoer van een partij kennis aan de VWA. De kennisgeving geschiedt tussen 8.00 uur en 17.00 uur en ten laatste op de dag, niet zijnde een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag, voorafgaande aan de dag van aankomst op de plaats van ontvangst. Bij de kennisgeving wordt de plaats en het vermoedelijke tijdstip van aankomst alsmede de hoeveelheid en de soort dieren of producten opgegeven.

  • 2 Op last van de in het eerste lid bedoelde keuringsdierenarts biedt de handelaar de aangevoerde partij aan die keuringsdierenarts ten onderzoek aan en overlegt hij hem de op die partij betrekking hebbende certificaten of documenten, bedoeld in artikel 2.9, eerste lid.

Artikel 2.12 [Vervallen per 01-01-2006]

Indien uit de certificaten of documenten, bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, blijkt dat de partij is bestemd voor Nederland of een lid-staat, is de handelaar ingeschreven in het in artikel 2.26, eerste lid, bedoelde register, terwijl die inschrijving niet is getroffen door een beslissing als bedoeld in artikel 2.26, derde lid.

Artikel 2.13 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Op grond van de regelgeving van de Europese Gemeenschap zijn geen maatregelen genomen, houdende de instelling van een verbod om de producten uit de betrokken lid-staat uit te voeren of houdende de machtiging tot instelling van een verbod om de betreffende producten in Nederland te brengen, noch is de lid-staat van verzending ingevolge deze regelgeving gehouden de afgifte van de certificaten of vervoersdocumenten, zulks in verband met het brengen in Nederland, op te schorten.

  • 2 Ingevolge de regelgeving van de lid-staat van verzending is er geen verbod om de betrokken partij op het grondgebied van die lid-staat in de handel te brengen.

  • 3 Ten aanzien van de partij is, in voorkomend geval, voldaan aan de ingevolge artikel 9 van richtlijn 89/662/EEG vastgestelde regelgeving van de Europese Gemeenschap of van de lid-staat van verzending zelf, in geval van een uitbraak van een epidemische dierziekte in de lid-staat van verzending.

Artikel 2.14 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Indien uit de certificaten of documenten, bedoeld in artikel 2.9, eerste lid, onderdeel b, blijkt dat de een uit een derde land afkomstige partij bestemd is voor een derde land, geschiedt het vervoer onder douanetoezicht tot op de plaats waar het Nederlands grondgebied wordt verlaten in verzegelde voertuigen of verzegelde containers en zonder splitsing of, tenzij de partij overeenkomstig het tweede lid wordt opgeslagen, lossing van de partij.

§ 3:. Maatregelen in geval van niet-naleving van de voorschriften voor het brengen in Nederland van producten uit lidstaten (artikel 2.15) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 2.15 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Indien wordt vermoed of geconstateerd dat in de partij verwekkers van ziekten, zoönosen of andere aandoeningen, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van richtlijn 89/662/EEG, aanwezig zijn of dat de producten afkomstig zijn uit een met een epidemische dierziekte besmet gebied kan de minister, indien hij de aanwezigheid van verwekkers van ziekten, zoönosen of andere aandoeningen vermoedt, gelasten dat de producten voor rekening van de verzender of diens gemachtigde, dan wel de afnemer, in tijdelijke afzondering worden geplaatst, dan wel worden, zonder vergoeding van Staatswege:

    • a. en voor rekening van de verzender of diens gemachtigde, al naar gelang de minister daaromtrent heeft besloten en met inachtneming van diens aanwijzingen, de producten vernietigd, of

    • b. voor rekening van de afnemer, al naar gelang de minister daaromtrent heeft besloten en met inachtneming van diens aanwijzingen, de producten voor andere doeleinden gebruikt dan waarvoor ze zijn bestemd.

  • 2 [Red: Vervallen.]

  • 3 Onverminderd het eerste lid en tenzij in deze regeling anders is bepaald worden, indien wordt vermoed of geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de onderhavige regeling, zonder vergoeding van Staatswege en voor rekening van de verzender of diens gemachtigde, al naar gelang de minister daaromtrent heeft besloten en met inachtneming van diens aanwijzingen, de producten in tijdelijke afzondering geplaatst, indien de minister vermoedt dat niet wordt voldaan aan de onderhavige regeling, dan wel vernietigd of voor andere doeleinden gebruikt dan waarvoor ze zijn bestemd, bijvoorbeeld door terugzending met toestemming van de bevoegde veterinaire autoriteit van het land van oorsprong.

  • 4 Tenzij hygiënische of veterinairrechtelijke voorschriften zich hiertegen verzetten, laat de minister de keuze tussen de in het derde lid bedoelde maatregelen aan de verzender of diens gemachtigde.

Afdeling 4. Het brengen in Nederland, alsmede het inslaan, opslaan of uitslaan van producten uit derde landen (artikelen 2.16 tot en met 2.24a) [Vervallen per 01-01-2006]

§ 1. Uitzondering van het verbod op het brengen in Nederland van producten uit derde landen (artikel 2.16) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 2.16 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, geldt niet terzake van het brengen in Nederland van niet in artikel 11.8 genoemde overige dierlijke producten die via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de Europese Gemeenschap worden gebracht en die zijn verzonden vanuit een derde land en zijn bestemd voor Nederland, een lid-staat of Noorwegen.

  • 2 Behalve voor separatorvlees als bedoeld in artikel 4.1, gehakt vlees van andere dieren dan runderen, varkens, schapen of geiten en vleesbereidingen van vlees van eenhoevigen, geldt het verbod bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, niet terzake van het brengen in Nederland van producten, niet zijnde de in het eerste lid bedoelde producten, die via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de Europese Gemeenschap worden gebracht en zijn verzonden vanuit een derde land mits wordt voldaan, voorzover van toepassing, aan verordening 136/2004/EG en de artikelen 2.17 tot en met 2.23a, 2.23e, 2.23g, alsmede 2.23i tot en met 2.23k en, met inachtneming van artikel 2.16a:

    • a. indien de producten zijn bestemd voor Nederland, een lid-staat of Noorwegen:

    • b. indien de producten zijn bestemd voor Nederland of een lid-staat:

    • c. indien de producten genoemd in onderdeel a zijn bestemd voor een derde land, niet zijnde Noorwegen, of zijn bestemd om te worden geleverd aan zeevervoermiddelen als proviand voor bemanning en passagiers, of de producten, bedoeld in onderdeel b, zijn bestemd voor een derde land of zijn bestemd om te worden geleverd aan zeevervoermiddelen als proviand voor bemanning en passagiers, de betrokken partij vergezeld gaat van een bij die partij behorend origineel document.

  • 4 Het verbod, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, geldt niet ter zake van het brengen in Nederland door reizigers of als zending aan particulieren van:

Artikel 2.16a [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Een partij afkomstig uit Nieuw-Zeeland mag in afwijking van hetgeen in afdeling 2 van hoofdstuk 3, dan wel in de hoofdstukken 4, 5, 9, 10, 11 en 11A is bepaald ten aanzien van de voor de betrokken producten uit derde landen voorgeschreven gezondheidscertificaten, vergezeld gaan van een op de partij betrekking hebbend gezondheidscertificaat dat ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap ter uitvoering van de Overeenkomst van 17 december 1996 tussen de Europese Gemeenschap en Nieuw-Zeeland inzake sanitaire maatregelen voor de handel in levende dieren en dierlijke producten (PbEG 1997, L 57) is vastgesteld, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

    • a. de desbetreffende producten zijn ingevolge de vorenbedoelde overeenkomst als gelijkwaardig erkend;

    • b. de partij producten voldoet aan de ingevolge vorenbedoelde regelgeving gestelde bijkomende voorwaarden.

  • 2 Ingeval de desbetreffende producten op grond van de overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, slechts op het gebied van de volksgezondheid, dan wel slechts op het gebied van de diergezondheid als gelijkwaardig zijn erkend, is in afwijking van het eerste lid, aanvullend het dier- onderscheidenlijk volksgezondheidscertificaat bijgevoegd dat voor de betrokken producten is voorgeschreven in de afdeling 2 van hoofdstuk 3, dan wel de hoofdstukken 4, 5, 9, 10, 11 of 11A.

§ 2. Nadere voorschriften voor het brengen in Nederland van producten uit derde landen: aankomst en onderzoek op de inspectiepost en vervoer na onderzoek op de erkende inspectiepost (artikelen 2.17 tot en met 2.22) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 2.17 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Elke partij, rechtstreeks afkomstig uit een derde land, wordt aangevoerd via een inspectiepost.

  • 2 De melding van de aankomst van een partij vindt plaats aan de VWA overeenkomstig artikel 2, eerste tot en met derde lid, van verordening 136/2004/EG. Wanneer een partij bij de inspectiepost wordt aangeboden om aldaar te worden overgeladen, stelt de belanghebbende bij de lading de keuringsdierenarts bij aankomst van de partij op een door de keuringsdierenarts vastgestelde wijze in kennis van het vermoedelijke tijdstip waarop de partij wordt uitgeladen, van de bestemming van de partij en, indien de keuringsdierenarts daartoe verzoekt, van de precieze plaats waar de partij wordt overgeladen. 2. Het zevende lid komt te luiden:

  • 4 Ten aanzien van het in het derde lid bedoelde originele certificaat of document geldt dat:

    • a. de geldigheidsduur ervan niet is verstreken, en

    • b. het document, voor zover van toepassing, in overeenstemming met de voor het desbetreffende product geldende regelgeving van de Europese Gemeenschap is opgesteld en afgegeven, volledig ingevuld, gedagtekend en ondertekend.

  • 5 De partij wordt bij aankomst op de inspectiepost ter onderzoek aangeboden aan de keuringsdierenarts.

  • 6 De keuringsdierenarts onderwerpt de voor Nederland of een lidstaat bestemde partij in de inspectiepost aan een documentencontrole, een overeenstemmingscontrole en een materiële controle overeenkomstig artikel 4, derde en vierde lid, van richtlijn 97/78/EG. In de gevallen bedoeld in artikel 10, eerste en derde lid, van richtlijn 97/78/EG, is de keuringsdierenarts bevoegd om niet elke partij aan een materiële controle te onderwerpen.

  • 7 De controles, bedoeld in het zesde lid, worden niet verricht indien de in dat lid bedoelde partij:

    • a. over zee of door de lucht naar de haven of luchthaven van bestemming wordt vervoerd, zonder in de inspectiepost te worden gelost,

    • b. wordt gelost op een loskade in de inspectiepost en binnen een tijdsbestek van 7 dagen na lossing in een ander schip is overgeladen, of

    • c. wordt gelost op een terminal in de inspectiepost en binnen een tijdsbestek van 12 uur na lossing in een ander vliegtuig is overgeladen.

    Het in de vorige volzin bepaalde is slechts van toepassing indien de haven of luchthaven van bestemming over een inspectiepost of, indien het een haven of luchthaven in een lidstaat betreft, over een grensinspectiepost als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van richtlijn 97/78/EG beschikt. Bij overschrijding van de tijdstippen bedoeld in de onderdelen b en c, wordt de partij onder door de keuringsdierenarts te stellen voorwaarden opgeslagen en onderwerpt de keuringsdierenarts de partij aan een documentencontrole als bedoeld in het zesde lid en tevens, indien de opslag in de haven of luchthaven langer dan 20 dagen onderscheidenlijk 48 uur bedraagt, aan een overeenstemmingscontrole en een materiële controle als bedoeld in dat lid.

  • 8 De keuringsdierenarts onderwerpt een partij als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, in de inspectiepost aan een documentencontrole en een overeenstemmingscontrole overeenkomstig artikel 4, derde en vierde lid, van richtlijn 97/78/EG.

  • 9 De keuringsdierenarts onderwerpt de voor een derde land bestemde partij in de inspectiepost aan een documentencontrole en een overeenstemmingscontrole overeenkomstig artikel 4, derde en vierde lid, van richtlijn 97/78/EG.

  • 10 De keuringsdierenarts is bevoegd de controles, bedoeld in het negende lid, achterwege te laten, indien de in dat lid bedoelde partij:

    • a. zonder in de inspectiepost te worden gelost over zee of door de lucht naar een haven of luchthaven in een derde land wordt vervoerd,

    • b. wordt gelost op een loskade in de inspectiepost e

    • c. en binnen een tijdsbestek van 7 dagen na lossing in een ander schip is overgeladen om naar een derde land te worden verzonden, of d. wordt gelost op een terminal in de inspectiepost en binnen een tijdsbestek van 12 uur na lossing in een ander vliegtuig is overgeladen om naar een derde land te worden verzonden.

  • 11 Het zesde en negende lid zijn van overeenkomstige toepassing op een in die leden bedoelde partij die op het grondgebied van de Europese Gemeenschap wordt opgeslagen in een van de in artikel 2.23 genoemde opslagruimten.

  • 12 Onverminderd het zesde tot en met elfde lid, verricht de keuringsdierenarts indien er naar zijn oordeel gevaar bestaat dat de gezondheid van mens of dier wordt bedreigd of in de in de artikelen 14, eerste lid, en 20, eerste lid, van richtlijn 97/78/EG bedoelde gevallen voorts alle door hem passend geachte veterinaire controles.

Artikel 2.18 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Met betrekking tot een partij die bestemd is voor een derde land:

    • a. heeft de minister vooraf toestemming verleend voor het brengen van de partij in Nederland;

    • b. heeft de belanghebbende bij de lading voorafgaand aan het brengen van de partij in Nederland aan de minister schriftelijk toegezegd de partij weer in bezit te zullen nemen, alsmede schriftelijk toegezegd de producten overeenkomstige artikel 2.24, tweede lid, te behandelen, indien de producten in het derde land worden geweigerd;

    • c. vindt na het verlaten van de inspectiepost, of na uitslag uit een van de in artikel 2.23a, tweede lid, bedoelde opslagruimten, het vervoer over Nederlands grondgebied onder douanetoezicht plaats, zonder splitsing of lossing van de partij, in verzegelde voertuigen of in verzegelde containers;

    • d. verlaat de partij binnen 30 dagen na het vertrek uit de inspectiepost de Europese Gemeenschap.

  • 2 Indien de in het eerste lid bedoelde partij in het derde land wordt geweigerd, is de belanghebbende bij de lading verplicht om op eerste vordering van de keuringsdierenarts de partij overeenkomstig het eerste lid, onderdeel b, in bezit te nemen en te behandelen.

Artikel 2.18a [Vervallen per 01-01-2006]

Een partij als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, wordt na het verlaten van de inspectiepost in verzegelde en lekvrije voertuigen of containers rechtstreeks vervoerd naar de inrichting van oorsprong waar het certificaat, bedoeld in artikel 2.16, derde lid, onderdeel b, is afgegeven.

Artikel 2.19 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 2 Onverminderd het eerste lid is met betrekking tot de voor Nederland of een lidstaat bestemde partij door de minister een gewaarmerkt afschrift als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van richtlijn 97/78/EG, afgegeven.

  • 3 Indien de partij in de inspectiepost in meerdere delen is gesplitst, geldt het eerste lid voor elk van de deelpartijen.

Artikel 2.20 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Ter zake van een partij producten die zich aan boord bevindt van een vliegtuig of schip dat bij vervoer tussen twee derde landen op Nederlands grondgebied landt of aanlegt, overlegt de importeur aan de keuringsdierenarts, desgevraagd het originele document, bedoeld in artikel 2.16, tweede lid, onderdeel c.

  • 2 Indien de in het eerste lid bedoelde partij van het ene vliegtuig of schip in het andere wordt overgeladen, stelt de importeur de keuringsdierenarts hiervan in kennis en overlegt hij hem desgevraagd het originele document, bedoeld in artikel 2.16, tweede lid, onderdeel c.

  • 3 In de in het eerste en tweede lid bedoelde gevallen gaat de desbetreffende partij bij verzending naar het derde land vergezeld van het originele document, bedoeld in artikel 2.16, tweede lid, onderdeel c.

Artikel 2.21 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1

Noch op grond van artikel 22, eerste lid, eerste gedachtenstreepje, van richtlijn 97/78/EG, noch op grond van andere regelgeving van de Europese Gemeenschap zijn maatregelen genomen houdende instelling van een verbod om de betrokken producten op het grondgebied van de Europese Gemeenschap, dan wel op het grondgebied van Nederland te brengen.

  • 2 Ten aanzien van de partij is, in voorkomend geval, voldaan aan de op grond van artikel 22, eerste lid, tweede en derde gedachtenstreepje, van richtlijn 97/78/EG dan wel op grond van andere regelgeving van de Europese Gemeenschap vastgestelde bijzondere voorschriften.

Artikel 2.22 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De partij producten die voor Nederland is bestemd, gaat tijdens het vervoer over Nederlands grondgebied vanaf de inspectiepost naar de plaats van bestemming vergezeld van het document bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, en van het gewaarmerkt afschrift, bedoeld in artikel 2.19, tweede lid.

  • 2 De partij producten die voor een lid-staat is bestemd, gaat tijdens het vervoer over Nederlands grondgebied vanaf de inspectiepost vergezeld van het document bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, en van het gewaarmerkte afschrift, bedoeld in artikel 2.19, tweede lid.

  • 3 De partij producten die voor een derde land is bestemd, gaat, ongeacht of de partij in een douane-entrepot of een vrij entrepot in Nederland wordt opgeslagen dan wel daarin opgeslagen is geweest, tijdens het vervoer over Nederlands grondgebied vanaf de inspectiepost vergezeld van het originele document, bedoeld in artikel 2.16, tweede lid, onderdeel c, en het document bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, waarin is aangegeven langs welke grensinspectiepost als bedoeld in artikel 2, tweede lid, onderdeel g, van richtlijn 97/78/EG, de partij de Europese Gemeenschap verlaat.

  • 4 De partij, bestemd voor een derde land, die:

    • a. in een vrij entrepot of douane-entrepot in Nederland moet worden opgeslagen en die niet aan de in deze regeling voor het desbetreffende product gestelde voorschriften voor het brengen op Nederlands grondgebied voldoet, of

    • b. in een vrij entrepot of douaneentrepot in Nederland wordt opgeslagen en die niet aan van toepassing zijnde voorschriften voor het brengen van de producten in de betreffende lidstaat voldoet, wordt onder douanetoezicht vervoerd, in een gesloten, geïdentificeerd, lekvrij en verzegeld vervoermiddel.

  • 6 Transportmiddelen voor vervoer over land die zijn gebruikt voor het vervoer van producten die niet aan in deze regeling voor het desbetreffende product gestelde voorschriften voor het brengen op Nederlands grondgebied voldoen, worden, indien nodig, na het gebruik gereinigd en ontsmet.

Artikel 2.22a [Vervallen per 01-01-2006]

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, moeten producten als bedoeld in het eerste lid, zolang de Commissie van de Europese Gemeenschappen uit hoofde van artikel 12 van verordening 745/2004 nog geen uitvoering heeft gegeven aan de voorschriften voor de invoer, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b:

    • a. afkomstig zijn uit een derde land waaruit het binnenbrengen in de Europese Gemeenschap van dezelfde soort producten is toegestaan ingevolge de voor die producten geldende communautaire regelgeving, vermeld in bijlage V bij Richtlijn nr. 2002/99/EG van de Raad van de Europese Unie van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (PbEU L 18), en

    • b. vergezeld gaan van het certificaat of document dat voor dezelfde soort producten is voorgeschreven ingevolge de in onderdeel a bedoelde communautaire regelgeving.

§ 2a. Nadere voorschriften voor het inslaan, opslaan of uitslaan van producten uit derde landen (artikel 2.23 tot en met 2.23f.) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 2.23 [Vervallen per 01-01-2006]

Degene die voornemens is een partij in te slaan in of uit te slaan uit een douane-entrepot, een ruimte voor tijdelijke opslag of een vrij entrepot geeft hiervan uiterlijk tot 14.00 uur op de werkdag voorafgaand aan de dag van in- of uitslag melding aan de VWA, onder vermelding van de naam en het adres van de opslagfaciliteit, de dag van in- of uitslag en de aard en hoeveelheid van de producten.

Artikel 2.23a [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Een partij die bestemd is:

    • a. voor Nederland of een derde land en die voldoet aan de in deze regeling voor het desbetreffende product gestelde voorschriften voor het brengen op Nederlands grondgebied, of

    • b. voor een lidstaat en die voldoet aan de voorschriften ter zake van het brengen van het desbetreffend product op het grondgebied van een desbetreffende lidstaat, wordt slechts in een op grond van artikel 2.23c, eerste lid, erkend douane- entrepot of erkend vrij entrepot opgeslagen indien in dat entrepot de in dit artikellid bedoelde producten gescheiden van de in het tweede lid bedoelde producten kunnen worden opgeslagen.

  • 2 Opslag van een partij die bestemd is voor een derde land of van producten die bestemd zijn om aan zeevervoermiddelen te worden geleverd als proviand voor bemanning en passagiers vindt, indien de partij onderscheidenlijk de producten niet voldoen aan de in deze regeling voor het desbetreffende product gestelde voorschriften voor het brengen op Nederlands grondgebied, slechts plaats in een op grond van artikel 2.23c, eerste lid, erkend douane-entrepot of erkend vrij entrepot.

  • 3 De in het eerste en tweede lid bedoelde opslag vindt slechts plaats indien de belanghebbende bij de lading voorafgaand aan de opslag heeft voldaan aan artikel 12, eerste lid, eerste zin, van richtlijn 97/78/EG, met dien verstande dat de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 12, eerste lid, eerste zin, van richtlijn 97/78/EG de minister, tweede lid, is.

Artikel 2.23b [Vervallen per 01-08-1999]

Artikel 2.23c [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Erkenning van een douane-entrepot of vrij entrepot vindt slechts plaats indien het entrepot:

    • a. beschikt over een geldige vergunning als bedoeld in artikel 100 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 12 oktober 1992 (PbEG L 302), onderscheidenlijk een vergunning als bedoeld in artikel 603, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 2 juli 1993 (PbEG L 253);

    • b. voor zover van toepassing, op grond van de betrokken regelgeving is erkend voor de opslag van betrokken producten, dan wel, indien voor de opslag van de betrokken producten geen voorschriften voor de erkenning van inrichtingen gelden, aan hoofdstuk I van de bijlage van richtlijn 93/43/EEG;

    • c. beschikt over geschikte lokalen die gereserveerd zijn voor de keuringsdierenarts en de onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen en die ten behoeve van door hen te verrichten werkzaamheden adequaat zijn ingericht, en

    • d. kan worden afgesloten met een ambtelijk slot.

  • 2 In een douane-entrepot of vrij entrepot waar producten, bedoeld in artikel 2.23a, tweede lid, zijn opgeslagen:

    a. is iedere partij bij inslag en gedurende de opslag voorzien van een gesloten verpakking met daarop een vermelding van het land van oorsprong en de aard van het product en duidelijk geïdentificeerd door middel van het nummer van het bij de partij behorende document, bedoeld in artikel 2.19, eerste lid;

    b. zijn deze partijen niet opgeslagen in lokalen waar partijen als bedoeld in artikel 2.23a, eerste lid, zijn opgeslagen;

    c. ondergaat een partij als bedoeld in artikel 2.23a, tweede lid, geen verandering of verwerking, noch wordt de onmiddellijke verpakking of de eindverpakking van de partij gewijzigd en blijft bij splitsing van de partij de originele verpakking van de individuele colli van de deelpartij intact.

  • 3 De exploitant of de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van een douane-entrepot of vrij entrepot draagt er zorg voor dat:

    • a. er een boekhouding wordt gevoerd overeenkomstig artikel 12, vierde lid, onderdeel b, derde gedachtestreepje, van richtlijn 97/78/EG en, voor zover van toepassing, artikel 3, tweede lid, van beschikking 2000/571/EG;

    • b. van iedere ingeslagen partij het document, bedoeld in artikel 2.19, eerste lid, gedurende drie jaren na uitslag wordt bewaard;

    • c. de keuringsdierenarts alle medewerking wordt verleend die deze redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taken in het kader van de inslag, opslag of uitslag van partijen noodzakelijk acht en dat diens aanwijzingen ter zake door het personeel van de opslagfaciliteit worden opgevolgd;

    • d. voor alle in het entrepot geleverde partijen een controle van de documenten wordt verricht;

    • e. voor alle partijen tijdens de opslag en vóór de uitslag een controle van de documenten en een overeenstemmingcontrole wordt verricht, teneinde de herkomst en de bestemming te verifiëren;

    • f. fax en telefoon om niet aan de keuringsdierenarts ter beschikking worden gesteld;

    • g. de toegang van het entrepot duidelijk wordt voorzien van de vermelding ‘vrij entrepot, bestemd voor de opslag van niet-EU-waardige producten van dierlijke oorsprong’.

  • 4 Een douane-entrepot of vrij entrepot staat onder permanente controle van de keuringsdierenarts of van de ambtenaar van de Rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane.

Artikel 2.23d [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Een erkenning als bedoeld in artikel 2.23a, tweede lid, wordt door de Minister verleend nadat uit een door de keuringsdierenarts ingesteld onderzoek is gebleken dat aan de voorschriften, bedoeld in 2.23c, eerste lid, is voldaan.

  • 2 De aanvraag voor erkenning wordt ingediend bij de Rijksdienst op een daartoe bestemd formulier.

  • 3 Aan een opslagfaciliteit die op grond van dit artikel wordt erkend, wordt een erkenningsnummer toegekend.

  • 4 De Minister schort een verleende erkenning op indien de keuringsdierenarts heeft geconstateerd dat de op de betrokken opslagfaciliteit van toepassing zijnde voorschriften genoemd in artikel 2.23c niet worden nageleefd.

  • 5 De aanvraag voor een registratie of erkenning wordt ingediend bij de VWA op een daartoe bestemd formulier.

  • 6 De opschorting en intrekking van een erkenning geschiedt niet dan na voorafgaande waarschuwing en na het verstrijken van een daarbij te stellen termijn, waarbinnen alsnog aan de betrokken voorschriften dient te zijn voldaan.

Artikel 2.23e [Vervallen per 01-01-2006]

Uitslag van een partij producten die niet voldoet aan de in deze regeling voor desbetreffende producten gestelde voorschriften voor het brengen op Nederlands grondgebied, uit een opslagruimte als bedoeld in artikel 2.23a, tweede lid, is slechts toegestaan indien de producten bestemd zijn:

  • a. voor een derde land en elders geen opslag van de producten plaatsvindt en de Minister de uitslag heeft gemachtigd;

  • b. voor levering aan boord van zeevervoermiddelen;

  • c. om te worden vernietigd, met inachtneming van artikel 12, zevende lid, derde gedachtenstreepje, van richtlijn 97/78/EG.

Artikel 2.23f [Vervallen per 01-01-2006]

Degene die om inslag dan wel opslag in, of uitslag uit een van de in artikel 2.23 genoemde opslagruimten verzoekt, voldoet de kosten voor keuringen en controles welke de VWA bij de inslag, opslag of uitslag verricht. De kosten bedragen de werkelijke kosten en staan in een rechtstreeks verband met deze keuringen en controles.

§ 2b. Nadere voorschriften voor het leveren van producten uit derde landen aan zeevervoermiddelen als proviand voor bemanning en passagiers [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 2.23g [Vervallen per 01-01-2006]

Levering van producten die niet voldoen aan de in deze regeling voor desbetreffende producten gestelde voorschriften voor het brengen op Nederlands grondgebied, aan zeevervoermiddelen als proviand voor bemanning en passagiers, geschiedt slechts door Onze Minister erkende handelaren.

Artikel 2.23h [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De aanvraag voor een erkenning als bedoeld in artikel 2.23g wordt ingediend bij de VWA op een daartoe bestemd formulier.

  • 2 Een erkenning wordt slechts verleend indien:

    • a. de handelaar zich, op een door de Minister aangegeven wijze, verbindt de in artikel 2.23g bedoelde producten uitsluitend te leveren aan zeevervoermiddelen als proviand voor bemanning en passagiers, onder de in artikel 13, eerste lid, onderdeel d, en artikel 13, derde lid, van richtlijn 97/78/EG gestelde voorwaarden;

    • b. na een door de keuringsdierenarts ingesteld onderzoek is gebleken dat de handelaar ten behoeve van de opslag van de in artikel 2.23g bedoelde producten beschikt over opslagruimte in een entrepot als bedoeld in 2.23a, tweede lid.

Artikel 2.23i [Vervallen per 01-01-2006]

Een handelaar die de in artikel 2.23g bedoelde producten aflevert aan zeevervoermiddelen als proviand voor bemanning en passagiers, houdt een register bij dat voldoet aan de in artikel 13, tweede lid, onderdeel d, van richtlijn 97/78/EG gestelde voorwaarden.

Artikel 2.23j [Vervallen per 01-01-2006]

Een handelaar die de in artikel 2.23g bedoelde producten aflevert aan zeevervoermiddelen als proviand voor bemanning en passagiers:

  • a. voldoet aan artikel 13, eerste lid, onderdeel e, van richtlijn 97/78/EG, met dien verstande de bevoegde autoriteit, bedoeld in dat onderdeel, de keuringsdierenarts is;

  • b. voldoet aan artikel 13, tweede lid, onderdelen a en b, van richtlijn 97/78/EG met, voor zover van toepassing, inachtneming van artikel 5 tweede en derde lid van beschikking 2000/571/EG, met dien verstande dat onder de bevoegde autoriteit van het havengebeid waaruit wordt geleverd bedoeld in artikel 13, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 97/78/EG wordt verstaan de keuringsdierenarts en met dien verstande dat onder een speciaal erkend entrepot in de haven van bestemming als bedoeld in artikel 13, tweede lid, onderdeel a, eerste zin, van richtlijn 97/78/EG wordt verstaan, voorzover het een in Nederland gelegen entrepot betreft, een entrepot als bedoeld in artikel 2.23a, tweede lid;

  • c. overlegt aan de keuringsdierenarts een officieel bewijsstuk dat de producten de eindbestemming hebben bereikt.

Artikel 2.23k [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Het vervoer van producten als bedoeld in artikel 2.23g over Nederlands grondgebied, geschiedt onder douanetoezicht.

  • 3 De producten gaan vanaf de verzending vanuit het entrepot, bedoeld in artikel 2.23a, tweede lid, naar het zeevervoermiddel vergezeld van het in artikel 13, tweede lid, onder a, van richtlijn 97/78/EG bedoelde certificaat.

  • 4 Indien de producten rechtstreeks via de inspectiepost naar het zeevervoermiddel worden vervoerd, gaat de partij vergezeld van het in het tweede en derde lid bedoelde certificaat.

Artikel 2.23l [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De Minister trekt een erkenning als bedoeld in artikel 2.23g in indien niet aan artikel 13, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van richtlijn 97/78/EG wordt voldaan.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing indien niet wordt voldaan aan de artikelen 2.23i tot en met 2.23k of aan de overige voorschriften die op grond van deze regeling van toepassing zijn op de in artikel 2.23g, eerste lid, bedoelde producten.

Artikel 2.23m [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 In afwijking van artikel 2.23g mag een handelaar die niet beschikt over een erkenning als bedoeld in dat artikel, de in dat artikel genoemde activiteit verrichten, mits de handelaar binnen vier maanden na inwerkingtreding van deze regeling overeenkomstig artikel 2.23h, eerste lid, een aanvraag voor een erkenning heeft ingediend.

  • 2 De vrijstelling als bedoeld in het eerste lid is geldig tot aan het tijdstip dat de handelaar de door Onze Minister genomen beslissing op de aanvraag voor erkenning heeft ontvangen.

§ 3. Maatregelen in geval van niet-naleving van de voorschriften voor het brengen in Nederland van producten uit derde landen (artikel 2.24) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 2.24 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Indien wordt vermoed of geconstateerd dat in de partij verwekkers van ziekten, zoönosen of andere aandoeningen aanwezig zijn of dat de producten afkomstig zijn uit een met een epidemische dierziekte besmet gebied, kan de minister, indien hij de aanwezigheid van verwekkers van ziekten, zoönosen of andere aandoeningen vermoedt, gelasten dat de producten voor rekening van de verzender of diens gemachtigde, dan wel de afnemer, in tijdelijke afzondering worden geplaatst, dan wel worden, zonder vergoeding van Staatswege en:

    • a. voor rekening van de verzender of diens gemachtigde, al naar gelang de minister daaromtrent heeft besloten en met inachtneming van diens aanwijzingen, de producten vernietigd, of

    • b. voor rekening van de afnemer, al naar gelang de minister daaromtrent heeft besloten en met inachtneming van diens aanwijzingen, voor andere doeleinden gebruikt dan waarvoor ze zijn bestemd.

  • 2 Indien aan de hand van de op grond van deze regeling uitgevoerde controles wordt vastgesteld dat een voor Nederland of een lidstaat bestemd product niet voldoet aan de op grond van deze regeling voor dat product gestelde voorschriften of dat een onregelmatigheid is begaan, besluit de minister in overleg met de belanghebbende bij de lading:

    • a. dat het product in ieder geval binnen 60 dagen nadat is geconstateerd dat niet aan de onderhavige regeling wordt voldaan vanuit de inspectiepost met hetzelfde vervoermiddel wordt teruggezonden naar een derde land indien veterinairrechtelijke of gezondheidsredenen zich daar niet tegen verzetten;

    • b. indien terugzending als bedoeld in onderdeel a onmogelijk is of de in dat onderdeel bedoelde termijn is verstreken, dat de partij wordt vernietigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 17, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 97/78/EG;

    • c. dat de partij voor andere doeleinden dan de menselijke consumptie wordt gebruikt.

  • 3 Indien een partij in Nederland is gebracht zonder dat, voorzover van toepassing, die partij is onderworpen aan de in artikel 2.17 bedoelde controles, besluit de minister dat de partij overeenkomstig het tweede lid, onderdeel b, wordt vernietigd of wordt teruggezonden naar een derde land indien veterinairrechtelijke of gezondheidsredenen zich daar niet tegen verzetten.

  • 4 In afwijking van het tweede, onderscheidenlijk derde lid besluit de minister, indien wordt vastgesteld dat een product als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van verordening 745/2004/EG, voor zover door reizigers in de Europese Gemeenschap binnengebracht of aan particulieren in de Europese Gemeenschap toegezonden, niet zijnde een product als bedoeld in de artikelen 1, vierde lid, en 2 van voornoemde verordening, in strijd met verordening 745/2004/EG dan wel met deze regeling in Nederland is gebracht, dat het product, zonder vergoeding van Staatswege, wordt vernietigd overeenkomstig artikel 17, tweede lid, onderdeel b, van richtlijn 97/78/EG.

  • 5 In afwachting van de terugzending of de vernietiging van een partij als bedoeld in het tweede, derde, onderscheidenlijk vierde lid, wordt de partij onder toezicht van de keuringsdierenarts in tijdelijke afzondering geplaatst en opgeslagen..

  • 6 Alle kosten die in verband met de in het tweede, derde en vijfde lid bedoelde maatregelen bedoelde maatregelen worden gemaakt, komen ten laste van de belanghebbende bij de lading..

  • 7 De kosten die in verband met de in het vierde lid bedoelde maatregelen worden gemaakt, komen ten laste van de Staat.

Afdeling 5:. Overige bepalingen (artikelen 2.25 tot en met 2.27) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 2.25 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3, geschiedt overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald in het voor het desbetreffende product van toepassing zijnde hoofdstuk.

  • 2 De keuringsdierenarts verricht zijn taken in het kader van afdeling 4 overeenkomstig hetgeen daaromtrent is bepaald bij of krachtens richtlijn 97/78/EG.

Artikel 2.26 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De minister houdt een register van handelaren bij, tenzij hij een door een andere instantie beheerd register als zodanig heeft aangewezen.

  • 2 Een handelaar wordt ingeschreven in het in het eerste lid bedoelde register indien hij zich ertoe heeft verbonden:

    • a. een administratie te voeren waarin tenminste de leveringen van producten, voor zover zij bestemd zijn voor Nederland dan wel een lid-Staat, en de verdere bestemming hiervan zijn vermeld en alle op die producten betrekking hebbende bescheiden zijn opgenomen:

    • b. de vorenbedoelde administratie ten minste drie jaren te bewaren;

    • c. voorafgaand aan de ontvangst, onderscheidenlijk de verdere verdeling of verhandeling van elke partijna te gaan of de voor de desbetreffende producten vereiste merken zijn aangebracht en de vereiste bewijsstukken aanwezig zijn;

    • d. nalatigheden en onregelmatigheden met betrekking tot een levering van een partij onmiddellijk aan de VWA te melden, en

    • e. aan de keuringsdierenarts alle medewerking te verlenen en hem alle gegevens te verstrekken, die deze in verband met de controle op de naleving van dit artikel noodzakelijk acht.

  • 3 Indien een handelaar zich niet aan de in het tweede lid bedoelde voorschriften houdt, kan de minister beslissen tot doorhaling van de inschrijving van de handelaar in het in het eerste lid bedoelde register, dan wel niet-erkenning van diens inschrijving. Doorhaling dan wel niet-erkenning geschiedt niet dan na voorafgaande waarschuwing en na het verstrijken van een daarbij te stellen termijn, waarbinnen aan de desbetreffende voorschriften moet worden voldaan.

Artikel 2.27 [Vervallen per 01-01-2006]

De belanghebbende bij de lading en de handelaar, alsmede elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een partij met het oog op het brengen buiten Nederland aan de keuringsdierenarts ten onderzoek aanbiedt, dan wel zijn gemachtigde, en elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die producten over Nederlands grondgebied vervoert, zijn verplicht aan de keuringsdierenarts alle medewerking te verlenen die deze redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taken in het kader van deze regeling noodzakelijk acht.

Artikel 2.27a [Vervallen per 01-01-2006]

De minister is de bevoegde autoriteit, bedoeld in artikel 10 van verordening 136/2004/EG.

Artikel 2.28 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 2 Producten als bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdelen e en f, van richtlijn 97/78/EG worden aangevoerd via een inspectiepost.

  • 3 Tenzij met de minister anders is overeengekomen, geeft de belanghebbende bij de lading van de aanvoer, bedoeld in het tweede lid, tenminste 24 uur voor de aankomst schriftelijk kennis aan de VWA, onder opgave van het vermoedelijke tijdstip van aankomst, van de hoeveelheid, van de herkomst en van de soort producten.

  • 4 Indien handelsmonsters via Nederland voor het eerst op het grondgebied van Europese Gemeenschap worden gebracht, zijn verzonden vanuit een derde land en zijn bestemd voor een lidstaat of Noorwegen, wordt de keuringsdierenarts de vergunning, bedoeld in artikel 13, derde lid, van richtlijn 92/118/EEG overgelegd, indien het land van bestemming de vergunning voorschrijft. Indien de vergunning is vereist, gaan de handelsmonsters tijdens het vervoer in Nederland vergezeld van de vergunning en vindt het vervoer plaats onder douanetoezicht.

  • 5 Dit artikel is niet van toepassing op producten als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van verordening 745/2004/EG, voor zover door reizigers in de Europese Gemeenschap binnengebracht of aan particulieren in de Europese Gemeenschap toegezonden, niet zijnde producten als bedoeld in de artikelen 1, vierde lid, en 2 van voornoemde verordening.

Artikel 2.29 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 3 De maatregelen, bedoeld in artikel 2.24, zijn ook van overeenkomstige toepassing indien niet is voldaan aan artikel 3.8.

Hoofdstuk 3. Algemene veterinaire voorschriften ten aanzien van producten van dierlijke oorsprong, die zijn bestemd voor menselijke consumptie [Vervallen per 01-01-2006]

§ 1. Algemene veterinaire voorschriften voor alle stadia van de productie, verwerking en distributie van producten van dierlijke oorsprong in de lidstaten van de Europese Unie [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 3.1 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Het produceren, verwerken en distribueren van producten van dierlijke oorsprong, die zijn bestemd voor menselijke consumptie, is verboden.

Artikel 3.2 [Vervallen per 01-01-2006]

Producten van dierlijke oorsprong, die zijn bestemd voor menselijke consumptie, zijn verkregen van dieren die voldoen aan alle veterinaire voorschriften in de voor de desbetreffende diersoort vastgestelde communautaire maatregelen.

Artikel 3.3 [Vervallen per 01-01-2006]

Producten van dierlijke oorsprong, die zijn bestemd voor menselijke consumptie, zijn verkregen van dieren die niet afkomstig zijn van een bedrijf of inrichting, een grondgebied of een deel van een grondgebied, waar voor de betrokken dieren en producten van dierlijke oorsprong om veterinairrechtelijke redenen vastgestelde beperkende maatregelen gelden op grond van de in bijlage I bij richtlijn 2002/99/EG genoemde communautaire maatregelen.

Artikel 3.4 [Vervallen per 01-01-2006]

Vlees en vleesproducten zijn niet verkregen van dieren die zijn gedood in een inrichting waar bij de slacht of tijdens de productie dieren, dan wel karkassen, of delen daarvan, aanwezig waren die besmet waren met of werden verdacht van een van de ziekten, bedoeld in de communautaire maatregelen genoemd in bijlage I bij richtlijn 2002/99/EG.

Artikel 3.5 [Vervallen per 01-01-2006]

Aquacultuurproducten en aquacultuurdieren waarvan aquacultuurproducten afkomstig zijn voldoen aan richtlijn 91/67/EEG en, voor zover van toepassing, aan de op grond van artikel 4, tweede lid, van richtlijn 2002/99/EG vastgestelde communautaire maatregelen.

Artikel 3.6 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De minister kan toestemming verlenen voor de productie, verwerking en distributie van producten van dierlijke oorsprong, die zijn bestemd voor menselijke consumptie, afkomstig van een grondgebied of een deel van een grondgebied ten aanzien waarvan om veterinairrechtelijke redenen vastgestelde beperkende maatregelen gelden, voorzover:

    • a. de producten van dierlijke oorsprong niet afkomstig zijn van een bedrijf dat besmet is of waarvan vermoed wordt dat het besmet is met een van de ziekten waarvoor de in artikel 3.3 bedoelde maatregelen gelden;

    • b. de om veterinairrechtelijke redenen vastgestelde beperkende maatregelen, bedoeld in bijlage I bij richtlijn 2002/99/EG in acht zijn genomen;

    • c. de producten, in afwachting van de in onderdeel e bedoelde behandeling, bij de vervaardiging, de hantering, het vervoer en de opslag in tijd of ruimte gescheiden zijn gehouden van producten die wel aan alle veterinairrechtelijke voorschriften voldoen, en de voorwaarden voor het vervoer buiten het grondgebied ten aanzien waarvan om veterinairrechtelijke redenen vastgestelde beperkende maatregelen gelden door de minister zijn goedgekeurd;

    • d. de te behandelen producten van dierlijke oorsprong naar behoren zijn geïdentificeerd;

    • e. de producten van dierlijke oorsprong een behandeling ondergaan die voldoende is om het betrokken veterinairrechtelijke probleem te verhelpen;

    • f. de behandeling wordt toegepast in een inrichting die daartoe erkend is door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het veterinairrechtelijke probleem zich heeft voorgedaan.

  • 2 De onderdelen c tot en met f van het eerste lid worden toegepast overeenkomstig:

Artikel 3.7 [Vervallen per 01-01-2006]

In afwijking van de artikelen 3.2 tot en met 3.6 zijn de communautaire maatregelen die op grond van artikel 4, derde lid, van richtlijn 2002/99/EG worden vastgesteld van toepassing op de producten van dierlijke oorsprong, bestemd voor menselijke consumptie.

§ 2. Aanvullende algemene veterinaire voorschriften ten aanzien van producten van dierlijke oorsprong afkomstig uit derde landen [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 3.8 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Producten van dierlijke oorsprong, die zijn bestemd voor menselijke consumptie, afkomstig uit een derde land:

    • a. zijn afkomstig uit een derde land, of een deel van een derde land, dat voorkomt op de lijst die op grond van artikel 8, eerste lid, van richtlijn 2002/99/EG is vastgesteld;

    • b. voldoen aan de op grond van artikel 8, derde lid, van richtlijn 2002/99/EG vastgestelde oorsprongregels;

    • c. voldoen aan de op grond van artikel 8, vierde lid, van richtlijn 2002/99/EG vastgestelde bijzondere invoervoorschriften;

    • d. voldoen aan de op grond van artikel 8, vijfde lid, van richtlijn 2002/99/EG vastgestelde andere voorschriften.

    • e. gaan vergezeld van het veterinair certificaat dat voldoet aan de eisen van bijlage IV bij richtlijn 2002/99/EG en de op grond van artikel 9, tweede en vierde lid, van richtlijn 2002/99/EG vastgestelde voorschriften voor invoer en doorvoer.

  • 3 Het eerste en tweede lid zijn alleen van toepassing indien voor het desbetreffende product van dierlijke oorsprong, dat is bestemd voor menselijke consumptie, communautaire maatregelen zijn vastgesteld.

  • 4 In afwijking van het eerste tot en met derde lid is het tot 31 december 2005 toegestaan de producten, bedoeld in beschikking 79/542/EEG, 94/984/EG, 97/221/EG, 2000/572/EG, 2000/585/EG, 2000/609/EG, 2003/779/EG of 2004/438/EG, die voor 1 januari 2005 zijn opgeslagen in een douane-entrepot, vrije zone of vrij entrepot dat is erkend op grond van artikel 2.23c, of bij een handelaar die levert aan grensoverschrijdende zeevervoermiddelen die is erkend op grond van artikel 2.23g, in geheel of in gedeelten te vervoeren naar de plaats van bestemming, zonder dat deze producten vergezeld gaan van het voor het desbetreffende product vastgestelde veterinair certificaat, bedoeld in of gebaseerd op beschikking 79/542/EEG, 94/984/EG, 97/221/EG, 2000/572/EG, 2000/585/EG, 2000/609/EG, 2003/779/EG of 2004/438/EG.

  • 5 Producten als bedoeld in het vierde lid, die zijn opgeslagen in een douane-entrepot, een vrije zone, een vrij entrepot of in inrichtingen van een handelaar die levert aan grensoverschrijdende zeevervoermiddelen in een lidstaat, worden alleen uitgeslagen voor vervoer naar een grensinspectiepost van vertrek voor verder vervoer naar een bestemming, indien de voor dergelijke producten verantwoordelijke persoon een document overlegt houdende toestemming van de doorvoer over of de invoer op het grondgebied van het derde land of het aan boord brengen van het vaartuig van deze producten wordt toegestaan. Deze toestemming is verstrekt door:

    • a. de bevoegde autoriteit van het derde land van bestemming en van elk derde land van doorvoer; of

    • b. de verantwoordelijke officier aan boord van het vaartuig waaraan wordt geleverd.

  • 6 De producten, bedoeld in het vierde lid, die na 31 december 2005 niet vergezeld gaan van het voor het desbetreffende product vastgestelde veterinair certificaat, bedoeld in of gebaseerd op de beschikking 79/542/EEG, 94/984/EG, 97/221/EG, 2000/572/EG, 2000/585/EG, 2000/609/EG, 2003/779/EG of 2004/438/EG, worden door de minister, voor rekening van de voor de zending verantwoordelijke persoon, vernietigd.

Hoofdstuk 4. Vers vlees van pluimvee [Vervallen per 01-01-2006]

Afdeling 1. Begripsbepalingen (artikel 4.1) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 4.1 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Onverminderd artikel 1.1, wordt in dit hoofdstuk verstaan onder:

    separatorvlees:

    substantie verkregen door beenderen van kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden of ganzen machinaal te ontdoen van spierweefsel, merg en vet;

    karkas:

    gehele lichaam van pluimvee na uitbloeden, plukken en verwijderen van de ingewanden, al dan niet met wegneming van het hart, de lever, de longen, de spiermaag, de krop, de nieren, en eventueel na het afsnijden van de poten ter hoogte van het tarsaalgewricht of van de kop, de slokdarm en de luchtpijp;

    slachtafval:

    vers vlees van pluimvee dat geen deel uitmaakt van het karkas, ook indien het op natuurlijke wijze met het karkas verbonden blijft, alsmede de kop en de poten wanneer deze los worden aangeboden;

    ingewanden:

    slachtafval uit de borst-, buik- en bekkenholte, eventueel met inbegrip van de luchtpijp, de slokdarm en de krop;

    onmiddellijke verpakking:

    beschermen door middel van een eerste omhulsel of een eerste bergingsmiddel dat rechtstreeks in contact komt met het betrokken product, alsmede het eerste omhulsel of eerste bergingsmiddel zelf;

    eindverpakking:

    plaatsen van een of meer producten die al dan niet van een onmiddellijke verpakking zijn voorzien in een bergingsmiddel, alsmede het bergingsmiddel zelf;

    inrichting:

    slachthuis, uitsnijderij, koel- of vrieshuis of complex dat meerdere van deze instellingen omvat;

    detailhandel:

    bedrijf van het kopen en aan particulieren verkopen van waren als bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Detailhandel, met uitzondering van verkoop op markten, door venthandel of via verzending;

    koppel:

    groep pluimvee behorende tot één soort, van dezelfde leeftijd, die op hetzelfde bedrijf wordt gehouden en afkomstig is uit één hok.

  • 2 In dit hoofdstuk wordt onder ‘lid-staat’ mede verstaan: Noorwegen.

  • 3 In dit hoofdstuk wordt, in afwijking van artikel 1.1, eerste lid, onder ‘derde land’ verstaan: land, niet zijnde Nederland of andere lid-staat van de Europese Unie, en niet zijnde Noorwegen.

Afdeling 2:. Het anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van vers vlees van pluimvee (artikel 4.2) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 4.2 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Vers vlees van pluimvee dat anders dan in doorvoer buiten Nederland wordt gebracht is voorzien van een keurmerk overeenkomstig hoofdstuk XII van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG.

  • 2 Een partij vers vlees van pluimvee die anders dan in doorvoer buiten Nederland wordt gebracht gaat vergezeld van:

    • a. indien het een partij vers vlees van kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden of ganzen betreft:

      • 1º. een begeleidend handelsdocument als bedoeld in artikel 3, I, onderdeel A, onder i, eerste gedachtenstreepje, van richtlijn 71/118/EEG, dan wel

      • 2º. een keuringscertificaat als bedoeld in bijlage VI van richtlijn 71/118/EEG, wanneer het gaat om een partij die is verkregen in een slachthuis dat is gelegen in een gebied of zone waarvoor om veterinairrechtelijke redenen beperkingen gelden, of om een partij die voor een andere lid-staat is bestemd na doorvoer via een derde land in een met een loodje verzegeld vervoermiddel;

    • b. indien het een partij vers vlees van gekweekt vederwild betreft, een gezondheidscertificaat als bedoeld in bijlage IV van richtlijn 91/495/EEG.

  • 3 Ten aanzien van vers vlees van pluimvee dat anders dan in doorvoerbuiten Nederland wordt gebracht, is voldaan aan de eisen, gesteld in de artikelen 4, eerste, tweede en zesde lid, 8, eerste lid, 9, eerste en derde lid, en 13 van verordening 1829/2003.

  • 4 Het is een exploitant als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van verordening 1830/2003, voorzover zijn activiteiten betrekking hebben op vers vlees van pluimvee, verboden te handelen in strijd met de artikelen 4, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en 5, eerste en tweede lid, van die verordening.

Afdeling 3. Het in de handel brengen van vers vlees van pluimvee (artikelen 4.3 tot en met 4.11) [Vervallen per 01-01-2006]

§ 1. Verbod op het in de handel brengen van vers vlees van pluimvee en uitzondering van dit verbod (artikel 4.3) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 4.3 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Het in de handel brengen van vers vlees van pluimvee is verboden.

  • 2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien, voor zover van toepassing, is voldaan aan de artikelen 4.4 tot en met 4.10, alsmede, voor zover het vers vlees van pluimvee betreft dat is bestemd voor Nederland, aan artikel 4.11.

§ 2. Nadere voorschriften voor het in de handel brengen van vers vlees van pluimvee (artikelen 4.4 tot en met 4.11) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 4.4 [Vervallen per 01-01-2006]

Vers vlees van pluimvee, voor zover het karkassen en slachtafval betreft:

  • a. is afkomstig van pluimvee dat vóór het slachten is gekeurd overeenkomstig hoofdstuk VI van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG en dat daarbij geschikt is bevonden om te worden geslacht met het oog op het in de handel brengen van vers vlees van pluimvee, met dien verstande dat is voldaan aan artikel 4.4a;

  • b. is verkregen in een slachthuis dat is erkend op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel a, of, met inachtneming van artikel 4.10, op grond van artikel 4.16, tweede lid, onderdeel a;

  • c. is op voldoende hygiënische wijze behandeld overeenkomstig hoofdstuk VII van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG;

  • d. is na het slachten gekeurd overeenkomstig hoofdstuk VIII van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG en niet ongeschikt verklaard voor menselijke consumptie overeenkomstig hoofdstuk IX van voornoemde bijlage, met dien verstande dat de onderdelen a en b van punt 47, tweede alinea, van hoofdstuk VIII van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG volgens aanwijzingen en onder rechtstreekse controle van de keuringsdierenarts kunnen worden uitgevoerd door hiertoe speciaal opgeleid personeel van de inrichting, dat voldoet aan door de minister vastgestelde voorwaarden;

  • e. is na de keuring na het slachten gehanteerd overeenkomstig hoofdstuk VII, punt 46, van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG en is onder bevredigende hygiënische omstandigheden opgeslagen in een op grond van artikel 4.16 erkende inrichting met inachtneming van hoofdstuk XIII van voornoemde bijlage, met dien verstande dat karkassen en slachtafval door onderdompeling kunnen worden gekoeld, voor zover dit geschiedt overeenkomstig hoofdstuk VII, punten 42 en 43 van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG, en dat deze na koeling onmiddellijk worden bevroren of diepgevroren;

  • f. is voorzien van een eindverpakking overeenkomstig hoofdstuk XIV van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG, met dien verstande dat wanneer een beschermend omhulsel wordt gebruikt, dit moet voldoen aan de voorschriften van voornoemd hoofdstuk, en

  • g. wordt vervoerd overeenkomstig hoofdstuk XV van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG.

Artikel 4.4a [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Pluimvee dat ter slachting wordt aangeboden is afkomstig van een houderij waarvan de eigenaar of houder:

    • a. is geregistreerd in een door de de minister, en

    • b. voor ieder koppel afzonderlijk de administratieve gegevens bijhoudt als bedoeld in hoofdstuk VI, punt 27, onderdeel a, van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG, met dien verstande dat deze gegevens gedurende ten minste twee jaar worden bewaard om ze desgevraagd aan de keuringsdierenarts of diens assistent over te leggen.

  • 2 Ten aanzien van ieder koppel pluimvee is een verklaring dan wel een document toegezonden als bedoeld in punt 25, onderdeel a, van hoofdstuk VI van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG, met dien verstande dat indien een document als bedoeld onder ii van voornoemd onderdeel a wordt toegezonden, het model daarvan overeenstemt met het model opgenomen in bijlage A van deze regeling, dan wel een model dat ten minste de gegevens bevat als opgenomen in het model van voornoemde bijlage A, alsmede dat per koppel een afzonderlijk document wordt gebruikt en dit document maximaal 72 en minimaal 24 uur vóór het slachten aan de keuringsdierenarts of diens assistent in het slachthuis wordt overgelegd. Een verklaring of document hoeft niet te worden toegezonden indien is voldaan aan punt 25, onderdeel c, van hoofdstuk VI van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG.

  • 3 Indien niet aan het eerste of tweede lid is voldaan, neemt de keuringsdierenarts de maatregelen bedoeld in punt 25, onderdeel b, van hoofdstuk VI van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG.

Artikel 4.5 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Vers vlees van pluimvee, voor zover het delen van karkassen of uitgebeend vlees betreft:

    • a. is uitgesneden of uitgebeend in een op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel b, of, met inachtneming van artikel 4.10, op grond van artikel 4.16, tweede lid, onderdeel b, erkende uitsnijderij, waar de controles worden verricht, bedoeld in artikel 4.19;

    • b. is uitgesneden en verkregen overeenkomstig hoofdstuk VII en X van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG en afkomstig van:

      • -

        karkassen die aan artikel 4.4 voldoen, dan wel

      • -

        karkassen, delen daarvan of uitgebeend vlees die of dat overeenkomstig afdeling 4, onderscheidenlijk 5 van dit hoofdstuk in Nederland zijn of is gebracht, met dien verstande dat zolang de voorschriften voor het op het grondgebied van de Europese Gemeenschap brengen van vers vlees van pluimvee vanuit derde landen nog niet volledig ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap zijn vastgesteld, het ompakken of verwerken van uit een derde land afkomstig vlees dat wordt bestemd voor een lid-staat slechts is toegestaan, indien is voldaan aan de eisen van de lid-staat van bestemming;

    • c. is op voldoende hygiënische wijze behandeld overeenkomstig hoofdstuk VII van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG;

    • d. is in de erkende uitsnijderij van een onmiddellijke of een eindverpakking voorzien overeenkomstig hoofdstuk XIV van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG;

    • e. is onder bevredigende hygiënische omstandigheden en met inachtneming van hoofdstuk XIII van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG opgeslagen in een op grond van artikel 4.16 erkende inrichting;

    • f. wordt vervoerd overeenkomstig hoofdstuk XV van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG.

  • 2 Separatorvlees:

    • a. is verkregen in een voor pluimveevlees erkende uitsnijderij en wordt geproduceerd onder stringente hygiënische voorwaarden;

    • b. is niet verkregen van onderpoten of koppen van pluimvee;

    • c. is verkregen in een verwerkingsruimte waarin de temperatuur ten hoogste 12° C bedraagt en de temperatuur van de bij de verwerking van de beenderen verkregen substantie tijdens deze verwerking niet meer stijgt dan technisch onvermijdbaar is, met dien verstande dat de beenderen zijn verwerkt in een machine die is vervaardigd van corrosiebestendig materiaal dat gemakkelijk is te reinigen en in goede staat van onderhoud en schoon wordt gehouden;

    • d. is na verkrijging onverwijld op een temperatuur van ten hoogste 4° C, dan wel ten hoogste -12° C (bevroren toestand), dan wel ten hoogste -18° C (diepgevroren toestand) gebracht, met dien verstande dat:

      • -

        in het eerste geval het separatorvlees binnen 48 uur wordt verwerkt; in bedrijven waar de productie plaatsvindt in een ononderbroken procesgang kan deze termijn worden verlengd tot 72 uur na verkrijging van het separatorvlees, wanneer na verkrijging van het separatorvlees twee dagen niet wordt gewerkt;

      • -

        in het tweede en derde geval het separatorvlees binnen drie maanden wordt verwerkt;

    • e. is voorzien van een label waarop het erkenningsnummer van de uitsnijderij, onderscheidenlijk het verwerkingsbedrijf waarin het is verkregen, alsmede de datum van verkrijging zijn vermeld;

    • f. bevat ten hoogste 0,25% calcium en is vrij van metaaldeeltjes, met dien verstande dat de botdeeltjes in de pulp niet groter zijn dan 1 mm en het botgehalte ten hoogste 1% is;

    • g. wordt aangewend en is bestemd als grondstof voor in Nederland vervaardigde vleesproducten als bedoeld in artikel 2 van richtlijn 77/99/EEG, dan wel is bestemd voor een derde land;

    • h. wordt, indien gekoeld, in gekoelde toestand en, indien bevroren, in bevroren toestand vervoerd.

Artikel 4.6 [Vervallen per 01-01-2006]

Vers vlees van pluimvee dat afkomstig is uit een koel- of vrieshuis dat is erkend op grond van artikel 4.16, eerste lid, onderdeel c, en dat nadien geen enkele goederenbehandeling anders dan verband houdend met de opslag heeft ondergaan:

  • a. is op voldoende hygiënische wijze behandeld overeenkomstig hoofdstuk VII van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG en voldoet aan de artikelen 4.4, eerste lid, onderdelen f en g, en 4.5, dan wel.

  • b. is, voor zover het vers vlees van pluimvee betreft dat afkomstig is uit een lid-staat of een derde land, in Nederland gebracht overeenkomstig afdeling 4, onderscheidenlijk 5 van dit hoofdstuk.

Artikel 4.7 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Vers vlees van pluimvee mag niet voor menselijke consumptie ongeschikt zijn verklaard en geen tekenen van bederf of ondeugdelijkheid vertonen.

  • 2 Onverminderd artikel 4.4, eerste lid, onderdeel d, wordt vers vlees van kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden of ganzen door de minister voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard, indien:

    • a. het vlees tekortkomingen vertoont als bedoeld in hoofdstuk IX, punt 53, onderdeel a, van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG;

    • b. door de minister na onderzoek in geval van verdenking is geconstateerd dat het vlees sporen van residuen vertoont in hoeveelheden die, indien ter zake ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap een besluit is genomen, de vastgestelde maximumwaarden overschrijden, of indien het vlees afkomstig is van een koppel pluimvee waarvan ander vlees dat onder technologisch vergelijkbare omstandigheden is verkregen, op een dergelijke wijze is behandeld, met dien verstande dat de minister voorts maatregelen kan nemen als bedoeld in artikel 4, eerste lid, laatste alinea, van richtlijn 71/118/EEG;

    • c. het vlees is behandeld met antibiotica, hormonen, ß-agonisten, malsmakers of conserveermiddelen, voor zover deze middelen niet zijn toegelaten krachtens de Diergeneesmiddelenwet of de Warenwet, met waterretentiebevorderende agentia of, tenzij deze behandeling ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap is toegelaten, met ioniserende of ultraviolette stralen, of indien het afkomstig is van een koppel pluimvee waarvan ander vlees dat onder technologisch vergelijkbare omstandigheden is verkregen, op een dergelijke wijze is behandeld.

  • 3 Onverminderd artikel 4.4, eerste lid, onderdeel d, wordt vers vlees van gekweekt vederwild door de minister voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard, indien het:

    • a. een van de gebreken vertoont, onderscheidenlijk een behandeling heeft ondergaan als bedoeld in artikel 13, onderdeel a, onderscheidenlijk onderdeel c, van richtlijn 91/495/EEG;

    • b. voor zover ter zake op grond van artikel 13, onderdeel b, van richtlijn 91/495/EEG een besluit is genomen, afkomstig is van dieren waaraan stoffen zijn toegediend waardoor het vlees gevaarlijk of schadelijk kan worden voor de volksgezondheid.

Artikel 4.8 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Vers vlees van pluimvee, bestemd voor Finland en Zweden, heeft in de krachtens artikel 4.16 erkende inrichting van oorsprong een steekproefsgewijze microbiologische test op de aanwezigheid van salmonella ondergaan overeenkomstig de op grond van artikel 5, derde lid, onderdeel a, van richtlijn 71/118/EEG vastgestelde bepalingen, waarbij de afwezigheid van salmonella in dat vlees is aangetoond.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing op vers vlees dat afkomstig is uit een inrichting waarvoor een programma geldt dat op grond van artikel 5, derde lid, onderdeel b, van richtlijn 71/118/EEG, is erkend als gelijkwaardig aan het op grond van artikel 5, vierde lid, van die richtlijn goedgekeurde operationele programma van Finland, onderscheidenlijk Zweden inzake salmonella.

Artikel 4.9 [Vervallen per 01-01-2005]

Artikel 4.10 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Vers vlees van pluimvee dat is verkregen in een op grond van artikel 4.16, tweede lid, erkende inrichting, wordt voorzien van een keurmerk waarvan het model op grond van artikel 21 van richtlijn 71/118/EEG is vastgesteld bij beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Raad van de Europese Unie, dan wel, zolang dit model nog niet is vastgesteld, een keurmerk als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, waarop de letters ‘EEG’ worden vervangen door: GOEDGEKEURD.

  • 2 Vers vlees van pluimvee waarop een ‘GOEDGEKEURD’-keurmerk als bedoeld in het eerste lid is aangebracht, wordt uitsluitend bestemd voor de Nederlandse markt teneinde daar hetzij vers, hetzij na verwerking, rechtstreeks aan detailhandelaren of de consument te worden verkocht, of voor een derde land.

Artikel 4.11 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 2 Ten bewijze dat is voldaan aan, voor zover van toepassing, de artikelen 4.4 tot en met 4.8 gaat een partij vers vlees van kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden of ganzen die is bestemd voor Nederland en afkomstig is uit een inrichting die is erkend op grond van artikel 4.16, eerste lid, vergezeld van het volgende op de partij betrekking hebbend bewijsstuk, dat wordt afgegeven na een van Rijkswege ingesteld onderzoek:

  • 4 De in het tweede lid bedoelde bewijsstukken worden afgegeven door de minister.

Afdeling 3A. Verplichtingen voor de pluimveehouder [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 4.11a [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Het is de eigenaar of houder van een pluimveehouderij slechts toegestaan pluimvee in de handel te brengen ten behoeve van de levering aan slachthuizen, indien is voldaan aan artikel 4.4a.

  • 2 De keuringsdierenarts, of onder diens verantwoordelijkheid diens assistent, ziet toe op de naleving van artikel 4.4a. De keuringsdierenarts brengt in verband met het toezicht op de naleving van artikel 4.4a, eerste lid, ten minste een maal per jaar een bezoek aan de pluimveehouderij, met dien verstande dat de bezoekfrequentie wordt verhoogd indien blijkt dat de eigenaar of houder zich niet aan voornoemde voorschriften houdt en de bezoeken in dat laatste geval steeds worden afgelegd door de keuringsdierenarts.

  • 3 Indien ook na verhoging van de bezoekfrequentie blijkt dat de eigenaar of houder zich niet aan de in artikel 4.4a, eerste lid, bedoelde voorschriften houdt, kan de minister besluiten dat er niet langer toezicht op de naleving van de in het eerste lid bedoelde voorschriften plaats zal vinden met dien verstande dat in dat geval niet langer gebruik kan worden gemaakt van het document, bedoeld in artikel 4.4a, tweede lid.

  • 4 Het toezicht op de naleving van de in het eerste lid bedoelde voorschriften op de houderij wordt hervat nadat de eigenaar of houder ten genoegen van de minister heeft aangetoond dat aan voornoemde voorschriften wordt voldaan.

  • 5 De eigenaar of houder verleent de keuringsdierenarts of diens assistent alle medewerking die deze redelijkerwijs ten behoeve van de keuring voor het slachten noodzakelijk acht, en laat deze hiertoe te allen tijde toe op de houderij. De keuringsdierenarts en diens assistent zijn bevoegd water en voer van het pluimvee te bemonsteren.

Afdeling 4. Het brengen in Nederland van vers vlees van pluimvee uit lid-staten (artikel 4.12) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 4.12 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Vers vlees van pluimvee dat is verzonden vanuit een lid-staat en dat is bestemd voor Nederland of een lid-staat:

    • a. is voorzien van het keurmerk, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, dan wel, indien het vlees van oorsprong is uit een derde land of gedeelte van een derde land waaruit het op het grondgebied van de Europese Gemeenschap brengen van het vlees is toegestaan ingevolge beschikking 94/85/EEG en het vlees in de lid-staat van verzending niet is omgepakt of verwerkt, van een origineel keurmerk als bedoeld in artikel 4.14, tweede lid;

    • b. gaat vergezeld van het op de partij betrekking hebbende van toepassing zijnde bewijsstuk, bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, onderdeel a, onder 2° en 3°, of, indien het gekweekt vederwild betreft, artikel 4.2, tweede lid, onderdeel b, met dien verstande dat, indien het vlees door onderdompeling is gekoeld, op het bewijsstuk wordt vermeld dat deze onderdompeling heeft plaatsgevonden overeenkomstig hoofdstuk VII, punten 42 en 43 van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG en dat het vlees na koeling onmiddellijk is bevroren of diepgevroren;

    • c. is op hygiënische wijze verpakt en wordt op hygiënische wijze vervoerd overeenkomstig artikel 4.4, eerste lid, onderdeel f, onderscheidenlijk g, en vertoont geen tekenen van bederf of ondeugdelijkheid.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, heeft eventuele opslag, verwerking of ompakking in Nederland van vers vlees van pluimvee dat is verzonden vanuit een lid-staat en dat is bestemd voor een lid-staat, onder bevredigende hygiënische omstandigheden plaatsgevonden in een op grond van artikel 4.16, eerste lid, erkende inrichting.

  • 3 Indien de partij vers vlees van pluimvee vergezeld gaat van een handelsdocument als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, onderdeel a, onder 2°, wordt dit document gedurende tenminste één jaar door de geadresseerde bewaard zodat het desgevraagd aan de keuringsdierenarts kan worden overgelegd.

Afdeling 5 Het brengen in Nederland van vers vlees van pluimvee uit derde landen (artikelen 4.13 tot en met 4.15)

Artikel 4.12a [Vervallen per 01-01-2006]

In afwijking van artikel 4.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, mag vers vlees van pluimvee dat afkomstig is uit Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië of Slowakije en vóór 1 mei 2004 is verkregen in een inrichting die erkend was voor uitvoer naar de Europese Gemeenschap, tot en met 30 april 2005 voorzien zijn van het keurmerk, bedoeld in artikel 3, onderdeel a, van beschikking 2004/280/EG, mits het certificaat of document dat het vlees vergezelt, door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst is voorzien van de verklaring: ‘Vóór 1 mei 2004 geproduceerd overeenkomstig Beschikking 2004/280/EG van de Commissie.’

Artikel 4.13 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Een partij vers vlees van pluimvee die via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de Europese Gemeenschap wordt gebracht en die is bestemd voor Nederland of een lidstaat, is afkomstig uit een derde land of een gedeelte van een derde land dat voor de betrokken diersoort waarvan het vlees afkomstig is, staat vermeld:

    • a. in de lijst opgenomen in bijlage I bij beschikking 94/984/EG indien het vlees van pluimvee als bedoeld in richtlijn 71/118/EG betreft;

    • b. in de lijst opgenomen in bijlage I bij beschikking 2000/585, indien het vlees van gekweekt vederwild, niet zijnde loopvogels, betreft, of

    • c. in de lijst opgenomen in bijlage I bij beschikking 2000/609/EG indien het vlees van gekweekte loopvogels betreft,

    en voldoet aan de in de voornoemde beschikkingen opgenomen eisen ten aanzien van het derde land respectievelijk het gedeelte van het derde land van herkomst.

  • 2 Een partij vers vlees van pluimvee, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van:

    • a. een gezondheidscertificaat waarvan het model overeenstemt met het model, vastgesteld in bijlage II bij beschikking 94/984/EG, indien het vlees van pluimvee als bedoeld in richtlijn 71/118/EEG betreft;

    • b. een gezondheidscertificaat waarvan het model overeenstemt met het model dat voor de betrokken diersoort is vastgesteld in bijlage III bij beschikking 2000/585/EG, indien het vlees van gekweekt vederwild, niet zijnde loopvogels, betreft, of

    • c. een gezondheidscertificaat waarvan het model overeenstemt met het model, vastgesteld in bijlage II bij beschikking 2000/609/EG, indien het vlees van gekweekte loopvogels betreft.

  • 3 Een partij vers vlees van pluimvee is voorzien van:

    • a. het keurmerk, bedoeld in bijlage III bij beschikking 94/984/EG, indien het vlees van pluimvee als bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, betreft, of

    • b. een officieel keurmerk waaruit blijkt in welk slachthuis de dieren waarvan het vlees afkomstig is, zijn geslacht, dan wel in welke uitsnijderij het vlees is uitgesneden, indien het vlees van gekweekte loopvogels betreft.

  • 4 Een partij vers vlees van pluimvee voldoen aan de eisen die voor de betrokken diersoort waarvan het vlees afkomstig is, zijn vastgesteld in de onderscheiden gezondheidscertificaten, bedoeld in het tweede lid.

  • 5 Een partij vers vlees van pluimvee is afkomstig van een inrichting die is opgenomen op de lijst, bedoeld in artikel 2 van beschikking 95/408/EG.

  • 7 Aan het pluimvee waarvan het vlees afkomstig is, zijn geen stoffen of producten toegediend die ingevolge artikel 3, onderdeel a, van richtlijn 96/22/EG niet aan pluimvee mogen worden toegediend, tenzij aan de voorwaarden, bedoeld artikel 11 van richtlijn 96/22/EG is voldaan.

Artikel 4.14 [Vervallen per 27-09-1997]

Artikel 4.15 [Vervallen per 01-01-2005]

Afdeling 6. Erkenningsvoorschriften voor inrichtingen (artikel 4.16) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 4.16 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Erkenning van:

    • a. een slachthuis als bedoeld in artikel 3, onder I, onderdeel A, van richtlijn 71/118/EEG vindt plaats indien het slachthuis voldoet aan de hoofdstukken I en II van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG;

    • b. een uitsnijderij als bedoeld in artikel 3, onder I, onderdeel B, van richtlijn 71/118/EEG vindt plaats indien de uitsnijderij voldoet aan de hoofdstukken I en III van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG;

    • c. een koel- of vrieshuis als bedoeld in artikel 3, onder I, onderdeel C, van richtlijn 71/118/EEG vindt plaats indien het koel- of vrieshuis voldoet aan de hoofdstukken I en IV van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG;

    • d. een inrichting als bedoeld in artikel 14 van richtlijn 91/495/EEG vindt plaats indien de inrichting:

      • 1º. indien het een slachthuis betreft, voldoet aan onderdeel a;

      • 2º. indien het een uitsnijderij betreft, voldoet aan onderdeel b;

      • 3º. indien het een koel- of vrieshuis betreft, voldoet aan onderdeel c, met dien verstande dat aan de VWA de volgende voorzieningen om niet ter beschikking worden gesteld:

        • -

          indien gewoonlijk meer dan 2 uur per dag wordt gekeurd en gecertificeerd:

          • 1. een afsluitbare ruimte met een afsluitbare kast, een bureau, stoelen en een telefoon;

          • 2. een kleedruimte met wasgelegenheid en toilet;

          • 3. indien tijdens het slachtproces gewoonlijk meer dan 4 keurmeesters werkzaam zijn, een verblijfruimte ingericht met stoelen en tafels;

        • -

          indien gewoonlijk minder dan 2 uur per dag wordt gekeurd en gecertificeerd, een afsluitbare kast en een telefoon.

  • 2 Een inrichting wordt eveneens erkend:

    • a. voor zover het een slachthuis betreft, indien in het slachthuis in totaal niet meer dan 3000 dieren per week en 150.000 dieren per jaar worden geslacht en is voldaan aan de voorschriften van bijlage II van richtlijn 71/118/EEG, met dien verstande dat de bevoegde autoriteit, genoemd in hoofdstuk II van voornoemde bijlage, de minister is;

    • b. voor zover het een uitsnijderij betreft, indien:

      • -

        de uitsnijderij niet in een inrichting als bedoeld in het eerste lid is gelegen;

      • -

        voor zover de uitsnijderij tevens is erkend op grond van krachtens de Vleeskeuringswet ter implementatie van artikel 4, tweede lid, van richtlijn 64/433/EEG gestelde regelen, in die uitsnijderij in totaal niet meer dan 5 ton vlees per week wordt geproduceerd;

      • -

        in andere gevallen dan als bedoeld onder het tweede gedachtenstreepje, in de uitsnijderij in totaal niet meer dan 3 ton vlees per week wordt geproduceerd;

      • -

        uit een door de keuringsdierenarts ingesteld onderzoek is gebleken dat is voldaan aan de voorschriften van hoofdstuk I van bijlage II van richtlijn 71/118/EEG,

    met dien verstande dat aan de VWA een afsluitbare kast en een telefoon om niet ter beschikking worden gesteld.

  • 3 Een erkenning wordt door de minister verleend nadat uit een door de keuringsdierenarts ingesteld onderzoek is gebleken dat aan de voorschriften van het eerste of tweede lid is voldaan.

  • 4 De aanvraag voor erkenning wordt ingediend bij de VWA op een daartoe bestemd formulier.

  • 5 Aan een inrichting die op grond van dit artikel is erkend, wordt een erkenningsnummer toegekend.

Afdeling 7. Verplichtingen van de exploitant of de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van een erkende inrichting (artikelen 4.17 tot en met 4.19) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 4.17 [Vervallen per 01-01-2006]

De exploitant of de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van een erkende inrichting draagt er zorg voor dat:

  • a. indien het een slachthuis betreft, in het slachthuis de hygiënische voorschriften van de hoofdstukken V en VII van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG, alsmede de overige hygiënevoorschriften van die richtlijn worden nageleefd, met dien verstande dat, indien het een slachthuis is erkend op grond van artikel 4.16, tweede lid, er tevens zorg voor wordt gedragen dat:

    • -

      een register wordt bijgehouden op grond waarvan de volgende gegevens kunnen worden gecontroleerd:

      • 1º. het inkomende pluimvee en de uitgaande slachtprodukten;

      • 2º. de overeenkomstig artikel 4.19 uitgevoerde controles;

      • 3º. de resultaten van de onder 2° bedoelde controles,

        welke gegevens desgevraagd terstond aan de keuringsdierenarts worden overgelegd;

    • -

      de keuringsdierenarts op de hoogte wordt gebracht van het tijdstip van slachten, het aantal dieren en de herkomst ervan en hem een afschrift toekomt van de in bijlage IV van richtlijn 71/118/EEG bedoelde gezondheidsverklaring, dan wel van het in bijlage A van deze regeling bedoelde document;

    • -

      de keuringsdierenarts of diens assistent bij het verwijderen van de ingewanden aanwezig is om te controleren of de in de hoofdstukken VII en VIII van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG bedoelde hygiënevoorschriften worden nageleefd, met dien verstande dat, ingeval geen van beiden bij het slachten aanwezig kan zijn, het vlees de inrichting slechts verlaat nadat een keuring na het slachten is verricht die op de dag van het slachten heeft plaatsgevonden;

    • -

      het vlees afkomstig uit de inrichting wordt gemerkt met het merk, bedoeld in artikel 4.10, eerste lid;

  • b. indien het een uitsnijderij betreft:

    • -

      in de uitsnijderij de voorschriften van de hoofdstukken X en, voor zover van toepassing, hoofdstuk V van bijlage I van richtijn 71/118/EEG alsmede de overige hygiënevoorschriften van die richtlijn worden nageleefd, met dien verstande dat de hoofdstukken VII en X en punt 64 van hoofdstuk XI van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG niet van toepassing zijn op het uitsnijden en opslaan in een uitsnijderij die is erkend op grond van artikel 4.16, tweede lid;

    • -

      in de uitsnijderij een register wordt bijgehouden van al het inkomende en uitgaande verse vlees van pluimvee, onder vermelding van de aard van het ingekomen vlees, dat op verzoek van de keuringsdierenarts of diens assistent wordt overgelegd;

  • c. indien het een koel- of vrieshuis betreft, in het koel- of vrieshuis de voorschriften van de hoofdstukken X en, voor zover van toepassing, XIII van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG, alsmede de overige hygiënevoorschriften van die richtlijn worden nageleefd;

  • d. in de inrichting de aanwijzingen van de keuringsdierenarts of diens assistent worden opgevolgd en dat deze alle medewerking wordt verleend die hij redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taken in het kader van dit hoofdstuk noodzakelijk acht: aan de keuringsdierenarts of diens assistent wordt desgevraagd toegang verleend tot het gehele bedrijf.

Artikel 4.18 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De minister schort een op grond van artikel 4.16 afgegeven erkenning tijdelijk op, indien de keuringsdierenarts heeft geconstateerd dat de voorschriften, bedoeld in de artikelen 4.16 en 4.17 niet worden nageleefd, en wanneer de keuringsdierenarts is gebleken dat de in hoofdstuk VIII, punt 51, derde alinea van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG bedoelde maatregelen onvoldoende zijn om dit te verhelpen. Opschorting geschiedt niet dan na voorafgaande waarschuwing en na het verstrijken van een daarbij te stellen termijn, waarbinnen alsnog aan voornoemde voorschriften dient te zijn voldaan.

  • 2 Indien blijkt dat de exploitant of de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van de inrichting de geconstateerde gebreken na opschorting niet alsnog binnen een daartoe gestelde termijn verhelpt, trekt de minister de erkenning in.

Artikel 4.19 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De exploitant of de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van een op grond van artikel 4.16 erkende inrichting zet, in samenwerking met de keuringsdierenarts, een opleidingsprogramma op dat het personeel van de inrichting in staat stelt te voldoen aan, voorzover van toepassing, de voorschriften bedoeld in artikel 4.17.

  • 2 De exploitant, de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van een op grond van artikel 4.16, erkende inrichting verricht de controles, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van richtlijn 71/118/EEG, en is desverzocht in staat de keuringsdierenarts of de veterinaire deskundigen van de Europese Commissie in kennis te stellen van aard, frequentie en resultaat van de verrichte controles, alsmede, zo nodig, van de naam van het controlelaboratorium, met dien verstande dat de exploitant, de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van een op grond van artikel 4.16, eerste en tweede lid, erkende inrichting de algemene hygiëne bij de productie, bedoeld in artikel 6, tweede lid, van richtlijn 71/118/EEG, controleert door het uitwerken en toepassen van een permanente procedure overeenkomstig artikel 1 van beschikking 2001/471/EG.

  • 3 Voor de toepassing van artikel 1, tweede lid, van beschikking 2001/471/EG kan, voorzover van toepassing, de exploitant, eigenaar of vertegenwoordiger gebruik maken van:

    • a. de aanvulling op de hygiënecodes voor slachterijen en uitsnijderijen van de Productschappen voor Vee, Vlees en Eieren van 15 mei 2002 met de titel ‘Aanvulling werkboek GHP-code Pluimveeslachterijen en -uitsnijderijen beschikking 2001/471/EG’;

    • b. de aanvulling op de hygiënecodes voor slachterijen en uitsnijderijen van de Productschappen voor Vee, Vlees en Eieren van 19 juni 2003 met de titel ‘Aanvulling werkboek GHP-code Pluimveeslachterijen en -uitsnijderijen beschikking 2001/471/EG voor pluimveeslachterijen met geringe capaciteit’, of

    • c. de aanvulling van de Productschappen voor Vee, Vlees en Eieren op de hygiënecode voor het Poeliersbedrijf van 13 maart 2003 met de titel ‘Aanvulling van de hygiënecode voor het poeliersbedrijf voor pluimvee-uitsnijderijen met een geringe capaciteit’.

Afdeling 8. Overige bepalingen (artikelen 4.20 tot en met 4.25) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 4.20 [Vervallen per 01-01-2006]

Dood pluimvee, delen daarvan of vers vlees van pluimvee, dat dan wel die voor menselijke consumptie ongeschikt is dan wel zijn verklaard of anderszins niet geschikt wordt, dan wel worden, bevonden voor menselijke consumptie, wordt:

  • a. voor zover het vlees zich bevindt in een inrichting, onmiddellijk verzameld in de in hoofdstuk I, punt 4, onderdeel d, van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG bedoelde bakken of lokalen dan wel, indien het een op grond van artikel 4.16, tweede lid, erkende inrichting betreft, op de wijze, bedoeld in hoofdstuk I, punt 4, onderdeel c, van bijlage II van voornoemde richtlijn en onder toezicht van de keuringsdierenarts of diens assistent onbruikbaar gemaakt voor menselijke consumptie, en

  • b. behandeld overeenkomstig de bij of krachtens de Destructiewet of de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aan de verwerking van derg elijk materiaal gestelde regelen.

Artikel 4.21 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Het laten vervaardigen en het in voorraad hebben van de in dit hoofdstuk genoemde merken, alsmede het in inrichtingen waar pluimvee wordt geslacht of be- of verwerkt, voorhanden hebben van stempels en andere werktuigen waarmee deze merken kunnen worden vervaardigd of aangebracht, is slechts toegestaan met toestemming van de minister. Aan deze toestemming kunnen voorschriften en voorwaarden worden verbonden. Deze toestemming kan onder beperkingen worden verleend.

  • 2 Het gebruik van de in dit hoofdstuk genoemde merken is slechts toegestaan in een op grond van artikel 4.16 erkende inrichting.

Artikel 4.22 [Vervallen per 01-01-2006]

Degene die voornemens is pluimvee bedrijfsmatig te slachten of vers vlees van pluimvee bedrijfsmatig uit te snijden, dient de keuringsdierenarts ten behoeve van de keuring van het vlees de werkdag tevoren tussen 8.15 en 17.00 uur te waarschuwen en de door de keuringsdieren-arts, dan wel zijn assistenten verlangde medewerking te verlenen of te doen verlenen.

Artikel 4.23 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De in dit hoofdstuk bedoelde werkzaamheden van de VWA geschieden in de periode van maandag tot en met vrijdag, met uitzondering van algemeen erkende feestdagen, van 07.00 uur tot 18.00 uur.

  • 2 In afwijking van het eerste lid geschieden de in dit hoofdstuk bedoelde werkzaamheden van de VWA tussen 05.00 uur en 07.00 uur, alsmede tussen 18.00 uur en 23.00 uur, indien:

    • a. in het slachthuis gedurende een aaneengesloten periode van ten minste 6 maanden, die per periode uiterlijk 30 dagen voor de aanvang aan de VWA bekend is gemaakt, ten minste 15 uren per week in de in het eerste lid genoemde tijdvakken in een tempo van ten minste 50 dieren per minuut per band wordt geslacht;

    • b. er een mechanisme aanwezig is dat ten behoeve van de werkzaamheden van de VWA de aantallen dieren registreert die zijn geslacht tussen 05.00 uur en 07.00 uur, tussen 07.00 uur en 18.00 uur, tussen 18.00 uur en 23.00 uur, respectievelijk tussen 23.00 uur en 05.00 uur van de daaropvolgende dag.

  • 3 De minister kan in bijzondere gevallen toestemmen in afwijking van het eerste en tweede lid.

Artikel 4.24 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het uitsnijden en opslaan van vers vlees van pluimvee in detailhandelszaken of in lokalen die aan verkooppunten grenzen, waar het uitsnijden en opslaan uitsluitend met het oog op rechtstreekse verkoop aan de eindverbruiker geschiedt. In deze situaties zijn de voorschriften voor het uitoefenen van de detailhandel van toepassing.

Artikel 4.25 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Artikel 4.4 is niet van toepassing op:

    • a. het afstaan van vers vlees van pluimvee, met uitzondering van vlees van loopvogels, door pluimveehouders met een jaarproduktie van minder dan 10.000 stuks, in hoeveelheden van maximaal 200 geslachte dieren per week tot maximaal 2000 geslachte dieren per jaar, rechtstreeks aan de eindverbruiker op het bedrijf of op de dichtstbijgelegen weekmarkt, met uitzondering van venthandel en verkoop door middel van verzending, en

    • b. het afstaan van vlees van gekweekt vederwild, met uitzondering van vlees van loopvogels, door een kleine producent, niet zijnde de eigenaar of exploitant van een erkende inrichting, in hoeveelheden van maximaal 200 geslachte dieren per week tot maximaal 2000 geslachte dieren per jaar, rechtstreeks aan de eindverbruiker voor eigen verbruik, met uitzondering van venthandel, verkoop door middel van verzending en verkoop op markten.

  • 2 In de gevallen, bedoeld in het eerste lid, houdt de pluimveehouder dan wel de producent een register bij van het aantal dieren dat op zijn bedrijf wordt aan- en afgevoerd, alsmede van het aantal geslachte dieren dat wordt afgeleverd. Bedoelde gegevens worden terstond na de aan- of afvoer in het register genoteerd. De dieren worden in een andere ruimte geslacht dan waar zij worden gehouden.

Hoofdstuk 5. Vlees van vrij wild en gehele stukken vrij wild [Vervallen per 01-01-2006]

Afdeling 1 . Begripsbepalingen (artikel 5.1) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 5.1 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Onverminderd artikel 1.1, wordt in dit hoofdstuk verstaan onder: vrij-wildverwerkingsinrichting: inrichting waar gedood klein vrij wild of gedood grof vrij wild wordt behandeld en vlees van vrij wild wordt verkregen; verzamelplaats: plaats waar gedood klein vrij wild, of gedood grof vrij wild overeenkomstig de hygiënevoorschriften van hoofdstuk III, punt 2, van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG wordt ingeleverd met het oog op vervoer naar een vrij-wildverwerkingsinrichting; slachtafval: vers vlees van vrij wild dat geen deel uitmaakt van een geheel stuk al dan niet onthuid of ontvederd vrij wild, ook indien het op natuurlijke wijze met het gehele stuk verbonden blijft;

    ingewanden: slachtafval uit de borst-, buik- en bekkenholte, eventueel met inbegrip van de luchtpijp, de slokdarm en de krop;

    detailhandel: bedrijf van het kopen en aan particulieren verkopen van waren als bedoeld in artikel 2 van het Instellingsbesluit Hoofdbedrijfschap Detailhandel, met uitzondering van verkoop op markten door venthandel of via verzending.

  • 2 In dit hoofdstuk wordt onder ‘lid-staat’ mede verstaan: Noorwegen.

  • 3 In dit hoofdstuk wordt, in afwijking van artikel 1.1, eerste lid, onder ‘derde land’ verstaan: land, niet zijnde Nederland of andere lid-staat van de Europese Unie, en niet zijnde Noorwegen.

Afdeling 2 . Het anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van vlees van vrij wild en gehele stukken vrij wild (artikelen 5.2 en 5.3) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 5.2 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Vlees van vrij wild dat anders dan in doorvoer buiten Nederland wordt gebracht is voorzien van een keurmerk overeenkomstig hoofdstuk VII van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG, met dien verstande dat ten aanzien van het aanbrengen van het keurmerk, bedoeld in hoofdstuk XII, punt 68, van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG, van toepassing is op vlees van klein vrij wild.

  • 2 Een partij vlees van vrij wild die anders dan in doorvoer buiten Nederland wordt gebracht gaat vergezeld van:

    • a. een door de keuringsdierenarts geviseerd handelsdocument, dat de gegevens, bedoeld in hoofdstuk VII, punt 2, van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG, bevat, alsmede, in geval van ingevroren vlees, de niet-gecodeerde vermelding van de maand en het jaar van invriezing en een codenummer aan de hand waarvan de keuringsdierenarts kan worden geïdentificeerd, dan wel

    • b. een gezondheids- en veterinairrechtelijk certificaat waarvan het model overeenstemt met het model in bijlage II van richtlijn 92/45/EEG, wanneer het vlees:

      • 1º. afkomstig is uit een inrichting die is gelegen in een gebied of zone waarvoor om veterinairrechtelijke redenen beperkingen gelden, met dien verstande dat op het certificaat de woorden ‘betreffende vlees van vrij wild dat is bestemd voor een Lid-Staat na doorvoer door een derde land’ worden doorgehaald, of

      • 2º. voor een lid-staat is bestemd na doorvoer via een derde land in een met een loodje verzegelde vrachtwagen.

  • 3 Zolang de voorschriften voor het op het grondgebied van de Europese Gemeenschap brengen van vlees van vrij wild vanuit derde landen niet of slechts gedeeltelijk ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap zijn vastgesteld, is het anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van uit derde landen in Nederland ingevoerd vlees van vrij wild, bestemd voor een lid-staat, slechts toegestaan indien de lid-staat van bestemming heeft ingestemd met het op zijn grondgebied brengen van het vlees en is voldaan aan de ter zake door die lid-staat gestelde voorschriften.

    • a. is het vlees, in afwijking van het eerste lid, voorzien van het oorspronkelijke keurmerk bedoeld in artikel 5.11, eerst lid, onderdeel a, en

    • b. gaat de partij, in afwijking van het tweede lid, vergezeld van:

      • 1º. een gewaarmerkt afschrift van het certificaat, bedoeld in artikel 5.11, eerste lid, onderdeel b, met dien verstande dat op dit afschrift of op een afzonderlijk certificaat, tevens door de keuringsdierenarts is verklaard dat de partij is ingevoerd overeenkomstig de Nederlandse voorschriften, dan wel

      • 2º. een door de lid-staat van bestemming voorgeschreven certificaat.

  • 4 Indien een partij als bedoeld in het eerste lid in Nederland niet is verwerkt of omgepakt:

  • 5 Indien een partij als bedoeld in het eerste lid in Nederland is verwerkt of omgepakt, blijkt uit het document bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, tevens dat is voldaan aan de voorschriften van de lid-staat van bestemming.

  • 6 Ten aanzien van vlees van vrij wild dat anders dan in doorvoerbuiten Nederland wordt gebracht, is voldaan aan de eisen, gesteld in de artikelen 4, eerste, tweede en zesde lid, 8, eerste lid, 9, eerste en derde lid, en 13 van verordening 1829/2003.

  • 7 Het is een exploitant als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van verordening 1830/2003, voorzover zijn activiteiten betrekking hebben op vlees van vrij wild, verboden te handelen in strijd met de artikelen 4, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en 5, eerste en tweede lid, van die verordening.

Artikel 5.3 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Een partij gehele stukken grof vrij wild die anders dan in doorvoer buiten Nederland wordt gebracht, gaat vergezeld van een gezondheidscertificaat waarvan het model overeenstemt met het model dat is vastgesteld bij beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Raad van de Europese Unie op grond van artikel 5, derde lid, onderdeel c, van richtlijn 92/45/EEG, dan wel, zolang dit model niet is vastgesteld, van een door de minister ondertekend certificaat waarin ten minste wordt verklaard dat de ingewanden een post mortem keuring hebben ondergaan in een erkende vrij-wildverwerkingsinrichting en dat het vlees geschikt is verklaard voor menselijke consumptie.

  • 2 Een partij gehele stukken klein vrij wild die anders dan in doorvoer buiten Nederland wordt gebracht, gaat vergezeld van een door de minister ondertekend certificaat waarin ten minste wordt verklaard dat een representatief monster van dieren van dezelfde herkomst is gekeurd en aan de hand van deze keuring de partij geschikt is bevonden voor menselijke consumptie.

  • 3 Zolang de voorschriften voor het op het grondgebied van de Europese Gemeenschap brengen van gehele stukken vrij wild vanuit derde landen niet of slechts gedeeltelijk ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap zijn vastgesteld, is het anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van uit derde landen in Nederland ingevoerd gehele stukken vrij wild, bestemd voor een lidstaat, slechts toegestaan indien de lidstaat van bestemming heeft ingestemd met het op zijn grondgebied brengen van deze stukken en is voldaan aan de ter zake door die lid-staat gestelde voorschriften.

  • 4 Indien een partij als bedoeld in het eerste lid in Nederland niet is omgepakt, gaat de partij, in afwijking van het eerste en tweede lid, vergezeld van:

    • 1º. een gewaarmerkt afschrift van het certificaat, bedoeld in artikel 5.11, eerste lid, onderdeel b, met dien verstande dat op dit afschrift of op een afzonderlijk certificaat tevens door de minister is verklaard dat de partij is ingevoerd overeenkomstig de Nederlandse voorschriften, dan wel

    • 2º. een door de lid-staat van bestemming voorgeschreven certificaat.

  • 5 Indien een partij als bedoeld in het eerste lid in Nederland is omgepakt, blijkt uit het document bedoeld in artikel 5.3, eerste en tweede lid, tevens dat is voldaan aan de voorschriften van de lid-staat van bestemming.

  • 6 Ten aanzien van een partij gehele stukken grof vrij wild die anders dan in doorvoerbuiten Nederland wordt gebracht, is voldaan aan de eisen, gesteld in de artikelen 4, eerste, tweede en zesde lid, 8, eerste lid, 9, eerste en derde lid, en 13 van verordening 1829/2003.

  • 7 Het is een exploitant als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van verordening 1830/2003, voorzover zijn activiteiten betrekking hebben op een partij gehele stukken grof vrij wild, verboden te handelen in strijd met de artikelen 4, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en 5, eerste en tweede lid, van die verordening.

Afdeling 3 . Het in de handel brengen van vlees van vrij wild en gehele stukken vrij wild (artikelen 5.4 tot en met 5.8) [Vervallen per 01-01-2006]

§ 1. Verbod op het in de handel brengen van vlees van vrij wild en gehele stukken vrij wild en uitzondering van dit verbod (artikel 5.4) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 5.4 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Het in de handel brengen van vlees van vrij wild en gehele stukken vrij wild is verboden.

§ 2. Nadere voorschriften voor het in de handel brengen van vlees van vrij wild en gehele stukken wild (artikelen 5.5 tot en met 5.8) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 5.5 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Vlees van vrij wild is afkomstig van vrij wild:

    • a. dat is gedood overeenkomstig de Flora- en faunawet;

    • b. dat niet afkomstig is uit een gebied waar vrij wild ingevolge artikel 10, vierde lid, of 11, eerste lid, van richtlijn 92/45/EEG is onderzocht op de aanwezigheid van residuen, waarbij sporen van residuen zijn aangetroffen;

    • c. dat onmiddellijk na het doden is bereid overeenkomstig hoofdstuk III van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG en binnen ten hoogste twaalf uur na het doden is vervoerd naar:

      • 1º. een op grond van artikel 5.13 erkende vrij-wildverwerkings-inrichting, dan wel

      • 2º. met inachtneming van artikel 5.7, een vrij-wildverwerkings-inrichting waaraan ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 12.6, derde lid, dan wel,

      • 3º. een verzamelplaats, met dien verstande dat grof vrij wild op de verzamelplaats op een temperatuur van ten hoogste 7°C en klein vrij wild op een temperatuur van ten hoogste 4°C wordt gebracht en dat het wild van daaruit binnen 12 uur, dan wel uiterlijk op de eerstvolgende werkdag wordt vervoerd naar een inrichting als bedoeld onder 1°, onderscheidenlijk onder 2°;

    • d. dat na doding door de keuringsdierenarts visueel is onderzocht teneinde eventuele afwijkingen op te sporen en na te gaan of de dood niet aan andere oorzaken dan de jacht is te wijten;

    • e. dat na doding is gehanteerd onder bevredigende hygiënische omstandigheden overeenkomstig de hoofdstukken III, IV en V van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG;

    • f. dat post mortem is gekeurd door de keuringsdierenarts of diens assistent overeenkomstig hoofdstuk V van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG;

    • g. dat geen afwijkingen heeft vertoond, met uitzondering van bij het doden opgelopen traumatische laesies of van plaatselijke misvormingen of afwijkingen, voor zover deze het vlees niet ongeschikt maken voor menselijke consumptie, noch enig gevaar opleveren voor de gezondheid van de mens;

    • h. waarvan, in het geval van klein vrij wild dat niet onmiddellijk na het doden is ontweid, een representatief monster van dieren van dezelfde herkomst door de keuringsdierenarts is gekeurd overeenkomstig hoofdstuk V, punt 1, van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG, met dien verstande dat indien een voor de mens besmettelijke ziekte, dan wel één van de in hoofdstuk V, punt 4, van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG genoemde gebreken is geconstateerd, de controle op de gehele partij wordt uitgevoerd, waarbij de keuringsdierenarts de gehele partij voor menselijke consumptie kan uitsluiten, dan wel ieder karkas afzonderlijk kan onderzoeken.

  • 2 Vlees van vrij wild is:

    • a. verkregen in een:

    • b. bij de keuring, bedoeld in het eerste lid, onderdeel f, geschikt verklaard voor menselijke consumptie, met dien verstande dat het vlees voor menselijke consumptie ongeschikt wordt verklaard indien:

      • 1º. is geconstateerd dat het één van de gebreken vertoont die zijn genoemd in hoofdstuk V, punt 3, onder e, van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG, dan wel in beslag is genomen overeenkomstig punt 4 van voornoemd hoofdstuk;

      • 2º. de aanwezigheid is vastgesteld van een voor de mens besmettelijke ziekte of van trichinen;

      • 3º. het afkomstig is van dieren die steffen hebben opgenomen waardoor het vlees gevaarlijk of schadelijk kan worden voor de gezondheid van de mens, en waarover door de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Raad van de Europese Unie een besluit is genomen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel iii, van richtlijn 92/45/EEG, dan wel, zolang dit besluit niet is genomen, indien in het vlees sporen van residuen voorkomen in hoeveelheden die de krachtens de Diergeneesmiddelenwet, Warenwet of Bestrijdingsmiddelenwet 1962 toegestane toleranties overschrijden;

      • 4º. is behandeld met ioniserende of ultraviolette stralen, tenzij deze behandeling ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap is toegestaan, dan wel met andere stoffen waardoor de organoleptische eigenschappen van het vlees kunnen worden aangetast, of met andere kleurstoffen dan die welke voor het aanbrengen van het keurmerk worden gebruikt;

      • 5º. voor zover het vlees afkomstig is van everzwijn of van andere voor trichinose gevoelige soorten, het vlees niet is onderzocht op de aanwezigheid van trichinosen met behulp van een digestiemethode of trichinoscopisch onderzoek overeenkomstig artikel 3, derde lid, van richtlijn 92/45/EEG;

    • c. na de post mortem keuring onder bevredigende hygiënische omstandigheden opgeslagen overeenkomstig hoofdstuk X van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG in een op grond van artikel 5.13 erkende vrij-wildverwerkingsinrichting, in een erkend koel- en vrieshuis of, met inachtneming van artikel 5.8, in een vrij-wildverwerkingsinrichting waaraan ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 12.6, derde lid;

    • d. op hygiënische wijze verpakt overeenkomstig hoofdstuk VIII van richtlijn 92/45/EEG;

    • e. onder bevredigende hygiënische omstandigheden vervoerd overeenkomstig hoofdstuk XI van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG;

    • f. voor zover het delen van karkassen of uitgebeend vlees van vrij wild betreft, deze overeenkomstig afdeling 4, onderscheidenlijk 5 van dit hoofdstuk in Nederland zijn gebracht, met dien verstande dat zolang de voorschriften voor het op het grondgebied van de Europese Gemeenschap brengen van vlees van vrij wild vanuit derde landen nog niet volledig ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap zijn vastgesteld, het ompakken of verwerken van uit een derde land afkomstig vlees dat wordt bestemd voor een lid-staat, slechts is toegestaan indien is voldaan aan de eisen van de lid-staat van bestemming;

    • g. voor zover het slachtafvallen betreft die zijn bestemd voor een lid-staat, deze zijn behandeld overeenkomstig richtlijn 77/99/EEG;

    • h. geëtiketteerd onder aanduiding van de benaming van de diersoort.

Artikel 5.6 [Vervallen per 01-01-2006]

Gehele stukken vrij wild:

  • a. voldoen aan artikel 5.5, eerste lid, en, voor zover van toepassing, 5.5, tweede lid, onderdeel a;

  • b. worden bij het hanteren en opslaan gescheiden gehouden van vers vlees als bedoeld in richtlijn 64/433/EEG, vers vlees van pluimvee en van vers konijne- of hazevlees als bedoeld in richtlijn 91/495/EEG en onder hygiënische omstandigheden vervoerd, met dien verstande dat de gehele stukken niet worden in- of diepgevroren;

  • c. voldoen, voor zover het gehele stukken niet-onthuid grof wild betreft, aan artikel 5, onderdeel d, van richtlijn 92/45/EEG.

Artikel 5.7 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Vlees van vrij wild dat is verkregen in een vrij-wildverwerkingsinrichting waaraan ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 12.6, derde lid, dan wel in een op grond van artikel 5.13, tweede lid, erkende vrijwildverwerkingsinrichting, wordt voorzien van een keurmerk als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, waarop de letters ‘EEG’ worden vervangen door: GOEDGEKEURD.

  • 2 Vlees van vrij wild waarop een ‘GOEDGEKEURD’-keurmerk als bedoeld in het eerste lid is aangebracht, en gehele stukken vrij wild die zijn verkregen in een vrij-wildverwerkingsinrichting waaraan ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 12.6, derde lid, dan wel in een op grond van artikel 5.13, tweede lid, erkende vrijwildverwerkingsinrichting,worden uitsluitend bestemd voor de Nederlandse markt of voor een derde land.

Artikel 5.8 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 2 Ten bewijze dat is voldaan aan artikel 5.5, gaat een partij vlees van vrij wild dat is bestemd voor Nederland en dat afkomstig is uit een op grond van artikel 5.13 erkende inrichting, vergezeld van het volgende, op de partij betrekking hebbende bewijsstuk, dat wordt afgegeven na een van Rijkswege ingesteld onderzoek:

    • a. een begeleidend en door de keuringsdierenarts geviseerd handelsdocument als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel a, dan wel

    • b. een gezondheids- en veterinairrechtelijk certificaat als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel b, wanneer het gaat om vlees afkomstig uit een vrijwildverwerkingsinrichting die is gelegen in een gebied of zone waarvoor om veterinairrechtelijke redenen beperkingen gelden.

  • 3 Het in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel a, bedoelde document wordt gedurende ten minste één jaar door de geadresseerde bewaard, zodat het desgevraagd aan de keuringsdierenarts kan worden overgelegd.

  • 4 Ten bewijze dat is voldaan aan artikel 5.6, gaat een partij gehele stukken vrij wild die is bestemd voor Nederland en die afkomstig is uit een op grond van artikel 5.13 erkende vrij-wildverwerkingsinrichting, vergezeld van een op de partij betrekking hebbend en na een van Rijkswege ingesteld onderzoek afgegeven:

    • a. gezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, indien het gehele stukken grof vrij wild betreft;

    • b. gezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 5.3, tweede lid, indien het gehele stukken klein vrij wild betreft.

Afdeling 4 . Het brengen in Nederland van vlees van vrij wild en gehele stukken vrij wild uit lid-staten (artikel 5.9) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 5.9 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 is voorzien van een keurmerk als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, dan wel, indien het vlees van oorsprong is uit een derde land of gedeelte van een derde land waaruit het op het grondgebied van de Europese Gemeenschap brengen van het vlees is toegestaan ingevolge beschikking 94/86/EG en het vlees in de lid-staat van verzending niet is omgepakt of verwerkt, van een origineel keurmerk als bedoeld in artikel 5.11, eerste lid, onderdeel a;

  • 2 Een partij gehele stukken grof vrij wild die is verzonden vanuit een lid-staat en die is bestemd voor Nederland of een lid-staat:

    • a. gaat vergezeld van het gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 5.3, eerste lid, met dien verstande dat zolang het model daarvan nog niet bij beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Raad van de Europese Unie is vastgesteld, de partij vergezeld gaat van een door de bevoegde autoriteit van de lid-staat van verzending afgegeven bewijsstuk, waarin ten minste wordt verklaard dat de ingewanden een post mortem keuring hebben ondergaan in een erkende vrij-wildverwerkingsinrichting en dat het vlees geschikt is verklaard voor menselijke consumptie, en

    • b. wordt op hygiënische wijze vervoerd overeenkomstig artikel 5.5, tweede lid, onderdeel e, en vertoont geen tekenen van bederf of ondeugdelijkheid.

  • 3 Een partij gehele stukken klein vrij wild die is verzonden vanuit een lid-staat voldoet aan het tweede lid, onderdeel b, en gaat vergezeld van een door de bevoegde autoriteit van de lid-staat van verzending afgegeven bewijsstuk, waarin ten minste wordt verklaard dat een representatief monster van dieren van dezelfde herkomst is gekeurd en aan de hand van deze keuring de partij geschikt is bevonden voor menselijke consumptie.

  • 4 Onverminderd het eerste tot en met derde lid heeft eventuele opslag, verwerking of ompakking van vlees van vrij wild of gehele stukken vrij wild, verzonden vanuit een lid-staat en bestemd voor een lid-staat, onder bevredigende hygiënische omstandigheden plaatsgevonden in een op grond van artikel 5.13, eerste lid, erkende vrij-wildverwerkingsinrichting of in een erkend koel- en vrieshuis.

  • 5 Indien de partij vlees of gehele stukken vergezeld gaat van een begeleidend handelsdocument als bedoeld in artikel 5.2, tweede lid, onderdeel a, wordt dit document gedurende ten minste één jaar door de geadresseerde bewaard, zodat het desgevraagd aan de keuringsdierenarts kan worden overgelegd.

Artikel 5.9a [Vervallen per 01-01-2006]

In afwijking van artikel 5.9, eerste lid, aanhef en onderdeel a, mag vlees van vrij wild dat afkomstig is uit Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië of Slowakije en vóór 1 mei 2004 is verkregen in een inrichting die erkend was voor uitvoer naar de Europese Gemeenschap, tot en met 30 april 2005 voorzien zijn van het keurmerk, bedoeld in artikel 3, onderdeel a, van beschikking 2004/280/EG, mits het certificaat of document dat het vlees vergezelt, door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst is voorzien van de verklaring: ‘Vóór 1 mei 2004 geproduceerd overeenkomstig Beschikking 2004/280/EG van de Commissie.’

Afdeling 5. Het brengen in Nederland van vlees van vrij wild en gehele stukken vrij wild uit derde landen (artikelen 5.10 tot en met 5.12) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 5.10 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Een partij vlees van vrij wild of gehele stukken vrij wild die via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de Europese Gemeenschap wordt gebracht en die is bestemd voor Nederland of een lidstaat, is afkomstig uit een derde land of gedeelte van een derde land dat voor de betrokken diersoort waarvan het vlees afkomstig is, staat vermeld op:

    • a. de lijst van deel 1 van bijlage II bij beschikking 79/542/EEG, voor zover het vlees van slurfdieren of evenhoevigen betreft, dan wel

    • b. de lijst van bijlage I bij beschikking 2000/585/EG, voor zover het vlees van overige diersoorten, betreft,

    en voldoet aan de in de voornoemde beschikkingen opgenomen eisen ten aanzien van het derde land respectievelijk gedeelte van het derde land van herkomst.

  • 2 Een partij vlees van vrij wild of gehele stukken vrij wild gaat vergezeld van een op de partij betrekking hebbend gezondheidscertificaat waarvan het model overeenstemt met het model zoals dat voor de betrokken diersoort waarvan het vlees afkomstig is, is vastgesteld in:

    • a. deel 2 van bijlage II bij beschikking 79/542/EEG, voor zover het vlees van slurfdieren of evenhoevigen betreft, dan wel

    • b. bijlage III bij beschikking 2000/585/EG, voor zover het overige diersoorten betreft.

  • 3 Het gezondheidscertificaat, bedoeld in het tweede lid, voldoet, voor zover van toepassing, aan bijlage XI, hoofdstuk D, punt 4, van verordening 999/2001/EEG.

  • 4 Een partij vlees van vrij wild of gehele stukken vrij wild, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de eisen die zijn vastgesteld in de onderscheiden gezondheidscertificaten, bedoeld in het tweede lid, en aan de aanvullende garanties die in voorkomend geval in die certificaten zijn opgenomen, alsmede aan de overige voorwaarden die aan het soort vlees zijn gesteld op grond van richtlijn 92/45/EEG.

  • 5 Een partij vlees van vrij wild of gehele stukken vrij wild is afkomstig van een inrichting die is opgenomen op de lijst, bedoeld in artikel 2 van beschikking 95/408/EG, met dien verstande dat indien bij de vaststelling van voornoemde lijst is voorzien in overgangsbepalingen het vlees en de stukken met inachtneming van die bepalingen afkomstig mogen zijn uit een inrichting die voldoet aan richtlijn 92/45/EEG.

Artikel 5.11 [Vervallen per 27-09-1997]

Artikel 5.12 [Vervallen per 01-01-2006]

Onverminderd de artikelen 5.10 en 5.11 is, zolang de voorschriften voor het op het grondgebied van de Europese Gemeenschap brengen van vlees van vrij wild of gehele stukken vrij wild vanuit derde landen niet of slechts gedeeltelijk ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap zijn vastgesteld, het brengen in Nederland van vlees van vrij wild of gehele stukken vrij wild, bestemd voor een lid-staat, toegestaan indien is voldaan aan de voorschriften van de lidstaat van bestemming.

Afdeling 5a. In Nederland gebracht vlees van vrij wild en gehele stukken vrij wild [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 5.12a [Vervallen per 01-01-2006]

In Nederland gebrachte niet-onthuide karkassen van vrij evenhoevig wild, bestemd voor menselijke consumptie na verdere verwerking, worden onverwijld overgebracht naar de verwerkingsinrichting van bestemming.

Afdeling 6. Erkenningsvoorschriften voor vrij-wildverwerkingsinrichtingen (artikel 5.13) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 5.13 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Een inrichting wordt als vrij-wildverwerkingsinrichting door de minister erkend, indien uit een door de keuringsdierenarts ingesteld onderzoek is gebleken dat:

    • a. de inrichting voldoet aan de voorschriften van hoofdstuk I van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG, met dien verstande dat aan de VWA de volgende voorzieningen om niet ter beschikking worden gesteld:

      • -

        indien gewoonlijk meer dan 2 uur per dag wordt gekeurd en gecertificeerd:

        • 1º. een afsluitbare ruimte met een afsluitbare kast, een bureau, stoelen en een telefoon;

        • 2º. een kleedruimte met wasgelegenheid en toilet;

        • 3º. indien tijdens het slachtproces gewoonlijk meer dan 4 keurmeesters werkzaam zijn, een verblijfruimte ingericht met stoelen en tafels;

      • -

        indien gewoonlijk minder dan 2 uur per dag wordt gekeurd en gecertificeerd, een afsluitbare kast en een telefoon;

    • b. voor zover het een inrichting betreft die, in het geval van grof vrij wild, is erkend overeenkomstig artikel 9 van het Besluit produktie en handel vers vlees of is erkend op grond van de Regeling uitvoer vers vlees en vleesbereidingen 1985, dan wel, in het geval van klein vrij vederwild, op grond van artikel 4.16;

    • -

      vrij wild in een erkend slachthuis in een slachtlokaal op andere tijdstippen dan het overige vlees wordt onthuid;

    • -

      vrij wild in een erkende uitsnijderij in een ander lokaal dan dat waar uitsnijhandelingen worden verricht, wordt onthuid;

    • -

      overigens, voor zover van toepassing, aan de voorschriften van hoofdstuk I van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG is voldaan;

    • -

      vlees van vrij wild duidelijk kan worden onderscheiden van vers vlees als bedoeld in richtlijn 64/433/EEG, vers vlees van pluimvee of konijne- of hazevlees als bedoeld in richtlijn 91/495/EEG.

  • 2 De aanvraag voor een erkenning als bedoeld in het eerste lid wordt ingediend bij de directeur van de VWA. Bij de aanvraag dient de aanvrager een volledig en naar waarheid ingevuld en ondertekend aanvraagformulier over te leggen, waarvan het model door de directeur van de VWA is vastgesteld.

  • 3 De aanvraag voor erkenning wordt ingediend bij de VWA op een daartoe bestemd aanvraagformulier.

Afdeling 7. Verplichtingen van de exploitant of de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van een erkende vrij-wildverwerkingsinrichting (artikelen 5.14 tot en met 5.16) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 5.14 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De exploitant of de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van een op grond van artikel 5.13 erkende vrij-wildverwerkingsinrichting draagt er zorg voor dat in de vrij-wildverwerkingsinrichting de voorschriften van de hoofdstukken II, III, IV, VIII en X van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG worden nageleefd en dat aan de overige keurings- en hygiënevoorschriften van richtlijn 92/45/EEG, voor zover van toepassing, wordt voldaan; hierbij verleent hij de keuringsdierenarts alle medewerking die deze redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taken noodzakelijk acht.

  • 2 Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de exploitant of de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van een vrij-wildverwerkingsinrichting waaraan ontheffing is verleend als bedoeld in artikel 12.6, derde lid.

Artikel 5.15 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De minister schort een op grond van artikel 5.13 verleende erkenning, dan wel een erkenning of ontheffing als bedoeld in artikel 12.6, tweede, onderscheidenlijk derde lid, tijdelijk op indien de keuringsdierenarts heeft geconstateerd dat de voorschriften, bedoeld in de artikelen 5.13 en 5.14, niet of slechts gedeeltelijk worden nageleefd en indien de keuringsdierenarts is gebleken dat de in hoofdstuk V, punt 5, tweede alinea, van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG bedoelde maatregelen onvoldoende zijn om dit te verhelpen. Opschorting geschiedt niet dan na voorafgaande waarschuwing en na het verstrijken van een daarbij te stellen termijn, waarbinnen alsnog aan voornoemde voorschriften dient te zijn voldaan.

  • 2 Indien blijkt dat de exploitant of de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van de vrij-wildverwerkingsinrichting de geconstateerde gebreken na opschorting niet alsnog binnen een daartoe gestelde termijn verhelpt, trekt de minister de erkenning, onderscheidenlijk ontheffing, in.

Artikel 5.16 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De exploitant of de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van een op grond van artikel 5.13 erkende vrij-wildverwerkingsinrichting of van een vrij-wildverwerkingsinrichting waaraan onheffing is verleend als bedoeld in artikel 12.6, derde lid:

    • a. controleert de algemene hygiëne van de werktuigen, installaties en machines in de vrij-wildverwerkingsinrichting in alle produktiestadia, alsmede, op aanwijzing van de keuringsdierenarts, de produkten regelmatig, ook door middel van microbiologische controles;

    • b. stelt, op verzoek van de keuringsdierenarts, deze of de veterinaire deskundigen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in kennis van aard, frequentie en resultaat van de in onderdeel a bedoelde controles, alsmede, voor zover van toepassing, van de naam van het controlelaboratorium;

    • c. zet, in samenwerking met de keuringsdierenarts, een opleidingsprogramma op dat het personeel van de inrichting in staat stelt te voldoen aan, voor zover van toepassing, de voorschriften, bedoeld in artikel 5.14, eerste lid.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde controles worden uitgevoerd overeenkomstig de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Raad van de Europese Unie op grond van artikel 7, tweede lid, laatste alinea, van richtlijn 92/45/EEG, dan wel, zolang deze beschikking nog niet is vastgesteld, overeenkomstig hetgeen de minster daaromtrent heeft bepaald.

Afdeling 8. Overige bepalingen (artikelen 5.17 tot en met 5.21) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 5.17 [Vervallen per 01-01-2006]

Vlees van vrij wild of gehele stukken vrij wild dat, onderscheidenlijk die, overeenkomstig hoofdstuk V van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG voor menselijke consumptie ongeschikt is, onderscheidenlijk zijn verklaard, of vlees van vrij wild of gehele stukken vrij wild dat, onderscheidenlijk die anderszins door de keuringsdierenarts of diens assistent niet geschikt wordt, onderscheidenlijk worden bevonden voor menselijke consumptie, wordt, onderscheidenlijk worden:

  • -

    voor zover het vlees of de gehele stukken zich bevindt of bevinden in een vrij-wildverwerkingsinrichting, in de betreffende inrichting onmiddellijk verzameld overeenkomstig punt 5, onderdeel d, van hoofdstuk I van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG en onder toezicht van de keuringsdierenarts of diens assistent onbruikbaar gemaakt voor menselijke consumptie, en

  • -

    behandeld overeenkomstig de bij of krachtens de Destructiewet of de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aan de verwerking van dergelijk materiaal gestelde regelen.

Artikel 5.18 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Dit hoofdstuk is niet van toepassing in de situaties, bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdelen a en b, van richtlijn 92/45/EEG.

  • 2 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op het uitsnijden en opslaan van gehele stukken gedood vrij wild of vlees van vrij wild in detailhandelszaken of in lokalen die aan verkooppunten grenzen, waar het uitsnijden en opslaan uitsluitend met het oog op rechtstreekse verkoop van vlees van vrij wild ter plaatse aan de eindverbruiker geschieden.

  • 3 In de situaties, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn ten aanzien van het opslaan en uitsnijden met het oog op levering aan de eindverbruiker de voorschriften voor het uitoefenen van de detailhandel van toepassing.

  • 4 Dit hoofdstuk is niet van toepassing in de situaties, bedoeld in artikel 1, derde lid, van richtlijn 92/45/EEG.

Artikel 5.19 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De in dit hoofdstuk bedoelde werkzaamheden van de VWA geschieden in de periode van maandag tot en met vrijdag, met uitzondering van algemeen erkende feestdagen, van 07.00 uur tot 18.00 uur.

  • 2 De keuringsdierenarts kan in bijzondere gevallen, na overleg met de kringdirecteur, van het eerste lid afwijken.

  • 3 De minister kan in bijzondere gevallen toestemmen in afwijking van het eerste en tweede lid.

Artikel 5.20 [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 4.21 is van overeenkomstige toepassing op het laten vervaardigen en het in voorraad hebben van de in dit hoofdstuk genoemde merken en het voorhanden hebben van stempels en andere werktuigen waarmee deze merken kunnen worden vervaardigd of aangebracht, met dien verstande dat voor ‘erkende inrichting’ in artikel 4.21, tweede lid, wordt gelezen: inrichting die is erkend als vrij wild-verwerkingsinrichting.

Artikel 5.21 [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 4.22 is van overeenkomstige toepassing op degene die voornemens is vrij wild bedrijfsmatig te verwerken.

Hoofdstuk 9. Gehakt vlees [Vervallen per 01-01-2006]

Afdeling 1:. Begripsbepalingen (artikel 9.1) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 9.1 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    werkplaats: plaats waar gehakt vlees wordt bereid.

  • 2 In dit hoofdstuk wordt onder ‘lid-staat’ mede verstaan: Noorwegen.

  • 3 In dit hoofdstuk wordt, in afwijking van artikel 1.1, eerste lid, onder ‘derde land’ verstaan: land, niet zijnde Nederland of een andere lid-staat van de Europese Unie, en niet zijnde Noorwegen.

Afdeling 2:. Het anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van gehakt vlees (artikelen 9.2 en 9.3) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 9.2 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Gehakt vlees van runderen, varkens, schapen of geiten dat anders dan in doorvoer buiten Nederland wordt gebracht en is bestemd voor een lid-staat, is voorzien van een keurmerk overeenkomstig hoofdstuk VI van bijlage I van richtlijn 94/65/EG.

  • 2 Gehakt vlees dat anders dan in doorvoer buiten Nederland wordt gebracht en is bestemd voor een derde land, is voorzien van:

    • a. het keurmerk, bedoeld in het eerste lid, indien het gehakt vlees van runderen, varkens, schapen of geiten betreft dat overeenkomstig artikel 9.3 is verkregen;

    • b. het merk, bedoeld in artikel 7 van de Warenwetregeling produktie en handel gehakt vlees en vleesbereidingen, indien het gehakt vlees betreft dat overeenkomstig die regeling is verkregen, onderscheidenlijk

    • c. het merk, bedoeld in artikel 9.8, indien het gehakt vlees van kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, gekweekt of vrij vederwild, klein vrij wild, dan wel gekweekte konijnen of hazen betreft.

  • 3 Een partij gehakt vlees als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een begeleidend handelsdocument als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel g, van richtlijn 94/65/EG.

  • 4 Ten aanzien van gehakt vlees dat anders dan in doorvoerbuiten Nederland wordt gebracht, is voldaan aan de eisen, gesteld in de artikelen 4, eerste, tweede en zesde lid, 8, eerste lid, 9, eerste en derde lid, en 13 van verordening 1829/2003.

  • 5 Het is een exploitant als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van verordening 1830/2003, voorzover zijn activiteiten betrekking hebben op gehakt vlees, verboden te handelen in strijd met de artikelen 4, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en 5, eerste en tweede lid, van die verordening.

Artikel 9.3 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 3 Gehakt vlees als bedoeld in artikel 9.2, eerste lid, is niet voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard en vertoont geen tekenen van bederf of ondeugdelijkheid.

  • 4 Gehakt vlees wordt voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard, indien het gebreken vertoont of behandelingen heeft ondergaan als bedoeld in artikel 4.7, tweede lid.

Afdeling 3:. Het in de handel brengen van gehakt vlees (artikelen 9.4 tot en met 9.8) [Vervallen per 01-01-2006]

§ 1:. Algemene bepaling (artikel 9.4) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 9.4 [Vervallen per 01-01-2006]

In deze afdeling wordt onder gehakt vlees verstaan: gehakt vlees van kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, gekweekt of vrij vederwild, klein vrij wild en gekweekte konijnen en hazen.

§ 2:. Verbod op het in de handel brengen van gehakt vlees en uitzondering van dit verbod (artikel 9.5) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 9.5 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Het in de handel brengen van gehakt vlees is verboden

  • 2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien, voor zover van toepassing, is voldaan aan de artikelen 9.6 tot en met 9.8.

§ 3:. Nadere voorschriften voor het in de handel brengen van gehakt vlees (artikelen 9.6 tot en met 9.8) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 9.6 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 2 Voor zover aan gehakt vlees additieven worden toegevoegd, wordt voldaan aan het Additievenbesluit (Warenwet).

Artikel 9.7 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Gehakt vlees is niet voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard en vertoont geen tekenen van bederf of ondeugdelijkheid.

  • 2 Gehakt vlees wordt voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard, indien het gebreken vertoont of behandelingen heeft ondergaan als bedoeld in artikel 4.7, tweede lid.

Artikel 9.8 [Vervallen per 01-01-2006]

Gehakt vlees wordt na een van Rijkswege ingesteld onderzoek voorzien van het merk, bedoeld in:

  • a. hoofdstuk XII van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG, indien het gehakt vlees van kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, gekweekt of vrij vederwild betreft,

  • b. hoofdstuk VII van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG, indien het gehakt vlees van klein vrij wild betreft, dan wel

  • c. hoofdstuk III van bijlage I van richtlijn 91/495/EEG, indien het gehakt vlees van gekweekte konijnen en hazen betreft, waarop de letters "EEG" zijn vervangen door "GOEDGEKEURD", ten bewijze dat is voldaan aan de artikelen 9.6 en 9.7.

Afdeling 4:. Het brengen in Nederland van gehakt vlees uit lid-staten (artikel 9.9) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 9.9 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Een partij gehakt vlees van runderen, varkens, schapen of geiten die is verzonden vanuit een lid-staat en is bestemd voor Nederland of een lid-staat:

  • 2 Onverminderd het eerste lid heeft eventuele opslag, verwerking of ompakking in Nederland van gehakt vlees dat is verzonden vanuit een lid-staat en dat is bestemd voor een lid-staat, onder bevredigende hygiënische omstandigheden plaatsgevonden in een op grond van artikel 9 van de Regeling uitvoer vers vlees en vleesbereidingen 1985 erkende inrichting.

  • 3 Indien de partij gehakt vlees vergezeld gaat van een handelsdocument als bedoeld in artikel 9.2, derde lid, onderdeel a, wordt dat document gedurende ten minste één jaar door de geadresseerde bewaard, zodat het desgevraagd aan de keuringsdierenarts kan worden overgelegd.

Afdeling 4a. Het brengen in Nederland van gehakt vlees uit derde landen [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 9.9a [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Een partij gehakt vlees van runderen, varkens, schapen of geiten die via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de Europese Gemeenschappen wordt gebracht en die is bestemd voor Nederland of een lid staat, is afkomstig uit:

    • a. een derde land of gedeelte van een derde land dat voor de betrokken diersoort waarvan het gehakte vlees afkomstig is, is vermeld op de lijst van deel 1 van bijlage II bij beschikking 79/542/EEG, en

    • b. een gebied of zone van waaruit de invoer niet om veterinairrechtelijke redenen is verboden ingevolge, voorzover van toepassing, richtlijn 72/462/EEG.

  • 2 Een partij gehakt vlees als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een op de partij betrekking hebbend gezondheidscertificaat waarvan het model overeenstemt met het model zoals dat voor de betrokken diersoort waarvan het gehakte vlees afkomstig is, is vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij beschikking 79/542/EEG en, voorzover de partij gehakt vlees betreft van runderen, schapen of geiten, met betrekking tot de partij is voldaan aan bijlage XI, hoofdstuk A, punt 15, van verordening 999/2001/EG.

  • 3 Een partij gehakt vlees als bedoeld in het eerste lid is afkomstig uit een inrichting die, zodra deze is vastgesteld en in werking getreden, voorkomt op de voor gehakt vlees uit het betrokken land van herkomst geldende voorlopige lijst van inrichtingen als bedoeld in beschikking 95/408/EG die alsdan ter inzage ligt in de bibliotheek van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in Den Haag, met dien verstande dat indien bij de vaststelling van voornoemde lijst is voorzien in overgangsbepalingen het vlees met inachtneming van die bepalingen afkomstig mag zijn uit een inrichting die voldoet aan richtlijn 94/55/EG.

  • 4 Een partij gehakt vlees als bedoeld in het eerste lid voldoet aan de eisen die zijn vastgesteld in het gezondheidscertificaat, bedoeld in het tweede lid, en aan de aanvullende garanties die in voorkomend geval in dat certificaat zijn opgenomen en is voorzien van een officieel keurmerk waaruit blijkt uit welke inrichting zij afkomstig is.

  • 6 De partij gehakt, bedoeld in het eerste lid, is niet verkregen van of met vlees van runderen, varkens, schapen of geiten waaraan stoffen of producten zijn toegediend die ingevolge artikel 3, onderdeel a, van richtlijn 96/22/EG niet aan genoemde dieren mogen worden toegediend, tenzij aan de voorwaarden ingevolge artikel 11 van genoemde richtlijn is voldaan.

Afdeling 5:. Erkenningsvoorschriften voor werkplaatsen (artikel 9.10) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 9.10 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Erkenning van een werkplaats voor de produktie van gehakt vlees van runderen, varkens, schapen of geiten, ongeacht of deze zich bevindt in een overeenkomstig artikel 9, tweede lid, van de Regeling uitvoer vers vlees en vleesbereidingen 1985 erkende uitsnijderij, dan wel in een overeenkomstig artikel 13 van de Regeling keuring en handelsverkeer vleesprodukten 1993 erkende vleesproduktenfabriek, vindt slechts plaats, indien:

    • a. de werkplaats voldoet aan hoofdstuk I, punten 1 en, voor zover van toepassing, 2, van bijlage I van richtlijn 94/65/EG;

    • b. die werkplaats voldoet aan, voor zover van toepassing, de hoofdstukken I en III van bijlage I van richtlijn 64/433/EEG, dan wel hoofdstuk I van bijlagen A en B van richtlijn 77/99/EEG;

    • c. in die werkplaats overigens wordt voldaan aan, voor zover van toepassing, hoofdstuk V van bijlage I van richtlijn 64/433/EEG, dan wel hoofdstuk II van bijlage A van richtlijn 77/99/EEG.

  • 2 Erkenning van een werkplaats voor de produktie van gehakt vlees als bedoeld in artikel 9.4, ongeacht of deze zich bevindt in een overeenkomstig artikel 4.16 of een overeenkomstig artikel 31 van de Regeling keuring en handelsverkeer konijne- en hazevlees 1993, in een overeenkomstig artikel 5.13 erkende vrij-wildverwerkingsinrichting, dan wel in een overeenkomstig artikel 13 van de Regeling keuring en handelsverkeer vleesprodukten 1993 erkende vleesproduktenfabriek, vindt slechts plaats, indien:

    • a. de werkplaats voldoet aan hoofdstuk I, punten 1 en, voor zover van toepassing, 2, van bijlage I van richtlijn 94/65/EG;

    • b. die werkplaats voldoet aan:

      • -

        de hoofdstukken I en III van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG, indien het gehakt vlees van vlees van kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, gekweekt of vrij vederwild, dan wel van gekweekte konijnen of hazen betreft;

      • -

        hoofdstuk I van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG, indien het gehakt vlees van vlees van klein vrij wild betreft, dan wel

      • -

        voor zover de werkplaats zich bevindt in een erkende vleesproduktenfabriek, hoofdstuk I van bijlage A en hoofdstuk I, punt 1, van bijlage B;

    • c. in die werkplaats overigens wordt voldaan aan, voor zover van toepassing, hoofdstuk V van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG, hoofdstuk II van bijlage A van richtlijn 77/99/EEG, dan wel hoofdstuk II van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG.

  • 3 Erkenning van een werkplaats voor de produktie van gehakt vlees vindt eveneens plaats, indien is voldaan aan hoofdstuk V van bijlage I en hoofdstuk I van bijlage II van richtlijn 71/118/EEG, mits:

    • a. voor zover die werkplaats tevens op grond van artikel 10 van het Besluit produktie en handel vers vlees, artikel 4.16, tweede lid, dan wel artikel 31, vierde lid, van de Regeling keuring en handelsverkeer konijne- en hazevlees 1993 is erkend als uitsnijderij, in die werkplaats en uitsnijderij per week in totaal niet meer dan 5 ton vers vlees, gehakt vlees en vleesbereidingen worden geproduceerd;

    • b. voor zover die werkplaats tevens op grond van artikel 13, tweede lid, van de Regeling keuring en handelsverkeer vleesprodukten 1993 is erkend als vleesproduktenfabriek, in die werkplaats en fabriek per week in totaal niet meer dan 7,5 ton gehakt vlees, vleesbereidingen en vleesprodukten worden geproduceerd, dan wel

    • c. in andere gevallen dan als bedoeld in onderdeel a of b, in die werkplaats per week in totaal niet meer dan 7,5 ton gehakt vlees of vleesbereidingen worden geproduceerd.

  • 5 In een werkplaats die zich bevindt in een uitsnijderij of vleesproduktenfabriek als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, dan wel in een vrij-wildverwerkingsinrichting als bedoeld in het tweede lid, mogen de voor het personeel bestemde lokalen, apparatuur en installaties, alsmede ieder lokaal ten aanzien waarvan geen gevaar bestaat voor verontreiniging van grondstoffen of produkten zonder onmiddellijke verpakking, gemeenschappelijk zijn.

  • 6 Een erkenning van een werkplaats wordt door de minister verleend, nadat uit een door de keuringsdierenarts ingesteld onderzoek in gebleken dat, in voorkomend geval, aan het eerste, tweede of derde lid is voldaan.

  • 7 Een erkenning als bedoeld in het vierde lid wordt geacht door de minister te zijn verleend, indien aan dat lid wordt voldaan.

Afdeling 6:. Verplichtingen van de exploitant of de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van een erkende werkplaats (artikelen 9.11 tot en met 9.13) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 9.11 [Vervallen per 01-01-2006]

De exploitant of de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van een op grond van artikel 9.10 erkende of erkend geachte werkplaats draagt er zorg voor dat in de werkplaats:

  • a. de voorschriften van dit hoofdstuk en van richtlijn 94/65/EG, voor zover van toepassing, worden nageleefd, en

  • b. de aanwijzingen van de keuringsdierenarts of diens assistent worden opgevolgd en dat deze alle medewerking wordt verleend die hij redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taken in het kader van dit hoofdstuk noodzakelijk acht.

Artikel 9.12 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De exploitant of de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van een op grond van artikel 9.10 erkende of erkend geachte werkplaats:

    • a. draagt er zorg voor dat in de werkplaats wordt voldaan aan de artikelen 3 en 6 van Richtlijn nr. 93/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 inzake levensmiddelenhygiëne (PbEG L 175) en controleert constant op de naleving van die artikelen;

    • b. controleert de grondstoffen die de werkplaats worden binnengebracht, teneinde ten aanzien van het eindprodukt de naleving van bijlage II van richtlijn 94/65/EG te waarborgen;

    • c. controleert de in de werkplaats gehanteerde reinigings- en ontsmettingsmethoden;

    • d. neemt in de werkplaats monsters en draagt er zorg voor dat deze monsters volgens de van toepassing zijnde ISO- of ontwerp-ISO-normen worden geanalyseerd;

    • e. registreert op enigerlei wijze de gegevens met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in de onderdelen a tot en met d;

    • f. bewaart de in onderdeel e bedoelde gegevens:

      • -

        voor zover de gegevens betrekking hebben op gekoelde produkten, gedurende ten minste zes maanden na de uiterste verbruiksdatum van die produkten, of

      • -

        voor zover de gegevens betrekking hebben op andere dan gekoelde produkten, gedurende ten minste twee jaar;

    • g. verstrekt desverlangd aan de keuringsdierenarts of diens assistent de in onderdeel e bedoelde gegevens;

    • h. biedt de keuringsdierenarts of diens assistent de nodige garanties ten aanzien van het beheer van de keurmerken en de etiketten waarop het keurmerk is aangebracht;

    • i. informeert de keuringsdierenarts of diens assistent, indien op grond van de in onderdeel e bedoelde gegevens een ernstig gevaar voor de gezondheid wordt vastgesteld;

    • j. neemt, in geval van een onmiddellijk gevaar voor de volksgezondheid, de hoeveelheid produkten die onder technologisch vergelijkbare omstandigheden zijn verkregen en hetzelfde gevaar kunnen opleveren, uit de handel, waarna die produkten onder toezicht en veranwoordelijkheid van de keuringsdierenarts blijven, totdat zij worden vernietigd, voor andere doeleinden dan menselijke consumptie worden gebruikt, dan wel na toestemming van vorenbedoelde keuringsdierenarts op passende wijze opnieuw worden behandeld teneinde de veiligheid van die produkten te waarborgen;

    • k. vermeldt op de eindverpakking van het produkt zichtbaar en leesbaar bij welke temperatuur het produkt moet worden vervoerd en opgeslagen, alsmede de houdbaarheidsdatum indien het produkt is diepgevroren, dan wel de uiterste verbruiksdatum indien het produkt is gekoeld;

    • l. zet, tenzij het personeel van de werkplaats reeds over voldoende kwalificaties beschikt, hetgeen blijkt uit diploma's of andere bewijsstukken van gevolgde opleidingen die desverlangd door het personeel aan de keuringsdierenarts worden overlegd, een opleidingsprogramma op dat het personeel van de werkplaats in staat stelt te voldoen aan de voor de betrokken produktiestructuur van de werkplaats van toepassing zijnde voorschriften inzake hygiënische produktie;

    • m. betrekt de keuringsdierenarts die voor de werkplaats verantwoordelijk is bij het opzetten en uitvoeren van het in onderdeel I bedoelde programma en bij het opstellen van de eisen inzake zelfcontrole;

    • n. laat op de eindprodukten microbiologisch onderzoek uitvoeren, welk onderzoek:

      • 1º. dagelijks, indien het eindprodukt voldoet aan artikel 3 van richtlijn 94/65/EG, dan wel

      • 2º. ten minste wekelijks, indien het eindprodukt voldoet aan artikel 4 van richtlijn 94/65/EG,

        plaatsvindt in de werkplaats, mits deze door de minister is erkend, of in een erkend laboratorium;

    • o. treft overigens alle maatregelen die nodig zijn voor de naleving van de bepalingen van richtlijn 94/65/EG in ieder stadium van de produktie.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde controles en maatregelen worden uitgevoerd overeenkomstig bij beschikking van de Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 7, vijfde lid, van richtlijn 94/65/EG vastgestelde voorschriften, dan wel, zolang bedoelde beschikking nog niet is vastgesteld, overeenkomstig hetgeen de minister daaromtrent heeft bepaald.

  • 3 Voor zover ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde controles microbiologisch onderzoek wordt verricht, geschiedt dit overeenkomstig artikel 7, derde lid, van richtlijn 94/65/EG.

Artikel 9.13 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Indien de keuringsdierenarts constateert dat de in bijlage II vastgestelde richtsnoeren voor de produktie van gehakt vlees herhaaldelijk niet worden nageleefd, kan onderscheidenlijk moet hij de maatregelen nemen, bedoeld in artikel 8, derde lid, van richtlijn 94/65/EG.

  • 2 Indien de keuringsdierenarts een duidelijke overtreding van de voorschriften van dit hoofdstuk of een belemmering van een adequate keuring constateert, kan onderscheidenlijk moet hij de maatregelen nemen, bedoeld in artikel 8, vierde lid, eerste alinea, van richtlijn 94/65/EG.

  • 3 Indien de keuringsdierenarts heeft geconstateerd dat de maatregelen, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, niet hebben geleid tot verbetering of opheffing van de geconstateerde gebreken, dan wel indien keuringsdierenarts heeft geconstateerd dat de artikelen 9.10, 9.11 en 9.12 anderszins niet of slechts gedeeltelijk worden nageleefd, schort de minister een op grond van artikel 9.10 afgegeven of afgegeven geachte erkenning op. Opschorting geschiedt niet dan na voorafgaande waarschuwing en na het verstrijken van een daarbij te stellen termijn, waarbinnen alsnog aan de betrokken voorschriften dient te zijn voldaan.

  • 4 Indien de geconstateerde gebreken niet binnen een daartoe bij de opschorting, bedoeld in het derde lid, gestelde termijn zijn verholpen, trekt de minister de erkenning in.

Afdeling 7:. Overige bepalingen (artikelen 9.14 tot en met 9.17) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 9.14 [Vervallen per 01-01-2006]

Gehakt vlees dat voor menselijke consumptie ongeschikt is verklaard of anderszins niet geschikt wordt bevonden voor menselijke consumptie, wordt onder toezicht van de keuringsdierenarts of diens assistent onbruikbaar gemaakt voor menselijke consumptie en behandeld overeenkomstig de bij of krachtens de Destructiewet of de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren ter implementatie van richtlijn 90/667/EEG aan de verwerking van dergelijk materiaal gestelde regelen.

Artikel 9.15 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Dit hoofdstuk is, met uitzondering van artikel 9.6, onderdeel a, niet van toepassing op het in de handel brengen gehakt vlees dat is bestemd voor gebruik als bedoeld in artikel 3, onderdeel III, van richtlijn 71/118/EEG.

  • 2 Dit hoofdstuk is voorts niet van toepassing op gehakt vlees dat is bestemd en wordt aangewend als grondstof voor de vervaardiging van vleesbereidingen of vleesprodukten.

  • 3 Afdeling 3 is niet van toepassing op het in de handel brengen van gehakt vlees dat in detailhandelszaken of aan verkooppunten grenzende werkplaatsen wordt vervaardigd, teneinde aldaar rechtstreeks aan de eindverbruiker te worden verkocht.

  • 5 In gevallen als bedoeld in het derde lid zijn de voorschriften voor het uitoefenen van de detailhandel van toepassing.

Artikel 9.16 [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 4.21 is van overeenkomstige toepassing op het laten vervaardigen en het in voorraad hebben van de in dit hoofdstuk genoemde merken en het voorhanden hebben van stempels en andere werktuigen waarmee deze merken kunnen worden vervaardigd of aangebracht, met dien verstande dat voor ‘erkende inrichting’ in artikel 4.21, tweede lid, wordt gelezen: erkende of erkend geachte werkplaats.

Artikel 9.17 [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 4.22 is van overeenkomstige toepassing op degene die voornemens is gehakt vlees als bedoeld in artikel 9.4 bedrijfsmatig te verkrijgen.

Hoofdstuk 10. Vleesbereidingen [Vervallen per 01-01-2006]

Afdeling 1:. Begripsbepalingen (artikel 10.1) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 10.1 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    werkplaats: plaats waar vleesbereidingen worden bereid.

  • 2 In dit hoofdstuk wordt onder ‘lid-staat’ mede verstaan: Noorwegen.

  • 3 In dit hoofdstuk wordt, in afwijking van artikel 1.1, eerste lid, onder ‘derde land’ verstaan: land, niet zijnde Nederland of een andere lid-staat van de Europese Unie, en niet zijnde Noorwegen.

Afdeling 2:. Het anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van vleesbereidingen (artikelen 10.2 en 10.3) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 10.2 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Vleesbereidingen, niet zijnde vleesbereidingen van vlees van eenhoevigen, die anders dan in doorvoer buiten Nederland worden gebracht en zijn bestemd voor een lid-staat, zijn voorzien van een keurmerk overeenkomstig hoofdstuk VI van bijlage I van richtlijn 94/55/EG.

  • 2 Vleesbereidingen die anders dan in doorvoer buiten Nederland worden gebracht en zijn bestemd voor een derde land, zijn voorzien van:

    • a. het keurmerk, bedoeld in het eerste lid, indien het vleesbereidingen, niet zijnde vleesbereidingen van vlees van eenhoevigen, betreft die voldoen aan artikel 10.3;

    • b. het merk, bedoeld in artikel 7 van de Warenwetregeling produktie en handel gehakt vlees en vleesbereidingen, indien het vleesbereidingen betreft die overeenkomstig die regeling zijn verkregen, onderscheidenlijk;

    • c. het merk, bedoeld in artikel 10.8, indien het vleesbereidingen van kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, gekweekt of vrij vederwild, klein vrij wild, dan wel gekweekte konijnen of hazen betreft, die voldoen aan artikel 10.6 tot en met 10.8.

  • 3 Een partij vleesbereidingen als bedoeld in het eerste lid gaat vergezeld van een begeleidend gezondheidscertificaat als bedoeld in artikel 5, tweede lid, onderdeel f, van richtlijn 94/65/EG.

  • 4 Ten aanzien van vleesbereidingen die anders dan in doorvoer buiten Nederland worden gebracht, is voldaan aan de eisen, gesteld in de artikelen 4, eerste, tweede en zesde lid, 8, eerste lid, 9, eerste en derde lid, en 13 van verordening 1829/2003.

  • 5 Het is een exploitant als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, van verordening 1830/2003, voorzover zijn activiteiten betrekking hebben op vleesbereidingen, verboden te handelen in strijd met de artikelen 4, eerste, tweede, vierde en zesde lid, en 5, eerste en tweede lid, van die verordening.

Artikel 10.3 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 3 In afwijking van het eerste lid voldoen vleesbereidingen, voor zover zij zijn bereid van gehakt vlees van runderen, varkens, schapen of geiten aan artikel 9.3, eerste lid.

  • 4 Vleesbereidingen als bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, zijn niet voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard en vertonen geen tekenen van bederf of ondeugdelijkheid.

  • 5 Vleesbereidingen worden voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard, indien zij gebreken vertonen of behandelingen hebben ondergaan als bedoeld in artikel 4.7, tweede lid.

Afdeling 3:. Het in de handel brengen van vleesbereidingen (artikelen 10.4 tot en met 10.8) [Vervallen per 01-01-2006]

§ 1:. Algemene bepaling (artikel 10.4) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 10.4 [Vervallen per 01-01-2006]

In deze afdeling wordt onder vleesbereidingen verstaan: vleesbereidingen van kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, gekweekt of vrij vederwild, klein vrij wild en gekweekte konijnen en hazen.

§ 2:. Verbod op het in de handel brengen van vleesbereidingen en uitzondering van dit verbod (artikel 10.5) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 10.5 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Het in de handel brengen van vleesbereidingen is verboden.

  • 2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt niet indien, voor zover van toepassing, is voldaan aan de artikelen 10.6 tot en met 10.8.

§ 3:. Nadere voorschriften voor het in de handel brengen van vleesbereidingen (artikelen 10.6 tot en met 10.8) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 10.6 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Vleesbereidingen:

    • a. zijn overeenkomstig hoofdstuk IV, onderdelen a en c, van bijlage I van richtlijn 94/65/EG bereid uit:

    • b. zijn niet behandeld met ioniserende straling;

    • c. zijn bereid in een op grond van artikel 10.13 erkende of erkend geachte werkplaats;

    • d. zijn overeenkomstig hoofdstuk VII van bijlage I van richtlijn 94/65/EG voorzien van een onmiddellijke en een eindverpakking;

    • e. zijn of worden overeenkomstig de punten 2 en 3 van hoofdstuk VIII van bijlage I van richtlijn 94/65/EG opgeslagen;

    • f. zijn of worden op voldoende hygiënische wijze vervoerd.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, onderdeel a, mogen vleesbereidingen zijn bereid van separatorvlees, mits zij zijn bestemd voor een derde land.

  • 3 Voor zover aan vleesbereidingen additieven worden toegevoegd, wordt voldaan aan het Additievenbesluit (Warenwet).

Artikel 10.7 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1. Vleesbereidingen zijn niet voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard en vertonen geen tekenen van bederf of ondeugdelijkheid.

  • 2. Vleesbereidingen worden voor menselijke consumptie ongeschikt verklaard, indien zij gebreken vertonen of behandelingen hebben ondergaan als bedoeld in artikel 4.7, tweede lid.

Artikel 10.8 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Vleesbereidingen worden na een van Rijkswege ingesteld onderzoek voorzien van het merk, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, waarop de letters ‘EEG’ zijn vervangen door ‘GOEDGEKEURD’, ten bewijze dat is voldaan aan de artikelen 10.6 en 10.7.

  • 2 In afwijking van het eerste lid mogen vleesbereidingen na een van Rijkswege ingesteld onderzoek worden voorzien van het merk, bedoeld in artikel 10.2, eerste lid, indien, voor zover van toepassing, is voldaan aan artikel 10.3.

Afdeling 4:. Het brengen in Nederland van vleesbereidingen uit lid-staten (artikel 10.9) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 10.9 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 3 Indien de partij vleesbereidingen, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, vergezeld gaat van een certificaat als bedoeld in dat onderdeel, wordt dat certificaat gedurende ten minste één jaar door de geadresseerde bewaard, zodat het desgevraagd aan de keuringsdierenarts kan worden overgelegd.

Artikel 10.9a [Vervallen per 01-01-2006]

In afwijking van artikel 10.9, eerste lid, aanhef en onderdeel a, mag een partij vleesbereidingen als bedoeld in artikel 10.4 die afkomstig is uit Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië of Slowakije en vóór 1 mei 2004 is verkregen in een inrichting die erkend was voor uitvoer naar de Europese Gemeenschap, tot en met 30 april 2005 voorzien zijn van het keurmerk, bedoeld in artikel 3, onderdeel a, van beschikking 2004/280/EG, mits het certificaat of document dat de partij vergezelt, door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst is voorzien van de verklaring: ‘Vóór 1 mei 2004 geproduceerd overeenkomstig Beschikking 2004/280/EG van de Commissie.’

Afdeling 5:. Het brengen in Nederland van vleesbereidingen uit derde landen (artikelen 10.10 tot en met 10.12) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 10.10 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Een partij vleesbereidingen, niet zijnde vleesbereidingen van eenhoevigen, die via Nederland voor het eerst op het grondgebied van de Europese Gemeenschap wordt gebracht en is bestemd voor Nederland of een lid-staat, is afkomstig uit:

    • a. een derde land of gedeelte van een derde land van waaruit het op het grondgebied van de Europese Gemeenschap brengen van het vlees waaruit die vleesbereidingen zijn vervaardigd is toegestaan op grond van:

      • 1º. voor zover het vleesbereidingen van vlees van runderen, varkens, schapen of geiten betreft, deel 1 van bijlage II bij beschikking 79/542/EEG;

      • 2º. voor zover het vleesbereidingen van vlees van pluimvee als bedoeld in richtlijn 71/118/EEG bereft [tekstcorrectie :"bereft" moet zijn "betreft"] , beschikking 94/984/EG;

      • 3º. voor zover het vleesbereidingen van vlees van gekweekt vederwild betreft, beschikking 2000/585/EG, met dien verstande dat vlees van gekweekte loopvogels ook afkomstig mag zijn uit Namibië, Zimbabwe of Zuid-Afrika;

      • 4º. voor zover het vleesbereidingen van vlees van vrij wild, dan wel van vrij vederwild betreft, deel I onderscheidenlijk II van de bijlage van beschikking 94/86/EG, dan wel

      • 5º. voor zover het vleesbereidingen van vlees van gekweekt wild betreft, deel 1 van bijlage II bij beschikking 79/542/EEG, en

    • b. een gebied of zone van waaruit de invoer om veterinairrechtelijke redenen is verboden ingevolge, voor zover van toepassing, de richtlijnen 72/462/EEG en 92/118/EEG,

    en voldoet aan de in vernoemde beschikkingen opgenomen eisen ten aanzien van het derde land of respectievelijk gedeelte van het derde land van herkomst.

  • 2 Een partij vleesbereidingen als bedoeld in artikel 10.4 gaat vergezeld van een op de partij betrekking hebbend gezondheidscertificaat waarvan het model overeenstemt met het in bijlage II bij beschikking 2000/572/EG vastgestelde model.

  • 3 Het gezondheidscertificaat, bedoeld in het tweede lid, voldoet, voor zover van toepassing, aan bijlage XI, hoofdstuk D, punt 4, van verordening 999/2001/EEG.

  • 4 Een partij vleesbereidingen als bedoeld in artikel 10.4 is afkomstig uit een inrichting die de in bijlage I bij richtlijn 94/65/EG bedoelde garanties biedt en die, zodra deze is vastgesteld en in werking getreden, voorkomt op de voor vleesbereidingen uit het betrokken land van herkomst geldende voorlopige lijst van inrichtingen als bedoeld in beschikking 95/408/EG, die alsdan ter inzage ligt in de bibliotheek van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in Den Haag, met dien verstande dat indien bij de vaststelling van voornoemde lijst is voorzien in overgangsbepalingen het vlees met inachtneming van die bepalingen afkomstig mag zijn uit een inrichting die voldoet aan richtlijn 94/65/EG.

  • 5 Een partij vleesbereidingen als bedoeld in artikel 10.4 is diepgevroren in de werkplaats of werkplaatsen van oorsprong, voldoet aan de in de artikelen 5 en 7 van richtlijn 94/65/EG vastgestelde eisen en de voorschriften vermeld op het gezondheidscertificaat als bedoeld in het tweede lid en is voorzien van een officieel keurmerk waaruit blijkt uit welke inrichting zij afkomstig is.

  • 7 De partij vleesbereidingen is niet verkregen van of met vlees van landbouwhuisdieren als bedoeld in artikel 1 van richtlijn 96/22/EG waaraan stoffen of producten zijn toegediend die ingevolge artikel 3, onderdeel a, van die richtlijn niet aan landbouwhuisdieren mogen worden toegediend, tenzij aan de voorwaarden ingevolge artikel 11 van genoemde richtlijn is voldaan.

  • 8 Indien de in het eerste lid bedoelde partij vlees bereidingen betreft van of met vlees van runderen, schapen of geiten is voldaan aan bijlage XI, hoofdstuk A, punt 15, van verordening 999/2001/EG.

Artikel 10.11 [Vervallen per 27-09-1997]

Artikel 10.12 [Vervallen per 01-01-2005]

Afdeling 6: [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 10.13 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Erkenning van een werkplaats voor de produktie van vleesbereidingen, ongeacht of deze zich bevindt in een overeenkomstig artikel 9, tweede lid, van de Regeling uitvoer vers vlees en vleesbereidingen 1985, een overeenkomstig artikel 4.16, dan wel een overeenkomstig artikel 31 van de Regeling keuring en handelsverkeer konijne- en hazevlees 1993 erkende uitsnijderij, in een overeenkomstig artikel 5.13 erkende vrij-wildverwerkingsinrichting, dan wel in een overeenkomstig artikel 13 van de Regeling keuring en handelsverkeer vleesprodukten 1993 erkende vleesproduktenfabriek, vindt slechts plaats, indien:

    • a. de werkplaats voldoet aan hoofdstuk III, punten 1 en, voor zover van toepassing, 2, van bijlage I van richtlijn 94/65/EG;

    • b. die werkplaats voldoet aan:

      • -

        de hoofdstukken I en III van bijlage I van richtlijn 64/433/EEG, indien het vleesbereidingen van vlees van runderen, varkens, schapen, geiten en eenhoevigen betreft;

      • -

        de hoofdstukken I en III van bijlage I van richtlijn 71/118/EEG, indien het vleesbereidingen van vlees van kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, gekweekt of vrij vederwild, dan wel van gekweekte konijnen of hazen betreft;

      • -

        hoofdstuk I van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG, indien het vleesbereidingen van vlees van klein vrij wild betreft, en tevens aan hoofdstuk IV, punt 1, van voornoemde bijlage, indien het vleesbereidingen van vlees van grof vrij wild betreft, dan wel

      • -

        voor zover deze zich bevindt in een erkende vleesproduktenabriek, hoofdstuk I van bijlagen A en B van richtlijn 77/99/EEG;

    • c. in die werkplaats overigens wordt voldaan aan, voor zover van toepassing, hoofdstuk V van bijlage I van richtlijn 64/433/EEG of richtlijn 71/118/EEG, hoofdstuk II van bijlage A van richtlijn 77/99/EEG, dan wel hoofdstuk II van bijlage I van richtlijn 92/45/EEG.

  • 2 Erkenning van een werkplaats voor de produktie van vleesbereidingen vindt eveneens plaats, indien is voldaan aan hoofdstuk V van bijlage I en hoofdstuk I van hoofdstuk I van bijlage II van richtlijn 71/118/EEG, mits:

    • a. voor zover die werkplaats tevens op grond van artikel 10 van het Besluit produktie en handel vers vlees, artikel 4.16, tweede lid, dan wel artikel 31, vierde lid, van de Regeling keuring en handelsverkeer konijne- en hazevlees 1993 is erkend als uitsnijderij, in die werkplaats en uitsnijderij per week in totaal niet meer dan 5 ton vers vlees, gehakt vlees en vleesbereidingen worden geproduceerd;

    • b. voor zover die werkplaats tevens op grond van artikel 13, tweede lid, van de Regeling keuring en handelsverkeer vleesprodukten 1993 is erkend als vleesproduktenfabriek, in die werkplaats en fabriek per week in totaal niet meer dan 7,5 ton gehakt vlees, vleesbereidingen en vleesprodukten worden geproduceerd, dan wel

    • c. in andere gevallen dan als bedoeld in onderdeel a of b, in die werkplaats per week in totaal niet meer dan 7,5 ton gehakt vlees of vleesbereidingen worden geproduceerd.

  • 3 Erkenning van een werkplaats voor de produktie van vleesbereidingen als bedoeld in artikel 10.4, die zich niet bevindt in een andere inrichting, vindt eveneens plaats, indien de werkplaats, in afwijking in zoverre van het eerste lid, niet voldoet aan:

    • a. hoofdstuk I, punt 3, van bijlage A van richtlijn 77/99/EEG met betrekking tot de lokalen voor de opslag voor grondstoffen en eindprodukten, mits de werkplaats beschikt over een lokaal of voorziening als bedoeld in artikel 5, vijfde lid, tweede alinea, van richtlijn 94/65/EG;

    • b. hoofdstuk I van bijlage B van richtlijn 77/99/EEG;

    • c. hoofdstuk I, punt 2, onder g, van bijlage A van richtlijn 77/99/EEG met betrekking tot kranen, en

    • d. hoofdstuk I, punt 11, van bijlage A van richtlijn 77/99/EEG, in die zin dat kan worden volstaan met kasten in plaats van kleedlokalen, mits in die werkplaats per week in totaal niet meer dan 7,5 ton gehakt vlees en vleesbereidingen worden geproduceerd.

  • 5 In een werkplaats die zich bevindt in een uitsnijderij of vleesproduktenfabriek als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, dan wel in een vrij-wildverwerkingsinrichting als bedoeld in het tweede lid, mogen de voor het personeel bestemde lokalen, apparatuur en installaties, alsmede ieder lokaal ten aanzien waarvan geen gevaar bestaat voor verontreiniging van grondstoffen of produkten zonder onmiddellijke verpakking, gemeenschappelijk zijn.

  • 6 Een erkenning van een werkplaats wordt door de minister verleend, nadat uit een door de keuringsdierenarts ingesteld onderzoek is gebleken dat, in voorkomend geval, aan het eerste, tweede of derde lid is voldaan.

  • 7 Een erkenning als bedoeld in het vierde lid wordt geacht door de minister te zijn verleend, indien aan dat lid wordt voldaan.

Afdeling 7:. Verplichtingen van de exploitant of de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van een erkende werkplaats (artikelen 10.14 tot en met 10.16) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 10.14 [Vervallen per 01-01-2006]

De exploitant of de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van een op grond van artikel 10.13 erkende of erkend geachte werkplaats draagt er zorg voor dat in de werkplaats:

  • a. de voorschriften van dit hoofdstuk en van richtlijn 94/65/EG, voor zover van toepassing, worden nageleefd, en

  • b. de aanwijzingen van de keuringsdierenarts of diens assistent worden opgevolgd en dat deze alle medewerking wordt verleend die hij redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taken in het kader van dit hoofdstuk noodzakelijk acht.

Artikel 10.15 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De exploitant of de eigenaar, dan wel diens vertegenwoordiger van een op grond van artikel 10.13 erkende of erkend geachte werkplaats:

    • a. draagt er zorg voor dat in de werkplaats wordt voldaan aan de artikelen 3 en 6 van Richtlijn nr. 93/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 14 juni 1993 inzake levensmiddelenhygiëne (PbEG L 175) en controleert constant op de naleving van die artikelen;

    • b. controleert de grondstoffen die de werkplaats worden binnengebracht, teneinde ten aanzien van het eindprodukt de naleving van bijlage IV van richtlijn 94/65/EG te waarborgen;

    • c. controleert de in de werkplaats gehanteerde reinigings- en ontsmettingsmethoden;

    • d. neemt in de werkplaats monsters en draagt er zorg voor dat deze monsters volgens de van toepassing zijnde ISO- of ontwerp-ISO-normen worden geanalyseerd;

    • e. registreert op enigerlei wijze de gegevens met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in de onderdelen a tot en met d;

    • f. bewaart de in onderdeel e bedoelde gegevens:

      • -

        voor zover de gegevens betrekking hebben op gekoelde produkten, gedurende ten minste zes maanden na de uiterste verbruiksdatum van die produkten, of

      • -

        voor zover de gegevens betrekking hebben op andere dan gekoelde produkten, gedurende ten minste twee jaar;

    • g. verstrekt desverlangd aan de keuringsdierenarts of diens assistent de in onderdeel e bedoelde gegevens;

    • h. biedt de keuringsdierenarts of diens assistent de nodige garanties ten aanzien van het beheer van de keurmerken en de etiketten waarop het keurmerk is aangebracht;

    • i. informeert de keuringsdierenarts of diens assistent, indien op grond van de in onderdeel e bedoelde gegevens een ernstig gevaar voor de gezondheid wordt vastgesteld;

    • j. neemt, in geval van een onmiddellijk gevaar voor de volksgezondheid, de hoeveelheid produkten die onder technologisch vergelijkbare omstandigheden zijn verkregen en hetzelfde gevaar kunnen opleveren, uit de handel, waarna die produkten onder toezicht en veranwoordelijkheid van de keuringsdierenarts blijven, totdat zij worden vernietigd, voor andere doeleinden dan menselijke consumptie worden gebruikt, dan wel na toestemming van vorenbedoelde keuringsdierenarts op passende wijze opnieuw worden behandeld teneinde de veiligheid van die produkten te waarborgen;

    • k. vermeldt op de eindverpakking van het produkt zichtbaar en leesbaar bij welke temperatuur het produkt moet worden vervoerd en opgeslagen, alsmede de houdbaarheidsdatum indien het produkt is diepgevroren, dan wel de uiterste verbruiksdatum indien het produkt is gekoeld;

    • l. zet, tenzij het personeel van de werkplaats reeds over voldoende kwalificaties beschikt, hetgeen blijkt uit diploma's of andere bewijsstukken van gevolgde opleidingen die desverlangd door het personeel aan de keuringsdierenarts worden overlegd, een opleidingsprogramma op dat het personeel van de werkplaats in staat stelt te voldoen aan de voor de betrokken produktiestructuur van de werkplaats van toepassing zijnde voorschriften inzake hygiënische produktie;

    • m. betrekt de keuringsdierenarts die voor de werkplaats verantwoordelijk is bij het opzetten en uitvoeren van het in onderdeel I bedoelde programma en bij het opstellen van de eisen inzake zelfcontrole;

    • n. laat op de eindprodukten microbiologisch onderzoek uitvoeren, welk onderzoek:

      • 1º. dagelijks, indien het eindprodukt voldoet aan artikel 5 van richtlijn 94/65/EG, dan wel

      • 2º. ten minste wekelijks, indien het eindprodukt voldoet aan artikel 6 van richtlijn 94/65/EG, plaatsvindt in de werkplaats, mits deze door de minister is erkend, of in een erkend laboratorium;

    • o. treft overigens alle maatregelen die nodig zijn voor de naleving van de bepalingen van richtlijn 94/65/EG in ieder stadium van de produktie.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde controles en maatregelen worden uitgevoerd overeenkomstig bij beschikking van de Raad van de Europese Unie of de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 7, vijfde lid, van richtlijn 94/65/EG vastgestelde voorschriften, dan wel, zolang bedoelde beschikking nog niet is vastgesteld, overeenkomstig hetgeen de minister daaromtrent heeft bepaald.

  • 3 Voor zover ter uitvoering van de in het eerste lid bedoelde controles microbiologisch onderzoek wordt verricht, geschiedt dit overeenkomstig artikel 7, derde lid, van richtlijn 94/65/EG.

Artikel 10.16 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Indien de keuringsdierenarts constateert dat de in bijlage IV vastgestelde richtsnoeren voor de produktie van vleesbereidingen herhaaldelijk niet worden nageleefd, kan onderscheidenlijk moet hij de maatregelen nemen, bedoeld in artikel 8, derde lid, van richtlijn 94/65/EG.

  • 2 Indien de keuringsdierenarts een duidelijke overtreding van de voorschriften van dit hoofdstuk of een belemmering van een adequate keuring constateert, kan onderscheidenlijk moet hij de maatregelen nemen, bedoeld in artikel 8, vierde lid, eerste alinea, van richtlijn 94/65/EG.

  • 3 Indien de keuringsdierenarts heeft geconstateerd dat de maatregelen, bedoeld in het eerste onderscheidenlijk tweede lid, niet hebben geleid tot verbetering of opheffing van de geconstateerde gebreken, dan wel indien keuringsdierenarts heeft geconstateerd dat de artikelen 10.13, 10.14 en 10.15 anderszins niet of slechts gedeeltelijk worden nageleefd, schort de minister een op grond van artikel 10.13 afgegeven of afgegeven geachte erkenning op. Opschorting geschiedt niet dan na voorafgaande waarschuwing en na het verstrijken van een daarbij te stellen termijn, waarbinnen alsnog aan de betrokken voorschriften dient te zijn voldaan.

  • 4 Indien de geconstateerde gebreken niet binnen een daartoe bij de opschorting, bedoeld in het derde lid, gestelde termijn zijn verholpen, trekt de minister de erkenning in.

Afdeling 8:. Overige bepalingen (artikelen 10.17 tot en met 10.20) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 10.17 [Vervallen per 01-01-2006]

Vleesbereidingen die voor menselijke consumptie ongeschikt zijn verklaard of anderszins niet geschikt worden bevonden voor menselijke consumptie, worden onder toezicht van de keuringsdierenarts of diens assistent onbruikbaar gemaakt voor menselijke consumptie en behandeld overeenkomstig de bij of krachtens de Destructiewet of de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren ter implementatie van richtlijn 90/667/EEG aan de verwerking van dergelijk materiaal gestelde regelen.

Artikel 10.18 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Dit hoofdstuk is, met uitzondering van artikel 10.6, onderdeel a, niet van toepassing op het in de handel brengen vleesbereidingen die zijn bestemd voor gebruik als bedoeld in artikel 3, onderdeel III, van richtlijn 71/118/EEG.

  • 2 Afdeling 3 is niet van toepassing op het in de handel brengen van vleesbereidingen die in detailhandelszaken of aan verkooppunten grenzende werkplaatsen worden vervaardigd, teneinde aldaar rechtstreeks aan de eindverbruiker te worden verkocht.

  • 3 In gevallen als bedoeld in het tweede lid zijn de voorschriften voor het uitoefenen van de detailhandel van toepassing.

Artikel 10.19 [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 4.21 is van overeenkomstige toepassing op het laten vervaardigen en het in voorraad hebben van de in dit hoofdstuk genoemde merken en het voorhanden hebben van stempels en andere werktuigen waarmee deze merken kunnen worden vervaardigd of aangebracht, met dien verstande dat voor ‘erkende inrichting’ in artikel 4.21, tweede lid, wordt gelezen: erkende of erkend geachte werkplaats.

Artikel 10.20 [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 4.22 is van overeenkomstige toepassing op degene die voornemens is vleesbereidingen als bedoeld in artikel 10.4 bedrijfsmatig te verkrijgen.

Hoofdstuk 11. Overige dierlijke produkten [Vervallen per 01-01-2006]

Afdeling 1. Begripsbepalingen (artikel 11.1) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 11.1 [Vervallen per 01-01-2006]

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

handelsdocument:

document waarop de aard van het product, de naam en, voorzover van toepassing, het erkenningsnummer van de geregistreerde inrichting, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van richtlijn 92/118/EEG, zijn vermeld;

lid-staat:

lid-staat, alsmede Noorwegen;

derde land:

land, niet zijnde Nederland of een andere lid-staat van de Europese Unie, en niet zijnde Noorwegen.

Afdeling 2. Het anders dan in doorvoer buiten Nederland brengen van overige dierlijke produkten (artikelen 11.2 tot en met 11.6) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 11.2 [Vervallen per 01-01-2006]

Het bewijsstuk, onderscheidenlijk de bewijsstukken, bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onderdeel e, is, onderscheidenlijk zijn:

  • a. indien het een partij voor menselijke consumptie bestemde honing betreft, een handelsdocument;

  • b. indien het een partij voor menselijke consumptie bestemde slakken, voor menselijke consumptie bestemde kikkerbillen of voor menselijke consumptie bestemde eieren betreft, een handelsdocument;

  • c. indien het een partij voor menselijke consumptie bestemde gelatine of grondstoffen voor gelatine betreft, handelsdocumenten als bedoeld in bijlage II, hoofdstuk 4, Sectie A, paragraaf III, onderdeel 1, en paragraaf VI, onderdeel 3, van Richtlijn 92/118/EEG;

  • d. indien het een partij voor menselijke consumptie bestemd collageen of grondstoffen voor collageen betreft, handelsdocumenten als bedoeld in bijlage II, hoofdstuk IV, Sectie B, paragraaf IV, onderdeel 2, en paragraaf VII, onderdeel 3, van Richtlijn 92/118/EEG.

Artikel 11.2a [Vervallen per 07-09-2003]

Artikel 11.3 [Vervallen per 01-01-2006]

Tenzij in de in artikel 11.5 bedoelde voorschriften van bijlage I van richtlijn 92/118/EEG anders is bepaald, zijn de in artikel 11.2 genoemde overige dierlijke producten afkomstig uit een inrichting als bedoeld in artikel 4, tweede lid, onderdelen a en b, van richtlijn 92/118/EEG, die door de minister overeenkomstig artikel 11.6 is geregistreerd, terwijl die inschrijving niet is getroffen door een beslissing als bedoeld in artikel 11.6, derde lid.

Artikel 11.4 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 De in artikel 11.2 genoemde overige dierlijke produkten zijn niet afkomstig uit een bedrijf, inrichting of zone als bedoeld in artikel 5 van richtlijn 92/118/EEG.

  • 2 Het eerste lid geldt niet indien de aldaar bedoelde produkten overeenkomstig de van toepassing zijnde communautaire regelgeving een warmtebehandeling hebben ondergaan.

Artikel 11.5 [Vervallen per 01-01-2006]

Indien het een in artikel 11.2 genoemde partij betreft, is, voor zover van toepassing, voldaan aan de in bijlage II, hoofdstuk 2, 3 en 4, van richtlijn 92/118/EEG vastgestelde voorschriften of aan de bij beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Raad van de Europese Unie overeenkomstig hoofdstuk 2 van bijlage II van richtlijn 92/118/EEG voor het intra-communautaire handelsverkeer in deze producten vastgestelde voorschriften, voorzover deze veterinairrechtelijk van aard zijn.

Artikel 11.6 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Registratie van een inrichting als bedoeld in artikel 11.3, vindt plaats, indien de inrichting zich ertoe heeft verbonden:

    • a. een administratie te voeren waarin tenminste de leveringen van de in artikel 11.2 genoemde overige dierlijke produkten en de verdere bestemming hiervan zijn vermeld en alle op deze produkten betrekking hebbende bescheiden zijn opgenomen;

    • b. de vorenbedoelde administratie tenminste drie jaren te bewaren;

    • c. er zorg voor te dragen dat elke partij vergezeld gaat van de voorgeschreven certificaten of documenten, en

    • d. er zorg voor te dragen dat, overeenkomstig hetgeen de minister daaromtrent heeft bepaald, in de inrichting de voorschriften van artikel 4, tweede lid van richtlijn 92/118/EEG worden nageleefd, en

    • e. dat in de inrichting, voor zover van toepassing, de aanwijzingen van de toezichthoudende ambtenaar worden opgevolgd en deze alle medewerking wordt verleend die deze redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taken in het kader van dit hoofdstuk noodzakelijk acht aan deze ambtenaar wordt desgevraagd toegang verleend tot het gehele bedrijf.

  • 2 De minister houdt een register bij van de in artikel 11.3, bedoelde inrichtingen, tenzij hij een door een andere instantie beheerd register als zodanig heeft aangewezen.

  • 3 Indien is gebleken dat de exploitant of de beheerder van de inrichting de in het eerste lid bedoelde voorschriften niet of niet meer naleeft, kan de minister beslissen tot doorhaling, dan wel niet-erkenning van diens registratie. Doorhaling dan wel niet-erkenning geschiedt niet dan na voorafgaande waarschuwing en na het verstrijken van een daarbij te stellen termijn, waarbinnen aan de desbetreffende voorschriften moet worden voldaan.

  • 4 De aanvraag voor erkenning wordt ingediend bij de VWA met een daartoe bestemd aanvraagformulier.

Afdeling 3:. Het brengen in Nederland van overige dierlijke produkten uit lid-staten (artikel 11.7) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 11.7 [Vervallen per 01-01-2006]

De in artikel 11.2 genoemde overige dierlijke producten die zijn verzonden vanuit een lid-staat en zijn bestemd voor Nederland of een lid-staat, gaan vergezeld van het voor de desbetreffende productsoort in artikel 11.2 genoemde handelsdocument of certificaat en voldoen aan hetgeen omtrent het intracommunautaire handelsverkeer in de desbetreffende productsoort is bepaald in richtlijn 92/118/EEG.

Artikel 11.7a [Vervallen per 01-01-2006]

In afwijking van artikel 11.7 mogen in artikel 11.2 genoemde overige dierlijke producten die afkomstig zijn uit Tsjechië, Estland, Cyprus, Letland, Litouwen, Hongarije, Malta, Polen, Slovenië of Slowakije en vóór 1 mei 2004 zijn verkregen in een inrichting die erkend was voor uitvoer naar de Europese Gemeenschap, tot en met 30 april 2005 voorzien zijn van het keurmerk, bedoeld in artikel 3, onderdeel a, van beschikking 2004/280/EG, mits het certificaat of document dat de producten vergezelt, door de bevoegde autoriteiten van het land van herkomst is voorzien van de verklaring: ‘Vóór 1 mei 2004 geproduceerd overeenkomstig Beschikking 2004/280/EG van de Commissie.’

Afdeling 4. Het brengen in Nederland van overige dierlijke produkten uit derde landen (artikelen 11.8 tot en met 11.13) [Vervallen per 01-01-2006]

Artikel 11.8 [Vervallen per 01-01-2006]

  • 1 Een partij voor menselijke consumptie bestemde honing of koninginnengelei:

    • a. is afkomstig uit een derde land of gedeelte van een derde land dat voor ‘honing’ staat vermeld op de lijst van de bijlage bij Beschikking (EG) nr. 2004/432 van de commissie van de Europese Gemeenschappen van 29 april 2004 (PbEU L 154) tot goedkeuring van door derde landen ingediende residubewakingsplannen overeenkomstig Richtlijn 96/23/EG van de Raad;

    • b. gaat, in voorkomend geval en zodra ter zake ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap een besluit is vastgesteld, vergezeld van een gezondheidscertificaat, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel c, van richtlijn 92/118/EEG en voldoet, in voorkomend geval, aan de beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Raad van de Europese Unie overeenkomstig hoofdstuk 2 van bijlage II van voornoemde richtlijn voor de invoer uit derde landen van deze producten vastgestelde voorschriften, voor zover deze veterinairrechtelijk van aard zijn.

  • 2 Een partij voor menselijke consumptie bestemde eieren of eiproducten:

    • a. is afkomstig uit een derde land of gedeelte van een derde land van waaruit het brengen op het grondgebied van de Europese Gemeenschap is toegestaan op grond van deel IV, onderscheidenlijk deel V, van de bijlage bij beschikking 2003/812/EG;

    • b. gaat, in voorkomend geval en zodra ter zake ingevolge de regelgeving van de Europese Gemeenschap een besluit is vastgesteld, vergezeld van het gezondheidscertifcaat, bedoeld in artikel 10, tweede lid, onderdeel c, van richtlijn 92/118/EEG en voldoet, in voorkomend geval, aan de bij beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen of de Raad van de Europese Unie overeenkomstig hoofdstuk II van bijlage II van voornoemde richtlijn voor de invoer uit derde landen van deze producten vastgestelde voorschriften, voorzover deze veterinairrechtelijk van aard zijn.

  • 3 Een partij voor menselijke consumptie bestemde slakken of kikkerbillen:

    • a. is afkomstig uit een derde land of gedeelte van een derde land van waaruit het brengen op het grondgebied van de Europese Gemeenschap is toegestaan op grond van deel VI, onderscheidenlijk deel VII, van de bijlag